De geschiedenis van het brood

image_pdf

 5 juli 1963

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na over ons onderwerp van deze avond: De geschiedenis van het brood

Wie tegenwoordig een halfje wit of een paar kadetjes in de winkel haalt, denkt er meestal niet over na, of en hoe het brood voor de mensheid van belang is. Eerst wanneer men het ontberen moet, beseft men hier in het westen goed, wat dit brood als volksvoedsel betekent. Ook beseft men niet – of denkt men er niet over na – hoe dit brood in godsdienstige en volksgebruiken overal een rol speelt. Toch speelt het brood in de roomse kerk een belangrijke rol bij het sacrament van het altaar, in de christengemeenschappen bij het avondmaal. Bij de roomse kerk geldt het brood als het Lichaam van Jezus, de wijn als zijn bloed. In vele, meer primitieve landen, treedt een gastheer u tegemoet aan het begin van zijn bezit. Hij draagt een stukje brood en wat zout op een blad. Eerst wanneer men daarvan heeft genomen, is men waarlijk zijn gast en voelt hij zich verplicht u te helpen en te beschermen, desnoods met zijn leven.

Deze voorbeelden maken reeds duidelijk, dat het brood voor de mens nog iets anders betekent dan voedsel alleen. Vandaag hoop ik u iets hiervan duidelijk te maken en u aan te tonen, dat het brood voor de mens niet alleen voeding betekent, maar een zeer belangrijk symbool is, dat zelfs een soort contact met het eeuwige weergeeft. Indien u dit laatste overdreven acht, moet u eens nagaan, hoe vele legenden en overleveringen het koren weergeven als deel van een eeuwige wereld.

Toen op aarde alle mensen nog goed waren, stelt een oud verhaal, droeg het koren nog aren, die reikten tot op de grond. In de Egyptische hemel was een voortdurende en rijke graanoogst een van de meest benadrukte zegeningen. Daarnaast treffen wij korenaren als religieus symbool aan bij de Grieken, de Kelten, de Germanen. In Indië en Egypte treffen wij eveneens gestileerde aren aan als symbool van goden en eeuwige krachten, terwijl bij de Azteken de korenaar als eeuwigheidssymbool voorkomt in combinatie met een soort bij, of een gevleugelde slang.

Het is duidelijk, dat het brood, dat van graan wordt gemaakt, voor de mensen een bijzondere betekenis had en zelfs als beeld van een innerlijke groei kon dienen. Om de redenen, de achtergronden hiervan te vinden, dienen wij in de geschiedenis terug te gaan en wel tot een tijd dat de wereld nog vol is van vulkanen, een tijd, dat de voorouders van de mens – met schedels die wat aapachtig aandoen – leven in bossen en vlakten, maar vooral in heuvelland, waar zij zich in grotten en holen plegen op te houden.
Ook in dit verre verleden bestaan er wel enkele rijken, als het rijk Mu en later Atlantis, maar over het algemeen zijn de mensen van die tijd zeer primitief. Zij weten misschien reeds iets van landbouw af, maar veel is dit zeker niet. De meesten onder hen zijn rondtrekkende jagers en vissers. Vruchten en planten zijn voor hen slechts een noodzakelijke aanvulling van hun dieet. De stammen trekken voortdurend en blijven zelden langere tijd op een bepaalde plaats. Deze rondtrekkende stammen ontdekken al snel, dat bepaalde graszaden en knoppen van varenachtige gewassen niet alleen eetbaar, maar ook houdbaar zijn. Zij verzamelen deze en drogen ze. Zo ontstaat een voorraad voedsel, die op langere tochten betrekkelijk gemakkelijk kan worden meegenomen en steeds bruikbaar blijft.

Wanneer de invloed van voornoemde rijken zich echter uitbreidt, ontstaat er een reeks van nederzettingen – vooral voor de ruilhandel – waar kleinere stammen wonen, die primitief handwerk verrichten, maar daarnaast de eerste werkelijke landbouw bedrijven. Hierbij speelt een voorvader van de maïs en een reeks hybride grassoorten een rol: het gewas voedt het vee, het zaad de mensen. Na vele generaties ontstaat hieruit door selectie, een reeks voorlopers van granen, zoals wij deze heden kennen. Ook deze groepen trekken echter nog wel: wanneer de bodem geen voldoende oogsten meer oplevert, trekt men eenvoudig naar het dichtstbijzijnde gelegen vruchtbare plekje en bouwt daar zijn nederzetting weer op.

Smakelijk is dit graan nog niet, vooral omdat het meestal onverwerkt wordt gegeten. Maar men ontdekt met verbazing, dat het gedroogde, het dode zaad, niet werkelijk dood is: wanneer je die korrels in de grond steekt, gaan zij weer leven. Er komen planten en vruchten uit voort. Dit komt de mens voor als iets zeer bijzonders, als magisch. Onder de eerste offers, die aan de goden – natuurkrachten – werden gebracht, treffen wij dan ook reeds deze zaden aan, die soms nog gekleurd werden door ze in bepaalde vruchtensappen te dompelen. Het graan heeft manna, heeft levenskracht en magische werkingen. Dit maakt het tot een zeer begeerd voedsel voor mensen, die een langere reis moeten maken. Dit geldt voornamelijk strijd, vrouwenroof en jacht. Het graan is niet alleen een voedsel dat gemakkelijk mee genomen kan worden en jacht overbodig maakt, wanneer dit gewenst is, maar bevat bovendien levenskracht: de kracht van het voortleven, die ongetwijfeld over zal gaan in degene, die er van eet.

Het eerste mengsel is een soort grove gries, vaak gemengd met dierlijke vetten tot ballen of klompen. Dan wordt ontdekt, dat men door het graan fijner te vijzelen, men met water een soort pasta kan maken, die, gedroogd op een warme steen, ook zonder vetten houdbaar blijkt. Zo ontstaan de eerste zeer brosse koeken. Later ontdekt men, dat, door deze pasta bij het vuur te drogen, zich een korst vormt, welke een wat vochtiger massa omgeeft, die smakelijker is. Dit is het eerste brood, vooral wanneer men aan het mengsel wat zout gaat toevoegen. Voorbeelden hiervan vinden wij heden nog, zij het veel verfijnder in het zogenaamd ongezuurde Arabische brood, de tortilla’s en het z.g. negerbrood. Dit laatste wordt gemaakt uit een mengel van graan en andere plantaardige bestanddelen in de vorm van taaie en tamelijk droge pannenkoeken. Dit eerste brood, deze eerste koeken, zijn niet in de eerste plaats bestemd voor dagelijks voedsel. Overigens is het niet zo smakelijk, want in het begin wordt er niets bijgemengd. Ook wanneer men later wat zout pleegt in de mengen, waar men daarover de beschikking heeft, is toch de afwezigheid van zuurdesem of enig gistingsproces niet voor de verteerbaarheid enz. bevorderlijk.

Deze koeken bevatten echter volgens het geloof van vele stammen de essentie van de hergeboorte. Het eten van brood is als het ware, in de eerste tijd het tot zich nemen van iets, wat de mens beschermt tegen de dood. Nu meent men in deze dagen nog steeds, dat alle leven met de dood ten einde gaat. Grote helden en wijzen zullen misschien wel voortleven als sterren aan de hemel of binnengeleid worden in een geheimzinnig godenrijk, maar dit is toch een uitzondering, voor alle anderen echter is met de dood alle bestaan afgelopen. Zolang men echter leeft, geeft het brood levenskracht. Men zal minder snel sterven, sterker en sneller zijn door deze voeding.
De jagers dragen dan ook dit brood niet in de eerste plaats met zich mee als voedsel, maar om krachten te winnen. Wonden worden in deze tijd reeds met meelpap of gekauwd brood behandeld. Dit geeft inderdaad vaak wonderlijke resultaten. U weet nu, dat door het optreden van bepaalde schimmels bv. penicilline kan ontstaan, maar toen was het een wondermiddel.

De goden krijgen offers van brood omdat dit kostbaar is, levenskracht, waardoor de god geneigd en in staat zal zijn bijzondere bescherming te geven. Dit geloof brengt de mensen ertoe de graanteelt ijveriger te beoefenen dan zij anders gedaan zouden hebben. Dit is overigens de taak van vrouwen en slaven: de mannen zien het als hun taak te vechten en te jagen.
In Europa treden zo de voorvaderen van rogge en haver vooral op de voorgrond. Tarwe komt weinig of niet voor, maïs is onbekend. Het brood wordt smakelijker en wordt van wijngave en magisch voedsel al snel een aanvullend voedsel. Vooral de eigenschap vleesvocht en vetten op de nemen, verschaft het al snel een vaste plaats op het menu van de meer welvarende stammen. In deze dagen maakt men een groot onderscheid tussen zoutloos en zout bevattende baksels. Later zullen wij een dergelijk onderscheid weer zien ontstaan tussen gedesemd en ongedesemd brood. Zout is namelijk vaak zeldzaam of kostbaar. Daarom reserveert men langere tijd alle gezouten brood voor de goden, de priesters en de voornamen van de stam. Ook maakt gezouten brood deel uit van rituele maaltijden. Ook in Atlantis – 150.000 jaren geleden – bestaat dit gebruik. Hier is zeezout echter meer algemeen verkrijgbaar, terwijl men ook wel brood aanmaakt met zeewater. Daarom wordt hier bij een vergadering van vorsten of een rituele maaltijd van priesters zoutloos brood geserveerd, waarbij zeezout of – weelderiger en daarom ‘deftiger’ – verbrijzeld steenzout en water wordt aangeboden.

Atlantis is ook aansprakelijk voor de opvatting, dat zout demonen verdrijft – een opvatting die bewaard is gebleven in het zout dat men dopelingen op de tong pleegt te leggen – wat verklaard wordt door het feit, dat het volk bij voorkeur zeegoden vereerde. Het brood treedt ook hier op als drager van de levenskrachten, zodat men door het eten daarvan de wijsheid en de kracht zal verkrijgen, om staatsbesluiten te nemen of een contact met de goden te verdragen. Het water is hierbij het symbool van de bezielde aarde.

Wanneer het brood een steeds belangrijker rol in rite en volksvoeding gaat spelen, ontstaan als vanzelf bakkerijen. In het begin is de uitrusting van dergelijke bakkerijen – vaak verbonden aan een tempel of het hof van een vorst – niet overweldigend: zij bestaat uit een soort holle steen plus een vijzelstok, opeengestapelde stenen, die verwarmd worden door een vuur aan de voet van de te stoken stapel en wat voorraadurnen; op de platte stenen wordt dan een mengsel van water, wat zout en meel gebakken. Graan wordt al snel tot stapelvoedsel. De oogsten nemen steeds toe en kunnen bewaard worden tot de tijd, dat daaraan werkelijk behoefte bestaat.
Wanneer men thans aan een vulvoedsel denkt, zal men de aardappel noemen. Maar in die tijden was de aardappel niet bekend, ofschoon ook de wortelstok van sommige planten wel werd gedroogd, verbrijzeld en tot meel verwerkt. Nu leert men ook, dat ‘bedorven’ deeg wel zuur is, maar toch zonder schade kan worden bijgemengd aan ander deeg, zo aan het baksel een zekere luchtigheid en een bijzondere smaak gevend. Dit brood wordt het voedsel van de voornamen, terwijl de slaven ongezuurd brood plegen te eten.

In de godsdiensten geldt echter ook nu nog: ongezuurd brood is het ware symbool van het leven. Gezouten maar niet gezuurd brood verbeeldt een reiniging, die contact met de eeuwigheid, de wereld van de goden, mogelijk maakt. Terwijl de tempels de rituele broden nog steeds blijven vervaardigen volgens het oude recept, begint men aan het brood steeds meer andere stoffen toe te voegen. Egypte bv. vervaardigt honingbrood. Ook hier echter speelt de rang van de consumenten een grote rol. Vooral in z.g. koningsbroden worden vele soorten van kruiden verwerkt. Dit betekent dat de bakkerijen steeds groter en omvangrijker worden.
Een aardig voorbeeld van de wijze, waarop een dergelijke bakkerij was opgezet, vinden wij in de ruïnen van het oude Ur. Bij een van de paleizen vindt men hier een complete bakkerij, bestaande uit een malerij met staande stenen – als in een molen – een grote graanopslagplaats, een aantal voorraadbekkens, een bron, 17 ovens uit tichelsteen, die elk rond 20 broden kunnen bevatten. Deze ovens zijn ook moderner: een ruimte in het tichelsteen bouwsel is door een smallere opening met de buitenlucht verbonden; aan de bovenzijde bevindt zich een rookkanaal.
Kennelijk werden deze ovens eerst warm gestookt, waarna de as werd verwijderd en het brood werd ingebracht. Voorbeelden van dergelijke ovens vinden wij ook nu nog wel op het platteland van Roemenië, Zuid Rusland en zelfs wel in Duitsland. Gebruikt werd dit type oven nog 100 jaren geleden.

Wij gaan nog even terug naar Atlantis, nu rond 70.000 v.Chr. Hier beschouwt men offers van graan en vruchten als bloedloze offers, bijzonder geschikt voor de hoge, de onzichtbare goden. Rituele maaltijden waarbij geen levend wezen wordt geconsumeerd, maar alleen vruchten van het veld en brood, worden maaltijden van de wijzen genoemd. De wijze witte priesters weigeren maaltijden te gebruiken, waaraan dierlijk bloed kleeft. Niet omdat zij medelijden hebben met de dieren, maar omdat zij vrezen, dat de eigenschappen van de dieren in hun lichaam zullen ontwaken en zo het contact met hogere krachten belemmeren.

Dit geloof aan de overdrachtelijkheid van eigenschappen vinden wij ook heden nog terug bij primitieve stammen. Zo zijn er negerstammen, die een gedode leeuw onmiddellijk het hart uitrukken en dit eten, om zo de moed en de kracht van de leeuw te verwerven.

Er ontstaat een priesterorde, die zich van alle anderen onderscheidt door het feit, dat zij plantaardige stoffen als offer gebruiken, daarbij de voorkeur gevend aan een mengsel of samenvoeging van vruchten, bij voorkeur graan, en vruchtensappen. In de bijbel wordt deze orde gerepresenteerd door Melchizedek. Van hem wordt verteld, dat hij brood en wijn offerde. Men wil hierin alleen een aankondiging van Jezus’ avondmaal zien, maar hij behoorde tot de  ‘wijzen’, zodat dit offer voor hem normaal geweest zal zijn.

Vergeet hierbij niet, dat het brood in die tijd nog steeds een bijzondere betekenis heeft: het is het zuiverste voedsel, omdat hierin de aarde zelf de mens voedt en hem doorstroomt met levende krachten.

Rond de Middellandse zee worden vele gebruiken en opvattingen vermengd door een aantal grote volksverhuizingen. Drie daarvan zijn een direct gevolg van rampen, die Atlantis treffen. De meest bekende daarvan is voor meer ingewijden ongetwijfeld de trek van de Kelten. Bij deze volksverhuizingen blijven steeds weer groepen achter in de sterkere landbouwgemeenschappen, waarvan Egypte de in deze tijd meest bekende is. Ook Egypte leeft hoofdzakelijk van brood. Wij hebben hier te maken met een door de oprukkende woestijnen langzaamaan geïsoleerde gemeenschap, die door jacht en veeteelt geen voldoende vlees kan vinden voor het gehele volk. Later zal zelfs vee regelmatig geïmporteerd worden, terwijl stieren heilig worden verklaard, niet alleen omdat zij de ‘woning’ van een godheid zijn, maar omdat het zo moeilijk is voldoende vee te fokken, dat men met alle middelen het kostbare fokmateriaal moet beschermen.
Hierbij komt nog, dat vormen van runderpest en andere veeziekten met regelmatige tussenpozen geheel het Nijldal plegen te teisteren. Uit het verhaal over Jozef, die onderkoning werd, kan men nu nog vernemen, hoe graan in grote rijkspakhuizen werd opgeslagen, hoe men het graan zag als de belangrijkste waarde in het rijk. De landbouwtechnieken, die hier ontwikkeld worden, maken Egypte lange tijd tot de graanschuur van Noord Afrika en Europa. Zelfs de Romeinen importeren grote hoeveelheden graan uit dit land.

Daar in Egypte verschillende beschavingen elkaar ontmoeten, kunnen wij hier de ontwikkeling van het brood goed zien. Rond 300 v.Chr. treffen wij hier vele verschillende soorten brood en vele verschillende uit granen bereide dranken aan. Zo wordt, hoofdzakelijk uit gerst, een soort bier gebrouwen, dat wordt aangesproken als “vloeibaar brood”. Het kostbaarste daaronder is een tamelijk zwaar gegist bier dat het bier van de farao wordt genoemd. Dit wordt maar met mondjesmaat toebereid en wordt beschouwd als een werkelijk voedsel der goden. Men deelt dit bijzondere bier uit aan belangrijke functionarissen.
Je zou kunnen zeggen, dat dit een deel uitmaakt van hun wedde. Zo krijgt bv. een gouverneur van een belangrijke stad per dag rond één kruik of 1½ liter van dit bier verstrekt. Voor zich en zijn gezin ontvangt hij verder per dag 5 broden ‘van de tafel van de koning’. Deze broden worden gemaakt van fijn meel, hebben een korst, die wat aan matzes herinnert, een doorsnee van rond 1.20 m en een dikte van ongeveer 20 cm. Hij krijgt deze gaven, omdat zij een symbool van het goddelijk gezag zijn: farao is God. De gouverneur vertegenwoordigt farao, dus krijgt hij voor zich van het koningsbier en het brood van de vorst. Waar hij echter, als bestuursambtenaar in het oude Egypte, ook priester is, ontvangt hij verder het z.g. tempelbier.

Ook dit bier, gebrouwen uit zuivere gerst is symbool van de goddelijke gaven. Het wordt tijdens bepaalde plechtigheden in de tempel dan ook ritueel gedronken, niet tijdens gelagen, maar als deel van de offerplechtigheden. Om een voorbeeld te geven, in Memphis viert men het z.g. bezoek van de goden, waarbij over land en Nijl de beelden van verschillende goden samenkomen in de tempel, die gewijd is aan Re-Herachte. In een rekening worden de uitgaven als volgt verantwoord: het brood van de Goden voor 800 priesters: zoveel maten koren, voor de riten in de morgen: 2 kruiken bier per deelnemende priester. Voor de middagriten: 1 kruik volksbier of gewoon bier per deelnemer. De avondriten: per deelnemer 3 kruiken tempelbier. Ten dele is dit bier voor plengoffers bestemd, terwijl het ‘brood der Goden’ grotendeels voor plechtige legoffers bestemd is. Ook worden de godenbeelden met tempelbier gewassen.

Hoezeer het brood belangrijk is, blijkt wel uit het feit, dat het werd opgestapeld in het heilige der heiligen voor het beeld van de god. Nadien bidden alle priesters, dat de God dit alles zal zegenen en hun een deel van zijn overvloed zal geven. Vervolgens wordt het beeld van de God gesluierd en door de tempel rondgedragen. Dienende priesters dragen hierop de broden naar de zuilengalerij, terzijde van de eigenlijke tempelruimte, waar het na het einde van de ommegang zal worden verdeeld onder de priesters, terwijl het ook wordt uitgereikt aan de ‘verdienstelijken’ die in de eigenlijke tempelruimte de plechtigheden hebben bijgewoond, terwijl een aandeel wordt gezonden aan de vertegenwoordiger van farao en aan de begeleiders – soldaten – die het escorte van de gastgoden vormen.

Hieruit blijkt duidelijk, dat het brood in de godsdienst een grote rol speelt. Ook hier is het brood symbool van de band met de goden, een voedsel dat waarden uit de eeuwigheid bevat: de zon heeft het graan laten groeien, de Nijl gaf het water, waardoor het graan kon groeien. Dit alles, plus het louterende vuur van het bakken, hebben het tot iets zeer bijzonders gemaakt, tot een voedsel met magische krachten. De hiervoor bestemde graansoort noemt men zelfs wel: Osiris’ koren. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen, dat bepaalde soorten brood zeer lange tijd als gewijd voedsel worden beschouwd en als zodanig alleen voor hooggeplaatste personen en priesters bestemd blijft.

Slaven eten wel papjes, maar krijgen bv. in Egypte tot rond 1700 v. Chr. nooit brood, zelfs niet bij hoogtijdagen. Daarna komen tempelslaven en huisslaven wel voor brood in aanmerking, terwijl rond 500 v.Chr. gebakken brood overal geldt als volksvoedsel. Het is dan ook te betalen. Eerder kan men in de steden wel brood krijgen, maar blijft het, tenzij men het zelf bakt, kostbaar.

Ook de ingewijden blijken brood bij hun plechtigheden te gebruiken. Daar wij toch over Egypte spreken, geef ik als voorbeeld iets uit de plechtigheden van Isis weer. Het brood wordt hier beschouwd als gave van de zon, die de broeder en echtgenoot van Isis is, de met de maansikkel gekroonde natuurgodin. Het brood, dat wordt gegeten bij de bezegeling van het huwelijk tussen Isis en Osiris, wordt gemengd met bepaalde kruiden en gegist door de toevoeging van bier. In kleinere koeken wordt dit gebruikt bij de openbare delen van de plechtigheid – mysteriespelen – waaraan alleen ingewijden deelnemen en die alleen door ingewijden in hun volle betekenis kunnen worden beseft, maar waar een ieder naar mag kijken.
Na de spelen volgt een besloten plechtigheid, die altijd rond een spiegelvijver plaats vindt waarin de maan zich spiegelen kan. De datum is afhankelijk van de tijd, waarop de rijzende maan zich in het water zal tonen. In het licht van de maan – maar voor zij in de vijver zichtbaar is – gaan de maagden van Isis, vergezeld van fakkeldragers, in processie 3 of 7 malen rond de vijver, om zich daarna op te stellen bij een paviljoen, waarin de verpersoonlijkte Isis – een hogepriesteres – nog verborgen is.

Kort voor de maan zichtbaar is, komen uit het duister de ingewijden in plechtige stoet nabij. Zij behoren niet in de letterlijke zin tot de priesters van de Isiscultus, maar zijn in haar geheimen ingewijd. Elk van hen is een ‘levende Osiris’. Zij brengen gaven. De enige daarvan, die door de waardigsten onder hen persoonlijk gedragen wordt, is… brood. Dit brood – dat taai is – doet wat denken aan een loper met een lengte tot 3 à 4 meter met een breedte van rond 1.10 m., terwijl bepaalde versieringen op het brood zijn aangebracht, steeds weer per serie met een lengte van ongeveer 1 Egyptische el. De dikte van het brood is 5 tot 10 centimeter.

Zodra de maan in de vijver haar spiegelbeeld toont, treedt “Isis” naar buiten en ontspint zich een reeks van samenspraken, afgewisseld met incantaties. Daarna staat Isis aan de ene kant van het brood, terwijl de ingewijde, die Osiris uitbeeldt, aan de andere kant staat. Beiden breken een stukje van het brood en eten dit. Daarna wordt het brood door de hoogste priesters en priesteressen verder verdeeld, zodanig dat een ieder die deel daaraan neemt, een maaltijd heeft. Hierbij drinkt men bier, soms later ook een soort wijn en eet men lotuszaad. De lof zangen, die hierbij klinken, verheerlijken de wijsheid van Isis en de kracht van Osiris, de levende. Uit enkele zinsneden kan men afleiden, dat Osiris leeft in het graan.

De ingewijden stellen deze plechtigheid op hoge prijs, ook wanneer zij beseffen, dat zij op zichzelf van minder belang is. Het zijn de daarmee verbonden leringen en denkbeelden, die de werkelijke waarde betekenen: de mens wil, als het graan, uit de dood tot leven herrijzen. Door te sterven – de dood te aanvaarden – kan hij de verdeeldheid van zijn eigen wezen opheffen en opgaan in een groter geheel, één worden met zijn werkelijke Ik.
De ingewijde leeft niet alleen meer in een menselijke wereld, maar in een eeuwigheid. Hij leeft door zijn kennis en het aanvaarden van de dood, als gelijke in de wereld van de goden. Daarin kan hij staan naast de rechters, die oordelen over de zielen en overziet hij de werkelijkheid achter de sluier van waan. Dit bereikt hij door zijn één zijn met allen, die ingewijd zijn en zijn eenheid met de goden, zoals dit verzinnebeeld wordt in het offer van het brood en de maaltijd, die daarop volgt.

De geschiedenis voert ons verder: Wij treffen steeds meer soorten brood aan die met kruiden bijzonder smakelijk worden gemaakt. In wezen is dit het eerste werkelijke gebak. Maar niet overal beschouwt men bepaalde soorten brood als heilig.
In Babylon bv. is brood reeds vroeg een volksvoedsel. Toch is het graan zelf wel heilig. Men zoekt de beste halmen uit, de graankorrels hiervan worden in de zeven kleuren van de goden geverfd, op een tablet uitgestort. De ‘heilige hoenderen’ pikken hiervan, terwijl priesters nauwkeurig toezien, welke kleurkorrel de voorkeur heeft, welke plaatsen voorkeur vinden. Daaruit voorspelt men dan de toekomst. In de inwijding vinden wij hier het brood niet terug. Wel komt het in bepaalde plechtigheden voor als ‘de gave van heer Bel aan zijn bruid’.
Waar echter bij dit ritueel vele andere dingen aan te pas komen, als het slachten van een stier en het besprenkelen van de omgeving met bepaalde lichaamssappen daarvan, is dit een onvolledig voorbeeld van de verering van graan en brood, zodat wij hierover verder maar zullen zwijgen.

In Griekenland, speelt het brood echter wel weer een grote rol bij inwijding en plechtigheden. Wanneer de inwijding zoekende door de krochten van de onderwereld is gegaan, langs de dreiging van slangen, de onmetelijke afgrond, het dreigende vuur, het verslindende water, ziet hij voor het eerst na lange tijd weer licht. En daarin ziet hij korenschoven, waarachter een zaal, waarin een feestmaal plaats vindt. Hij mag echter niet deelnemen of iets aannemen van alles, wat hem wordt aangeboden. Onbewogen dient hij terzijde te blijven staan, tot de inwijders komen. Deze treden hem tegemoet en geven hem een beker wijn en een brok brood. Ook bij de zogenaamde open mysteriën, als die van Eleusis, spelen brood en wijn een rol.

Ik beperk mij tot het Middellandse zeegebied, ofschoon ook elders brood een belangrijke rol speelt in de godsdienst, zoals in het zuiden van Afrika waarbij de riten van de maandienst een soort brood wordt gebruikt, bestaande uit ‘kafferkoren’ en cassave. Dit wordt aan de maan geofferd en later onder meer als een soort geneesmiddel gebruikt.

In Rome is brood al snel een werkelijk volksvoedsel. In de stad worden door publieke bakkerswinkels van ongeveer 60 voor Chr. tot 100 na Chr. ruim 50 verschillende soorten brood geleverd. Daarnaast worden nog lekkernijen op basis van brood gemaakt, ofschoon deze u misschien minder smakelijk voorkomen, zoals bv. wijngaardslakken, gebakken in een hul van brooddeeg, gebraden in olie. Maar ook in Rome offert men aan bepaalde goden graan of brood. Zelfs in de tempel van Jupiter wordt eens per jaar een wijdingsoffer gebracht van graan en brood. Twee maal per jaar wordt in de tempel van Vesta aan de vestaalse speciaal gebakken brood gebracht ter gelegenheid van een hernieuwen van de wijding van de vrouwen, die het heilige vuur van Rome behoeden.

Toch gaat de symboliek langzaamaan verloren. Misschien dat de betekenis van het tot volks- voedsel geworden brood geheel teloor gegaan zou zijn, wanneer niet de christenen met hun broederschapsmaaltijden, het avondmaal van Jezus, hadden doen herleven, waarbij men immers in Zijn naam het brood met elkander breekt en wijn drinkt. Het christendom maakt het brood tot iets bijzonders, tot een gave van bijzondere en goddelijke waarde, zij het, dat de wijding van dit voedsel nu bepalend wordt geacht voor de betekenis ervan. Verschillende reformatiepogingen – vanaf 800 na Chr. reeds – trachten de goddelijke waarde van het gewijde brood teniet te doen, maar houden toch vast aan dit brood als hoofdbestanddeel van gemeenschappelijke rituele maaltijden.

De vereerders van natuurgoden, die bedekt of openlijk nog hun eigen goden vereren, geven echter aan het brood eveneens een bijzondere betekenis. Zo plegen de vereerders van Freya – de vrouwe – bij hun plechtigheden bier te drinken en gerstebrood te eten. Ook hier wordt het brood echter tevoren door het in de rook van heilige vuren of brandoffers te houden, gewijd. Ofschoon ook hier brood een volksvoedsel gaat worden, bestaat bij Germanen, Kelten, Cimbren enz. de gewoonte elk brood voor het aansnijden te wijden, door er een heilig teken in te griffen. In Nederland, Duitsland en omgeving was dit meestal een hamer van de donderaar Thor. Er werd dus met de punt van het mes een hamer ingesneden in de korst.

Ook andere gebruiken in verband met het brood wijzen op de belangrijkheid, die men er aan toekent; men snijdt het brood aan, door te snijden naar de borst, naar zichzelf, toe. De eerste schijf van een nieuw aangesneden brood wordt aan de voornaamste in het huis – heer, vrouw of gast – geboden. Opvallend is hierbij, dat het eerste brood, dat tijdens een maal wordt aangesneden, altijd een heel brood is, dat op deze wijze gewijd wordt.

Bij de verdere broden, die tijdens het maal gebruikt worden, is dit vaak niet het geval. Vaak snijdt men dit ook niet, maar breekt men er eenvoudig brokken vanaf. Ook hier stelt men: graan en brood zijn een bijzondere gave van de goden. Het is niet goed hiervan te eten, zonder het te wijden. Bij nalatigheid zouden de goden zich wel eens op de mens kunnen wreken. Men wijdt dus het brood, symbool van de levende kracht, van de vruchtbare God, die het voortbrengt, aan Hem, opdat men beschermd moge zijn door de Lichtende krachten. Dit na te laten zou betekenen, dat men wel eens in de macht van duistere krachten zou kunnen komen. De christenen nemen dit gebruik over. Nog niet zolang geleden was het normaal dat de huisvrouw voor het aansnijden met de punt van een mes op de korst een kruisje tekende. Zelfs nu leeft dit gebruik in katholieke landen voort, vooral op het platteland.

Wanneer wij de oudheid nu even verlaten, om het brood in het algemeen te bezien, ontdekken wij, dat het brood klaarblijkelijk sterk gebonden is met de welvaart: naarmate een volk welvarender is, treffen wij meer soorten brood aan en blijkt men ook sterker een scheiding te maken tussen brood als volksvoeding, als luxe artikel en als broodsymbolen. Rond 1600 worden in Amsterdam door de bakkers liefst 132 verschillende soorten brood geleverd. Hierbij rekende ik nog niet de vormen, waarin men het brood verkocht, omdat deze de soort niet beïnvloeden, maar alle een symbolische waarde hebben in samenhang met bepaalde dagen. Als voorbeeld van deze vormen noem ik u de Palmpaashaantjes. Als soort noem ik u het – ook nu in bepaalde delen van het land nog wel verkrijgbare en soms zelfs bijzonder gewijde – Hubertusbrood. Ofschoon dit laatste nu hoofdzakelijk een soort krentenbrood met kandij is, had het oorspronkelijk de vorm van een spiraal en diende om de jacht gunstig te maken. Er bestonden vele bijzondere vormen. Ik tel deze echter niet, wanneer hetzelfde mengseldeeg in andere vormen het gehele jaar door verkrijgbaar blijkt te zijn. Het luxebrood telde ik eveneens alleen, wanneer het zich anders dan door vorm alleen van de normale broodsoorten onderscheidde.

Bij het luxebrood van die tijd valt allereerst op, dat er zeer vele verschillende vormen zijn, die bijna allen op twee wijzen te krijgen zijn: vervaardigd met of zonder een bijmenging van boter. Men mengt echter ook vele andere dingen bij, o.m. kaas, komijnzaad, karwijzaad, maanzaad, kaneel, het moes van appels enz. In de tijd, dat Amsterdam de grootste omslagplaats en markt voor specerijen is, treffen wij zelfs foeliebrood e.d. aan. Men verwerkt honing, verschillende vormen van suikers, laat het brood rijzen met bier, biergist, zuurdeeg, kruidenbier enz. Men maakt het deeg niet alleen aan met melk of water, maar ook met geitenmelk, schapenmelk, water en wijn.

Dat de voorvaderen fijnproevers waren blijkt uit het volgende: Rond 1650 werd in Delft een soort fluitenbrood gemaakt, dat werd opgezet met bier van een bepaalde brouwerij – bier uit het brouwhuis van Stoopers, toen gelegen in de buurt van het tegenwoordige ‘oude Delft’ – dat als een zo grote delicatesse werd beschouwd, zodat men uit plaatsen als Rotterdam, den Haag en het toen veel belangrijkere Rijswijk dit brood bestelde en het per postwagen of beurtschip deed aanvoeren. De verleiding wordt groot nu uit te wijden over de heerlijke gerechten, die met behulp van brood in die dagen gemaakt werden, zoals ortolanen in brooddeeg, gefileerde karper in boterdeeg enz., maar dit zou ons ver van het eigenlijke onderwerp afvoeren.

Wel moeten wij nog even aandacht besteden aan de verschillende broodvormen, die voor speciale doeleinden werden gemaakt. Al besefte men dit niet meer, toch speelde hierbij sympathische magie een rol: het met bijzondere krachten geladen koren, gevormd tot een voorstelling van wat men begeerde, zou magisch bijzonder werkzaam kunnen zijn. Ringmotieven, vogelvormen hangen samen met de lente. Een krakelingenvorm of slang is een oneindigheidsmotief, dat reeds door de druïden werd gebruikt. Mannetjes, paarden enz. zijn voorstellingen van kracht, macht, bescherming. Spiraal gevlochten ruiten zijn symbolen van leiding, hulp. Uw palmpaasje heeft een vorm, die door de druïden reeds werd gebruikt bij de middagplechtigheden aan het begin van de lente en is heus niet het beeld van de haan, die Petrus hoorde kraaien, toen hij zijn meester verraadde. Het is een bewijs, dat oude gebruiken vaak in een nieuwe vorm voort blijven bestaan.

Wist u dat er ook voor afweer van bepaalde vormen brood gebruik werd gemaakt? Het z.g.  kraamvrouwenbrood was tot 50 jaren geleden wel te krijgen in Drenthe, Overijssel en is nu nog in delen van Duitsland gangbaar, o.m. aan de grenzen van Westfalen en Sleeswijk-Holstein. Bij Oldewedde bestaat zelfs een soort fabriekje, dat deze broodjes vervaardigt. Dit brood heeft de vorm van een kind en is verrijkt met bosbessen of, in deze dagen, krenten en rozijnen. Men gelooft dat de vrouw, door dit brood te eten, de ziel van het kind een tijdelijk lichaam geeft, waardoor het gemakkelijker het wordende lichaampje zal betreden en zo de bevalling aanmerkelijk vergemakkelijken. Een eigenaardig bijgeloof misschien. Maar voor ons is belangrijk, dat in dit volksgeloof het brood weer wordt beschouwd als een geschikt voertuig voor levenskrachten.

Brood in de vorm van een zonneschijf, ook wel demonenbrood genoemd, werd beschouwd als demonen afwerend: de kracht van de levende zon was daarin geborgen en zou elke demon, die kwaad wilde, verdrijven. Dit brood werd, zoals men nog in deze tijd wel met z.g. sier Gallen doet, zeer hard gebakken en was niet voor consumptie geschikt. De achtergrond van dit bijgeloof is natuurlijk wel teloor gegaan. Maar ook nu bakt men in het zuiden van Europa nog wel dergelijke broden, kruisjes van brooddeeg en een soort toegeslagen vierkanten, die “duivelsbrood” worden genoemd. Want deze vormen drijven boze geesten uit. In Noorwegen kent men kleine, langwerpige broodjes, waarin meestal drie dwarssneedjes worden gegeven, als z.g. kabouterbroodjes, om daarmede de huiskabouter te danken. Ook om ‘trollen’ te verdrijven bakt men een bijzondere soort brood. Daarin wordt o.m. gemalen eikenblad gedaan. Men bergt deze broden of stukken daarvan in rauw vlees: de trol zal het vlees willen eten en, dom als hij is, daarbij het brood opslokken. Daarvan wordt hij zo ziek, dat hij de omgeving zo snel hij kan, zal verlaten.

Eigenaardige gebruiken, vindt u niet? Ik zou er meer kunnen noemen, want de geschiedenis van het brood is nu eenmaal vol van dergelijke eigenaardige gebruiken. Maar al deze gebruiken en verhalen voeren ons uiteindelijk steeds weer tot hetzelfde grondbeeld terug. Koren is een gave Gods, het is de levende kracht van de aarde zelf. Waar men ook is, waar men ook gaat, steeds weer is het brood, het graan – ook de rijst kan men hieronder rekenen – voor de mens het kostelijkste, wat hij kan bezitten. Want al heeft men ook alle andere dingen in overvloed: geen enkele tafel zal werkelijk goed voorzien heten, wanneer er geen brood is.

Wist u, dat de voorname edelen vroeger kleine harde broden lieten bakken – plat natuurlijk – die lange tijd fungeerden als bord? Zo nu en dan at men een stukje van zijn ‘bord’ met de daarin doorgedrongen vleessappen op, de restanten gaf men aan de honden. Maar bovenal is een werkelijke inwijding niet goed denkbaar zonder dit wonderlijk product der natuur. Er is bijna geen werkelijke broedermaaltijd, waarbij men geen brood opdient of een ander daarmee overeenkomend graanproduct, tegenwoordig neemt dit wel de vorm aan van koek of gebak. En u? Meent u soms ook niet, dat u wanneer er gasten komen, hen tenminste ook een koekje moet presenteren? U realiseert zich misschien niet, dat het koekje een ver broertje is van het brood en dat daarom uw gevoel, dat er een koekje bijhoort, wel eens af zou kunnen stammen van de oude gastgebruiken?

Maar in de moderne tijd is er veel van de oude overleveringen teloor gegaan. De mens van nu denkt niet na bij het brood, dat hij eet en zal het, wanneer het niet geheel vers meer is, vaak eenvoudig wegwerpen. Maar vele mensen zien ook nu nog dit brood als drager van goddelijke kracht, als bv. een directe band met Jezus enz. Hij gaat het delen van brood vaak nu weer beschouwen als een teken van saamhorigheid, van broederzin. Bij vele modernere esoterische groeperingen komen vooral de hogere leden vaak samen en breken – niet snijden, maar breken – gezamenlijk het brood om hun verbondenheid in de kracht van alle leven te symboliseren. Want de meer bewuste mens beseft waarschijnlijk wel, dat zonder het graan de moderne beschaving van het westen nooit had kunnen leven, dat de houdbaarheid van dit plantaardig voedsel snelle en verre reizen, maar ook het stichten van grote steden, mogelijk heeft gemaakt.

De mens, die zichzelf beschouwt als schepsel Gods en de maatschappij als de voltrekking van de goddelijke wil, zal zeker het graan, dat sterft om te leven, het brood, dat de levenskrachten, de onsterfelijkheid van het graan overdraagt op andere schepselen, steeds eren. Wanneer het de wereld te goed gaat, vergeet men dit wel eens. Maar altijd weer groeit het graan, altijd weer zal de mens teruggrijpen op het graan, op de levende kracht. Want het graan heeft van het begin van de menselijke beschaving de mens geboeid. De halm sterft. De korrels vallen op de aarde en schijnen te vergaan. Maar waar de korrels vielen, zal een volgend jaar een rijkdom aan aren met ontelbare korrels opkomen. Een enkele korrel groeit met de jaren uit tot een rijke akker vol koren. Het graan is de onsterfelijkheid die de mens voor zich begeert, de werkelijke overwinning van de dood door het leven. De wetende ziet zichzelf als de graankorrel van God, door Hem uitgezaaid op de akker der materie. Daar moet hij leven en sterven, om na zijn dood op te staan, sterker, groter, krachtiger dan te voren. Hij beseft wel, dat er soms wat van dit graan ‘verloren’ gaat, zoals Jezus dit in de gelijkenis van de landman uitdrukt. Deze immers ging uit om te zaaien, doch een derde van het zaad viel op de weg en werd door de vogels gegeten. Een derde ook viel op rotsige bodem en verkommerde. Doch een derde viel in goede aarde en ziet, het droeg rijkelijke vruchten. De wetende erkent dit en stelt, dat zij die niet slagen, terug zullen moeten keren naar de aarde, maar wie het leven in zich erkent, leeft in een wonderlijke verbintenis met de dood, zoals het graan: stervende hernieuwt het graan zichzelf en wordt opgenomen in de mens en de mens leeft door het graan. En door de mens zal eens het graan misschien herleven.

Zo zal de ingewijde stellen: de tijd is de akker, waarop ik vruchten dragen moet. Mijn slagen voedt het werkelijke Ik en wordt zo deel van de eeuwigheid, mijn afstand doen van alle dingen van de wereld is een herwinnen van de hogere werkelijkheid. Zo is het graan mij symbool van mijn bewustwording, het brood het beeld van de kracht, waarmee ik de wereld kan voeden, zo mijn bestemming vervullend in het tijdloze. De eenvoudige mens beseft dit misschien niet zo. Maar zelfs hij heeft van het begin aan in het graan het herleven gezien uit de dood, de eeuwige krachten, die door het brood ook zijn deel worden.

Maar het brood is meer: het is in de loop van de tijd geworden tot het teken van een verbondenheid van de mens met alle dingen, alle waarden, eeuwig of tijdelijk. In het begin sprak ik u van het geven van gastrecht door het aanbieden van brood en zout, het zout, dat de demonen verdrijft, het brood dan de verbondenheid uitdrukt, die door geen dood ongedaan kan worden gemaakt. Is het geen juist beeld van hetgeen vriendschap en gastrecht betekenen? Want een ware verbondenheid moet vrij zijn van alle haat en chaos. Daarom het zout, dat reinigt en de krachten van haat en chaos verdrijft. En dan het brood als teken van de innerlijke mens, de esoterische mens, die uit de dood steeds sterker herrijst, steeds bewuster wordt en steeds sterkere banden erkent met de oneindige en daardoor met al het zijnde.

Ja, de mens heeft uit de vele symbolen van de eeuwigheid er maar één enkel gevonden, dat waardig is om de eeuwige verbondenheid van alle dingen weer te geven: het graan, het brood. Daarom brengt men zijn offers aan goden en god met de halmen, de graankorrels, het brood. Daarom zal steeds weer, wanneer de mens zoekt naar de innerlijke eenheid, de grote harmonie, waardoor de eeuwigheid stam vindt binnen zijn wezen, denken aan brood. Want tussen de mens en het graan bestaat ergens een overeenkomst. Dit komt tot uiting in de geschiedenis van het brood, het voedsel, dat eens haast goddelijk werd geacht. Het brood, dat je, evenals de mens, met enige kennis in elke vorm kunt dwingen, van een mens maak je met wat kennis en moeite een held of een lafaard, een massamens, of een individualist. Maar de leven gevende kracht is, voor de mens en voor het graan, het Goddelijk Licht, de levende kracht, waaruit alle dingen bestaan.

Mensen menen misschien, dat zij alles kunnen maken. Maar de eeuwige kracht is nodig, om leven te geven. Misschien giet God voor Zijn doeleinden de mens in duizenden vormen, zoals de mens voor het brood ontelbare vormen heeft gevonden. Wij weten het niet. Wij weten echter, dat voor het graan zowel als voor de mens de schijn van de dood slechts betekent, een herrijzen, een nieuw en groter leven. Daarom mogen wij, met de wijzen en priesters van vele tijden, zeggen, dat graan niet alleen maar een volksvoedsel is, een plant, een zaad, maar het treffende beeld van de band, die bestaat tussen de mens en de bezielende en leven gevende kracht, die men aarde noemt, tussen de mens en de onbekende waarden, die schuil gaan achter de voor ons nog niet kenbare waarden van de eeuwigheid.

Ik hoop, dat deze geschiedenis van het brood u er niet alleen toe zal brengen, dit eenvoudige voedsel anders te waarderen, maar u ook zal brengen tot een nadenken over uzelf en uw eigen leven.

Misschien kunt u dan voor uzelf antwoorden op de vraag, of ook gij het brood met anderen breekt, of ook gij uw wezen deelt met anderen, omdat het in denken en daden de uiting van de eeuwigheid is. En misschien ziet u nu de dood niet meer als een gevreesd afscheid van deze wereld, maar eerder als de weg naar een groter en beter leven en het leven zelf als een schaduw van de eeuwigheid.

Ik hoop, dat ik er in geslaagd ben u met gegevens en anekdotes tot nadenken te brengen. Misschien realiseert u zich, ondanks uw trots op alles, wat uw tijd presteert zelfs, dat het verschil tussen uw wereld en de wereld uit het verleden, waarin de geschiedenis van het brood begon, in wezen niet zo groot is. Dan heb ik iets bereikt. Want dan beseft u, dat de mens altijd mens is, ondanks verschillen van vorm en beschaving, zodat de werkelijke waarde van het mens-zijn nimmer gebonden kan zijn aan uiterlijkheden, maar alleen voort kan vloeien uit innerlijke waarden.

Eén enkele graankorrel, die kiemen kan, betekent de vruchtbaarheid van een gehele wereld.

Eén enkele geest, die zijn ervaring en wijsheid tot ontplooiing brengt, schept het bewuste Licht in alle sferen.

Vragen

Zo, vrienden, wij hebben in grote lijnen de geschiedenis van het brood nu doorgenomen, voor ik daaraan nog enig verder commentaar verbind, zou ik gaarne eerst uw vragen beantwoorden.

  • Is het gezamenlijk eten van brood na een begrafenis nog een overblijfsel van dit door broodbanden en eenheid uitdrukken en het nieuwe leven, de nieuwe levenskracht tot zich nemen? Is het gewenst, dat dit gebruik weer bewust in ere hersteld wordt?

Vooral op het tweede punt van deze vraag kan ik moeilijk een antwoord geven. Ik vrees, dat het in ere herstellen van dit gebruik de moderne mens er toe zou brengen, het graan van de eenheid in meer vloeibare vorm te nuttigen, zoals dit in boerengemeenschappen nu nog wel gebeurt. De zin van het oude dodenmaal was inderdaad: een aangeven dat de dode deel uitblijft maken van de gemeenschap. Door voedsel voor de dode, of op een aan hem gewijde plaats te stellen, geven vele volken verder aan, dat de dode werkelijk blijft bestaan, voortleeft.

Er zijn op aarde zelfs enige gemeenschappen, waar men eens per jaar of eens per drie jaren, pleegt samen te komen bij de rustplaats van de doden. Deze worden dan uit het graf genomen, van een nieuw kleed voorzien, waarna men gezamenlijk maaltijden gebruikt, zingt en danst, terwijl de lekkerste beetjes aan de dode worden voorgezet. Misschien is het ‘servetje na de begrafenis’ nog wel een overblijfsel van dergelijke gebruiken, ofschoon utiliteitsoverwegingen volgens mij hier een grotere rol spelen.

Zou u echter het dodenmaal van vroeger in ere willen herstellen, dan zou deze maaltijd plaats moeten vinden, terwijl de dode nog boven aarde staat, nadat de religieuze plechtigheden, die eventueel aan de begrafenis vooraf gaan, beëindigd zijn, doch voordat de feitelijke verbranding of ter aardebestelling plaats heeft gevonden. Dit zou nogal wat moeilijkheden kunnen veroorzaken. Maar belangrijk acht ik dit alles niet, omdat de oude erkenning en daarmede de gevoelswaarde en geestelijke betekenis van deze gebruiken in uw beschaving toch teloor zijn gegaan.

  • In het oosten plaatst men herhaaldelijk voedsel op de graven, maar dat heeft toch niet deze strekking?

Neen. Dit zijn voedseloffers aan de geest van de dode, opdat hij geen gebrek zou lijden, niet hongerig zou worden. Op de achtergrond schuilt de gedachte dat hij dan ook wel niet bij de levenden zal komen spoken. In het door u gestelde voorbeeld is er dus inderdaad sprake van een geheel andere bron en betekenis. Toch wil ik er nogmaals op wijzen, dat zelfs nu nog op de wereld, gemeenschappen bestaan, waarbij het brengen van gaven aan de doden en doden- maaltijden niets te maken hebben met een verzoenen van geesten enz., maar een zuivere uiting zijn van een gemeenschapszin, die ook de doden omvat.

Wanneer u er niet zeker van bent, wat eigenlijk de achtergrond is, zo moet u eens opletten, of er alleen maar een offer wordt gebracht aan het graf, dan wel een maaltijd wordt gehouden, waaraan dus degenen, die de gaven bij het graf plaatsen, deelnemen, meestal rond het graf gezeten. In het laatste geval is er sprake van een werkelijke maaltijd, waarbij een deel voor de dode wordt gereserveerd, omdat hij nog steeds een plaats heeft in de gemeenschap van de levenden.

  • Wordt met het dagelijks brood in het ‘Onze Vader’ gewoon brood bedoeld, of moeten wij dit opvatten als kracht van het leven, misschien zelfs het eeuwige leven?

Het dagelijkse brood is werkelijk brood, geen boterham dus, maar het begrip brood, zoals dit in Jezus tijd bekend was. Kort gezegd en ontdaan van alle argumenten kan het als volgt worden gesteld:

Het brood is het symbool van de eeuwigheid en al wat daartoe behoort, uitgedrukt in een voortdurende hernieuwing. Dit was aan de in mystiek ervaren joden namelijk bekend en is een van de redenen, dat zij rond Pasen niet alleen alle gedesemd brood verwijderden en ongedesemd brood aten – dit laatste was inderdaad een herinnering aan de uittocht uit Egypte – maar ook zoveel mogelijk alles, wat kapot of maar beschadigd en versleten was, hernieuwden. Want door zichzelf te vernieuwen en al het schadelijke weg te nemen, symboliseerden zij de eeuwige vernieuwing, waaraan Israël deel had door zijn eeuwigdurend verbond met God.

Met de woorden: “Geef ons heden ons dagelijks brood”, heeft Jezus de afhankelijkheid van God, in alle dingen erkend en vastgelegd. Hij vraagt echter niet om brood in zuiver stoffelijke zin alleen. Misschien geeft het volgende de bedoeling juist weer: “Vader, geef ons de verbondenheid met Uw wezen, waardoor al het voor ons noodzakelijke ons voortdurend gegeven wordt en Uw leiding voortdurend met ons is”.
Interpretatie is dus afgeleid uit de achtergronden van de godsdienstige begrippen en zegswijzen in Jezus’ tijd, plus de betekenis, die het brood – ook bij de joden – had in religieuze zin. Dan moeten wij ook Jezus’ woorden: “Gij zult bij brood alleen niet leven”, anders interpreteren, bv. als: de besefte waarheid dient men ook in daden te realiseren. Je zou het zo kunnen zeggen: God is onze Leidsman. God schept de wereld, waarin wij leven. Hij is ons dagelijks brood. Om echter aan het leven voor ons zelf betekenis en waarde te geven, zullen wij dit leven zelf moeten verwerken. God voedt ons, maar wij moeten niet alleen eten, doch ook iets doen met de krachten, die wij zo verkrijgen.

God is de zaaier. De mens, de korrel, die door Hem uitgeworpen is op deze wereld, zal echter zelf de krachten moeten aanvaarden, zelf zijn voedsel moeten verwerken, ontspruiten, groeien, rijpen en vrucht dragen. Volgens mij heeft Jezus dus niet bedoeld, dat men niet alleen boterhammetjes moet zwelgen, maar ook nog eens aan geestelijke dingen zal moeten denken. Hij stelt, dat de mens, ofschoon levende uit God en eeuwig door de wil Gods, toch ook zelf zal moeten streven en leven. Het gestelde is m.i. dan ook geheel juist.

  • Ging dat voorspellen met die pikkende kippen goed? En hoe dan wel?

Officieel was het aantal en patroon van de gepikte korrels te vergelijken met boeken, waarin elk aantal, elke kleur, elk patroon een eigen betekenis had. In de praktijk echter gaf men een belangrijk orakel op deze wijze meestal alleen, wanneer men de nodige kennis van te voren op sluikse, maar stoffelijke weg had verkregen. In wezen wist men dus reeds, wat het orakel zou voorspellen vóór het plaats vond en de gebeurtenissen, waarvan definitief gesproken werd, waren aan de priesters reeds bekend, maar anderen wisten daarvan nog niets, ofschoon zij vaak dagen of weken vroeger plaats hadden gehad en gebruikte dan voor de kleur, korrels, die in meerderheid moesten worden gepikt, een soort zaad, waar de vogel de voorkeur aan gaf, terwijl men bij het z.g. uitwerpen – het in één enkele greep op het orakelblad brengen van het zaad – door enkele handigheidjes kon zorgen voor een grove benadering van de begeerde patronen.

Het ging dus wel goed, maar had als orakel, als uiting van bovennatuurlijke krachten, al even weinig betekenis als kaartleggen heeft, wanneer je eerst jezelf op de hoogte stelt van alle omstandigheden. De beschrijving van kleuren, getallen en vormen was een leidraad, waardoor mensen met werkelijke helderziendheid gemakkelijker tot een vertrouwen en concentratie kwamen.

Wanneer werkelijke helderzienden werkten met het orakel – iets wat wel eens voorkwam – was dus de interpretatie evenmin gebonden aan hetgeen de kip had gedaan, maar eerder een aan de hand daarvan weergeven van de beelden en waarden, die de helderziende in zich had gevonden. Aangezien er in die dagen evenveel auguren waren, die van de toekomst niets afwisten en niets af konden weten, als er in deze dagen kaartleggers en profeten zijn, die mooie woorden spreken, maar alleen door een haast onvoorstelbaar toeval gelijk krijgen.

Wij mogen dus wel stellen, dat de betekenis en waarde van die orakels sterk overdreven werd. Het was in wezen geen bovennatuurlijke inwerking van geesten of goden, maar een politiek middel, waardoor men vorsten en staat kon beïnvloeden, ruime verdiensten verwerven en de mensen voeren in de richting, die de priesters voor gewenst hielden. Alleen wanneer dus de priesters over bijzondere informatie beschikten, kwamen de orakels zeker uit. Maar dan was er in wezen alleen maar sprake van een op zeer plechtige en bijzondere wijze bekend maken van natuurlijk, maar heimelijk verworven kennis.

  • U sprak over maanzaadbrood. Had dat, zoals in sommige andere landen, nog een speciale betekenis?

Neen. In Amsterdam, waarover ik sprak, werd dit soort brood zuiver als versnapering beschouwd. In andere landen geldt maanzaad wel als een vruchtbaarheidssymbool, maar lang niet overal en altijd. U moet er dus maar voorzichtig mee zijn. In Boven Silezië gebruikt men maanzaadkoeken wel om een zekere welwillendheid aan te duiden, in China betekent het: huwelijk, in een bepaalde streek in India daarentegen zoiets als: zullen wij er samen eens voor een paar uur of een paar dagen tussenuit trekken. Ik geef u dus de raad met uw interpretatie van dergelijke tekenen heel erg voorzichtig te zijn, tenzij u met zekerheid weet, hoe het plaatselijke gebruik is. En dat kan van stad tot stad zelfs anders zijn.

  • Was in Eleusis de korenaar niet een van de symbolen?

Inderdaad. Maar vergeet niet dat, zoals ik reeds stelde, de mysteriën van Eleusis een wat bijzonder karakter hadden, omdat er geen sprake was van mondelinge overdracht van waarden of feiten, maar van een z.g. open mysterie, dat hoofdzakelijk tot uiting kwam in bepaalde rituele spelen, vertoningen, die dus, zoals ook elders wel voorkwam door een ieder gezien mochten worden, maar voor de ingewijden een bijzondere betekenis hadden en vaak door een besloten rite gevolgd werden. De basis van dergelijke mysteriën is altijd weer een personifiëring van de natuur of natuurkrachten, zodat men veelal geneigd is deze scholen te beschouwen als centra van een natuurverering. Dit is echter onjuist, omdat achter de symbolen van de natuur, de ingewijde, de werkelijke verbondenheid vindt met het oneindige.

Het werkelijke geheim van de mysteriën te Eleusis was een zelferkenning in relatie tot het Al- zijnde, gesymboliseerd door wijn en brood, waaraan voor de uitdelingen nooit niet-ingewijden deelnamen. Overigens is het in verschijning treden van wijn en brood, tezamen met de korenaar, de schoven enz. voor mij het bewijs, dat deze school of tenminste de ingewijden daarvan tot de grote priesterorde behoorden, zeg maar de orde van Melchizedek.

In mijn slotwoord hoop ik nog even op de geestelijke waarden, die aan het brood verbonden zijn, in te kunnen gaan. Ik meende, dat het beter was, dit aspect in mijn inleiding achterwege te laten, om een te ingewikkelde structuur van het betoog zo te vermijden.

  • Hadden de toonbroden dezelfde betekenis als de door u vertelde broden bij Isis en Osiris?

De toonbroden waren de broden van het Verbond. Daarbij valt op, dat deze broden waarschijnlijk in het heilige werden geplaatst door een misinterpretatie van een gebruik, dat in de Egyptische tempels bestond. Het was daar namelijk de gewoonte op bepaalde feestdagen op de grens van het heilige deel en het algemeen toegankelijke deel van de tempel een tafel met broden neer te zetten, die na afloop van de dienst ter beschikking van de aanwezigen werden gesteld. Vaak werden deze broden daartoe door hoger geplaatste personen beschikbaar gesteld aan de tempel. Het was dus het brood van de armen.

Mozes, die een prins van Egypte was – wat een inwijding in het priesterschap tot tenminste de derde graad betekende – stelde soortgelijke tafels op in het reizende tabernakel voor de priesters en levieten, die door hun bijzondere taak immers niet altijd in de gelegenheid waren voldoende voedsel te verwerven, en door hun bezigheden in de tempel ook niet altijd aan de maaltijden van de anderen deel konden nemen. Hij heeft ongetwijfeld zijn leerlingen en schrijvers toen tevens verteld over de toepasselijkheid van deze tafels met brood in de tempel, en de oude leringen van Egypte, waarvan ik u iets vertelde, aan hen uiteengezet.

In de tempel vinden wij echter later een tafel met gouden toonbroden. Dit berust waarschijnlijk op een misvatting. Men meende, dat deze broden voor God bestemd waren, in plaats voor de armen van de gemeenschap. Het was het symbool geworden van Gods zegen voor de stammen. Dat die broden in en bepaald aantal aanwezig waren, kwam dus voort uit het aantal stammen. Hun groepering kwam oorspronkelijk voort uit het feit, dat binnen het joodse rijk deze stammen  allen een andere taak hadden, zodat God zijn zegen aan allen op een bijzondere wijze zou geven.

Salomo heeft aan die toonbroden later een bepaalde tekenwaarde toegekend. Op elk brood – dat er uitzag als een heel plat kaasje – was een bepaalde letter geslagen. Deze letters waren deel van een magisch alfabet. Hoe men de broden ook zou samenbrengen, altijd zouden de letters gezamenlijk een of meer van de namen van God spellen. Daar Salomo een magiër was en meende, dat God voor hem  en zijn volk ook werkzaam zou zijn onder bepaalde namen, werd de schikking zo gekozen, dat het deel van de tafel, dat het dichtst bij het Heilige van de heiligen stond, deze naam vormde. Daarnaast werden nog namen gespeld, onder meer op diagonalen, die stonden voor krijgsmanschap, welvaart en bescherming.

Slotwoord

Alle kracht Gods is rond ons. Wij kunnen deze kracht echter alleen verwerken en aanvaarden, wanneer zij een vorm krijgt, die met ons harmonisch is, zodat zij voor ons hanteerbaar en aanvaardbaar is geworden. Zoals uit het onbekende ‘Niet’ de kracht komt, waardoor de graankorrel uit de aarde krachten puurt, halm schiet en korrels voortbrengt, zo wordt uit het onbekende van de schepping, gevoed door krachten, die wij niet kennen, steeds weer een reeks van kenbare verschijnselen, gevolgen en waarden voortgebracht. Altijd weer is er boven het graan de hemel, een onbekende verte. Altijd weer is er onder het graan de aarde, een stoffelijke wereld vol van waarden, die je niet kent en krachten die je niet beseft. Zo leeft ook de mens tussen de chaos, waaruit hij is voortgekomen, en de onbekende vormen van het eeuwige Licht, waarin hij misschien eens binnen zal kunnen treden.

Maar wat kan een mens doen met alle goddelijke krachten en alle goddelijke wijsheid, wanneer hij deze niet omzet in een deel van eigen werkelijkheid? Wij kunnen theorieën hebben, kunnen een levensboom erkennen en bouwen, zonder iets werkelijks te bereiken. Want ook de boom van het leven moet vruchten dragen, wanneer zij voor ons betekenis wil hebben. De dode these moet in menselijke waarde veranderen, voordat men als mens daardoor ook maar iets verder kan komen.

Dit nu heeft men in de oudheid wel degelijk beseft:

“Wanneer het graan groeit, geeft de onbekende God ons zijn krachten in een voor ons aanvaardbare vorm”.

Maar zelfs dit graan moet verwerkt worden, voor het brood wordt. Zelfs de kenbare uiting Gods moet door ons verwerkt worden, tot deel van onze eigen wereld en werkelijkheid gemaakt worden, voor wij iets bereiken.

“Uit hetgeen ons gegeven is, puren wij het voor ons noodzakelijke.”

Uit de onbekende krachten, uit de mineralen die gebruikt zijn om het leven te bouwen zoals wij dit kennen, zo, uit de werelden van de geest, die de mens niet kent, komt het leven voort met alle mogelijkheden. Daaruit put de mens zijn ervaringen, zijn bewustwording, geeft hij het leven zin en inhoud, wordt hij zich bewust. Want uit dit leven, dat mensen trachten te ontleden, maar niet werkelijk kunnen imiteren, uit de wijde wereld, waarin zovele mogelijkheden de mens dreigen te overrompelen, moeten zij het bewuste leven maken, waarin zij eerst zichzelf en later zelfs de wereld leren beheersen.
Het brood, dat uit het graan wordt gemaakt heeft in vele kringen van meer ingewijden de bijzondere betekenis gekregen als de menselijke verwerking van de goddelijke gave, het aanvaarden van de geestelijke en lichamelijke krachten en mogelijkheden, waardoor men zijn einddoel zal kunnen bereiken:

“Het is onze taak de goddelijke gaven te nemen en deze om te vormen tot het voedsel van de mensen.”

Want vrienden, de ingewijden beseffen zeer wel, dat zelfs wanneer wij geheel de eeuwigheid zouden kennen, wij met deze kennis niets zouden kunnen doen. De eeuwigheid, buiten ons is nu eenmaal té groot voor de mens om deze werkelijk te kunnen omvamen. Je kunt haar ondergaan, voor een ogenblik bewust beleven misschien. Zij blijft echter onbeperkt. Verder dan dit kom je niet. Wanneer je echter de waarden van de eeuwigheid in jezelf gestalte ziet aannemen, kun je er echter iets van maken, dan kun je iets bereiken. Zoals de mens eens het eerste graan heeft gemalen en tot meel gemaakt, om zo het brood te bakken, dat hij zijn goden offerde, maar gelijktijdig ook zichzelf daarmee voedde, zullen ook wij gelijktijdig ons leven moeten maken tot iets, waarmee wij onze Schepper erkennen tot iets, waarin wij zelf groeien en sterker worden.

Het brood was voor de ouden vele waarden in één, naargelang dan de vorm, de samenstelling ervan. Het kon gebruikt worden om demonen af te weren, een verbond te bezegelen, uitdrukking te geven aan de eenheid van de mens met eeuwige krachten. Zo kan de mens uit de innerlijke kracht en de innerlijke kennis, die in hem leven, zich een gestalte, een vorm scheppen, een woord van kracht, waaruit hij leven kan, de goddelijke krachten verwerkelijkende zelfs op aarde. Het onkenbare kan hij kenbaar maken langs deze weg. Zichzelf kan hij openbaren in de kosmos en gelijktijdig de kosmos in zich bevatten. Maar daartoe zal hij de waarden, die in hem leven, moeten verbrijzelen, tot hij ze beheersen kan en met de goddelijke krachten hem geschonken zijn innerlijke wijsheid mengend, de vorm geven, die voor hem de waarheid, zijn deel van een eeuwige schepping is.

Ik beschreef u in mijn inleiding, hoe het brood gebruikt werd in de riten van de ouden. Maar het brood was meer voor hen: het was een vreemde magische werking, waardoor je leerde mediteren – desnoods alleen maar over de Nijl, die weer gestegen was – de verbondenheid van alle dingen leerde erkennen, de belangrijkheid van eigen wezen en taak, zowel als het spel van de krachten, die men goden placht te noemen. Want het stijgen van het water deed de aanslibbende vruchtbaarheid van een komend jaar zien, de oogst, de mensen die zo gevoed zouden worden en allen, die door hun samenwerken het daadwerkelijk volvoeren van de wil der goden mogelijk maakten, de vervulling van de kosmische wetten tot zekerheid makend ook in de wereld van de mensen.

“Het brood etend weet ik: hier proef ik niet slechts een vrucht van de aarde, maar het werken van de mensen en de arbeid van de goden.”

Men besefte, dat hier niet alleen een menselijk product werd gebruikt, maar dat het pogen en streven van de grootste krachten van de schepping, die het graan schiepen, tot uiting kwam.

En de wijze mediteerde: zo streven dus de hoogste krachten van stof en geest, om mij, mens, hun wezen te openbaren. Zij geven mij hierdoor deel aan hun werken. Zal ik dan achter blijven en in gedachten verzonken blijven, zonder ook hun werken en wil hier en nu met alle mij ter beschikking staande middelen te verwezenlijken en te uiten? Zo werd het brood in zich een openbaring en de drang tot het daadwerkelijk openbaren van alle besef en wijsheid in de mens.

Wanneer de mensen dan ook steeds weer bij hun inwijdingen als symbool graanhalmen, brood namen, om hiermee het leven weer te geven, zo deden zij dit niet alleen maar om duidelijk te maken hoe dood en leven één zijn, of de broederschap kenbaar te maken, die tussen bewuste mensen dient te zijn. De ingewijde koos deze symbolen om voor ogen te stellen, dat hij in zich een kracht  droeg die hij zelf kon vormen en ombouwen. Hij stelde:

“Het is niet voldoende het brood te eten, men moet worden tot het graan, dat anderen voedt”.

En bedoelde daarmede dat men uit de goddelijke kracht met alle middelen moet putten  om zo die kracht zelf aan anderen te kunnen geven. De groepen, die door grote meesters geleid worden, zijn vaak gebonden aan een magisch woord, een magisch gebaar of begrip. Laat ons stellen, dat dit het brood is dat door de meesters voor de mens uit de middelen der eeuwigheid gemaakt wordt. De meesters zelf zijn het graan, dat leven schept en moeilijkheden overwint. Maar het is niet voldoende zich op deze magische waarde te beroepen. Men moet uit zich leren de goddelijke krachten te richten en om te zetten, opdat het woord waar wordt:

“Als het rijpe graan, put deze uit het onbekende, verrijkt de aarde en voedt de mensen”.

Daartoe zal de mens zichzelf moeten kennen en beheersen, want wie waarlijk weet, wie hij is, hoe hij leeft, heeft een kosmisch geheim gevonden, dat alle waarden omvat. Het brood was daarom ook nog het symbool van het bereikte, van het ontsluierde kosmisch geheim, een deel van de oneindigheid, dat zijn vorm kreeg uit de kracht en de wil van de goden, maar door zijn wezen die oneindigheid openbaarde. Want een korrel begrip was gelijk aan de macht om wonderen te doen, zoals een korrel graan voldoende was, om uiteindelijk – na even veel moeite en zorgen – een gehele akker te kunnen bezaaien. Laat ons daarom niet vergeten, dat de geschiedenis van het brood niet alleen maar een verhaal is over bakkers en gebruiken, maar de geschiedenis van de gehele mensheid, die in het graan zijn verbondenheid met de natuur en de Al geest trachtte te erkennen en uit te drukken.

Eens werd door priesters ter gelegenheid van een inwijding brood gebakken. Voor het in de oven ging, schreef men daarin twee naamzegels: de naam van de mens in de wereld, zijn geboortenaam, en als tweede naam de naam die de neofiet zou voeren als ingewijde. Was de proef afgelegd en het juiste antwoord gegeven op de laatste vraag dan gaf men de nieuwe ingewijde, zittend nu tussen zijn broeders, dit brood te eten. Hij at dan zijn beide namen en ook degenen, die hem tijdens de inwijding hadden geleid en geholpen, aten van het brood van beide namen, opdat de nieuwe broeder nimmer zou kunnen vergeten, dat alle mensen hun wezen en naam op aarde hebben, hun naam en wezen in de grote werkelijkheid.

Maar door deze beide te mengen alleen kan de ingewijde waarlijk bereiken. Wie zich beperkt tot één van beide namen, één van de beide aspecten van zijn wezen, zal immers nimmer werkelijk bereiken. Maar de broeders deelden de namen met hem: In  werkelijkheid zijn allen één door de kracht van hun Schepper. Gezamenlijk, één zijnde en toch elk met een eigen taak en waarde, zullen zij gezamenlijk de vruchten van eigen leven en weten eten, maar deze mengen met het ware Ik, dat eeuwig is en waar, zo de taak vervullend die aan alle bewustzijn in de schepping is gegeven.

Dit dan vrienden, is een laatste deel van de geschiedenis van het brood, het laatste deel is de sleutel, waardoor u de belangrijkheid van mijn inleiding eerst ten volle duidelijk zal worden.

image_pdf