De geheimen van Pinksteren

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 69

9 juni 1957

Pinksteren is het feest van het licht, dat in de mens geboren wordt. Het is de realisatie van het Goddelijke in de mens. Wanneer wij zien, hoe de feitelijke mogelijkheden voor een dergelijk gebeuren liggen, daarbij ons steeds weer beroepende zowel op Jezus’ eigen verklaringen als die van de besten en trouwsten van zijn leerlingen, dan is het beeld als volgt:

In óns leeft het Koninkrijk Gods. Wij kunnen dit rijk voor onszelf tot werkelijkheid maken door een volledige overgave aan de Vader. Maar ook wanneer wij niet tot een overgave komen uit vrije wil, kunnen er omstandigheden en condities ontstaan, die ons een vlucht naar binnen toe als enige mogelijkheid laten. Dat is overigens wat bij Pinksterfeest, dat vandaag gevierd wordt, in feite gebeurde. Er waren mensen zo onder de indruk van angst, zozeer wanhopig, dat zij vergaten zich te beroepen op de wereld buiten hen. Het beroep op de innerlijke wereld bracht contact met God, met de Vader en met alle krachten, die uit de Vader onmiddellijk voortvloeien. Zo komt het Koninkrijk Gods dan onbewust.

In het onbewust komen van het Koninkrijk Gods deelt men het bewustzijn van de hele wereld. Want Gods kracht en Gods bewustzijn leven in alle dingen, niets uitgezonderd. Delende in alle bewustzijn van de wereld zal men alle talen kunnen spreken, zal men alle geheimen kunnen weten, is er niets wat verborgen blijft. Een dergelijke toestand van weten echter kan alleen bestaan, zolang het ik onbewust is. Een van de verkeerde conclusies, die men aan het Pinksterfeest heeft verbonden was, dat de geest Gods voorgoed zijn woon in deze mensen had genomen. Men dacht hiermede te kunnen bewijzen, dat hun leer onmiddellijk uit God geboren was.

Jezus zelve echter zegt in zijn leringen aan de kleine groep: “Want zo zeg ik U, de Vader is met U op het ogenblik, dat Uw hart met de Vader is. Doch zo gij de Vader vergeet, zo zijt ge eenzaam en verlaten en kunt gij niet komen tot de werkelijkheid.” Hij zegt dit niet om zijn leerlingen te ontmoedigen, maar wijst erop, dat voor een werkelijk deel hebben aan Gods rijk, een werkelijk deel hebben aan Gods krachten, een voortdurende band met God moet bestaan. Pinksterfeest echter was een onbewust ontstane band. Niemand dacht er toen men naar de Korenmarkt ging, om werkelijk nu eens geheel en al in God op te gaan. Men zocht bij elkaar in een geheime plaats enige beschutting, men treurde over het feit, dat de Meester was heengegaan, men bad God om veiligheid en maakte plannen om te vluchten. Het nutteloze echter daarvan, dat bij de onderlinge gesprekken naar voren kwam, deed de mens zozeer hopeloos worden, zichzelf zozeer verloren achten, dat hij innerlijk begon te bidden. Niet een uiterlijk gebed, maar een stil, innerlijk gebed. Een soort: “God, help me; God, sta me bij; God, red me.” En als resultaat: “Nu ja, wat kan mij de wereld schelen, ik ben in Gods hand, zoals de Meester is voorgegaan, zal ik volgen.” Niet omdat men dit gaarne wilde, maar omdat men geen andere mogelijkheid zag. In deze overgave wordt dan het Pinkstergebeuren tot werkelijkheid, treedt God op als leidende, als voerende kracht, gebeurt al, wat geschiedt, tijdelijk, als uiting van het goddelijk weten. Maar op het ogenblik dat men zich realiseert wat men doet, op het ogenblik dat de verrukking voorbij is en men zich plotseling gesterkt gevoelt, onttrokken aan het gevaar door de grote indruk, die het gebeuren heeft gemaakt op de burgerij, is het afgelopen. Dan bestaat die band niet meer.

We zien telkenmale weer dergelijke verschijnselen. Dat Saulus getroffen wordt door het goddelijk Licht is volledig aanvaardbaar en te geloven. Want Saulus tracht Gods wil te vervullen zij het ook door het verdelgen van christenen volgens beste weten en met gehele overgave. Zijn reis brengt voor hem zekere risico’s met zich mee, hij komt tot een zelfnegatie en als resultaat heeft hij deel aan de grote kennis en begrijpt hij Jezus’ werkelijke betekenis voor de wereld. Maar van af het ogenblik dat Saulus genezen is en onder de naam Paulus de wereld intrekt, is hij weer dezelfde zeloot, dezelfde ijveraar. Zijn gedachten zijn misschien een klein beetje veranderd, omdat hij zich baseert op een nieuw bewustzijn, een nieuw standpunt; maar hij is niet meer in staat God in zich te weten en te voelen. En zo is het Paulus, die zijn versie van het christendom predikt; niet God, Die door Paulus spreekt.

Wanneer we dit heel goed beseffen, wordt ons duidelijk wat Jezus bedoelt, wanneer hij leert over de eenheid met de Vader en zegt; “Eén met de Vader kunt gij slechts zijn, indien heel Uw wezen te alle tijde is gericht op de Vader. De kracht van de Vader kunt gij slechts bezitten, zo heel Uw wezen en heel Uw kracht is opgegaan in de Vader. Gij zijt niets en nietig, doch in de Vader zijt gij groot en machtig. Want alle dingen, die uit de Vader zijn, zijn in U. Doch eerst wanneer ook gij in de Vader zijt, zijn ze U tot werkelijkheid,”

Wij kunnen in ons leven het Pinkstergebeuren vaak genoeg doormaken. Elk ogenblik van zelfvergetelheid, van opgaan in een grotere wereld, van overgave aan de leidende krachten, die ons helpen, bijstaan en in stand houden, betekent voor ons een delen in een groter bewustzijn, een uitgebreider weten, een groter kracht. Maar deze toestand zal slechts zolang blijven voortduren, als onze eigen overgave, onze eigen aanvaarding duurt. Daarom behoort eigenlijk de wereld een voortdurend Pinksterfeest te zijn. Want weinig mensen zijn bewust in staat zich geheel en al over te geven aan God, aan Gods wet en wegen, te leven zonder enige zorg voor morgen, zonder enige hang naar bezit, zonder enige eis ten opzichte van de wereld. Zij, die dit kunnen doen en zo geheel de Vader aanvaarden, zij worden verhoogd tot ver boven hun normale peil.

Voorbeelden daarvan vinden wij in en.buiten het christendom. Wanneer wij zien hoe de missionaris Franciscus Xaverius, één met zijn God, in staat is om een leer, die hij nooit heeft gekend, geheel uiteen te zetten aan Akbar de Grote, dan blijkt ons hoe zijn bewustzijn hier dus vergroot wordt door zijn zelfnegatie. Hij meent te gaan om te sterven, maar hij is in staat om te bekeren door de kennis, die hij in zich draagt; ook wanneer hij dan later terugkeert tot het beperkte christendom en zo de eerste christen nederzettingen in India schept. Franciscus van Assisi, de zwerver langs Gods wegen, vindt in zich de kracht en de vrolijkheid, in zich ook het vermogen tot wonderen en tot het beroeren van medemensen, juist door het feit, dat hij alles achter zich laat. De wijzen, die zo vaak als leraar optreden in het Oosten, de Mahatma’s, krijgen een betekenis op het ogenblik, dat zij zichzelf vergeten. Dan blijkt plotseling, dat hun daden en woorden meer betekenis hebben, dan die van een mens kunnen hebben; dan zijn zij in staat om het noodlot van staten te leiden, om het bewustzijn in mensen te wekken op een wijze, die onvoorstelbaar Lijkt. Maar zodra ze zichzelf zien als leraar, zichzelf voelen als held van de massa, dan hoe goed hun inborst ook is hun bijzondere kracht verloren. Dan wordt hun leer tot een dogmatisme, dan wordt het licht, dat zij brachten, langzaam tot een duisternis in de harten der mensen.

Wij kunnen op een dergelijke wijze moeilijk komen tot een voortdurende eenheid met God. Het Koninkrijk Gods vinden betekent: jezelf verliezen. Slechts weinigen op aarde en in de lagere sferen zijn bereid zichzelf te verliezen. Zo blijft ons alleen de weg van het Pinkstergebeuren over: De eenheid met het Grote Weten, de eenheid met de Grote Kracht, het tijdelijk boven jezelf verheven én verlicht worden in een ogenblikkelijke overgave.

Hier ligt dan de weg, die een ieder kan gaan. Wanneer gij in nood zijt, vergeet Uzelf en Uw wereld en roep tot God. En Hij zal door U handelen en spreken; Zijn bewustzijn zal Uw bewustzijn zijn, zij het voor korte tijd. Wanneer in U een vreugde is, onmetelijk groot, geef die vreugde aan de wereld; en vraag niet voor Uzelf, maar aanvaard slechts God. De kracht van het Pinkstergebeuren is in U. Elk ogenblik dat gij in staat zijt Uzelf te verloochenen en te vergeten en slechts Gods wil in de wereld te uiten, zal God Zijn wil dóór U uiten.

Een van de verschijnselen, waarover op het Pinksterfeest het meest wordt gesproken, is het neerdalen der vurige tongen. Een woord, dat op deze ochtend in alle talen wordt herhaald; dat tienduizenden malen is gesproken, hoewel slechts weinigen weten, wat de betekenis is. Een vurige tong kan niet neerdalen als zichtbaar teken: God. ….O, het kan wel. Laat ik mij niet verstouten om te zeggen, dat voor de Schepper iets onmogelijk is. Maar het is zeker geen weergave van Zijn wetten. Wel is zeker, dat wanneer tijdelijk of voorgoed de bewuste, de topchakra’s openbloeien, de kracht daaruit als een licht kenbaar is. Naarmate de straling gericht of diffuus is, zal zij zich tonen als een aureool, een stralenkrans, dan wel als een tong of lichtstraal, lichtbundel. Vergelijkend: heiligenbeelden met een lichtende krans; Mozes, de wetgever, in zijn toorn met twee lichtende zuilen, die uit zijn hoofd ontspruiten als een soort van lichtende horens.

Wanneer ons leven, onze kracht, tijdelijk wordt verhoogd, kan het gebeuren, dat de topchakra’s dus de geestelijke krachtsorganen, die gelegen zijn in het hoogste lichaamsdeel (kruin, voorhoofd) openbloeien. Wanneer wij opengaan, kan elke kracht, die in het ik is, tot uiting komen. Wanneer die poging tot uiting er een is van Godaanvaarding, dan hebben wij te maken met een scherp gevormd en zeer scherp gezien streven. Dan zien wij een zuil of een vlam. Op het ogenblik echter dat wij deel willen hebben in de wereld en de wereld verhogen met ons bestaan en wezen, dan zal niet van een scherp gericht licht sprake zijn; eerder komt er een diffuse uitstraling, die a.h.w. de aura kenbaar maakt voor een ieder en wel bijzonder sterk rond het hoofd.

De lichtende tongen, de lichtende vlammen, hebben weinig te zeggen dan een kenteken omtrent de waarheid van dit gebeuren. Het Pinksterfeest is geen legende. Zoals Jezus geen legende is. Ik weet, dat er velen zijn, die dit beweren. Niet alleen onder heidenen, maar ook onder diegenen, die zich gelijktijdig op het christendom beroepen. Ik echter zeg U! Dit alles is waar. Zó waar, dat men de waarheid, die erin verborgen ligt, niet heeft begrepen. Op dit ogenblik kunnen er lichtende tongen op U zijn, wanneer gij Uw bewustzijn verlaat en daarvoor in de plaats stelt een totale aanvaarding van God. Dan is Hij U die lichtende tong aanwezig, die lichtende vlam; dan is in U de kracht en de mogelijkheid.

Hij gaat door het menselijk leven. Wie door het menselijk leven gaat, gaat de wegen der mensen, dat is onvermijdelijk. Die wegen der mensen zijn vaak beladen met wat men noemt; fouten, zonden. Maar wanneer wij God aanvaarden boven alles, bestaan er geen fouten. Die menselijke wegen zijn beladen met angsten. We zijn voortdurend tot afwijken gedwongen door de grote hinderpalen der vrees. Maar wie God geheel aanvaardt in zichzelf, kent geen angst. De weg der mensen zal soms door onwetendheid terugkeren op eigen pad en spoor. Maar wie God in zich draagt gaat slechts Gods weg en zal niet terugkeren.

Wanneer ge dit begrijpt, wanneer dit voor U een realiteit kan worden, dan zult ge in staat zijn de goddelijke Kracht in Uzelf te activeren. Dan zult ge zo waar maken wat Jezus zegde tot zijn leerlingen: “Indien gij niet mij volgt maar de Vader, zo is de Vader in U en zijt gij de weg, zoals ik de weg ben; zo zijt gij de waarheid, zoals ik de waarheid ben. Want slechts de Vader is waar en de Vader in ons is de waarheid en de weg. En zo wij één zijn met de Vader, wat zal ons verderven?” Niet een navolgen van een enkeling. Een één worden met het Groot Goddelijke, dat is het doel van het leven.

Dat doel kunnen wij realiseren, eens, wanneer wij zover zijn, dat we alles verwerpen buiten God en alles slechts aanvaarden ommentwille van God. Tot die tijd blijft ons slechts het Pinkstergebeuren over. De ogenblikkelijke ontvluchting aan ons eigen wezen en aan onze eigen wereld en daardoor deelhebben aan het gemeenschappelijk bewustzijn van wereld en werelden. Het deel hebben bovenal aan de goddelijke Kracht, die alle dingen in stand houdt en die dan in ons kenbaar en merkbaar volledig wordt geuit. Die korte ogenblikken van verlichting zijn het, die het ons mogelijk maken een pad te volgen, dat leidt tot uiteindelijke bewustwording en verlichting. Dit is waar.

Johannes, de geliefde leerling, zegde kort voordat hij zich terugtrok tot zijn mede – christenen, zijn medevolgelingen van Jezus, dit: “Wij weten, dat de kracht van de Vader in ons is, dat de Meester ons niet verlaat. Maar zo wij onze wil stellen en zeggen: ‘Dit is de wil des Meesters, zo verloochenen wij de Meester. Indien wij stellen: Onze kracht is de kracht Van de Meester en de kracht Gods,’ zo zal het waar zijn. Maar indien wij zeggen: ‘Uit de Meester en onze Vader putten wij onze kracht,’ zo zal het een leugen zijn. Want weet, gij broeders, dat slechts in God de werkelijkheid bestaat, zoals onze Meester heeft gezegd. Wat gij echter werkelijkheid noemt is een waan, die gij meent te putten uit de Vader, doch die ge slechts put uit de onvolkomenheid van Uw eigen wezen.”

Ik geloof, dat dit kan gelden voor de hele wereld. Zolang gij meent leerstellingen te moeten verkondigen, zolang gij meent anderen iets op te kunnen dwingen, wanneer gij meent Uw krachten te moeten gebruiken als demonstratiemateriaal niet ten bate van de mensheid maar ten bate van een bepaalde stelling, gedachtegang of bepaalde wereldvorm, kunt gij niet één zijn met God.

“Het is niet zo, dat de Vader een wonder doet,” zegde Jezus eens, “Wanneer ik Hem smeek mijn wezen te verhogen. Doch Hij geeft mij de kracht tot genezen, tot het wonder, wanneer ik de Vader smeek het leed van anderen te verlichten. En wanneer ik verschil maak tussen een zondaar en de schuldloze, tussen de berouwvolle en hem zonder berouw, zo doe ik dit, omdat ik de Vader niet wil beledigen zo mij dit mogelijk ware. Want kan ik het licht vragen in het duister te treden, als het duister het licht verwerpt? Doch indien ik bid, vraag ik niet: ‘Zie, deze is van mijn volk, deze is van mijn geloof.”

Enige tijd later voegt hij daar enigszins scherp aan toe: “Gij hebt mij verweten, dat ik de Romein genees naast de Jood; dat ik de tollenaar niet schuw noch de vrouw van publieke zeden. Ik echter zeg U: ‘In al dezen leeft de kracht van de Vader evenzeer als in U’. Hoe zal ik mij vermeten uit mijn leven te wijzen, wat de Vader in leven en in stand houdt? Wat de Vader schept, zal ik aanvaarden. In mijn aanvaarding zal ik trachten het lijden teniet te doen,’ dat voortkomt uit het niet – begrijpen en niet – kennen van de Vader. Zo smeek ik Hem, niet om mijnentwille hier doch om Uwentwille, zoals gij leeft in dezen: ‘Geef gezondheid, geef kracht, geef inzicht.’ Hoe zou de Vader mij niet verhoren, wanneer ik bid en smeek in liefde tot Hem, wanneer ik de daad stel om Zijnentwille?”

U moet dat goed begrijpen: Alles is mogelijk, niets is onmogelijk, wanneer men de daad stelt ommentwille van God, voor God en door God. Maar zodra een van die voorwaarden ontbreekt, blijft misschien het wonder gedeeltelijk mogelijk, maar het krijgt gelijktijdig iets onzinnigs, iets satanisch. Want wie zegt “Ik” deelt het ondeelbare in het eigen bewustzijn. Wie zegt “Ik” en God daartegenover stelt, wie zich verhoogt in de ogen van God of van de mensen, wie zich vernedert in de ogen van God of van de mensen, die neemt de band, die tussen hem en de Vader bestaat, weg. Wie echter één is met de Vader en Diens wil uitdraagt ongeacht de gevolgen die kent de waarheid. Die is de waarheid. Die draagt in zich het levende licht en de levende kracht.

Achter de eerste conclusies, die U op het ogenblik heeft getrokken, mijne vrienden, liggen er meer. Ik kan ze niet in woorden stellen. Dit is mij helaas onmogelijk. Ik kan U hoogstens zeggen: Denk na en probeer dit te beleven. Probeer te begrijpen, hoe voor degene, die God aanvaardt als de werkelijke kracht in zijn leven, geen grens bestaat, geen zondaar, geen deugd, maar alleen waarheid. Probeer dit te begrijpen uit het Pinkstergebeuren. Dan zult ge begrijpen, hoe het ogenblik van licht, waarop God door ons spreekt, tijdelijk elke persoonlijke verantwoording uitsluit; maar alleen tijdelijk. Dan is onze verantwoordelijkheid slechts, dat wij onszelf overgeven aan God. Kunnen wij dit voorgoed doen, dan is het God, Die leeft. Dan is het niet onze wil en ons begeren, dan is het Zijn wil, die ons leidt in alle dingen. Dat is een innerlijke toestand.

Ge moet begrijpen, hoe die toestand gerealiseerd kan worden, soms voor een enkel vliedend moment in de tijd, soms ook als bekroning van een lang leven, een zoeken door vele levens en vele sferen als een blijvende, eeuwige werkelijkheid in het ik. Dan zult ge begrijpen, hoe Pinksteren slechts een aankondiging is. Dan zult ge ook begrijpen, hoe Pinksteren vandaag nog bestaat. Dan zult ge begrijpen, hoe de aankondiging voor ieder van U betekenen kan: voleinding en bereiking, indien gij in staat zijt Uzelf te vergeten.

o-o-o-o-o

 Ik zou zeggen laten we vandaag niet helemaal de christelijke feestdagen verlaten, maar laten wij van onze kant uit eens proberen dat Pinksteren te benaderen. Ik wil alleen maar proberen om te zeggen, hoe ik het nu zou aanvoelen.

Het zaad heeft in de grond begraven gelegen en met het komen van de lente is er langzaam en voorzichtig een groene, tere stengel omhoog gebloeid met een knop, die reeds naar de zon rekt, terwijl ze haar nog niet kan zien. Soms piekt er even een ogenblik een klein ogenblik maar wat van haar kleur reeds uit de knop. Dan komt er een dag met zon. In de ochtenduren heeft de wereld onder de dauw begraven gelegen als in een juwelen graf. De nevelen, die wegtrekken, zijn getint tot kleurige sluiers door de zon; en de bloem neemt alle voeding in zich op, die ze krijgen kan. En dan, wanneer de eerste zonnestralen haar beroeren, dan is er een spanning in haar – ze kan het niet meer houden – die haar plotseling, het eigen wezen haast verscheurend, de kroonblaadjes eenvoudig terugdringend, haar hele wezen doet openvouwen. Dan drinkt ze in een stralende glorie die zon in.

Zon. Haar hele wezen siddert in het licht, De bijen komen. Het geslacht blijft in stand en de bloem merkt het niet eens. Ze leeft in het licht.

De avond komt. Wanneer de zon in een rode schemering van bloed gaat sterven, probeert ze een ogenblik nog haar kelk toe te vouwen. Maar ze kan zich niet meer helemaal van de wereld afsluiten. Ze is eenmaal opengebroken en wanneer er nu maar enig licht is, zal ze zich plotseling weer openstellen om dat licht te ontvangen.

Zo gaat het een tijdlang door. De regen komt en de storm, de blaadjes verwelken en vallen af. De wereld treurt, want er is een schoonheid gestorven, er is iets teloor gegaan. Maar in hetgeen overblijft ligt veelvoudig de mogelijkheid tot gloed, tot kleur, tot absorptie van licht verborgen, die er eens was in het kleurige wezen, dat zich op een dauwmorgen ontworstelde aan de nevel en de eerste zonnestraal met een zich openend hart begroette. Dat is voor mij Pinksteren.

Weet U, één zijn met God, dat is bloei door alle tijden heen. Dan kun je niet meer sterven, dan ben je eeuwig. Voor ons is Pinksteren eerder een soort van groeien ergens naar toe. Zo goed als voor de leerlingen daar. Natuurlijk, ze hebben veel zorg gehad en veel leed. Een ogenblik waren ze boven zichzelf verheven, want de Meester was met hen. De Meester, die gestorven was en toch leefde. Ze waren verlaten en eenzaam. Ze wisten niet meer waarheen in een vijandige wereld. Ze hebben veel spanningen doorgemaakt. Ze zijn gegroeid. Maar dan in het duister, waarin ze samenkomen, angstig en wel om dan te spreken over hun verdeling, hun wegvluchten in kleine groepen uit Jeruzalem ja, uit het bestaan der Joden daar gebeurt dan het wonder. Want ofschoon ze het niet weten, zijn ze geestelijk opgegroeid en ze hebben de mogelijkheid zich te openen; zich evenals de bloem open te stellen en het goddelijk Licht in te drinken. En juist wanneer ze daar in de geborgenheid, in de eenzaamheid zitten en niet meer weten waarheen, dan hopen ze op dat licht, want daar heeft Jezus zoveel over gesproken. Ze hopen op dat Koninkrijk Gods. Ze worden gevoelig voor het licht Gods, dat rond hen is. En dan kunnen ze openbloeien met nieuwe begaafdheid, met nieuwe krachten, met nieuw weten.

Maar zoals het met een bloem gaat een paar dagen……de blaadjes vallen af en de schoonheid is verloren gegaan zo is het met die wezens, met die mensen ook gegaan. Ze zeiden nog wel bloemen van licht te zijn, maar ze waren het niet meer. Want het licht was voor hen voorbij gegaan. En ze wisten niet, dat ze in zich het licht droegen; in zich als een grote kostbaarheid een veelvoud van wat ze ooit zelf hadden kunnen bezitten als mogelijkheid in zich geborgen.

Zo gaat het met ons ook. Per slot van rekening wanneer ik U ga vergelijken met prille lentebloemen, dan zou ik de vergelijking wel een aardig eindje moeten rekken. Maar wanneer ik ga zeggen, dat ook wij als planten, struiken of heesters of bomen steeds weer zoeken naar een ogenblik van bloei, dat we wachten op het licht, dat ons zal dwingen die verborgen krachten en gaven te doen openplooien, opdat heel de wereld ze kan aanschouwen, heel de wereld ze kan genieten, dan ben ik toch niet zó ver van de waarheid.

U zoekt allemaal. U streeft geestelijk. U groeit. U weet zelf misschien niet in welke richting en hoe, maar groeien doet U. En dat wil ook zeggen, dat steeds meer in U zich een verlangen naar dat licht en naar die kracht zal openbaren. U weet misschien zelf niet, waar U het zoekt en hoe, maar die drang is er. Net zo goed als de bloem helemaal niet overlegt, dat die knop nu ten hemel wordt gericht en dat ze zoveel mogelijk de zon moet zoeken of de schaduw, opdat het juiste licht, dat voor haar bestemd is, haar zal bereiken. Dat weet ze niet eens. En toch krijgt ze het. Maar er komt voor ons ook een ogenblik wie weet wanneer dat we onszelf instellen op dat licht.

Nu wil ik niet pessimistisch zijn en zeggen, dat de dauw, waarover ik zo even sprak, in een mensenleven tranen zijn. Maar toch, er is leed nodig; er is ervaring, er is angst, er is behoefte nodig. Het moet werkelijk in je liggen. Een heel leven, een hele wereld, een voortdurend groter verlangen naar het onbekende, dat is noodzakelijk. Het verlangen naar het onbekende. En dan? In ons verlangen aanvaarden we alles, alles…..en we vergeten onszelf. Dan zeggen we: “Ja, maar geef ons dan alleen maar één vonk licht, en dan geloven we de rest wel, dan mag je doen wat je wilt met ons.” Wanneer we dat durven zeggen tegen God of tegen de wereld of tegen de natuur, die we misschien niet eens begrijpen, dan kan het ogenblik komen, dat onze geest net als de bloem zich openplooit.

Dan hoeven we helemaal niet het symbool te nemen van een lotus. Een lotus is zo gewichtig. Laten we maar rustig zeggen, dat we zijn als een kleine pinksterbloem misschien, die meer kelken van bewustzijn gelijktijdig openplooit. Of misschien een boterbloem of een madeliefje. Ja, misschien zelfs een verwaande schermbloemige, die zo ergens van uit de vochtigheid haar hoofd omhoog steekt. Per slot van rekening elke bloem heeft haar eigen geaardheid, zoals elke mens. Maar bloeien doen ze allen, wanneer de omstandigheden gunstig zijn.

De mensen zullen allen openbloeien in het goddelijk licht ervaren, een ogenblik hebben van zo intens leven, zo’n zelfvergetelheid, dat alleen daaruit de kracht wordt geput voor een nieuw bestaan, een nieuwe wereld.

Ja, dat blijft natuurlijk niet. Je kunt van een mens niet verlangen, dat hij leeft in volmaaktheid. Er komt een ogenblik, dat ook hier de bladeren vallen. Dat ook hier de glorieuze uiting van bewustzijn buiten het ik te gronde gaat. Dan denkt een mens meestal: “O, wat ben ik verlaten, wat ben ik eenzaam.” Dan voelt hij zich gedrongen om voort te teren op oude roem en oude glorie, omdat hij niet beseft, hoe hij het zaad der eeuwigheid in zich draagt. Hoe hij nu reeds in zich draagt het vermogen om niet eenmaal, maar duizenden malen achtereenvolgens dat licht te ervaren; en hoe uit die veelheid een oneindigheid wordt geboren.

Pinksterfeest voor een mens is lente voor de ziel. Een lente, die gevolgd wordt door een zomer van daden, van actie, van handelen. Door een herfst met vruchten. Maar ook door de kilte van het afgesloten zijn van het licht. Een teruggetrokken zijn in jezelf, een verborgen leven zonder de God, Die je zo even nog als een kenbare waarde in je hebt gevoeld.

Kijk, vrienden, wanneer ik zo praat over het Pinksterfeest, dan vind ik het eindige ervan tegelijk zo treurig en zo veelbelovend. Want elke keer, we één ogenblik van licht en verlichting hebben genoten, hebben we in ons de mogelijkheden geschapen dit duizendvoudig te herhalen. Dat is ook een geestelijke groei. En het mooiste is verder, dat je van een bloem zou denken: “Nu ja, ze sterft, ze is teloor gegaan.” Maar kijk eens goed. Wanneer het graan een jaar lang uit de gestorven aar ontvreemd heeft gelegen en je zaait het uit, dan brengt het weer vrucht voort. Wanneer een gedachte een leven lang stil heeft gelegen, verborgen in de mens, in een onvermogen gekapseld, dat niet meer een uiting toeliet en je komt terug in die andere wereld, dan is die kracht er nog, die ervaring van licht. Ze gaat nooit teloor. Wanneer U vandaag in Uw leven licht heeft gevonden en morgen lijkt de wereld troosteloos, hoe troosteloos de wereld ook blijft, het licht, dat U in U heeft gedragen, blijft ook. En er komt een ogenblik, dat het weer hernieuwd, grootser en beter het licht kenbaar maakt in Uw wezen. En dat is het mooie ervan.

Er is helemaal geen reden om zo pessimistisch te zijn. Er is helemaal geen reden ook om te denken, dat een Pinksterfeest nu alleen maar voor de hoogste ingewijden bestemd is. Alleen U weet misschien niet eens, wanneer het Pinksteren is. U stelt zich dat voor als een buitengewoon statig en plechtig beleven en U weet niet eens, wat het is. O, het komt zo vaak voor. Heeft U het wel eens gehad, dat U met een ander aan het spreken was en dat U een ogenblik Uzelf vergat, bv. in medelijden of in oprechte behoefte tot helpen? Heeft U niet gemerkt, hoe U plotseling heel andere woorden hebt gesproken, dan Uzelf ooit zoudt hebben kunnen zeggen? Dat U zegt: “Waar haal ik het vandaan?” Heeft U nooit gemerkt, dat soms iemand neerslachtig, wereld ontvreemd bij U komt en een ogenblik later weggaat met een herwonnen veerkracht, met een nieuw bewustzijn? Is dat dan geen Pinksteren? Is dat dan geen straaltje van het goddelijke licht, dat uit U is doorgebroken in een ander mensenleven? Heus, we beleven meer van Pinksteren, dan we weten.

O, we stellen het ons allemaal zo plechtig voor. We zouden het willen zien als een soort van verheerlijking. We stellen het ons voor als een soort van eerbetoon, alsof we in een universiteit een doctorsbul krijgen toegekend of iets dergelijks. We zouden willen, dat de hele wereld er omheen zat met plechtige gezichten en dat het licht boven ons begon te stralen, nietwaar, waarop wij enkele woorden van wijsheid zouden uiten en een ieder zou zeggen: “Ziet, deze heeft de kracht des lichts in zich.” Ja, maar zo is het niet. Daar kun je niets aan doen, maar zo is het niet. Al die plechtigheid, al die pourparlers, die heeft God niet nodig. En als het er op aankomt, wij ook niet. Want hoe plechtiger, hoe opvallender die kracht in ons leeft, hoe groter het gevaar, dat wij gaan menen, dat wij dan toch wel wat blenders zijn; en ons zo van God vervreemden door onze zelfzucht en ons zelf denken. Neen, vrienden, het is zo gewoon. Net zoals het eigenlijk ook met Jezus leerlingen gewoon is geweest.

De uiting, die was buitengewoon. Zeker. Ze spraken plotseling vreemde talen, een ieder kon ze verstaan; en ze wisten plotseling te zeggen, wat ze zeggen moesten. Maar U bent nu eenmaal geen deel van een vergadering. U heeft niet tegen een vijandige wereld te preken. U heeft soms alleen maar een paar mensen te helpen of een enkel woord van waarheid te zeggen al weet je niet waar het vandaan komt om een ander een stap verder te helpen. Is het een wonder, dat Uw Pinksterfeest veel minder spectaculair is? Maar het is er. En elke keer, wanneer je zo puttend uit het hogere iets moogt en kunt geven, is het Pinksteren. En elke keer, wanneer het Pinksteren is, krijgen we nieuwe beloften voor groter licht, voor groter kracht, voor groter wijsheid. Een belofte, die nooit teloor gaat. Een kracht, die altijd bij ons blijft en altijd weer zich versterkt in ons wezen. Of we nu in sfeer A of B zijn, of we misschien zouden vallen tot het diepste duister of opgaan tot het hoogste licht, die kracht blijft en ze zal zich openbaren.

Daarom is het voor óns op het ogenblik een herdenking niet alleen van wat – neem me niet kwalijk – een stelletje Joodse leerlingen hebben meegemaakt ergens in Jeruzalem lang geleden. Neen, het is eerder een herdenking van de belofte, die in onszelf schuilt. Dat zie ik in Pinksteren. De belofte van goddelijk licht, dat steeds sterker wordt. De haast ongemerkt komende kracht, die plotseling door jou een ander iets geeft. Nu, en als het zó is, zullen wij dan treuren? Wat zullen we dan met ernstige, sombere gezichten gezangen gaan zitten zingen. Wat zullen we dan Pinkster preken houden, die donderen van dood en verdoemenis of die bidden om licht voor de wereld. Dat hebben we niet nodig. We hebben vertrouwen in God. Zoveel vertrouwen, dat we ook aannemen, dat Hij ons, die toch Hem willen dienen en willen aanvaarden, zal gebruiken om zo nu en dan iets van Zijn kracht in de wereld te uiten; iets van Zijn wijsheid te geven aan anderen. En al weten wij er zelf niets van, dit hindert niet. Wanneer Gods licht door ons werkt, zal Gods licht in ons werkelijkheid worden,

0-0-0-0-0-0-0-0

VERLOVING

Verloving, wederzijdse belofte. Wij zijn eigenlijk verloofd, wanneer wij eerlijk en oprecht streven naar het geestelijke; verloofd met een goddelijke kracht. Want wij hebben uit onszelf de belofte naar voren gebracht, de belofte: “Wij zullen U, God, aanvaarden en dienen, we zullen U heilig en hoog houden in onze harten. We zullen met U zijn tot eens de beperking van ons bewustzijn valt en onze eenheid voor eeuwig wordt gerealiseerd,”

Wanneer wij die belofte afleggen aan God, dan zal God ook Zijn belofte aan ons geven, zoals Hij die door de oneindigheid heen steeds weer heeft gegeven en geopenbaard: “Ik, Kracht en Schepper van hemel en aarde, ben met U. Ik leef in U. Al wat gij zijt, zijt gij door Mij. Ik zal met U zijn door alle tijden. Ik zal U achten en behoeden en beschermen. Ik zal U leiden en voeren tot het licht. Tot het ogenblik dat gij bewust van Mij één met Mij zult zijn door alle tijden.” Zo klinken de beloften, niet onder woorden gebracht maar saam gedragen in een wondere ervaring, een stil weten, dat alle sferen doortrilt. Wanneer wij hiervan uitgaan kunnen wij zeggen:

Een verloving, een feest van gegeven beloften. Een feest om een wereld, die morgen pas leeft, maar reeds in het heden de kracht van het morgen, het weten van morgen begrepen heeft.

Een wereld met vreugde, een wereld met zorgen, een wereld, die tintelt, omdat al bestaat en uit eigen ik en uit eigen wezen naar groter bestaan en naar eenheid gaat.

Wat zullen wij dan de wereld nog vrezen? Wat zegt ons nog de waan, de haat? De liefde, in ons “zijn” gerezen, is het, die ons het leven laat en ’t leven weer zal geven. Uit ons streven naar God en aanvaarding van ’t lot, wordt het licht van de eeuwen geweven.

En dan wil ik nog een paar worden zeggen voor mijzelf.

Er is een goed jaar afgelopen. Een jaar, dat veel beloften droeg. en dat veel innerlijke verstilling heeft gekend in deze groep. Nu breekt er een ogenblik aan van wat rust, van een vrijer zijn, en daarna een grotere gebondenheid. Want alles tracht te streven naar God en weerspiegelt zo Zijn waarheid. Ook wij, zelfs indien wij onvolmaakt en klein zijn. Daarom wil ik U als slotwoord dit zeggen:

We zijn uit de banden van ’t heden bevrijd en durven het leven genieten. Wij zoeken nu leven en werkelijkheid. Wij willen niet meer in gebonden tijd verdergaan in sleur en waan. Maar de vrijheid vinden wij nieuwe kracht, een nieuwe aanvaarden, nieuw begrip. Begint zo dadelijk de vrijheid als zorg ons wezen weer te nijpen, we worden in een sterker ban, een zwaarder kerker weer gebracht. En Lijkt ons eerst gebondenheid het licht van duistere nacht, wanneer wij weten, dat de band, die ons geketend heeft, slechts is de liefde Gods, die ons het leven geeft, dan grijpen wij in gebondenheid de grote waarheid aan. Dan leren wij de werkelijkheid van het leven te verstaan.

Werkelijkheid is gebonden zijn, gebonden aan God en Zijn kracht. Werkelijkheid is uiten onszelf slechts door de goddelijke macht. Werkelijkheid is gebondenheid, omdat heel de wereld vergaat op het ogenblik, dat God met Zijn wil en Zijn liefde niet naast ons gaat. Zo zoeken wij steeds naar het goddelijk licht; en zullen wij in vrijheid thans gaan, we weten: vrij en gebonden zijn is beperking van denken, is waan. Want ons zoeken naar licht, ons bidden om licht is de werkelijkheid, die in ons leeft. ’t Is Gods liefde, die vervulling van elke beeld, van elk verlangen eens geeft.

Dat is de waarheid. Wij gaan zwoegend onze weg, gij gaat de Uwe. We komen samen en we spreken. We streven verder ieder in zijn eigen wereld en zijn eigen leven. Maar boven alle gedachten en denkbeelden, die ons misschien zouden kunnen binden, is één band onverbrekelijk, eeuwigdurend; de liefde Gods, die in ons leeft, zoals in U. De liefde Gods, die ons tezamen brengt, opdat wij elkander mogen steunen in het leven. De liefde Gods, die ons de woorden geeft en U de gedachten, opdat wij gezamenlijk een bewustzijn verkrijgen van Zijn werkelijkheid. De Zomer komt en daarmee voor de mens een periode van meer daden en misschien wat minder denken. Maar we zullen verder gaan. En wanneer dan de tijd van overpeinzing weer komt en de dagen korter worden, de gedachten der mensen dieper, dan zullen wij door Gods liefde geleid gezamenlijk streven naar een hoger bewustzijn, een beter weten.

Het is daarom, dat ik zonder weemoed, ja, zelfs met vreugde, hiermede de besloten bijeenkomsten van deze groep beëindig, want wij hebben veel volbracht. Maar vóór ons ligt een nieuwe wereld, een nieuwe mogelijkheid, een nieuwe kracht. Reeds nu weet ik, dat wij die gezamenlijk zullen bereiken en overwinnen; een nieuwe periode van denken en zoeken, leven en streven, waarin Gods kracht reëler voor ons wordt dan te voren.