De godsdienstige achtergrond van magie

 15 januari 1961

Men heeft mij verzocht met u te spreken over een godsdienst, als ik het zo mag noemen, die over het algemeen als zodanig niet zeer bekend is, n.l. over de godsdienstige achtergrond van hetgeen u nu magie noemt. De magie zelve is gebaseerd op de bezieling van het heelal. De mens die hiermee te maken krijgt, is over het algemeen geneigd om aan te nemen dat deze magie alleen bestaat uit reeksen van toverkunsten, het bedwingen van demonen en geesten en wat daar bij behoort. In feite echter is juist dit slechts de buitenkant, de façade. Er zijn bepaalde krachten en wetten natuurlijk die daarbij worden gebruikt, maar het geloof zelf dat tot de magie voert, kent men niet meer. Het is dan ook al betrekkelijk oud; het stamt uit de periode van de Leeuw en ik zou graag, zonder verder erom heen te draaien dus, maar willen beginnen met het uiteenzetten van de grondslagen.

Wij geloven natuurlijk aan één God, maar dit is geen monotheïstische God, want deze God, kent naast zich vele goden. De bovenwereld of de lichte wereld wordt verdeeld in 27 gebieden. Elk van die gebieden wordt geregeerd door een bepaalde godheid. Elke godheid zelve heeft onder zich een raad, die wij ook weer goden noemen. Naast deze 27 rijken, waarmee de wereld te doen heeft, zijn er natuurlijk meerdere, maar deze laat men meestal buiten beschouwing. De gedachtegang is als volgt: De grote Godheid zelf, de scheppende kracht, is verborgen en is zelve eigenlijk niet actief. De activiteit van de scheppende kracht komt alleen tot uiting in de wetten die de kosmos regeren en verder in de intentie die hij heeft ingelegd in alle goden, dus de regeerders van genoemde 27 gebieden en eventuele andere sferen en werkingen.

Wij mogen dus, zo gaat de magie verder, aannemen dat de concepten Gods zullen worden verwerkelijkt als resultaat van een samenwerkende reeks van goden. Voor elke kracht echter die licht is, moet er (dit vloeit uit de goddelijke wetten voort) een evenzeer duistere kracht zijn. Tegenover elk rijk van licht staat een rijk van duister. Voor elke lichtende godheid met zijn raad van goden is er een duistere godheid met zijn raad van demonen. De mens staat tussen al deze dingen in, want zodra men de stof betreedt, leeft men niet in de wereld waarin goden of demonen zich zonder meer kunnen openbaren. De goden zowel als de demonen kunnen onder bepaalde omstandigheden een stoffelijke vorm aannemen. Zij kunnen dus ook uw wereld betreden, maar dit gebeurt slechts zeer zelden, omdat dit van hen zeer grote offers vergt aan kracht en ook aan wat u tijd zou noemen. Hun belevingsfactor of tijdsfactor wordt n.l. gedurende het verblijf op aarde aanmerkelijk vertraagd. Zo leven zij dus a.h.w. 20 jaren van hun normaal bestaan, maar hebben de ervaring van slechts één jaar. Het is hierom, dat slechts zelden van een directe uiting van deze lichtende goden sprake zal zijn. Het heeft weinig zin deze lichtende goden of hun duistere spiegelbeelden te aanbidden. Een aanbidding, een erkenning als enige god bv .is zinloos, omdat zij zelf daarin nooit en te nimmer hun eigen beeld zullen kunnen terugvinden. Wij zijn niet in staat om deze grote krachten voldoende te omvatten en te begrijpen. Zo blijf je dus beperkt tot de aanbidding van de éne God, waarvan je echter weet dat hij t.o.v. van jou en je wereld een rustende kracht is. Met de goden, zowel als de duistere goden, tracht je te komen tot een sportovereenkomst. Deze bestaat o.m. uit een onderlinge aanvaarding. wij moeten aanvaarden, zo wordt er gesteld, dat licht en duister in de menselijke wereld werkzaam zijn. Wij moeten evenzeer kunnen aanvaarden dat licht en duister, tegenstellingen van elkaar vormende, ons wezen voortdurend zullen beïnvloeden. Daar het ons niet mogelijk is ons aan de 27 rijken, die de aarde en haar sferen regeren, te onttrekken, zullen wij in die rijken of wel lichtend dan wel duister (spiegelwereld) aanwezig zijn, ook wanneer wij overgaan.

Hier heeft u een zeer korte, en uit de aard der zaak haast bekrompen schets van al datgene wat in het magisch geloof een grondslag vormt. Het is een soort geloofsartikel eigenlijk: Wij moeten onze verhouding bepalen t.o.v. van goden en demonen. Dat daarbij de magiër verder gaat en in vele gevallen tracht een godheid beter te kennen, vooral de godheid, waarmede hij hoopt te werken en uit welke krachten hij wil putten, zal begrijpelijk zijn. In de oudheid zag men altijd licht en duister als een godheid. De z.g. duistere godheid of spiegel-godheid is slechts de aanvulling van de persoonlijkheid van de godheid in een rijk. Zo vindt u nu nog in bepaalde goden-leren beelden daarvan. Zoals Janus twee gezichten heeft en twee kanten tegelijk uitkijkt, zo is Kali de levendbarende en doodbrengende. Zo vinden wij steeds weer goden en godinnen die enerzijds de vernietiging kunnen betekenen en het geweld, maar…. anderzijds ook het licht en de schepping. Dit concept van een uitvoerende kracht met twee aangezichten is zeer belangrijk.

Er zijn op den duur natuurlijk ontaardingen geweest. Men is gekomen tot de aanbidding van de duistere figuur. Zo kennen wij de Tuck, de Borgersecten die dus Kali in haar aspect Kali Doerga aanbidden en alleen als zodanig. Het vreemde is, dat zij dit niet alleen doen om Kali Doerga tevreden te stellen, maar dat zij hun offers brengen om het andere aspect van Kali, de levendbarende, persoonlijk te ondergaan. Deze overleveringen zijn in vele gevallen een verminking van de oorspronkelijke magische godsdienst. De dienst aan de goden behoort nu eenmaal altijd bij een religieus concept, het woord godsdienst; zegt het reeds zelf: het dienen van god. Maar inplaats van een kosmische en overweldigende godheid te dienen kiest de magiër zich een bepaalde god, of zo u wilt een aspect van de rustende godheid, dat in een afzonderlijke vorm actief is geworden. Hij richt zich daarop geheel en aanvaardt deze godheid in zijn beide aspecten. Wij krijgen dan verbindingen als: Osiris-Tot, in Egypte. Wij zien de god a.h.w. van de Olympus, maar onmiddellijk gepaard met de god van de onderwereld. Bel is een aspect a.h.w. van Nergon. En Nergon is niets anders dan Bel die zijn lichte kleed heeft afgelegd. Wij aanvaarden dus één aspect van de godheid.

Dit betekent niet, dat we godendienaren zijn in de tegenwoordig aanvaarde zin van het woord, maar je kunt je leven niet wijden aan het totaal van de schepping en daarom kies je uit de mogelijkheden die je daarin kent (omschreven in de 27 rijken) de éne godheid die je past. Je eert deze godheid volgens ons ideeën in het witmagisch concept dus) het best door erkennende het duister en het licht, werkende met de krachten van beidende aspecten van de lichtende godheid te openbaren. Als zodanig wordt de magiër een verlengstuk van de lichtende godheid die hij als zijn patroon heeft gekozen. Hij brengt diens werk naar voren, hij volvoert dienst taken, maar zal omgekeerd door deze godheid en eveneens in beide aspecten, worden gesteund. Dit betekent dat hij nimmer zal worden aangevallen door de duistere vorm van zijn patroongod, dat hij altijd kan putten uit het lichtende en ook uit het spiegelrijk van deze god, zodra hij diens lichtende kracht wil manifesteren.

Ik weet niet of ik, in mijn pogen om zakelijk en duidelijk te zijn, u een voldoende uiteenzetting geef van onze eigen idee, onze eigen instelling. U moet niet vergeten, het is lang geleden dat de magie in zuiver religieuze zin werd beleden op aarde en daarom falen misschien de woorden wanneer je een emotie uit wil drukken, die niet helemaal is weer te geven. Laat ik het zo zeggen: Wanneer je in staat bent om de uitgekozen godheid te dienen, dan onderga je de inwijding van die godheid. Je kent diens wezen, je draagt a.h.w. diens attributen, je kunt onder bepaalde omstandigheden de verpersoonlijking zijn van die godheid en wel, let op, in beide aspecten, ongeacht de witmagische benadering. Je kunt dus de levenbrengende of de doodbrengende zijn. Je kunt gelijktijdig zijn de kosmische liefde en de stoffelijke afschaduwing daarvan. je kunt gelijktijdig zijn de werper van de bliksem en de brenger van de vruchtbaarheid in het komend jaar.

Dat zijn de attributen die je draagt. Attributen geven de macht. de attributen zijn nooit deel van de magiër zelf, zij zijn altijd en direct aspecten van de godheid die hij dient, ook wanneer hij van stoffelijke attributen gebruik zou maken. De wereldvoorstelling, die je op deze wijze krijgt, wijkt wat van de tegenwoordige af. Een wereld als de uwe is voor de magiër bevolkt met demonen, met geesten en met lichtende krachten of engelen. Overal rond hem zijn de geesten van alle elementen vertegenwoordigd, overal ontmoet hij het bovennatuurlijke en dit bovennatuurlijke – dat kan ik u verzekeren – bestaat in de zin waarin de magiër het beleeft wel degelijk. Hij ziet de mensen in vele gevallen als marionetten van geestelijke krachten die ze niet beseffen. Zij laten zich voeren door elementen waar ze absoluut geen begrip van hebben; zij zijn onbewust, zij weten niet op welke wetten zij zich moeten beroepen, willen zij een bevrijding vinden uit de banden, die een bepaalde geestelijke kracht die hun niet past op hen gelegd kan hebben.

In dit verband is het misschien aardig om op te merken, dat waar wij uiteindelijk geloven in de grote godheid, wanneer we ooit in een demonisch rijk terecht zouden komen, of onder de ban en de invloed van een demonisch ingestelde kracht, wij nooit en te nimmer ons zullen beroepen op onze beschermgod. Dit heeft geen zin, want deze is mogelijk in dit duister vertegenwoordigd en anders behoort hij tot een ander rijk. Is onze god in het duister vertegenwoordigd, dan zullen we nooit daar werkelijk geketend zijn. Is hij daar niet, dan zouden we niet mogen verwachten dat hij een godenkrijg begint met een andere godheid. Je kunt niet verwachten dat de verschillende facetten van God’s schepping tegen elkaar gaan vechten en werken. Maar wij hebben één recht en dat is het recht van de z.g. laatste vraag, of moet ik zeggen; de uiteindelijke vraag? Dat is misschien beter. Wanneer ik n.l. een bepaalde eis stel aan een demonisch aspect en ik stel deze uit naam van de scheppende godheid, zo zal men mij steeds toe moeten laten datgene wat ik waar acht, datgene wat ik als waarheid eis, zelve te zoeken. Kan ik dit in de begoocheling van de demonische wereld zelf vinden, zo ben ik met hetgeen ik mij veroverd heb, volledig vrij. Zo heet het zelfs dat er een vraag bestaat, waarmee je een heel schaduwaspect kunt binden. Dit wordt in gelijkenissen naar voren gebracht soms moderner vertaald, soms zeer mystiek uitgedrukt. Want, wanneer wij in de magie contact maken met een schaduwaspect van een god die wij ons zelf niet verkozen hebben (dit hoort er dus bij) dan kunnen wij deze kracht, waar wij ze bezworen hebben, waar wij dus contact hebben opgenomen, eveneens een vraag stellen.

Het oude volksgeloof zegt immers ook: Wie een geest opgeroepen heeft, heeft recht op één vraag. Hij mag één wens doen.” Nu is dat werkelijk zo, wij kunnen dus in onszelf een verwerkelijking eisen en deze verwerkelijking zal zich betrokken op het totaal van de wereld waarmee wij zelve gebonden zijn, in het geval van de mens dus de stoffelijke wereld. Op het ogenblik nu dat ik een eis stel, die mijzelf niet verandert, maar mijn gehele wereld verandert in tegenstelling tot de richting van het demonische, zou dat demonische dan gezonden zijn. Volgens de legende is dat duizend jaar, ofschoon men liever spreekt over 7x7x7, dat is dus de meer magische uitdrukking ervan. Stel bv. dat ik een demon oproep, waarvan ik weet dat hij dwaasheid in de wereld brengt. Ik besef dit; ik eis nu van deze demon en ik heb recht op deze wens, zonder mij te veranderen: maak mij de meest dwaze en domste mens van de wereld.

Het gevolg is dat ik een onmogelijke taak heb gesteld en dat alle verleidingsfactoren die normaal uit het spiegelterrein de mensheid zouden kunnen bereiken, nu gericht op het onmogelijke, gebonden zijn, waardoor het lichtend aspect van een dergelijke godheid werkzaam is. Ach, ik ben bang dat het u eigenlijk een beetje als een preekje in de oren klinkt en toch is het dat niet. In uw dagen spreekt men ontzettend veel over de liefde Gods en deze liefde Gods bestaat inderdaad, maar de voorstelling die men zich ervan maakt is wel eens wat primitief. Men stelt zich schijnbaar die liefde Gods voor als een koesterende beschermende mantel, die je zonder meer omgeeft en je, ongeacht je eigen wezen en leven, uiteindelijk wel zal redden.

Dit “uiteindelijk” impliceert veel van wat men nooit zegt en ook niet wenst te begrijpen. Kijk eens: de liefde Gods maakt het ons mogelijk om in elk van de 27 rijken het evenwicht van licht en duister te vinden en daardoor het wezen van de godheid te doorgronden. Deze godheid is een facet van het goddelijke en zo komen wij, gaande van rijk tot rijk, tot eenheid met de scheppende kracht, die zichzelf nu niet openbaart, zij het door zijn facetten. Wij worden dus inderdaad door al onze ervaringen geleid tot eenheid met God: wij worden in stand gehouden en kunnen door geen enkele lichtende of demonische kracht feitelijk en werkelijk vernietigd worden. Dit is de liefde Gods. Het is de liefde Gods, die ons de middelen geeft, om ongeacht onze eigen positie en toestand, waar dan ook, steeds weer het licht te zien, de krachten van het licht te activeren, kortom ons zozeer te verheffen dat wij weten, en in zekere mate gelukkig, verder kunnen gaan naar ons einddoel. Maar dit houdt nog niet in, dat daarom die goden waarvan ik u spreek en hun rijken, minder reëel zijn. Ze bestaan werkelijk, het houdt ook niet in, dat daarom nu die strijd tussen wat u noemt het lichte en het demonische op aarde plotseling ophoudt. Het houdt niet in dat de spiegelwereld van het duister daarmee teloor gaat. Want deze dingen zijn krachtens de grondwetten van de schepping een noodzakelijk bestanddeel van elk leven en elke bewustwording, je komt zo dan dus tot een begrip: het is de liefde Gods die mij in standhoudt, maar ik moet zelf binnen deze kracht werken met het facet Gods dat ik mij voor dit leven en dit werken heb gekozen.

Nu, ga ik er nog het volgende bijvoegen. Wij stellen ons, zoals bekend is, ook in de bij u nog bekende Kabbala, mag ik het zuiver zeggen, het leven voor als 2 zuilen, waarin wij zelf een middelste zuil zouden vormen. Maar dit is eigenlijk niet de juiste opvatting. Wij leven n.l. zelve in het grensgebied tussen spiegelwereld en lichtwereld. De werking van die beide, die wij steeds weer moeten erkennen, maakt het ons mogelijk langzaam maar zeker het concept stoffelijke uiting te overwinnen en wanneer wij deze overwonnen hebben (en daar krijgt u een oud idee, dus wat je tegenwoordig zoveel niet meer hoort) te maken met de z.g. boog of brug, die de zuilen verenigt. In de oudheid word dit voorgesteld door een wintal, een opgelegde dwarsbalk van steen, meestal tamelijk ruw gehouwen, waarop in het midden dan weer een pilaar staat. En dit is nu weer een typisch deel van de magische godsdienst.

Wanneer wij uit de werelden der tegendelen tot overbrugging en dus beheersing zijn gekomen, dan hebben we onze wereld leren kennen en misschien veel omtrent onszelf, maar wat wij niet hebben kunnen kennen daarin, is de scheppende werking Gods of wel zoals wij zeggen: de rustende kosmische godheid. Wanneer door het overzicht over het totaal van de 27 rijken, in hun dubbele uiting, de mens is gekomen tot de overbrugging, en dat zijn dan z.g. de 6 fasen of ook wel de zes stralen, komen wij tot de kern van het zijn. Deze wordt wel genoemd zevende straat, ook wel de monoliet of de bakenpilaar (de beste vertaling is eigenlijk), het baken, maar er zit ook iets van obelisk, van zuil, in dat woord. Deze wordt voorgesteld als staande midden op die lintel, op die balk, ja, boog, overbrugging, dat is misschien het beste woord. Ik moet het eventjes omzetten in uw eigen taal, en ofschoon die over een redelijke woordenschat beschikt, is de keus toch wel eens moeilijk.

Wanneer u zich dus goed indenkt: we hebben daar die ene zuil, deze zuil is voor ons de enig mogelijke weg. Deze zou bevatten, naar men zegt, negen afzonderlijke sferen, omvattend het totaal van alle kleuren, magische kleuren, van alle geuren, en klanken, dus elke etherische uitdrukking beheersend. Achtereenvolgens doorlopen wij deze en erkennen nu niet slechts de eenheid met de 27 rijken, maar erkennen in elke fase één van de bindende krachten, die deze rijken samenhoudt en zien daaruit niet slechts de schepping als totaal, maar erkennen daarin de scheppingswil. Men zegt dat wie de top van de zuil bereikt heeft, de magische voltooiing kent, waar hij in staat is het totaal van schepping, scheppingsplan, goddelijk wezen, goddelijke kracht en al wat erbij komt, uit zichzelf voort te brengen en gelijktijdig beseft dat dit reeds gedaan is door de godheid waaruit hij stamt.

Dus dit is een wel wat verwarrend magisch concept, maar het is noodzakelijk dat u ook dit begrijpt. De magiër kiest telkenmale zijn eigen magisch terrein. Hij kan meester zijn op meerdere terreinen en kiest daarvoor meestal één hoofdterrein met twee neventerreinen, dus drie; of wel één hoofdterrein en tweemaal drie verwante neventerreinen. Hij dient dus a.h.w. 3 goden, drie-eenheid of zeven goden. In al deze gevallen streeft hij dus een bewustwording na en tracht hij (ik moet het zuiver zeggen want anders maken we vergissingen) door de onmiddellijke uiting van alle geestelijke zowel als stoffelijke werkingen en krachten in een gelijktijdig bestel in zijn wereld (het kan uw stofwereld zijn, het kan een andere planeet zijn, ergens anders dus en het kan ook een geestelijke wereld zijn zelfs, tenminste wat u geestelijke wereld noemt) zo ver door te dringen dat in hem een brandpunt ontstaat van alle krachten.

Wanneer het leven een rad is, wil de magiër de naaf zijn. Maar eerst, wanneer hij het rad geheel kent en beheerst, kan hij de as zelve zijn. Ik hoop dat ik daarmee het een en ander duidelijk heb kunnen maken en nu wil ik u nog één ding vertellen. 27 Zijn de rijken en de goden hebben veel namen, maar de naam die men zo geeft is niet belangrijk omdat zij de vertegenwoordiger zijn van eigenschappen. Eigenschappen die in de kosmos bestaan en eigenschappen Gods, eigenschappen die weerkaatst zijn in ons eigen wezen. In elk wezen, dus ook in u, mens, bestaat de schaduw of spiegelwereld evengoed als de lichtwereld. de nadruk, die je zelve legt, zal uitmaken of uw leven hoofdzakelijk door demonen wordt geleid dan wel door lichtende krachten. Maar alleen door het juiste evenwicht te vinden, beseffende dat de godheid zelve in twee aspecten zich steeds uit, of aantrekt, kunt gij waarlijk deel uitmaken van een levend rijk. Slechts zij leven werkelijk, die bewust leven. Bewust leven slechts zij, die hun eigen plaats leren beseffen in de schepping, leren beseffen welke kracht hen op dit ogenblik leidt en bindt in de eerste plaats, en daarnaast aanvoelen de levenstaak, die verder gaat dan al hetgeen ik u kan zeggen, maar zij voort tot de innerlijke voltooiing. En deze godsdienst, vrienden die u in sommige aspecten modern heeft aangedaan, is bijna 80.000 jaar oud, ,omdat ze bijna 80.000 jaar geleden, toen de mensen er nog heel anders uitzagen, ontstond, en in een lange perioden groeide naar haar voltooiing.

Zoals uw christendom eens de wereld beheerste, zo heeft de zuivere leer der magie ook eens de wereld beheerst. Zoals uw christendom vervormd is, zo is de magie vervormd en vervallen. Zoals uw christendom voortbestaat in vele ander culten, zo is de magie deel geworden van vele dingen op aarde, ja zelfs in beperkte zin van uw christendom. Zij is de grondslag geweest waaruit de mensheid zijn bewust contact met de Eeuwige heeft kunnen opbouwen en waar gij ook gaat en wat ook je nieuwste openbaring is en de nieuwste werkelijkheid die vanuit uw godheid wordt duidelijk gemaakt op uw wereld, altijd moet u donken aan de grondstelling van de magie die altijd van kracht blijft.

Elke god heeft zijn spiegelbeeld, elk licht heeft zijn schaduwsfeer, en het is de mens zelf die kiest. Door licht of schaduw te verwerpen wordt hij het slachtoffer van de krachten die hij kiest. Door beide te beseffen a.h.w. tegen elkaar uit te spelen om het voor hem goed en dat is meestal het lichtende aspect van de god die hij erkent op alle werelden tot uiting te brengen, zo leert hij de kracht van de godheid in zich opnemen, bereikt niet een eenheid met hem, maar een volledige kennis, waardoor hij verder kan gaan. Dat zal altijd gelden en zeker wanneer u aan esoterie wilt doen, wanneer u zoeken wilt naar innerlijke waarheid, is het voor u belangrijk te beseffen.

Kies a.h.w. uw god, kies welk deel van het leven het uwe zal zijn, welke krachten van licht in duister je zult dienen, maar dien die dan volledig bewust en met heel uw wezen. Dan zult ge vanzelf beseffen, dat de leer van de liefde Gods niet alleen maar een godsdienst is of alleen maar een mantel, die u bedekt en uw schuld wegneemt, maar de logisch levende kracht, die u tot een voleinding voort.

Het was mij toch een genoegen deze leer voor u uiteen te mogen zetten en ik wens u allemaal een steeds grotere zegepraal in het innerlijk, een steeds grotere eenheid van licht en duister waardoor u meester moge zijn over uw eigen leven en de vele krachten die daarvoor het belangrijkste zijn.

o-o-o-o-o

Aan de ene kant zou ik zeggen is hetgeen onze waarde gast en meester heeft gebracht wel eenvoudig geweest, maar ik kan me voorstellen dat het verwarrend is, trouwens, dat heeft hij zelf ook wel aangevoeld, geloof ik. Het lijkt me verstandig dat we dit vanuit het standpunt van de moderne wereld, de christelijke wereld, ook eens een keer uiteen gaan rafelen, kort, ik wil er niet veel tijd aan besteden, alleen om de zaak duidelijker te maken.

Per slot van rekening, het maakt weinig verschil uit of wij spreken over god, over engelen, over heren van kracht, licht; wijsheid enz. of wat anders. Of je spreekt van goden of er een andere naam voor gebruikt, het idee blijft hetzelfde. Het feit, dat het huis des Vaders vele woningen heeft, wordt ook in het christendom erkent. Dat het aantal van die woningen, zover het deze wereld betreft, gelimiteerd wordt tot 27 is het gevolg van een bepaalde magische wet en waarschijnlijk ook van de staffeling van drieheden, het is n.l. zo; dat je in de magie altijd rekent met drie krachten die elkaar in evenwicht houden en zoals u weet 27 is 3 tot de derde macht, dus dat heeft waarschijnlijk bij dat getal meer te zeggen dan het feitelijke aantal. Hoe het ook zij, men is dus tot deze indeling gekomen. Laat u daardoor niet verblinden, het is niet belangrijk.

Jezus spreekt ons in zijn leven steeds weer over Gods licht, de Vader die ons liefheeft, maar hij spreekt ons ook over de buitenste duisternissen. In de gedachtegang van onze meester (overigens een tamelijk oude meester al zou u dat niet zo zeggen), zijn licht en duister dus één, onscheidbaar. Daaruit vloeit weer zijn gedachtegang voort: “Wanneer ik een buitenste duisternis aanneem, moet ik een eeuwig licht aannemen. Wanneer ik aanneem dat er een verdeling is in een bepaald aantal afdelingen, dan zal in elk van die afdelingen dat licht en dat duister bestaan.” Nu zegt Jezus tot zijn volgelingen. “Laat alles achter en volgt Mij.” Hij zegt; “Ik ben u de weg en de waarheid en niemand zal tot de Vader komen dan door Mij.” Hij zegt dus a.h.w. aan zijn leerlingen; “Kijk, wanneer je met mij meegaat en je laat al het andere rusten, dan vind je in Mij de mogelijkheid om het licht en het duister, dat voor elke mens bestaat, geestelijk en stoffelijk dus, tot evenwicht te brengen. Je kunt God erkennen.” En dan bedoelt hij niet later in de hemel, nee, dan bedoelt hij het Koninkrijk Gods, dus de eenheid met de Vader. Maar die eenheid zoals Jezus die brengt, is niet het einde. We moeten heel goed beseffen dat er voor Jezus andere openbaringen zijn geweest. Openbaringen die men tegenwoordig misschien verkeerd bekijkt, maar die elk voor zich even belangrijk waren.

Openbaringen die bv. voerden tot de religieuze en maatschappelijke ordeningen van vroeg Babylon, om iets te noemen. Dit waren allemaal; weg en waarheid, elke tijd heeft zijn eigen heerser, dat weet u ook, Het houdt in dat iemand die in die tijd leeft en zelf dus geestelijk ingesteld is op die heersers een maximum aan kracht wint. In de tijd dat Jezus kwam; de voltooiing van de Vissen dus (vandaar ook de vis als symbool) was het voor degenen die met hem gingen erg gemakkelijk en erg belangrijk, want hij was de uitdrukking van de kracht van hun tijd, hun teken. Dat wil niet zeggen dat die andere rijken niet bestaan, alleen dat dat domineert op aarde. Als je nagaat wat Jezus voor volgelingen heeft, vier ervan tenminste zijn vissers, anderen blijken te zijn belastinggaarder bv. Zij blijken als beroep uit te oefenen verzamelen van gegevens zelfs Iskariot, die van goede familie is dus; is een gierigaard, hij is een verzamelaar van geld. Zo hebben allemaal hetzelfde idee; het vangen, het grijpen, dat het Vissentijdperk nu eenmaal ligt.

Die hele symboliek klinkt in het christendom door, wanneer u nu met onze waarde vriend en voorganger, onze meester uit de oude tijd dus van de magie, mee redeneert, dan gaat u zeggen: “Kijk, dit is een rijk, meer niet.” Er zijn vele andere. Het is niet aan mij om uit te maken of ik tot dit rijk behoor, maar wanneer ik die weg ga, zal ik ontdekken dat dat niet helemaal doorgaat, het gaat niet op, maar dat andere ideeën, andere werkingen in mij sterker zijn. Die zullen tot uiting moeten komen voor elke mens in zijn beroep, in zijn denken, in zijn neigingen. Daar ontkom je niet aan, goed. Dan kies je dus vanuit het standpunt van die oude leer deze godheid, dit aspect van God. Dan heb je daarin twee dingen, licht en duister. Dat licht en dat duister is alleen maar een scheppen van een tegenstelling, binnen dit gebied is die uiting mogelijk. We hebben het recht om het geheel te gebruiken, maar ons persoonlijk wezen zoekt licht, dus we mogen het geheel gebruiken mits het eindresultaat licht is. Dat is nu eigenlijk precies hetzelfde of ik zou zeggen tegen u: “Je mag alles in de wereld gebruiken, maar alleen om het goede voort te brengen, volgens je eigen inzicht.” Dat is precies hetzelfde.

Deze gedachtegang is dus niet zo vreemd aan uw tijd als u misschien zou denken en niet zo ingewikkeld of zo verward. Ze maakt het u eenvoudig duidelijk dat u onder een bepaald deel van de schepping valt, dat u dat bepaalde van de schepping uw eerste taak hebt, dat u in dat deel van de schepping dus een beheersing kunt vinden en een inwijding. Ik zou zeggen dat is niets bijzonders. Dat is voor iedereen volkomen begrijpelijk en aanvaardbaar. En dan kan ik er voor mezelf nog dit bijvoegen: Op het ogenblik is er een nieuwe tijd, dat is Aquarius. Die Aquariustijd richt zich op het algemeen, heeft dus minder (hoe moeten we dat zeggen) zuiver persoonlijke voorkeuren, kan soms zelfs egoïstisch zijn, maar is niet egoïstisch in de zin van beperkt voor zich. Het gaat dan meer om een idee of om een groepsbelang. Die tendens heerst op het ogenblik en die gaat steeds sterker heersen, de mens die dit in zich hoeft dus, diezelfde aspecten en daarom behoort bij een bepaalde godheid, heeft dus de grootste kansen dat hij zichzelf op aarde; in de materie, kan verwezenlijken. De anderen zullen dat in de stof minder kunnen doen, maar ook zij kunnen (en dat is nu weer de magiër dus) leren eerst hun eigen godheid te beheersen en hun eigen deel van het geschapene te bevatten en te begrijpen om van daaruit andere krachten te kennen. Vandaar dat onze vriend, de meester, dan ook spreekt over het werken met drie goden en zeven goden. Dat is eenvoudig het bijtrekken van bepaalde kosmische krachten bij de kern die je wezen op dit moment beheerst. Nu dan heb ik geloof ik, duidelijk gemaakt dat de inhoud een beetje praktischer is dan misschien zo op het eerste gezicht leek.

Dan wil ik er nog dit verder bij vertellen, dat is misschien ook wel interessant, je hebt allemaal natuurlijk je eigen vermogens, je eigen kansen. Het gebruik dat je daarvan maakt, bepaal wat je in en volgend leven zult zijn, dus oorzaak en gevolg, of dat nu een leven in de geest is of later weer terug in de stof. Dat gaat allemaal door, hoe meer je geleerd hebt van die goddelijke facetten in jezelf te verwerkelijken, hoe meer goden je zo goed gediend hebt dat je er mee één geworden bent bij wijze van spreken, hoe hoger je op de ladder komt. Je zult dus bij een volgende incarnatie altijd weer een heerser vinden, die aansluit bij hetgeen je hebt leren beheersen en die je zo dus zelf beter kunt leren kennen. Hoe zuiverder de opgang is, hoe meer de mens a.h.w. van fase tot fase de facetten van het goddelijke leert kennen; hoe beter hij zichzelf leert kennen, hoe gemakkelijker zijn levensweg is, hoe logischer hij leeft en hoe meer hij over alle noodzakelijke capaciteiten (onze vriend zou hier waarschijnlijk van attributen hebben gesproken, nietwaar) kan beschikken in elk leven.

Dus wanneer u nu op het ogenblik zegt: Hé, ik hoor klaarblijkelijk toch niet helemaal bij de heerser van deze tijd, dan kunt u niet zeggen, dat is een verkeerde keus, dan moet u zeggen: Ik heb dus klaarblijkelijk achter mij liggen een reeks van ervaringen met andere aspecten van het goddelijke die ik eerst moet voltooien. Maak daarom in de eerste plaats af, datgene wat nu in je wezen leeft, daar komt het op neer. Dan ga je verder en dan kun je; na in het leven jezelf te hebben leren kennen, uiteindelijk door de overbrugging van de schepping het besef van het totaal van het geschapene, komen tot de erkenning van de scheppende wil Gods. Nu, ik hoop dat die verduidelijking dan inderdaad verhelderend heeft gewerkt.