De grote verschijnselen in de natuur

uit de cursus ‘Verborgen krachten van de natuur’ – juli 1971

Als wij weten dat planeten bezield kunnen zijn, dat alle dingen leven, dat krachten uit de kosmos op ons kunnen neerdalen en zowel de mens als ook de geest zelf beïnvloeden, dan leven wij in een wereld, die niet zo buitengewoon vast en zeker meer is. Toch vinden wij steeds weer in die wereld onze eigen zekerheden. Misschien mag ik beginnen met te wijzen op een van de meest eigenaardige verschijnselen der natuur op aarde, de mens.

De mens is een wezen dat menige capaciteiten bezit, ofschoon daarvan meestal een gering deel wordt ontwikkeld. Maar deze mens communiceert ‑ bewust of onbewust ‑ vanuit zich met enorm veel krachten die rond hem bestaan. Hij heeft contact met werelden en sferen. Hij heeft verbondenheden met natuurgeesten. Hij heeft invloed op de plantengroei en zelfs met de dieren kan hij soms op een betrekkelijk uitgebreide wijze converseren en zijn gedachten, zijn stemmingen overdragen. Deze mens is altijd weer bij elke cursus die wij geven ergens het middelpunt. Dat is ook begrijpelijk, want u bent mens en wij zijn mens geweest.

Als wij zoeken naar de grote raadselen, dan schouwen wij haast onwillekeurig naar buiten toe en zien wat er van buitenaf op de mens toestormt. De werkelijk grote raadselen van de natuur zijn echter niet alleen op deze manier te constateren. Vlij hebben in de mens een groot aantal verschillende factoren die zijn gedragingen beïnvloeden. Zijn denken heeft een grote hoeveelheid onwaarschijnlijkheden. Zelfs zijn reactie op de wereld wijst op het leven in een eerder hallucinatoire dan volkomen reële wereld. Deze mens echter beïnvloed ontzettend veel.

Als de mens denkt en hij denkt verkeerd, kan zelfs de aarde beven. Als de mens in zijn emoties opgezweepte vreemde krachten uitdaagt, dan staan de elementen op en schijnen door eenzelfde woede, eenzelfde terreurbehoefte zelfs gegrepen te worden. De kern is eenvoudig, alle dingen behoren tot dezelfde kracht. De mens is een bewust‑denkend, bewustvoelend deel van die kracht. Alle wezens die bestaan behoren tot precies dezelfde grootorde van mogelijkheden, of wij nu te maken hebben met de ziel van de wereld, met de kracht die de zon bezielt of misschien met een mestkever, die ijverig een balletje mest voortrolt in het zand. Zij zijn alle deel van die kracht. Hun besef, hun bewustzijn is ingeschakeld in precies dezelfde levenscyclus, in precies dezelfde sfeer.

Men zegt weleens dat het geheel van de wereld een projectie van de Oneindige is. Dat mogelijk. Maar als het een projectie is, dan is zij dermate gedetailleerd en dermate gecentraliseerd om het bewustzijn, dat wij er niet omheen kunnen deze mens niet alleen centraal te stellen, maar hem ook te beschouwen als een sleutel tot vele geheimen die de natuur verborgen houdt. Want je kunt de uiterlijke verschijnselen bestuderen, je kunt komen tot allerlei onthullingen t.a.v. de radioactiviteit, de neerslag, de samenstelling van de atmosfeer, het functioneren van planten, maar met al die kennis kun je een eenvoudig verschijnsel als de radiësthesie (stralingsgevoeligheid) niet verklaren. Je kunt spreken over de wetmatigheden die wij in de natuurwetenschappen kennen, maar daarmee kunnen wij nog niet verklaren waarom de mens in zijn gedragingen aan geheel andere, sterk afwijkende wetten blijkt te gehoorzamen; zeker voor zover het zijn reacties en zijn beleven betreft. De mens is datgene wat juist niet is vastgelegd in de wereld buiten ons.

Zoek ik in die mens, dan kom ik tot verschillende facetten van menselijke invloed en de verklaring ervan. De mens denkt. De vorming van zijn denken is bepalend voor hetgeen rond hem gebeurt. Elke kracht die niet zo sterk is in een eigen gericht denken als van de mens, wordt daardoor gedomineerd, ook een andere mens. Elke natuurgeest zal door de mens normalerwijze ofwel worden gedomineerd, dan wel hij moet zich geheel aan die mens onttrekken. (Hij als algemene aanduiding omvat het mannelijk in het vrouwelijk begrip.)

Als een natuurkracht echter in de mens harmonie ziet, dan dient zij de mens. Waarom? Wel, de krachten, die de mens en de natuurkracht bewegen, zijn gelijk. Als de mens harmonisch is, ontstaat er (niet vanuit het menselijk bewustzijn, maar wel vanuit dat van de natuurgeest) een zodanige binding, dat de natuurgeest functioneert ‑ zij het tijdelijk ‑ als verlengstuk van de mens; en wel ten aanzien van een enkele gedachte. Voor elke gedachte moet die harmonie opnieuw worden opgebouwd en opnieuw tot stand worden gebracht. Het begrip harmonie speelt dus kennelijk een heel grote rol.

Als de mens een ziekte heeft, dan straalt hij zijn ziek‑zijn uit. Zijn lichaam is bewust van de werkelijke kwaal, ook als zijn denken daar niet toe komt. Het feit dat mensen over zichzelf een diagnose kunnen stellen, was in de oudheid bekend en is een van de aanleidingen geweest tot het gebruik van de tempelslaap.

Als ik ziek ben, deel ik mijn ziekte mee. Is er bij mij een wil tot genezing, dan zal de natuur rond mij, zo goed dit mogelijk is onder de omstandigheden, moeten reageren. Dat betekent dat ik zelf aansprakelijk ben voor een wat welige groei en bloei in juist die plantaardige bestanddelen, welke mij zouden kunnen helpen een kwaal te genezen, althans te verminderen.

Het is een bekend voorbeeld, maar ik wil het hier nogmaals citeren: Als iemand kanker heeft en in zich de behoefte gevoelt die te genezen, maar eigenlijk niet weet hoe en hij heeft een tuintje, dan moet u eens kijken: daar groeien opeens brandnetels en wat dovenetels. Nu is het zo, dat de jonge koppen van brandnetels gebruikt als een tisane (een thee) inderdaad bloedzuiverend werken en daardoor soms de pijnen en in enkele gevallen zelfs de oorzaak van de kanker aanmerkelijk verminderen. De ziekte wordt dan voor de mens beheersbaarder. Dit is iets wat de wetenschap wel bijgeloof zal noemen, maar ook hier weer: de mens straalt iets uit. En weer is hier sprake van een harmonie.

Het totaal van de raadselen der natuur moet dan ook zijn uit te drukken vanuit menselijk standpunt in termen van harmonie en disharmonie. De vijandschap die de natuur soms heeft tegen sommige mensen is onverklaarbaar, tenzij wij begrijpen dat er in die mens iets is wat de natuur tot afweer beweegt.

Waarom heeft de ene man zoals men zegt een groene duim? Dat wil zeggen, dat alle planten bij hem goed groeien en bloeien zelfs onder ongunstige omstandigheden, terwijl een ander met alle zorgen hoogstens verpieterde stekjes overhoudt, die hij dan met een weemoedige blik ergens op een gemeentelijke asbelt pleegt te deponeren, waar ze ‑nadat hij is weggegaan ‑ plotseling weer tot groei en bloei schijnen te willen komen. Ook hier weer: de mens heeft een uitstraling. Is die uitstraling gunstig voor de natuur, dan beïnvloedt de mens wat er met de natuur gebeurt. Maar wij kunnen het ook omkeren: Indien de mens zich ergert aan planten, dan kan hierdoor zelfs de plant worden geschaad; ze kan dus ziek worden.

Een bekend voorbeeld zijn hierbij bomen en verkeer. Als bomen in snelverkeer staan, dan kan men zeggen dat ze alleen lijden onder de gassen, die worden uitgestoten. Maar dat blijkt niet helemaal waar te zijn, omdat bomen die hinderlijk zijn veel sneller ziek worden en daarbij ook blijken te lijden aan geheel andere ziekten dan alleen maar vergiftigingsverschijnselen. U ziet dus, er is een typische samenwerking.

Nu kunnen we natuurlijk beweren dat de mens zelf ook weer beperkt en bepaald is. Men zou de astrologie erbij kunnen halen en zeggen: De mens is in zijn aard, zijn karakter en mogelijkheden toch wel enigszins bepaald, zeker wat het uitgangspunt betreft. Men zou kunnen spreken over de kosmische werkingen die ons nu op deze wereld ook weer zoveel te doen geven. Maar elke keer komen wij toch weer tot de conclusie: De mens zit er tussen.

Zeker, de gehele wereld ondergaat de stimulans van de een of andere kosmische straling. De gehele wereld reageert daarop: alle dieren, alle planten en de mensen. Maar de reactie van de mens is een bewuste. Daardoor zal zijn bewuste reactie en de verandering die zijn uitstraling met zich brengt een normaal evenwicht kunnen verbreken.

In de natuur is van een verbreken van evenwicht door die invloed uit de kosmos slechts zelden sprake. Breng er een mens bij en plotseling blijken de verschijnselen van tegenstelling, van strijd of van een bijzondere stimulans veel groter te worden dan normaal. Kennelijk is het de mens die hier weer centraal staat.

Ik zou zelfs verder kunnen gaan en spreken over de contacten die mogelijk zijn met bepaalde sferen en geesten. Want ook hier blijkt de mens centraal te staan. Nu zijn er mensen die zeggen: Ach, dat is allemaal kolder! Ja, zij hebben nog nooit contact gehad met een geest. Voor hen is dat iets dat niet bestaat, want als een ander het wel zou kunnen en zij niet, dan zouden zij deze afwijzing toch een beetje als een minderwaardigheid kunnen ervaren. Maar waarom de een dan wél en de ander niet? Want er zijn mensen die absoluut niet geloven aan de geest en toch die contacten ervaren. En er zijn anderen die naar deze contacten hunkeren, maar ze toch niet vinden. Hier moet weer iets liggen in de persoonlijke “opmaak”, de innerlijke structuur van de mens.

Ik denk hiermede duidelijk te hebben gemaakt dat de mens zelf dus voor zo heel veel aansprakelijk is, ook ten aanzien van al die wonderlijke krachten, verschijnselen en mogelijkheden die wij rond ons en overal zien.

De mens zie ik ongeveer als volgt: Er is een goddelijke Werkelijkheid. Die goddelijke Werkelijkheid is begrensd. Wij kunnen deze begrenzing alleen in ons voorstellingsvermogen stellen (niet in de werkelijkheid), ze werkt dus inductief naar buiten toe.

De mens is in feite een voortdurend fluctuerend krachtveld. Daar zijn de drie hoofdlagen van de aura, elk met hun eigen vibratie en hun eigen uitzending en dan houdt het op. Daarbuiten kan de menselijke sensitiviteit wel optreden, maar intens en volledig harmonisch treedt ze eigenlijk alleen maar op in de aura. Wat blijkt nu?

De aura verwerkt niet alleen het gedachteleven van de mens, maar ook zijn geestelijke harmonieën en daarmede zijn instelling van het ogenblik t.a.v. de schepping. Die instelling van de mens kan in het waakbewustzijn gericht zijn tegen een bepaalde persoon; zij kan gericht zijn tegen verscheidene personen of tegen alles. Het verschil is hierbij nihil voor zover het gaat om de uitstraling. Of u nu één persoon haat of de gehele wereld, in uw uitstraling komt dezelfde werking tot stand.

Daar waar de aura ophoudt, treedt een vreemd inductief verschijnsel op, een vibratie die zich betrekkelijk ver rond de mens uitbreidt als een soort olievlek op water, zeker indien daar geen ander bewustzijn met een opheffende of compenserende straling tegenover staat. Zo onderwerpt de mens eigenlijk de natuur aan zichzelf. Waarom zouden wij dan niet aannemen, dat er in die weerkaatsing ook iets een rol speelt dat boven het bewustzijn van de mens zoals hij op aarde leeft uitsteekt, maar dat de kern van zijn geestelijk “ik” uitmaakt?

Ik stel: De mens heeft een werkelijk Ego dat als geestelijk omschreven zou kunnen worden, dat geen vormbegrenzingen kent, maar in zichzelf wel evenwichtigheden en onevenwichtigheden kent. Bij elke incarnatie zal dit patroon door de mens tot uiting komen. De uitstraling van de mens bevat juist verschillende stralingen van hogere orde, die in verband staan met de evenwichtigheden en onevenwichtigheden van het werkelijke Ik. De stoffelijke nevenverschijnselen zijn niets anders dan formuleringen. Het zijn dus signalen die op de draaggolf van de geestelijke werkelijkheid van het Ik worden geënt. Daarom zal een mens met bepaalde onevenwichtigheden nooit contact kunnen krijgen met de natuur, al wil hij dat nog zo graag. Daarom zal een mens die met de geest contact wil hebben dat nooit kunnen bereiken, indien ook zijn geestelijke opmaak niet bepaalde harmonieën bezit.

Er zijn mensen die negatieve, destructieve magie kunnen bedrijven. Maar gaan wij na wat er in hun wezen bestaat, dan blijkt dat er een vreemde discrepantie is in dat ego. Daar bestaan namelijk bepaalde disharmonieën van grote kracht, die vanuit het stoffelijk “ik” verder worden geprojecteerd, zelfs op een voor het “ik” harmonische wijze vaak. Het zijn deze krachten die de macht bepalen van de mens en die hem tot centrum maken.

Dit bestaat echter niet alleen bij de mens. Als wij gaan kijken in bv. een mieren‑, bijen‑ of wespenstaat, in een horzelnest desnoods, dan ontdekken wij hetzelfde. Er zijn hier individuen, die ‑ ofschoon in vorm aan anderen gelijk ‑ in hun acties verschillen. Door hun reactie verkrijgen zij een bijzondere functie. Een mier kan een gewone werker of werkster zijn: dat is een slavenrang. Maar sommige werkers of werksters zijn kennelijk intelligenter, want zij hebben de mogelijkheid om wat voor hen belangrijk is onmiddellijk aan anderen over te, dragen.  Wij zien dat dergelijke werksters in het mierennest functies krijgen. Dat worden dan tuinlieden, verzorgsters van de broedkamers. Dat worden vreemd genoeg ook de verkenners, die dus niet zelf behoren tot de soldatenstand: de gewapende mier. Hun vermogen is niet alleen het overdragen van een alarmimpuls, maar bovendien een soort vooruitzien en een snel reageren op hetgeen men vooruit ziet. Daardoor kunnen mieren op de omstandigheden vaak vooruitlopen en hun weg veranderen, voordat er in feite een hinderpaal op die weg komt.

Bij de bijen is het precies hetzelfde. Er zijn bepaalde bijen die a.h.w. hoofddansers zijn. Zij zijn de verkenners die bepalen waar de anderen nectar en stuifmeel zullen vinden. Ook zij hebben een bijzondere functie. Zelfs bij de horzels zijn er zwermleiders die deze op zichzelf niet zo georganiseerd levende insecten toch bepalen ten aanzien van prooigebied en zelfs stimuleren tot aanvallen of niet‑aanvallen.

Bij de mens is het net eender. Alleen de mens leeft op veel meer niveaus dan het insect. Er zijn bij de mens bepaalde geestelijke factoren bewust actief, (zij het dat het waakbewustzijn dat niet beseft, maar vanuit het ego bewust actief), die door een insect hoogstens in massaliteit kunnen worden opgebracht, maar nooit individueel en die dus niet aan persoonlijke omstandigheden kunnen worden gebonden. Bij de mens gebeurt dit wel. En daarom is de mens de kern van een groot gedeelte van die eigenaardige krachten, machten en verschijnselen in de natuur. Het is de mens die de werkingen van invloeden heel vaak voor een groot gedeelte zelf reguleert. Hij beseft het niet, maar hij doet het.

Ik geloof dat men verder moet gaan dan dit om de facetten van de natuur te kunnen begrijpen. Waarom bijvoorbeeld kan een mens die gelooft aan een bezielde natuur soms krachten ertoe brengen (bv. zielen van bomen, boomgeesten e.d.) om hem in het bijzonder te helpen, te dienen of te sparen? Hierbij spelen offeranden en godsdienst kennelijk een ondergeschikte rol. De boomgeest reageert. De boom straalt een kracht uit. Ga je na wat er gebeurt, dan blijkt dat de boom een versterker is. Zeker, hij is bezield, maar wat hij doet is versterken.

Zo kennen wij dieren die in staat zijn de telepathische mogelijkheid van de mens aanmerkelijk te vergroten. De mens is een telepaat. Een dier heeft een begripsniveau dat lager ligt dan dat van de mens, maar een perceptieniveau dat aanmerkelijk hoger ligt. Zo blijken honden en ook wel katten bijzonder geschikt te zijn voor telepathische overdracht.

Indien er tussen mens en dier een band bestaat, kan de mens het dier gebruiken als een versterker. Maar die versterker kan dan ook worden gebruikt in de richting van wat men magie noemt. Hij kan eveneens worden gebruikt voor contact met bepaalde geestelijke sferen.

Bijgeloof beweert dat heksen altijd familiaren hebben. Dat zijn duivelse dienaren die hen vergezellen in de gestalte van dieren: honden, katten, padden etc. Dat is op het eerste gezicht een beetje dwaas. Dan zou elke dierenliefhebber dus eigenlijk heksenneigingen moeten hebben. Maar als wij nu gaan begrijpen dat het dier onder omstandigheden als versterker kan optreden en de binding tussen mens en dier daarbij tamelijk intens behoort te zijn, dan wordt ons ook duidelijk waarom men dat bijgeloof heeft gevonden. Want er zijn mensen, die dieren nodig hebben om buitengewone prestaties te leveren. 0 zeker, dat valt dan onder magie. Maar is het eigenlijk weer niet een soort natuurwet?

De mens is de bron van het bewuste signaal. Maar geënt op harmonische wezens kan hij plotseling niet alleen één elementair, maar misschien honderd elementairen van verschillende oude elementen gelijktijdig beroeren. Hij kan als het ware water, vuur, aarde en lucht samenroepen en hun zeggen wat er moet geschieden; en dan ontstaan er natuurverschijnselen die in die richting werken. Het is geen absolute vervulling, maar het verschijnsel lijkt er op. Er zijn zelfs mensen die een vulkaanuitbarsting kunnen oproepen. Er zijn mensen die regenwolken kunnen wegsturen of aantrekken. Dat er hierbij ‑ en dat is duidelijk ‑ vaak wordt gegrepen naar bepaalde menselijke automatismen is misleidend geworden. Men heeft gedacht dat de regendans de regen brengt. Maar de regendans is niets anders dan een opwekken van een reeks emoties met één dominerend denkbeeld, waardoor er een enorme versterking van die gedachtenuitstraling kan ontstaan en de natuur kan reageren.

Dan zeggen de mensen ook heel vaak: Ja, maar ik leef onder een bepaalde straal of kosmische invloed en deze bepaalt mij. Als er licht is, dan kan dit vele kleuren hebben. Maar welke kleur licht het ook is, als ik in dit licht kan zien, dan zijn mijn acties vrij. Alleen indien ik voor bepaalde kleuren blind ben, kan ik niet reageren. Het is trouwens typerend voor deze werkelijkheid, dat men het OM MANI PADME HUM gebruikt heeft als de werkelijke leuze, de werkelijke kreet voor het kleinood in de lotus. Heel weinig mensen weten dat het is samengesteld uit kleuren. Elke lettergreep duidt een kleur aan in het Tibetaans dialect. Wie alle kleuren beheerst is de wetende. Hij wordt niet meer door de kosmos eenzijdig gestimuleerd, maar hij beheerst alle stimulansen en kan ze gebruiken; en juist daardoor is hij harmonisch genoeg om ze niet meer nodig te hebben. Dat zegt de lering erbij.

Indien u tot een bepaalde straal behoort, dan betekent dat, dat uw beste mogelijkheden inderdaad op de voorgrond komen onder zekere kosmische omstandigheden. Dat is toch heel begrijpelijk. Iemand die zich het best beweegt in koud weer en niet in warm weer, zal op het ogenblik (vanwege de hitte) traag zijn en daarentegen bij koude veel presteren. Want het is natuurlijk ook mogelijk dat u bij koude niets en bij warmte veel presteert. Dat zijn heel normale omstandigheden. Maar waarom moeten wij dan zeggen dat de kosmische krachten ons domineren? Dat gebeurt alleen indien wij niet weten water aan de hand is. Maar als wij voelen: dit past op dit ogenblik bij mijn wezen, dit is een noodzaak die nu bestaat; dan moeten wij daarmee ook kunnen bereiken. En als wij daarmee werken, dan is dat een kwestie niet van even bevelen geven, maar van ons invoelen in het andere, een deel worden van de natuur, a.h.w. meekloppen in de hartenklop van de aarde zelf, het ons opladen aan de enorme gedachtenuitstroming van de zon, het ons bewustworden van de waardeverschuiving van de maan en zo de dualiteit van het bestaan erkennen en de waarden daarvan tegen elkaar uitspelen. De mens is niet hulpeloos. Er zijn zo enorm veel krachten dat je je weleens afvraagt: Is het nu wel nodig om erover te praten?

Dan hebben wij ook te maken met vele groepsgeesten. Ook u, mensen, u heeft grote aantallen groepsgeesten. Sommigen heeft u zelf opgeroepen, mede tot stand gebracht, zoals de geesten die bepaalde volkeren in het bijzonder begeleiden en stimuleren. Anderen zijn in de loop van de tijd ontstaan of behoren bij bepaalde ontwikkelingsprocessen op deze wereld. Allemaal, groepsgeesten, grote entiteiten die in de materie met veel geduld en met veel werk grote veranderingen tot stand kunnen brengen. Maar is het nu werkelijk zo, dat die mens kan worden gedomineerd door een rassen‑ of een groepsgeest? Alleen op het ogenblik dat hij zelf niet in staat is een harmonie daarmee te bereiken.

Men denkt heel vaak, dat harmonie bereiken met een hogere geest, een onderdanigheid inhoudt. Dat is niet waar. Het is een zozeer één‑worden daarmee dat je eigen wezen zich kan uitdrukken met de krachten van het geheel. Het is eigenlijk net als met een horoscoop. Er bestaat een mooie leuze, die je altijd erbij moet halen, nl, de sterren wijzen u wel, maar de sterren dwingen niet. Zo is het met al die krachten; met een rassengeest en met een groepsgeest. Zo is het met alle entiteiten die geschapen zijn of die sedert het begin der aarde met allerhande ontwikkelingen bezig zijn. Als er een harmonie met hen is, dan dwingen zij zeker niet meer; integendeel, zij worden de vervulling van uw wezen.

Als u één kunt zijn met bv. de geest van Nederland, dan kunt u de krachten en ook de mentale mogelijkheden van een groot gedeelte van het gehele Nederlandse volk tijdelijk laten samenvloeien in uw wezen. En dan beschikt u over de kennis en de mogelijkheden. Wat natuurlijk weer de vraag zal oproepen: Hoe worden wij dan zo harmonisch? Het antwoord is moeilijk en eenvoudig tegelijk:

Harmonisch met een grote kracht wordt u, indien u bereid bent de objectieve waarde buiten uzelf aan te voelen en voor uzelf uit te maken in hoeverre u daarbij past.

Aanvaarding betekent nog niet imitatie. Als u de geest van het Nederlandse volk aanvaardt als geheel, dan kunt u daarin vele fouten erkennen. Maar die aanvaarding alleen is al voldoende. Vanaf dat ogenblik zal ‑ indien uw wezen niet geheel strijdig is met datgene waarmee u contact zoekt (het grotere Ik) ‑ er harmonie ontstaan. Deze harmonie zal zich steeds sterker manifesteren. Dan moet u leren u niet door deze harmonie te laten dicteren, maar vanuit uzelf door die harmonie in het geheel werkzaam te zijn. Daarmee kunt u enorme resultaten bereiken.

Als wij zo voor het einde van een cursus staan, dan is het de gewoonte dat je de mens nog enkele raadgevingen probeert te geven. Raadgevingen zijn er natuurlijk te over; maar de meest eenvoudige voor een mens is wel deze:

Erken uzelf voor wat u bent. Zie uw beperkingen. Geloof in uw vermogen. Heb zelfvertrouwen,  ook als u dat voorlopig misschien uitdrukt als Godsvertrouwen. Het zijn deze dingen die het u mogelijk maken al deze krachten die in de natuur rond u werkzaam zijn, al deze geheimen van de natuur die zich voortdurend rond u openbaren en waaraan iedereen voorbij schijnt te lopen, op te merken. Dat is het eerste wat u nodig heeft om er iets mee te kunnen doen.

Het is heel mooi om grote magische bezweringen op te zeggen om het een of ander tot stand te brengen, misschien een tand‑ of kiespijn te genezen of iets dergelijks, ofschoon de tandarts dan op den duur toch goedkoper zal blijken te zijn. Maar als je een beeld ervan hebt en je bent met de persoon harmonisch, maar ook met een hogere kracht, dan heb je inderdaad de macht om die kiespijn te genezen en dan is het niet belangrijk dat je daarvoor een bezwering uitspreekt, maar wel dat je voor een ogenblik die eenheid, die zekerheid voelt. Daarmee is de impuls gegeven en het is afgelopen.

0, het klinkt echt magisch, ik weet het wel. Dat is toch precies hetzelfde als met bloemen en planten. Als u naar een bloem of een plant gaat en u zegt; “Wat zie je er verpieterd en ellendig uit. Och God, wat een ellende! Daar hebben zij mij weer bedrogen bij de bloemist.” Dan krijgt die plant, al verstaat zij uw woorden niet, een soort golf van minderwaardigheid over zich uitgestort, waarvan zij een soort complex krijgt. Geen menselijk psychisch complex natuurlijk, maar laten wij zeggen een kleine vertraging van de kleurige tol, die dan toch altijd nog bij elke plant de bezielende kracht is. En bij die vertraging wordt er minder levenskracht opgenomen; er is minder stuwing. Maar als u diezelfde plant bekijkt en u zegt: “Daar is toch nog wel iets moois aan,” dan voelt ze zich geroepen om te beantwoorden. Want het begrip “mooi”, dat is voor u het begrip van blad, van bloem, van groei. Die impuls wordt opgenomen en de plant beantwoordt deze. Zo eenvoudig, maar gelijktijdig ook zo moeilijk is het.

Als u naar een hond toegaat en u denkt; hij zal mij toch niet bijten, dan denkt u misschien dat u verstandig bent. Maar bijten is voor die hond alleen een uitdrukking van gezag of een zelfverdediging. Zijn agressiviteit heeft niets te maken met het denkbeeld dat u nu toevallig meer bent. En als u denkt dat u het wel bent, dan kost u dat waarschijnlijk kledingstukken of meer. Als u bang bent voor de hond, is het precies hetzelfde. Maar op het ogenblik dat u probeert de hond te begrijpen, dat u niet zegt: “Beest, wees koest”, maar dat u zich afvraagt: Waarom blaf je mij aan? Dan communiceert u met het dier en dan zegt het dier tegen u al blaffende: Ach, ik meen het niet zo kwaad, maar kom mij niet te na. En als u dan zegt: Ik vind je eigenlijk wel een leuke hond, dan zegt hij; Nu ja, je bent ook zo slecht nog niet. En dan blijft hij misschien nog even grommen om op zijn waardigheid te staan, maar dan mag u voorbijgaan en er komt geen schade. Dat doet u tegen een hond. Waarom zou dat niet zo zijn tegenover een slang of onverschillig tegenover wat voor wezen ook? Realiseer u: als u de dingen herkent als waardevol, als betekenisvol, als u geen angst daarvoor kent en aan de andere kant u daarvoor niet onkwetsbaar acht, wordt u als gelijke aanvaard. Dan is het eigenlijk zoiets als in de geschiedenissen van Mowgli (Kipling): Hier staat de slang die sist; “Je spreekt mijn taal, dus ben je mijn broeder.” Dat geldt voor de dieren, dat geldt voor de planten, dat geldt voor de geesten in de natuur, dat geldt eigenlijk voor alle dingen. Wij zijn als mens en als geest het brandpunt van een kracht, die wij zelf niet beseffen. Het is juist deze kracht, die ons de mogelijkheid geeft om met alles één te zijn, om met alles harmonie te vinden, tenzij wij in ons hogere wezen de mogelijkheid zelf nog niet hebben geschapen. Dan weten wij dat ook. Dan voelen wij: dit is niets voor mij. Laten wij dan ook daarvan afblijven. Maar als wij voelen: hier kunnen wij tot een aanvaarding komen, laten wij dan ook bewust ageren. Laten wij bewust de dingen van ons laten uitstromen. En dan worden zelfs de meest krankzinnige wensen soms nog waar.

De wereld wordt beroerd door allerhande kosmische stromingen. Die wereld is in oproer. Als ik het zo bekijk, zal ze nog wat oproeriger worden, voordat ze weer kalmeert. Maar waarom? Welk facet in de mens is aansprakelijk voor deze steeds groter wordende chaos? Heel eenvoudig: het gebrek aan harmonie. Het gebrek aan aanvaarding.

Indien honderd mensen elkaar volledig aanvaarden als gelijken, zonder meerwaardigheid of iets anders te postuleren, dan zullen deze honderd mensen als een eenheid staan tegenover elke invloed die hen bereikt. En dan zal elk van hen op zijn eigen wijze reageren en zich gedragen, maar een onderlinge erkenning steunt hen. Op het ogenblik echter dat die honderd mensen allen denken “ik ben toch wat meer dan jij” of: “ik ben onbelangrijk, ik kan toch niets”, dan is die band er niet, dan is het harmonisch contact weggevallen. Daardoor is het niet mogelijk dat zij uit hun aura gezamenlijk één en hetzelfde veld uitstralen en dat zij tot resultaten komen.

Kosmische krachten zijn alleen sterk, indien de mens zwak is. Kosmische stromingen en stralingen dirigeren het gebeuren op dit ogenblik voor een heel groot deel. Daarbij zijn ook nog invloeden van zon en maan die nu op aarde heel erg sterk zijn: Maar zij zijn alleen sterk, omdat de mens ze niet wil zien; omdat de mens ofwel te zeker is van zichzelf ofwel te angstig.

Als u gewoon over de grond loopt en u bent één met deze aarde, dan kunt u voelen en a.h.w. zien als met radarogen wat er onder de oppervlakte ligt. Dan weet u; hier is water, hier is olie, hier zijn ertsen en mineralen, hier is gevaar en daar is gas. U voelt het gewoon. En omdat u één bent met de aarde, spreekt zij; dan gaan haar verschillen in uitstraling voor u betekenis krijgen. Het duurt misschien even, voordat u de begrippen precies samen heeft gebracht, dat geef ik graag toe. Maar, alleen de harmonie daarmee maakt het u mogelijk het te zien.

Als men dan een wichelroede gebruikt, is het alleen maar om voor zichzelf aanvaardbaar te maken dat men constateert en dat men dat op een bepaalde plaats doet. De mens is het wonderlijkste wezen van de gehele natuur, zeker op aarde. Het is jammer dat hij zo weinig van zijn wonderlijke eigenschappen gebruik maakt.

Om dat allemaal te kunnen begrijpen, zou je je moeten bezighouden met de mens als geheel: zijn geestelijke achtergronden, zijn leefgewoonten, geboorte en huwelijk, met dood en met lichamelijke toestanden. Dan zou je er misschien achter kunnen komen waarom deze mens nog niet in staat is om de eenheid met de natuur te winnen op de voor hem mogelijke gebieden en vandaaruit geen meesterschap maar een volledig deelgenootschap in de werkelijke krachten te openbaren. Ons slotbetoog van deze cursus is dan ook dit:

Er zijn enorm veel machten en krachten in de natuur, die soms ontstellend groot en sterk lijken voor de mens. Maar hij kan daarmee harmonie, een zekere eenheid bereiken. En dan is zijn vermogen om te denken in de termen van de geestelijke wereld vaak voldoende voor hem om in de menselijke wereld de door hem gewenste fenomenen tot stand te brengen.

De planten en de dieren gehoorzamen u, indien u een eenheid met ze bereikt. De regen, de wind en het vuur zullen u gehoorzamen. En als u zo één bent met krachten van de natuur, dan weet u; dit is noodzakelijk, of dit is niet noodzakelijk en goed. U kunt gaan door een brandend woud zonder dat ook maar één vonk u zal deren, zonder dat u ook zelfs maar één ogenblik een overmatige hitte heeft gevoeld. U kunt over het water wandelen op het moment, dat u uw eenheid met het water beseft. Maar ja, de mens is nog niet zo ver!

Ik hoop, dat al deze gegevens die wij u in deze cursus hebben verstrekt, althans uw inzicht in de mogelijkheden hebben vergroot en dat u met enig besef van uw eigen wezen mogelijkheden, uw mogelijkheden niet zult zoeken naar de middelen om alle krachten van de natuur met geweld te beheersen, maar dat u zult leren in uzelf te zoeken naar die eenheid, naar die harmonie, welke voor u mogelijk is en dan uw gedachten eenvoudig als brood uitstrooit op de wateren van de tijd. Tot uw verbazing zult u dan zien wat een rijke oogst u wordt gegeven.