De grens van menselijk denken en mogelijkheden

image_pdf

11 april 1967

De indeling van de bijeenkomst is als gebruikelijk het eerste deel lering, het tweede deel een gastspreker.

Ik zou na alles, wat wij op enigszins psychologisch terrein besproken hebben, vandaag met u willen filosoferen. Want wij komen ergens aan de grens van het menselijk denken, aan de grens van de menselijke mogelijkheid tot omschrijving en techniek.

Wanneer ik de mens bezie en de menselijke wereld, dan stel ik allereerst: De mens, levend krachtens zijn zintuigen, ziet een zo beperkt deel van de werkelijkheid, zelfs van die materieel rond hem bestaat, dat al hetgeen hij als zekerheid stelt, het enige is dat met zekerheid niet waar zal zijn.

Dat is een beetje een filosofie ad absurdum. Maar laat ons proberen met ons denken iets verder op deze mogelijkheid in te gaan. Ik wil esoterisch bewust worden. Maar mijn esoterie is opgebouwd op mijn menselijk denken. Ik moet voor mijzelf het innerlijk proces rationaliseren. Op het ogenblik dat ik de ratio kwijt ben, is er voor mij nog alleen de emotie, eventueel zich kristalliserend in het geloof. Er is dan voor mij geen gevoel meer van een zelfwerkzaamheid. En juist in de esoterie is het gevoel van zelf innerlijk werkzaam zijn van buitengewoon groot belang. Ik zal dus moeten werken met middelen, die de werkelijkheid niet omschrijven.

Doe ik dit, dan kom ik al heel snel tot wat wij de droomwereld of fantasiewereld kunnen noemen. Ik ga mij dingen voorstellen, die absoluut onlogisch en onredelijk zijn. Ik pretendeer, dat ik die dingen begrijp. Zodra ik terugkeer uit mijn meditatie tot de werkelijkheid, zijn zij voor mij onzinnige geworden.

Ik kan natuurlijk proberen het leven te omschrijven bv. in de taal der mathematica. Ze geeft mij veel abstracte mogelijkheden. Maar ook hier komt er een ogenblik, dat ik niet verder kan. Ik kan misschien nog een uitslag maken van een 4-dimensionale wereld. Maar als er 5 of 6 zijn, dan is er geen uitdrukkingsmogelijkheid denkbaar. Eenvoudigweg omdat de mens niet over de middelen beschikt om alle daarvoor noodzakelijke berekeningen zo te maken, dat hij het eindresultaat begrijpt.

Ik stel dus, dat de mens met zijn zoeken naar de taal, met zijn zoeken naar de verklaring, altijd vast zal lopen op het onbekende. En ik stel verder, dat het onbekende niet alleen maar is datgene, wat buiten de wereld ligt, maar dat het onbekende datgene is, dat ligt in de hiaten van de door ons waargenomen werkelijkheid. En dan is het misschien gemakkelijk om nog een stap verder te gaan: Alles wat ik droom, alles wat ik denk, alles wat ik mij voorstel, is uiteindelijk waar. Er bestaat geen feitelijke onwaarheid.

Er bestaat slechts een beperkte definitie, die zo algemeen geldend wordt geacht, dat zij door haar algemeen geldend zijn een onwaarheid wordt. En dan zitten wij midden in de wereld van de verwarring. De mens heeft contact met de geest. Is die geest een werkelijkheid? Neen. Zij is geen menselijke werkelijkheid. Zij is in feite een fantasieproduct, dat door de mens aanvaard kan worden, wanneer hij de rede wil uitschakelen.

Anders gezegd: Spiritisme, elk geloof, elk godsgeloof zelfs, is in feite emotie, geen rede. Geef ik dit toe, dan moet ik ook aannemen, dat al hetgeen de geest zegt – zelfs wanneer het tegenstrijdig is – waar kan zijn. Want de tegenstrijdigheden, die ik voor mijzelf daarin zoek en vind (in mijn beperkte rede), behoeven geen tegenstrijdigheden te zijn in een groter geheel.

Datgene wat ik toeschrijf aan God en aan duivel kan ergens volledig waar bestaan. Maar de tegenstelling, die ik daar projecteer, is niet erg waarschijnlijk. Want zij is voor mij redelijk. Zij stelt een evenwicht. Een evenwicht, dat voor mij noodzakelijk is als mens, als geest. Maar wanneer ik verder ga dan dit, dan word ik toch geconfronteerd met de eenheid van het leven.

We kunnen zeggen, dat het leven een voortdurende vloed is, een voortdurende stroming. En wij kunnen ons daarbij zowel op de oude Grieken, op de filosofen, als op denkers als Marx en zelfs Jung beroepen. Ook zij constateren ergens de voortdurende beweging. Maar waar een voortdurende beweging is, is geen tegenstelling. Daar is misschien een voorwaarts en een terug denkbaar, maar geen licht of duister. En indien de beweging in zichzelf besloten is, zelfs in feite geen toekomst en verleden. Want wat ons verleden is, is toekomst en wat ons toekomst schijnt, is reeds verleden.

U denkt misschien, dat ik een spel met u speel. Niets is minder waar. Maar wanneer wij zien naar de mensheid, zoals zij bv. ik noem nu maar iets het paradijs ziet, dan valt ons op, dat dat paradijs door heel veel mensen ongeveer gelijk wordt gezien. En dat de paradijsvoorstellingen van ver uit elkaar gelegen volkeren, ook in tijden dat ze – voor zover wij kunnen nagaan – geen contact met elkaar hadden, toch grote gelijkenis vertonen.

Dan kunnen wij gaan stellen, dat dit een innerlijke zaak is, een kwestie van de mens zelf, het algemeen bewustzijn van de mens. Maar waarom zouden we? We zouden ook kunnen stellen het is een werkelijkheid. Het is een van de dingen, dat ligt in de hiaten tussen het menselijk redelijk bewustzijn. O, ik weet wel, er zijn stellingen opgebouwd, dat de priesters tot dergelijke ongeveer gelijkwaardige verklaringen kwamen, zelfs nog t.a.v. de slang en al wat erbij hoort, om de doodeenvoudige reden, dat zij allemaal ongeveer dezelfde middelen gebruikten om zichzelf in een trance, in een toestand van ontruktheid te brengen. Maar of dat nu waar is of niet, behoeft daarom het paradijs minder waar te zijn?

En wanneer wij naar de andere kant kijken en wij zien naar een projectie van de hel (denk eens aan de hel van Dante bv.), dan kunnen wij wel zeggen, dat die dingen natuurlijk niet zo bestaan. Maar is het niet mogelijk, dat ergens die wereld wel bestaat? Is het niet mogelijk, dat al die werelden bestaan? En dat de mens om Dante’s taal te gebruiken, afdaalt tot in de onderwereld, gelijktijdig geketend is in koude, duister, of laaiend vuur, geketend staat in de opgang van de louteringsberg en juichend zijn Beatrijs ontmoet op de sterbloem bezaaide weide, die voor de oneindigheid van het Eeuwige ligt? Moeten wij alles wel zozeer zien in fasen zoals de mens doet?

Wanneer ik deze vraag stel, dan doe ik dit niet alleen maar, omdat het leuk is om er eens over te praten, dat begrijpt u wel. Maar iemand, die ernstig streeft naar waarheid, die ernstig de innerlijke betekenis van de dingen zoekt te vinden, die zal m.i. ook de moed moeten kunnen opbrengen om de onvolkomenheid van zijn eigen denksysteem, zijn uitdrukkingsmethoden, te bezien. En wanneer ik dan ontdek, dat die mens emotioneel steeds weer uiteenvalt in twee delen (a.h.w. het goede ik en daaronder de duistere, demonische schaduw), dan zeg ik die twee zijn één. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. Het verwerpelijke en het goede zijn één. God en de duivel zijn één. Mijn angstdromen, die irreëel zijn en mijn praktisch leven, dat werkelijkheid is, zijn een éénheid. Zoals mijn materieel bestaan en mijn geestelijk streven een eenheid zijn. Ik kan mij nooit verlaten op een van deze factoren.

De mens speelt graag met de weegschaal. Hij stelt zich het leven voor als iets, dat tenslotte door een eeuwige Schatter gewogen wordt de ziel tegen de veer van Maät, de veer der genade. Maar is dat wel reëel? Kun je het leven wegen? Men stelt zich het leven voor als iets, waarbij je tot God komt. En Die zit dan daar als een soort overjarige goddelijke veehoeder de schapen de ene en de bokken de andere kant uit te drijven. Maar kan dat wel werkelijk zijn? Kan die scheiding, die in de mens kennelijk bestaat, realiteit zijn? Wanneer wij dat nl. aannemen, dan moeten wij aannemen, dat je geestelijk de ene kant kunt uitgaan en materieel de andere. Dan moeten wij aannemen, dat er een splitsing bestaat tussen de feitelijke werkelijkheid, waarin je leeft en de droomwereld, waarin je misschien dank zij je streven en zoeken en denken vertoeft. Ik ontken dit.

Ik zeg: Deze dingen zijn een eenheid. Een eenheid, die kan worden ingepast in dezelfde werkelijkheid. Een eenheid, die onverbrekelijk is. Dat je die eenheid niet kunt beseffen, is begrijpelijk. Maar al, wat in die eenheid denkbaar en uitdrukbaar is, moet werkelijkheid zijn. Niet alleen maar ergens (ergens in een andere dimensie), maar in je eigen wezen, in je eigen bestaan en in alles, wat rond je is.

Hoevelen van u hebben niet de eigenaardigheid ervaren, dat zij door dingen intens te wensen het naar zich toe hebben getrokken, of misschien ook het zichzelf juist onmogelijk hebben gemaakt. Hoevelen hebben niet ontdekt, dat concentratie i.p.v. een vereenvoudiging van de arbeid een verzwaring betekent. En hoevelen hebben niet gevonden, dat een meditatie of een concentratie inspiratief werkt en moeilijkheden kan oplossen, die helemaal niet meer met het probleem, dat je je stelde, verbonden schijnen te zijn. Waar komen die tegenstrijdigheden vandaan? En dat zijn praktische dingen in uzelf.

Hoe komt het dat u de ene maal opstijgt tot in een lichtende gouden golf en dat u God ervaart en dat u het volgende ogenblik alleen en eenzaam achterblijft, ergens onder een stolp van duisternis en mismoedigheid… met dezelfde procedure? Het is gemakkelijk om te zeggen, dat de procedure fout is. Maar zou het niet eenvoudiger zijn om te zeggen, dat dat licht en die duisternis precies hetzelfde zijn? Dat wij selectief ervaren? Dat wij vanuit de werkelijkheid datgene voor onszelf concretiseren, wat binnen ons begrip valt? En dat wij daarbij onze emoties een rol laten spelen, welke de interpretatie van die werkelijkheid en de daarin niet direct kenbare factoren voor ons bepaalt?

Het zijn dat geef ik graag toe problemen. Maar als u de problematiek op een simpele wijze wilt formuleren, dan zegt u dus: Alles is waar, maar nimmer mijn interpretatie ervan. Dan bent u al een heel stuk verder. Dan zegt u in de tweede plaats: Alles is mogelijk behalve datgene, wat ik een zekerheid acht. En dan zegt u in de derde plaats: Om mijzelf te verwezenlijken moet ik goed en kwaad in mijzelf versmelten, tot ik daarin geen onderscheid meer ken en vanuit mijzelf de wereld ervaar als een eenheid.

Is aan die drie voorwaarden tegemoet gekomen, dan blijft de hiaat in het waarnemen, in het erkennen, in het denken natuurlijk bestaan. Maar door de tegenstelling op te heffen kunnen wij al datgene, wat niet direct het bewustzijn benadert, toch in ons opnemen. Kunnen wij zonder direct te spreken over inspiratie en geestelijke leiding of een andere verklaring uit de totaliteit rond ons het geheel van ons leven beseffen en zelfs in ons beperkt vermogen tot uitdrukking en erkenning de totaliteit steeds weergeven.

Mijn eerste punt is: Alle tegenstellingen die wij zien, materiële en morele, godsdienstige en esoterische, zijn kunstmatig. En nu moeten wij naar een tweede punt toe. Want al die stellingen zijn aardig, maar je kunt ze als mens niet verwerken en niet aanvaarden. Nu ga ik zeggen; Het is denkbaar, dat de mens een geheel is, waarin dit moment tijd a.h.w. maar een ogenblik optreedt. Denkt u maar eens aan het beeld, dat u lang geleden werd gegeven; De mens is een rail, die in een gebogen baan het geheel van het Zijn omschrijft. Elke doorsnede daarvan op zichzelf is – mits als zodanig erkend – een moment in tijd. Elk klein stuk ervan is een afzonderlijk leven.

Wanneer ik de totaliteit ben en gelijktijdig een deel besef, dan wordt de zin van mijn bestaan nooit bepaald door wat ik nu ben en wat ik nu doe. Zij wordt bepaald door datgene, wat ik wezenlijk ben. Het heeft dus geen zin om in de wereld buiten mij te trachten alle dingen tot stand te brengen En het heeft ook geen zin om in mijzelf op te klimmen tot de hoogste graden, wanneer ik gelijktijdig verwerp, dat dit slechts een deel is van het geheel. Krijg ik echter gevoel voor de tijdloosheid van mijn eigen wezen (en dat kan nooit meer dan een gevoel zijn), dan zal ik zelf zonder te spreken over voorgaande of volgende levens en over verschillende bestaanstoestanden in sferen een richting in mijzelf ervaren.

Een mens, die zich begrensd en tijdloos acht, heeft een van de grootste problemen, die denkbaar zijn. Hij moet nl. een verklaring vinden voor zijn leven en hij moet daaraan een inhoud geven. Wanneer hij teruggrijpt op zijn innerlijke persoonlijkheid (en dat zijn dan die vage gevoelens, waar de rede vaak geen raad mee weet), dan beseft hij ergens iets tijdsloos.

Wanneer de mens dit wil gaan uitdrukken in het heden om het a.h.w. nadrukkelijk waar te maken, dan doet hij het eenzijdig. Het resultaat is een vergroting van innerlijke onvrede. Hij laat zich haasten en jagen misschien, omdat hij bang is dat hij niet klaar zal komen met zijn taak, zonder te beseffen dat die taak alleen maar de weergave is van de werkelijkheid, waarin hij leeft. Een groot gedeelte van de weerstanden, die wij vooral psychisch maar zeker ook fysiek ervaren, komen eenvoudig voort uit het gebrek aan begrip voor deze continuïteit van ons bestaan. De hartstocht, de gedrevenheid, waarmee wij iets trachten te voltooien, is maar al te vaak de uitdrukking, van een denkbeeld, dat wij geen tijd genoeg zullen hebben. Wanneer je probeert te werken in de buitenwereld, kan dat waar zijn. Maar kun je in die buitenwereld iets feitelijks doen? Een grote vraag.

Het is wel zeker, dat je in jezelf iets kunt doen. Een mens, die zichzelf waar kan maken, ontkomt daarbij niet aan de innerlijke spanningen, de problemen, waarover wij gesproken hebben, de invloeden van desnoods zelfs prenatale perioden. Maar hij vindt een balans, omdat deze invloeden in het geheel van zijn bestaan hun belangrijkheid verliezen. De angst van vandaag wordt met meer of minder wanneer ik haar onbelangrijkheid besef. Ze blijft bestaan. Maar het gevaar, het risico, dat wij daarin als bepalend zien voor de angstreactie, valt weg. Het zal u bekend zijn, dat veel mensen er plezier in hebben om zich bv. op een kermis of iets dergelijks via spookbanen en schijnbaar levensgevaarlijke attracties in een toestand van opwinding en angst te laten brengen, omdat ze weten dat het niet echt is. En hun angst, die wel degelijk bestaat, gaat dan onmiddellijk over in een soort van vreugde, in een soort roes zelfs, omdat zij in dit geheel dan een soort zelfuitdrukking, een soort zelfbevestiging vinden.

De mens met zijn angsten kan ditzelfde ervaren, zodra hij dus de niet-tijdgebonden waarde van het ik gaat beseffen. Dan is alle beleven, alle risico, alle angst, alleen maar iets, waardoor je jezelf nog eens nadrukkelijk bewijst wat je bent. Dan is het ook niet meer noodzakelijk om jezelf in persoonlijkheden uiteen te doen vallen. Dan is het niet noodzakelijk om delen van je denken angstvallig voor jezelf weg te sluiten.

Esoterie is jezelf kennen. Maar dat betekent jezelf kennen in waarheid en niet alleen maar volgens de illusie van deze tijd. Elke zelfontleding is een illusie van deze tijd. De gevoelsmatige zelferkenning is in feite de juiste, de ware. Alleen, we weten er geen weg mee. En zo kom ik dan tot het esoterisch en magisch denken, waarbij ik door te begrijpen, dat de tijdelijkheid van alle omstandigheden mijn werkelijk wezen niet kan aantasten de werkelijke angst en de werkelijke verlatenheid, het gevoel van strijdigheid met het leven, kwijt raak. En dat ik daarvoor in de plaats de tijdelijke impuls krijg, die mij weliswaar verrijkt, die mijn levensuitdrukking, mijn levensmoed vergroten kan, maar waarin ik niet meer vind de ondraaglijke last en daarmede het ontkennen van het bestaan.

En dat is in de magie precies eender. In de magie is het natuurlijk ook wel weer het woord “onmogelijk”, waaraan we ons steeds weer zullen stoten. Maar is het niet evenzeer de angst voor het waar worden van het magische? Zelfs degenen, die geesten oproepen om ze uit te zenden en taken te verrichten, zijn ergens bang. Bang dat hun eigen wezen, hun eigen vrijheid aangetast zal worden op dezelfde wijze. Wanneer ze maar eens konden beseffen, dat die aantasting en voor anderen en voor henzelf nimmer feitelijk kan zijn, dan zouden ze ook daarin een grotere zekerheid krijgen in hun verkeer met andere krachten. Ze zouden eenvoudiger de wetten van de magie kunnen aanvaarden en gelijktijdig de beperktheid en de feitelijke onwezenlijkheid van veel daarvan inzien.

Ik zeg u, de filosofie is een poging om te denken. Denken is altijd beperkt, zodra het wordt uitgedrukt. Dus ook mijn betoog. Ook ik ontmoet hiaten, die ik niet kan overbruggen. Waar misschien een sentiment bij u rijst, waarmee u zelf nog geen raad weet en waarbij voor mij het onvermogen bestaat om precies duidelijk te maken, waarom ik een bepaalde gedachtesprong maak. Maar juist wat tussen de begrippen ligt, is de waarheid. Juist wat achter de werkelijkheid schuilt die wij kennen, is een onveranderlijke realiteit. En het is de achtergrond van alle dingen, waarmee wij te maken hebben. De communicatie tussen mens en God is niet rationeel uit te drukken. Maar ze is ook niet rationeel te beleven of weer te geven. Ze is zelfs niet meer als een zuiver gevoel weer te geven. Ze is een energie, een kracht die in je werkt. Die ook in je werkt, zonder dat je begrijpt waarom of hoe.

De natuurlijke reactie van de wijze op het leven is een voortdurende verwondering. Omdat hij beseft hoe beperkt zijn begrip wordt. Omdat hij in alle schijnbaar flagrant kenbare details toch weer dat onbekende ontmoet, dat niet kenbaar is en dat toch de geaardheid der dingen bepaalt. Leven,  is niet alleen maar het bestaan of handelen. Het is zelfs niet; hoe belangrijk het ook moge mijn jezelf waarmaken. Het is vooral achter de totaliteit van je redelijk bestaan het onkenbare aanvaarden. De mens die het onkenbare (dat, wat ligt in de hiaat van eigen besefsmogelijkheid) verwerpt, verwerpt in feite de realiteit. En van hieruit kom ik tot het derde en laatste deel van mijn betoog.

Wanneer ik uitga van de rede, dan is het niet eens meer aanvaardbaar te maken, dat de mens een wezen is. Want ik kan aantonen, dat elke cel in het lichaam toch nog weer zijn eigen impulsen heeft. Ik kan dan spreken van de mens als het gemeenschappelijk bewustzijn van een kolonie van different geaarde, maar onderling sterk georganiseerde kleinere entiteiten. Wanneer ik van beneden af naar boven wil gaan, kom ik er nooit.

Maar wanneer ik van bovenaf naar beneden ga, ontmoet ik een andere moeilijkheid. Dan moet ik zeggen: Deze kosmos is een geheel. Al de verschillen, die ik erin zie, zijn alleen maar mijn waarneming van een totaliteit. Een ster met zijn planeten is niet een reeks van wezens, maar het is één wezen. En de verschillen, die ik waarneem, zijn slechts mijn waarneming van facetten. En de wereld rond mij is niet opgebouwd uit allerhande verschillende dingen, ze is één geheel, één organisme. Mijn benadering ervan door mijzelf kan dit feit niet ongedaan maken. Zoals de mensheid in haar geheel een organisme is.

Dat brengt natuurlijk de belangrijkheid van de mens wel een klein beetje terug tot bijna nihil. Hij is ergens een van de vele uitingsfasen van een grote eenheid. Maar nemen wij die eenheid aan, dan wordt duidelijk waarom alles ongeacht ons reageren volgens vaste banen en normen kan verlopen. Hoe onze persoonlijke vrijheid geen werkelijk verschil kan maken in de totaliteit.

Denk aan een mens, die in een stad is. Of hij nu de ene weg loopt of de andere, dat maakt niets uit in het beeld van de stad. Of hij woont in het ene huis of in het andere maakt geen werkelijk verschil. De stad is een organisme. Die stad verandert, die stad leeft wel degelijk, maar alleen krachtens de totaliteit. D.w.z. de mensen, de verschillende apparaturen, noodzaken en mogelijkheden, die tezamen van die stad een organisme maken. Wanneer je vanuit die eenheid durft denken, dan kun je zeggen; Wat ik doe en laat is voor het geheel nimmer belangrijk. En misschien dat dit ook ergens rust kan geven. Want menigeen is er op uit om de wereld te verbeteren en hij kan het niet. Maar ik kan wel voor mijzelf ín het organisme en krachtens de regels en de wetten van het organisme mijn eigen beleven, mijn eigen plaats vaststellen. Of ik mij daarbij bewust ben van de totale stad of van veel onbewust blijf (wie van u weet, wanneer hij door een straat gaat, wat er zich achter de gevels afspeelt?), is ook van geen belang. Wanneer ik mijzelf kan aanvaarden als deel van een totaliteit, dan valt het mij ook gemakkelijker mijn eigen onbegrensdheid te aanvaarden; het feit, dat ik ergens anders ben in mijn betekenis, dan ik zelf veronderstel. En dan kan ik er ook gemakkelijker toe komen om in het laven de juiste weg te kiezen. Niet de weg van de minste weerstand bv., want daarmede zal ik zelf geen vrede hebben. Maar de weg, waardoor ik in mijzelf de gedachte aan een tegenstelling (in mijzelf of in de wereld) kan wegvagen. Een wereld, waarin geen goed of kwaad is. Waarin laten we het vroom zeggen God is… en verder niets. Een wereld, waarin alle dingen voor mij betekenis hebben, zonder dat die betekenis, die er voor mij bestaat, de totaliteit behoeft te veranderen of te beïnvloeden. Dan kan mijn besef op den duur de stad of de wereld, het zonnestelsel, desnoods de kosmos omvatten, zonder dat mijn betekenis daarin ook maar iets gewijzigd wordt. En dan kan mijn harmonie innerlijk of naar buiten toe aan de totaliteit niets veranderen, maar voor mijzelf het totale bestaan veranderen.

Esoterie is het besef van de eenheid met deze totaliteit. Het begrip, dat je ergens deel bent van een functionerend geheel, dat in zichzelf een persoonlijkheid is. In de magie is het de erkenning van de wederkerige effecten, die mogelijk zijn, zonder dat het werkelijk verloop der dingen daardoor ook maar iets verandert.

Het neemt veel aansprakelijkheid van je weg. En aan de andere kant brengt het je sterker tot een persoonlijke benadering van de kosmos, van je God en van jezelf. Het besef van eigen onvolkomenheid daarbij helpt om het onbegrijpelijke te aanvaarden. De aanvaarding van het onbegrijpelijke en het onredelijke behoeft dan niet uit te sluiten, dat wij volgens ons wezen redelijk reageren. Er is geen compromis meer tussen wat wij zien als God en onszelf. Er is geen compromis meer nodig tussen onszelf en de wereld of de kosmos, tussen de eeuwigheid en de geest en ons eigen bestaan misschien. Wij zijn deel van dit alles. En wat wij zijn volgens onze eigen rede, ons eigen besef, is zolang wij de tegenstellingen in onszelf buiten de deur kunnen houden niets anders dan de beleving van de totaliteit binnen de beperking van ons eigen besef en denken.

Ik zou graag willen dat u dit alles eens zoudt willen overdenken. Het is allemaal betrekkelijk eenvoudig gesteld. Er zijn veel meer consequenties aan verbonden, dan u nu misschien kunt overzien. Maar door het te overdenken vindt u misschien de sleutel tot uw eigen leven en uw eigen persoonlijkheid. En wat meer is; u vindt misschien de mogelijkheid om die esoterische bereiking, die maar steeds onmogelijk lijkt, waar te maken. U zult de mogelijkheid erin vinden uw eigen leven te accepteren en desnoods te veranderen, zonder daardoor ooit een gevoel van schuld of verhevenheid te verkrijgen.

En u zult daarnaast leren geloof ik – en dat is wel zeer belangrijk – om het onbekende dat in uzelf bestaat als vermogen, als kracht, als weten en in velerlei andere vormen, normaal te aanvaarden als deel van je eigen zijn. Zodra je je eigen totaliteit kunt aanvaarden, ben je a.h.w. in staat de totaliteit te beleven. En uit het beleven van die totaliteit komt m.i. op den duur ook het bewustzijn het geheel zonder hiaten, zonder vertekening en begoocheling te kennen en daarbij zichzelf te blijven zonder ooit het geheel te verlaten. Dit is mijn bijdrage voor vandaag.

De gastspreker van heden zal u ongetwijfeld met meer gevoelsargumenten confronteren dan met redelijke argumenten. Mag ik daarom reeds nu stellen, dat het emotioneel argument even waardevol en belangrijk is als het redelijk argument, wanneer wij het aanvaarden niet als een uiterlijke, maar als een innerlijke waarde het zien. Want dan alleen kan het een aanvulling zijn van ons besef van onszelf en ons contact met het Al.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Gastspreker

Men heeft mij gevraagd om met u te spreken. En dat is altijd enigszins moeilijk voor mij. Wanneer je denkt aan je eigen wereld, dan kun je heel veel dingen zien, die de moeite waard zijn om te zeggen. Maar dan blijkt, dat je het niet zeggen kunt.

Wanneer ik u spreek van een veelheid van azuren kleuren, waarin witte vanen uitwaaieren, waarin pauwenveren van tere kleuren afsteken tegen een onbegrepen eindigheid, dan zeg ik u niets. Dan geef ik u een beeld. En wanneer ik dat moet vertalen, dan blijft er zo weinig over wat redelijk is.

Want in de mensheid ligt op dit moment een uiterlijk weten, een wetenschap. Innerlijk is de mens echter weinig gegroeid. En het is die tegenstelling, die bij ons voortdurend die indruk geef van azuur in vele tinten; weten en het zoeken naar weten een onbevredigdheid met eigen bestaan, waartegen dan als een fel banier ergens een geloof of een ideaal uit wappert, dat niet zinvol is. En dat eigenlijk het weten verstoort en niet helpt en toch de enige mogelijkheid schijnt om last wezen mens te laten spreken in de oneindigheid, die het in zich draagt. Er zijn de vele en vaak wonderlijke gevoelens van de mens, die zich ranken om zijn persoonlijkheid als de kleine, wat pluizige vanen van een pauwenveer en die langzaam samen streven tot een kleurig patroon, dat de mandala van het ik zou kunnen heten. En ook dat staat tegen diezelfde achtergrond van een azuur, dat ergens een eindigheid in zich draagt, zonder dat je kunt zeggen; hier is een grens of; hier is een beperking.

Wanneer ik naar uw wereld zie, dan zijn er twee dingen, die mij bovenal treffen. Vergeef mij, wanneer ik ook deze in kleuren weergeef, om althans enigszins de referentiewaarden van mijn eigen bestaan tot uitdrukking te brengen. De wereld is als een roestbruine wolk, waarin vaak oranje tongen omhoog vlammen, als explosies onder een te dichte atmosfeer. En daaruit trillen dan zo nu en dan stralen van licht, als zoekbundels die per ongeluk een gat hebben gevonden in een te zware roestbruine bewolking.

Hoe moet ik u dit vertalen? Roestbruin, geoxideerd, verbrand. De verbrande hartstochtelijkheid van de wereld misschien. De onvermogende poging om zelf te zijn, waarin dan een ogenblik de werkelijke hartstocht tot uiting komt en het gehele brouwwerk van leven en denken schijnt te vernietigen. En dan de gedachte, die probeert om verder te zien dan alleen maar de uiterlijkheden en soms voor een enkel ogenblik daar al dat ik-besef en al deze gebondenheid aan eigen beperkingen de oneindigheid bereikt, en daarin maar al te vaak verbleekt tot een schim, die geen antwoord krijgt.

Wanneer je die wereld ziet, dan lijkt het haast of zij zichzelf verstikt. Maar hoe kan een wereld zichzelf waarlijk verstikken, zolang er een levende geest is? Het is een voortdurende vibratie. Wanneer ik kijk naar de waarden uit de geest, dan zie ik hoe voortdurend het licht van geel of goud, hoe voortdurend een helderrood, ja hoe een mystiek violet gezamenlijk trachten in die atmosfeer gaten te slaan. En ik zie dat de wereld antwoordt. Soms lijkt het, alsof er ergens spiegelvijvers liggen te wachten op het ogenblik, dat er van buitenaf zo’n straal komt en op die beroering kan antwoorden.

Spreken tot de wereld en duidelijk maken wat ze is, is moeilijk. In de beelden van mijn eigen wereld uitgedrukt lijkt het u hopeloos, omdat u niet begrijpt hoe juist in dit alles toch, ook de verandering, het proces van vertering en vernieuwing aanwezig is. De Phoenix is misschien het beeld voor de mensheid van vandaag. Een vogel, die te oud geworden in zichzelf zich neerstort in een laaiend vuur, om verjongd op te stijgen en zijn vlucht te vervolgen. De mensheid van heden lijkt te verbranden aan zichzelf, maar in feite vernieuwt zij zichzelf. De waarheden uit het verleden schijnen te sterven, maar in feite verbranden zij de onzuiverheid en herrijzen zij in een grotere klaarheid dan ooit tevoren. Het is zo gemakkelijk om kritiek uit te oefenen op uw wereld. Dat kan in menselijke taal gebeuren en dat kan met een zweep van woorden de mens in gegeseld worden. Maar de werkelijkheid, zoals ik die zie en beleef, is uitermate moeilijk weer te geven.

Ik zie mensen, die in dwaasheid en in hartstocht zichzelf reinigen voor een nieuw leven. Ik zie mensen, die menen een fout te begaan en juist door die fout een nieuwe kracht scheppen. Ik zie mensen, die schijnbaar duisternis brengen, maar die in feite niets anders doen dan de vlammen doven, zodat de brand, die met haar rook de zon verduistert, ophoudt te bestaan. De wereld vernieuwt zich. En de kracht van die wereld is zo primitief, zo primair, zo overweldigend, zo dodelijk en zo vitaal tegelijk, dat er geen woorden te vinden zijn om de essentie van dit bestaan hele maal weer te geven.

U zit hier samen. En elk van u schemert wat in eigen kleur. leder drukt iets uit van zijn eigen nuances van zijn. Als ik al die nuances bij elkaar wat en ik zie de vlam van onvrede maar ook gelijktijdig het zoeken naar een bevestiging, als ik zie de angst die toch noodzakelijk is, omdat alleen daaruit de aanvaarding kan komen wanneer ik zie het gevoel van onnut zijn en leeg zijn, waaruit die geestelijke nieuwe kracht voortkomt, die sterker het leven draagt en het bewustzijn van de mensheid dan alle vernieuwing van leven en jeugd tezamen dan kan ik geen negatief oordeel spreken. Ik kan alleen zeggen: De wereld kent zichzelf niet.

De wereld beseft niet in wat voor fase ze verkeert. En de mensheid, in een al te grandioos optimisme of in een afgrond van diep pessimisme, weet niet hoezeer zij langs natuurlijke wegen voor zich het contact met het Hogere aan het herbouwen is, juister en beter dan tevoren.

Het is moeilijk de beperking weer te geven. Laat ons bv. spreken over naastenliefde. Mensen spreken veel over naastenliefde. Ze doen ook veel voor de naasten, zoals ze denken. Maar zijn ze niet allemaal meer en meer geïsoleerd in een eigen hopeloosheid? Is de naastenliefde wel een concrete erkenning van de naasten? Is ze niet eerder een theorie, die dient ter stilling van eigen gevoelens van onlusten omwenteling? En men spreekt van recht. Van de rechtvaardigheid. En zijn die dingen eigenlijk niet meer de uitdrukking van je eigen macht, je zelfbevestiging en gelijktijdig je isolement van de anderen dan een werkelijk erkennen van verhoudingen? Het is moeilijk om het te zeggen zoals het is.

De mens spreekt van vrijheid. En of hij nu zoekt naar vrijheid in gebondenheid of naar een absolute losbandigheid, in zijn vrijheid bereikt hij niet wat hij wil, omdat vrijheid niet is; eenvoudig zonder banden zijn, maar een bewust en voortdurend zelfstandig kiezen van datgene, wat in leven en kosmos je beroert. Het is zo moeilijk zelfs zoals wij hier bij elkaar zitten een heel klein brokdeel van die toch o zo talrijke mensheid van vandaag om een oordeel te spreken. Wanneer er achter dat alles, achter dat isolement, achter deze hopeloze formaliteit en het formalisme niet een licht brandde, voorwaar, ik zou mij niet geroepen voelen voor wie dan ook tot u te spreken.

Maar achter al die verwachtingen en die gedachten en die dromen, achter uw mislukte avonturen en uw gefnuikte verwachtingen, daar brandt ergens iets anders; een licht. Daar is iets, wat meer is dan materiële vitaliteit. Daar is een vibratie, die antwoord geeft op een oneindigheid, ook al is daarvoor geen enkele vorm denkbaar. Achter uw schijnbare machteloosheid siddert reeds nu de ongebonden, de onschatbare, onovertrefbare kracht van de reactie, van wat men het Goddelijke noemt. (Het zijn allemaal namen.)

U zit hier en u beklaagt u over uw leven en over uw medemensen, zoals alle mensen dat doen. U twist waarschijnlijk met uw medemensen, zoals alle mensen dat doen. En u voelt zich overspoeld door een maatschappij en een reeks van gebeurtenissen, die u eigenlijk niet meester kunt, zoals alle mensen. Dat is het roestbruin, dat als een wolkendek hangt tussen u en de hemel. Maar gelijktijdig weet u, dat er iets anders is. U kunt het niet zeggen en u kunt het niet weergeven. U kunt er geen kracht voor vinden, die nog te benoemen is. Met geen invocatie en incantatie, met geen gebed en geen concentratie kunt u de naam vinden. En toch is het er. Dat is de moeilijkheid van hetgeen wij met elkaar bespreken vanavond. De moeilijkheid voor mij om u duidelijk te maken wat ik zie. De moeilijkheid voor u om te begrijpen hoe vitaal het is, wat ik u zeggen wil. Misschien mag ik het zo zeggen: Het leven van een mens van vandaag is als een vlakte. Een eindeloze vlakte. Een wildernis. En ze is droog. Maar wanneer iemand komt, die er een paar voren in trekt en ze bevloeit, dan is het een akker van ongekende vruchtbaarheid. De mogelijkheden als mensheid, als totaal en zelfs als persoonlijkheid, zijn niet afhankelijk van het uiterlijk van vandaag. De kracht, die u kent in de geest en in de stof, is niet afhankelijk van de schijn van vandaag. Want een groot gedeelte daarvan is illusie. Het is laten we zeggen een vormend spel dat u met uzelf speelt. Een caleidoscoop, waardoor u kijkt naar het licht, omdat u het werkelijke licht niet kunt verdragen. Een voortdurende vernieuwing van patronen, die tenslotte niets zijn dan de rangschikking van dezelfde denkbeelden wanneer je naar God kijkt.

Maar er is kracht. En dat klinkt eigenaardig. Want als u kijkt naar de wereld van vandaag, dan gelooft u eerder aan een wereldvernietigende brand dan aan een herboren worden van de mensheid. Maar ik zeg u: Die mensheid wordt herboren, vandaag aan de dag. Ze wordt niet alleen herboren in de jeugd ze wordt net zo goed herboren in de ouderen. Ze wordt herboren uit de pijn en de frustratie en uit het onvermogen. Ze wordt herboren uit de noodzaak terug te vallen op de essentie van je eigen wezen.

En soms kun je dat niet harden. Dan ontstaat er een oorlog. Dan ontstaat er een ruzie. Of een mens is zo wanhopig, dat hij zichzelf het leven zou willen ontnemen. Maar die dingen zijn maar incidenteel. Ze hebben geen werkelijke betekenis voor wat er gebeurt. Als ik met u spreken wil over wat voor mij de werkelijkheid is en dat probeer ik toch dan kan ik alleen maar zeggen: In deze wereld is op het ogenblik het onzuivere bezig zichzelf te verteren. Het is een langzame en smeulende brand. En misschien zal hij hier en daar aanwakkeren en zullen er wat vlammen zijn. Maar wat overblijft is vruchtbaarheid. Dat is de mogelijkheid om nieuw te denken, nieuw te leven, om geestelijk en materieel a.h.w. de vorm te geven van een rijp, een wetend, een volwassen bestaan in de kosmos.

Wat u ziet is de ziekte, die u aantast. Wat u ziet als het ondraaglijke probleem, waarmee u worstelt, of de verlatenheid en de teleurstelling tegenover de wereld, dat is alleen maar vernietigend, wanneer u in een absoluut verzet uw eigen krachten er tegenin gooit. Ik wil u geen aanvaarding en gelatenheid prediken, want die liggen de mens niet. Maar het besef, dat uit al deze dingen voortkomt wat goed is, dat die ziekte van vandaag de vervulling is van dromen van vele jaren – al uit ze zich nog niet – zo dat dit gevoel van tekortschieten in de wereld en niet bereiken wat je wil de eerste stap is op een weg, waarop je waarlijk bereikt en waarlijk jezelf bent, hoe kan ik u dit duidelijk maken?

U hoort mij en u vindt het mooi en u gelooft mij niet. Want ik kan het u niet laten zien. Ik kan u niet laten zien hoe dit spel van zichzelf verterend, tijdelijk, illusoir bestaan de werkelijkheid opnieuw kenbaar maakt. Ik kan u niet laten zien hoe uit die vele flitsen van haast modderig licht ergens de nieuwe kracht ontstaat van een nieuw weten. Ik kan u niet duidelijk maken hoe die vele tinten azuur tezamen voor mij betekenen, dat in deze wereld eindelijk een volwassen denken ontstaat. Een denken, waarin de innerlijke mens en de uiterlijke mens één worden. Een denken, waarin geen verschil meer bestaat tussen je innerlijke wereld in je verhouding tot God en de kosmos en je wereld en je verkeren met de buitenwereld. Ik kan het u niet duidelijk maken, want ik zeg het met woorden. En er valt zoveel weg en er is zoveel, wat je niet zeggen kunt.

Het is voor u altijd heel erg prettig, wanneer wij zeggen: Wij hebben u lief. Wij zijn met u. Wij staan achter u. En in zekere zin is dat waar. Maar het vreemde is, dat wat wij vanuit onze sferen liefhebben in u, niet dat is wat u nu bent. Het is dat, wat u aan het worden bent. Wij zien in de hatelijke rups van vandaag de stralende vlinder van morgen. Wij zien in de modderige mesthoop het leven voor een oogst van bloemen. En dat hebben wij lief. Wij zijn met u, wij staan achter u, we helpen u, ja, natuurlijk. Maar wij helpen u heus niet, omdat wij zo’n medelijden met u hebben. Denk dat a.u.b. niet. Natuurlijk, wij voelen met u mee en wij willen u helpen. Wij zullen menig probleem voor u oplossen, wanneer wij het kunnen en wanneer het zo te pas komt. Maar het gaat er ons niet om dat probleem op te lossen, al denkt u dat. Het gaat er ons om het u gemakkelijker te maken om u te helpen uw bloei te bereiken, uw werkelijke rijpheid.

Vergelijk die hulp eerder met die van een tuinman, die op dorre dagen water geeft, eer de zon te fel brandt, opdat de plant kan blijven leven en haar grootste pracht kan bereiken. En dit zijn ook maar beelden en nog wel onvolledig. Want geen tuinman kan zo opgaan in de perfectie, die zich ontwikkelt, als wij kunnen opgaan in datgene, wat wij geestelijk op die wereld zien ontstaan aan mogelijkheden.

Geen enkel wezen op aarde, zelfs dat inzicht heeft in de wereld van de geest, in de problemen van dolende geesten, in de problemen van de aardgebondenen en van het duister, van de demonenwereld desnoods, heeft er enig begrip van, waarom wij die dingen proberen tegen te houden. Niet omdat ze verworpen zijn of terzijde moeten worden geschoven maar alleen omdat ze op dit moment niet goed zijn.

Er zijn planten, die in de schaduw het beste groeien. Er zijn menselijke mogelijkheden en geestelijke ontwikkelingen, die het best in lijden, die het best in strijd en ellende tot uiting komen. En er zijn tijden, dat alle zon nodig is om de oogst te rijpen. Ik geloof, dat die tijd langzaam gaat komen. Nu nog verteert rond u de wereld zichzelf. Nu nog is de wereld in haar onvermogen om zichzelf te beseffen, om in zichzelf een zekere beheersing en meesterschap te vinden, het slachtoffer van iets, dat aan haar vreet als een brand. Maar er blijft zoveel over, wat waardevol is.

Natuurlijk, in het begin zal het nog gebonden zijn. Het geestelijk goud zal gebonden zijn met het kwikzilver van de materiële ontwikkeling. Maar er zal een ogenblik komen, dat het juiste element, het goud van het kwik weer scheidt. Maar er zal nooit een ogenblik komen, dat het amalgaam veroordeeld wordt, omdat alleen de waarden op zich belangrijk zijn.

Wat kan ik u vertellen van de eeuwige spiralen, die in hun kleurige weg wisselend en vlammend a.h.w. het grondplan zijn van leven en van ontwikkeling? Wat kan ik u vertellen van uw persoonlijke spiraal, die evenzeer zich bij u toont en ontwikkelt? Hoe kan ik het u duidelijk maken? U ziet ze niet. En al zoudt u ze zien, u zoudt het niet weten u zoudt het ontleden in kleuren en kwartieren en u zoudt het niet zien als een totaliteit.

Maar die dingen zijn er en wij zien ze. Ik zie de groei, die over de frustratie van vandaag heen komt naar de vervulling van morgen. Ik zie de mens, die in zijn beperkingen van vandaag toch reeds de middelen vindt om de vervulling waar te maken, die noodzakelijk is voor u. Ik geloof in uw mensheid. Ik geloof in uw wereld. Ik geloof in de juistheid van alles, wat zich op dit moment afspeelt. En ik acht de rol, die ik en ook anderen daarin spelen maar laat mij hier voornamelijk voor mijzelf spreken onvermijdelijk. Wanneer ik uw wereld zie, kan ik niet anders. Ik ben gebiologeerd door de schoonheid, die zich ontwikkelt. En ik ben bereid om daarvoor de dreigende hatelijkheid van vandaag, de misvorming, op de koop toe te nemen.

Het is aardig om te zeggen, dat er een Christus is, die in u allen leeft. Maar er is meer dan dat. Het is niet alleen maar een naam, die in u leeft, of een enkel begrip. Het is a.h.w. de oneindigheid, het plan van de kosmos, dat zich voortdurend in uzelf herhaalt en weerspiegelt. En wanneer u het begrijpt, dan bent u zoveel meer dan uw wereld alleen, dat er geen woorden voor zijn. Misschien hebt u wel eens geprobeerd te omschrijven, wat een bepaalde melodie u doet. Een concert weer te geven in woorden. En u zult gezien hebben, hoe moeilijk het is. Hoe u stil blijft staan bij persoonlijke ervaringen, persoonlijke uitdrukkingen. Maar misschien kunt u toch een ander iets van de grootsheid duidelijk maken. Dat zou ik vandaag willen doen. Niet die kleine problemen waarmee u worstelt, maar de totaliteit waarin u leeft bezit een schoonheid, die zonder gelijke is. En uzelf bent deel van die schoonheid. leder van u een accent in een oneindige melodie, die gespeeld wordt en die uiteindelijk zich herhaalt. Een melodie, die een ieder verrukt, die haar horen kan.

Ik ben begonnen mij te beklagen over de jammerlijkheid van het woord, het onvermogen dat er is tot mededelen. Maar dit kan ik u wel zeggen: Uw wereld met al haar problemen, met haar oorlog, met haar dreiging, met haar ondergang, met haar demonie misschien en het onderaardse vuur, dat overal gloeit, met haar uitbarstingen, ze is voor mij als een storm, die een lente belooft. Zij is de verrukking van een vernieuwing, die nu zeker wordt. Haast gelaten onderga ik, wat zich op uw wereld afspeelt. En even gelaten herhaal ik dezelfde taak, keer op keer, wetende dat de storm uitgewoed zijnde ineens de bloesem zal komen. En ik geloof, dat het ogenblik voor menselijke bloei zo dichtbij is. Nu reeds zie ik steeds meer geesten uit deze wereld van u tot ons komen, die niet alleen maar het duistere en verwrongene dragen.

Heeft niet een van de grootsten onder u eens gezegd: Indien gij niet zijt als de kinderen, voorwaar, ge zult niet ingaan. Ik zie u terugvallen tot kinderlijkheid. Ik zie u terugvallen schijnbaar tot onnadenkendheid en onbelangrijkheid. Maar ik zie u ook herleven in een nieuwe vitaliteit. Ik zie uit de schijn van decadentie een nieuw leven ontstaan. Ik vind in de schijn van ondergang nieuwe vermogens. Hoe lang zal het nog duren, voor deze roestbruine wolkenkorst, die rond uw wereld hangt als een mengsel van onbegrepen gedachten, van voortdurend zichzelf verterende menselijke problemen, wordt tot de trillende en levende vitaliteit van een goud? Ik geloof niet, dat het zo lang zal zijn.

Hoe lang nog zullen de duistere schimmen rondtrekken rond uw wereld, herhalende het verleden, onvrij om de werkelijkheid te aanvaarden? Ik heb het zien slinken. Ik heb die deken van zwart, die geestelijk rond uw wereld hing, nog geen 70 jaar geleden weg zien gaan, tot er tenslotte slechts overblijft hier en daar een enkele krinkellijn, of er in de plaats van het rookachtig wolkendek nu nog hier en daar een vuur even na smeult.

Ik heb uw wereld zien groeien via geweld, via zoeken en denken, via idealen en teleurstelling. En ik zie haar in deze tijd groeien naar een oplossing, naar een nieuw, een vitaal bestaan. Niet naar een andere wereld of een betere wereld, maar naar een begrepen wereld. Het heeft weinig zin daarbij te spreken van God en van alle krachten van licht. Want een aanroeping van die dingen beroert u misschien wel, maar ze zegt u niets. Maar ik zeg u: Kijk naar uw wereld en kijk rond u. En zie hoe in het schijnbaar zichzelf verteren van de mensen steeds weer edele elementen naar voren komen. Hoe steeds weer op het onverwachte ogenblik tegenover alle egoïsme ergens een vernieuwing staat van zelfvergetelheid. Zie hoe tegenover alle problemen van ondergang steeds weer het licht staat van een geestelijk besef. Dan zult u misschien weten, wat ik u wil zeggen.

Indien u in uzelf zoekt op te gaan tot God, dan zult ook u door die wolkenmassa moeten heen breken. Ook u zult dit negativisme, deze ellendige, zichzelf verterende problematiek, dit zichzelf verterend willen weten en niet kunnen weten, doorbreken. En zelfs dan zult u in de azuren oneindigheid niet het antwoord krijgen, dat u op dit moment verlangt. Maar u zult een antwoord krijgen. En het antwoord zal heel wat duidelijker zijn dan u verwacht, al is het anders.

Wat ik u op deze dag wil zeggen is dit: Zoals ik uw wereld zie, is zij in haar schijn van redelijkheid geworden tot het magisch instrument, dat uit lood goud maakt. Ze is geworden in haar schijnbare doodheid tot de materie, die tot een wonderdadig leven komt. Ze is in haar dreiging van dood geworden tot het proces, waaruit het elixer des levens geboren wordt. Geloof in uw wereld. Ik weet dat zij het waard is. Geloof in uzelf, ondanks alles. Want ik weet, dat u de kans, de mogelijkheid hebt, ja, meer dat u met zekerheid het licht zult bereiken, dat waarlijk belangrijk is.

En ik zeg tegen u: Maak de kleine dingen niet zo belangrijk. Trek u daar nu eens niets van aan. Zoek dat kleine beetje positivisme bij elkaar, dat er in u leeft dat kleine beetje geloof, dat kleine beetje liefde, dat meer is dan eisen en willen, maar dat is begrip. En gebruik deze sleutel op uw onbegrijpelijke wereld en alle krachten van de geest, die u omringen. En u zult waarlijk de magische sleutel hebben van de eeuwige transformatie, die zich thans aan uw planeet zo kenbaar voltrekt. En u zult daarmede ook de kracht leren beheersen, die in u schuilt, maar die u nu nog niet kunt maken tot de uiting van uw ware wezen.

Leer in uw wereld te beseffen, hoe de reinigende vuren van de tijd verjongen wat mens is, terug doen keren de prilheid van een paradijs, maar dan met de wijsheid van de engelen. En bovenal, begrijp dat in al, wat ik u gezegd heb, zo buitengewoon veel ongezegd moet blijven. Er is eenvoudig geen referentie, er is geen mogelijkheid. Ik heb geprobeerd u te zeggen, dat het goed is, wat er gebeurt. Ik heb geprobeerd u te zeggen, dat u ondanks al uw problemen, uw moeilijkheden en uw vermoeidheid en al wat er verder bij hoort, uw zoeken naar iets anders dat hetgeen zich afspeelt goed is. Ik probeer u te zeggen, dat geestelijk en uiteindelijk materieel een schoonheid gaat opbloeien, die u in uw stoutste dromen niet durft zien of verwachten. Dat uit de kleine teleurstellingen van vandaag de lichtende wereld van morgen gebouwd wordt. Ik weet niet, of ik het duidelijk heb kunnen maken. Maar nogmaals; uw leven heeft zin, uw problemen hebben zin. U kunt, wanneer u het positieve erin begrijpt, daarmee meer en meer zijn in werkelijkheid. U kunt doordringen reeds nu tot die achtergronden van weten, die in mijn wereld zo belangrijk zijn, wanneer wij uw wereld bezien. En u kunt reeds nu de vervullingen vinden van een komende tijd, wanneer u de kracht in uzelf realiseert, die er al is.

U bent niet machteloos. U bent geen slaven. En u bent geen dwazen in uw spel. U bent de geboorte van de toekomst. En daarmee de geboorte van nieuwe schoonheid, die geest en kracht van het Al verheugen zal. En daarbij wil ik het laten. Misschien dat mijn woorden niet voldoende uithalen. Misschien dat u iets begrijpt van hetgeen ik achter de woorden wil zeggen. In ieder geval hoop ik voor u, dat u door de wolken heen desnoods voelend wat er achter de wolken is licht zult ervaren. En dat dat licht voor u zal inhouden; de rechtvaardiging van vandaag en van wat geweest is. God zij met u.

In ‘t openbloeien wordt volbracht de

taak, de lotus eens gesteld. En ook

de mens, die zich ontvouwt en

lichtend schoon het Al verhelt met

nieuwer en met schoner weten, met

meer begrijpen, God aanschouwen,

vervult zijn taak.

Hij helpt een nieuwe wereld bouwen, die

was in de beslotenis het Rijk van God,

door onbesef de mensheid afgesneden. Nu

komt er licht, de duisternisse zwicht en

wat geleden werd, dat wordt vergeten in

nieuwe dag, in ‘t goddelijk licht, dat liefde

en verlossing wordt geheten.

image_pdf