De grote persoonlijkheden van de kosmos

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 2) – november 1956

In de kosmos zijn uit het Goddelijke verschillende grote krachten voortgekomen. Wij weten dat deze krachten – voor ons althans – worden onderscheiden in krachten van het licht en krachten van het duister. Echter wordt elk dezer gebieden beheerst door meerdere grote persoonlijkheden, die elk voor zich een bepaald facet van het Goddelijke vertegenwoordigen.

Het is ondoenlijk hier een opsomming te geven van alle groot-krachten die scheppend optreden en die werkzaam zijn in de materie. Het ligt zeker niet in mijn bedoeling u verder te vermoeien met de orde van wezens, die in de geestelijke wereld de bijzondere leiding hebben. Om u echter duidelijk te maken hoe zo’n grote persoonlijkheid, zo’n groot wezen, ongeveer leeft, functioneert en denkt, zal ik gebruik maken van alle bronnen, die mij op dit gebied ter beschikking staan in mijn eigen sferen en hogere.
Elk wezen, dat in zichzelf begrensd is en een kenvermogen heeft t.o.v. de omgeving, noemen wij “persoonlijkheid”. Dit houdt in dat dus alle delen van het Goddelijke, die ten opzichte van de andere delen van het Goddelijke een bewustzijn bezitten of verwerven kunnen, persoonlijkheden zijn in de zin van het woord zoals wij dit gebruiken.

Een grote of kosmische persoonlijkheid omvat echter een zeer groot gedeelte van de toestand, die wij kennen als ruimte. Waar zij gelijktijdig dicht bij het Eeuwige staat en practisch onmiddellijk daarmee verbonden is, kent zij niet ‑ wat wij noemen tijd. Hierdoor wordt het wezen voor ons moeilijk te begrijpen, maar het staat ons toch reeds nader dan het Goddelijke Zelf. De persoonlijkheid heeft n.l. haar uitgesproken eigenschappen. En wanneer deze persoonlijkheid zich richt tot de materie in de eeuwige wisselwerking tussen de twee factoren, waarin het Goddelijke Zich bij de eerste uiting openbaarde, dan vinden we het volgende:

Het wezen zelf omvat een groot gedeelte der oermaterie en kan deze door werkingen van eigen kracht doen nader komen tot elkaar en zo mede de schepping van nu gedefinieerde stelsels, dus zonnestelsels enz. in de hand werken. Is er een vorige maal gesproken over twee velden, waarbij de beweging van het zwakkere een scheppende werking had, zo hebben wij thans te maken met een kracht die stuwend werkt.

De kosmische persoonlijkheid openbaart zich en werkt in een reeds bestaand Al, dat echter nog geen definitieve vormen kent. De vormgeving dus is de direct scheppende arbeid; en hierbij zal blijken dat de eigenschappen van de persoon in al zijn scheppingen mede worden verwezenlijkt.

De onvolmaaktheid van de kosmische persoonlijkheid t.o.v. het Goddelijke veroorzaakt een onvolmaaktheid in alle schepping. Voor zover wij kunnen nagaan is deze reeks van onvolmaaktheden, die gezamenlijk het Volmaakte vormen, de trap die wij allen zullen moeten beklimmen: de trap der bewustwording. Want het blijkt ons dat zielen die georigineerd en voortgekomen zijn vanuit het Goddelijke via één grote persoonlijkheid in de kosmos, niet meer aan deze gebonden blijven, nadat zij een bewustzijn bereikt hebben omtrent die persoonlijkheid.

Vandaar dat wij deze scheppende krachten ook wel “de grote goden” noemen. Ze zijn niet God, ze zijn wel creator, schepper. Ze zijn vanuit ons standpunt volledig goddelijk, daar zij onze wereld beheersen en door hun eigen wil binnen de goddelijke wetten daarin voortdurend kunnen ingrijpen. Dit ingrijpen wil ik trachten te demonstreren aan de hand van uw eigen wereld en enkele andere werelden, die mij persoonlijk goed bekend zijn.

Op de aarde bestond in allereerste fase de noodzaak om tot een definitieve vormgeving en begrenzing te komen. Dit was nog niet mogelijk, zo lang de aarde in een toestand van gloed verkeerde. Haar voortdurende activiteit van eigen materie betekende een uitstraling van deze materie in het Al, en daardoor een directe wisselwerking en verbinding met sterren en andere planeten op zelfs ‑ voor ons doen althans – grote afstanden.

Om nu het eigen wezen in scheppende arbeid uit te drukken in deze wereld, was het allereerst noodzakelijk dat deze wereld tot afkoeling werd gebracht. Hierbij is dus niet alleen sprake van een natuurlijk proces, maar van een proces dat door de kosmische persoonlijkheid wordt geremd of bevorderd, naar gelang eigen inzicht dit noodzakelijk of wenselijk doet schijnen.

Na een begrenzing van de wereld tot stand gebracht te hebben, had de kosmische persoonlijkheid dus de ruwe materie in handen voor uitdrukking van eigen persoonlijkheid. Het was een proces dat te vergelijken valt met het prepareren van een doek door een schilder. Eerst daarna gaat men zijn eigen ideeën nader verwerkelijken. En evenals de schilder dat eerst doet in schetslijnen, waarbij de indeling van het doek reeds ongeveer wordt bepaald, zo zal de scheppende persoonlijkheid haar eigen wezen uitdrukken door in grondlijnen de ontwikkeling van de aarde verder te definiëren. Dit gebeurde o.a. door het voortdurend corrigeren van de onderlinge verhouding tussen water en land, tot een aanvaardbaar begin verkregen was. Eerst toen deze beide aanwezig waren, kon het scheppend proces verder een aanvang nemen.

Ik verzoek u er rekening mee te houden, hoe vorm na vorm ontstaat, waarbij elke vorm steeds in zich de eigenschappen van de vorige draagt, maar daarnaast nieuwe – voor deze soort of dat wezen dus persoonlijke ‑ eigenschappen mede in zich bergt. Er is hier dus sprake van een opbouw, die uitgaat van een bepaalde ondergrond volgens een vastgesteld schema.

In dit schema worden veranderingen aangebracht. Veranderingen, die ons op aarde bv. sprongmutaties tonen, plotselinge veranderingen, waarbij in de soort qua uiting dus plotseling nieuwe eigenschappen naar voren komen. De geaardheid zelf echter verandert niet volledig.

Denk u nu in, dat de scheppende persoonlijkheid, de kosmische persoonlijkheid dus, tracht zichzelf volledig te openbaren. Dan zal op deze wereld uiteindelijk iets geschapen moeten worden, dat de uitdrukking is van tenminste één in deze persoonlijkheid levende gedachte. Anders kan dat niet. Is deze gedachte echter verwezenlijkt, dan zal hetzelfde optreden dat gebeurt bij een kunstenaar, die zijn werk voleind heeft. Voor het dan ontstane, het dan geschapene, bestaat geen interesse meer. Immers, de scheppende werking is de hoofdtaak van de persoonlijkheid.

U zult begrijpen dat een creator, een schepper, op een bepaald ogenblik zoveel van zijn persoonlijkheid heeft gelegd in een wereld, dat er geen mogelijkheid meer bestaat deze in het ontwikkelde schema te verbeteren. Daarna laat de schepper deze wereld aan zichzelf over.

Dit laatste punt is zeer belangrijk. Want zou de schepper voortdurend bezig blijven met elk deel van zijn schepping, dan zou elke ontwikkeling daarin slechts een uiting van zijn wezen zijn. Naarmate echter de schepper zich minder bezighoudt met de schepping en deze voor zichzelf gestabiliseerd wordt, zal zij haar eigen wezen sterker ontdekken en sterker uitdrukken.

Op uw wereld werden verschillende vormen geschapen, die dezelfde mogelijkheden vertoonden als de mens. Zij voldeden niet en werden uiteindelijk omgevormd, gedeeltelijk ook vernietigd. Nu op het ogenblik leeft er op deze wereld een mensheid. En het eigenaardige is, dat in deze mensheid praktisch geen veranderingen meer voorkomen sinds de laatste 50.000 jaar. Sedert deze periode blijft het schema van de mens ongeveer gelijk. De kleine veranderingen die voorkomen, zijn eerder toe te schrijven aan een aanpassing aan omstandigheden en aan eigen bestrevingen, dan aan een plotseling en scheppend ingrijpen.

Verder zien we, dat ook de ontwikkeling van het planten en dierenleven op deze wereld nu niet meer wordt geregeerd door een dwang in een bepaalde richting. Degene die bepalend is, is thans de mens. Hieruit kunnen wij concluderen, dat de schepper deze wereld tijdelijk alleen heeft gelaten, of misschien wel voorgoed. Het houdt ook in, dat de wezens die op deze wereld leven, nu het bewustzijnspeil kunnen bereiken, waarbij zij zich vrij maken van deze schepper.

Indien er nu slechts één kosmische persoonlijkheid zou zijn, zou hiermee het raadsel van het leven opgelost zijn. De binding valt weg en dus zijn wij vrij. Deze vrijheid uit zich sterker, naarmate wij leren beter onszelf en onze omgeving te beheersen. Maar nu heb ik andere werelden gezien, waar dit proces zich reeds had afgespeeld en waar daarna toch weer een gebondenheid ontstond.

Ik zou dit willen vergelijken met een kunstenaar, die zijn impressies in klei of in marmer heeft uitgedrukt en nu voor het maken van een perfecte afdruk of het polijsten en afwerken van het beeld dit tijdelijk of voorgoed overlaat aan een tweede, die zich juist op deze afwerking heeft gespecialiseerd. Juist omdat deze zelf het kunstenaars temperament niet heeft voor primair scheppen. Een wereld, waar de beschaving die van de mens reeds ver overschreden had, bleek nu plotseling weer onder de invloed te komen van een schepper. Een schepper echter, die niet meer vormend werkte op de materie, maar op de geest. Het vrij verkregen bewustzijn werd zo in vaste banen geleid. En de gedachtewereld van alle schepselen werd in deze omgeving gericht op het doel van de schepper.

Dit betekent een verplaatsing van het zwaartepunt van alle beleving. De materie werd verlaten en daarvoor in de plaats kwam primair, een geestelijk bestaan, de ontplooiing van vele geestelijke capaciteiten, terwijl zuiver stoffelijke, technische kwesties op zijn minst genomen van secundair belang waren. Wanneer een persoonlijkheid dus een deel van de schepping kan overnemen, leidt ons dit tot de volgende conclusie:

De kosmische persoonlijkheden zijn heer over een bepaald deel van de schepping en uiten hier hun eigenschappen in. Maar waar de heerser kan veranderen, zal elk deel van de schepping een volledige ontwikkeling kunnen doormaken, ongeacht de onvolledigheid van de groot-kosmische persoonlijkheden, die deze delen in hun ontwikkeling leiden en beheersen.

De consequenties hiervan voor de mens zijn de volgende: Zo lang het stoffelijk scheppend proces voortgaat, is al wat op aarde leeft gebonden in alle ontwikkeling aan de stoffelijke normen, die door de schepper worden geschapen. Eerst nadat de schep­per zich heeft teruggetrokken, treedt een zekere vrijheid op. Wanneer deze vrijheid een rijping betekent – vooral op het gebied van de geest – zal op de duur de stof geheel vrij worden en geheel door die mensheid of door die schepselen beheerst kunnen worden, terwijl daarnaast hun geest gebonden wordt, beperkt wordt in een bepaalde richting, zodat de ontwikkeling daarvan nu ge­determineerd is. Een vrije wil kan dus niet bestaan op twee gebieden tegelijk. Zolang de groot-kosmische persoonlijkheden hun scheppend werk bedrijven in het Al, zullen de eigenschappen van het Goddelijke op zichzelf een beperking betekenen van al wat binnen de schepping leeft.

Is het een bepaalde persoonlijkheid, die de beperkingen hiermede bepaalt, dan zal deze persoonlijkheid op eigen creatief gebied de vrijheden der ontwikkeling beperken en misschien zelfs te niet doen. Waar echter de andere ontwikkelingen vrij zijn en na het bereiken van een bepaald punt de creator geen verdere verbeteringen in zijn werk kan aanbrengen – dit overigens krachtens een goddelijke wet – zal door een afwisselende ontwikkeling van geest en stof in het stoffelijk geschapen Al een uiterste perfectie bereikt kunnen worden van zowel stof als geest.

Alle ontwikkeling van de geest bestaat dus uit fasen van vrijheid en gebondenheid. Ditzelfde geldt voor de stof. Het afwisselend vrij en gebonden zijn heeft grote voordelen. En deze voordelen – op aarde nog niet zozeer merkbaar geworden – zijn op vele werelden reeds gekend en worden daar zelfs gebruikt.

Alle gebondenheid betekent een eenheid van ontwikkeling. Hierdoor is het mogelijk dat geestelijke groepen ontstaan. Alle gebondenheid in de stof leidt tot het ontstaan van stoffelijke rassen met eigenschappen, die door het ras zelf grotendeels worden bepaald. Het feit echter, dat elke geest binnen een gebonden stoffelijk lichaam vrij is zijn eigen persoonlijkheid daarin uit te drukken, maakt een sterke differentiatie van persoonlijkheid mogelijk, ook binnen een ras. Omgekeerd zal een gebonden geest op haar eigen wijze de stof creëren, naar wat zij ziet als de perfecte uiting van haar streven. De veelheid der schepselen is de uitdrukking van de gebonden geest. De veelheid der geestelijke richtingen is de uiting van de gebonden stof.

Na deze korte afwijking van het eigenlijke onderwerp moet ik nu weer terugkomen op de kosmische persoonlijkheden zelf. Wij hebben geleerd dat zij in twee verschillende groepen te verdelen zijn. Wij noemen daarvan de ene groep licht, de andere groep duister. Wij kunnen deze groepen – vanuit ons eigen standpunt althans – als volgt definiëren:

Er zijn groepen, wier werk voor de stof opbouwend is. In de huidige fase der menselijke ontwikkeling heten dit: de lichtende geesten. Er bestaan ook kosmische persoonlijkheden, wier werk geestelijk opbouwend, maar gelijktijdig vorm-vernietigend voor de materie is. Ze maken de materie amorf. Zij zijn vanuit het huidig standpunt negatief of duister. Het wezen der persoonlijkheden zelf kunnen wij dus nooit bepalen door onze aanduiding van licht of duister, van goed of kwaad. Wij kunnen slechts de geaardheid van een wezen t.o.v. onze huidige ontwikkelingsfase aanduiden.

Het is goed dat wij dit beseffen. Want eerst met deze wetenschap kunnen wij begrijpen, dat een veelheid van kosmische persoonlijkheden gelijkelijk te allen tijde onmiddellijk met het Goddelijke in verband kan staan en desalniettemin vanuit ons standpunt vernietigend, opbouwend, of zelfs neutraal kan schijnen.

De neutrale persoonlijkheid hebben we hier nog niet behandeld. Neutraal noemt men een persoonlijkheid, wier eigenlijk werk in de eerste plaats een in stand houden is. Het in stand houden zonder zelf in te werken. Dit zijn geen scheppers, het zijn wel heersers. Waar deze heersers echter er vrede mee hebben een bestaande toestand redelijk te handhaven, zijn zij verantwoordelijk voor de perioden waarin stof en geest gelijkelijk vrij zijn.

Deze perioden komen zeer zelden voor en alleen op het hoogste vlak. Daarbij is één eigenaardigheid op te merken: De neutrale persoonlijkheid heeft vrede met elke ontwikkeling van de schepselen, die onder deze persoonlijkheid staan. Dit houdt dus in, dat de vol-bewuste geest juist in de regering van deze kosmische persoonlijkheden ‘en masse’ tot een bevrijding van de materie in de bekende vormen kan komen en een nieuw geestelijk bestaan kan aanvaarden.

Dit is de verklaring van de werelden die te niet gaan, terwijl een groot gedeelte van het ras gelijktijdig weer een leidende factor wordt in de stoffelijke ontwikkeling van volgende planeten. Wij weten dat de enkelen, die hier nog geen vormloosheid, geen vergeestelijking geheel kunnen aanvaarden binnen wat wij de lichtende sferen noemen, zich hernieuwd geplaatst zien in de materie en materiële gebondenheid op een andere planeet, die in dezelfde scheppingsfase verkeert, die zij voor zichzelf begeren.

Die grote groepen nu, die vrij komen, zullen ongetwijfeld door het feit dat zij niet meer stof en geest zijn, ook ontsnappen aan het gezag van de stoffelijk regerende en scheppende geest, evenals aan het gezag van de neutrale geest, die slechts door een balans‑positie zijn interesse aan het geheel kan behouden. Zij komen dus in het onmiddellijk bereik van de direct geestelijke krachten.

Hieruit volgt, dat de geestelijk strevende kosmische persoonlijkheid een groot aantal helpers heeft. Helpers, die als een soort profeten of wegbereiders vaak reeds werkzaam zijn op een terrein waar de materiële schepping nog voortgaat. De kosmische persoonlijkheid doet dit niet zelf, maar de met diens streven verbonden kleinere zielen zullen als meesters en leiders helpen de schepping van andere – nog stofgebonden werelden – tot stand te brengen.

Hetzelfde geschiedt bij de negatieve ontwikkeling. Ook hier zijn enkele werelden geweest die er een voorbeeld van waren. De geest n.l. verwerpt de stof. Maar er bestaan wezens, die komen tot een verwerpen van de geest. Ook dit kan alleen gebeuren in een periode dat de stoffelijke schepping is voleind, terwijl gelijktijdig nog geen geestelijk strevende kosmische persoonlijkheid de geestelijke leiding op zich heeft genomen.
Gebeurt dit, dan vallen zij ten prooi aan de stoffelijke leiders. Zij zijn de materiële geesten en leiden voortdurend de vormende schepping in bij nieuwe planeten. Ook op uw aarde is dit het geval geweest. Zij treden dan op als rassengeesten, als groepsgeesten, ja zelfs als de primitieve bezielers van gesteenten en leiders van vulkanische krachten. Zij zijn van uw standpunt absoluut demonisch, d.w.z. zij nemen geen aandeel aan een geestelijke bewustwording. En waar deze optreedt, zullen zij trachten deze te bestrijden.

Na deze definities omtrent kosmische persoonlijkheden en hun helpers is er nog een volgend punt, dat evenzeer onze belangstelling waard is. Wij hebben gesproken over de groot-kosmische Bron, God. En we hebben getracht weer te geven, hoe het scheppend proces zich daarin afspeelt. Nu is het duidelijk dat deze goddelijke kracht onmiddellijk en volledig geuit is in alle stof en alle geest, dus ook volledig in elke groot-kosmische persoonlijkheid. Nu is echter elke vormgeving zonder meer mogelijk, zonder dat goddelijke kracht daaraan verbonden moet zijn. Wel moet hetgeen waarin geschapen wordt, uit het Goddelijke voortgekomen zijn.

Wanneer nu een kosmische persoonlijkheid een dier of een mens schept en dit wil bezielen, ligt dit buiten zijn eigen scheppende capaciteit. Hij kan daar niet zijn eigen wil zonder meer gebruiken om dus een tweeledig – stoffelijk en geestelijk – leven te geven. Moet dit tot stand gebracht worden, dan gebruikt hij zijn eigen goddelijke kracht. Vandaar dat men in vele legenden hoort, hoe de eerste mensen werden geschapen, doordat God hen de adem – en wel Zijn adem – inblies.

Dit is volledig in overeenstemming met al hetgeen wij omtrent groot-kosmische persoonlijkheden hebben kunnen leren. Want de groot-kosmische persoonlijkheid bestaat krachtens een voortdurende wisselwerking met het onmiddellijk Goddelijke. Hier haalt hij dus adem, hieruit put hij dus zijn levenskracht. Deze levenskracht zal hij van Zichzelf uit weer moeten afgeven aan zijn schepping, wil hij haar bezielen.

Eén zeer belangrijk punt. Want indien niet onmiddellijk een Goddelijke band bestond tussen het bezielde schepsel en de groot-scheppende Kracht, zou het schepsel teniet gaan op het ogenblik dat de creator van dit speciale deel der schepping zijn werk ver­laat. Het feit dat de Goddelijke adem – dus het direct goddelijk vuur – echter in deze schepping mee wordt gebruikt voor elk bezielend effect, veroorzaakt een onafhankelijkheid van de schepping t.o.v. de schepper. Deze moge niet groot zijn, maar ze betekent in ieder geval dat geen enkele schepper zijn schepping teniet kan doen.

Dit is een zeer belangrijk iets, waar wij hier de zekerheid krijgen niet te zijn overgeleverd aan de willekeur van onvolmaakte persoonlijkheden, ook al reikt hun vermogen nog zo ver, ook al zijn zij nog zo groot, zo sterk en zo krachtig. Wij – als zielen – zijn dus kleine persoonlijkheden. Zo klein, dat wij niet eens behoren onder de kleine goden, de kleine geesten, die zichzelf een scheppende kracht en scheppend vermogen hebben weten te verwerven – zij het beperkt. Wij, behoren tot de werkelijk kleinen. Maar als werkelijk kleinen zijn wij – nadat wij geschapen zijn – evenzeer onvernietigbaar als de allergrootsten. Wij zijn eeuwig als zij. De kracht die in ons leeft, is even oud als de kracht die in hen leeft. Er is geen enkel punt waarop wij in feite verschillen, zij het dan, dat het bewustzijn van de groot-kosmische persoonlijkheid enorm veel groter is dan ons ogenblikkelijk bewustzijn.

De conclusie die hieruit te trekken valt, is dat ook wij – indien dit volgens het Goddelijke wenselijk is – tot groot-kosmische persoonlijkheden kunnen groeien. Dat ook wij eens misschien zelf scheppend zullen zijn voor een bepaald deel van het Al.

Onmetelijk ver ligt dit alles nog van ons weg. Vóór die tijd zullen wij nog veel moeten leren, veel moeten verwerven, misschien ook wel nog veel moeten lijden. Maar hoe het ook zij, teniet gaan kunnen wij niet. Een ondergang is voor ons niet bestaanbaar. En zolang ons bewustzijn zich uitbreidt, gaan wij schrede na schrede in de richting van het Groot-goddelijke, in de richting van de Bron Zelve.

Nu wordt ons onder ogen gebracht, dat men op aarde toch ook demonen, duivels, krachten der duisternis kent en men zal zich afvragen, of dit wijst op het aanwezig zijn van een tweede kosmische persoonlijkheid, een kosmische persoonlijkheid, wier richting tegengesteld is en wier bestreving ook tegengesteld is aan de richting van onze eigen schepper. Ik zal trachten ook dit probleem zo kort en duidelijk mogelijk te belichten.

Op het ogenblik dat onze schepper stoffelijk vormend is, kunnen wij er van verzekerd zijn, dat alle geestelijke ontwikkeling voor ons kwaad, duister en demonisch lijkt. Hieruit vloeit voort, dat bv. in de oudste tijd der mensheid demonen juist die krachten waren, die een geestelijke vrijheid zochten. Dit houdt tevens in, dat op het ogenblik dat de aarde komt onder een invloed, die in de eerste plaats geestelijk vormend is, al hetgeen materieel, dus stoffelijk vormgevend is, tot het duistere en het kwa­de gaat behoren. De eigenschappen van de in de schepper altijd aanwezige krachten en aspecten worden dus door ons demonisch, duivels of goed, goddelijk genoemd, naar gelang de binding van onze eigen persoonlijkheid aan de Groot-kosmische Kracht boven ons.

Er is altijd een tweeheid voor ons nodig, wij kunnen daaraan niet ontkomen. Eén gebied, waarin wij vrij zijn, één gebied, waarin wij gebonden zijn. Op het gebied waar de binding plaats vindt, zijn wij niet in staat zelfstandig te oordelen. Wij kunnen ten opzichte daarvan misschien gevoelens van lust en onlust kennen, maar wij kunnen niet komen tot een totale verwerping van dat gebied. Dit houdt in dat eventuele afkeer en dergelijke dus op het andere gebied geuit moeten worden.

Wat is nu een demon (op het ogenblik althans volgens het besef van uw wereld)? Een kracht, die in het stoffelijke vernietigend optreedt en waarvan men aanneemt (doch niet zeker weet), dat hij deze werking ook op het zuiver geestelijk terrein zal voortzetten.

Ik zeg “aanneemt,” omdat dit laatste lang niet zeker is. Want indien wij nagaan hoe demonen werken, dan blijkt ons, dat ze – buiten de onmiddellijke materie – werkzaam zijn o.a. in het astraal gebied, maar niet meer voorkomen in die sferen, waar wij spreken van lichtend – dus alweer “bevrijd”. Bevrijd in dit geval juist van de materiële binding.

De stoffelijke (grofstoffelijke en middel stoffelijke) terreinen worden door de demonen beheerst. En deze demonen trachten hierin vorm vernietigend te werken, om de eenvoudige reden dat zij slechts door het vernietigen van elke vorm – behalve de eigene – zich een vrijheid kunnen veroveren binnen de stof. Ik geloof dat ik dit laatste nog met een voorbeeld moet toelichten.

Wij kennen een natuurgeest, die zich wreekt met stenenregen, spokerijen, ja, soms zelfs met het vernietigen van leven, om hierdoor eigen gezag binnen een bepaald gebied te handhaven.

Wij noemen deze kracht een demon, omdat hij ons de geestelijke vrijheid neemt. Maar die geestelijke vrijheid ‑ althans zoals wij ze beschouwen ‑ bestaat in feite in een beïnvloeding van onze stoffelijke handelingen. En wel een vernietiging van ons eigen patroon van handelen en een daarvoor in de plaats stellen van een opgelegd patroon van handelen, dat beantwoordt aan de geaardheid van deze demon zelf.

De conclusie is al duidelijk: De demon wordt voor ons tot demon, op het ogenblik dat hij onze stoffelijke voorstellingswaarde gaat veranderen. Niet wanneer hij dit geestelijk doet.

Het eigenaardige in de mythen, folklore en mystiek is dan ook, dat de geesten des duisters altijd middellijk (niet rechtstreeks) of onmiddellijk zich uitdrukken door menselijke lusten. Dat zij gebruik maken hiervan en dat hun gebied slechts kan worden voorgesteld in zuiver stoffelijke zin. Daar staat tegenover, dat de engelen of lichte geesten, die eigenlijk pas de laatste tijd meer op de voorgrond zijn gekomen, over het algemeen zuiver geestelijke arbeid verrichten. Zelfs wanneer men nog gelooft aan een stoffelijk hiernamaals, bv. een hemels Jeruzalem met muren, gebouwen, enz., dan is de engel niet de bouwer daarvan of de instandhouder; hij is slechts onze gids naar deze plaats. Dat wil zeggen: hij brengt een bewustzijn en laat ons vrij hem te volgen of niet. Hier ligt het grote verschil.

Engel of lichtende kracht: Kracht, die ons vrijlaat, maar die wij vrijwillig kunnen volgen. Verder: kracht, die ons brengt tot vrede. Vrede, zijnde een innerlijke gesteldheid, die niet stoffelijk maar geestelijk bepaald is.

Demon: Een kracht, die ons onze vrede rooft door onze omgeving te beïnvloeden en zo onszelf in disharmonie met die omgeving te brengen. Hier niet een onmiddellijke oorzakelijkheid binnen de geest, maar een eventuele benadering van het geestelijk aspect vanuit de stof.

Hierbij blijkt, dat beide soorten geesten wel degelijk behoren tot de krachten, die voortkomen uit of samenwerken met onze creator, onze onmiddellijk scheppende geest. Maar het verschil in hun functie doet onszelf stelling kiezen t.o.v. hen. En wel, omdat wij de gebondenheid aan onze schepper onwillekeurig aanvaarden, maar gelijktijdig een volkomen vrijheid willen verwerven in het gebied waar geen banden aanwezig zijn.

Bij deze beschouwing van de groot-kosmische persoonlijkheden kwam in de eerste plaats onze relatie met deze persoonlijkheden naar voren. Dit is begrijpelijk. De groot-kosmische persoonlijkheid, voor ons aanschouwelijker en beter te bevatten, te verstaan, dan het Groot-goddelijke, het Volledig Volmaakte, is voor ons toch nog een kracht, die te groot blijkt om geheel te overzien. Wij moeten vanuit onze eigen persoonlijkheid ook deze scheppers binnen het Goddelijke trachten te benaderen. En slechts vanuit ons persoonlijk standpunt kunnen wij komen tot een begrip van Hen en zelfs een samenwerking met Hen.

Wanneer ik een volgende maal met u zal spreken over kleine goden, hoop ik u duidelijk te maken op welke wijze deze samenwerking kan geschieden en welke de taken zijn van de kleinere geesten, die zich in samenwerking met zo een grote schepper dus tot taak hebben gesteld een wereld zo te vormen, of geestelijk zo te leiden, dat zij in zich het bewustzijn draagt van haar onmiddellijke vormgever en daarmede zijn contact met het Goddelijke ook benadert.