De geestelijke achtergrond van de astrologie

16 april 1961

Ik heb vandaag voor u een gastspreker en die zou ik graag even willen inleiden. Zoals u bekend is, bestaat er zeer lange tijd een reeks van gedachtegangen en overzichten aangaande de hemelen en daarbij spelen o.a. de sterren en de astrologie een rol. Daarnaast echter ook een structuur van krachten, die elkaar in balans houden, die voortdurend met elkaar werkzaam zijn. Deze krachten hebben overigens over het algemeen namen en die namen zijn dan af geleid van engelennamen. We kunnen ze heel vaak terugbrengen tot Semitische talen.

Nu zult u begrijpen, dat een dergelijke opzet eigenlijk voortkomt uit een bepaald geloof. Ook wanneer er sprake is van een ervaringswetenschap, wanneer er sprake is van voortdurend berekenen en geven van prognoses, moet er toch ergens een geestelijke achtergrond zijn. Wij hadden gedacht om zo mogelijk een keer een inzicht te geven in deze dingen en we hebben dan ook naarstig gezocht naar iemand die ons juist deze oudere achtergronden kan leren kennen. We hebben uiteindelijk iemand gevonden, een oud chaldeïsch astroloog, dus al een aardig tijdje van de aarde weg, ofschoon hij ondertussen een andere incarnatie heeft doorgemaakt, en deze is dan ook wel bereid om u vanmorgen een uiteenzetting hierover te geven.

De hoofdzaken daarvan liggen natuurlijk in verhoudingen van geesten. Deze verhoudingen worden niet – ik zeg het uitdrukkelijk – niet alleen maar naar voren gebracht in de stellingen van de oudheid, maar onwillekeurig zal onze spreker dat natuurlijk corrigeren aan de hand van de verhoudingen, die hij kent. Er is dus, daar wijs ik u even op een zekere discrepantie tussen het oorspronkelijk chaldeïsch geloof en de uiteenzetting, die hij over die achtergronden geeft.

Het interessante daarbij zal voor u ongetwijfeld zijn, dat de kwestie noodlot en karma hier, (zij het van een andere zijde en wat indirect) wordt aangesneden, terwijl u daarnaast een begrip krijgt van een kosmische opbouw, kosmische hiërarchie, die zeker overeenstemt met de werkelijkheid. Nu heb ik om bepaalde redenen onze spreker verzocht zo min mogelijk namen te gebruiken. Ik wil u die namen wel even verklaren; zo was er bv. in de oudheid een god die Azas heette. Azas was een vruchtbaarheidsgod en regeerde vooral in de woestijn. Hij had de gewoonte om met vlagen ineens vruchtbaarheid te brengen en deze god is dan later een engel geworden. Azaël. El is een achtervoegsel, dat een zekere goddelijkheid, een afkomst van het goddelijke aangeeft. Wij vinden bv. Amach of Amaja, dat was oorspronkelijk een rechterlijke godheid en die is later verschoven in de richting van een demon. Zo vinden we bv. in de astrologie die afgeleid is daarvan, de engel Amachaël, heer van Saturnus.

Zo zou je kunnen doorgaan, Al die namen zouden verwarringen gaan wekken, omdat onze spreker er misschien niet aan zou denken u de planeet te noemen of zo. Ik heb u eigenlijk niet alleen een spreker bezorgd voor vandaag, maar ik heb daarnaast geprobeerd die spreker te instrueren. Het gaat ons erom een zo eenvoudig mogelijk en duidelijk mogelijk overzicht te krijgen van hetgeen de grondslag is van astrologie in het oude chaldeïsch geloof, zonder dat we daarbij veel de nadruk gaan leggen op sterren en sterrenbeelden, zonder dat we ons daarbij gaan vermoeien met allerhande astrologische berekeningen.

Ik zou verder nog even er op willen wijzen, dat deze spreker z.g. door bemiddeling werkt, dus hij spreekt niet onmiddellijk door het medium, maar het medium wordt oversluierd door één van ons en de ontvangen indrukken worden op deze wijze doorgegeven. Dat kan hier en daar misschien een hapering betekenen, maar ik meende toch wel, dat dit voor u belangrijk genoeg zou zijn om een dergelijke inconveniëntie over het hoofd te zien.

Ik geef nu dus het woord over en hoop dat het gegevene plus het commentaar dat ik zo mogelijk daarna nog breng, voor u weer verhelderend zal werken in menig opzicht.

o-o-o-o-o

Wanneer een reiziger vroeg opstaat en zijn blik naar het Oosten wendt, dan ziet hij aan de hemel tekenen geschreven. Wonderlijke letters, uitgebeeld in sterrenbeelden, die gezamenlijk de gebeurtenissen spellen van verleden, heden en toekomst. Sommige van deze letters stijgen en andere dalen en wie bekwaam is, leest daaruit het lot en de noodzakelijke handelingen van de dag. Zoals wij deze sterren lezen, zoals wij, metende met een goed gecentreerde staf, het hemelruim in delen onderverdelen, zo nu is de werkelijkheid verdeeld.

Wij moeten ons de hemelruimte voorstellen als vol van bezielde wezens. Zij zijn te groeperen in hun verhouding tot het licht als zijnde scheppende, herscheppende, beheersende, oordelende en ook vernietigende krachten. Elk van hen heeft een naam en wij noemen hen veelal de goden.

Voor uw aarde zou bv. geld en dat de scheppende kracht onmiddellijk uit gaat van de zon, de zon overheerst alle dingen, de maan, een planeetlichaam dat dicht bij de aarde is, weerkaatst de zonnewerking onmiddellijk en geeft daar aan een zeer bijzonder karakter. Het is alsof de maan op milde wijze voor de aarde datgene uitkiest wat haar in vruchtbaarheid en werkingen het meest ten goede komt. Daarbij komt, dat de maan beweeglijk en snel is. Zo de zon ons praktisch stilstaat, de maan gaat met een razende snelheid binnen één maand door alle tekens aan de hemel en neemt contact op met alle goden en alle krachten die uit de verte uit eigen wil trachten te werken met de wereld.

De gewone herscheppende kracht is dan ook wel hoofdzakelijk in de maan gelegen. Het is de maan, die in de eerste plaats bepaalt wat er op aarde geschiedt. Zij bepaalt vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid in de wijze waarop zij de kracht van de zon aan de aarde overdraagt. Zoeken wij daar achter, zo vinden wij de planeten die gij noemt Mercurius, Venus, Mars en zij zijn eerder bezielende krachten voor de mens. Zijn de eersten de scheppers van het toneel en de ondergrond, de tweede genoemde groep is een aantal marionettenspelers. Zij geven de voortdurende impulsen waardoor de mensheid danst en zich beweegt; zij bepalen strijd en vrede, liefde en geluk.

Daarachter ligt, loerend haast, de demonische Saturnus, die vanuit zich grijpend naar de wereld, de vertegenwoordiging is van de duistere krachten. Want achter Jupiter liggen de duistere krachten. Gij kent ze tegenwoordig misschien als planeten. Gij spreekt misschien over krachten als Castor en Pollux en weet ik hoe ze nog meer heten, maar in werkelijkheid is alles wat buiten het licht komt, wat duister is, iets wat afbreekt. Want al wat duister is, neemt krachten van de wereld en Saturnus zelve tracht dus het duistere element te introduceren. Jupiter, groter en in zichzelf meer lichtend, zal als een rechter trachten de vrede te bewaren, die nu eenmaal noodzakelijk is, de balans tussen licht en duister waarbinnen het wereldleven mogelijk is.

Een korte schets ongetwijfeld, maar één, die de basis is van een geloof, oud, eerwaardig en in vele opzichten waar. Wanneer ik nu daarbij het oude geloof en vooral de inwijdingsleer van dit geloof overzie, mij tevens daarbij wendende tot de werelden die ik betreden heb en de wijsheid die ik heb geleerd, zo blijkt mij: Er zijn vele goden, grote kosmische krachten, die van buiten af, buiten het zonnestelsel, de aarde benaderen en op deze wereld werken.

Eerst meenden wij, dat dit zuiver persoonlijkheden zouden zijn en de opbouw van de kosmos werd dan ook in mijn tijd reeds gebaseerd op de 7 persoonlijkheden, die gezamenlijk het Al zouden regeren. Later hebben wij geleerd, dat deze 7 door verschillende huizen of woningen gaan en wij hebben getracht daaruit conclusies te trekken, conclusies, die de goden a.h.w. onderhevig maken aan kosmische jaargetijden.

De werkelijkheid is anders. Wanneer ik in het huis der goden schouw en ik zie alle krachten en figuren daar geopenbaard, zo zijn hun werelden slechts zelden bewoond. Er is geen sprake van een eigen wereld, die ergens in zuiver stoffelijke zin de mens ontvangt. Er is geen sprake ook van een verborgen onderwereld, die schuilgaat in de aarde. Maar wel blijkt, dat elk van deze krachten een zeer bepaalde reeks van eigenschappen heeft.

Zoals wij in onze oude goden steeds weer de karakteristiek van natuurwetten en natuurlijke eigenschappen vonden, zo vinden wij in de hemel de verschillende grote persoonlijkheden der sterrengeesten en ook planeetgeesten, die met hun eigenschappen bepalend zijn voor alle geest, die hun wereld, hun bereik van denken en scheppen betreden kan.

Het is niet zo vreemd een helle wereld te zien op Saturnus en de daarbuiten gelegen grote werelden, want daar is kilte en daar is duisternis. Misschien zoudt gij zeggen een buitenste duisternis en daar is voor de mens weinig leven, daar is voor de ziel weinig bewegen en vertier. Er is een voortdurend streven en hongeren naar invloed naar binnen toe of een pogen zich naar buiten toe te wenden en contact te krijgen met andere, grotere persoonlijkheden.

Dit is geen stoffelijke wereld, dit is een geestelijk bestaan en wanneer gij, mijne vrienden, zoals wij, geboren wordt op deze aarde door de wil der goden, zo zijt gij het slachtoffer van de willen, de wet, de strijd tussen deze goden. Waar de groten strijden, lijden de kleinen. Daar waar de machtigen twisten, is het goed stil te zijn.

Zo geldt dit voor ons, want wij zijn verwant met één of meer van deze krachten. De sferen, waarin men leeft na de overgang, zijn gedeeld en zouden kunnen worden onderscheiden in naties. Dan kunnen wij zeggen het gebied van elke natie is het gedachtegebied dat specifiek toebehoort juist aan deze ene kracht, die een bepaalde planeet heeft geschapen en vanuit die planeet werkt op de aarde. Slechts de hogere sferen geven ons wat gij noemt sterrenbeelden, de groepsverhoudingen van grotere en meer lichtende geesten, die ver van het aardse bestaan liggen.

Nu moogt gij het volgende stellen; Wanneer wij intreden in de werelden van de geest, zo zullen wij, zodra wij bewust zijn, een keuze kunnen maken, een keuze van het gebied van de wereld, waarin wij leven, maar werkelijke grenzen bestaan er voor ons niet. Wij voelen ons echter aangetrokken, hetzij tot de helrode moed van Mars, hetzij tot de liefelijkheid en verborgen hartstocht van Venus, of de ongekende rijkdommen van Mercurius. Wij voelen ons misschien geborgen in de rijkdommen, die de rechterlijke Jupiter uitdeelt.

Zo kiezen wij, het is als een tempel waarin zeven verschillend gekleurde deuren de toekomst vormen en de toegang tot het menselijk leven. Wie kiest en een deur doorschrijdt, kan niet meer terug naar de hal van leven. Hij keert op de aarde weer en is daarbij onderdaan geworden van de kracht, die hij gekozen heeft. Het menselijk lot wordt door enkele van de planeten in het bijzonder fel bepaald. Hun onderlinge verhoudingen en werkingen geven direct het stoffelijk beleven weer. Anderen definiëren eerder datgene, wat men moet doormaken in zijn innerlijk leven. Daarbij blijkt dat de oude inwijdingsleer niet ver van de waarheid is, wanneer zij ons zegt: Bedenk wel, de verborgenen, (de niet zichtbare planeten dus) zijn de beelden van wat in u leeft, en waar het duister vol is van dromen, zijn hun mogelijkheden in u onbeperkt; doch hen die gij kunt zien (de lichtgevende planeten die in de oudheid dus werden geconstateerd), zijn als de regeerders van het dagelijks gebeuren. Bovenal echter, erken de kracht van de zon, want deze en deze alleen geeft de levenskracht en door de levenskracht het ervaren voor het geestelijk leven. Deze inwijdingsleer zou ik, gezien mijn geestelijke ervaringen, voor u als volgt willen vertalen: Ons geloof aan goden heeft plaats gemaakt voor een geloof aan meesters en heersers. Maar deze meesters en heersers, al zijn zij dan niet goden in eigen recht, werken precies als de goden van de oudheid. De keuze, die wij maken, zal altijd een drieledige zijn. Wij kunnen niet ontkomen aan de directe levensenergie, die een vormgeving op aarde mogelijk maakt om elke mens in de stof leeft als kind van de zon. In elke mens, ongeacht zijn geslacht of ouderdom, leven mannelijk en vrouwelijk principe naast elkaar. Er is de zon, die in zijn felheid en dadendrang het mannelijk element vertegenwoordigt, maar daar naast de bleke, uitvoerende kracht en ook de mildere kracht, die wij het vrouwelijk element noemen van de maan.

Inderdaad zijn deze beide krachten in u aanwezig, maar hun verschil is meer dan alleen een verschil in benadering. Al wat met het vrouwelijke gebonden is, dus met de maan, weerkaatst zich in de verre reuzen, die gij thans kent als Neptunus, Uranus, etc.. Het zijn deze n.l., die op mysterieuze wijze in het innerlijk van de mens werken. Zij bepalen zijn gedachteleven en voorstellingsvermogen en trekken a.h.w. voor hem het kader waarbinnen hij zich kan bewegen. Zoals wij eens meenden dat deze goden (duistere goden dus) het denken zouden beheersen en verstoren, zo kunnen wij thans zeggen, dat deze heersers en krachten het occulte, het geheime en het verborgene in de mens stimuleren en wekken: intuïtie, paranormale begaafdheid, maar ook, en niet te vergeten, de duistere dromen en de angsten, de psychische versterking van stoffelijke effecten als vreugde en pijn, tot zij bijna ondragelijk worden. Het is uit deze heersers, dat de geest haar grote ervaring krijgt. Het zijn deze heersers, die dan ook mogen worden genoemd de heersers van het meer geestelijk element. Zij blijken, ook wanneer wij een keuze doen om ter aarde te gaan uit de 7 planeten, uit de 7 lichten aan de hemel, voortdurend onze keuze mode te kunnen beïnvloeden om verder in deze keuze onze beleving en onze bewustwording in een zeer bepaalde richting te stimuleren.

De stoffelijke planeten beheersen o.m. leven, gezondheid, slagen en niet slagen, eer of verwerping, rijkdom of armoede. Maar deze waarden op zichzelf, zijn betrekkelijk onbelangrijk. Er was bij ons eens een meestersmid. Hij was beroemd voor de werken, die hij uitvoerde in zilver en een soort glazuur dat u tegenwoordig email zou noemen. Eens had hij geen zilver meer. Toen trok hij draden uit koper en ziet, hij maakte schonere werken dan tevoren, want hij bouwde wat in zijn geest was en daarin was de schoonheid gelegen. Het materiaal was bijkomstig. Dit was een zeer bekend beeld, dat werd voorgehouden aan de leerlingpriester om hem duidelijk te maken, dat niet de uiterlijke omstandigheden maar vooral hetgeen in hem leeft en bestaat, belangrijk is voor hetgeen hij in feite binnen de eredienst, binnen de scholing ook, presteren zal. Dit beeld zou ik u ook willen voorhouden. Wat u aan lichamelijke mogelijkheden krijgt, is in feite betrekkelijk onbelangrijk, het is materiaal. Het is belangrijk, wat u van dit materiaal kunt maken. Men kan uit het schijnbaar afzichtelijke en verschrikkelijke, schoonheid geboren doen worden.

Nu zijn de verborgen sterren, of u zoudt zeggen verborgen planeten, de occulte planeten, meesters hierin. Uit het zuivere goud van een werkelijke beleving maken zij soms een verschrikking en uit dat wat in het leven ondragelijk schijnt, bouwen zij u een nieuwe ervaring, een nieuw inzicht, een nieuwe vrijheid van een wonderbaarlijke schoonheid, als een kroon die men draagt, heersend over een rijk tussen de sterren. Dit te beseffen is te beseffen hoe de verhoudingen liggen in het leven van de mens. Vele malen heb ik in de nacht achter de tempel van de maan gezeten en vele malen heb ik getracht aan de loop van de sterren het lot te leren kennen. Niet altijd kon deze voorspelling, aangevuld met andere augurie, voeren tot het begeerde, omdat ik het ongeziene niet kon waarnemen. Gij echter kunt in uw leven het ongeziene wel waarnemen. Gij kunt uit de werking van deze geheimzinnige en het geestelijke in u stimulerende krachten een besef verwerven voor al wat gij kunt doen met het materiaal, dat gij leven heet.

Ik wil besluiten met u enkele regels aan te halen uit de inwijdingen, zoals deze in de maandienst werden gegeven: “Wanneer gij de innerlijke krachten bespeurt, wees vrij, want slechts hij die vrij is, kan zich binden aan dat wat belangrijk is. Indien gij in uzelf een weten bespeurt, toets het en spreek het uit, als het leeft in de feiten, maar verberg het en behoedt het, wanneer de feiten dit nog niet erkennen, want eens zal al wat in u leeft duidelijk zijn, war zijn en in de gemeenschap der goden geopenbaard worden. Zo gij in uzelf de wetten erkent van een der meesters aan de hemel, zo volvoer deze wetten, indien gij u aan deze meester wijdt, maar hebt gij een meester of meesteresse gekozen, zo eer deze boven allen, want slechts wie zijn weg gaat zonder aarzeling, zal geëerd worden in de wereld der goden.

Met deze enkele aanhalingen en deze korte uiteenzetting heb ik, naar ik meen op redelijk vlotte wijze, dank zij de bemiddeling van de vriend, die dit voor mij in woorden omzet, u een klein beeld gegeven van wat leefde in onze oude gedachtegang, de tijd dat wij de sterren voor het eerst beheersten en ons daar door maakten tot meesters der magie van een groot deel van de wereld. Ik ben dankbaar voor de mij geboden gelegenheid en laat thans dit contact vrij, opdat men in staat zal zijn vanuit uw eigen groepering daaraan zijn belichtingen toe te voegen. Het ga u wel.

o-o-o-o-o

En daarmee,  heeft u dan dus een typisch staaltje gehoord van astrologisch denken, dat in verband staat met een godenleer. Nu zijn er natuurlijk wel enkele conclusies, die wij uit dit alles kunnen trekken. Wanneer er gesteld wordt, dat de mens, die op aarde incarneert, inderdaad gebonden is aan bepaalde feiten, dan geloof ik, dat een ieder van u mij dit onmiddellijk zal toegeven. Maar wat belangrijker is, de betekenis van deze feiten wijzigt zich naar mate uzelf uw innerlijke houding daartegenover wijzigt. Er is een uiterlijk noodlot en een uiterlijke gebondenheid, dat wordt door de voorgaande spreker dus gesteld, maar deze kan geheel gewijzigd worden door de innerlijke benadering. Wij zijn niet zonder meer de slachtoffers van de goden, die u als marionetten hanteren ik geloof dat ik het goed citeer: maar we zijn eerder eigenlijk de handige omhulsels van verborgen wezens, wij dragen in ons zelf geheimen, even groot als die van de verborgen sterren.

De gedachten, die men vroeger had, waren misschien wat verward, tenminste vanuit ons standpunt. Voor ons bv. is de aanbidding van de zon logisch; maar nee, de Chaldeeën aanbaden in hoofdzaak de maan. Ze hadden daarvoor een reden. Ze zeiden: Kijk de maan is zacht, de maan is uitvoerend. In de zon zijn alle dingen, maar ze verblindt ons, we kunnen haar niet kennen. Ik geloof, dat we daar toch ook een zeker respect voor mogen hebben, voor die zienswijze, die gedachtegang. Want elke waarheid die wij niet kunnen overzien, kan ons wel levenskracht geven, maar we kunnen er niet mee werken, we kunnen ze niet hanteren. Voor ons is het eveneens de weerkaatsing van het levende, zoals die ons bereikt, misschien via de astrologie, maar ongetwijfeld ook op vele andere wijzen uit vele geestelijke werelden en contacten bv. om daarmede zo bewust mogelijk te werken en dus een zeker meesterschap te verwerven over eigen leven.

De gedachtegang van vrijheid komen we hier ook weer tegen en het doet wel heel vreemd aan in een volk, dat toch alle feiten praktisch van te voren aan de hemel geschreven ziet en meent dat deze voortdurend zijn vastgelegd door, nou ja, de goden. Die gedachte aan vrijheid is kennelijk niet gebaseerd op uiterlijke verschijnselen, maar op een innerlijke benadering daarvan. U zoudt het zo kunnen uitdrukken: Wanneer je in jezelf op de juiste wijze weet te staan tegenover het leven, dan kun je van al wat je overkomt en al wat er gebeurt, maken wat je wilt en daardoor ben je in staat in je leven zelf een bepaald doel te kiezen. Er is meerdere malen – al zal het u misschien ontgaan zijn – gewezen op die noodzaak om een bepaalde meester of een bepaalde heer te kiezen, om te leven a.h.w. in verband met een bepaalde geestelijke entiteit en om bij een incarnatie onder diens invloed tot de wereld te gaan.

Wanneer ik die gedachtegangen nu eens even omzet in ons eigen denken, dan volgt hieruit: Wij kunnen in ons leven een bepaald deel erkennen, maar we kunnen dit deel dan niet verder gaan definiëren, we moeten het nemen als een persoonlijkheid a.h.w.. Wanneer wij naar vrede streven, dan betekent dat elke vrede, ook de vrede die onszelf zou schaden. Wanneer wij streven naar liefde, dan is dit de kosmische liefde en ze moet worden doorgevoerd tot in het kleinste toe. Er mag geen enkele liefdeloosheid zijn, enz..

Op deze manier te kiezen en een bepaald doel dus in je leven te stellen en dat voortdurend te volbrengen, dat schijnt zeer groot nut te hebben. De geestelijke ervaringen, die onze vriend erbij haalt, brengen hem ertoe om dan aan die goden een bepaald bewustzijnsgebied binnen de sferen toe te wijzen. Ik ben dit ten dele met hem eens. Wat wij n.l. sterren, sterrengeesten en goden noemen, zijn in feite persoonlijkheden, die ook ten dele in de mens en vooral ook in diens geest kunnen leven. Ja, ik hoop dat het u interesseert.

Nu zijn wij dus in feite complex samengesteld. Wij zijn in onszelf een soort klein zonnestelsel, in ons is ook een zon, een krachtbron, in ons is een maan; een weerkaatsende, in ons zijn de 7 lichten van de hemel, zou onze vriend zeggen, en al wat er buiten nog verborgen is. Wij zijn dus zeer complex, maar wij moeten in ons leven en dat is erg belangrijk een keuze doen, een keuze van wat wij uit onszelf willen doormaken. Het beeld van die 7 deuren, dat komt nogal eens vaak terug vind ik wel, buitengewoon interessant, vooral omdat je nu eenmaal maar 1 deur tegelijk kunt doorgaan als mens, vooral als ze naast elkaar zitten. Wij kunnen maar één capaciteit, één eigenschap, één bewustwordingsgebied dus in een bepaald leven, geheel nastreven. In de geest kunnen wij alle bewustwordingsgebieden beroeren en betreden, maar zodra we weer meer specifiek gaan werken, zullen we een keuze moeten doen.

Als u dat nu eens goed onthoudt, dan moet u toch eens over deze stelling gaan nadenken: Ik kan in mijn leven elke keer, wanneer een nieuwe periode aanbreekt, een keuze doen. Met deze keuze bepaal ik welke krachten, zowel geestelijke krachten en krachten als deze hemelgoden, als wel in mij geopenbaarde goddelijke krachten, volledig werkzaam zullen zijn. Zolang ik mij daaraan houd, zal mijn wezen harmonisch zijn. Ik zal door consequent te zijn in zo’n levensperiode, een maximale bereiking voor mijzelf mogelijk maken. Elke afwijking en elke misvatting echter voert tot een soort regressie, nee, laten we eerder zeggen, een zoeken van regres, dat is beter, want de entiteit, waaraan we ons wijden, zal, zolang wij die entiteit erkennen en dat kunnen we dus voor een levensperiode doen of voor een heel leven, maar nooit voor zolang als het ons schikt, ons altijd alles teruggeven wat wij niet juist hebben geweten, opdat we zullen leren dus, wat wij onjuist hebben gehandeld, opdat we de onjuistheid beseffen en juist er handelen. Kortom, vanuit de krachten buiten ons wordt ons reeds datgene toegestuurd, wat ons eigen wezen corrigeert.

Kunnen wij dit aanvaarden en kunnen wij ondanks alles ons levensdoel in het oog houden, dan vloeit hieruit voort, dat wij een bepaald kosmisch gebied kunnen beheersen en daarmee één kunnen zijn. We hebben niet slechts een deel van ons eigen innerlijk erkend, maar we hebben tevens een zodanige harmonie met een deel van de ruimte, geestelijk zowel als materieel, gevonden, dat wij daarin meesterschap vertonen, dat wij van daaruit volledig bewust en beheerst kunnen werken. Het schijnt noodzakelijk te zijn, dat we al deze gebieden afzonderlijk door maken en leren kennen. Dit komt overeen met het beeld van een klimmen in de sferen. Belangrijk is voor ons echter, dat wat wij kiezen, wij inderdaad moeten doen. En dan volgt er uit dit geheel ook nog een levensleer. Ik wil u niet lang bezighouden, want aanstonds gaan we het woord weer geven aan de laatste spreker, maar ik zou die levensleer toch nog wel eventjes willen uiteenzetten. Wanneer je iets kiest, wees consequent. Ga dan ook volledig en tot aan het einde. Doe nooit iets half, innerlijk of uiterlijk, of laat het rusten, want dan zal het je voortdurend blijven belasten. In de tweede plaats: Wanneer je in jezelf een geloof hebt of een geestelijk weten, blijf dit geloof handhaven, blijf dit weten hanteren en gebruiken, ook al schijnt de wereld in tegenstelling daarmee, want die tegenstellingen zijn van voorbijgaande aard, maar elk prijsgeven van het innerlijk geloof, van een innerlijk vertrouwen of innerlijk weten, betekent dat men onder pressie wordt gezet van alle kanten om terug te keren tot het punt, dat men is kwijtgeraakt.

Besef verder, dat in alles wat je doet en in wat je denkt, en wat je leeft, begrippen als eenheid van buitengewoon groot belang zijn. En ik geloof wel, dat de belangrijkste eenheid, die de mens kan vinden, de eenheid van denken is. Probeer harmonie te vinden in alle vormen, maar vooral in gedachteleven, in gedachte-uitstraling, want zodra wij eenheid en harmonie bereiken, omvatten wij eigenlijk dus het zonnestelsel van krachten, omvatten wij alle voor ons belangrijke sferen en invloeden, en kunnen wij uit alle sferen en invloeden a.h.w. bewust datgene kiezen wat voor ons noodzakelijk is. Wij kunnen dan begin en einde van het leven leren overzien. Wij kunnen bovenal het werkelijke leven, dat geen einde kent, maar slechts een verandering, in onszelf concretiseren. Het is heel lang geleden, dat de denkers van Chaldea hun stellingen omtrent de goden in de hemelen en hun verschillende werkingen begonnen uit te leggen. Dat ligt duizenden jaren voor Christus; maar de leringen,die zij hebben gevonden, zijn met een kleine aanpassing aan een ruimer begrip van de toehoorder vandaag de dag nog even geldig. Wat u ook wilt en wat u ook verlangt, u kunt alle dingen verwerkelijken, mits zij in overeenstemming zijn met de kracht en de invloed, die u op dit ogenblik voor uw leven hebt gekozen. U kunt alles voor uzelf verwerkelijken, stoffelijk en geestelijk, mits het ik zichzelf niet toestaat van het gekozen pad af te wijken.

Alle dingen zijn geestelijk en stoffelijk binnen het bereik van de mens, indien hij nimmer halfweg, nimmer halverwege terugkeert, nimmer een onvoltooide taak terzijde stelt. En de grootste geestelijke bewustwording zal altijd voortkomen uit het consequent uitleven van je leven, het consequent in jezelf blijven volhouden en volharden in de sfeer en de gedachte, die je gekozen hebt als hoofdmotief voor deze levensperiode. Dit is niet alleen een kwestie van grotere bewustwording, het is tevens een kwestie van grotere occulte kracht en vermogen. Het is niet alleen een kwestie van innerlijke vrede, maar het is eerder eigenlijk nog een kwestie van een strijd en een voortdurende overwinning.

Ten laatste wil ik u nog één raad geven. Schaam u als mens niet, zwak te zijn op elk terrein buiten het terrein dat ge gekozen hebt als uw ogenblikkelijke taak. Zwak zijn is het recht van de mens, het recht van de onbewuste geest, maar wie een taak volvoert en daarin zwak is, zal de gevolgen moeten ondergaan, wat in andere gevallen niet gezegd kan worden.

Ik hoop dat ik u hiermee ook een redelijke en interessante toelichting heb gegeven op hetgeen de gastspreker bracht.

o-o-o-o-o

En wat voor onderwerp gaan we nu vandaag nemen om de bijeenkomst te besluiten?

  • Zoudt u het eens willen hebben over de liefde?

Liefde, natuurlijk wil ik het hebben over liefde, maar ja, houd me ten goede, ik spreek niet over die liefde, die ik vroeger bij menige parochiaan gesmoord heb in de huwelijksband.

Weet u, liefde, dat is een gevoel van één zijn. Als je je God werkelijk liefhebt, dan is het net of je geen onderscheid meer weet tussen jezelf en die God. God spreekt in je, God werkt door je, maar het is heel gewoon. Het is wel een wonder, maar een wonder, dat voortdurend normaal aanvaard wordt. Liefde is een band, die je sluit met een mens misschien of met een God, of met een geloof, en waarbij je jezelf helemaal daaraan offert. Nu zijn er mensen die denken: Liefde betekent een verloochening van jezelf, maar dat kan nooit waar zijn. Wanneer ik mijzelf aan mijn God wil schenken en ik verloochen mijzelf, wat heb ik dan nog over om aan te bieden? Wanneer ik één wil zijn met God en ik wil mijzelf niet zijn, hoe moet ik één zijn? Werkelijke liefde, dat is jezelf zijn precies zoals je bent, maar jezelf dan ook a.h.w, schenken aan de kracht, die je liefhebt. God heeft ons allen lief, het is vaak moeilijk om die liefde te begrijpen, want een mens zou een God, die hem liefheeft, graag willen ontvangen, zoals hij, mens, die God prettig zou vinden, maar een God die ons alleen dat uit zichzelf schenkt, wat wij begeren, die kan ons niet liefhebben. Zo God ons liefheeft, geeft Hij ons zijn wezen, zoals Hij is, teder en zacht, maar ook machtig, wreed en hard, toornig en rechtvaardig. Hij geeft ons het totaal van tegenstellingen en in het totaal van tegenstellingen Zijn kracht, Zijn wezen en Hij houdt ons in stand vanuit Zijn werkelijkheid. Als je dit gaat begrijpen, dan zul je niet meer zeggen: “Maar God, je hebt me lief, waarom laat je me lijden?” Want God kan ons alleen liefhebben, wanneer Hij ons heel zijn wezen doet proeven en ondergaan en niet een klein deel. We roepen soms uit: “Maar God, is het dan liefde, wanneer je ons ketent als gevangenen? Maar God ketent ons en geeft ons gelijktijdig vrijheid, Hij maakt geen onderscheid, want Hij geeft ons heel zijn wezen. Dat is liefde in zijn beste, in zijn ware betekenis. Niet proberen te zijn wat je niet bent of niet te zijn wat je wel bent, maar je zelve zijn in een volledige overgave van dit ik aan hetgeen je liefhebt. Weet je, vroeger dacht ik altijd dat liefhebben en God liefhebben en de mens liefhebben zoiets betekende als offeren, als afstand doen, maar dat is eigenlijk niet waar, het is rijkdommen ontvangen om uit die rijkdommen steeds weer rijkdom terug schenken. Misschien mag ik het proberen om nog eventjes te zeggen, zoals ik dat – verwaand – vroeger wel eens probeerde neer te schrijven.

Ik heb u lief, o wereld, met uw stormen, uw donderend geweld en uw bliksem, die ontsteld doen staan en met de kalmte van de zomer en de stilte van de nacht, waarin de kracht van het leven zelf als een nevel hangt over al uw bestaan.

Ik heb u lief, o mensheid, ook wanneer ge mij nog haat, wanneer ge mij vernedert, slaat of terugdrijft in het leven.

Ik heb u lief, omdat ge mij naast al die hardheid weet te geven.

Mensen, gedachten en krachten bestaan, een vreugde en smart en dit alles tezamen wat tot een leven zo wonderlijk schoon.

Ik heb U lief, mijn God, ik het U lief in duizend vormen. Ik min U in al wat bestaat en in al wat leeft vind ik weer Uw beeld.

Gij die speelt met mij, onbewuste, Gij die mij aan de kusten van het onbegrepene doet staan voor de zeeën van noodzaak en leven, U aanvaard ik en U wil ik geven wat ik ben, opdat Gij mijn wezen vervulle.

Mijn God, ik heb U lief, nog ken ik de pijn van onvolledigheid.

laat nu de scheiding vallen, laat ons tezamen zijn en één voor altijd weer, tot aan het einde van de tijd, dat Gij misschien een oordeel spreekt en ik het spreek met U.

Mijn God, leer mij aanvaarden het kleine deeltje van Uw wezen dat ik nu noem en zonder vrezen opgaan in Uw eeuwigheid, die is Uw werkelijk bestaan.

Weet u, vrienden, liefde, dat heeft iets van bidden en het heeft ook iets van vloeken. Het is bidden en vaak aanbidden van hetgeen je aan schoons vindt en het is ook verwensen van al hetgeen je niet wenst en zonder die dingen kan geen liefde werkelijk bestaan. Er kan geen eeuwige liefde zijn, die alleen maar zoet is. Liefde is bitter en zoet, zoals het leven. Liefde is spel, maar ook een diepe ernst. Liefde kan zijn, laat ons zeggen zeer stoffelijk, naar ze moet ook geestelijke banden kennen. Alleen dan is ze waardig liefde te heten.

God geeft ons Zijn liefde, laat ons deze liefde beantwoorden door Hem te aanvaarden in alle dingen, en laat ons het bewustzijn van Zijn liefde, van de eenheid die Hij schenkt, steeds weer uiten waar het ons mogelijk wordt in onze wereld en onze sferen, opdat wij in de beperking van het zijn, toch reeds een weerkaatsing mogen vormen van de goddelijke, oneindige liefde, die de enige ware verlossing is van al het geschapene.