De grote en kleine werkelijkheid

image_pdf

10 mei 1976

Wij hebben vanavond weer een gastspreker, ons onderwerp wordt daardoor een klein beetje bepaald: wij hebben namelijk te maken met de zogenaamde grote werkelijkheid en daarnaast de kleine werkelijkheid. De kleine werkelijkheid is de menselijke en de grote werkelijkheid is de samenvattende en daarover zou ik dan een kleine inleiding moeten houden.

Nu is het misschien eenvoudig om het zo te zeggen:

De grote werkelijkheid is het totaalbeeld van het bestaan en de kleine werkelijkheid is een fragment daarvan. Maar het schijnt dat er meer aan vastzit dan je zou denken. Want een steentje in een mozaïek, dat is altijd een mooi beeld geweest en dat hebben we ook al vaak gebruikt. Maar na enige conversaties en lessen die ik ook heb gehad, kom je dan tot een andere en misschien wat zonderlinge conclusie:

De kleine werkelijkheid is de weergave van de grote werkelijkheid waarbij echter het grootste gedeelte van de factoren niet wordt beseft.

Dat is natuurlijk interessant. Maar aan de andere kant roept het veel vragen op. De vragen die bij mij daardoor gerezen zijn – u houdt mij ten goede, ik leg ze u maar voor en dan zal ik de antwoorden die ik daarbij meen gevonden te hebben ook geven – zijn ongeveer als volgt:

Als het gewone menselijke leven de weergave is van het kosmisch leven, wat is dan de hoofdlijn? Ik heb geprobeerd om een analogie te vinden tussen mijn bestaan en het menselijke bestaan en datgene wat wij vermoeden omtrent de totaliteit. De conclusie luidt als volgt: Al datgene wat wij zijn en wat wij doen, is niet in zijn verschijningsvorm – zoals wij die waarnemen – maar in de intentie zoals wij deze beleven, een weergave van de grotere werkelijkheid waartoe wij altijd behoren.

Wanneer ik iets doe is die daad op zichzelf dus niet noodzakelijkerwijze een weergave van het geheel; maar indien ik iets doe met een bedoeling, dan is die bedoeling wel degelijk iets wat in het geheel een grote rol speelt. Dat wij de verhoudingen niet juist zullen kunnen zien, dat geloof ik ook wel, maar toch moet er ergens een lijn te trekken zijn. Een tweede vraag was dan ook:

Wat zijn dan de delen van de werkelijkheid die wij niet beseffen? (Want dat lijkt mij ook erg belangrijk).

Als u overgaat of uittreedt neemt u een deel van uw eigen persoonlijkheid mee zoals u die nu kent. Niet het geheel, dat is het wonderlijke. Wij laten namelijk een aantal factoren achter. Wanneer ik dan probeer van mijn wereld uit verder te gaan naar weer een hogere wereld, dan laat ik wederom iets achter. Maar wanneer ik nu probeer datgene wat ik achterlaat te omschrijven, dan kom ik tot de conclusie, dat dit eigenlijk meer een reactie op de omgeving is dan geaardheid.

Wat dus eigenlijk buiten mijn besef staat is het geheel. Dat geheel werkt op mij in en vormt bij mij de voorstelling van mijn omgeving. Het vormt dus een omgeving voor mij, maar die vorm wordt bepaald door mijzelf, door mijn besef. Ik ben mijzelf en ik blijft mijzelf. Maar de wereld die ik mijzelf voorstel en waarin ik dus leef, verandert voortdurend. Dat komt omdat ik reageer op andere delen van die totale werkelijkheid.

Dan kunnen wij nog een paar stappen verdergaan en zeggen: Wat moet ik dan eigenlijk beginnen met ideeën als “goed en kwaad, noodlot en karma.” Want wanneer het kleine leven, de kleine werkelijkheid een weerspiegeling is van de grote werkelijkheid, dan kan ik eigenlijk aan de grote werkelijkheid niet veel veranderen 0f wel? En dat is nu juist de grote vraag!

Wanneer wij leven hebben wij het gevoel dat wij evolueren, dat wij veranderen, dat wij groter worden, dat wij beter worden. Dat bewijst zichzelf. Als wij namelijk in een hogere sfeer komen, hebben wij meer mogelijkheden. Wij overzien de zaak anders. En toch zou het precies gelijk moeten blijven.

Ik geloof dat wij die oplossing tenminste ook benaderen. Wanneer ik zeg: zoals die wereld door mij beleefd wordt, kan dat een evolutie zijn voor mij omdat ik mij bewust wordt van meer van de grote werkelijkheid. Geen scheidslijnen, geen aparte muurtjes. Neen, elke keer wordt mijn wereld iets groter, maar daardoor verandert mijn concept van de wereld en daardoor is dus mijn leven en mijn beleven anders.

Ik heb trouwens over die vraag ook nog even redelijk gediscussieerd en ik kreeg daar onder meer het volgende antwoord: (ik geef het u niet voor mijn eigen rekening, want dat durf ik niet aan, maar zo heb ik het dus van die meester gehoord)

“Alles is en blijft; de wijze waarop ik het blijvende besef bepaal of het tot mij behoort of tot de wereld. Maar in wezen ben ik alles wat ik besef, zowel mijn wereld als mijzelf. Het is de scheiding die ik maak tussen wat ik ben en datgene wat ik mijn wereld noem, welke verschuift en door deze verschuiving heb ik het gevoel van verandering, terwijl ik in feite alleen het bestaan voortdurend bevestig.”

Daarmee heb ik ook duidelijk gemaakt dat het eigenlijk een grote problematiek is, die verder reikt – dacht ik – dan een avond als deze kan doen. Het is gemakkelijk om te zeggen: ik heb mensen die mij beïnvloeden. Maar indien mensen u beïnvloeden, dan moet het ergens ook in uzelf liggen. Dan kan het niet alleen in een ander liggen. Je kunt zeggen: er zijn mensen die mij helpen, maar het zijn niet alleen de mensen die u helpen, want u bent er zelf bij betrokken. De voortdurende betrokkenheid schijnt dus essentieel te zijn voor het ego. Elke kleine werkelijkheid, of het nu een stoffelijke wereld of een sfeer is, zal met de grote werkelijkheid eigenlijk via deze essentie van het ego, verbonden zijn.

Kunnen er dan verschillende werelden bestaan? Als ik spreek over een grote werkelijkheid en een kleine werkelijkheid dan stel ik dat zij er zijn. Maar zijn ze er, bestaan deze werelden echt? Wanneer je uitgaat van de grootmeesters (er is zelfs een geheel geschrift nog over in Bali), dan schijnt het niet zo te zijn. Daar zijn eigenlijk geen afdelingen, daar is niets. Je zou het zo moeten stellen, dacht ik:

De scheiding die bestaat tussen wereld en wereld is de scheiding die voortvloeit uit mijzelf. Want de goden zijn mensen en de mensen zijn goden totdat zij zich anders benoemen.

Ik noem mijzelf anders en ik word anders. Er is een eigenaardig bijgeloof; u kent dat misschien wel. U zou het ook magie kunnen noemen, want het  werkt in bepaalde gevallen. Wanneer iemand verandert, dan verandert hij ook zijn naam. Soms is dat een roepnaam, soms is dat een gehele naam. Zelfs zonder dat je het wilt gaan de mensen je anders aanspreken of anders noemen. Hier verandert dus de benaming kennelijk om aan te duiden, dat het wezen verandert. En er zijn mensen die zeggen: ik wil anders worden, dus ik geef mijzelf een andere naam.

Bijvoorbeeld: ik wil stoppen met roken, ik neem een andere naam aan (van een persoon die niet rookt) dus in mijn voorstelling zal ik dan minder roken. Het klinkt erg gemakkelijk, maar ik heb nog niet gehoord dat het werkt.

Anderen zeggen: ik ga naar andere geestelijke werelden en daar moet ik een andere naam hebben, want daardoor is mijn beleven veranderd. Daar zit ergens wel wat in.

Elk wezen heeft een groot aantal trillingen; niet alleen haar eigen trillingsbeeld, maar een groot aantal factoren waaruit dit totaalbeeld, zoals u het als persoonlijkheid kent, is opgebouwd. Elk van die trillingen op zichzelf heeft weer zijn eigen weerkaatsing en hoort thuis in een bepaalde sfeer, d.w.z. in een bepaald werkelijkheidsbesef; maar hoort ook thuis bv. in gevoeligheid voor bepaalde stralingen, voor bepaalde geluidstrillingen.

Wanneer ik mijzelf nu benoem met een naam die resoneert in mijzelf, die verschilt van de naam die ik tot dat ogenblik heb gevoerd, wat doe ik dan eigenlijk?

Dan ga ik dus bepaalde andere trillingen die deel zijn van mijn wezen, in sterkere mate aan mijn wezen toevoeren, want ik ga over mijzelf denken met die naam; anderen gaan mij aanspreken met deze naam, dientengevolge verander ik mijn afstemming op de kosmos en dus ook mijn beleven en mijn reacties in die kosmos.

Als ik dit alleen maar voor een naam zeg, dan is het duidelijk dat dit maar een heel klein facet is. Als u uw bewegingspatroon verandert, betekent dit ook dat er iets in uw eigen ritme verandert. Uw ritme van leven en denken. Indien dat verandert, dan wijzigt zich eveneens uw relatie met de omgeving. Dat wil zeggen dat andere factoren uit deze omgeving sterker op u zullen inwerken. U moet daardoor veranderen. Het is zo ingewikkeld dat bepaalde yogaoefeningen, die eigenlijk alleen maar te maken hebben met het sluiten van bepaalde levensstromen, het gebruik van bepaalde sleutelwoorden bv. of klanken, tezamen de mens niet alleen maar brengen tot een toestand van innerlijke vrede of nieuw bewustzijn, maar werkelijk zijn wezen veranderen, omdat daardoor voor hem zijn wereld veranderd wordt. Ik ben zo vrij geweest om daaraan een conclusie te verbinden:

Indien mijn beeld van de wereld verandert, verander ik zelf. Naarmate ik zelf verander, zijn mijn mogelijkheden groter in de wereld zoals ik die erken. Maar gelijktijdig zal ik wederom een nieuwe afstemming moeten vinden en hoe juister deze afstemming is, des te groter is het aantal factoren dat daarin is opgenomen. Dus ik kan mij voorstellen, dat iemand Jan heet en dat een ander Kees heet. Misschien wordt Jan deftig en noemt zich “Jean” en dat Kees “Cornelis” wordt. Daar zijn klankveranderingen bij.

Maar wanneer iemand een hele grote omvang krijgt in zijn eigen bereik en hij moet dat gaan aanvullen door weer nieuwe klanken aan te voeren, dan kan hij daar niet meer bij stilstaan. Dan is het heel begrijpelijk dat er iemand is die een nieuwe naam kiest (het was een doodgewone Nederlander in dit geval). Ik kies een mens uit uw eigen tijd. Hij heet Thijs. En deze noemt zich nu Pratmasoesoeboehoe Kantavoenoe. Je breekt je nek daarover als je probeert het vlug uit te spreken.

Deze man heeft kennelijk geprobeerd zoveel nieuwe bereiken aan te boren, dat hij daarvoor een hele serie andere trillingscombinaties moest hebben. Nu is het erg frappant dat de A-trilling terugkomt. Je zou dus zeggen: deze mens heeft zijn bewustzijn uitgebreid, maar steeds met varianten van een factor die reeds aanwezig is. Maar het is geen ‘ij’ meer, het is geen Thijs meer. Stel je voor dat die man zich Thijs Pratma …. enz. enz. zou noemen, dat wordt dan nog erger.

Heeft de mens daarmee eigenlijk een sleutel? Ik dacht het tenminste wel. Heeft die mens dus een sleutel gekregen voor iets van zijn eigen werkelijkheid? Kijk eens, je hebt je eigen naam natuurlijk. Maar je kunt van Corrie Connie worden bv. of zo iets dergelijks. En dan verander je. Is het waar? Ja. Heeft het zin? Tot op zekere hoogte.

Want slechts wanneer ik datgene wat ik reeds ben kan behouden, heeft de keuze van de nieuwe naam betekenis en zin. Ik breid dan mijn gevoeligheid en mijn contact met de wereld en met de kosmos uit. Mijn werkelijkheid wordt niet alleen groter, maar mijn werkelijkheid wordt samenhangender. Daardoor wordt mijn wereld iets wat gelijktijdig intenser te beleven is en vollediger mogelijkheden biedt. Het is die uitbreiding die van het allerhoogste belang schijnt te zijn, wanneer wij eigenlijk een beetje los willen komen van de kleine werkelijkheid.

Nu is het zo, dat wij in ons leven altijd verbonden zijn met bepaalde personen. Zo gewoon het kleine ploegje. Hier zit een heel stel bij, waarvan je zegt: Nou, die hebben aardig veel incarnaties met elkaar doorgemaakt. Niet in dezelfde vorm. Daar zijn er nu die erg vriendelijk zijn tegen elkaar, maar die hebben elkaar vroeger doodgeslagen. Maar in ieder geval is die band er.

Degenen die hier tezamen zijn, hebben onderling ook meestal nog wel verbindingen, soms via bepaalde leringen, soms via bepaalde harmonische bestrevingen en sfeer, en heel vaak ook door zaken, die zij op aarde hebben gedaan, in een vroegere vorm.

Ik geloof niet dat je je daarvan kunt losmaken. Je kunt je niet losmaken van een persoon en zeggen: nu is het voorbij, ik heb met jou niets meer te maken. Want die band die er is, is een deel van jou. Niet slechts van je kleine wereld, neen, van je grote wereld.

Ik heb geprobeerd om dat op mijn manier na te gaan en ik kom tot de conclusie, dat wij de samenhangen die tussen werkelijke persoonlijkheden bestaan nooit zullen kunnen ontkennen, verbreken of verstoren zodra het gaat om de totaliteit. Wij kunnen dat wel doen in onze beperkte wereld, in onze kleine wereld, maar dan is het alleen maar een opschorting van besef en van invloed.

Als je dan nog een beetje verder gaat, vraag je je af waarom eigenlijk zoveel mensen bij elkaar schijnen te horen en soms vluchtig, soms minder vluchtig contacten hebben in vele incarnaties en toch nooit zich ervan bewust zijn, dat zij eigenlijk toch ergens bij horen. Ik kan dit niet met zekerheid zeggen, maar ik dacht dat het volgende juist is:

Wij zijn niet alleen deel van de grote werkelijkheid, maar wij zijn ook een functie in die grote werkelijkheid. Wij veroorzaken iets en brengen iets tot stand, wij uiten iets hoe je het ook zeggen moet. In die uiting – hoe wij dat ook tot stand brengen – zijn wij niet alleen. Wij zijn als het ware verbonden in een soort team, een soort samenwerking. Dat betekent dat allen die behoren tot een bepaalde groep met een bepaalde functie, elkaar voortdurend weer zullen ontmoeten. Zij kunnen namelijk het contact dat zij in de grote werkelijkheid hebben nooit ontkennen en of zij in hun eigen kleine werkelijkheid nu in die banden en totaliteit beseffen of niet, doet eigenlijk niets terzake. Zij kunnen nooit elkaar werkelijk ontlopen. Zij kunnen nooit geheel verschillende richtingen inslaan.

Wanneer een dergelijke taakstelling zoals ik verondersteld heb bestaat en deze omvat groepen (en dat kan net zo goed een groep van honderdduizend zijn, van tien miljoen als van drie man, dat begrijpt u ook wel), betekent dit dan niet, dat er een mate van voorbeschiktheid bestaat, een zekere predestinatie? Ik dacht dat er iets voor te zeggen is en dat je nu moeten omschrijven.

Wij kunnen bepaalde zaken en contacten niet ontlopen omdat zij tot ons wezen behoren. Wij kunnen niet ontvluchten aan datgene wat wij werkelijk zijn. Het is onze predestinatie, dat de taak die wij in de grote werkelijkheid bezitten, zozeer deel is van ons wezen, dat ons bewustzijn niet in staat is ons contact met taak en al datgene wat er in de grote werkelijkheid bij behoort, te verbreken. Onze vrije wil houdt op, op dat ogenblik dat wij onze ‘raison être’, onze bestaansgronden zouden willen aantasten door ons los te maken van al datgene wat bij ons hoort.

Vergeet niet: dit is slechts mijn persoonlijke theorie; geen zekerheid, ik kan het niet bewijzen. Misschien dat onze gastspreker op zijn manier daar enige duidelijkheid in kan brengen, maar voor mij althans is het speculatief.

Ik weet nu dat ik aan mijn lot niet kan ontkomen, voor zover het mijn bindingen met personen betreft. Dat weet ik dus zeker. Dat daarbij een taak behoort is misschien mijn eigen projectie van zinrijkheid op dat geheel. Dat weet ik dus niet.

Ik weet niet of ik een taak heb, ook wanneer ik mij op dit moment bezighoud met iets wat ik een taak noem. Maar ik weet dus niet of dat in de grote werkelijkheid een taak is of een functie of wat anders. Want dat is mijn wereldbeeld. Dat ik in een ver verleden verbonden ben geweest met entiteiten, met wie ik nu contact blijf houden – ongeacht verschillen in sfeer (sommigen leven zelfs op aarde, anderen leven in hogere werelden en ik op een lagere) – en die kennelijk voor mijn eigen besef van waarde en betekenis onmisbaar zijn, doet mij veronderstellen, dat een dergelijke band of binding niet afhankelijk is van de kleine wereld waarin ik zit.

Jouw eigen reactie daarop: Ja. Jouw besef daarvan: Ja. Dat is de kleine wereld. Maar het feit zelf wordt niet bepaald door kleine werelden waarin je zit, het is een essentieel deel van je eigen wezen geworden.

Dan bestaat er een zinnetje om altijd weer te proberen te hanteren. Dat is namelijk: “Zoek de eenvoud.” Met andere woorden: probeer al die speculaties en al die feiten samen te brengen tot een geheel, dat voor jezelf tenminste begrijpelijk, juist en benaderbaar is. Dan weet ik nooit of mijn beeld voor u benaderbaar is, maar voor mijzelf zou ik het eenvoudigheidshalve zo willen stellen:

Ik ken mijn bron niet. Ook wanneer ik mij er een beeld van maak. Ik ken mij zelve maar ten dele, ook al heb ik een zeer concrete voorstelling van mijn wezen. Doordat mijn kennis van bron en ik niet volledig zijn, kan ik nooit een oordeel hebben over de werkelijkheid zoals die in God of in de Kosmos, de Eerste Oorzaak, bestaat. Daar ik niet oordelen kan – ik kan slechts registreren daar waar ik registreer – stel ik vast wat voor mij belangrijk is. Het is mijn persoonlijkheid, mijn reactie. Dus dat is de vereenvoudiging die ik toepas.

  1. Ik kan niets zeggen over de kosmos, alleen maar over mijzelf en dan slechts zover als ik mijzelf ken.
  2. Alle banden die voor mij bestaan zijn mijn werkelijkheid.
  3. Mijn werkelijkheid is deel van mijn wezen en zal in alle toestanden waarin ik leef voor mij gelijkelijk optreden.

Dan zijn mijn conclusies t.a.v. de kosmos ongeveer als volgt te omschrijven (het is weer mijn denken, mijn poging om eenvoudig te zijn):

Wanneer ik zeg: “Ik ben één met God” zal het waar zijn, maar zolang ik het niet volledig besef is het zinloos om dit te stellen. Wanneer ik zeg: “Ik erken een voortdurende eenheid met een aantal personen en persoonlijkheden door meerdere werelden en sferen heen”, dan kan dit tijdelijk voor mij dit beeld van opgaan in God remplaceren. Ik stel voor mijzelf de bindingen die ik ken als zijnde Goddelijk van origine en onveranderlijk van origine.

Dan concludeer ik verder, dat alleen daarom reeds ik deze bindingen moet blijven honoreren, moet blijven erkennen waar dit mogelijk is. Op het ogenblik dat ik dat niet doe of beperkt doe zal ik tekort schieten – niet t.a.v. de kosmos of de wereld, maar ten aanzien van mijzelf – omdat ik mijn beeld van het goddelijke zoals het voor mij mogelijk is, kleiner maak, minder waard maak. Alles wat ik als lot ervaar, vloeit voort uit mijn voorstellingsvermogen, het is niet mijn werkelijkheid.

Dan moet mijn werkelijkheid iets zijn wat boven het lot staat en als zodanig het lot beheerst. Mijn werkelijke wezen is meester van alle gebeurtenissen zoals deze zich voor mij voordoen. Mijn beperkte ik, zoals ik het in de wereld beleef, is echter onderdanig aan de gebeurtenissen, omdat het geen besef heeft van de volheid van zijn eigen wezen.

  • …… meester heeft het ook gezegd.

Iedereen kan het zeggen, maar je kan het alleen voor jezelf leven. En dat probeer ik nu zo duidelijk mogelijk te zeggen hier. Het gaat er niet om wat wij ervan denken, het gaat er om hoe wij het kunnen beleven. Voor mij is het eigenlijk heel eenvoudig;

Als geestelijke persoonlijkheid – zoals ik nu besta dus – ben ik verbonden met ongeveer (laat honderd meer of minder buiten beschouwing) duizend persoonlijkheden, waar ik dus intens mee verbonden ben geweest en meen ook verder te zullen blijven. Deze brengen weer hun eigen bindingen mee, maar die zijn voor mij indirect. Ik heb ongeveer duizend directe contacten tussen mijn persoonlijkheid en andere persoonlijkheden.

Deze duizend zijn tezamen een taak of een doel, een bedoeling of een gedachte, dat weet ik niet, van een grotere werkelijkheid.

Dan zal ik niet moeten zoeken naar een bepaalde selectie onder die duizend, maar ik zal moeten reageren op elk van die duizend, waarmee ik contact maak op het ogenblik dat dit het geval is. Ik zal in elk contact rekening moeten houden met het feit, dat ik het geheel moet blijven beleven. Want op het ogenblik dat – om welke reden dan ook – mijn contact met het geheel verbroken wordt door één van degenen met wie ik verbonden ben, zal ik hetzij nu of later in deze wereld of in een andere wereld, in welke sfeer dan ook, toch die binding moeten terugbrengen tot wat zij behoort te zijn: een aanvulling van een geheel zoals ik dat zelf ben. En zij zal nooit een dominerende factor mogen worden, hetzij over mij of over het geheel waartoe ik denk te behoren.

Dan is mijn persoonlijke zin van het bestaan het waarmaken van alles wat ik beseffen kan in die duizend, globaal geteld dus. Alles wat ik ben zal kunnen weerkaatsen in deze duizend. En nu komen wij tot een heel gekke conclusie:

Wanneer ik door een medium bijzonder goed kan werken (op dit ogenblik zijn er drie op deze wereld, waarmee ik dat bijzonder goed kan), dan betekent dit, dat wij tezamen deel uitmaken van een schema, van een geheel. Wij hebben vibraties die op elkaar afgesteld zijn en in de grote wereld altijd afgestemd zullen blijven. In onze kleinere werkelijkheden betekent het toch dat wij elkaar terug kunnen vinden en die harmonie met elkaar kunnen vinden. Dit houdt verder in dat, wanneer ik werk door die drie mediums, het voor mij mogelijk is een groter deel van mijn persoonlijkheid te uiten dan anders; maar gelijktijdig ook dat ik meer opneem van de wereld waarin zij vertoeven, van de persoonlijkheid die zij zijn, dan in andere gevallen voor mij mogelijk was.

In mij vindt een vermenging plaats van al die krachten waarmee ik verbonden ben en op mijn beurt geef ik iets van mijzelf aan al die krachten. Ik heb het gevoel dat ongeacht het feit dat de persoonlijkheden blijven bestaan zoals zij zijn, er een soort osmose van besefswaarde plaatsvindt, een uitwisseling door de scheiding der persoonlijkheden heen en dat in deze uitwisseling de vrijheid van het grote bewustzijn van de vernieuwing gevonden wordt.

Nu spreken wij over een vernieuwing die niet mogelijk is in de grote wereld, maar wel in de kleine wereld. In mijn wereld is vernieuwing mogelijk, omdat ik voortdurend meer beseffende een geheel nieuwe wereld en nieuwe mogelijkheden ga betreden. Maar ik zal de grotere en die nieuwere en betere wereld alleen dan kunnen behouden wanneer ik niets afwijs maar slechts mijzelf blijf.

Dat is natuurlijk een moeilijke factor, want er zijn mensen die eigenlijk niets willen afwijzen, omdat ze aan de slanke lijn doen, maar als er dan toch weer een lekkere, vette hap voor ze staat, slikken ze hem maar. Er zijn mensen, die dat in andere opzichten doen. Die zeggen: “Nu ja, wij horen eenmaal ergens bij elkaar, die harmonie is er, dan moet ik dus niets afwijzen.” Maar zo ligt het niet! Want het gaat om het gebeuren. Het gebeuren kan ik afwijzen, maar de persoonlijkheid niet.

Ik heb hier te maken met iets waar ik zelf nog over leer. Dat moet u goed begrijpen. Ik sta dus nu als kwekeling op betrekkelijk jeugdige leeftijd nog op proefklas van degenen, die misschien bijna mijn gelijken zouden kunnen zijn. Wanneer ik dan mijzelf wil blijven en gelijktijdig toch datgene wat ik ben tot uitdrukking wil brengen, dan kom ik als vanzelf terecht in dit proces van: wat is het voor mij?”

Ik kan niet bekijken wat het voor u is, om de doodeenvoudige reden dat ik geen kennis heb om te overzien wat het voor u kan zijn. En hiermee ben ik ver van huis geraakt, want eigenlijk zou ik hier gewoon een lesje moeten geven en in plaats daarvan zit ik te filosoferen met u en gelijktijdig mijzelf te analyseren, voor een deel althans. Dat zult u mij dan voor deze keer moeten vergeven.

Wij hebben nu een gastspreker en het is gebruikelijk dat wij zo iemand inleiden; u zult het zelf wel ontdekken: het is een ontzettend lieve persoonlijkheid, een erg prettige persoonlijkheid. Neen, niet het “pastoortje” voor degenen die dat denken. Het is doodgewoon iemand die je kunt aanvaarden of die je niet kunt horen.

Laat ik het zo zeggen:

Omdat ik hem kan horen, schijn ik dus verbonden te zijn met hem in de grote werkelijkheid en wanneer u van mijn woorden begrijpt, dan is het heel waarschijnlijk dat u dezelfde verbondenheid met hem zult erkennen. Nu is de vraag alleen maar: zijn die verbindingen op den duur misschien zo omvattend, dat je met alles verbonden bent? Theoretisch is dat denkbaar en voor de meesten van ons ook het enige antwoord. Maar het is in ieder geval wel zo:

Wanneer ik kan opgaan in iemand en anderen kunnen eveneens in hem opgaan, dan moet er een wisselwerking plaatsvinden. Niet alleen tussen die grote persoonlijkheid en onszelf (ook al zullen wij dat graag denken), neen, dan is het iets dat speelt in allen die verbonden zijn, of zij aanwezig zijn of niet, of zij mens zijn of God, of wat dan ook. Het is een soort cirkelgangeffect, een soort kosmisch lichten, dat niet een ding wel omhult en het andere niet, maar dat alle dingen tezamen kan omvatten.

In mijn poging om de grote en de kleine werkelijkheid een beetje duidelijk en kenbaar te maken, heb ik het misschien wat ingewikkelder gemaakt dan de bedoeling was. Maar voor uzelf moet u het eens nagaan. Er zijn bepaalde dingen in uw leven die steeds terugkeren. Gebeurtenissen, dus eigenlijk invloeden als men het goed wil vertalen, maar ook mensen. Het zijn soms niet precies dezelfde mensen, maar dan zijn het toch wel precies dezelfde typen. Het lijkt er soms op alsof je gehele leven door harmonieën wordt beheerst. Zelfs de disharmonieën herhalen zich voortdurend op vergelijkbare of ongeveer gelijke wijze. Denk daarover eens na.

Dit betekent toch dat er een patroon moet zijn. Dat patroon is in onze eigen wereld die beperkt is – of dat nu een sfeer is of uw wereld – niet volledig kenbaar. Wij kunnen er geen antwoord op vinden. Wij kunnen het antwoord alleen vinden als wij steeds meer werelden bij elkaar voegen, want dan krijgen wij dus de hoofdlijnen te zien waar het om gaat.

Voor mij zijn al onze levens tezamen niet veel meer dan een soort sjabloon van de werkelijkheid en die moeten wij dan met onze eigen persoonlijkheid invullen. Dan blijkt dat wij daarbij voortdurend aansluiten in een harmonisch patroon met allerhande andere persoonlijkheden. Wat is een sjabloon? Het is nog niet voor ons vervuld, het is een leegte die wij aan het opvullen zijn. Deze leegte die wij opvullen is omlijnd. Er is een beperking van onze mogelijkheid en er is ook een beperking van hetgeen wij zullen zien als taak of wat dan ook.

Hoe je ook denkt, hoe je ook worstelt, je komt nooit verder dan dat punt dat bij jou behoort. Je kunt misschien op aarde alles bereiken – daar gaat het niet om – je kunt misschien geestelijk het hoogste licht bereiken, maar je zult nooit meer zijn dan je bent. Je zult nooit andere verbindingen kennen dan de verbindingen die je gehele bestaan van begin tot het eind toe beheersen. Want dat is jouw werkelijkheid, jouw grote werkelijkheid.

Als wij nu weten dat de grote werkelijkheid bestaat, kunnen wij misschien onze kleine werkelijkheid gemakkelijker aan. Want als je tegen jezelf zegt: “Ik word voortdurend miskend en dit gebeurt en dat gebeurt en wat heb ik eraan?” Dan wordt het op een gegeven ogenblik toch een beetje onplezierig. Maar je moet begrijpen dat al deze dingen, al die verbindingen, iets te zeggen hebben, niet alleen over uw beleven en leventje op deze wereld, maar ook omtrent uzelf en dat zij duidelijk maken waar u verbonden bent. Deze verbindingen zijn oneindig, ze zijn eeuwig of hoe je het wil noemen. Deze verbindingen zijn namelijk geïntegreerd in uw wezen en als u het hoogste bereikt zijn de verbindingen er nog. Dan kan je zeggen:

Al deze banden die bestaan, zullen blijven bestaan en banden die niet werkelijk bestaan, kan je ook niet zinvol in jouw stoffelijk of geestelijk leven opbouwen. Je bent beperkt tot datgene wat je bent.

Dat is een gekke conclusie: Ik ben bijna God, ik ben die ik ben.

  • Je denkt dat je bent.

Neen, ik ben wat ik denk dat ik ben, op het ogenblik dat ik in een kleine wereld leef. Maar ik ben, wat ik ben in de grote werkelijkheid.

Ik ben dus onveranderlijk in de grote werkelijk, maar in de kleine werkelijkheid ben ik veranderlijk door mijn besef en denken.

Dat is een kernwaarheid waar dadelijk over gesproken wordt, ik ga het niet al te lang meer maken. Maar wat ik thans probeer om te laten doordringen is dit:

Wij zitten hier nu als groepje bij elkaar samen te werken. D.w.z. dat ik werk en u zucht of luistert.

Maar wat ik nu ben en doe, de band die er bestaat, de reactie van vibraties die er thans bestaat, is oneindig. Daar komt geen einde aan. De woorden die ik heb gezegd zullen voor mij en voor u veranderen. De begripswerelden die ik tracht te schilderen zullen zich voortdurend wijzigen. Want de wijze waarop je je bewust bent van deze verbindingen, verandert voortdurend en daardoor je beeld van de wereld. Maar de essentie ervan blijft gelijk. Dat zegt niet alleen dat niets zinloos is in je leven en wat werkelijk belangrijk is, maar dat zegt ook nog iets anders:

Wij moeten namelijk leren zowel onze ellende als onze vreugden een beetje anders te zien. Wij erkennen ze als een deel van de werkelijkheid waaraan wij onontkoombaar verbonden zijn. En dan is het leed iets wat wij eigenlijk een klein beetje zelf veroorzaken en de vreugde ook! De band is blijvend.

Ik denk dat je daarom kunt zeggen dat alles wat in het leven is gebeurd niet alleen zinvol, maar bovendien de weergave is van iets hogers dat in ons leeft.

Indien wij onszelf willen leren kennen, moeten wij alleen maar eens kijken naar al datgene wat in ons leven een onontkoombare rol speelt. De gebeurtenissen waarop wij eigenlijk geen antwoord hebben, waarbij redelijkheid en onredelijkheid door elkaar lopen en die toch onvermijdelijk lijken. Wij moeten gewoon kijken naar de manier waarop en dan zeggen: “Dat ben ik zelf.”

Wanneer ik moet afdalen in een duistere wereld om iemand daar langzaam tot bewustzijn te brengen, dan spreek ik tot een deel van mijzelf, want anders zou ik daar niet kunnen komen. Wanneer ik een medemens ontmoet op uw wereld, dus als ik mens ben, en ik kan met die mens, al is het maar een ogenblik, werkelijk besef delen, dan heb ik daarmee iets duidelijk gemaakt omtrent mijzelf. Dat besef is deel van mijn eigen grote werkelijkheid, niet in zijn uitdrukking maar in zijn harmonische waarde, in zijn trilling, in zijn eigen vibratie. Dat betekent dat niets tenietgaat van hetgeen je nu hebt, voor zover het belangrijk is; ook wanneer het in gestalte voortdurend zal veranderen.

Ik dacht dat dat toch een enigszins aangename conclusie was.

Je ziet dat je veel kunt kwijtraken op aarde, maar je kunt niets werkelijk verliezen wat van belang is. Je kunt veel winnen op aarde, maar je kunt nooit iets winnen wat je niet al hebt, wanneer het werkelijk belangrijk moet zijn.

Dat betekent dat als je jezelf een beetje beter leert kennen, je het gehele lot en alle karma en alle aspecten kunt samenvatten in een waarheid.

Mijn wezen met zijn harmonische mogelijkheden kan slechts antwoorden op de kosmos vanuit zichzelf.

Ik weet niet of ik u moet complimenteren met uw geduld of wijsheid. In ieder geval neem ik nu afscheid van u.

De gastspreker.

Ik heb bemerkt dat ik uw inleider enigszins in verwarring heb gebracht. Dat is heel begrijpelijk, want de verwarring is een natuurlijk verschijnsel bij iedereen die probeert om zijn beelden van een kleine wereld te huwen met die van de werkelijkheid. Weet u, dat is eigenlijk een circushuwelijk. Een stervende vlo wil huwen met de olifant. En dat is altijd iets wat biologisch maar ook anderszins onmogelijk is.

De zaak is eigenlijk eenvoudig genoeg. Als ik probeer om dat te gaan vertellen, moet u nu niet al te gek opkijken, want er zijn dingen bij waarvan je zegt: “Dat is zo” en je maakt het nooit waar. Er zijn dingen bij waarvan je zegt: “Dat is niet zo”, maar je doet het wel voortdurend. Daarvoor leef je in de kleine wereld van de mensen.

U weet hoe dat is: mens-zijn betekent het ene willen en het andere doen. Het ene zeggen en het andere denken. En er verder het beste van hopen!

Een wereld zoals je die kosmisch beziet, is eigenlijk geen wereld meer maar vlechtwerk. Onze vriend heeft zijn eigen reeks verbindingen, die heeft u allemaal, maar wat hij nu niet in zijn huidige kleine wereld, ofwel zijn nonexistente hoofd kan krijgen, is het feit dat elk van hen weer een groot aantal verbindingen representeert en zo verder.

Het is misschien te brutaal om te zeggen, dat onze God zich bij de schepping gedragen heeft als een kantwerkster. Zij heeft alle lijntjes door elkaar geklost, maar als je nu eenmaal bij deze reeks behoort, blijf je voorlopig ook wel aan deze kant. Maar je bent deel van een weefsel en dat weefsel kan je alleen in zijn geheel beschouwen.

Onze vriend – het is mijn vriend en ik neem aan dat het ook de uwe is – wil nu met alle geweld alleen spreken over die draadjes waarvan toevallig een paar omgeknoopt zijn. Maar dat is natuurlijk dwaas. Anders zeg je: “Kant dat is een aantal gaatjes waar ik omheen lig.” En dat is niet waar. Het is een verdeling van ruimte. Kantwerk is ruimte waarin draden een patroon weven, waardoor specifieke eigenschappen van die ruimte kenbaar worden.

Ik wil niet zeggen dat ik in mijn tijd zeer mondain geweest ben, maar toen maakte men kantachtige weefsels en die werden door de vrouwen dan wel als enig kleed gedragen. Als u dat gezien had, zou u het met mij eens zijn, dat juist de draden eigenlijk de nadruk leggen op de ruimte waarover zij zich hebben uitgespreid.

Hier wordt gezegd dat mijn tijd “wulps” was. Het was wel de tijd dat de ooievaar nog niet in zwang was, omdat men wat dat betreft meer van zelfbediening hield. Maar wat u wulps noemt, was eens normaal en de wulpsheid van uw tijd komt eerder voort uit het angstige gevoel van onbehoorlijkheid dat men koestert om daardoor de genietingen te vergroten. Maar daarover wilde ik u niet spreken.

Het verleden is eigenlijk de toekomst. Wat ik ben, dat ben ik. Want ik ben deel van het weefsel van de eeuwigheid en ben op een bepaalde wijze verbonden met andere wezens, met mensen of geesten of hoe je het noemen wilt. U bent deel, onverbrekelijk deel van het geheel, zoals een draad onverbrekelijk deel is van een weefsel of het nu toevallig schering dan wel inslag is.

In onze kleine werelden zijn wij ons alleen maar bewust van een klein stukje van de draad die wij zijn en wij zien dus alleen de contacten die wij hebben in dat kleine wereldje. Maar wat ik hier ben, dat zal ik ook later zijn. Want ik ben een en dezelfde kwaliteit, ik ben in het totaalweefsel een deeltje werkelijkheid.

Wat ik op mijn weg ontmoet is ook niet iets wat ik nooit meer zal ontmoeten. Want anders had ik het al wel vergeleken met een lapje, maar het is kantwerk. Het is een soort rond weefsel in meer afmetingen dan u zich kunt voorstellen als mens en daarbij ontmoet elke draad eigenlijk steeds weer al die draden waarmede het tezamen het patroon heeft gevormd. Deze herhaling ervan geeft je een specifieke eigenschap.

Misschien kunt u zich voorstellen dat er een draad door een kantwerp loopt en elke keer met andere draden tezamen een bepaald ovaal openingetje omlijst.  De ene keer zit die draad met het openingetje aan de ene kant, de andere keer aan de andere kant. Maar het zijn steeds dezelfde openingetjes. Daarnaast is er een die heeft misschien steeds een stervormige ruimte. Maar nu is het gekke dat de stervormige ruimte alleen kan bestaan wanneer hier het ovaal goed omlijst is. De onverbrekelijke verbondenheid ligt vast. Neem één stuk van het patroontje weg en de rest verliest zijn perfectie, zijn uitdrukking, zijn volledigheid.

Voordat u nu denkt, dat ik een prehistorisch handelaar in textiel ben geweest, wil ik dit beeld verder terzijde laten.

Wij leven samen met degenen met wie wij het bepaalde patroon vormen. Daarbij kunnen onze functies wisselen. Heden dien ik u, morgen zult gij mij dienen. Heden val ik u aan, morgen zult gij mijn aanvaller zijn. De functies kunnen verwisselen, maar wat niet veranderen kan, is het beeld dat wij tezamen vormen. In een oneindige kosmos vanuit ons beperkte standpunt zullen ook een oneindig aantal entiteiten zijn.

Wij hebben nu een aantal van deze persoonlijkheden waarmede wij in het bijzonder samenwerken. Dat wil niet zeggen, dat wij niet met de anderen verbonden zijn. Maar het wezen dat wij zijn, de betekenis die wij hebben wordt a.h.w. door die anderen versterkt. Daardoor zijn wij in het geheel wat wij moeten zijn. Dat is dan de verbondenheid, de harmonie, die nooit teloor kan gaan. Zij is essentieel voor het wezen van de kosmos.

Maar wij leven niet altijd in de kosmos. Een mens die de kosmos beleeft, het geheel beleeft, die zal het als een flits ervaren en daar zeer waarschijnlijk niets van onthouden. Het is trouwens opvallend bij mensen: Zij onthouden vaak het nutteloze en het belangrijke vergeten zij, in ieder geval tot het te laat is. Ik spreek hier uit eigen ervaring.

Maar wanneer wij die kosmos nu erkennen als bestaande, als grote wereld, dan kunnen wij toch wel zeggen dat ons kleine wereldje nooit kan bestaan, behalve als een deel van die grote wereld. Alles wat ik in die grote wereld met anderen samen maak, zal ik nu weer in mijn kleine wereld ergens reproduceren.

De grote moeilijkheid is dat je geneigd bent om het een bereiking te noemen, wanneer je een paar van deze afzonderlijke wereldjes bij elkaar hebt gevoegd. Want je denkt dat elke wereld anders is. Dat is jouw beleven. Maar het wezen van die wereld is hetzelfde. Je bent zelf deel daarvan en de werkelijkheid die wij zijn is onveranderlijk.

Wanneer wij oplossen in het schijnbare niets en verbonden zijn met de grote werkelijkheid, zijn wij nog steeds dezelfden. Het is dezelfde, die, één met het geheel, het weefsel van de kosmos kent en degene die aarzelend zich afvraagt “Besta ik? ” De kleine werelden geven ons een beeld van dat geheel – niet van het totale, zover zijn wij niet – maar van ons geheel.

U hebt zelf waarschijnlijk ook wel eens ondervonden dat u denkt: “Hoe komt dat nou? Ik ben altijd weer degene die moet werken en een ander zit dan goedkeurend te kijken en vraagt of je niet wat beter op kunt schieten.” Er zijn altijd weer mensen die denken: “Van mij wordt er altijd toch maar geprofiteerd. Wanneer profiteer ik nu eens een keer?” En dan profeteren zij, dat zij zullen profiteren, maar zij zijn geen profeten.

Ja, dat is de stijl van iemand anders die u kent (Henri). Maar ik ken nog andere stijlen. Want dat is een verwevenheid.

Er is iemand die gezegd heeft dat de Schepping een kosmische grap is. Dat was kennelijk iemand die zichzelf belachelijk vond. Misschien had hij op dat ogenblik in die kleine wereld van hem gelijk. Maar zijn wij niet allemaal samen de voortdurende glimlach om het bestaan? Een glimlach is een relativerende uiting van vreugde. Wij glimlachen tezamen om het bestaan. En u met uw functie in dit leven, u krijgt de volgende keer de andere kant wel weer te pakken. Dan bent u degene die een ander vraagt: “Zou je dat nog even willen doen en wil je een beetje opschieten?” Verheug u dus. Want dat is slechts een verschijningsvorm.

Wat is echter het belangrijke?

Al zou je acht of negen van die werelden waarmee je verbonden bent elk voor zich helemaal bewust kennen, dan zou je nog niets weten, wanneer je niet zou letten op wat je bent. En nu blijkt: Elk bestaan is wat u ziet als geven en nemen en zo weeft dat heen en weer. Maar de lijn van alle functies van wat je doet en van wat je anderen laat doen, is een en dezelfde.

Daar ligt nu juist de oplossing van alle verwarringen die, zoals ik ontdekte, ergens nog op de achtergrond lagen bij onze vriend de inleider. Natuurlijk, ik doe iets en dat doe ik op duizend manieren. Maar al leidt die lijn niet recht door mijn verschil van beleving, het is als bij het slangenvuur: de krachten slingeren zich tegenstrijdig, maar het bewustzijn stijgt in het midden.

Dat kent u toch: slangenvuur? (Kundalini) Niet ermee knoeien, hoor. Slangen kunnen gevaarlijk zijn. Tenzij u ze zeer lief hebt. Dan behoeden zij u voor alle kwaad. Goed onthouden. Ja, dat geldt ook voor die slang van een buurvrouw. Denk even na.

Dus het bewustzijn rijst in het midden; ons besef. Ook ons besef van de eenheid vormt zich door al die wisselingen van taak en beleving in kleine werelden.

Zo heb ik soms het gevoel als ik zo eens naar uw wereld terug kijk – wat zelden voorkomt tegenwoordig – dat de werkelijkheid van de mensen met hun frisdrankjes, waarin zij m.i. ongezond een overdaad aan borrelend koolzuur consumeren, niet veel anders is dan zo’n klein belletje gas dat door de werkelijkheid schiet en uit elkaar spat. Die kleine werkelijkheid verdwijnt, maar wat je bent in die werkelijkheid is een aanduiding van de grote wereld, de werkelijke functie die je hebt.

Nu is dat iets waar mensen bang voor zijn. Dan zeggen zij : “Ik wil mij in de eeuwigheid oplossen” en er zijn anderen die voelen niet zoveel voor oplossen. Dat zien zij teveel als instant hemelse vreugde, dus die kiezen eerder voor het één-zijn met alle dingen zonder oplossen, maar wel met alles kennen en weten. Dan zeggen zij: “Wanneer ik in functie ben, moet ik werken.”

Heb ik mij nu vele incarnaties afgesloofd om in de eeuwigheid nog steeds hetzelfde te doen. O, het valt erg mee. Ik ben nog niet helemaal aan het eind, hoor. Tenminste wat voor jullie het einde lijkt. Maar je blijft een betekenis houden. Het is niet werken, maar het is de betekenis die je hebt in alle dingen.

Als je zo bezig bent, die betekenis te beseffen in zo’n klein wereldje: “Wat ben ik werkelijk? Wat doe ik werkelijk?” dan weet je ook al een klein beetje wat je altijd zult zijn in welke wereld ook. Het is een wijsheid die de Grieken later hebben gestolen en sedertdien is deze wijsheid nog veel meer verbreid, al of niet door plagiaat van de Oudheid. Het is een spreuk die u allemaal kent: “Ken uzelve.” En dan zijn de meeste mensen bezig om onmiddellijk te constateren hoe goed zij zijn en hoe slecht de wereld is. Of hoe slecht zij zijn in een goede wereld. Of zij in de wereld helemaal niet deugen, dat ligt erg aan het karakter.

Maar wat je met “Ken uzelve” bedoelt is niet: “Wat ben je nu eigenlijk naar buiten toe?” Maar: “Wat is mijn harmonische betekenis in de grote wereld?” Heb je die betekenis, dan worden de gebeurtenissen minder belangrijk. Je bent niet van je wereldbesef af zonder meer. Maar je wereld krijgt een andere lijn voor je, een andere vorm, een andere betekenis. Het is alsof het gebeuren verwasemt in zijn uiting en gelijktijdig kleurig kristalliseert in zijn betekenis.

Dus als je het nu heel eenvoudig wil zeggen (wat zelden lukt overigens): De kleine wereld is de aanloop van ons besef om het ik in de grote wereld te leren kennen.

In mijn tijd was er nog de overlevering – zo heet dat geloof ik tegenwoordig – de onderrichting door de oudste. Toen ik een klein jongetje was, vond ik wat zij zeiden erg interessant. Totdat het tien minuten geduurd had. Wij kenden in die tijd “lezing” zo niet. Maar dus een kort ogenblik vanaf dat ogenblik verwaasde wat zij zeiden en dan werd een geit die graasde veel belangrijker dan die oude, die ook met zijn sik wapperde.

Ik heb later als ouderling dezelfde fout gemaakt. Ik heb ook veel te lang altijd gepraat over alles wat echt belangrijk is. Maar je moet nooit verdergaan dan een ander het vatten kan. Dat is nu de grootste fout die we allemaal maken. Wij begrijpen niet dat de kleine wereld van een kind bv. een klein wereldje is waarin een heel kort lijntje van gedachten omringd wordt door een overvloed van daden, echt of niet echt.

Nu ik zover afstand heb genomen van al die op zichzelf niet onaangename stoffelijke zaken – zelfs mijn reumatiek had achteraf bezien toch nog een goede betekenis; die heb ik er nooit aan toegekend; toen ik de klachten had wist ik niet eens dat het reumatiek was, ik wist alleen dat het pijn deed –  denk ik: de mensen zijn ook misschien een beetje zo.

Wat ik kan zeggen over de gehele kosmos, die grote wereld is wel erg belangrijk. Maar de aandacht gaat maar tot een bepaald punt.

Daarom ga ik nu zo heel voorzichtig en geleidelijk (we zitten toch prettig bij elkaar) een klein beetje afronden.

Ik wil u alleen heel eenvoudig dit vertellen vanavond:

Alles wat je bent en wat je doet, heeft in jezelf een vaste betekenis. Je wilt ergens naartoe en dan lijkt het wel of je nergens komt, maar je weet steeds beter waar je naartoe zou willen. Dat is het echte ik. Het echte ik is een richting in de tijdelijkheid, die wordt tot een vast punt in het patroon van de eeuwigheid.

Maak u geen zorgen wanneer het eens misgaat; als het altijd goed gaat met u zou ik mij zorgen maken als ik u was, want dan gaat er vast en zeker iets mis. Hetzij met uw bewustwording, hetzij met het vervullen van uw eigen persoonlijkheid als een taak in het geheel.

Maar maak u niet druk! Alle wederwaardigheden bij elkaar zeggen steeds duidelijker waar u innerlijk naartoe wil. Dat is het enige wat belangrijk is. Dat waar je innerlijk naartoe wilt, dat ben je.

In de kleine wereld zal die richting, als ze eerlijk gezocht wordt, geen andere zijn dan in de grote werkelijkheid. Daarom kan je zelfs in je kleinste wereldje, kleiner dan een mensenwereld, de oneindigheid proeven. Want de grote wereld is altijd om ons heen, ook wanneer wij niet bewust deel kunnen hebben daaraan en onze eigen horizon veel beperkter trekken.

U leeft en in uw leven hebt u betekenis, of u die beseft of niet. U streeft en uw streven heeft geen betekenis, maar is een vaststelling van wat u bent.

Jezelf waarmaken is goed, maar de waarheid van jezelf beseffen is beter. Uit de kleine wereld vind je de oneindigheid. Maar de oneindigheid kan niet bestaan zonder de vele kleine werelden die voor jou levens en sferen zijn.

Probeer het geluk van het geheel, de verbondenheden die in dat geheel zo vastliggen en belangrijk zijn, in je leven steeds weer terug te vinden. Probeer ze te ondergaan, dan zal je daarin langzaam maar zeker de mogelijkheid vinden om – al zie je en beleef je de grote wereld nog niet – haar zijn in alle dingen aan te vullen. Als je ze aanvoelt leef je meer werkelijkheid dan je voor jezelf kunt omschrijven.

Dat was geen lesje maar een waarheid. In Nederland zeggen ze: “Een waarheid als een koe.” Maar ja, Nederlanders zijn gekke mensen. Leeuwen hebben zij bijvoorbeeld niet. Maar hoe stellen zij hun natie voor? Een maagd met een leeuw! Een tamelijk onmogelijk iets in deze dagen.

Dus moeten wij ons maar niet zo druk maken over uiterlijkheden.

Gebruik uw eigen symbolen zoals u wilt. Als u maar een ding weet: Als je jezelf vindt, vind je de harmonie, die stille, niet gekarakteriseerde verbondenheid met het geheel. Daarin vind je dan alle kracht en alle wijsheid die je nodig hebt om veel kleine werelden bij elkaar te voegen en zo te weten: “Dat is mijn taak in de grote wereld.”

image_pdf