De grote geheimen van de schepping

21 december 1965

De kern van alle geheimen der schepping is natuurlijk God. Maar deze God openbaart zich en daar, bij de openbaring van het Goddelijk begin, begint voor ons het mysterie, het geheim. Nu wil ik graag gebruik maken van een aardse terminologie die echter niet volledig juist is. Er wordt in bepaalde systemen gesproken van God als het middelpunt van de Goddelijke Werkelijkheid. Zijn stralen gaan als een golving uit tot de grens van deze werkelijkheid, ook wel de jonkvrouw genoemd en keren tot het middelpunt terug. Buiten deze Goddelijke Werkelijkheid ontstaat de projectie, de oervormen die elk voor zich dan weer het aanzijn geven aan rassen en werelden enz.

In deze stelling ligt natuurlijk een fout. Want wanneer er buiten de Goddelijke werkelijkheid nog iets bestaat dan is er iets anders. Er is niet alleen God, er is nog iets groter al is dat maar een ledige ruimte, en zodra iets groter is dan God is God door dit grotere begrensd, niet aanvaardbaar dus. Maar er bestaat gelukkig een andere reeks van waarnemingen die voor een deel uit de geest stammen en wanneer ik dit beeld zo eenvoudig mogelijk hier naar voren breng zo wil ik zeggen:

U leeft in een wereld van drie dimensies. U kunt desnoods stellen dat de vierde dimensie de tijd is. Zodat die wereld in het totaal drie meetbare en één niet geheel bepaalbare dimensie zou bevatten. Maar nu kennen wij in het kosmisch heelal 63 heelallen van stoffelijke aard. Deze liggen ruimtelijk geheel buiten uw eigen heelal. Ze zijn elk voor zich verschillend van dit Al en wel doordat de dimensionale structuur, dus de structuur van de afmetingen en richtingen a.h.w. een andere is. Wanneer wij nu zeggen dat God in zijn werkelijkheid het totaal der dimensies de afmetingen omvat, de 63 a.h.w. die tenminste noodzakelijk zijn om die 63 heelallen in onderling verschil te doen bestaan en wij zien daarvan maar bv. 3 of 4 dimensies, dan is het voor ons, of wij buiten de Goddelijke Werkelijkheid staan, terwijl wij er in wezen deel van zijn.

Dan is het volgende punt. Wanneer ik dus mijzelf bezie, dan kan ik nooit het totaal van mijn eigen wezen zien. Ik zie van mijzelf slechts dat gedeelte dat door mijn huidig perceptievermogen, mijn vermogen tot kennen dus, kan worden omschreven. Mijn “ik” omvat dus meer dan zichtbaar is. En niet alleen in geestelijke zin, maar desnoods zelfs in materiële zin. Dat laatste klinkt een beetje vreemd, maar wanneer u nou eens denkt aan een aura, wij noemen dat een uitstraling, zeker, maar zodra wij in een astrale wereld komen is die aura a.h.w. materieel. Indien wij zeggen andere dimensies, daarvoor dan klinkt dat zo gek niet. Het wezen van de mens is daarom complexer dan normaal, en aangezien het Goddelijke, of de Goddelijke Kracht, of de Kracht van de Goddelijke Werkelijkheid, de golving van de Goddelijke Werkelijkheid desnoods in het totaal van de schepping aanwezig is als in standhoudende kracht mag verder worden geponeerd dat niet slechts wij maar al het bestaande in het totaal van willekeurig misschien een beetje aangenomen op grond van geestelijke waarnemingen maar van 63 dimensies zouden bestaan, en daarmee zijn we aan een belangrijk punt gekomen:

Elke verandering van de mens, zou dus een verandering zijn van zijn eigen vermogen tot waarnemen, kennen en uitdrukken. Dan is de overgang, de dood bv. niet een werkelijk wegvallen uit de wereld, maar een volgens menselijke voorstelling beëindigen van de bewuste bestaansfase in die wereld. U zult zeggen waarom bewuste bestaansfase, en waarom zoveel nadruk. Wel wanneer ik 63 verschillende waarnemingsmogelijkheden zou hebben (63 combinaties van dimensies) en ik ben maar in staat er een tegelijk te gebruiken zal de instelling van mijn wezen bepalend zijn voor de wereld die ik waarneem. En dan is de volgende stap: Ik bepaal dus zelf wat mijn wereld is. Indien die wereld rond mij nu totaal geen realiteit zou kunnen bezitten dan zou het gemakkelijk zijn, dan zouden we zeggen ik leef in een droomwereld. Maar dat is niet helemaal waar. Want wat rond ons bestaat is ook deel van de Goddelijke Werkelijkheid, het kan ook worden waargenomen op dezelfde manier als wij onszelf kunnen erkennen en vanuit onszelf het ik en de wereld kunnen zien. Het resultaat is dus, dat de verhouding tussen het ik en de wereld bepaald wordt door de bewustzijnsfase waarin het ik zich bevindt. Veranderd het bewustzijn van het ik in een voldoende sterke mate, dan zal de wereld en zelfs de uitdrukking van dit ik zich daaraan aanpassen.

Dan is dus in feite de mens zelf bepalend voor de wereld waarin hij leeft. Dat is lastig. Het is veel eenvoudiger om te zeggen, ach er is een God en die God die reguleert alle dingen en wij kunnen daar niets aan doen, dat doet God. Wij mogen Gods raadsbesluiten niet aantasten. Mooie term, maar verschuiven wij nu niet de verantwoordelijkheid die wij hebben ten opzichte van onszelf, van onze relatie met de wereld naar God? Wanneer wij in een wereld alleen het goede willen zien, dan zien wij ook nog het kwade. Zijn wij echter zelf door en door goed, dan kan voor ons het kwade in de wereld niet meer bestaan. Is er iemand die weet wat de gevolgtrekking is die hieruit te maken is? Het schijnt u lastig te vallen.

Moet u luisteren. Dat de mens niet uitdrukt datgene wat hij tot uitdrukking wenst te brengen en datgene wat hij is. Niet datgene wat je van je persoonlijkheid naar voren schuift of zelfs maar al datgene wat je aan kwaad en goed in jezelf kent, maar het geheel van wat je bent bepaald je relatie met de wereld, bepaald dat deel van de kosmos wat je kunt overzien. Naarmate ik dus werk aan mijzelf en mijzelf verander, verander ik ook de wereld. Het is niet: mens verbeter de wereld maar begin bij jezelf. Het is: mens verbeter jezelf en je verbetert de wereld waarin jij leeft. U zult zeggen: het is allemaal aardig maar wat doet die mens dan eigenlijk. Wel ik heb het u gezegd, de mens schept zijn eigen wereld. Dat is een belangrijk punt. U bent, zij het zeer beperkt voortdurend scheppend actief, door uw persoonlijkheid, door uw wezen. U kunt daarbij uit de aard der zaak alleen datgene waarmaken wat in het totaal van de Goddelijke werkelijkheid bestaat. Maar u ziet het niet als dit totaal. U ziet het in delen waarvan u de waarde ten opzichte van uzelf, zelf bepaald.

Als ik nog een stap verder ga dan zeg ik: de mens die tot zijn volle bewustzijn is gekomen neemt de Goddelijke Uitingen totaal waar. Hij kan deze Goddelijke Uitingen en de verhouding van het ik ten opzichte daarvan geheel volgens eigen inzicht en wens reguleren: hij kan dus zijn eigen heelal scheppen. Dan krijgen we de top van deze conclusies. Dus er komt een ogenblik dat een mens in alle dingen gelijk is aan God behalve in zijn oorsprong. Misschien heeft God er ook wel een, dat weten we niet. Zeker is dat wij alleen kunnen leven en bestaan, door de kracht die gelijktijdig de kracht van onze God is.

Nog een andere vraag: Hoe zit het met de mogelijkheid dat er parallelle werelden zouden bestaan? Dat er verschillende sferen naast of door elkaar kunnen leven, dat u hier bent en dat ik uit een andere sfeer kom en met u spreek? Daar moeten we ook een verklaring voor hebben. Wanneer ik nu eens zo stel. Die Goddelijke golving kunnen we ons voorstellen als iets dat kabbelt, water in een beekje tot het hier komt aan de rand, en dan gaat het weer terug naar de bron. Nu bevind ik mij in deze lijn ten opzichte van een golf, waar het bewustzijn van het Goddelijke gestegen is, daar verheft die top zich naar boven. Daar is nog een gelijkheid van waarden en wereld aanwezig maar de perceptie van de Goddelijke Werkelijkheid is een andere geworden. Waar de verhouding “ik – God” zich wijzigt terwijl de voorstelling “ik – wereld”, nog gelijk blijft, ontstaat de geest ofwel de geleider, of leraar, die zich in harmonie met een wereld en in zekere mate daarmee gebonden bewegen kan en toch gelijktijdig zich verheft boven die wereld, en wat krachten betreft aan het Goddelijke bewust meer kan ontlenen. Hebben wij te maken met de demonische wereld, dan is het weer de wereld; daaronder het dieptepunt van een Goddelijke golving; wat in deze dieptepunten leeft staat onder de wereld, maar ook weer dichter a.h.w. bij de actie, de beweging van het Goddelijke en kan daaruit meer kracht ontlenen dan de mens, terwijl het door zijn voorstelling van eigen wezen en ik gebonden blijft aan de wereld die in de middellijn ligt.

Ik heb daarmee willen zeggen dat er geen engelen of geesten staan in feite tussen u en God of tussen mij en God. Wij zijn lijnrecht en regelrecht met die kracht verbonden. De wijze waarop wij de Goddelijke werkelijkheid zien, ervaren en beleven is onze eigen zaak en naarmate wij dichter bij die Goddelijke Kracht komen en haar meer gebruiken, meer deel zijn a.h.w. in de actie van het Goddelijke, zullen wij vanuit het begrip van dat Goddelijke in de eerste plaats een zekere kracht gewinnen. Die kracht kan dan worden (hoeft niet) tot een begrip waarbij de grotere delen van de Goddelijke werkelijkheid worden overzien. U leeft en ziet in bv. 5 of 6 dimensies. Wanneer u dat bereikt hebt, dan bent u wat men op aarde noemt ingewijd. Maar die inwijding impliceert alleen maar dat het deel wat u ziet van de werkelijkheid iets groter is. Je zult dan een binding kunnen houden of vanuit jezelf tot stand brengen met alle werelden die uitdrukbaar zijn binnen dat deel van het Goddelijke wat je ziet.

Dit zijn dingen die ik wel binnen de beelden van de mensheid probeer uit te drukken maar die waar zijn, volledig. En dan kun je voor jezelf een paar conclusies gaan trekken:

  1. Datgene wat ik in mijzelf geloof, denk, aanvaard als onvermijdelijk e.d. maak ik onvermijdelijk waar.
  2. Datgene wat ik niet erken met geheel mijn wezen bestaat voor mij niet.

Je bent als mens geneigd omdat te verwerpen, maar stel je nu eens een kleurenblinde voor. Een kleurenblinde die zal zeggen, bepaalde schakeringen bestaan niet die zijn er niet, ik zie ze niet, ze zijn voor mij een gelijke uitdrukking van grijs. Een ander kan ze wel zien. Zintuiglijke waarnemingen zijn in dit geval dus bepalend voor de mogelijkheid tot differentiatie in de wereld. En als je dit nu in overdrachtelijke zin gebruikt voor het ego ten opzichte van het Goddelijke en de Goddelijke Werkelijkheid dan kun je ook zeggen. Iemand kan voor zich, overtuigd zijn dat zijn wereld volledig waar en onveranderlijk is en toch leven in een wereld waarin die mogelijkheid tot wijziging wel degelijk bestaat. Wanneer je dat niet kunt zien, kun je alleen maar proberen om het waar te maken. En dat proberen is makkelijk genoeg. Wanneer u in staat bent bewust steeds positief optimistisch te denken, en gelijktijdig in uzelf uw angsten en vrezen, binnen redelijke perken te houden, dan zullen uw angsten langzaam afnemen en uw wereld gaat steeds meer aan uw positieve verwachting beantwoorden.

Wat zijn de Goddelijke Wetten. Goddelijke Wetten zijn de beperkingen waarbinnen wij bestaan; niet de regels volgens dewelke wij bestaan. Wanneer een mens dus zegt, het is Gods Wil, dit en dat en zus en zo, dan kan dat voor hem in zijn geloof en benadering volledig waar zijn, maar het behoeft gelijktijdig voor een ander niet waar te zijn. Het kan zelfs een flagrante onwaarheid zijn. Want wat zij zien als de Wil Gods, is niet een wet die algemeen en in het hele Al geldt. Het is de relatie die wij tussen ons zelf en die God vaststellen en die voor ons door onze beschouwing van die God, onze beschouwing van de wereld, ons bestaan dus, een zekere gedragsregel vergt om ons zoveel mogelijk met die God in eenheid te gevoelen.

Zo komen wij tot dat kritieke punt waarbij we dus gaan zeggen, wat is de werkelijkheid? De werkelijkheid is datgene wat wij beleven en zijn plus alle andere mogelijkheden van ons eigen voertuig, als vastgesteld door de beleving en waarnemingsmogelijkheid van het geheel van het ik. Ik ben dus eigenlijk meester van mijn lot. Maar ik kan dat meesterschap zoeken in harmonie met het Goddelijke, ik kan het zoeken zonder het Goddelijke. En daar krijgen we dan weer het volgende punt:

Op het ogenblik dat ik met mijn bewustzijn een bestaan zoek waarin het Goddelijke niet aanwezig is, althans niet mij kan domineren of beroeren, dan zal ik hiertoe mijn eigen waarneming van dat deel van de Goddelijke Werkelijkheid moeten beperken. Het wordt dus steeds minder. Ik zou haast zeggen, u ziet alles eerst in 3 dimensies en dan gaat u 2-dimensionaal zien zonder filmscherm. En op den duur raakt ook daar nog alle uitdrukking weg, en is het alleen nog maar een blad papier met enkele lijn; en op den duur valt die lijn weg en is er alleen het papier. Dan is het bewustzijn niet meer aanwezig. Het bewust zijn van de mens kan sterven, of als u het anders wil uitdrukken, de geest kan sterven, de ziel echter niet, want de kern van het menselijk wezen is nog altijd deel van de Goddelijke Werkelijkheid. En zolang deze als openbaring of uiting van het Goddelijke bestaat, zal de mens, althans als ziel, bestaan. Wij kunnen dus wel ons bewustzijn vernietigen, maar niet ons wezen.

Nog een andere vraag? Wat bepaald dan bv. onze relatie met de wereld rond ons? Want u weet allemaal in de astrologie, in de Kabbalistiek en vele andere leerstellingen zijn we dan toch maar in staat om te zeggen, dat gaat er ongeveer gebeuren en die invloeden zijn er geweest, dus dat is je karakter. Hoe kan dat? Wel dat is misschien niet meer een van de grote geheimen van de schepping, maar dan toch zeker een van de kleinere geheimen. Op het ogenblik dat ik een wereld aanvaard, en dan mag ik die wereld verder zien als stoffelijk met geboorte en alles erbij, dan heb ik niet alleen die wereld aanvaard als een bestaan, ik heb haar aanvaard als een samentreffen van krachten. Krachten die voor mij ten dele kenbaar zijn in een voor mij als waarneembaar en leefbare aanvaardbare wereld. En wanneer er dus een aarde, en er zijn andere planeten en in die planeten leven krachten die ook een zeker bewustzijn hebben, dan zal mijn geboren worden, of mijn leven op aarde impliceren dat ik bewust of onbewust het bestaan van die krachten incalculeer. Ik neem ze dus waar, ook al doet men dit niet menselijk bewust. Door die waarneming erken ik hun invloed, door hun invloed te erkennen maak ik die invloed waar. Naarmate ik die invloed meer bewust erken, zal de beïnvloeding voor mij ook meer bewust een waarheid worden.

Ik wil hiermee ook beweren dat een mens die let wel, in zijn geheel in staat is de invloed van sterren te ontkennen, ook niet onder de invloed van de planeten zal leven. Een mens die gelooft in geestelijke leiding, die gelooft in bepaalde mogelijkheden met geheel zijn wezen, maakt ze waar. Iemand die daarin niet gelooft, zal deze dingen eenvoudig niet zien, ze zijn afgesloten voor hem. Wanneer ik dus hoor zeggen: “Indien gij gelooft zo wordt u alles gegeven”, dan is dat volledig waar. Want op het ogenblik dat ik iets in die Goddelijke schepping accepteer, manifesteert het zich voor mij. “Vraagt en u zal gegeven worden” Wanneer ik vraag dan erken ik; door erkenning maak ik waar. “Klop en u zal worden opengedaan.” Wanneer ik erken dat er een punt is in de kosmos wat aanvaardt moet worden dan zal het zich mij tonen, waardoor de aanvaarding een feit kan worden.

Conclusie: de mens vormt niet slechts zijn eigen wereld en daardoor ook zijn eigen vermogens en mogelijkheden tot stand te brengen, maar de uitbreiding van zijn eigen wereld liggen voor een zeer groot deel binnen zijn eigen beheersing. Een volgende conclusie:

Ofschoon de mensen menen in dezelfde wereld te leven, behoeft dat niet waar te zijn, daar zij elkander slechts zien vanuit hun eigen wereld en dus als een figuur passend in hun eigen bestaan en de verdere eigenschappen niet zullen erkennen. Een volledige wederkerige erkenning of aanvaarding van 2 mensen is alleen mogelijk wanneer beiden de Goddelijke Werkelijkheid in zijn geheel kennen en aanvaarden.

Dan komt er het probleem van verlossing. Want wanneer je het nu allemaal zo vertelt dan kom je dus wel voor het probleem te staan of er dan wel een verlossing mogelijk is of die denkbaar is. En dan blijkt het antwoord zeer eenvoudig te zijn. Op het ogenblik dat ik de mogelijkheid van een verlossing aanvaard, en dat is dus een persoonlijke zaak, zal ik voor mijzelf bepaalde wegen naar de Goddelijke Werkelijkheid openen die anders gesloten zijn. Het wil niet zeggen dat het de enige wegen zijn, het wil alleen zeggen dat die aanvaarding van het idee verlossing of bevrijding dat de mens ligt, dat hem emotioneel past in vele gevallen, hem vaak het binnentreden in een ruimere of gewijzigde wereld mogelijk maakt. De verlossing kan nooit er een zijn van bv. de zonden van de wereld of je eigen zonden, het kan slechts zijn een weg waardoor de eigen disharmonieën worden omgezet in harmonieën.

Ik heb dat nu allemaal zo gezegd, maar waar is dan bv. de plaats van Jezus. Moet ik Jezus als de rechte lijn zien, het niveau a.h.w. van de Goddelijke Kracht waaromheen zich de actie, de golving van die Kracht afspeelt? Of mag ik hem zien als de top van een golf. En dan zeg ik, de Christus is een altijd aanwezige waarde, maar deze waarde is een maximale uitdrukking van de Goddelijke Kracht. Zij zal zich dus energetisch gezien, bepalen aan de energie die erin schuilt, boven ons bevinden. Wanneer Jezus voor ons optreedt als de Christus dan is hij de representant van de top van de golf waarop hij zich bevindt. Wanneer die golf naar beneden gaat dan zal Jezus als verschijnsel wegvallen. De Christuskracht blijft in de golving en zal altijd aan de top van de kracht merkbaar zijn.

Dan heb ik hiermee misschien ook duidelijk gemaakt dat Jezus ook een werkelijke verlosser kan zijn en dat hij toch niet een alomvattende of kosmische verlosser is voor iedereen. Hij is dit voor eenieder die:

  1. hem aanvaardt
  2. zich bevindt in een wereld die met hem in relatie staat
  3. hem niet ziet als het doel om naar te streven.

Want wij streven niet naar de top van de golf, wij moeten streven naar eenheid met de bron.

Wij kunnen nimmer een eenheid met God in werkelijkheid en blijvend bereiken wanneer we alleen maar met de verhoogde toestand van energie van ons eigen bestaan, ons huidig bewustzijn in contact komen. Wij moeten steeds verder gaan. Maar dit verder gaan ligt kennelijk niet ergens in de golving maar in de richting waaruit de golving voorkomt. En dat heeft een heel eigenaardige neven tendens.

Wanneer ik mij dus bevind op het middenpad het pad van aanvaarding van mijn wereld, volgens mijn eigen wezen, dan zal ik aan de ene kant de top zien van de schoonheid de openbaring en aan de andere kant van de kennis, de wijsheid. Maar geen van beide is voor mij noodzakelijk. Een zeer interessant punt. Ik heb dus geen hemelse schoonheid nodig, ik heb geen alomvattende wijsheid nodig, neen, ik heb alleen gerichtheid nodig. En die gerichtheid is natuurlijk in de eerste plaats het aanvaarden van het geheel van het Goddelijke. Wij moeten dus niets verwerpen, we moeten alles aanvaarden. En dat is in zekere zin de perfecte naastenliefde. Dat is de erkenning van de Goddelijke Eenheid, dat is het middenpad. Wanneer we dat pad gaan dan kunnen wij nooit alleen maar naar God toegaan. Dat is ook iets vreemds. Wij gaan gelijktijdig tot God en van God af. Onze aanvaarding van het bestaan en onze erkenning volgens eigen wezen zal gelijktijdig gaan naar de uiterste begrenzing van de verschijnselen en naar de bron ervan.

Eerst wanneer deze uitbreiding een feit wordt, wordt de werkelijke bewustwording een feit. En dat is ook heel eenvoudig te begrijpen. God is alleen kenbaar in zijn openbaring voor ons, in zijn verschijnselen. Wij kunnen dus God niet kennen door tot hem te gaan. We zouden tot hem kunnen gaan, maar we zouden hem niet ervaren, we zouden niet bewust kunnen zijn. Maar wanneer ons bewustzijn zover gaat dat het steeds nieuwe werelden aan de oude toevoegt, dan krijgt ik vanzelf een reeks, die een soort doorsnede vormt van de Goddelijk Uiting en door het kennen van deze doorsnede ken ik het middelpunt, ken ik de bron. Ik kan dan mijzelf met de bron identificeren en ik heb vreemd genoeg daarvoor dan geen kennis nodig, wel ervaring, dus leven, maar niet weten in de werkelijke zin des woords. Ik heb daarvoor alleen nodig mijn aanvaarden van alle nieuwe levensomstandigheden.

Wanneer je dat niet doet, dan ga je dus van de ene wereld naar de ander. Je komt in een wereld, je verlaat die volgens je eigen concept, je verhoogt jezelf iets, je komt in een sfeer, b.v. Zomerlandsfeer, je verlaagt jezelf iets in een duistere wereld, maar je gaat met de golfbeweging mee. Er ontstaat een nieuw wereldconcept, dat echter gebaseerd is op datzelfde. Want je kent jezelf alleen volgens die wereldwaarde. De mens reïncarneert. Op het ogenblik dat de mens zijn voorstelling van eigen ik en wereld uitbreidt zal van een reïncarnatie geen sprake meer zijn als een herhaling van leed. De zg. spiraal van de tijd bestaat dus alleen voor degenen die in bewustzijn zichzelf gelijk blijven. Zij zullen zichzelf en hun omstandigheden met lichte varianten voortdurend blijven herhalen. Degene echter die zijn concept groter maakt die ziet dat de tijd een andere waarde krijgt, – er is nog wel een grens tussen de gekende wereld en het niet gekende deel van het Al -, maar dit heeft andere afmetingen a.h.w. het wordt anders beleefd. Daardoor zeggen wij, degene die zijn conceptie van de werkelijkheid kan uitbreiden door een vergroting van begrip voor zijn werkelijke wezen, zal niet slechts van de reïncarnatie bevrijd zijn, maar hij zal zich op een ander niveau, met een andere macht en een ander vermogen tot actie bewegen. Als het ik zich zover heeft uitgebreid dat het totaal van een reeks wereldmogelijkheden omvat, zal het gelijktijdig optreden als hoeder, schepper, of rassengeest, of hoe je het noemen wilt van die reeks werelden en in dit totale besef als persoonlijkheid deel uitmaken van een nieuwe wereld. Door deze voortdurende uitbreiding verhoogt het ik zich nog steeds als een persoonlijk actieve, denkende, levende kracht tot het punt waar de bron van alles is erkend. Daar waar het Goddelijke erkend en volledig aanvaard wordt, houdt het onderscheid op te bestaan en daarmee het bewustzijn zoals wij het interpreteren. Wat daarvoor in de plaats komt, kunnen we best een versmelting met God of een bestaan met God noemen, maar zeker is dat het dus geen verschil meer erkent tussen het ik en het Goddelijke en God en ten hoogste zegt: ik ben het deel en God is het geheel.

Het zijn deze dingen die verklaren wat er in de Kerststal staat: “Vrede op aarde aan hen die van goeden wille zijn”. Het is deze waarde, het zijn deze geheimen die het leven en bestaan van Jezus verklaren en ons gelijktijdig doen inzien hoe wij zonder ooit zijn gelijke te zijn, zijn weg kunnen gaan, zijn weg kunnen aanvaarden. Bovenal maakt het ons duidelijk waarom die Jezus in de loop der tijd zo veranderd in de ogen der mensen. Het beeld van Jezus dat u vandaag kent is een deel van uw wereld die u zelf schept. De werkelijke Jezus die leefde is een ander. Je kunt de eeuwigheid die op kerstmis herdacht wordt, – ook al beschouwd u het misschien niet zo -, het best begrijpen wanneer u weet dat uw eigen wezen moet groeien, naar een steeds vollediger en grotere waarneming van het zijnde, een steeds vollediger aanvaarden van eigen wezen, en vooral een steeds grotere harmonie in eigen wezen.

Iets over kerstmis

Vrede op aarde. Wat is vrede eigenlijk. Het is niet alleen rust. Vrede dat is een innerlijke aanvaarding waardoor de rust gelijktijdig tot kracht wordt. Het is niet alleen een afwezigheid van strijd. Maar het is een positief tegendeel van de strijd. Het is harmonie. Samenwerking. En als je denkt over vrede op aarde, dan denk je onwillekeurig in termen van werelden die met elkaar één worden. Je denkt aan de rassen, waarvan de witten zeggen: jongens jullie zwarten zijn precies gelijkwaardig aan ons, en waarbij de zwarten zeggen jullie hebben ons gepest tot we erbij kapotgingen maar nu zullen we jullie aanvaarden als onze broeders. Maar dat is een sprookje. Dat is het sprookje dat de wereld zichzelf steeds weer verteld, dat ergens die vrede gewonnen kan worden. Als we maar zorgen dat we het naar buiten toe eens zijn, dan is het vrede. Maar wat is die vrede dan, is die vrede dan eigenlijk niets anders dan een gordijntje hangen voor de vuile boel van het geschil. Die vrede lost niets op. Vrede op aarde is wat anders.

Vrede op aarde en de mensen welbehagen. Als je zo leeft als mens zijn er een hele hoop dingen waar je niet mee eens bent, maar er zijn zoveel dingen die de moeite waard zijn. Er zijn moeilijkheden waar je niet zo gemakkelijk overeenkomt, dat gaat niet anders, het gaat niet allemaal zoals je wilt. Anders zou je geen mens meer zijn, zou je God zijn. Maar er zijn zoveel dingen die nou wel goed gaan.

Vrede dat is eigenlijk niets anders, dan het zien van de goede dingen en het daarin leven. Je kunt vrede nooit bereiken door het geweld te bestrijden. Strijd lokt strijd uit. Maar aanvaarding dat wil dus zeggen dat je zo sterk overtuigd bent dat jouw leven altijd het leven waard zal blijven. Dat je elkander wilt accepteren in zijn waarde, en toch jezelf niet veranderen.

Vrede dat is de harmonie die je vindt met anderen. Wanneer we op verschillen gaan letten dan komen we nooit ergens. Wanneer we gaan zeggen, wij kunnen bv. geen communisten accepteren ach vrienden, dan komen we nooit ergens. Als we gaan zeggen, dan moeten we allemaal maar communist worden dan is het nog veel erger. Ook dat is geen oplossing. We moeten begrijpen hoeveel punten van overeenstemming er zijn. Wanneer je dat gaat erkennen, dan kun je zeggen hé er is toch ook veel goeds in. Probeer dat goede waar te maken, erken dat goede bij die ander, dan komt er vrede.

Vrede op aarde en de mensen welbehagen. Het is mooi. Dat is Maria met een kindje, Jozef, de os en de ezel. Dat is het begin a.h.w. van de verlossing, want een harmonie is er niet. Die herders vragen zich helemaal niet af wat er met de schapen gebeurt, dat zullen ze later wel doen. Nu is er de vreugde om die geboorte. De engelen vragen zich helemaal niet al wat er nou in de hemel moet nu Jezus beneden is en of de mensen het misschien niet te gemakkelijk krijgen. Here zij God in de Hoge, vreugde om dit ene feit. En daarmee is het vrede bij die stal in Bethlehem weet je. Maar het beroerde is, de mensen die hebben langzaam maar zeker Maria op de wereld gezet met een slang onder haar voeten. Ze hebben Jezus als een zegenend heerser op een troon gezet, ze hebben Jozef weggemoffeld omdat ze er niet goed raad mee wisten. Wat staat er in de stal van vrede vandaag? Ossen en ezels. Verder niets. Het kind is weg. Omdat de mensen hun kudde niet willen vergeten. Omdat de mensen liever in aantallen rekenen dan in die innerlijke kwaliteiten. Omdat de mensen het veel leuker vinden om er zakelijk een succesje van te maken dan om het gevoel te hebben dat God dichtbij is. Wij zeggen: wij moeten de strijd om het bestaan strijden. Heeft Jezus dat gedaan?

Vrede op aarde. Dat begint bij een gewoon mens. Het begint er doodgewoon mee dat je al die kleine ruzies die je maakt, ziet in hun werkelijk verband. Ik zeg niet dat je geen ruzie moet maken, dat speel je toch niet klaar. Maar als je ziet hoe onbelangrijk ze zijn, dat je in plaats van medelijden te hebben met jezelf of sentimenteel te huilen over een ander, alleen probeert om waar je bent het leven een beetje vreugdiger te maken. Dan kom je niet met politiek en niet met kerkgang en niet met esoterische bestrevingen tot die vrede; daar kom alleen door je eigen leven. Dan kun je hulp krijgen. Maar elke hulp die die vrede in gevaar brengt dat is iets waar je voor moet uitkijken. Het is belangrijk wie jij bent.

Vrede op aarde moet beginnen met de gewone mensen op straat, met de mensen in huis. Moet beginnen met een blijheid. Al die lichtjes in de kerstbomen, al die kaarsvlammetjes bij het kerststalletje zijn mooi, maar als een mens nou eens in zichzelf een lichtje van vreugde kon laten branden en je dat dan niet alleen deed op 25 en 26 december. Maar als je dat nou eens een paar jaar zou volhouden, zou de wereld er dan anders uit zien? Geen pessimistische betogingen meer, alleen maar, hoe kunnen we het prettig maken?

Als wij die vrede van dat kind vandaag niet in leven kunnen houden, is het net of dat het er nooit geweest is. Wanneer je gewoon alleen een heel klein beetje lichter zou kunnen zijn van leven. Lichtender. Wanneer je van het hele leven iets kunt maken waaraan je voortdurend voor jezelf genoegen aan hebt, en waar je anderen in dat genoegen kunt laten delen, dan leeft dat kind vandaag. Op het ogenblik dat een mens leert in vreugde te leven niet alleen voor zich maar ook voor anderen, dan zal hij die ander geen kwaad doen. Dan zal hij met die ander rekening houden omdat hij daar zelf blijheid in vindt. Dan komt die vreemde rust die harmonie heet.