De geheime christelijke leer

25 januari 1959

Nu zijn er in die christelijke leer ook bepaalde aspecten, die buiten de normale moraalfilosofie vallen, waaruit het doorsnee christendom schijnt te bestaan.

Jezus was, zoals u weet, een profeet. Hij wist verschillende dingen te voorzeggen. Wij weten van hem o.a. dat hij zijn eigen dood voorzegde, de ondergang van Jeruzalem en de grote strijd van de christenen. Dit staat natuurlijk in direct verband met zijn wijze van denken en leven. Je kunt alleen profeteren, wanneer je de instelling hebt, die voor de profetie noodzakelijk is. Je kunt alleen kijken achter de schermen van de menselijke samenleving, wanneer je door je eigen wezen geschikt bent om daarin door te dringen. De bijzondere houding, daarvoor noodzakelijk, is op zichzelf al bijzonder interessant.

De eenheid van de kosmos kan zich nooit beperken tot een periode. De eenheid is alomvattend en in alle dingen leeft alles. Jezus drukt dit uit door te zeggen: “Wij allen zijn in de Vader en de Vader is in alle dingen.” Wij kunnen dat natuurlijk wat technischer zeggen en het zo gaan vertalen: “God leeft in alle dingen tijdloos. Zo zijn in alle dingen tijdloos alle fasen der schepping terug te vinden.” Jezus meent nu, dat indien wij de Vader ontmoeten in alle leven alle leven ons spreekt van de Vader. En hij voegt daar in een van zijn betogen o.a. tegen Johannes aan toe: “Want wel zeg ik u: In de Vader vloeien alle dingen tezamen. En zo ik ben geboren en gestorven, zo ik leefde, vóór ik geboren werd en leven zal, nadat gij mijn dood betreurd hebt, zo is dit alles in Hem bevat en in Hem is deze werkelijkheid geopenbaard.” Jezus wil hier dus de nadruk leggen op het feit, dat alle dingen te allen tijde geopenbaard zijn.

Het is een kwestie, die niet voor iedereen te vatten is, dat geloof ik graag. Want hij stelt daarbij de volgende eis: “Zo ik mijn wil doe en niet de wil des Vaders, zo is de waarheid des Vaders voor mij versluierd en is Zijn kracht mij ontnomen. Doch zo ik één ben met de Vader en ben de uitvoering van Zijn wil, zo leeft Hij in mij en openbaart Hij mij alle dingen.” Ik zou zeggen, wat de houding betreft is dit al duidelijk genoeg. Op het ogenblik, dat wij de goddelijke wil uitvoeren, zo goed als we kunnen, zo “goed als” wij Gods wil beseffen, met een absoluut vertrouwen in die God, met een zonder aarzeling volvoeren van al hetgeen wij voelen, dat die God ons oplegt, dan zijn wij ook één met alle tijden. Het profeteren is niets anders dan het vaststellen van de relatie tussen de goddelijke wil in het “ik” op dít ogenblik en de goddelijke wil, zoals die ons later beroeren zal.

Dit bespreekt Jezus, wanneer hij geweend heeft over Jeruzalem, de heilige stad…. die vernietigd, zal worden. Hij wist natuurlijk vele dingen normaal stoffelijk. En je zou ook langs de stoffelijke weg der prognostiek kunnen zeggen; Jeruzalem loopt gevaar. De Romeinen bouwen niet voor niets overal hun landingspieren. Het is niet voor niets, dat ze zo langzamerhand een vloot beginnen klaar te maken, die van uit Ostia zal uitzeilen; en dat ze zelfs uit het verdere oosten troepen hebben gewaarschuwd om eventueel terug te vallen. Maar die tijd kennen en weten, hoe Jeruzalem vernietigd zal worden, dat is werkelijk een kwestie van zien in de tijd.

Wanneer zijn apostelen hem vragen, waarom Jeruzalem vernietigd zal worden, geeft hij ook weer een heel eigenaardig antwoord: “De Vader is geopenbaard in wat Zijn wil is. Doch zo Zijn wil in de openbaring teloor dreigt te gaan, wordt deze vernietigd, opdat Zijn wil herboren worde in nieuwe gestalte.” Raadselachtig klinkt het u misschien wel een beetje. Maar laat ons het even nagaan. Zolang wij Gods wil vervullen, is die goddelijke kracht in ons. Dan worden wij in stand gehouden en kunnen wij niet ondergaan. En voor een mens betekent dat dus een steeds bewuster leven van sfeer tot sfeer. Maar voor een bouwwerk, voor een stad, betekent dit een voortbestaan, een steeds grotere rijping, een steeds grotere belangrijkheid misschien ook. Op het ogenblik echter, dat wij tegen God ingaan, wordt ons streven negatief. Dan worden wij a.h.w. teruggebracht tot voor het punt van de eerste menselijke geboorte. Wij gaan door de rijken van het dierlijke leven tot wij in de volledige onwetendheid staan en daar bewogen door de goddelijke wet hernieuwd ons streven in positieve zin beginnen. Van een stad kun je dat natuurlijk niet zeggen. Maar een stad is ook eens opgebouwd. Een stad was eens een gedachte, voor zij gebouwd werd. En voor Jeruzalem werd gebouwd, was ze de droom van Gods tempel, van Gods rijk.

Vergelijk het nu eens. Daar ligt Jeruzalem met haar burchten, met haar strijd, volledig, naar uitwerpende de gedachte Gods. De formalisering der dingen heeft Jeruzalem overwonnen. Het gaat hier eerder om het Sanhedrin en om de vrede met de Romeinen dan om God. En het offer is langzamerhand een soort bijverdienste geworden in plaats van een eerlijk erkennen van de superioriteit van de God der Joden. Die stad heeft dus a.h.w. haar zin overleefd. Ze is gebouwd uit vroomheid rond de tempel. Want de tempel is de kern ervan. Nu de tempel is; teruggebracht tot een onbetekenend element, nu de mensen de God, Die zij in die tempel zouden vinden, meer en meer gaan verlaten, nu het geheim van de priesters in feite is een diefstal van geestelijke waarheid aan het volk, nu zal zo dadelijk de tempelvoorhang scheuren en het geheim zal worden geopenbaard. En wat meer is: de stad gaat haar demonische weg, totdat zij in een zee van bloed gedrenkt wordt vernietigd, zodat geen steen op de andere blijft: de toestand van voor het begin van de bouw.

Als je hierover nadenkt, begin je te begrijpen, dat Jezus als profeet in zijn wezen de tweeledigheid der dingen uitdrukt, Wij horen van hem bv. in menig geloof dat hij is afgedaald ter helle, voordat hij is opgestegen naar de hemel. Ook hier weer tweeledigheid. Misschien vinden wij de beste verklaring daarvan in Jezus ietwat – hoe moet ik het zeggen -verwijtend antwoord aan Petrus, wanneer deze heer predikt, dat men eigenlijk gebruik moet maken van de Macoabaeën, (de magiërs van die tijd) om van uit de bergen op de stad indringende Herodes af te zetten en de Romeinen even het land uit te gooien. Hij zegt dan nl.: “Petrus, kan de haat ooit de liefde baren? Kan een moord op onwaarheid ooit de waarheid geboren doen worden? Kan het geweld der mensen de vrede des Vaders scheppen op de wereld? Voorwaar, ik zeg u, gij die het zwaard gebruikt, gij zult door het zwaard ondergaan. En meer zeg ik u: Daar, waar haat regeert, daar vervalt Gods schepping. Doch daar, waar de liefde sterk blijft temidden van de haat, daar overwint ze al en blijft in eeuwigheid, zijnde deel van Gods rijk en deel van het licht des Vaders, dat ons allen beroert.”

Die goeie Petrus dacht er net over als een hele hoop mensen op het ogenblik. Ze zeggen; “Ja, die slechte katholieken, die vervelende negers, die ellendige communisten, sla hen de kop in!” Maar dan komt Jezus, de profeet en hij geeft ons hier een inzicht in de werkelijkheid, die daar regeert. Op het ogenblik, dat wij beginnen iets te vernietigen, baren wij vernietiging. We kunnen die dingen niet stilzetten. Je kunt wel een bepaalde bevolkingsgroep uitroeien, maar daarmee heb je tegelijk een onevenwichtigheid geschapen, die jouzelf uitroeit, je eigen volk, je eigen ras. Je kunt proberen de gedachten van anderen uit te roeien, maar in die poging gaan je eigen ideeën en gedachten teloor. Je kunt alles doen wat je wilt, maar je zult nooit slagen, tenzij er liefde en begrip is. Tenzij er een uitgaan van uit je eigen wezen is in de goddelijke zin; het positieve, het aanvaarden en het opbouwen en al wat erbij hoort.

In de zin van die profetieën zou je misschien de moderne wereld onder de loep kunnen nemen. En dan is het eerste, wat je jezelf gaat afvragen: Ja, maar hoe moet dat dan bv. met het geschil oost-west? Het staat er duidelijk: Op het ogenblik, dat gij meent door geweld en dreiging een ander te overwinnen, begint die ander met geweld en dreiging tegen u. Het gevaar vergroot. Op het ogenblik, dat gij in haat probeert de gedachtevrijheid van anderen teniet te doen, hebt ge in uzelf iets geschapen, waardoor uw gedachtevrijheid wordt aangetast. We kunnen hier wel een aardig voorbeeld geven: De pogingen, in Amerika aangewend om de communisten uit alle lagen der bevolking a.h.w. te Verdrijven, hebben er toe geleid, dat een totalitaire wetgeving werd aanvaard en totalitaire maatregelen werden genomen in het land der vrijheid, die precies identiek zijn aan hetgeen in Rusland heerst. De gedachtegang is dezelfde. En zo men aan deze haat toegeeft, zal niet Amerika Rusland bevrijden, maar de totalitaire gedachte van Rusland zal Amerika verslinden.

Je ziet hetzelfde bv. in het kleurlingenprobleem. Zolang de mens een zekere samenwerking, een zekere harmonie, een genegenheid, een gevoel van verantwoordelijkheid had tegenover de gekleurde bevolking, kon hij daar een antwoord op verwachten. Maar toen hij aan de ene kant de kleurling ging verheffen tot zijn eigen intellectuele peil en anderzijds gelijktijdig probeerde te onderdrukken door een angst, een zekere zelfzucht heeft hij in de kleurling dezelfde zelfzucht geschapen. Er is een conflict uit voortgekomen, waarvan wij niet weten wat de oplossing zal zijn. Maar we weten wel, dat wanneer de blanken zo doorgaan ongetwijfeld op een gegeven ogenblik de gehele donkere bevolking van deze wereld zal opstaan tegen de blanken. En dan is het nog maar de vraag, wie wint. Dan is er haat, dan is er ellende.

Pas dat nu eens toe in je eigen leven. Want we kunnen dat natuurlijk allemaal in grote politieke lijnen zien, maar laten we dit nu eens proberen toe te passen op het eigen leven, het persoonlijk bestaan. Je kunt een mens haten, je kunt je voortdurend aan die mens ergeren, je kunt voortdurend boos zijn op die mens en dat uiten. Maar wat doe je dan? In de eerste plaats ontneem je jezelf dus de vrede, de aanvaarding, waardoor je een kunt zijn met God,waardoor je blij kunt leven. En in de tweede plaats stimuleer je in de ander het verzet tegen jou. Nu bedoel ik hier niet het goedbedoelde standje, dat eigenlijk genegenheid in zich bergt.

Maar ik bedoel die felheid, waarmee je tegen elkaar tekeer kunt gaan. Daarin ligt dus de ondergang van het bewustwordingsprincipe voor ons verborgen.

Verdraagzaamheid en naastenliefde zijn niet alleen maar dingen, die nu ja; wel mooi zijn en wel gemakkelijk. Het zijn feitelijke levensbehoeften. Wij kunnen uitgaande van Jezus gave der profetie en van hetgeen Hij juist daaromtrent heeft medegedeeld dan het volgende zeggen; Op het ogenblik, dat de mensheid leert de mensheid te dienen, is Gods rijk op de wereld geopenbaard Dan is er het duizendjarige rijk. Maar zolang de mensheid meent haar eigen belang, boven dat van het Goddelijke te stellen en zichzelf, haar goederen, haar gedachtegangen te moeten verdedigen door anderen te vernietigen, zal er ondergang zijn. Zolang wij God kunnen aanvaarden en geloven, in de goddelijke kracht, ons in vertrouwen daaraan overgevend, is het voor ons mogelijk die innerlijke vrede te kennen van het Koninkrijk Gods en die kracht van uit onszelf te zien uitstromen over de wereld als een zegening, die de goddelijke liefde in ons betekent. Maar op het ogenblik dat wij menen, dat wij nu toch ook wel eens eventjes voor onszelf mogen opkomen, dat wij ons gezag toch ook wel eens even moeten laten gelden en dat degenen, die dat niet accepteren, dan maar weggepest, vernietigd, doodgeslagen moeten worden of ontslagen….. dan hebben wij onze eigen vernietiging tot stand gebracht. Dan zijn we zelf slachtoffer geworden van onze slechte tendensen.

Natuurlijk heeft Jezus ons heel. Wat meer geopenbaard dan alleen maar deze simpele visie omtrent de toekomst. Want in zijn leringen tref ik o.a. deze zinsnede aan, die ook behoort tot de z.g. verborgen leer: “Gij spreekt van engelen. Doch ik zeg u, de geesten des lichts wonen in u. En onverbrekelijk zijt gij met hen verbonden. Want de wil des Scheppers is de band, waardoor gij gebonden zijt in Zijn rijk. Ook de krachten des kwaads zijn in u gebonden en met u verbonden. En dit is de werkelijkheid van de goddelijke wil, waaraan gij niet kunt ontkomen. Indien gij echter het kwaad doet uitgaan tegen het licht, dat u gegeven is, zo zult gij u in duisternis bevinden op het ogenblik, dat het noodzakelijk is Gods licht te kennen om te leven. Daarom zeg ik u: Licht zijt gij en duister. Doch hoedt u wel, opdat het duister niet het licht in u vertere. Verspil niet uw licht. Want uw licht is u gegeven om het Koninkrijk te ervaren en niet om te strijden tegen duisternis.”

Een typische opvatting, die ongetwijfeld door heel veel christenen met afschuw verworpen zou worden. Moeten wij dan een compromis zijn van licht en duister? Jezus zegt hier letterlijk “ja”. Wij moeten een compromis zijn. Het gaat er niet om alles, wat we nu toevallig goed en ideaal vinden, hier werkelijk te maken, ons uit te putten: hier in de werken des lichts en zo dadelijk wanneer het erop aankomt niets meer over te hebben dan de duistere onrust en de duistere lasten. die we zo lang achteruit hebben geschoven. Een psychiater zou zeggen; Wanneer je al te goed wilt zijn, bezorg je jezelf zoveel verborgen en verdrongen complexen, dat je op een gegeven ogenblik in waanzin al datgene, wat je onderdrukt hebt, zult uitleven in de ogenblikken van spanning, waarin je juist behoefte hebt aan het vermogen tot beheersing en tot goed zijn.

Dit geldt zeer zeker en zonder enig voorbehoud in alle leven. Ook in uw leven, u heeft vele dingen in uzelf, waarvan u zegt: Nu ja, dat is minder goed, of dat deugt toch eigenlijk niet helemaal. En soms aanvaardt u dat met nederigheid. En soms komt u er tegenin verzet en zegt u: Nu ja maar potverjoppie ik ben toch eigenlijk ook een mens en ik heb toch ook mijn rechten. En nou klinkt het misschien gek, wanneer ik zeg, dat die tweede houding beter is dan de eerste.” Want u bent mens. Dat wil zeggen dat in u zowel het licht als het duister leeft. Gods gehele wezen, in u geopenbaard, houdt in goed en kwaad. En daar ontkomt u niet aan. Wanneer je nu het kwade de overhand geeft, doof je het licht, ga je teloor, moet je opnieuw beginnen. Wanneer je dat licht zich laat uitputten in een voortdurende strijd tegen het duister, dan is er geen licht voldoende meer op het ogenblik, dat er licht nodig is. Dan zul je waarschijnlijk ook in het duister verzinken. Vandaar dat Jezus in diezelfde reeks van leringen stelt: “Ingaan tot het Huis mijns Vaders is Zijn wezen aanvaarden en Zijn wezen in uzelf dragen. Doch dit kunt gij slechts, indien gij erkent goed en kwaad.”

En ja, dat erkennen van goed en kwaad in jezelf, dat zat o.a. onze vriend Petrus een klein beetje dwars. Petrus was een heel goed mens (je zou tegenwoordig zeggen; een erg geschikte jongen), maar hij had een idees hij wist het. Daarom vond hij het noodzakelijk om onmiddellijk uit te barsten en te zeggen; “Maar Meester, nooit en te nimmer zal ik het kwaad in mij toestaan op te treden.” Toen heeft Jezus gelachen en gezegd: “Gij zult uzelf van het kwade overtuigen.” En toen dan een tijdje later Jezus in gevaar was gekruisigd te worden, was diezelfde Petrus er weer; “Ik, Heer, zal u nooit verlaten.” En toen heeft Jezus hem met zijn glimlach zo’n klein beetje herinnerd aan wat er vroeger al eens gezegd was en heeft gezegd: “Petrus, Petrus, eer de haan driemaal gekraaid heeft, zult gij mij driemaal verloochend hebben.” En dat is gebeurd. Want die Petrus met al zijn ideeën van: “Ik storm de wereld, in met het goed, met mijn kracht,” had wel de goede ideeën, maar hij had geen gevoel voor werkelijkheid. Hij wist niet, dat hij wanneer de dreiging maar sterk genoeg was net zo zwak zou zijn als een ander mens. Dat is natuurlijk een heel grote fout. Wanneer wij ons werkelijk van God bewust zijn, moeten wij ons er ook van bewust zijn, dat we mens zijn of dat we geest zijn. En dat we alle zwakheden, die daaraan kleven, in onszelf dragen. Erken je je fouten, dan heb je kans, dat je ze binnen; de perken houdt. Maar meen je, dat je elke fout opzij moet schuiven om daarvoor in de plaats te zetten “de grote bewustwording” en al die dingen meer, dan verloochen je het kwaad.

Laten we maar eens een heel simpel voorbeeld nemen; u heeft een tuin. U zet in die tuin bloemen neer. Mooie bloemen: lelies, chrysanten, rozen, wat u maar wilt. En u blijft zo in die bloemen geboeid, al maar die bloemen verzorgen, dat u helemaal niet ziet, dat er achter u brandnetels komen. Voor u het weet, is uw hele tuin verstikt door de brandnetels en blijft er van uw mooie bloemen misschien maar heel weinig over. Zo gaat het, wanneer wij te veel op dat hooggeestelijke afgaan. We raken onze zin voor realiteit kwijt. We worden zo dadelijk, wanneer de nood aan de man komt, ineens overrompeld door alle materiële aspecten en we zijn helemaal niet meer in staat om de toekomst te voorzien of om aan te voelen, wat de werkelijkheid en de mogelijkheden zijn.

Toen Johannes eens een keer aan Jezus vroeg, hoe het mogelijk was, dat hij bepaalde dus van te voren waar ze zouden rusten.

Ja, dat moet ik eigenlijk eerst duidelijk maken. Niet elk dorp was geneigd om vreemdelingen zonder meer aan zijn bron te laten. Men gaf hun wel drinken, maar verzocht hun vaak om snel verder te gaan. En het was ook zeker in het hele land niet gebruikelijk om zonder meer vreemdelingen te ontvangen. Er waren te veel rovers, te veel zwervers, wonderdokters, kortom krachten, die eigenlijk niet deugden. Maar Jezus zei heel rustig aan het begin van de dag: “Daar zullen wij rusten.” En dan rustte hij daar met zijn apostelen. En dan was het goed, dan hadden ze eten en drinken en al wat ze nodig hadden. U begrijpt dus wel, dat die apostelen zich afvroegen: “Hoe kan dat? Wanneer wij alleen gaan, dan moeten wij overal gaan kloppen om een beetje gastvrijheid. En Jezus gaat ergens naar toe en het is in orde. Hoe kan dat?” Dus op deze manier kwam die vraag tot stand.

Toen gaf Jezus hem dit antwoord: “Ik volbreng de wil des Vaders en in de wil des Vaders ken ik de zekerheid van hetgeen komen gaat.” Wat Barnabas die soms wel eens meer de cynicus was, tezamen met Thomas de opmerking ontlokte: “Hoe komt het dan, dat de volmaaktheid des Vaders niet altijd aan de bron geopenbaard wordt?” Hij bedoelde: We zitten daar wel, maar het is wel eens een beetje te zonnig of het is een beetje te schaduwrijk en het eten is ook niet al te goed. Waarom is dat nu niet volmaakt? En toen gaf Jezus dit antwoord: “Uit de Vader stamt de volmaaktheid, die gij ervaart. Maar eerst in het ervaren en aanvaarden wordt het voor u een werkelijke volmaaktheid. Want de volmaaktheid schuilt niet in hetgeen is de wil des mensen of de wet der mensen, doch in datgene, wat is de openbaring des Vaders in deze wereld.”

Hij bedoelde daarmee te zeggen; Hoor eens, mijn beste Barnabas en jullie anderen, jullie menen dat nu wel goed, maar jullie gaan zeggen: Zo zouden wij het volmaakt vinden. En dat kan niet. Veel van hetgeen jullie kwaad noemen is in feite goed, het hoort erbij. En door dat nu te accepteren kan ik zeggen: “Morgen zal ik daar aan die bron eten. En overmorgen worden wij uitgenodigd door deze of gene landheer.” Dat kan ik alleen door alle dingen te aanvaarden. Ik zou het nooit kunnen, wanneer ik zoals jullie voortdurend oordeelde. En daarin toont Jezus ons, dat de gave der profetie maar ook de verzinking in het Goddelijke dus klaarblijkelijk nog wat anders vergt. Het vergt een aanvaarding van het leven met zijn goed en zijn kwaad. Het vergt de realisatie van het “ik”, dat alles goed is, ook wanneer wij het nog niet als zodanig kunnen ervaren.

Nu begrijpt u wel, dat ook over dat laatste punt nog wel eens een opmerking is gevallen. Die was van Simon II (niet Simon Petrus), die over het algemeen nogal bescheiden toen de opmerking maakte: “Maar Heer, zal het kwaad ons dan niet overweldigen?” Hij bedoelde daarmee te zeggen; Ja, maar als wij nu goed en kwaad gelijkelijk gaan accepteren, waar blijft dan de grens? Er moet toch ergens een grens zijn. We moeten toch iets hebben om naar te streven. Jezus gaf dit antwoord: “Zo in uw daden hetgeen in uw oog de wil des Vaders is voortdurend wordt uitgedrukt, zo in uw hart de wens leeft Zijn volmaaktheid te bereiken, wat kan u deren?”

Dat vraagt natuurlijk ook weer uitleg. Hij bedoelde daarmee te zeggen; Kijk eens, mijn beste jongen, ik geloof heus wel, dat er een hele hoop dingen zijn, die jij niet leuk vindt en die je niet aardig vindt. Maar niemand zegt jou, dat jij dat nu plotseling goed moet gaan vinden. Integendeel. Voor jezelf ben je volkomen gerechtigd om dat z.g. kwade in jezelf en in je eigen daden te verwijderen. Maar je moet het in God aanvaarden. Dat is de kwestie.

En daarmee kom ik dan zo langzamerhand aan het einde van mijn betoog, maar ook aan het punt, dat ik in uw speciale belangstelling wilde aanbevelen: Er zijn verschillen tussen de wereld in ons en de wereld buiten ons. Op het ogenblik, dat wij proberen die wereld in ons a.h.w. als een dwang aan de buitenwereld op te leggen, gaan we daarin teloor. Dan verliezen we daarin het contact met de werkelijkheid maar ook het contact met de schepping, met God en met het licht. Zolang we echter in staat zijn om voor onszelf te begrijpen, dat onze innerlijke wereld alleen in onze eigen persoonlijkheid verwerkelijking vraagt en dat we daarnaast de grote wereld van God moeten aanvaarden, komen we veel dichter bij het doel. Want wij zijn niet in staat Gods schepping te overzien noch te begrijpen, hoe Hij in Zijn wijsheid en almacht alle dingen heeft samengevoegd tot dit geheel, de perfecte weer gave van Zijn wezen. Wat we wel weten? Hoe in ons de goddelijke kracht spreekt, hoe in ons is de drang tot volvoering van Gods wil. En dat moeten we dan ook van uit onszelf doen.

Indien wij in staat zijn die scheiding te blijven maken tussen het werken aan onszelf en het aanvaarden van de wereld, dan zal in ons de eenheid, ontstaan met het Goddelijke door ons streven, het vermogen worden gegeven om zoals u dat noemt; te profeteren, om te begrijpen wat gaat komen, om dit te verwerken in onszelf en daaruit voor onszelf te putten een nog grotere zekerheid, een groter begrip en een vermogen om meer goed te scheppen in kosmos, wereld en sferen, dan zonder dit ooit mogelijk zou zijn.

o-o-o-o-o

Normalerwijze illustreren wij zo’n klein beetje wat er door de eerste spreker wordt gezegd. Maar ik kom tot de ontstellende conclusie, dat die geen verdere illustratie nodig heeft. Dit heeft u begrepen, of u heeft het niet begrepen. Uitleg kan er weinig verder aandoen. En daarom ga ik dan eens een klein beetje praten over een onderwerp, dat mij interesseert en waar u hopelijk ook nog wel wat van kunt leren. Het is nl. dit: In onszelf groeien altijd weer dingen. U weet, die Indische wijsgeer zei eens een keer: “Het hart van de mens is geschapen als een tuin, maar hij heeft het verwaarloosd, tot het een gevaarlijke jungle is geworden.” Nou had de goede man waarschijnlijk gelijk en misschien maar weinig verstand van tuinieren. In ieder geval geeft hij daarmee iets weer, wat ja, laat ik zeggen de ervaring mij wel geleerd heeft als juist te zien.

Wanneer wij zo in het leven staan, hebben we allen onze moeilijkheden. En die moeilijkheden komen hoofdzakelijk voort uit hetgeen wij menen, dat voor ons goed zou zijn. Het deugt vaak helemaal niet. Soms denk je, dat het erg goed is om lekker een flinke portie krab te eten en je komt later tot de conclusie, dat het een heerlijke portie buikpijn is geweest. Dus dat het kwaad was. Verder hebben wij ook de grote neiging om van anderen maar steeds te verwachten, dat zij zich aanpassen aan onszelf. En ik ben bang, dat dat nu juist het onkruid is, waar het om gaat.

Mijn idee daarover is eigenlijk dit: We zijn geschapen ergens, ik weet niet waar. In het begin ergens in de kosmos. Toen wij geschapen werden, heeft God Zijn wezen in ons uitgedrukt. En nou zou je dat je het best kunnen voorstellen, alsof Hij een stempel heeft genomen en gezegd: “Kijk, dat is het schema van jouw wezen, van je bereiking. Dat, is de plaats, die je krijgt in de schepping; en dat is de vorm, die je dan zult moeten hebben.” Nou, draai dat om, dan krijgen we daar een mooi formeel tuintje. U weet wel, zon beetje Oudhollands met een paar buksboomhaagjes, en zo, met een rozenperkje en met de net getrokken paadjes.

In dat begin was ons leven betrekkelijk eenvoudig. Wij hadden ten slotte, alleen maar de wegen te gaan, die in ons waren getekend en de ervaring op te doen, die ons word gegeven. En automatisch bloeiden op tijd onze bloempjes, was het hele landschap voor ons goed en zuiver en hadden we van binnen helemaal geen strijd. Maar op een gegeven ogenblik gingen wij zeggen: “Ja, maar ik hoef niet alleen over de paadjes te lopen, ik kan ook de perkjes doorgaan.” Dat was natuurlijk vervelend, want toen gingen we zelf oordelen. En het gevolg was, dat sommige paadjes, die er behoorden te zijn, zo langzamerhand onder het mos en onder het gras kwamen. Terwijl daar, waar onze rozenstruiken dienden te bloeien, vastgestampte aarde was gekomen. Maar goed, het zag er nog steeds redelijk uit. En dat redelijke, dat werd helaas ook een eigenschap van de mens en van de geest. We hebben tot onszelf gezegd: “Ja, maar het gaat erom de kortste weg te vinden van hier tot het doel. En in plaats van nu te begrijpen, dat ons wezen, het geheel, het schema van het tuintje het doel was , hebben we gedacht: “O, we staan nu hier aan deze kant van de tuin, maar we moeten aan de andere kant komen.” En zo wandel je weg over alle perkjes, je trapt alles in puin en misschien gooi je de zonnewijzer en de beeldjes, die er staan ook nog om. Dat is erg onaangenaam. Want in onze poging tot rechtlijnig streven, onze gedachtegang van “de kortste weg is de beste”, verloochenen wij, wat God ons gegeven heeft.

Ja, en wat wil je dan? Dan komt er een ogenblikje, dat je alle kortste wegen kent. Dan zijn we volgens de mensen goed. Heilig misschien! Volgens ons eigen denken hebben we het beste gedaan wat er te doen was. We zijn wijs. Maar we hebben van binnen niets meer over. Dan kun je zeggen; jungle. Ik voor mij, ik zou eerder zeggen; een platgestampte paradeplaats, waar als enig leven zo nu en dan een paar waanzinnige ideeën een soort optocht plegen te houden. In ieder geval geen gezellige beweging.

Als we nu terug moeten tot wat God ons gemaakt heeft, bewust, dan zullen we toch weer datzelfde schema, dat Hij in ons in het begin heeft neergelegd, in onszelf moeten wekken. En ja, dan zullen we de paadjes weer precies moeten aanleggen, waar ze zijn. We zullen moeten leren om de perkjes heen te lopen i.p.v. er midden doorheen te stappen. Op het gevaar af, dat ik jullie verveel met mijn gebabbel, zou ik dat dan….nou ja, toch willen omzetten in de praktijk. En die praktijk heb ik gehad. Met mijn vrouw zaliger heb ik ook heel wat perkjes platgetrapt zo nu en dan.

De zaak is eigenlijk zo: De natuur heeft haar kwaliteiten en haar eigenschappen, waar wij niet aan mogen roeren. Doen we dat wel, dan verstoren wij het systeem en het plan van de schepping, dan zijn we onredelijk. In dat onredelijke tasten we in feite onze eigen functie binnen de schepping aan. En dat houdt in, dat we terug zullen moeten vallen tot een vorige fase om weer de juiste weg te vinden. Wij hebben verder bij die perkjes bv. ook een hele hoop, dat anderen aangaat. Op het ogenblik, dat wij ons gaan bemoeien met het innerlijk leven van anderen en gaan proberen daar onze ideeën eens te laten zien, dan gaat het je net als mij, toen mijn vrouw wat viooltjes had uitgezet. Ik keek toevallig niet uit, stapte over het grasrandje, omdat ik niet wilde, dat ze hoorde, dat ik thuiskwam, en toen zat ik in het viooltjesperk. En nu kun je van me geloven, dat je jezelf heel wat meer verwijten daarover maakt, wanneer je a.h.w. iets kapot hebt getrapt van de verhouding tussen jou en de buitenwereld, dan mijn vrouw mij ooit over die viooltjes heeft gemaakt. En toch….ze was een goeie ziel, maar ze kon ontzettend lang en vlijmend praten over een onderwerp, vooral als het mijn schuld of dwaasheid was. Dus nogmaals, geloof me, dat dat heus niet prettig is voor jezelf, wanneer je je zo in zo’n situatie brengt.

Misschien het meest typische verschijnsel, dat ik bij alle mensen zo opmerk, is wel dit: Je gaat allemaal uit van het standpunt: “Wij willen goed, wij streven goed, wij gaan rechtvaardig zijn, enz.” Maar wij weigeren om die rechtvaardigheid te accepteren, zoals het leven ons dit geeft. We zijn voortdurend bezig om het leven te hervormen i.p.v. te zorgen, dat we het leven begrijpen. God heeft in het begin Zijn schepping gegeven met die volmaaktheid, die volkomen weer gave van werkelijkheid, die nodig is voor elk schepsel om zijn juiste plaats in die schepping in te nemen. Ook aan ons. Wij hebben niet de taak te vernieuwen. We hebben niet de taak te hervormen. We hebben alleen de taak te begrijpen en te respecteren. Dat houdt in dat een hele hoop van je eigenschappen en gedachten, die je zo bijzonder sterk aan het hervormen bent, in feite niet dat belang hebben.

Veel mensen, die goed willen zijn, besteden het grootste gedeelte van hun tijd aan het bestrijden van fouten, die ze net zo goed wel zouden kunnen hebben. En daardoor komen ze niet tot het beleven, het kennen van het bestaan, wat de enige mogelijkheid is om God in die wereld te kennen. En zo lopen ze met al hun drukte hun eigen doel voorbij. Nou, dat is net als met vrouwen. Als ze zenuwachtig worden en de melk staat op, dan moet je eens opletten Dan lopen ze te praten zus en nog een kopje neer te zetten zo en dan kookt de melk over. Dan hebben ze drie kwartier nodig om het fornuis schoon te maken en om het vuur weer een beetje nieuw op te jagen en tegen die tijd is de melk koud en dan gaan ze weer opnieuw beginnen. Ja, zucht er maar niet van. Dit is een persoonlijke ervaring van me.

Maar met m’n excuses aan de dames, die natuurlijk nooit de melk laten overkoken, zou ik erop willen wijzen, dat wij in het leven vaak precies hetzelfde doen. Als je in het leven komt, heb je ook een potje op het vuur staan. Dat potje zegt: “Mens, je moet ervaring opdoen, want dan kun je geestelijk doorgaan.” “Zeker,” zegt de mens, “dat is zo. We zijn hier voor bewustwording. En laten we nu even zorgen, dat Jansen een beetje beter leeft en Pietersen niet zo gemeen is en laten we dan nog even de rest van de wereld hervormen.” O, je wat is er nou gebeurd met je ervaring? Zwaar aangebrand! Ja, je mag er rustig om lachen. Maar het is toch zo. Datgene, wat je nodig hebt in het leven, het begrip, dat is weg. Dat heb je niet meer. En het gaat om het begrip. En daarom is mijn levensfilosofie zo langzamerhand dit geworden:

In de eerste plaats, mensen, probeer het leven te bewonderen, niet het te hervormen. Dat is punt een.

Punt twee; Zoek geen nieuwe wegen, maar ga de wegen, die je gegeven zijn, zo goed als je kunt. Dat is veel beter voor je.

En in de derde plaats: Houd je er niet mee bezig, hoe het misschien later zal zijn. Maar concentreer je er nou eens op om dit punt, waar je je nu bevindt in de kosmos, te kennen, te respecteren en de Schepper daarin te bewonderen.

Dan heb je met heel wat minder moeite, met heel wat minder drukte en met heel wat minder ruzie ook, denk ik zo een zuiverder kennis gekregen van jezelf. Van de tuin a.h.w. die je bent in het complex van tuinen en gebouwen, dat God heeft ontworpen in het begin als Zijn Huis. We hoeven niet meer te zijn dan dat ene kleine plekje, als we dat maar goed zijn. En hoe meer we dat hervormen, hoe meer we rommel maken. Hoe meer we het begrijpen en hoe meer we het bewonderen als een deel van God, hoe beter we erin zullen slagen om door de kennis van ons eigen ikje de juiste verhouding te vinden tot de grote kosmos, waar we uiteindelijk bij behoren.

Zo, nu zal ik jullie niet langer vervelen en dit onderwerp voorlopig maar terzijde leggen. Ik kan niet zeggen, of het voor jullie allemaal even praktisch is, maar uit mijn ervaring was het dat wel. Vandaar dat ik het naar voren heb gebracht.