De grondslagen van de esoterie

image_pdf

3 augustus 1956

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik voor u het aloude verhaal afsteken, u moet zelf nadenken. Zelf denken, opdat u – als spiritist, of ongelovige, als katholiek, of protestant – juist door het overdenken van wat wij gezegd hebben, ergens een korreltje waarheid zult vinden, dat u wilt meenemen en behouden. Want dit laatste is het doel van deze bijeenkomst.

Zo, nu kan ik dan over het onderwerp van deze avond gaan spreken. Ik wil dan met u gaanspreken over: De grondslagen van de esoterie.

Dit is natuurlijk een onderwerp, waarover zeer veel te zeggen zou zijn, maar ook in weinig woorden kan iets gezegd worden. Het onderwerp werd door ons al meerdere malen behandeld.

Toch wil ik hiervoor nu weer uw aandacht vragen, daar de esoterie juist in de komende tijden zo  belangrijk is. Trouwens, ook nu is zij voor menige mens al van groot belang, want, wanneer wij zo eens rond ons kijken, dan blijkt aan alle kanten, dat de mens zoekt naar nieuwe wegen, nieuwe oplossingen voor zijn problemen. Hij doet dit soms zelfs onbewust. Maar te allen tijde zien wij hem streven naar een grotere eenheid, een groter onderling begrip, inniger samenwerking en meer zekerheid. Een treffend voorbeeld daarvan zien wij in de verschillende kerken, die thans binnen de oecumenisch gemeenschap samenwerken.

Voorbeelden daarvan zien wij ook in de samenwerking tussen Boeddhisten en Islamieten, die in steeds grotere mate plaats vindt. Wij zullen overal voorbeelden hiervan kunnen vinden, waar de mens zoekt naar een stoffelijk, of geestelijk houvast. Nu kunnen al deze organisaties en gemeenschappen de mens een uiterlijke sterkte geven, maar het is toch uiteindelijk de innerlijke mens, die onafhankelijk van anderen de weg moet vinden tot een leven en een levenshouding, die voeren tot een doel, dat werkelijk het nastreven waard is. Het is de mens zelf, die geleid door wat er in hem leeft – niet door wat er buiten hem gedaan, of gezegd wordt – die moet komen tot realisatie van de Grote Waarheid, die het werkelijke houvast is.

De grondslagen van de esoterie zijn met een paar woorden op te sommen. Niet de uitwerking  hiervan. U alles uiteen te zetten, wat de esoterie de mens brengt, zou vele uren kosten. Dat zou teveel gevergd zijn voor een bijeenkomst als deze. Maar de eenvoudige grondslagen zijn toch ook zeer belangrijk. En die kunnen wij dan gezamenlijk wel even overwegen.

In de eerste plaats: “Het is het zelf denken en het zelf doen, die de mens eerst waarlijk tot mens maken”.

Dit zult u wel allen met mij eens zijn. Een mens die wordt voortgedreven, die zich laat leiden door bepaalde vormen van bestuur, door dwang van kerkelijke richtingen, enz., zonder eigen beleven en innerlijke overtuiging is geen mens meer in de ware zin van het woord.

Als nu allen nog schapen waren, dan zouden wij in deze beeldspraak als eigenschap de onschuld aan kunnen nemen. Maar in de meeste gevallen zijn juist dergelijke mensen de ware nihilisten van deze tijd en gaan zij met hun uiterlijk geloof zo dom en dwaas te werk, dat zij niet alleen hun eigen leven, maar daarnaast ook de eigenlijke waarden van hun kerk, of organisatie, vernietigen.

Om echter ook innerlijk werkelijk te leven zijn twee dingen noodzakelijk: het denken en de daad.

Meen niet, dat je het wel alleen met woorden af kunt. Dat gaat niet. Denk ook niet, dat de daad alleen voldoende is. Eerst wanneer de daad geboren wordt uit de overlegde gedachte en niet uit het instinctieve denken, krijgt zij werkelijke waarde voor ons wezen. Eerst wanneer iedere daad opnieuw een bevestiging is van wat wij in ons gevoelen als een noodzaak, verkrijgt de daad ook een innerlijke waarde, die vastgelegd, zowel in het menselijk deel van het bewustzijn, als in het geestelijke vermogen, ons verder zal brengen tot nieuw en dieper geestelijk beleven. U ziet het, deze dingen zijn eenvoudig. U had het zelf ook wel zo kunnen zeggen, maar het wordt maar al te vaak vergeten. Esoterie is dan ook niet ingewikkeld. Men meent vaak, dat de esoterische beschouwingen gebaseerd moeten zijn op een duistere mystiek, op sombere overpeinzingen en lange, vervelende filosofieën. Niets is echter minder waar.

De tweede grondregel, die ik naar voren wil brengen, zegt: “Esoterie is het innerlijk beleven van de waarden, die in de kosmos rond ons bestaan”.

Heel kort gezegd zo. Met één enkel zinnetje. Maar het is moeilijk dit te volbrengen. Om werkelijk te komen tot een beleven van de kosmos, van de werkelijkheid, die er kosmisch bestaat, moet men a.h.w. buiten zichzelf kunnen treden. Men mag niet meer zo alleen maar aan zichzelf en de eigen ideeën vasthouden. Men moet niet meer alleen alle overpeinzingen over mogelijkheden beperken tot een vaststellen, wat u zou doen, of wat er zou gebeuren, wanneer u nu eens een keertje de baas zou zijn. U moet mee kunnen leven met andere mensen en andere dingen. Je moet niet alleen maar medelijden hebben met een andere mens, maar je moet het lijden van een ander ook zo, zoals het die ander treft, kunnen begrijpen. Men zal dan misschien minder medelijden hebben, of tonen. Ongetwijfeld zal men veel dieper door weten te dringen tot de kern van het leven van die mens. Juist hierdoor zult u ontdekken, hoe ook in die andere mens de grote wetten leven, die in uw eigen bestaan weer voortdurend op de voorgrond komen.

U kunt zeggen: “Maar rond mij is er toch zoveel, dat mij als mens werd gegeven. Ik, mens, vorst van de aarde, ik regeer. Die vlinder is schadelijk. Dood haar. Die hond bevalt mij niet. Laat hem afmaken! Die kat maakt mijn tuintje vuil. Voer haar maar gebakken spons!” U denkt nu misschien, dat deze dingen zelden voorkomen. Maar een dergelijke houding tegenover de schepping hebben meer mensen dan u beseft. Zelfs veel zogenaamde dierenvrienden. Zij beschouwen het dier als iets, dat je een beetje kunt bemoederen, maar dat in ruil daarvoor dan ook verplichtingen tegenover de mens heeft. Ook dit is niet waar. Men moet begrijpen, dat het leven van de dieren, ja, van de dode materie rond u, een complex geheel is, waarin verschillende krachten en waarden werkzaam zijn. U moet leren begrijpen, hoe deze dingen u en uw wereld ervaren. Dan kom je dichter bij een begrip van de kosmische waarden.

Niets voor niets wordt dan ook van de ware esotericus gezegd: “Ofschoon hij een door hem verkoren weg zal gaan, zal hij toch nimmer eenzijdig zijn.”

Ook dit is begrijpelijk. Wij kunnen tezamen komen en zeggen: “Ach, wij hier bij de Orde weten het zo goed, die anderen zijn, nu ja, een mindere kwaliteit”. Ik wil natuurlijk niet zeggen, dat dit voor kan komen in een Orde der Verdraagzamen, maar het is ongetwijfeld toch een houding, die wij op veel gebieden op de aarde steeds weer ontmoeten, maar wij kunnen dit eenvoudig niet zeggen. Al kiezen wij nu toevallig deze weg, misschien voor de gehele bewustwording, of een deel daarvan, dan wil dit nog niet zeggen, dat een ander diezelfde bewustwording niet op een andere weg zal vinden. Het is niet wat er gezegd wordt, het is het ritueel niet, of de sfeer, die de bewustwording bevordert, maar het is de innerlijke toestand, die steeds weer bepalend is.

U wekt deze gesteldheid in u door een bepaalde weg te kiezen, u versterkt uw eigen wezen door a.h.w. in gewoontevorming verder te gaan, zodat voor de geestelijke processen steeds meer kracht vrij komt. Door het vormen van de gewoonte zal het stoffelijke en verstandelijke deel van het leven steeds minder energie van u eisen.

Om u hiervan een voorbeeld te geven: u gaat altijd naar de kerk. Nu biedt die kerk u wel veel, u voelt zich er dan ook wel thuis, maar u wilt toch wel een een keertje horen, wat men bv. hier zegt. U komt dus hier. U kijkt naar de omgeving. U bestudeert het fenomeen. U luistert naar de manier van voordracht, u hebt uw oordeel te vormen over bestuursleden, medium, aanwezigen, de zaal enz. Maar bent u dan eigenlijk niet een beetje verstrooid? Zelfs indien u ingespannen luistert, zult u toch te veel tegelijk moeten verwerken. Wanneer dominee of pastoor voor u met de omgeving en handelingen een normaal gekend verschijnsel is, dan zult u, zoekende naar waarheid in zijn woorden, door kunnen dringen tot de kern daarvan, tot de eigenlijke bedoeling. De wijze van betogen is u bekend. U kent het publiek en de omgeving. U kunt dus met heel uw wezen in die woorden opgaan. Wanneer u de eerste avond hier komt, gaat dat nog niet. Vaak gaat het ook nog niet op de tweede en de derde avond. U meent misschien van wel. Maar u kunt nog niet doordringen tot de werkelijke kern van wat er gezegd wordt. Het blijft voor u nog te veel aan de oppervlakte.

Maar wat hebben wij juist voor een esoterische bewustwording nodig? Verdieping. Een verdieping in jezelf. Doordringen tot in de kern van je eigen wezen. Uzelf innerlijk kunnen confronteren met woorden en vragen, die niet alleen maar worden uitgesproken, maar in u worden gewekt. Het zal dus begrijpelijk zijn, dat een ieder, die streeft op deze wijze, op de duur zich een weg kiest. Mogelijkerwijze zal hij die weg op een bepaald ogenblik voor een andere weg verlaten. Dat zal niemand van de bewusten hem euvel duiden. Maar men gaat slechts één weg tegelijk.

Een proberen om meerdere wegen gelijktijdig te volgen, betekent teveel verwarring, teveel in het “ik” naar voren komende strijdvragen. Dan maak je het jezelf te lastig en komt dus ook niet verder. Heb je je een weg gekozen, dan ga je die weg verder tot er een ogenblik komt, dat je zegt: “Hier vind ik niets nieuws meer. Dit is voor mij nu dood”. Zodra dit gebeurt, is het tijd, dat je verder gaat. Men kan dus ook niet eenzijdig zijn. Vandaag behoort u tot de O.D.V., maar morgen misschien weer tot een andere groep. Nu bent u misschien katholiek, maar morgen vangt de theosofie uw belangstelling geheel. Overmorgen bestudeert u misschien het oud-Boeddhisme.

U kunt dus niet goed zeggen, dat dit of dat, beter is. U kunt alleen maar zeggen: “Deze weg kies ik mij”. Heb je je weg eenmaal gekozen, dan dien je die verder te gaan, tot je bewust, wetende waarom, die weg geheel bewust weer verlaat.

Eigenlijk zijn dus de achtergronden van de esoterie niet zo bijzonder groot en blijven de grondslagen heel eenvoudig. Als je het goed beziet, dan weet je al die dingen eigenlijk wel. Maar je past ze niet toe. Je houdt je er niet mee bezig. Juist daarin schuilt het grote gevaar. Wat leert ons Appolonius – een van de grote leraren – op dit gebied?

“Slechts de mens, die niet spreekt zonder te denken, die niet handelt zonder te denken en die nimmer denkt zonder te bidden, is in staat door te dringen tot de grootste geheimen”.

Dit is een waarheid, vrienden, die zo alomvattend is, dat zij ons een volledig beeld geeft, zowel van de beginselen als van de achtergrond van de esoterie. Denken kun je natuurlijk te allen tijde. Je denkt aan zo vele dingen. Denken zonder bidden wil echter zeggen: denken vanuit menselijk standpunt. Je alleen maar op het “ik” baseren. Daarom zal juist de bewuste mens niet denken zonder te bidden.

Nu zegt u misschien: “Wat is dan dit bidden?” Bidden is heel eenvoudig: één zijn met God. Hoe je dat doet, maakt weinig uit. Of je het nu doet met woorden, met eentonige herhaalde gebedsformules, of je het krampachtig zoekt in opgevoerde concentratie, of het tracht te beleven in de bezonkenheid van de complicatie, bidden is en blijft: één zijn met God. Innerlijk één zijn.

Maar wanneer je je steeds realiseert, dat er een Scheppende Kracht achter je staat, dat de Scheppende Kracht naast je staat en in je wezen zelf ook woont, dan wordt al je denken mede bepaald door deze God, door de onvoorstelbare Kracht, Die ergens leeft, Die je niet kent en waarvan je toch aanvoelt, dat Zij heel je leven is. Dan kun je daardoor alleen al niet meer eenzijdig, of egoïstisch gaan denken. Dan wordt, of je het nu weet of niet, zelfs de meest triviale gedachte onttrokken aan de verstikkende sfeer van het “ik”-denken. Dan wordt je gewekt tot een groter bewustzijn. Een bewustzijn, dat misschien wel niet de kosmos omvat, maar dat de kernwaarden van de kosmos erkent in alle wereld, in alle omgeving.

Wanneer je God ziet in elke medemens, indien God voor je leeft in de bomen, de planten en in de dieren, wanneer God spreekt in de regen en in het stralende zonlicht, hoe kun je dan nog ontevreden zijn? Hoe kun je dan nog onoverlegd handelen? Hoe kun je dan nog anderen schaden, of onrecht aandoen? Het is de eenheid van de mens met het Al die de grondslag is van het esoterische denken, van het esoterisch zijn.

Het is vaak gemakkelijker je te verschansen achter wat grote woorden. Je komt er al snel toe om te zeggen: “Voor mij met mijn geestelijke ontwikkeling, met mijn hoog geestelijk denken, is deze taak te gering.” Het is makkelijker om te zeggen: “Ik heb mijn tijd nu nodig voor contemplatie,  die mens wacht wel.” Maar goed is het niet. Het is niet goed, omdat je dan God niet ziet in de dingen rond je. Wat helpt het je te trachten door te dringen tot het diepst van het Al om God daar te zoeken, wanneer God naast je leeft in de mensheid en je loopt Hem daar voorbij?

Wanneer God Zijn grootheid en schoonheid aan je openbaart in de planten en je ziet het niet, wanneer elk dier in zijn gratie de uitdrukking is van een eigenschap van het Alscheppend Vermogen en je meent de dieren alleen te moeten zien als een soort gespuis, waar je als mens over heerst? Laten wij eerlijk zijn. Wat kun je anders zeggen dan dat zonder God niets gaat?

Leven en bewustwording zonder God is niet mogelijk. Toch was Appolonius aan wie ik deze uitspraak ontleende, niet zo zonder meer een vrome man. Hij was niet alleen een leraar of een magiër, maar ook een mens. Een mens met alle fouten en gebreken van de mens, maar ook met alle goede kanten van het mens-zijn in zich. Omdat hij de eenvoud vond met de kosmos en bij elke daad het Goddelijke principe kon zien in alle dingen rond hem, kon hij de leraar blijven. Zelfs wanneer hij ten nadele van anderen handelen moest, – dat is n.l. meerdere malen gebeurd – erkende hij altijd weer het Goddelijke principe in de schepping rond hem, zelfs in zijn tegenstanders. Daardoor kende hij geen haat en kon hij de grote ingewijde zijn en blijven.

Ik kan natuurlijk terug grijpen op gedachten van heel andere mensen. Maar of ik nu grijp naar de gedachten van Rama-Krishna, of naar de denkbeelden van Krishnamurti, naar het verleden of de moderne tijd, de kern blijft in alle gevallen gelijk: u leeft. Niemand anders kan voor u uw leven leiden. Toch leeft u niet als gescheiden eenheid temidden van een vijandige wereld, – ook al lijkt dat soms wel zo – maar u bent te allen tijde deel van de grote eenheid. Een onverbrekelijke band bindt u aan al het zijnde. De aarde, die u draagt, is aan u verwant en de mens, die u als uw vijand acht, of die u minacht, is met u verwant. Geen gedachte in het Al, geen geest in een sfeer, die niet  tevens een deel is van uw wezen.

Het principe van de eenheid is de kern van de esoterie. Zeker, u moet leven, want u bent het bewustzijn. Wanneer u zich als Kaïn de vraag laat stellen; “Waar is uw broeder? Wat hebt u met uw broeder gedaan?” Dan kunt ook u niet antwoorden met: “Ben ik mijns broeders hoeder?” of met een: “Wat gaat het mij aan?” Uw bewustzijn stelde u in deze wereld, met deze mensheid.

Indien u een deel van de schepping die u kent, verloochent, of een mens verloochent, dan verloochent u ook een deel van uzelf. Dan verloochent u de eenheid, waaruit alles is opgebouwd.

De eenheid, die voor u tot een brandpunt komt in uw eigen wezen en die, of u het wilt of niet, in geheel uw wezen, in uw handelen en streven tot uiting komt. Dat is het enige, waar het om kan gaan.

Nu heeft men natuurlijk op vele wijzen getracht deze gedachte verder uit te werken. Men heeft gezegd: men moet het bezit van allen gelijk maken, men moet een ieder het zelfde loon geven.

Wij moeten zorgen, dat niemand gebrek heeft en dat niemand rijk is. Men heeft gezegd, je moet communist zijn, of socialist. Men heeft ook gezegd op grond van deze zelfde gedachte: ieder voor zich en God voor ons allen. Maar bij al deze gevallen heeft men één ding vergeten: Een uiterlijke wereld kun je misschien dwingen, maar nooit de innerlijke wereld. Het bewust verantwoording dragen voor je medemensen, voor de maatschappij, kan niet voortkomen uit uiterlijke dwang. Geloof mij, het kan in een maatschappij wel eens goed zijn, dat er een geleide economie komt, een politieke eenheid misschien zelfs. Maar deze dingen betekenen niets, wanneer de mensen deze niet innerlijk beleven. De esoterie geeft aan, waar het in feite om gaat, vrienden.

Datgene, waar alle andere stellingen omheen dwalen. De kern: u bent – zelfs zoals u hier zit – mede verantwoordelijk voor alles in de wereld, wat ook in uw leven komt. Alles waarmee u persoonlijk in aanraking komt, alles wat u dient, of door u gediend wordt, is mede uw eigen verantwoordelijkheid. Uw daden moeten de weerspiegelingen zijn van de wereld, waarin u leeft, maar een spiegeling ook volgens het bewustzijn, dat in u gegroeid is en in u zich steeds verder en zuiverder openbaart.

Wanneer ik dit zo zeg, denkt u misschien: wat heeft nu bv. politiek met esoterie te maken?

Wanneer ik u over andere mogelijkheden op aarde, zoals maatschappelijke vormen, zou gaan spreken, zou ongeveer dezelfde vraag in u opkomen. Het antwoord is dit: Alles wat de mens doet, wat de mens beleeft, wat de mens nastreeft, heeft met de esoterie te maken, omdat de esoterie een weg van de innerlijke beschouwing en de zelfbewuste uiting is. Niet slechts van het “ik” zelf, maar van het bewustzijn over alle wereld. Dit maakt het mogelijk, dat alle idealen, die de mens heeft opgebouwd, ook op sociaal en politiek gebied, een werkelijkheid worden. Want het is de innerlijke mens, die de wereld uiteindelijk bepaalt. Verbaast het u, dat deze grondbeginselen zeggen:

Eeuwig is de mens. De eeuwigheid in de mens moet gerealiseerd worden, opdat de mens eeuwig zou zijn in zijn bewustzijn en zijn handelingen.

Klinkt het raadselachtig? Het is toch eigenlijk zo duidelijk. Wij zijn eeuwig. D.w.z., zolang als onze wereld bestaat, bestaan wij. Misschien zal die wereld eens uitblussen en verdwijnen. Wij menen van niet, maar wij kunnen het niet zeker zeggen. Hoe het ook zij, het is zeker niet: “Wanneer ik sterf, o wereld, sterft gij met mij”, maar: “Wereld, zolang gij leeft, zal ook ik leven”. Eeuwig is de mens. “Mens-zijn” wil zeggen een functionerend deel zijn van het grote geheel van de Schepping. Maar eerst, wanneer de mens zich daarvan bewust wordt, eerst wanneer hij dit element van tijdloosheid in eigen gedachten en gedragingen weet in te vlechten, vindt hij de mogelijkheid om waarlijk de Goddelijke Waarden in zich te realiseren.

Wanneer je haast hebt, loop je zelfs jezelf voorbij. Wanneer je haast hebt, beschouw en beleef je de dingen niet werkelijk. Dan is het alles te vluchtig. Wie een eeuwigheid voor zich heeft, kan het zich permitteren, om geestelijk of stoffelijk, steen na steen te vormen en in te voegen in de muur van bewustzijn, de muur, die zijn wereldbeeld en uiting is en hem nog vaak afsluit van de werkelijkheid.

De mens is een architect. Hij draagt een bewustzijn in zich omtrent wat de wereld zou moeten zijn. Menige mens is een slechte architect, maar dat hindert niet. Naarmate je bouwt, zul je wel moeten merken, dat veel van je bouwsels foutief zijn. Maar goed of slecht, je moet bouwen. Niet alleen voor jezelf. Zonder haast. Niet zoals sommige mensen doen, die een carrière hebben. Naar zo iemand staat een ieder te kijken als een rijzende ster aan de financiële hemel, als het komend licht van de wetenschap, of van de filosofie. Het zijn ééndags mensen. Meestal ééndags mensen.

Want wat blijft er van hen over? Denk eens aan het financiële rijk van Ivan Kreüger. Hij was de grote magnaat. De man met belangen in veel fabrieken, met invloed op elke markt, Een man, op wiens woord elke bank onbeperkte bedragen af zou geven. Hij zag zijn rijk ineenstorten en beëindigde zijn leven op de meest jammerlijke wijze. Die man had haast. Hij nam risico’s, die hij eigenlijk niet nemen kon en werd tot oplichter, omdat hij zich de tijd niet wilde gunnen een gemaakte fout te herstellen. Hij werd het middelpunt van een monsterachtige financiële samenzwering. Omdat hij geen tijd nam om terug te schouwen en zich te zeggen: “Goed, dan begin ik opnieuw, want ik heb toch nog tijd om mij zelf een goed leven te bouwen”. Hij wilde machtig zijn en rijk. Hij had geen tijd om te wachten op een zaak, of op een genot, dat hij begeerde. Hij had altijd haast.

Natuurlijk zal niet iedereen op dergelijke ongelukkige wijze aan zijn einde komen, ook al heeft hij steeds haast. Maar wel kunnen wij zeggen dat de meeste levensbouwsels, die zo tot stand komen, al heel gauw en vaak al bij de minste beroering, tot instorting komen. Wat heb je eigenlijk aan een dergelijk wereldbeeld, aan zo’n leven, aan zo’n carrière? Is het niet beter om grein na grein, weten, kennis en bewustzijn bijeen te garen? Om de wereld misschien langzaam, maar dan ook onophoudelijk te helpen verbeteren en vormen? Beter, dan voor kleine dingen grote revoluties te verwekken, beter dan grote dingen voor de duur van enkele dagen te bereiken, waarom je medemensen je dan benijden en bewonderen?

Iemand heeft eens gezegd; het was ook een esotericus: “Wanneer men mij benijdt, om wat ik in de stof bezit, gevoel ik mij ongelukkig. Want dan weet ik, dat ik gefaald heb. Doch indien men mij zou benijden om de rust in mijn wezen, dan zou ik mijzelf gelukkig prijzen en liefdevol de hand uitstrekken om deze rust ook aan mijn benijders  mede te delen”.

Hij begreep de grondslag: je hebt alle tijd. Maar wil je werkelijk wat bereiken, bouw dan eerst die innerlijke vrede op. Heb je die gevonden, dan duurt zij eeuwig, of zolang als je zelf bestaat. Dat gaat niet meer te gronde. Wat je verwerft aan geestelijk besef en bewustzijn, verwaait niet. Dat is een koninkrijk, dat je gesticht hebt, een kapitaal, dat je bijeen gaart voor alle tijden. Dat blijft. Wie langzaam en onophoudelijk verder gaat, wetende, dat iedereen, ook al gaat het nog zo langzaam en duurt het misschien langer dan het doven en weer opflitsen van de sterren, de tijd zal vinden voor een volledige bewustwording, hij heeft geen haast. Wanneer wij maar niet het werk, dat wij eens goed gedaan hebben, later weer afbreken. Daar komt het op aan.

Esoterie wil ook zeggen: Geduld hebben. Kunnen wachten. Esoterie wil niet alleen zeggen, de sleutels verkrijgen, die voor jou de geheimen van de kosmos openbaren, of aan de voeten van de meester zitten en je vol drinken van zijn wijsheid zonder er zelf iets aan te doen. Esoterie wil niet zeggen, een plotseling gebeuren. Het is geen wondermiddel, waardoor je nu opeens hoog geestelijk bewust, of helderziende kunt worden, waardoor je zonder meer de innerlijke vrede kunt verwerven. Esoterie is de lijst van materialen, die je krijgt in je leven.

Het is de kern van alle gedachten. Wanneer je uit die kern voor jezelf de brokstukken weet te vinden, die bij je wezen passen, waarin je op kunt gaan, of waarmee je kunt leven, dan kun je daarmee voor jezelf langzaam misschien, maar zonder ophouden, bouwen aan een wereld, die groter, beter, edeler en reëler zal zijn, dan wat je nu kent. Een wereld niet alleen voor jezelf, maar voor allen, die deel uitmaken van je wereld. Dat is de kunst en de kern van het esoterische streven, vrienden.

Nu zouden wij nog iets over de achtergrond ook moeten praten. Maar wat kan ik daarover anders zeggen dan: op de achtergrond van alle esoterie schuilt God en het beeld dat Hij wekt in de mens.

Er zijn veel beelden voor God en Almacht. Beelden, die in de geheimen van de natuur beschreven zijn. Geheimzinnigheden. Maar op de achtergrond steeds weer hetzelfde: het grootse raadsel van het begin. De eerste oorzaak. De eerste Kracht, die het leven baarde. Daar begint het mee.

Wanneer wij alle achtergronden zouden hebben geschilderd, alle leringen en leraren zouden hebben beschouwd op hun waarde, indien wij zouden doordringen tot de kern, dan vinden wij bij alles steeds weer hetzelfde: God, God en nog eens God. Al noem je het ook met duizend verschillende namen, duizend keren anders. Dan vinden wij daar eenheid, al meenden wij eerst nog zo grote verscheidenheid te beleven en te zien. Dan vinden wij een waarheid, die groter is dan al wat wij, verwachten, als waarheid durven beschouwen, terwijl het in werkelijkheid een leugen van gedachten, een leugen der zinnen is. De achtergrond is eenvoudig, de grondslagen zijn eenvoudig. De kern van al deze dingen ligt in ons. Maar dit bewust te beleven is niet eenvoudig.

Wij zijn allen bereid van buiten af elke hulp te aanvaarden. Wij willen gaarne gesteund worden en geleid. Wij willen opgenomen worden en als kinderen omhoog worden gedragen, tot wij uiteindelijk in de schoot van het Goddelijk Gebeuren gedeponeerd worden, herboren en één met het Al. Maar zoeken en werken in onszelf, dat is zo moeilijk. Per slot van rekening ben je toch maar een simpel mens, of een eenvoudige geest. Waar dan te zoeken?

In het voorgaande zit wel een waarheid. Er leeft wel een kern in. Maar als je dit alles wilt aanvaarden, dan moet je dat geliefde beeld van jezelf in je verbrijzelen. Dan moet je je beeld van de wereld veranderen. Dan moet je anders denken en anders ervaren. Dan mag je jezelf niet meer bedriegen. Dat is lastig, erg lastig. Toch komt er een ogenblik in elk mensenleven, in elk geestelijk bestaan, dat deze weg de enige blijft, die nog gaanbaar is.

Er komt een ogenblik, dat geen genadeleer, geen geheim, geen Yoga-school en geen magische scholing u nog verder kan brengen. Het punt, waar je vastloopt, omdat de wereld buiten je nu zoveel tegen je gezegd heeft, als je binnen jezelf kunt verwerken. Dan moet je wel eerst in jezelf verder gaan en daar een nieuwe weg vinden. Eerst daarna kun je weer verder groeien. Je wordt je weer meer bewust en begrijp je meer de achtergronden van de dingen. Langs deze weg dring je door tot in het wezen van de dingen en kun je uiteindelijk zeggen: “ja, nu ken ik de beginselen van de esoterie, nu begrijp ik de kern en de achtergronden ervan. Nu heb ik een weg gevonden, die ik desnoods alleen kan gaan, omdat ik in mij een eeuwige kracht heb gevonden, die meer is dan alle wereld en alle bestaan, die meer is dan alle vreugde en alle smart.”

Dit zijn een paar punten, vrienden, die ik u gaarne ter overweging wil aanbevelen. Ik moest kort en schetsmatig zijn. Maar toch, welke leer u ook bent toegedaan, of u Christen bent, of iets anders, welke meester u ook volgt en eert, denk erover na. U zult uw eigen leer hierin gespiegeld vinden. U vindt hierin ook uw eigen streven en leven. Voor de mens, die verder gaat dan het dier, is uiteindelijk de esoterie de enig mogelijke weg. Onverschillig waar men van uitgaat, in welke vorm men haar belijdt. Verder hoop ik, dat, wanneer u de juistheid van mijn woorden erkent, u niet zult zeggen: “dat hebben zij daar gezegd, dus daar ga ik naar toe” maar dat u zult zeggen: “waarnaar hunkert mijn hart? welke leiding zoek ik? welke bewustwording zoek ik?”

Wanneer u deze vragen hebt beantwoord, hoop ik, dat u zult zeggen: “zie, deze weg ga ik, tot ik niet meer verder kan”. Dan hebt u voor uzelf, maar ook voor ons en heel de wereld iets gedaan, dat zeer belangrijk is. Dan hebt u het Geestelijk Licht binnen het Al, binnen het geschapene vergroot, zodat Gods Licht meer kenbaar wordt voor hen, die leven binnen de schepping.

  • Zou u een verhandeling willen geven over de uiterlijke en innerlijke godsdienst. Daarbij ook behandelende de mystiek en de waarde der symboliek i.v.m. beide, Henri?

Mag ik voor het begin een kleine opmerking maken? Wie ik ben doet op het ogenblik minder ter zake. Ik vind het erg leuk, dat u mij allen bij naam verwelkomt. Maar als u meent, dat ik op dit welkom meteen zal beginnen idioot te doen, hebt u het toch mis vandaag.

De uiterlijke godsdienst dient eigenlijk de uitdrukking te zijn, die men geeft aan zijn innerlijk ervaren en zijn geloof aan God. Een uiterlijke godsdienst belijd je dus dan, wanneer  overtuigd bent, dat je op deze stoffelijke en uiterlijke manier God het beste bewijzen kunt, dat je je één met Hem voelt, ofwel dat je hem onderdanig bent. Want dat verschilt nog wel eens.

Innerlijke godsdienst is weer heel iets anders. Godsdienst betekent God dienen. Om God te dienen moet je in de eerste plaats aan een God geloven. Elke godsdienst wordt dus geboren uiteen innerlijk geloof. Wanneer wij die twee vergelijkend naast elkaar zetten, dan kun je ze zo omschrijven: innerlijke geloof is dat deel van mijn leven, dat ik niet als bestaand bewijzen kan, maar wat mij om te leven een noodzaak is. Terwijl uiterlijk geloof de vorm is, die door de meesten in mijn omgeving wordt aanvaard en daarom – of ook wel om andere redenen – door mij dienstig wordt geacht als tongbelijdenis, als uiterlijk vertoon van dienst en aanvaarding.

Wat ik in mij geloof, is een deel van mijn wezen. Dat kan ik niet verloochenen. Als ik dus geloof in een God die te vriend gehouden moet worden, dan zal ik logischerwijze in het leven buiten mij naar een methode zoeken om die God te benaderen. Wij vinden dan ook in de erediensten over het algemeen het offer. De aard van het offer kan verschillen. Een oud gebruik bij de Germanen bv., was om bij het overschrijden van een vloed een muntstukje in het water te gooien. Bij het drinken van een glas mede (honingdrank), of bier, gooide men de eerste scheut op de aarde. Dit waren offers aan de Goden, die men hiermee op deze wijze trachtte tevreden te stellen. Men wilde immers met die Goden gaarne in vrede leven en dacht zich die Goden als een soort mensen. De bovennatuurlijke kracht was een noodzaak voor de mens.

Hij kon niet geloven aan iets zonder bovennatuurlijke waarden.

Maar hij kon zich toch ook weer niets meer voorstellen dan een menselijke God. Een menselijke God zal natuurlijk hetzelfde vertonen, wat ook de doorsnee mens heeft. De doorsnee mens is hebzuchtig en van een dergelijk soort goden moeten dus de meeste ook hebzuchtig zijn. Voldoe dus aan deze hebzucht en je kunt hun gerust een gunst vragen. Tenminste, zo geloofde men. Deze offers waren in de eerste plaats uiterlijk. Zij waren slechts zelden oprecht gemeend. Het offer was soms een gewoontegebaar, soms een bijgeloof, soms een ceremonieel, terwille van de omgeving, of eigen angst, aanvaard en als verplichting opgenomen. Denk maar aan de Grieken.

Er waren Grieken genoeg, die zeiden: “Ach, Goden bestaan er niet. De Olympus is alleen maar een berg. Zeus is alleen maar een aardige figuur…, om de zeegod niet te vergeten! Toch gingen zij naar de tempels en brachten offers. De Romeinen deden het nog erger. Die maakten er vaak een publieke vermakelijkheid van en gingen offerdiensten organiseren, zoals u naar de bioscoop gaat. Alleen kwam dat toen wel een beetje duurder. Dat was alles maar uiterlijk.

Maar als het nu van binnen uit komt, wanneer je het gevoel krijgt dat je iets offeren moet, dan is je eigen leven, is je eigen innerlijke gesteldheid daar onmiddellijk deel van. U hebt het misschien zelf wel eens meegemaakt, dat u van binnen zo gelukkig was, dat toen u een bedelaar zag zitten – een echte, of een onechte, want daar heb je ook namaak onder – en naar een gulden greep. U had wel niet veel, maar u moest een ander ook iets geven. Kijk, dat is nu een werkelijk offer. Een uiting van uw innerlijke gesteldheid, van uw innig beleefde vreugde.

Dan komen wij tot de ware offerdienst. Op die manier krijgt ook een ritueel zin. Als je zoiets terloops doet, dan bevredigt het je niet altijd, dan betekent het niets. Maar wanneer je van binnen zo echt gelukkig, of ongelukkig, bent, dan wil je daaraan uitdrukking geven op een manier, die gedistilleerd is,- de essentie –  die alles omvat. Een manier, die het mogelijk maakt aan het innerlijk beleven uiting te geven zonder de noodzaak te scheppen allereerst te moeten zoeken naar een juiste uiting. Bv. een katholieke begrafenisplechtigheid.

Denk eens aan de gezangen. Het “Dies Irae”, een ”Miserere”. Wat ligt daar niet een totale weergave van de menselijke wanhoop, maar ook van het roepen tot God in u. U kunt dan zeggen dat wij een ritueel krijgen, waarbij elk woord, elke daad, heel de handeling, wordt gedragen door het innerlijke bewuste zijn. Dus een weerspiegeling is van de toestanden, die in de mens bestaan.

Sterker nog, die soms ook uitdrukking is van zijn innerlijk geloof. Wanneer je aan een graf staat en er wordt gesproken: “Stof zijt gij en tot stof zult gij vergaan”, dan is dit de uitdrukking van iets, wat je innerlijk weet. Wanneer daar dan achter wordt gevoegd, dat de genade Gods tot de hemelen je verheft, dan ligt hierin iets van je eigen goedwillendheid tegenover de dode.

Deze woorden en dit gebaar zijn dan ook geen vaststelling, maar een smeken aan God om eenheid. Wanneer je je daarvoor iets getroost, onverschillig wanneer, tijd, moeite, of geld bv., dan kun je zeggen: “Hier heb ik nu een innerlijk beleefd offer, een innerlijk beleefd ceremonieel ook.” Een ceremonieel is eigenlijk onnodig. Maar zelfs wij, die toch, naar ik meen, heus niet zo pompeus, zo plechtstatig zijn, komen vaak tot een ceremonieel. Denk maar na. U houdt allemaal uw mond. Er wordt een kleine inleiding met vaste inhoud gehouden. Daarna gaan wij op een bepaalde wijze te werk met wat wij u willen zeggen. Dat is eigenlijk ook een soort ceremonieel.

Waarom? Omdat wij trachten een bepaalde sfeer te wekken, ons wezen te projecteren in de mensen op een wijze, die eenheid schept. Wij zouden het op een andere manier ook wel kunnen, zelfs wel hier in deze zaal. Maar men moet zich aanpassen aan de omgeving, aan de mensen. Men moet één zijn met hen. Door die eenheid vind je dan een mogelijkheid tot een hoger bewustzijn, een beter doordringen in het Goddelijke, een beter wekken van de krachten die je begeert, wat dan zonder dat niet mogelijk zou zijn.

Zo komt het dan, dat veel godsdienstige belevenissen op de duur in een ceremonieel werden  vastgelegd. Denk niet, dat de ceremoniën zinledig zijn. Of het nu de manier is, waarop een dominee een zegen uitspreekt, of een zegebede richt tot God, dan wel de manier, waarop een pastoor naar het altaar loopt, of de manier waarop een boeddhistische monnik in Tibet een gebedswiel zit te draaien en een Muzelman de kralen van zijn gebedssnoer telt, het is eigenlijk in wezen allemaal hetzelfde. Het is een ritueel, maar het wordt gebruikt voor het wekken en aantonen van een innerlijke gesteldheid. De veelheid van gebeden, die met het gebedswiel rondwentelen geven de illusie van een voortdurend contact met God, met het Grote, met het Scheppende Vermogen en daarop verheft zich het innerlijke wezen van de gelovige, of priester, die het gebedswiel draait.

Het geloof, dat Jezus neerdaalt op het altaar, de eerbiedige nadering van het Grote Offer, mede beleefd door de begrijpenden onder de gelovigen. Het betekent niet, dat Jezus zo maar op dat altaar neerdaalt zonder meer. Het betekent, dat al die mensen zich geheel concentreren op Jezus en door Jezus op Zijn Vader. Zo trachten zij zich tot God te verheffen. Elke handeling van het ceremonieel bouwt mede deze spanning op, geeft een nieuwe impuls, waardoor het beleven – mits je begrijpt en meeleeft – en ook het begrijpen een hoogte bereikt, die ver boven de eigen oorspronkelijke vermogens uitgaat. Maar als je een ceremonieel niet begrijpt, wordt het belachelijk. Als je binnen komt in een synagoge en je hoort een joodse voorzanger zijn vreemd oosterse loopjes en uithalen zingen, dan doet dat een beetje komisch aan. Wanneer je die mannen ziet staan met hun gebedskleed, de rollen aangegord, dan, … als je niet begrijpt, wat het alles betekent, krijgt het een belachelijk aanzien. Als je een dominee hoort galmen zonder te begrijpen wat de achtergrond kan zijn, dan is die meneer, die staat te donderen en te roepen over dood, verdoemenis, hel en genezing, ook maar een vreemde, belachelijke figuur. Om nu nog maar niet te spreken over de druk heen en weer dribbelende priester, die op het altaar schijnbaar niets beters te doen heeft dan van rechts naar links en van links naar rechts te gaan. Dan krijgt het alles iets ridicuuls. Iets, waar je over zou kunnen spotten. Maar de mens, die verder doordringt dan de oppervlakte, begrijpt, dat al deze dingen zin hebben.

Wanneer je dan in een van die kerken komt, of het nu een synagoge komt, of een katholieke kerk is, of het een vrijzinnige, of een zeer orthodoxe gemeente is, of je een dienst meemaakt in een boeddhistische tempel, of een godenverering meemaakt bij de Hindoes, dan kun je door de gedachtesfeer te aanvaarden, al heel veel meemaken van wat er leeft aan krachten, aan werkelijkheden achter al deze dingen.

De mystiek gaat verder. De mystiek, die in elk geloof verborgen zit, toont ons de innerlijke beweegredenen tot al deze uiterlijke handelingen en daden. Zij toont ons het vreemde, niet altijd te begrijpen beeld van het Goddelijke, dat in onszelf woont en associeert dit met verschillende gedachten, woorden, daden, belevingen, enz. Is het een wonder, dat een waar mysticus in de eerste plaats ook een waar gelovige moet zijn? Niet in de kerkelijke zin misschien, maar dan toch in de zin, dat hij een innig en werkelijk beleefd geloof in zich draagt. Anders heeft de mystiek geen zin meer. Er bestaan mystici…. , als je die meemaakt lijkt het wel, of zij er een soort geestelijk puzzelhoekje op na houden. Zij draaien het ene raadsel na het andere, zij praten over grote geheimen en het blijft alles hol, leeg, dor, droog. Dan komt er een mens die ook mysticus is en met een paar eenvoudige woorden roert hij je. Je weet eigenlijk niet eens heel goed wat hij zeggen wil misschien. Maar je beleeft het.

De mystiek gaat van het innerlijke uit en vindt haar uiting juist door de projectie van innerlijke waarden op uiterlijke waarden en omstandigheden. Wordt de beleving geformaliseerd, dan komen wij weer tot het ceremoniële. Maar betekenis heeft dit alleen, zoals gezegd, wanneer er een innerlijk en werkelijk geloof achter staat. De grote fout, die de meeste mensen maken is deze: zij denken, dat je door je bezig te houden met de mystiek, of dit nu oosterse, of westerse is, je je zonder meer kunt verheffen, dat je daardoor iets krijgen kunt, zonder veel moeite krijgen kunt. Zij menen, dat een half onsje aandacht aan de mystiek gewijd, beloond zal worden met een pond bewustzijn, als interest. Ho maar! Zo gaat dat niet. Mystiek moet je doorleven en doorvoelen. Je moet je baseren op je innerlijk geloof. Je mag het zelfs niet formaliseren in een dwingende vorm. Elk innerlijke beleving vraagt een uiting. Daarvoor leeft u op aarde, of in een lagere sfeer ook. Je moet uitdrukking geven aan wat je bent. Dus ook aan wat je gelooft. Maar het geuite geloof is jouw uitdrukking. Wanneer je met verschillende gelijk denkenden dat geloof formaliseert, dan is dat goed, zolang je het eigen beleven daarin nog geheel kunt vinden. Maar anders heeft het geen waarde. Het innerlijk geloof moet dus te allen tijde de dragende kracht zijn voor alle uiterlijkheid, ook voor het uiterlijke geloof. Het uiterlijke geloof is gebaseerd op de mystiek, die het innerlijk beleven weerspiegelt en neerlegt in het ceremonieel, de gebruiken, de offergang en offerdiensten, waardoor dan dus het innerlijk beleefde als een vaste waarde buiten het “ik” kan worden gesteld. Heb je het zo ver gebracht, dan ben je net ver genoeg.

Je kunt mysticus zijn zonder een geloof te hebben, dat ook anderen aanvaarden. Maar niet zonder geloof. Je kunt een oprecht innerlijk geloof hebben, ook al heeft verder niemand in de wereld, of in het Al daar deel aan. Maar tot een uiterlijk geloof kun je alleen maar komen, wanneer je met vele anderen tezamen gebonden bent in eenzelfde geloven en eenzelfde beleven daarvan. Een ceremonieel, dat je alleen zelf volbrengt, zal meestal niet erg plechtstatig, of groots zijn. Het blijft, zoals de gewoonte, die de Germanen hadden met dat muntje, of dat stukje spijs.

Zoiets in het water te gooien vóór je een rivier oversteekt, is uiteindelijk ook een ceremonie.

Maar zij is persoonlijk. Op het ogenblik, dat wij te maken krijgen met een werkelijk uitgebreid ceremonieel, weten wij, dat dit alleen maar kan, doordat het gezamenlijke beleven van een groot aantal mensen er achter staat. Overigens schuilt daar nog een groot gevaar. Een ceremonieel, dat niet oprecht beleefd wordt door het grootste aantal der aanwezigen, vermindert de waarde, die het heeft, ook voor de werkelijk gelovigen, die aanwezig zijn. Zoals de mystiek in het holle en lege gepraat van sommigen, die niet de innerlijke waarde daartoe bezitten, kan worden tot een hinderpaal i.p.v. een middel tot bewustwording voor degenen, die werkelijk geloven en werkelijk naar waarheid zoeken.

  •  En de uitdrukkingswaarde van symbolen?

Dat had ik er eigenlijk ook maar meteen bij moeten zeggen. U hebt gelijk.

Het symbool krijgt pas enige waarde, wanneer achter een bepaald beeld, teken, enz. voor mij een reeks van begrippen schuilt, die voor mij hierdoor geheel worden uitgedrukt. Het symbool is dus een soort van stenografie. Het toont mij, wat ik in mijn wezen draag en herinnert mij aan veel meer, dan ik op het ogenblik meteen zou kunnen zeggen.

Voorbeeld: Het kruis als symbool van het christendom. Het kruis symboliseert heel het scheppingsverhaal. Heel het leven van Jezus op aarde. Diens kruisdood, Zijn gedachtegangen, de reactie van het christelijk beleven op de maatschappij. Dit alles is dus vastgelegd in een teken.

Het is het symbool, niet alleen maar van Jezus, maar van veel meer. Het is het teken voor alles wat christendom heet en door het christendom wordt beleefd.

Neem een ander voorbeeld, laten wij bv. de passer nemen. Die staat wel degelijk als werktuig ook voor een fase van geestelijke ontwikkeling, van innerlijke bewustwording. Zij is het werktuig dat je in handen krijgt, wanneer je een zekere weg hebt afgelegd en dus al op een bepaalde trap van bewustzijn staat. Zij maakt het je mogelijk de cirkels te tekenen. Dus de belangengebieden van mens en geest te bepalen en zo weer het Goddelijke te vinden. M.a.w., de passer is het symbool van een handwerk, een levensbeschouwing. Maar ook van een eigen beleven, van een geloof aan de mogelijkheid tot bereiking en beeld van bepaalde factoren binnen het Goddelijke, die je in deze fasen van zoeken meent te kunnen vinden.

Het symbool heeft dus als uitdrukkingswaarde de betekenis, die de mens erin legt. Nogal simpel.

Wat meer is: het symbool zelf wordt voor ons tot een verkort schrift, waardoor wij zonder bewust alles te overdenken, alleen al door het beschouwen daarvan ons kunnen realiseren: dit is er in mijn geestelijk beleven als waarde, dat is er in mijn bestaan, dat zijn de waarden, waar ik naar streef.

Er bestaan ook symbolen, die alleen, of hoofdzakelijk, betrekking hebben op het stoffelijke bestaan. Die hebben ook voor de mens eenzelfde betekenis. Alleen staan zij dan voor een reeks van handelingen, die niet zo snel te realiseren, of te volvoeren zijn, maar toch in het ene teken worden uitgedrukt. Neem nu eens als een bekend symbool, een door allen gekende uitdrukkingswaarde, het magische zinnetje: “De Nederlandse Bank betaalt aan toonder”. Het symbool van een maatschappij die uiteindelijk moet berusten op een onderling vertrouwen en onderlinge samenwerking, wil men binnen die maatschappij kunnen komen tot een verwerving, of een bereiking. Dat zou u zo niet zeggen. Maar ook dit zijn symbolen. Degene, die een muntbiljet beschouwt en zich realiseert: “Hier heb ik een gewoon stukje papier, dat voor een deel misschien met de waarde van goud wordt gedekt, maar zeker niet helemaal en toch kan ik daarvoor kopen, toch zal een ieder dit ruilmiddel van mij aanvaarden”, die zal zich veel dingen gaan afvragen.

Hij zal zeggen: “Vertrouw ik de mensen niet te ver, wanneer ik dit geld voor mijn prestaties aanneem? Vertrouwen de mensen ook mij niet, wanneer ik dat geld geef, of krediet krijg”. Want ook daar kennen wij een symbool in het dagelijkse leven: het doodgewone kruideniersboekje.

Het feit, dat men u iets wil leveren, ook zonder dat u daarvoor onmiddellijk een tegenprestatie levert. Een symbool van het fatsoen van de mensen, waarin de doorsnee mens nu eenmaal gelooft.

  • Wilde u zeggen dat er maar weinig symbolen zijn met een vergaande uitdrukkingswaarde?

Het wemelt ervan. De meesten kijken alleen maar naar de grote en gewichtige symbolen, zoals het kruis met de rozen, of naar het gewone kruis, lettercombinaties, naar samengestelde beelden als passer en hoek – de winkelhaak. Wij kijken naar de cirkel van de eeuwigheid, of naar de 8 van de oneindigheid. Maar er zijn veel en veel meer symbolen. In heel het leven blijkt, dat, wanneer aan een bepaalde voorstelling of uitdrukking een reeks van realisaties kunnen worden verbonden en deze binnen het “ik” bestaan, waardoor het symbool aanvaard wordt, dan heeft het symbool zijn uitdrukkingswaarde bewezen, het heeft bewezen, dat het in ons leeft. Zo wordt het dan de uitdrukking in kortschrift van ons eigen beleven en de waarden, die leven binnen ons, in de stof of in de geest

  • Hebt u wel eens gehoord van symbolen, die het mannelijke en vrouwelijke boven elkaar weergeven? Wat bepalen die?

Ik heb er wel eens van gehoord, maar het zijn geen symbolen, die ik bij voorkeur in het openbaar bespreek. Er zijn altijd wel weer mensen, die er iets anders achter zoeken, dan er achter steekt. Het symbool van het mannelijke, waaronder het vrouwelijke, is het teken van de materie die eerst tot ontwikkeling kan komen, als het bewustzijn zich daarin openbaart. Daar laat ik het lekker bij.

Ik geloof, dat wij er nu onder de hand wel zijn. Ik ben natuurlijk mijn bewonderaars en bewonderaarsters erg dankbaar voor de welwillende geluiden, waarmede zij mijn komen en waarschijnlijk ook mijn gaan begeleiden. Ik voel mij altijd erg gevleid door zoiets.

Maar dat gemompel is eigenlijk ook een symbool, weet u dat? Een symbool van het feit, dat de dwaasheid op deze wereld vaak meer geëerd wordt dan het verstand. Ik hoop echter, dat u mijn dwaasheid ook een beetje symbolisch wilt bezien, zodat ik er achter mag voegen, dat ik dan de schijnbare dwaasheid vertegenwoordig, die op wijsheid is gebaseerd. Dat is nu eens geen opschepperij, want ik hoop werkelijk, dat ik het al zover gebracht heb.

image_pdf