De geest

uit cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 2) – november 1971

De geest

De geest, die in de mens incarneert, is een vrij wezen, levend in een wereld waarin de eigen gedachten het erkenbare milieu bepalen, waarin contacten mogelijk zijn die reiken tot in vele sferen, over grote afstanden van bewustzijn dus. Toch incarneert een dergelijke geest in een menselijk lichaam met alle moeilijkheden, die aan dat lichaam verbonden zijn.
In vele gevallen laat de geest het niet bij één incarnatie. In tegendeel, hij incarneert misschien wel 5, 20 en soms zelfs 100 keer. Waarom doet die geest dat? We moeten dan eerst proberen een beeld te ontwerpen van de geest, van zijn verlangens en zijn behoeften omdat wij daardoor een beter begrip krijgen, èn voor het optreden van een incarnatiecyclus èn voor de belangrijkheid van de materie. Want wij kunnen het gehele stoffelijke bestaan van de mens behandelen, indien wij niet weten waarom de geest zich in deze perikelen begeeft, heeft het geestelijk gezien weinig nut.
Welaan dan, de geest leeft in een wereld, die bestaat uit een voortdurende uitwisseling van gedachten. Haar eigen gedachten zijn voor haar a.h.w. hallucinatorische voorstellingen, waarin zij pleegt te leven. Veelal is die wereld voor een geest er één van schoonheid en soms ook van grote rust. Vreugde is voor de geest iets wat veel intenser wordt beleefd dan door de mens. Lijden komt in verhouding veel minder voor. Theoretisch zou de geest dus in zijn eigen wereldje best kunnen blijven bestaan zonder dat hij de noodzaak voelt om zich weer eens aan de stof te gaan binden.
Maar er komt een ogenblik dat je een wereld kent. Misschien is het oneerbiedig een sfeer te vergelijken met de ommuurde tuin van het een of ander klooster. Je wandelt daar en op den duur ken je elk pad, elke grasspriet. Een enkele keer klinkt er eens een onbekende stem of dringt er een ongewoon rumoer van buiten door, maar voor de rest is er niets aan de hand. Dan komt er een tijd dat je, tenzij je innerlijk een grotere wereld kunt betreden, eenvoudig daarop uitgekeken raakt. De bloeiende rozen, die eens een verrukking waren, brengen je nu alleen maar tot een greep naar de antihistamine. De paden, waarop je eens zo vrolijk of in bezinning hebt rondgewandeld, zijn langzaam maar zeker uitgesleten sporen geworden, waarin je niet verder kunt komen. En dan krijg je de neiging om, als het moet, desnoods over de muur te springen, om uit te breken. Er is meer! Maar méér betekent heel vaak ook andere omstandigheden.
Iemand, die in een klooster zit, leeft daar betrekkelijk zorgeloos. Als hij in de buitenwereld komt, staat hij ineens voor het probleem zijn eigen kost te verdienen, Je zou dus kunnen zeggen: Als iemand het klooster wil verlaten, dan moet hij plotseling allerhande nieuwe verplichtingen en beperkingen aanvaarden. Dat is eenvoudig de consequentie van zijn zoeken naar een andere wereld of naar een nieuw beleven.
Zo is het ook met de geest. Zijn wereld wordt duf en doods. De mooiste kleuren zie je niet meer, als je die altijd ziet. Je wilt uitbreken; en de enige manier om dat te doen is ofwel je bewust te worden van een hogere wereld, die enorme eisen aan je stelt, dan wel te incarneren: een binding aan te gaan met de materie.
Nu is dit omhoog gaan soms mogelijk. In de meeste gevallen echter zijn de eisen, die aan je worden gesteld qua begrip en ook qua energie, inhoud, inventiviteit zelfs zo hoog, dat je je in die wereld hoogstens kunt bewegen als een soort idioot, een verminkt wezen, dat de taal niet kan spreken en verstaan, dat misvormd is en de schoonheid van die wereld niet kan uitdrukken; een belemmering voor iedereen en voor zichzelf een voortdurend verwijt, want zover gaat het besef nog wel, dat je de verschillen ziet. En dan kies je de incarnatie.
De incarnatie wordt niet gekozen om daarmee nu eens even heerlijk in de stof onder te duiken. Wij zouden het voorbeeld van het klooster verder kunnen uitbouwen en zeggen: Een geest wil ‑ zoals iemand, die uit het klooster gaat ‑ misschien wel graag het rustige leven voortzetten, maar hij moet eerst verdienen om dat te kunnen doen. De geest moet eerst ervaringen opdoen; dus een uitbreiding van bewustzijn krijgen, een verdieping van eigen mogelijkheden ondergaan, voordat een betreden van een wijdere wereld mogelijk is. Er is geen pressie of dwang. Er is niemand, die daar staat en zegt: Hier is een lichaam; volgende geest instappen a.u.b. Er is wel iemand, die je zal zeggen: Met dit probleem is er maar één uitweg: kijk, daar ligt een wereld, daar zijn vruchten geactiveerd, hier kun je je menselijk lichaam kiezen. Verder gaat de raad, de drang niet.
De geest kiest. Hij kiest dan vooral datgene, wat hij meent te ontberen. U zou u kunnen voorstellen dat iemand, die in dat klooster is geweest, zegt: Nu wil ik eindelijk eens rumoer hebben. Hij gaat naar een kermis en wordt dan verdoofd, ziek en misselijk van het lawaai en het geroezemoes waaraan hij niet gewend is. Menige geest haalt ongeveer hetzelfde uit. Zij kiezen voor een omgeving, voor een sfeer, waarin alles spreekt van spanningen, van activiteit. Maar dat spanningen en activiteit in stoffelijke zin minder aangenaam zijn, daarover denken zij eenvoudig niet na. Zo vormt zich een bewustzijn.
Maar er komt een ogenblik dat je als mens sterft. Het lichaam kan niet verder meer; het is versleten. De geest heeft er niets meer aan, of de geest kan in dat lichaam niets meer bereiken en verlaat het. Dat zijn praktisch de enige mogelijkheden. Alle nevenverschijnselen die wij kennen als ongevallen en plotselinge dood zijn toch wel tot één van deze beide feiten te herleiden vanuit een geestelijk standpunt.
De vaag is nu: Hoever ben je gekomen? Ben je werkelijk zover dat je geen muren meer om je wereld ziet staan? In de meeste gevallen is het alsof je wereld iets rijker, iets groter is geworden. Er is wat meer in gekomen, maar de omheining staat er nog. Er is nog steeds de wereld buiten. En als de eerste rust en de eerste bezinning voorbij zijn, is er weer de hunkering om uit te treden. Maar je hebt geleerd.
De eerste keer dat je in de stof incarneert, weet je niet wat stoffelijk bestaan is. Als je als plant hebt geleefd, kom je terug met een begrip en allerhande visies t.a.v. de zon, van voeding en misschien van aangename en onaangename omstandigheden. Als je als dier hebt geleefd, dan heb je misschien begrippen over eigendom (jachtgebied) prooi, voeding, trek, kuddegedrag verkregen. Al die dingen spelen een rol als je een volgende keer weer gaat kiezen. De reïncarnatie wordt dus bepaald door de behoefte in de geest, maar daarnaast ook door het aantal ervaringen en inzichten, die je t.a.v. de stof hebt opgedaan. Daaruit vloeit voort dat bijna elke incarnatie een ander karakter en meestal ook een ander milieu te zien geeft dan de vorige. Er zijn maar heel weinig gevallen te vinden waarvan we kunnen zeggen: De incarnatie is gelijk. Indien zij in een gelijke omgeving plaatsvindt, een ongeveer gelijk sociaal milieu, dan zien wij soms een wisseling van sekse. In andere gevallen zien wij een wisseling van land b.v. van India naar Europa of van Europa naar Afrika of iets dergelijks.
Je zoekt steeds nieuwe dingen te vinden. En alle zorgen, alle lijden en alle leed, die in de materie zo ontzagwekkend groot schijnen te zijn, al die bindingen en verplichtingen, die je in de materie soms schijnen te verstikken en vast te leggen, zijn vanuit een geestelijk standpunt eigenlijk niet eens zo belangrijk; ze zijn ervaringen. Het gaat er echter niet om prettig te leven op aarde. Het gaat erom ervaring op te doen en daarom kiest men zelfs vaak voor dingen, die vanuit een stoffelijk standpunt zeer onaangenaam kunnen zijn.
De incarnatiecyclus kan van persoon tot persoon verschillen. Er zijn mensen, die gemiddeld per 300 jaar incarneren. Er zijn er die het in kortere tijd doen. Er zijn er ook die er veel langer over doen. Hoe zouden wij dat moeten zien?
In de eerste plaats is de vraag belangrijk: In hoeverre verwerkt het ego (de geest en wat er verder nog aan vastzit) de stoffelijke ervaring? Hoe intenser deze wordt verwerkt, hoe groter de tussenpoos zal zijn tussen twee incarnaties omdat de verrijking en de detaillering, die je in je geestelijke wereld ervaart, nieuwe mogelijkheden scheppen en ook rust en nieuwe kracht geven. Hoe grondiger de ervaring is, hoe sterker ook het element van afwisseling, dus van verschil in de keuze van incarnatie naar voren komt.
Er komt een tijd dat de geest haar laatste incarnatie in de stof ingaat. Op dat ogenblik is eigenlijk het incarneren voor het ego niet meer een werkelijke noodzaak. Het is eerder een zekere vrijwilligheid. Zoals een schilder, die zijn kunstwerk eigenlijk al voltooid heeft, toch besluit: ik moet nog even teruggaan, want hier en daar moet ik nog een kleine toets aanbrengen. Op deze wijze keer je dan terug en vervolmaak je datgene, wat je innerlijk als ervaringsbeeld nodig hebt.
Er zijn natuurlijk wegen voor de geest die veel verder voeren maar in het verband van deze cursus hoeven we ons daarover niet te zeer te bekommeren. Wij zullen ons eerst eens afvragen hoe die geest het leven in de stof ondergaat. Er zijn wel een paar punten, die u allemaal vaak heeft gehoord. Ik zal ze even aanstippen:

Op het ogenblik van de bevruchting of kort daarna, meestal binnen 48 uur, vindt de eerst verbinding van de geest met de vrucht plaats. De identificatie met de vrucht is pas mogelijk indien het zenuwstelsel behoorlijk ontwikkeld is en zal daarom gewoonlijk plaatsvinden in de derde tot vierde maand. Ook daarna blijft de geest zich nog voortdurend bewust van dingen, die buiten dat kleine lichaampje gebeuren. Er bestaat heel vaak een sterke telepathische verbinding met de moeder waardoor hetgeen zij ziet en hoort, wel degelijk tot het kind doordringt. Soms kan er zelfs een soort communicatie tussen moeder en kind bestaan. Die vindt dan op subliminaal niveau plaats en wordt slechts zelden volledig beseft, maar ze is er.
Rond de achtste, soms de zevende, maar meestal rond de achtste maand is er een volledige identificatie. Dat wil zeggen dat de geest het bewustzijn buiten het lichaam terugtrekt. Het leeft nu in het lichaampje en daarin wordt a.h.w. gerecapituleerd wat de mogelijkheden zijn. U kunt zich deze periode kort voor de geboorte misschien het best voorstellen als een nogmaals inventaris opmaken. De geest gaat nog eens na welke indrukken in het bijzonder moeten worden vastgelegd in de hersenen. Hij gaat nogmaals na welke eigenschappen er zijn en op welke wijze deze bruikbaar zouden kunnen zijn.
Dan komt de geboorte zelf. De geboorte is een enorm schokkende gebeurtenis. Het is het uit een zeer besloten wereld plotseling in een open wereld terechtkomen. En het lijkt haast symbolisch voor datgene wat de geest nastreeft: het verlaten van de beslotenheid van haar eigen wereld of sfeer en het openbloeien in een grotere wereld. Wij zeggen dat ‑ voor zover het de stof betreft ‑ de geboorte meestal een traumatische gebeurtenis is waarbij een zeker psychisch trauma ontstaat en een aantal effecten en indrukken, die reeds in het kind aanwezig zijn op de achtergrond worden geschoven, onderdrukt en soms zelfs voor het gehele verdere leven ontoegankelijk voor de herinnering worden gemaakt.
Ik wil hier ook nog even wijzen op het feit dat in die prenatale periode ook wel degelijk letsel van de vrucht kan ontstaan, zowel op mentaal, psychisch als op zuiver fysiek vlak. De ervaringen van de moeder, de lichamelijke reactie van de moeder, de gedachten die worden geabsorbeerd uit de omgeving hebben invloed op het wordende mensje en daarmee ook op de geest, die erin leeft.
Na de geboorte begint het proces van oriëntatie. Ofschoon de meeste mensen dat maar over het hoofd zien, is het kind een wonderlijk mengsel van zeer grote geestelijke capaciteiten en gelijktijdig van praktisch volkomen lichamelijke onbeheerstheid. Terwijl het lichaam experimenteel wordt gebruikt en a.h.w. wordt onderzoch, totdat men het kan hanteren, zwerven in de rustperioden (die vooral in het begin zeer frequent en tamelijk langdurig plegen te zijn) de gedachten nog rond in de wereld. Ze doen daar indrukken op en worden geconfronteerd met de relatie tussen het kind en die wereld. Ook dit kan voor een geest vaak een zeer schokkende periode zijn; een traumatische gebeurtenis.
Van daaruit zien wij dan langzaam maar zeker het kind opgroeien naar de gemeenschap. Er ontstaat contact, er ontstaat taal; dus uit­drukkingsvermogen, communicatievermogen. Naarmate het lichaam rijper en beter hanteerbaar wordt, zal de eigenschap van de geest om rond zich waar te nemen en te voelen eigenlijk meer gecentreerd worden in de rich­ting van de zintuigen, die immers altijd weer de overheersende impres­sies plegen binnen te brengen. Een kind in de leeftijd van 2 tot 4 jaar heeft over het algemeen een periode waarin bepaalde hallucinatorische indrukken ontstaan. Hier heeft men te maken met b.v. contacten met gees­ten, natuurgeesten, met krachten, met uitstralingen van mensen, dieren etc., die door het kind worden gezien. Maar het kan dit zien niet uit­drukken en als het kind probeert de zaak toch weer te geven, maakt het de indruk van te fantaseren. In deze periode heeft de geest ook nog niet de last van het stoffelijk bestaan zo sterk ervaren, althans in de meeste gevallen. Ongeveer 50 % van de kinderen kent wel grote proble­men in de eerste jaren, maar de andere 50 % heeft deze in mindere of zeer geringe mate.
Nu ga je ook proberen je wereld te kennen en de telepathische waarneming, die nog steeds een rol speelt ‑ zelfs nog tot het 6e jaar meestal ‑ gaat ook voorwerpen zien en beschrijven. De imitatie-drang van het kind brengt het ertoe om b.v. met stoelen ‘spoortje’ te spelen. Maar het blijkt heel vaak dat het kind daarbij bepaalde fantasieën opvoert, die helemaal niet behoren tot de daadwerkelijke ervaring ervan. Ga je de uitbeelding na, dan blijkt ze in negen van de tien gevallen de werkelijkheid redelijk te benaderen. Het is dan dwaas te zeggen dat het kind de een of andere T.V.‑film heeft gezien en gehoord of iets door grote mensen heeft horen zeggen en daardoor tot zo’n precies kloppende uitbeelding in zijn spel komt. Volwassenen zien daaraan graag voorbij.
De geest heeft nu een voorstelling gekregen van bepaalde voorwerpen of toestanden in de omgeving en wordt geconfronteerd met de noodzaak zich aan te passen. De vrije uiting, die er voor de geest in de sferen bestaat: “ik ben mijzelf en niets anders”, maakt plaats voor “ik kan alleen mijzelf zijn indien anderen mij dat toestaan”. Dat geeft overigens vaak aanleiding tot verzet. Want wat ouderen van een kind willen, is vaak niet wat het kind zelf in lust‑ en angstgevoelens begeert, maar het strookt ook niet met wat de geest belangrijk acht. In dergelijke gevallen krijgen wij een heel sterk verweer en in dit verweer een geestelijke meting van krachten. De meeste mensen zien dat over het hoofd. Zij denken: een kind moet gehoorzamen, basta. Zij vergeten dat zij hun gedachten en gevoelens uitstralen en dat het niet alleen maar de woorden zijn die zij spreken, die het kind bereiken. Er kan dan een geestelijk duel ontstaan. En is zo’n duel een paar keer verloren, dan geeft dat aanleiding tot ressentimenten omdat er nu ook geestelijk bepaalde personen en regels worden gezien als een voortdurende belemmering voor het eigen ‘ik’ om bewust te worden.
De geest is in deze tijd druk bezig met het sorteren van haar impulsen en er is meestal weinig of geen sprake van het activeren van de eigen krachten. Dat wordt iets anders als de jonge mens ‑ nu al wat maatschappelijker geworden ‑ in de puberteitsjaren komt. In deze periode zijn er lichamelijke veranderingen, die hevige emoties en innerlijk onbegrip teweeg brengen. Hierbij is de noodzaak om zich in de wereld ‑ hoe dan ook ‑ ergens af te zetten en te doen gelden enorm groot. Zo groot dat vaak de krachten en kwaliteiten die de geest bezit, mee hierdoor worden gericht.
Dan krijgen wij te maken met jonge mensen, die poltergeistverschijnselen veroorzaken of die door hun aanwezigheid ongelukken schijnen te veroorzaken en al die dingen meer. Sommigen zijn zelfs ‑ ofschoon ze zelf rustig schijnen te blijven ‑ een soort brandpunt van allerhande onrust, die rond hen voortdurend tot uiting komt.
Voor de geest is dit eigenlijk alleen maar een poging om zichzelf verder te oriënteren. De stoffelijke problemen, die daaruit voortkomen, worden door hem weinig of niet beseft. De daden, die in deze periode worden gesteld, zullen ook bij een latere recapitulatie zeker niet worden beschouwd als iets wat onder de eigen verantwoordelijkheid valt. Neen, voor de geest is dit nog steeds de periode van leren hanteren, van een plaats te vinden in de wereld, een oriëntatie.
Het eigenlijke werk van de bewustwording begint (enkele uitzonderingen daar gelaten, er zijn kinderen met glanduleuze  afwijkingen bij wie het zelfs op het 3e of 4e jaar kan beginnen) voor de meeste kinderen in de periode van 15 tot 17 jaar gemiddeld. Het is een poging om een eigen persona op te bouwen, een gestalte, die specifiek het eigen wezen weergeeft en een gedrag geeft, dat voert tot de ervaringen, die geestelijk begeerlijk zijn. De geest zou daarvan enorme baten kunnen hebben. Zijn begrip, zijn wijsheid wordt in deze periode reeds aanmerkelijk verdiept, maar ze loopt vast in de stoffelijke gewoonten.
Het lichaam heeft zijn gewoonten. Er zijn lusten ontstaan, soms door gewenning, die niet bevredigd kunnen worden langs geestelijke weg; er ontstaat een materie‑gebondenheid. Het is als het ware het kind, dat niet kan slapen zonder snoepje; de man, die niet rustig kan praten, als hij geen grote sigaar heeft om daarmee zijn binding aan de moeder nog weer uit te drukken. Kortom, er zijn altijd weer gewoonten, waartegen je zou willen strijden, tenminste indien die gewoonten de verwezenlijking van je eigen persoonlijkheid in de weg staan. Want als geest gaat het er helemaal niet om wat je in de stof meemaakt. Een avontuurtje meer of minder, daar zegt de geest niets van, dat maakt niets uit. Een beetje ongeluk meer of minder zal de geest ook weinig zeggen. Het gaat hem om de bevestiging van zijn eigen persoonlijkheid; een uitwerken a.h.w. van een probleem van gebondenheid dat hij zich in zijn eigen wereld en sfeer heeft gesteld.
Het is kort daarna dat, mede door lichamelijke drang, de neiging opkomt om zich van een partner in het leven te voorzien. Hierbij spelen lichamelijke drijfveren vaak een grote rol en de geest zal niet altijd in staat zijn om daar op haar eigen wijze nog iets aan toe te voegen. Maar voor de geest is dát weer niet het doel van de zaak.
Wat zij zoekt, is een geestelijke wereld waarmee zij een zodanig contact kan krijgen dat zij daardoor zichzelf verrijkt en gelijktijdig in het proces ook de ander verrijkt. Het is het uitwisselen van gegevens waardoor gezamenlijk een wereld kan worden gebouwd, die minder begrensd is. Indien dit geestelijk contact niet of onvoldoende aanwezig is, dan zal in de meeste gevallen het zuiver stoffelijke contact maar beperkte tijd standhouden; daarna komt er een verwijdering, die ‑ zelfs als de lustgewoonte nog blijft bestaan ‑ toch steeds meer kenbaar wordt in onbegrip en een zekere onverschilligheid.
De wereld stelt meer uitdagingen. Je moet jezelf gaan waarmaken. Waarmaken is voor de geest jezelf uitdrukken. Voor de stof is het vooral in deze tijd wel status gewinnen en, als het kan, met een hoog salaris. Maar terwijl je stoffelijk streeft naar materiële voordelen, zoekt de geest weer evenwicht te vinden. Ook hierin wordt zij gefrustreerd door behoefte, lust‑ en angst‑elementen, die in het lichaam zijn vastgelegd.
In deze periode krijgen wij vaak te maken met een soort innerlijke stem, die helemaal geen geweten mag worden genoemd, daar zij in feite niet verwijt of oordeelt, maar alleen aangeeft welke zaken voor het ‘ik’ onaanvaardbaar zijn. Het resultaat is, naar gelang van de sterkte van de materiële impulsen en de in de stof vastgelegde gewoonten, in meer of mindere mate het denken in clichés (dus zeer eenzijdig), het interpreteren van feiten op een zeer eenzijdige manier en in ongeveer de helft van de gevallen bovendien een gevoel van alwetendheid, omdat men zich door deze innerlijke stem (dit gevoel, zoals men het misschien zou noemen) gesteund voelt en niet in staat is om daar argumenten van meer materieel‑logische aard aan te voeren.
Als het leven verdergaat, moeten die geestelijke standpunten steeds weer worden geconfronteerd met de stoffelijke feiten. De geest leert dat bepaalde dingen onmogelijk zijn. Hij leert daarnaast dat een deel van het onmogelijke aan hemzelf en niet aan anderen te wijten is.
De situatie wordt voor u misschien iets duidelijker, als ik hieraan toevoeg dat dit geen proces is van ‘leren’ in de zin van feiten leren, maar van ‘leren’ in de vorm van bewegingsmogelijkheden, trainen, dus bewegingsmogelijkheden verwerven. De eigen beweeglijkheid van de geest wordt groter naarmate zij een redelijker contact kan behouden en een zekere gelijkwaardigheid (een soort partnerschap) met de stoffelijke impulsen.
In deze periode moeten wij ook in het bijzonder wijzen op de hersenen. Terwijl in de jeugdjaren de directe activiteit van de hersenen geestelijk gezien eigenlijk niet erg belangrijk is, is zij dit gemeenlijk wel rond het 24e à 25e jaar tot praktisch het levenseinde voor de geest.
Maar ook in de materie kan een ogenblik komen dat het leven gaat stokken, dat men geen nieuwe indrukken meer opdoet. Je krijgt dan de periode van ouder worden, waarin men gaat terugvallen op herinneringen. Gelukkig doen lang niet alle ouderen dat. Velen zien kans om hun proces van verder leven en leren voort te zetten tot zelfs het 100e jaar. Maar aan de andere kant zijn er ook heel wat mensen, die op hun 45e, 50e jaar eigenlijk al voortdurend gaan terugvallen op hun herinnering.
Als je herinneringen gebruikt als vergelijkingsmateriaal voor het heden zonder te oordelen, maar alleen om ontwikkelingen te begrijpen, dan doe je iets wat geestelijk erg belangrijk is. Op het ogenblik echter dat de herinnering wordt gebruikt als een maatstaf, waardoor het heden grotendeels kan worden afgewezen, is er sprake van een recapitulatieproces. De mens is in feite niet meer bezig met de wereld ‑ die is voor hem een lastig nevenverschijnsel ‑ hij is mentaal en emotioneel en heel vaak ook in zijn stoffelijke gedragingen voortdurend bezig terug te grijpen naar het verleden. Het doet denken aan de tijd, die je gemiddeld pleegt door te maken na de overgang gedurende enkele dagen: de periode van recapitulatie.
Indien de geest ontdekt dat hij geen verdere mogelijkheden meer heeft en hij is gelijktijdig enigszins meester gebleven of gelijkwaardig partner in het stoffelijk bestaan, dan trekt hij zich terug. Er zijn mensen die, als een voor hen belangrijke mogelijkheid tot verrijking wegvalt, eenvoudig besluiten om over te gaan. De mens zegt dat meestal wat sentimenteler: Ach, die oudjes. Vijftig jaar hebben zij samen geleefd, nu is zij dood en hij gaat een paar dagen of een paar weken daarna ook. Hij kon het zonder haar niet stellen. Dat is wel waar, maar niet in de emotionele of sentimentele zin, waarin het meestal wordt gesteld. Het is doodeenvoudig zo: Die twee mensen zijn zodanige partners geworden, dat er een grote geestelijke binding bestond. De geest komt tot de conclusie dat, nu de partner is overgegaan, tezamen een minder begrensde geestelijke wereld kan worden betreden. Er is dan geen reden meer om het leven in stand te houden. Er is geen sprake van een sentimenteel wegkwijnen, er is ‑ gezien vanuit de geest ‑ eerder sprake van een sluiten van een zaak, die geen profijt meer geeft.
De dood zelf is voor de geest eigenlijk een herboren worden; het binnentreden in de eigen wereld, het thuiskomen na een lange reis. Maar ja, als je thuiskomt en je hebt lang in de vreemde vertoefd, dan is je huis wat onwennig. Ik weet niet of u zelf wel eens een jaartje hebt rondgetrokken of ergens anders heeft gewoond en toen weer in uw eigen huis bent binnengekomen. Dan zie je het met andere ogen; het is anders. Deze vervreemding speelt een rol bij de erkenning van de eigen wereld door de geest. Hij herkent wel de mogelijkheden, die er voor hem bestaan, misschien ook bepaalde grenzen die er reeds waren, maar hij waardeert ze anders; en door deze waardering is hij in staat zijn besef uit te breiden. Alleen indien hij niet kan aanvaarden al wat hij heeft geleerd en gedaan, kan hij wegvluchten in het duister en dan is de volgende incarnatie een noodsprong. U weet, een kat in het nauw maakt rare sprongen. Ik zou zeggen: een geest in het duister, die de kans krijgt om eruit te komen, maakt rare incarnaties.
Wanneer wij nu zo de geest hebben bezien en daarmee het incarnatiepatroon wat begrijpelijker hebben gemaakt, zal het u ook duidelijk worden dat sommige mensen geheel volgens plan kunnen incarneren.
Deze geest heeft dus systematisch een deelbewustzijn bij een deelbewustzijn gevoegd en is in staat om zijn behoeften zeer nauwkeurig te omschrijven. Als hij steeds een bepaalde waarde‑ervaring zoekt en daarmee genoegen neemt in het leven, dan betekent dit dat hij bijna met de regelmaat van een klok incarneert. Voor hem is de aardse tijd iets wat, althans in de incarnatie, nog steeds schijnt te gelden en tot uitdrukking komt in aantallen jaren.
Een geest, die niet zo regelmatig is en die misschien in een leven alleen maar probeert een maximum aan bewustwording‑’te verkrijgen, heeft meer tijd nodig. In de eerste plaats is de eigen werelduitbreiding niet systematisch. Er zijn dus meer verkenningen noodzakelijk voordat je je begrensdheid begrijpt; en zelfs dan zijn al die nieuwe punten vaak nog zo interessant dat je zegt: Ach, ik wacht nog even. Eerst als de verveling, het begrensd‑zijn weer te sterk wordt, incarneer je weer in de materie. Sommige mensen doen dit zeer regelmatig. Als zij een keer 84 jaar tussen twee incarnaties hebben gehad, kun je erop rekenen dat de eerste tien incarnaties ook tussenpozen van 84 jaar vragen; dus elke keer na de dood 84 jaar tot de hergeboorte. Bij weer anderen is het zeer willekeurig. De ene keer incarneren zij misschien al tien jaar nadat zij dood zijn gegaan, de volgende keer duurt het 200 jaar. Er bestaat geen enkele reden voor de geest om een voorkeur te geven aan het ene of aan het andere systeem. Want degenen, die met gekke huppelsprongen gaan, worden tenslotte net zo snel bewust als de anderen. Ik zou zeggen dat dit een kwestie is van persoonlijke eigenschappen en misschien ook van een zeer persoonlijk gebruik van mogelijkheden.
Ook hier ben ik, geloof ik, ver genoeg gegaan. Ik heb aanvaardbaar gemaakt ‑ naar ik hoop ‑ dat de incarnatie voor de geest een noodzaak is en ik heb ook duidelijk gemaakt wat hij in die incarnatie feitelijk vindt. Maar hij wordt geconfronteerd in het leven met vele rare verschijnselen.
Ik heb zo-even een partnerschap tussen de seksen genoemd; zeg maar: het huwelijk. Maar dan zijn er ook kinderen, er zijn emotionele relaties met andere mensen, daar zijn op mentaal terrein bestaande relaties met anderen, er zijn zelfs op uitstraling gebaseerde relaties met andere mensen. En al deze spelen in het bestaan een grote rol.
U zult zelf weleens hebben ontdekt dat u mensen tegemoet kunt treden en dat u ineens zegt: Ja, dat is het. Dat is iemand, die mag ik. Maar u wist niet waarom. Of dat u iemand heeft afgewezen. U heeft op dezelfde wijze wel eens een herkenning gehad. U zegt: Ja, dit is een stuk grond, daar wil ik leven. Of als u een naam uitspreekt, die u in een aardrijkskundeboek heeft gevonden, dat er dan ineens een soort film begint te draaien, dat er voorstellingen komen. Dat zijn relaties. Voor de geest zijn die dingen ergens belangrijk. Wat hebben ze te betekenen?
Wel, door de relatie die er bestaat tussen partners in een huwelijk of een daarmee vergelijkbaar samengaan, de gebondenheid die er bestaat tussen ouders en kinderen of een daarmee vergelijkbaar samengaan (het is nl. zo dat die band ook kan bestaan tussen pleegouders en een kind) heeft de geest hier een gelijkwaardigheid, een zekere versmelting. Een kind kan voor sommige mensen een enorme betekenis hebben omdat in de herinneringen en in de uitstraling van het kind bepaalde waarden uit de geest a.h.w. helderder doorkomen. Het is alsof je daardoor weer wordt geleid tot de meer essentiële taken, die je je geestelijk hebt opgelegd. Dit moet men niet verwarren met de wat dierlijke bezitsdrang of bezitslust, die ook vaak voor ouderliefde doorgaat. We hebben hier te maken met een werkelijk onderling contact, een werkelijk begrip.
Met vrienden en bekenden is dat precies hetzelfde. Zij hebben iets qua ervaring, qua uitstraling, qua inhoud, waardoor de geest beter wordt. Het is dan ook daarom dat men eigenlijk geen voordelen of genietingen op stoffelijk niveau meer pleegt te zoeken, indien er sprake is van een reëel contact of een reële vriendschap.
Het zal u duidelijk zijn dat geesten, die reeds dergelijke contacten in de sferen hebben gehad, de neiging zullen hebben om ook hun stoffelijke ervaringen met elkaar te delen. Er ontstaan dus vaak incarnatiegroepen.
Incarnatiegroepen zijn meestal beperkt. Een gemiddelde incarnatiegroep omvat 5 à 6 persoonlijkheden. Maar daarnaast zijn er, wat je kunt noemen, culturele incarnaties: mensen die in een gelijke achtergrond bewustwording hebben gezocht, zullen ongeveer gelijke conclusies hebben t.a.v. de weg, die zij verder in de stof moeten afleggen. Op deze manier kunnen zelfs hele bevolkingsgroepen gezamenlijk incarneren. Alleen, indien die incarnatie heeft plaatsgehad, zit er voor de geest iets bijzonders aan vast. Want als je gezamenlijk ben geïncarneerd en je hebt op aarde geleefd vanuit een bepaald principe dat door geestelijke erkenning en geestelijke principes a.h.w. werd gestimuleerd en in evenwicht gehouden, dan zul je in de geest een groot gedeelte van de stofherinnering behouden en daarmee ook de verbondenheid met de groep.
U moet maar eens kijken in de wereld van het spiritisme. Is het u niet opgevallen dat in een bepaalde periode praktisch alle genezende geesten indiaanse medicijnmannen waren? Hier heeft u zo’n verschijnsel. Of dat in een andere periode heel veel mensen iets terugvoelen of herkennen in de richting van Egypte of India? Alweer, zo’n verschijnsel wijst op een gezamenlijke incarnatiegolf. Het is niet zeker, er kan fantasie bij zijn, maar het is waarschijnlijk. Want de geest kan daardoor een groot gedeelte van een gemeenschappelijke waarde, die in de geest bestond, op aarde levend houden. En al is dat onbewust, je kunt je dat redelijk soms niet voorstellen, word je daardoor in het verder zoeken naar ervaring gedirigeerd. Je kunt dus juister ontwikkelingen vinden. De geest heeft er veel belang bij, natuurlijk.
Naast deze groepsincarnaties en wat ertoe behoort, heeft hij tevens zijn vreemde voorkeuren. Nu klinkt het krankzinnig als ik u zeg dat niet alleen gentlemen maar ook ‘spirits prefer blondes’. Je hebt vaak een beeld uit een vorig bestaan overgehouden. Dat beeld was geestelijk maar het kon alleen worden uitgedrukt in een stoffelijke vorm. Als zodanig is het in het ego ingebracht. Dan zal een persoon, die weer incarneert, bijna vanaf de geboorte een voorkeur tonen voor uiterlijke kentekenen omdat hij daarachter een geestelijke inhoud vermoedt. Als dat voldoende sterk is ingeprent in het onderbewustzijn, dan krijg je mensen, die hun hele leven a.h.w. worden aangetrokken door bepaalde lichaamskenmerken b.v. bepaalde oren, neuzen, misschien de inplanting van het haar, een hand, een gebaar of een bepaald timbre van de stem. Deze dingen hebben dan een bijzondere attractie omdat ze associaties hebben met een bepaalde ontwikkeling.
De grote moeilijkheid is natuurlijk dat die uiterlijke kentekenen geen borg staan voor een gelijkwaardige geestelijke inhoud. Hierdoor krijgt de geest heel vaak een serie tamelijk gevoelige lessen met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de vorm. Inhoud is belangrijk, vorm niet. Persoonlijkheid is belangrijk, niet de bekleding waarin de persoonlijkheid verschijnt. Een vrouw met de ideale maten kan waardeloos zijn. Iemand, die doet denken aan een bonenstaak met hier en daar een uitsteeksel, kan misschien het summum zijn van geestelijke, mentale en zelfs vrouwelijke eigenschappen. De inhoud is belangrijk en naarmate de geest op aarde leert meer tot het essentiële door te dringen, zal zij ook in staat zijn om alles wat met de wereld samenhangt, beter op te nemen.
Ik zou hier graag een voorbeeld geven. U weet dat wij in de Orde (nvdr. Orde der Verdraagzamen) over het algemeen zeer goed of redelijk goed zijn voorgelicht over al datgene wat er zich op aarde afspeelt. Dit is alleen mogelijk doordat wij hebben geleerd uiterlijkheden en innerlijkheden te ervaren; dus op te nemen en gelijktijdig in essentie te scheiden waarbij wij uiteraard aan essentie alleen datgene werkelijk kunnen erkennen wat met ons wezen en ons bestaan in zekere mate harmonisch is. Er zijn altijd verschijnselen waarvoor wij blind zullen blijven.
Hier wordt de geest gevormd door wat hij eens zal moeten zijn: een wezen dat in zich, ongeacht de uiterlijkheden, een grote verscheidenheid van impulsen kan aanvaarden en het eigen wereldbeeld zodanig kan oriënteren dat er plaats is voor elke van buiten ontvangen impuls. Dit is de geestelijke groei: het groter worden dat op de duur kan leiden tot een optreden als groeps‑ of rassengeest, misschien zelfs als bezieler van de een of andere planeet of ster; en van daaruit gaat het verder in de oneindigheid. Voor de geest is dus het bestaan in de stof een school. Maar het is een school waarin je zelf vrijwillig de vakken kiest. Alleen, je kunt niet weggaan als de wijze waarop de les wordt gegeven, je niet bevalt. Dat is een groot voordeel want hierdoor kan de traagheid, die niet alleen de mens maar vaak ook de geest is ingeschapen, de bewustwording niet voortdurend of volledig belemmeren.
A1 datgene, wat ik u nu over de geest heb gezegd, geeft weer een beetje beter inzicht in de verbinding tussen geest en menselijk lichaam maar gelijktijdig kan het een verklaring vormen voor een groot aantal maatschappelijke verschijnselen: de groepsvorming in uw maatschappij, de wijze waarop een religie al dan niet kan worden aanvaard en beleden, de manier waarop je je in het leven stelt, dus wat je idealen zijn. Al deze dingen hebben vaak ‑ ten dele althans ‑ een geestelijke achtergrond. In volgende lessen zullen wij proberen daarop in te gaan want er zijn heel veel problemen, die je op aarde zo onbegrijpelijk voorkomen en die ineens ‑ gezien in het licht van een geestelijke activiteit ‑ een grotere en meer doelmatige achtergrond hebben en begrijpelijk worden. Voor heden heb ik echter de beschouwing van de vorige maal over de mens willen afronden. En ik zou dit niet kunnen doen zonder ook een paar kleiregels te geven. Die regels geef ik niet voor de geest. Dat is helaas voor u nog niet mogelijk. Er komt misschien een tijd dat u helemaal geest bent en ons eerder regels komt vragen t.a.v. de manipulatie van de stof. Maar als mens zou ik u voor uw geestelijke bewustwording en het juist ontwikkelen van die mogelijkheden dan de volgende raadgevingen willen voorleggen:

  1. Onthoud dat uw wereldbeeld voor een deel wordt bepaald door de geestelijke mogelijkheden tot harmonie. Een geestelijke harmonie, die u ervaart, is altijd belangrijker dan schijnbare tegenstellingen op welk stoffelijk terrein dan ook.
  2. Voor de geest is feitenmateriaal waardeloos tenzij het een mogelijkheid betekent om het andere juister te beleven en om erin door te dringen. Streef liever naar een werkelijk begrip en inzicht op enkele punten dan naar het verwerven van een alomvattende kennis, die u maar weinig mogelijkheden geeft om in u de essentie van de zaken volledig aan te voelen en a.h.w. te proeven.
  3. Om als geest nieuwe waarden te kunnen opdoen, moet er een receptiviteit zijn. Probeer als mens open te staan voor uw wereld. Beoordeel de verschijnselen en waarden, die u rond u ziet niet, maar accepteer de beelden zonder daaraan in uzelf consequenties of conclusies te verbinden. Hierdoor worden de mogelijkheden tot definiëren in de geest groter en zult u later de voordelen ervan genieten, terwijl u in deze periode daardoor reeds meer inzicht krijgt in de werkelijke relatie tussen u en de wereld en zo zelf ook juister kunt leven.
  4. Het is een oude waarheid maar ze is toch wel erg belangrijk: Ken uzelf een beetje. Probeer niet jezelf helemaal te begrijpen, dat is praktisch onmogelijk omdat je als mens het inzicht in een groot gedeelte van de geestelijke waarden eenvoudig ontbeert, maar probeer een beetje te begrijpen waarom je de dingen doet.

Weet, als je iets doet tegen alle rijm en rede in, waarom je iets probeert af te dwingen, terwijl je aanvoelt dat het nooit 100 % kan zijn. Vraag je af: Waarom doe ik de dingen? Want iemand, die inzicht krijgt in zijn beweegredenen, stimuleert daarmee ook de mogelijkheid voor de geest om de stof (althans als geest) als gelijkwaardige partner te benaderen en zo via impulsen een juist gedrag en een juiste beleving vanuit geestelijk standpunt mogelijk te maken. Vandaar ook: Ken uzelf!
Met deze punten zou ik deze les willen beëindigen.

De mens en zijn mentale wereld

Het denken van de mens bepaalt voor een deel zijn wereld, zoals u zult weten. Een groot gedeelte van onze interpretaties stellen wij in de plaats van feiten, zodat wij leven in een wereld van begoocheling. Er zijn echter heel wat redenen op te noemen waardoor deze begoocheling onvermijdelijk lijkt. Het merendeel van deze redenen ligt op het mentale gebied van de mens: de functie van zijn hersenen, zijn lichamelijkheid.
Wij kennen in de eerste plaats een aantal ziekten. Men zegt van de geest, maar men bedoelt daarmee natuurlijk van het mentaal vermogen. Het merendeel van de mensen heeft geen absoluut normaal reactievermogen. Dit betekent niet slechts een eenzijdige interpretatie maar ook dat deze mensen bepaalde beelden voor zich oproepen en door deze beelden zich vaak vervolgd wanen of zich daardoor geïsoleerd voelen. Er zijn beelden bij, die aan bepaalde lichamelijke kwesties te wijten zijn: onevenwichtigheid in de interne secreties en vergiftigingsverschijnselen, die o.m. dementia worden genoemd met verschillende bijnamen.
Weer andere verschijnselen zijn innerlijke strijdigheden, waardoor de persoonlijkheid a.h.w. gespleten is en de mens twee afzonderlijke beelden van zichzelf voortdurend met elkaar confronteert. De lichtere vormen daarvan worden neurosen en psychosen genoemd. Maar de neuroticus kent zijn eigen neurose niet zomin als degene, die aan een z.g. geestesziekte lijdt, in staat is om voortdurend en vooral tijdens het optreden daarvan de verschijnselen van die ziekte objectief als zodanig te herkennen. Wij worden dus, zodra wij in de stof zijn, voor een deel geleefd door de afwijkingen, die er in onze hersenen bestaan. Wat wij denken, is ook wat wij rond ons plegen te projecteren. Een mens projecteert zijn eigen beeld en in zeer vele gevallen zal zijn waardering van de eigen ‘persoonlijkheden’ door anderen worden ervaren als een component van het totaal waargenomen beeld van die mens.
Als wij dus instabiel zijn ‑ op welke wijze dan ook ‑ projecteren wij dat naar buiten toe en de mensen zullen dat aanvoelen. Maar niet alleen dit. Wij werken met de gedachten ook in op de astrale wereld. De mentale werking van de mens vindt haar weerspiegeling in vormen, die astraal ontstaan. Meestal zijn zij zeer vluchtig maar onder omstandigheden kun­nen zij een zekere vastheid en houdbaarheid bereiken. In dat geval spre­ken wij van ‘schillen’ of ook wel menselijk geconstrueerde schillen.
Een mens, die een bepaalde psychose of neurose heeft, zal over het algemeen abnormaal maar praktisch gelijk reageren op bepaalde indrukken. Dat wil zeggen, dat hij in verband met die indrukken een astrale gestalte weet te scheppen, die terugslaat op zijn persoon. Want de indrukken, welke die mens uitzendt, keren ook tot hem terug. Zo ontstaat er een reëel en stoffelijk waarneembaar verschijnsel aan de hand van afwijkingen van het gedachtebeeld.
In de relaties tussen mensen kunnen dergelijke verschijnselen van zeer groot belang zijn en zij zullen heel vaak mee bepalen op welke wijze u in de wereld wordt bejegend en hoe u anderen zult bejegenen. Het is dus van groot belang dat men een redelijk begrip heeft voor zijn eigen mentale gesteldheid.
Zien wij de mens, die volkomen normaal denkt (een onmogelijkheid, dat geef ik graag toe, maar stellen wij voor een ogenblik dat dit bestaat), dan hebben wij te maken met iemand, die met een redelijke objectiviteit de verschijnselen rond zich waarneemt, die o.m. door impulsen van zelfbehoud en andere instinctimpulsen plus redelijke overwegingen daarop reageert. Hij heeft derhalve een te voorspellen gedragspatroon en daarnaast een zeer grote weerstand tegen alle verschijnselen, die hem dreigen aan te tasten.
Verschuiven wij in de mentale gesteldheid ook maar een 15e of een 20e gedeelte van het gedachteleven naar het onevenwichtige, dan ontstaat er een situatie waarin men zich niet meer gelijk en objectief tegenover de gehele wereld kan opstellen. Het resultaat is in de meeste gevallen dat men hierdoor delen van het leven van zich afstoot – ook die men nodig heeft ‑ terwijl men zich eveneens vaak aangetrokken voelt tot bepaalde zaken, die in wezen voor het ‘ik’ ‑ stoffelijk en soms zelfs geestelijk ‑ onaanvaardbaar of gevaarlijk zijn. Hierbij speelt de menselijke maatschappij ook nog een grote rol.
In de wereld van de mensen zijn gedragsregels geschapen, die door de gehele gemeenschap als juist worden aanvaard. Het is niet hun juistheid maar de algemene aanvaarding die vorm geeft aan een mentaal-astraal beeld, waaruit de bevestiging van die normen en vormen voortdurend worden afgedwongen. Een mens, die zich gedraagt volgens zijn inhoud en werkelijke behoeften, zal dus door de wereld, zowel op astraal terrein, op mentaal terrein alsook lichamelijk vaak onder druk worden gezet. En dit betekent dan weer dat de gespletenheid in de mens (dus de strijdigheid tussen de persona die hij naar buiten toe schept en die hij innerlijk waarlijk meent te zijn) toeneemt. Deze vorm van verdeeldheid is heden ten dage over de gehele wereld zeer actueel en omvat, voor zover mij bekend is, ongeveer 64 % van de wereldbevolking, waarbij moet worden opgemerkt dat de mate, waarin dit verschijnsel optreedt, natuurlijk in vele gradaties zou kunnen worden onderverdeeld.
De situatie van een mens, die zijn mentale wereld probeert te herzien, zal hem doen ontdekken:

  1. Ik ben niet waar. Ik moet altijd uitgaan van mijn onwaar‑zijn, indien ik in mijn mentale wereld een enigszins juist beeld wil krijgen.
  2. Ik moet weten wat mijn waar‑zijn zou inhouden. De discrepanties, bestaande tussen het onware als zodanig beseft dat ik naar buiten toe voortdurend als waarheid voorstel en de waarheid, die in mij leeft, zal ik vervolgens zo goed mogelijk moeten omschrijven.
    Een omschrijving van de eigen capaciteiten en discrepanties is zeer belangrijk omdat wij alleen op deze wijze onze mentale wereld juister en een beetje evenwichtiger kunnen maken. Want wij moeten voor onszelf de regels en de wetten vinden waardoor onze gedachtewereld wordt bepaald. Hierbij is het misschien goed op te merken dat dit in vroegere tijden heel vaak religieus geschiedde. De religie als zodanig berustte in negen van de tien gevallen op volksmisleiding. Maar de essentie van de religie voor de mens was niet dat zij hem een contact met God gaf, maar dat zij hem een bepaalde relatie deed erkennen t.a.v. zijn wereld. Hierdoor waren innerlijke strijdigheden niet goed mogelijk. De strijdigheid op mentaal terrein werd immers opgelost door de geloofservaring.

Naarmate het geloof zwakker en meer geformaliseerd is geworden, heeft de mens minder gezag, dus minder autoriteit, waaraan hij zich toetst. Dit betekent enerzijds een grotere mogelijkheid om zelf waar te worden, maar anderzijds een voortdurend grotere mentale verdeeldheid tussen de verschillende mogelijkheden en wereldbeelden, die je in je draagt. Dit verklaart ook een groot gedeelte van de storingen in uw wereld.
Als wij de angst voor geweld zien toenemen, dan zit het denkbeeld ‘geweld’ reeds in het bewustzijn van vele mensen. Er wordt een beeld van dit geweld en van het geweld dat men vreest, ontworpen. Dit beeld wordt uitgestraald. Is de vrees voor een bepaald geweld massaal genoeg, dan is het bijna onvermijdelijk dat het geweld hierdoor ook wordt gerealiseerd. Wij hebben dan een astrale kracht geschapen, die ‑ al is zij vanuit ons standpunt negatief ‑ datgene wat als beeld in ons bestaat, in de wereld tracht waar te maken. Omgekeerd zou ook mogen gelden dat het goede, dat mensen werkelijk geloven en verwachten, eveneens een krachtig astraal beeld kan worden, waaruit wederom met grote kracht straling naar de wereld kan uitgaan.
Belangrijk kunnen daarbij verder zijn de fasen van geleidbaarheid, dus de mogelijkheid tot directe overdracht van energieën en denkbeelden vanuit de astrale wereld naar de menselijke wereld, zuiver materieel of via een mentale tussenfase. Hierbij kunt u rekening houden met o.a. bepaalde maanfasen, met bepaalde astrologische situaties. Hierdoor wordt inderdaad aangegeven op welke wijze de ontlaadbaarheid vanuit een astrale schil vergroot of verkleind wordt. Gelijktijdig betekent die geleidbaarheid ook dat emoties, welke op die ogenblikken op aarde algemeen bestaan en mentaal (dus als beeld) worden doordacht en beleefd, ook een sterkere vorm zullen krijgen in de astrale wereld.
Het moge u duidelijk worden dat de mens zijn mentale wereld te weinig beseft en niet in staat is ‑ althans in merendeel ‑ om deze mentale wereld enigszins te begrijpen. De reden daarvoor is vaak de vervorming van besef, die psychotisch, neurotisch of langs meer ernstige z.g. storingen in de mens ontstaat. Wij kunnen als mens ons `eigen beeld over het algemeen niet volledig aanvaarden. Wij projecteren een wensbeeld van wat wij zouden kunnen zijn, daarbij vergetende te toetsen of dat inderdaad waar is.
Er zijn mensen, die zich een situatie voorstellen, die inderdaad voor hen zeer begeerlijk is, maar die alleen kan worden verwezenlijkt indien zij ook zelf hun persoonlijkheid uitvoerig weten te wijzigen en aan te passen. Hiertoe zijn ze echter niet in staat. Zo blijft hun droom een droom. Maar dit betekent gelijktijdig dat de benadering van de droom, die via de weerkaatsing hen zo nu en dan schijnt te benaderen, een voortdurend grotere frustratie tot stand brengt. Gebrek aan begrip voor hun eigen inhouden maakt hen blind voor het feit dat niet de wereld, het noodlot, de geest of de goden hen voortdurend van de bereiking verwijderd houden, maar dat zijzelf die bereiking onmogelijk maken.
Het is misschien interessant in dat verband na te gaan in hoeverre bepaalde mentale beelden en hun intensiteit uitwerking hebben. Ik zal trachten dit via een voorbeeld te zeggen omdat het via formule en presentatie alleen wat onduidelijk is.
Indien ik in mij een beeld scherp formuleer, dat afwijkt van mijn eigen persoonlijkheid, dan zal het feit dat deze situatie buiten mij kenbaar wordt, mij blind maken voor alle nevenverschijnselen daarvan. Het gevolg is dat ik eigenlijk, tegen beter weten in, een situatie als waar aanvaard. Deze aanvaarding impliceert gelijktijdig de ontkenning van mijn persoonlijkheid, waarbij mijn behoefte om mijzelf te blijven, mij in verweer brengt en zo de situatie creëert waarin het onmogelijk is om mijzelf te zijn. Het eenvoudigste voorbeeld:
Iemand verlangt werkelijk iets te bereiken en gaat helemaal daarin op. Hij spreekt zonder te beseffen wat hij doet tegen personen, die schijnbaar met alles niets te maken hebben, een paar woorden; en door die paar woorden alleen wordt de gehele situatie plotseling a.h.w. herroepen, veranderd. Zij wordt teruggeworpen en uit de reversie van feiten ontstaat er dan een enorme frustratie en teleurstelling plus de vraag: waarom is mij dit overkomen? Wat dan weer voert tot een vergroting van psychotisch gedrag. De formule daarvoor is als volgt:

ego’s beeld / zelferkenning  =  verwerkelijking;
ego’s beeld/ verwerkelijking  =  verwerping.

Als het ego eigen beeld deelt door zelferkenning, ontstaat er verwerkelijking, maar indien het ego eigen beeld deelt door verwerkelijking, ontstaat er een persoonlijkheidsbeeld dat wordt verworpen.

Indien wij de zaak procentueel willen uitdrukken t.a.v. de gehele bevolking van deze wereld, kunnen wij zeggen: bij het beeld, dat de mens zich vormt (dit stellende op 100 %, dus voor iedereen gelijk), zal ongeveer 80 % komen tot een onjuiste interpretatie van werkelijkheid, ongeveer 70 % tot een redelijke frustratie, ongeveer 10 % tot een absolute frustratie. De overblijvende 20 % vinden een aanpassing aan het onbereikbare. In deze aanpassing vindt dan een lichte persoonlijkheidsverandering plaats welke mentaal tot uiting komende in een persoonlijkheidserkenning, de mogelijkheid geeft tot een alsnog verwezenlijken van het denkbeeld voor ongeveer 3 %.
Hieruit mag u wel concluderen dat de denkwereld, de mentale wereld van de mens, voor het merendeel van de op aarde levenden ver af ligt van de ervaren werkelijkheid. Dit is een wat wonderlijk feit, daar wij moeten aannemen dat een geest, bewust levend in een lichaam en deelhebbend aan de daarin ontstane mentale voorstellingen, de geestelijke zowel als de stoffelijke werkelijkheid voldoende kan overzien om tot een reële aanpassing te komen. De verwezenlijking‑van het denkbeeld is daarmee praktisch onvermijdelijk geworden.
Ik heb u reeds gezegd dat het merendeel der mensen lijdt aan zekere splitsingen in de persoonlijkheid; soms aan z.g. geestesziekte en in vele gevallen aan psychose, neurose e.d. Voor zover deze niet een zuiver stoffelijke oorzaak hebben, moeten wij dan verder stellen dat deze mensen alleen zichzelf kunnen genezen. Maar de meeste mensen willen zichzelf niet genezen, indien de genezing impliceert dat hun relatie met de wereld voor hen meer verplichtingen bevat en gelijktijdig bepaalde droombeelden wegneemt.
De mens misbruikt zijn mentale wereld bewust of onbewust. Hij probeert in de mentale wereld een compensatie te scheppen voor wat hij beschouwt als zijn onvolkomenheden in het stoffelijk bestaan. Hij creëert dus voortdurend astrale waarden, die gericht zijn tegen de werkelijke ontwikkelingen en situaties die stoffelijk mogelijk zijn.

(Door storing zijn hier enkele zinnen uitgevallen.)

Wat de gevolgen daarvan op zuiver stoffelijk gebied kunnen zijn? Indien de angst voor de atoombom niet zo groot was, zou de ontwikkeling van de atoombom minder snel zijn gegaan. Dit klinkt schijnbaar tegenstrijdig, maar is volkomen waar. Dit betekent dan ook dat bepaalde autoriteiten zich niet door pressie van anderen genoopt zouden voelen om tegen alle redelijkheid, verwachting en verstand in bepaalde kernproeven te nemen, daarbij de risico’s buiten beschouwing latend. De tegenstand van anderen heeft hen blind gemaakt voor de risico’s, die zij lopen. Dat de gevolgen tenslotte niet voor de wereld fataal zullen zijn, mag ik hier wel onmiddellijk aan toevoegen. Maar dat de gevolgen aanmerkelijk anders en gevaarlijker zullen zijn dan de deskundigen ooit hadden verwacht, zal mettertijd blijken en zal ook hier en daar slachtoffers eisen, naar ik meen.
Ik geloof dat een verwijzing naar een dergelijke actualiteit een bijdrage kan zijn voor een beter begrip van wat u in uw mentale wereld zelf doet. In plaats dat u harmonieën en een zekere objectiviteit schept, schept u een voortdurend grotere subjectiviteit maar een steeds grotere innerlijke verdeeldheid en daardoor een steeds verdergaande negatieve projectie vanuit een astrale wereld naar het geheel der mensheid. Het is zeker goed met deze dingen rekening te houden.
Als ik de mentale situatie van de mens nog verder in enkele korte zinsneden mag ontleden:
Het denken van de mens bestaat uit erfelijk aanwezige reactiewaarden, uit door lering ontvangen referentiewaarden, door uit daad ontstane associatiewaarden en als zodanig uit een aantal in elkaar grijpende werkingen, welke door het gedrag en het wezen van de mens zelf grotendeels bepaald zullen zijn.
De beheersing van deze mentale wereld is slechts mogelijk, indien tegenover deze zeer subjectieve reacties en associaties een wat objectiever beeld van het ‘ik’ in de wereld en t.a.v. de wereld wordt gesteld.
Een mens, die zijn eigen belangrijkheid voortdurend op de voorgrond schuift, bereikt daarmee over het algemeen een steeds grotere onvolkomenheid in zijn leven en tevens vaak een toenemend falen in de bereikingen, die hij werkelijk begeert. Indien hij echter beseft dat zijn belangrijkheid betrekkelijk is, zo zal hij denkend en reagerend uit die betrekkelijkheid ook een mentaal beeld ontwerpen dat voor hem begeerlijk is, waarin eveneens een zekere betrekkelijkheid is opgenomen. Het eindresultaat is een gemakkelijker benadering van althans een deel van het geschapen ideaalbeeld en daaruit een grotere bevrediging voor het eigen ‘ik’ plus een vergroting van innerlijke veerkracht, indirect weer resulterend in een vergroting van mentaal vermogen en zelfs in z. g. geestkracht (uitstralend vermogen) en innerlijke binding met de geest zelf.
De geest heeft in het totaal van het mentale bestaan van de mens slechts een zeer beperkte en niet bewust realiseerbare invloed. Zij staat voortdurend op de achtergrond. Zij kan bepaalde tendensen bepalen, maar slechts t.a.v. in het brein (het stoffelijk denken) bestaande waarden. Het is zeer belangrijk dat men zich dit realiseert.
Het denken zelf vormt een veld van voortdurend fluctuerende, zeer geringe stromingen. Dit is o.m. via het encefalogram deels te registreren. Dit veld heft een voortdurende relatie met omliggende velden van gelijke aard plus alle geestelijke en astrale velden, die van gelijke of van harmonische aard zijn. Er is dus een voortdurende wisselwerking tussen het eigen breinveld en alle gelijkwaardige velden in de omgeving. Maar de.uitdrukking van het geheel zal steeds plaatsvinden in de associatieve termen van het eigen ‘ik’. Ook hier weer een belemmering voor het reëel erkennen van het gebeuren.
Ik wil niet zover gaan als sommigen, die beweren dat de mentale wereld van de mens voor hem in de plaats van de werkelijkheid treedt. Wel wil ik opmerken dat voor de meeste mensen de mentale wereld een grote vertroebeling of verschuiving van de werkelijkheid ten gevolge heeft.
Dan wil ik er verder op wijzen dat de directe hersenreacties en daarbij ook vele daarop berustende lichamelijke reacties bepaald kunnen worden door zekere stoffen in de bloedbaan, door de stofwisseling. Wat bij drugs gebeurt, is een soortgelijk proces. Het is het wegvallen van een zekere algemeen aanvaarde realiteit. Het betekent echter niet dat daardoor de werkelijke persoonlijkheid wordt veranderd. Wel betekent het in vele gevallen dat de werkelijke persoonlijkheid, ontdaan van de associatieve belemmeringen, die zijn wereld in hem heeft gecreëerd, optreedt en naar buiten komt.
Iemand, die moordt onder invloed van drugs, is in wezen een soort moordenaar want er komt alleen iets naar buiten wat er al in hem heeft gezeten. Hij wordt niet tot moordenaar door drugs in de zin van geestelijk en qua capaciteit; alleen de daad kan daardoor tot stand worden gebracht.
Wij zien bij geestesziekte of z.g. geestesziekte vaak sterk afwijkende reacties op de wereld. Een van de meest verbluffende voor de buitenstaander is die van de catatonie (volledige verstijving), waarbij alle waarnemings‑ en levensfuncties tijdelijk gestaakt schijnen te zijn op de hoogstnoodzakelijke als ademhaling na. Het zal u duidelijk zijn dat deze toestand voor de mens alleen zin heeft, indien hij hierdoor het gevoel heeft zijn relatie met de wereld te veranderen.
Catatonie treedt dan ook vooral op, indien veroorzaakt door mentale spanningen en verschijnselen, als een absolute wereldverwerping gepaard gaat met het gevoel een eigen wereld onmiddellijk daarvoor in de plaats te kunnen stellen. Hevige angsten hebben ook voor normale mensen ‑ zij het kortstondig ‑ een soortgelijke inwerking. Dit is waargenomen bij een z.g. geesteszieke en ook bij iemand in abnormale omstandigheden. Dezelfde situatie echter komt in veel zwakkere vorm voor bij zeer veel mensen, die ‑ op welke wijze dan ook ‑ menen het contact met hun wereld verbroken te hebben, dan wel met die wereld een zeker geschil te hebben dat zij niet kunnen verwerken. Het resultaat daarvan is een lusteloosheid. De afzwakking van eigen functies, eigen interesses, van eigen opgaven in de wereld, van contact met de wereld, dit alles is ook hier in feite een poging terug te vlieden in een eigen wereld; een protest tegen de werkelijkheid waarin men bestaat.
Ook dit heeft astraal invloed. Ook dit kan bijdragen tot een verscherping van conflictwaarden met de omwereld. Het kan daarnaast bijdragen tot een steeds sterker wordende vertekening van die. werkelijkheid, zodat de vervalsing van het wereldbeeld progressief wordt.
Deze feiten alle tezamen omvatten slechts een zeer klein gedeelte van datgene wat met de mentale wereld van de mens samenhangt. Ik wilde u slechts enkele punten daarvan noemen. Om te besluiten, zou ik nog het volgende aan u willen voorleggen:
In het leven zijn onze gedachten voor ons van het grootste belang. Wij kunnen onze gedachten nimmer meester zijn omdat wij niet bewust het totale proces van associatie beheersen. Wij kunnen echter wel elke associatie bewust herleiden tot haar oorsprong. Wij kunnen dus ‑ ook indien wij geestelijk misschien niet volkomen in orde schijnen te zijn volgens de stoffelijke normen, indien onze mentale wereld wel degelijk deficiënties vertoont ‑ door een z.g. concentratieproces onze eigen mentale instelling veranderen. En aangezien dit gelijktijdig een verandering betekent voor de astrale waarden, die rond ons bestaan en eventueel zelfs van een door ons gebouwde astrale schil, die daardoor langzaam wordt vernietigd en door een andere vervangen, kunnen wij een groot gedeelte van de invloeden wel beheersen, die door onze mentale wereld wordt uitgeoefend op ons, op ons gedachteleven zowel alsook in de praktijk; dus ook in de daadstellingen, die onze wereld voor ons bepaalt.
Dit betekent voor u dat ‑ als u een bepaald probleem heeft of in een conflictsituatie bent ‑ u eenvoudig door uit te gaan van één beginpunt, dat voor u belangrijk is en alle associatie daartoe te herlei­den in uw eigen denkwereld, uw mentale voorstellingswereld zowel als in uw astrale en zelfs in uw geestelijke relaties een verandering kunt brengen.
Ik zeg niet dat u uzelf daardoor volledig kunt genezen en tot de eigenlijk nooit geheel bestaande norm mens kunt maken; Ik zeg wel dat u hierdoor een groot gedeelte van de gespletenheid, strijdigheden en neurotische effecten in uw persoonlijkheid kunt nivelleren, zodat zij draaglijk en aanvaardbaar worden. Ik zeg u ook dat u door hiermee te werken, een deel althans van de verkeerde en eenzijdige wereldbenadering, die in de doorsnee­mens bestaat, kunt vervangen door een meer veelzijdige wereldaanvaar­ding, waaruit als vanzelf ook een juistere en zelfs meer objectieve wereldbenadering wordt geboren. Hiermee zou ik het onderwerp willen besluiten.

Noot
Ik wil u nog erop wijzen dat in deze cursus ook een zekere progressie ten aanzien van moeilijkheid is ingebouwd maar dat, uitgaande van de in wezen eenvoudige uiteenzettingen van het begin, u in staat zult zijn ook de moeilijker en later meer ingewikkelde formuleringen en probleemstellingen gemakkelijk te volgen. Het lijkt mij voor u dus wel zaak om deze beginlessen goed in u op te nemen.

De wereldvrede

Het woord ‘wereldvrede’ op zichzelf geeft twee met elkaar strijdige waarden aan. Vrede is een toestand van rust. Een wereld, die werkelijk tot rust komt en waarin werkelijke vrede heerst, is een wereld, die geen ontwikkelingsmogelijkheden meer kent. Want, zeker vanuit de geest gezien, is het conflict belangrijk. Misschien zou wereldvrede in zoverre bereikbaar zijn, dat de conflicten niet meer massaal worden uitgedragen, maar dat zij steeds van persoon tot persoon worden uitgevochten. Maar verder komt men niet. Want ware vrede is opgaan in het geheel. Opgaan in het geheel betekent in deze wereld jezelf verliezen aan de enkeling, die niet in het geheel wil opgaan. Begrippen als ‘solidariteit’ zijn schijnbaar in het voordeel van de vrede. In de praktijk echter brengen zij u ertoe om, solidair zijnde met het geheel, u te onderwerpen aan enkelingen, die in wezen alle solidariteit verwerpen maar het begrip solidariteit gebruiken om een heerschappij uit te oefenen.
Neen, wereldvrede is bijna onbereikbaar. En zou zij bestaan, dan zou de wereld geestelijk maar weinig betekenis meer hebben. En ook de mensheid zelve zou weinig mogelijkheid meer hebben tot vooruitgang.
Toch is de mensheid ‑ in de veelvuldigheid waarin zij op dit moment zichzelf manifesteert ‑ genoopt sneller verder te gaan opdat niet een voortdurende gelijktijdigheid van incarnaties het stoffelijk leven op de duur onmogelijk maakt. Daarom is wereldvrede gevaarlijk!
Wat je moet zoeken is een strijd. Maar je zou deze strijd moeten zoeken op een terrein waarop het de mens mogelijk is om te strijden, zonder daaraan zijn persoonlijkheid en zijn innerlijke vrede op te offeren. Deze strijd zou mijns inziens moeten zijn het bereiken van een persoonlijke vrijheid, het bereiken van een voldoen aan persoonlijke begrippen van verantwoordelijkheid en zo het vormen van een voortdurende strijd vanuit jezelf om het goede waar te maken waarbij de anderen, die iets anders als goed hebben uitverkoren, zonder mankeren als tegenstanders optreden.
Dan zal het geweld op de wereld afnemen en zal daarvoor in de plaats komen een andere vorm van geweld: het geestelijke, het mentale geweld en ‑ naar ik meen ‑ ook het economisch geweld. Deze strijd kan de mens ertoe brengen zichzelf voortdurend te herzien, zichzelf voortdurend te herontdekken. Deze herontdekkingen en herzieningen geven hem toegang tot de werkelijke wereld, die van de geest, en tot de vrede, die daarin ‑ in tegenstelling met de stoffelijke wereld ‑ bereikbaar is.
Dus, indien u zegt ‘wereldvrede’, bedoelt u in wezen een vrede, die in de mensenwereld niet bereikbaar is, maar die een geestelijke waarheid kan worden voor hen die, strijdend voor hun eigen waarheid zonder op anderen dwang uit te oefenen, zich voortdurend meten met de denkbeelden, de krachten en mogelijkheden van anderen.