De geheimzinnige waarheid, die in de droom verborgen zit

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 22

10 juni 1956

Er zijn altijd veel punten, die voor ons raadselachtig blijven in het leven. En een van de meest raadselachtige misschien is de geheimzinnige waarheid, die in de droom verborgen zit.

Er zijn veel dromen geweest in de loop der tijden, die elk voor zich een profetisch karakter hadden, een symbolische weergave. En juist daarom zou ik op deze ochtendbijeenkomst een ogenblik willen spreken over de waarheid achter de droom.

Jacob droomde, dat een ladder reikte tot de hemelen en dat hijzelf daar de engelen zag opgaan en neerdalen. En ze reikten zeer ver. Hij symboliseerde daarmede zijn eigen verwachting om eens te bereiken, maar gelijktijdig zijn bewustzijn van de weg, die hij daartoe nog had af te leggen.

Zo kennen we allen onze dromen. Maar die dromen zijn zelden reëel in de zin, dat al, wat wij zien, wat we beleven in die droom, eens werkelijkheid is geweest of eens werkelijkheid zal worden. Achter de droom moet wel een waarheid liggen, die zo groot is, dat wij ze niet geheel kunnen begrijpen.

De wijsgeren der Oudheid hadden hiervoor een gezegde. Zij zeiden: “De ware droom is de stem der Goden, die spreekt in het hart van de mens.” We zouden misschien kunnen parafraseren en zeggen: “De droom is de stem van het ongewetene, van de niet erkende waarheid, die uit ons naar voren komt en zich openbaart.”

Er is dus een waarheid, die wij niet kennen en toch beleven. Wij kunnen daaraan niet ontkomen. Die waarheid is de onze. Maar al zouden we ze kunnen beleven, ik vrees, dat we op aarde zeker zouden wegvluchten voor de realiteit in onverschillig welke waan. Alles liever dan dit. Want de waarheid is ons de grote verschrikking. Zij is ons het onbereikbare en het onbenaderbare.

Een Nederlands filosoof schreef eens bitter: “Waarheid bestaat niet, waar de mensen zich geen beeld van een werkelijke waarheid kunnen vormen.” Ik wil niet zo pessimistisch zijn. Maar toch …. wij durven geen waarheid te zien. We zijn er bang voor.

Heel de wereld dromt samen rond ons, vol beweging, vol rumoer. Wij zijn volgens onze eigen opvattingen edelmoedig en rechtvaardig. Wij trachten onszelf te rechtvaardigen voor al, wat mislukt. Wij zoeken een methode om onszelf te tonen, dat ons wereldje zo slecht nog niet is en dat wij toch werkelijk onze plicht doen.

Maar is dat wel werkelijk zo? Worden we niet vaak door de dromen achtervolgd? Dromen, die vreemd zijn? Waarin de toe standen heel anders lijken? Toestanden, waarin ook wij andere mensen zijn?

Wat is dan de oorzaak, dat deze dromen ons zo kwellen? Dat zij ons of wij het ons nu geheel herinneren of niet telkens confronteren met een andere wereld?

O, ik weet het, er zijn mensen, die uittreden. Maar een dubbel leven voert niemand bewust. Wat er van de dromen blijft, van de droomproblemen in Uw stoffelijk bestaan, wat ons blijft uit de waan, die we in ons verbergen, wanneer we weer spreken tot de wereld rond ons, dat is niet van een andere wereld. Dat is een kern van ons wezen, een kern van onze waarheid. Onze droom is een openbaring van wat we zouden willen zijn, zouden moeten zijn, zouden kunnen zijn. Het is een realisatie van hetgeen ons falen tot stand heeft gebracht. Het is een realisatie van de achtergronden van ons slagen.

Misschien vindt ge nog steeds, dat mijn onderwerp vreemd is voor een wijdingsbijeenkomst. Maar realiseer U, wat ik nu alles U voorzet. Probeer U voor te stellen, wat op de achtergrond ligt. Achter alle droom en alle werkelijkheid ligt een goddelijke waarheid. Een waarheid, die wij voor onszelf in het bewustzijn misschien ontkennen. Maar een waarheid, die in ons doorvreet. Zij leeft niet in ons, zij beheerst ons.

Wanneer de droom een stem van God kan zijn, dan moeten we ook verder gaan. Dan is het God, Die ons verteert in onze dromen. Dan is het de goddelijke waarheid, die meer en meer zich meester maakt van ons wezen. Terwijl een nachtmerrieachtig verzet ons soms wegjaagt uit de slaap om toch onszelf te kunnen blijven.

“Er is geen uitweg,” zegt men vaak. Er is altijd een uitweg. Ook voor de nachtmerrie. Ook voor de nachtrust, die je niet durft te accepteren, omdat je bang bent voor de waarheid.

Zolang het leven een leugen is, zolang het leven is gebaseerd op valse pretenties, zal altijd de droom – aangenaam of niet – in zich het karakter van de nachtmerrie dragen. Of wel, ze laat de fade smaak van het onbevredigd zijn achter. Of de diepe angst en vrees van een niet kunnen en durven aan vaarden, van een eeuwige vlucht.

De droom, die onze vernietiging kan zijn. De droom, die onze vlucht voor de waarheid betekent, een waarheid, die achter alle dingen ligt, achter ons leven, achter onze pretenties, achter onze gedachten zelfs.

En zo kom ik als hoofdpunt in dit betoog van de waarheid in de droom op de waarheid zelve: Wat is de waarheid van het leven? Zeg mij, weet gij, wat de waarheid van het leven is? Misschien denkt ge het te weten. Maar ik zal het U zeggen.

De waarheid van het leven, mijne vrienden, is dat wij liegen tegen onszelf en een ieder. De waarheid van het leven is, dat wij gewoonten stellen in plaats van belevingen. De waarheid van het leven is, dat wij gedwongen worden om bepaalde handelingen te verrichten. Wij kunnen er niet onderuit. Het ligt in de stijl en de richting van ons hele bestaan. En later verheffen we ons daar dan op.

Een cynicus schreef eens: “Een held is een mens, die aan het gevaar niet snel genoeg ontvluchten kon.” Misschien had hij gelijk. Ik zou willen zeggen: “Een braaf mens is een mens, die de last der zonden niet op zich durfde laden, het risico van de misdaad niet aanvaarden.”

Ik weet, dat er uitzonderingen zijn. Dat er ogenblikken zijn, dat je werkelijk, eerlijk en oprecht goed bent. Maar hoe vaak is het eigenlijk geen spel? Hoe vaak probeer je eigenlijk niet de waarheid te ontlopen? Dan zeg je, dat deze mislukking geen mislukking was, maar dat je die ander gaarne de mogelijkheid wilde bieden. Dan zeg je, dat je royaal bent, terwijl je in werkelijkheid de achting van anderen probeert te kopen. Dan zeg je, dat je gelukkig bent, omdat je het niet kunt aanvaarden, dat ook voor jou het ongeluk bestaat.

Kijk, dat is dan de waarheid. De waarheid, waarbij veel van hetgeen wij zo mooi en zo goed achten; eigenlijk onaanzienlijk is, onaangenaam. Een waarheid, waarbij veel, dat wij in onszelf veroordelen, veel van hetgeen, waarover wij twijfelen en nadenken, in werkelijkheid eerlijk, edel en oprecht is.

De waarheid van de droom is de waarheid van ons wezen. Het is de openbaring van ons eigen bestaan. Maar wij kunnen dat meestal niet zo gemakkelijk aanvaarden.

Men zegt wel eens: “Nu ja, dromen zijn bedrog.” Maar zou den we niet beter kunnen zeggen: “Dromen onthullen het bedrog der werkelijkheid.” Ze parafraseren de irrealiteit van Uw dagelijks bestaan. Ze bespotten en zetten een karikatuur van Uw handelingen van de dag. Ze maken Uw innerlijke angsten, en gedachten openbaar.

En die innerlijke angsten en gedachten gaan verder dan alleen de stoffelijke wereld. Ook wanneer U uittreedt, zult ge altijd vertoeven in die omgeving, waarmee U harmonisch bent in werkelijkheid. Wanneer U in Uw droom bezocht wordt door krachten van andere werelden, dan zijn die krachten zo en handelen zo, als gij ze hebt geroepen. Daar is geen ontkomen aan.

De waarheid van Uw wezen ligt binnen de droom. Een droom – mits goed verstaan – openbaart je de waarheid. Niet de waarheid van de psycholoog, van de onderzoeker, niet de waarheid, die alle factoren gelijkelijk wil onderbrengen onder sekse of iets anders. Neen. Ze openbaart je de waarheid, omdat ze je de gebreken en de leugens van je eigen leven toont.

En daarom is de droom zo goed. En daarom geeft ze waarheid. Er zijn mens en geest die hun leven lang hebben gewijd aan het interpreteren en het uitleggen van dromen. En niet altijd waren zij de dwazen, die men meent, de zelf bijgelovigen, of de luchthartige oplichters, die zich verheugen in hetgeen zij anderen kunnen ontnemen. Integendeel. De Oudheid heeft veel droomuitleggers; gekend, die groots waren en wijs. Mensen, die leerden achter het scherm te zien, Die leerden een waarheid te accepteren, die groter was dan al, wat mensen durfden uit te spreken. Zo dadelijk kunnen wij als gast een dergelijk iemand tot U laten spreken. En hij zal ongetwijfeld zijn inzichten over het leven naar voren brengen. U weet dan ook, hoe hij hiertoe is gekomen. En ge zult het nog beter begrijpen, wanneer ge – voordat hij tot U spreekt – er nog even nadenkt. Hoe vaak spreekt ge geen woorden, die ge eigenlijk niet meent, alleen maar om een leegte, in Uzelf en een behoefte te verbergen.

Hoe vaak verheft ge U niet op dingen, waarvan ge weet dat ze niets, waard zijn, alleen maar, omdat ge Uzelf wilt verheffen? Hoe vaak liegt ge tegen Uzelf in het leven? Vraag U dat af.

Dan zult ge begrijpen, waarom onze gast van vandaag het leven zo heel anders ziet dan U. Waarom hij zo nuchter, koud en analytisch is aan de ene kant. En aan de andere kant zo vol van een innig bewogen medelijden. Medelijden, met de mens, die zich zelf niet durft te helpen en te redden! Koude minachting voor de waan, die heel de wereld voor de werkelijkheid schuift.

Mijne vrienden, het woord is aan onze gast.

o-o-o-o-o

Te spreken over het leven heet te spreken over tegenstrijdigheid. Het leven is altijd weer een worsteling tussen waan en werkelijkheid. De waan der mensen is dat, wat zij zichzelf scheppen. Werkelijkheid is dat, wat zij in hun eigenwaan trachten te ontvluchten.

Ik heb het leven gezien in vele vormen. Ik heb geschouwd in de harten van vorsten en keizers. Ik heb gezien in de harten van de eenvoudigen. En ik heb altijd weer één kern gevonden: begeren.

Het begeren is de drijfveer van het menselijk leven. Er is geen ogenblik, dat hij bij zijn handelen en denken niet een innerlijk verlangen heeft, een verlangen, dat hem voortjaagt en verder drijft, een verlangen, dat het hem steeds moeilijker maakt om onpartijdig en reëel te handelen.

Mijn studies brachten mij er toe de beweegredenen van dit spel van zelfbegoocheling te onderzoeken. Want ook in mij was een begeren. Ik wilde niet slechts de mens ontrafelen, analyseren, ik wilde de mens begrijpen.

Het begeren in de mens is eeuwig. Het komt niet voort uit hem zelve. Begeren is een eeuwige honger, die schijnbaar alle leven vervult. Slechts de vorm, die aan het begeren gegeven wordt, is uit de mens geboren. De enige doden, die ik heb gekend, waren zij, die niets meer wensten. Zij leefden voort en waren dood, terwijl zelfs de doden in het graf met hun verlangen nog leefden. Wensen, verlangen, begeren is identiek met leven, met voortgaan, met streven en werken. De mens, die niet begeert, is dood.

Maar het begeren vraagt ook vervulling. Een vervulling, die nooit blijvend is, maar altijd tijdelijk. Het begeren wordt niet gestild door een bereiking.

Dit is het geweest, wat voor de mens zijn wereld te wankel en te onzeker maakte. Hij had niet de moed om voort te gaan van bereiking tot bereiking. Hij had geen moed om voor zichzelf, toe te geven, dat hij slechts voor zichzelf iets begeerde. Hij kon niet aanvaarden, dat het egoïsme een noodzaak is voor de mensheid, mits in de goede zin geïnterpreteerd.

Zo heeft deze mens zich waanbeelden geschapen. Hij heeft ze abstracte namen gegeven. Hij noemt ze God, vaderland, geloof, liefde, trouw, eeuwigheid. Hij noemt ze berouw. Hij noemt ze vreugde. Maar deze dingen zijn niet reëel. Zij zijn slechts de waan, waar mee hij zichzelf troost voor hetgeen hij niet bereiken durft en toch begeert te bereiken.

Er is ons maar één werkelijkheid gegeven: dat, wat wijzelf tot stand brengen. Dat, wat wijzelf bezitten. En alle wetten, tot de goddelijke wet van eeuwige liefde en naastenliefde toe, kunnen worden teruggebracht tot het ego en het egoïsme.

Zeker, men kan een groter deel van zijn wereld beschouwen als deel van zichzelf. Men kan door deze onzelfzuchtigheid de zelfzucht over een groter deel van de wereld uitbreiden. Maar altijd zult ge blijven begeren.

De mens begeert voor zijn kinderen, want die kinderen zijn deel van hem zelve. Hij beschouwt ze als een eenheid, onscheidbaar met hem verbonden. De mens spreekt over zijn liefde voor de natuur. Maar zij is slechts liefde voor hetgeen zijn ogen zien, zijn oren horen. Het is altijd gebonden met het ik. En daarom is het ik de bron van ons wezen, en het begeren van dat ik het leven er van.

Misschien klinken deze leringen U pessimistisch. Misschien meent ge, dat ik het goede loochen, het wonderbaarlijke. Want de mens toont zichzelf het goede en wonderbaarlijke voor ogen, omdat hij de werkelijkheid niet durft zien. Maar ik zeg U: al wat gij denkt, al wat gij weet omtrent werelden hier en elders, dat komt voort uit het eeuwig begeren in U. Op het ogenblik, dat gij niet meer streeft, rust het Al. Ge zijt niet meer. Er is rust.

Het is het begeren, dat ons in de geest voortjaagt. Of dit nu het begeren tot begrip is, het verlangen tot helpen, het verlangen tot grote, geestelijke bewustwording, of iets anders wij begeren iets, iets feitelijks. En door dit begeren bestaan wij.

Zo zeg ik U: De achtergrond van het leven, de waarheid van alle dingen, is het begeren. En het begeren zelf is geheiligd, omdat het het leven voort leidt. Maar niet geheiligd is de wijze, waarop men het begeren buigt van het grote en moeilijke tot het kleine. Wie verlangt naar rijkdom, stelle zich niet tevreden met een enkele munt. Wie verlangt naar liefde, hoede zich voor de roes. Wie licht begeert, vrage om de zon en niet om een kaars.

Dat is onze fout. Wij nemen met te weinig genoegen, omdat ons werkelijk begeren ons onbereikbaar schijnt. En toch zullen we datgene, waarop ons begeren is gericht, moeten bereiken, wil er voor ons ooit rust of vrede zijn. Al het andere kan ons niet tevreden stellen. En elke jubelzang over een kleine bereiking is een hoon aan onszelf voor ons onvermogen tot het grote. Dit heeft mij het leven geleerd.

Ik vraag niet van U, dat ge het zult aanvaarden. Ge hebt ongetwijfeld een begeren in Uzelf, dat het toch zeer eenvoudig of zeer moeilijk zal maken om mijn woorden te volgen en te aanvaarden. Sommigen n.l. begeren boven alles goed te zijn. En ze weigeren alles te erkennen, wat aan hun eigen goedheid iets afdoet. Anderen daarentegen verlangen waar te zijn. En juist dezen zullen mijn woorden begrijpen als een openbaring van werkelijke feiten,

Hoe het ook zij, het woord is U gegeven, omdat ik begeer de mens te begrijpen en Uw denken over mijn woord. Voor mij een verdere bewustwording in deze zin kan betekenen.

o-o-o-o-o

En na de gast zoals gebruikelijk het commentaar van onze kant.

U begrijpt wel, dat wij deze stellingen erg belangrijk vinden. Anders zouden wij U zeker niet op een bijeenkomst als deze daarmee confronteren. En we erkennen dan ook een grote waarheid. Alleen menen we, dat onze vriend één fout maakt. Hij veracht het kleine bereiken en wil slechts het grote aanvaarden.

Maar als je tegen een kind zegt, dat het als Atlas de wereld moet dragen, dan kan het dat niet. En als je tegen ons zegt, dat we het goddelijk Licht onder U moeten brengen, dan kunnen we dat ook niet. Toch is dat ons begeren. En wanneer men tegen U zegt, dat U onfeilbaar goed, beheerst moet zijn, dan verlangt U dat misschien wel het is wel Uw begeren; maar je ziet maar heel weinig mensen, die het werkelijk kunnen.

En daarom zou ik eigenlijk onze variant willen weergeven op zijn stelling.

We zijn het er mee eens, dat droom en werkelijkheid natuurlijk heel verschillende dingen zijn. En we kunnen ons goed realiseren, dat iemand, die zich voortdurend bezighoudt met de droom, de achtergronden van het menselijk leven als veel belangrijker ziet dan alle verschijnselen. Maar wij menen, dat die verschijnselen in dat leven eigenlijk oefeningen voor ons zijn. Het gaat er niet om ineens alles te bereiken, met één slag. Het gaat er om te leren zó sterk te worden, dat we eens met één slag alles zouden kunnen bereiken.

Ziet onze vriend het leven hoofdzakelijk in een ietwat pessimistische manier als een voortdurend zelfbedrog, geleid door de angst om het eigen begeren niet te kunnen vervullen, ik geloof, dat ik het anders mag zeggen. En dan spreek ik hier namens heel de Orde.

Wij zien het leven als een leerschool. En elke keer, wanneer we iets bereiken, iets ten goede hebben gepresteerd, wanneer wij één ogenblik ons streven zien culmineren in een resultaat, dan is dat voor ons wel degelijk een reden om tevreden en om blij te zijn. Alles wat we bereiken ook al is de vreugde maar kort is voor ons een bewijs, dat we iets kunnen bereiken. En zo zal die korte vreugde ons een stimulans zijn om meer te vragen.

We zijn in het leven net sportmensen in training, Een sportman begint ook niet gelijk met gewichten van 140 of 150 pond te lichten. Een gewichtheffer zal beginnen misschien met 50, 60 pond, een last, die hij werkelijk kan heffen en drukken. En dan gaat hij langzaam maar zeker er gewicht bijvoegen. En elke keer, wanneer de proef zwaarder wordt, is zijn vreugde over het feit, dat hij toch juist nog kan presteren, veel groter. Zo gaat het ons.

We kunnen natuurlijk zeggen, dat we het leuk vinden om met dat lichte haltertje net te doen alsof. Dat is dwaasheid. We mogen niet zelfverzekerd en zelftevreden zijn zonder enige reden. Maar elke keer, wanneer U iets meer hebt gedaan dan de vorige keer, elk ogenblik, dat we iets verder zijn gekomen, iets beter hebben gedaan, mogen we toch wel degelijk tevreden zijn.

Wij geloven verder, dat het begeren van de mens zeer juist wordt geanalyseerd door deze spreker dat is één van de redenen, dat we hem naar voren brengen als een zelfbedrog.

Hij haalde bv. aan het verschil tussen liefde en roes. Dat is toch begrijpelijk. Wat wij verlangen is zelfs stoffelijk niet uitdrukbaar. Toch zul je op aarde vaak een stoffelijke vorm zoeken, omdat je het andere begeert, maar niet weet, hoe je het verkrijgen kunt. En daar hebben ze gelijk in. Dat is absoluut juist.

Deze spreker, deze droomuitlegger, heeft dit goed geanalyseerd. Maar hij vergeet er één ding bij te zeggen: Elke keer, wanneer wij proberen iets als vervangingsmiddel te gebruiken, wanneer we genoegen nemen met minder, dan bloeit in ons toch zoveel te sterker het verlangen naar de werkelijkheid op.

Wij geloven niet aan een leven, dat plotseling uitdooft, wanneer er geen begeren meer is. Dat is punt één. Wij geloven integendeel, dat het werkelijk leven pas begint, wanneer alle begeren gestild is. Wat dat betreft zijn we het dus niet met hem eens.

Maar ik wil nog verder gaan. Ik zie alle begeren alleen maar als een noodzaak tot realisatie van je eigen wezen. In alle vormen en in alle toestanden. En ik meen, dat de Orde het met ons eens is. Je mag niet ergens een nauwe grens gaan stellen.

Wanneer je zo scherp theoretisch gaat denken, dan loop je gevaar te zeggen: Kijk, hier loopt een lijntje en zo mag: je gaan en zo niet. Of, zover is het leven acceptabel, maar daar niet meer. Dat is dwaasheid.

Ik geloof, dat alle leven uiteindelijk voor ons een uit het begeren geboren streven is – direct akkoord – dat ons leidt via de mislukking tot de bereiking. En daarom geloof ik, dat de mislukking wel erg belangrijk is. Ik zie de mislukking, de tegenslag, het lijden, het leed; al deze dingen als veel kostbaarder dan een ineens bereiken van iets groots.

Laten we onszelf nu eens nemen. Wij verlangen naar God, niet waar? Tenminste, dat zeggen we. Dat zou natuurlijk door onze vriend vertaald worden met: “We verlangen zelve een volmaaktheid te bereiken, waardoor we onaantastbaar worden.” Nu ja, goed, zeg het zoals je wilt. Wij zeggen: “Wij verlangen naar God.”

Stel nu, dat U met één gebaar deze God zou kunnen bereiken. Zou het dan werkelijk waarde voor U hebben? Het zou goedkoop zijn. De dingen, die goedkoop zijn, die je zo makkelijk krijgt, wat hebben die voor waarde, voor betekenis? Dan zou er iets aan de volmaaktheid ontbreken, n.l. de realisatie, dat we haar zelf verdiend hebben, dat we er eerlijk en oprecht door ons eigen streven en pogen deel aan hebben.

Iets, dat je cadeau krijgt, is nooit zo goed als iets, wat je verdient. Dan vloeit daar toch uit voort dat we juist dóór ons leren, door onze mislukkingen, door onze tegenslagen, en natuurlijk onze kleine meevallertjes, die uiteindelijk toch nog weer iets tegenvallen, langzaam maar zeker leren hoe we tot dat Grote moeten komen uit ons eigen bewustzijn. En dat is voorbij gezien. Vandaar, mijne vrienden, dat U dit commentaar te horen krijgt.

Het is allemaal heel goed en heel mooi wat er gezegd is, mits men in het oog houdt: Het is noodzakelijk, dat elke mens leert door zijn falen, door zijn mislukkingen, desnoods door zijn zelfbedrog, (dat toch altijd weer in het opene komt, toch alweer weer wordt geopenbaard; want ge kunt jezelf niet eeuwig zo bedriegen). En dat hij, zo lerende, in zichzelf leert verwerkelijken het Grote, het Machtige, het Ware.

En daarbij, vrienden, blijft dan mijn bescheiden bijdrage voor deze bijeenkomst.

 

JONG GEBOREN.

Een kreet, heel hoog, een ijle klacht, die stilte plots verbreekt, is ‘t jong geboren leven, dat eerst tot de wereld spreekt. Geboren uit een duist’re nacht van onbegrepen, zacht bestaan, doet zij door klacht haar wezen kond, moet zij ter wereld gaan. Het jong geborene, dat spreekt en lacht zo pril en teer, begrijpt de werelden nog niet, heeft nog niet zichzelf weer gevonden uit ‘t bestaan. En daarom lijkt de wereld groot en goed en leeft het nog in zoete waan, die onschuld heet.

Het jong geborene vergeet de levens, lang gele’en geleefd, de gevolgen van de dagen, eens zo naarstig nagestreefd. ‘t Vergeet de komst van ‘s levens strijd, ‘t begrijpt nog niet des, levens pijn. Heeft ‘t eenmaal ‘t leven eerst aanvaard, zo kan het vrolijk zijn en lachend spelen, altijd door. En komt er soms het leed, dan is het fel en bitter vaak, maar ‘t is iets, dat men snel vergeet en overbrengt in ‘s levens slaap, en dagen, haast onmoet’lijk lang. Dan is het jong geboren leven gevangen in een levenszang, die jubelt steeds ten hemel op. Toch komt het eind van dit bestaan, wanneer de woorden “plicht” en “taak” wat meer betekenen gaan.

Het jong geboren leven is zo los, zo fris, zo vrij. Het kent zichzelf en de wereld niet. Het is daarom zo blij om voort te gaan, te leven, te bestaan. Het zou de dagen willen rekken, totdat ze zijn haast eeuwen lang. En zou de dag wel willen zingen één spelen, ‘n jubelende zang. Maar ‘t moet zich aan de nacht verwerpen. Wanneer de sluimer het verrast, dan denkt het niet meer aan het leven, maar is in d’ oude sfeer te gast.

Toch komt na alle jonge leven een tijd van levenswerk en strijd. En uiteind’lijk aan het eind van ’t leven een overgaan naar nieuwe tijd en nieuwe werkelijkheid. Dan is het leven uit een ouderdom weer jong geboren. Dan kent het rust en stilte. Daarna gulle lach en mag het spelen in de hemelsferen een lange, jonge, schone dag. En wil het eind lijk meer begeren dan spel en tijd en zonneschijn, dan komt een taak en zal de plicht tot die geest ook keren. Dan begint de geestelijke strijd, de geestelijke werkelijkheid.

Maar zullen wij na alle waan niet jong geboren, zonder wensen, eens in de Grote Dag bestaan? Pril en teer en vol van schoonheid, vol van ‘s levens bloesempracht, omdat wij door des levens pijlen ontkwamen aan de geestesnacht, die ‘t duister heeft betekend. Het jonge leven is een teken, dat God de wereld geeft: Zie, zo schoon, zo vol van vreugde, is ieder, die bewust herleeft.