De gulden snede

1 maart 1971

U weet het allemaal, er wordt van u verwacht, dat u zelf nadenkt want wij zijn nu eenmaal niet alwetend en we zijn ook niet onfeilbaar. En dan komen we aan het onderwerp, dat is een beetje ingewikkeld en het is gelijktijdig erg eenvoudig. Het ligt eraan, van welke kant je het benadert.

De gulden snede

U hebt er waarschijnlijk wel eens van gehoord. De gulden snede is eigenlijk niets anders oorspronkelijk dan een uitdrukking van verhoudingen. Het is gebruikt bij wat bouwwerken en het schijnt, dat men dus deze bereke­ning heeft gevonden in Egypte. Ze is verder gebruikt in de bouwstijlen van o.a. Griekenland en we moeten aannemen, dat het ook nog ouder is. Want er bestaan namelijk nadere gegevens, o.a. in de Bijbel, die eigenlijk ook op diezelfde verhouding neerkomen. Als u nagaat bv. de afmetingen van de ark van Noach, dan ontmoet u daarin inderdaad een getalsverhouding, die eveneens thuishoort bij de Gulden Snede. En, als u een beetje meer houdt van de mystiek of van de maçonnieke overleveringen, de Tempel van Salomo bevat liefst zevenmaal deze zelfde afmeting, waarbij dan de kern-afmeting zou liggen in het bronzen vat of de bronzen Zee, die gegoten zou worden en die mislukt heet te zijn.

Het is allemaal een kwestie, ja, je kunt dat nu allemaal archi­tectonisch gaan ontwikkelen, je kunt het kunstzinnig gaan uitrafelen, maar ik geloof, dat je daarover mee komt. Want er is één eigenaardigheid in deze wereld, er is altijd zoiets geweest, dat noemt men dan “inwijdingsschool’. Waarom, dat weet ik ook niet, maar ze noemen het zo. En in die scholen werken bepaalde principes. En die Gulden Snede komt betrekkelijk vroeg daarin voor. Men beweert – ik ben er niet zeker van, ik zeg het er maar bij dat dus in de zgn. inwijdingen van de Maangodin in Ur en later in Uruk en Besar die getallen al werden gebruikt om aan te geven de verhoudingen tussen de mens: lichaam, de mens: geest en de ziel het werkelijke ego. En men meende, dat op aarde de werking van die drie in een bepaalde verhouding voor moet komen, omdat op deze wijze de mens op de meest ideale manier in staat zou zijn – bij de Egyptenaren de Ka, het werke­lijke Ik te laten functioneren, zowel op het niveau van wat wij noemen het astrale – de Ba – alsook in de lichamelijkheid.

Kijk eens, er bestaan een grote reeks van verschillende werelden. Elke wereld, zo beweert men, heeft een eigen voertuig. Die mensen, die met die inwijding bezig waren in het verleden, die dachten waarschijnlijk een klein beetje  meer in vormen, dan men dat tegenwoordig doet, maar ze hadden dan toch wel dingen in de gaten. Ze wisten bv. iets, al was het niet veel, van snaarinstrumenten af. Dat waren éénsnarige instrumenten, versierd met rinkelboom overigens. En wanneer je dus op een bepaalde hoogte die snaar afkneep, dan veranderde de toon. En toen zei men: op dezelfde wijze, waarop de toonscala bepaald kan worden op één snaar, door haar te spannen, door haar in delen te breken als het ware, want daar komt het op neer, kun je ook het Ego in verschillende delen, in verschillende toonaarden laten klinken.

En wanneer je in staat bent, om een hoger deel van het Ik actief te maken, dan zal dit meeklinken in het geheel. Wij zouden tegenwoordig zeggen, dat is heel eenvoudig: wanneer ik dus een toon verander door een snaar op één of ander punt te blokkeren, dan trilt dat andere deel toch nog ergens. Maar zij deden dat dus nog een beetje eenvoudiger, ze zeiden doodgewoon: wanneer ik dus een hogere kracht actief maak, dan is zij werk­zaam in het geheel van mijn wezen, óók in mijn lichaam. En dat impliceert dus, dat de mens de vorming van zijn eigen wezen eigenlijk in de hand heeft.

Die Gulden Snede is niet alleen maar een verhaal over verhouding en maten. Er is zelfs een formuletje van gemaakt, ofschoon dat pas eigenlijk uit 1800 stamt. Het gaat hier werkelijk om: Wanneer ik leef, dan moet ik passen in een totaliteit. De Ouden zeiden: de mens moet in zichzelf de krachten vergaren, zodat hij kan leven in de wereld der goden. Om dat te bereiken, moet ik de vorm van mijn ik, mijn wezen, dus enigszins aanpassen, en veranderen en dat kan ik doen, door gebruik te maken van die verhoudingen. Er zijn daden, die op aarde misschien zinloos zijn, maar die in de eeuwigheid een groot vormend effect hebben. Er bestaan invloeden vanuit het ”Werkelijk Ik” de grote Kosmos, waar je op aarde weer niet veel mee kunt doen, maar die kunnen dan vaak astraal als het ware geactiveerd worden. En op deze manier ontstaat dan weer een beïnvloeding van de stof, waaruit weer het Werkelijke Ik beïnvloed wordt.

Je zou haast geneigd zijn, om in dit verband een maçonniek beeld te gebruiken en te zeggen: de mens is de steen in de Tempel van de Grote Bouwmeester en hij moet de juiste maat krijgen, hij moet behouwen worden tot de juiste maat. Dat behouwen was dan het proces van inwijding en in dat inwijdingsproces werd het Werkelijk Ik beïnvloed door wat men was op aarde en gelijktijdig dus zou dat Werkelijk Ik als het ware instigerend optreden ten aanzien van het Ik op aarde. Een misschien wat ingewikkelde methode om bewust te worden, dat weet ik wel, maar zelfs de versie, die ik u geef, is al sterk vereenvoudigd. In al de inwijdingsscholen werd daar nog verder over gesproken, bv. de verzinking van het Ik in de elementen, de projectie van het Ik – het geestelijk Ik – in die elementen en van daaruit de vorming, de vorming van de wereld, waardoor het geheel van het lichamelijke wordt bepaald en uit deze bepaling de werkelijke ontwikkeling van het grote, het overlevende “Ik” plaatsvindt.

Nu ja, als je dat allemaal zo hoort, dan vraag je je wel eens af: Zit er wat in? Het zijn mooie verhalen natuurlijk, maar er worden zoveel verhaaltjes verteld. Ze vertellen van alles. Ze vertellen bv. dat u in Nederland leeft in een welvaartsstaat. Vaart zit er misschien wel in, maar het lijkt me meer een soort 8-baan, een berg-en-dal-baan. Je kunt zeggen, alle principes, die er bestaan, kennen wij op het ogenblik – en dan weet je, dat de mensen voortdurend zich weer vergissen. Ik geloof, dat, ook wanneer je begint met de Gulden Snede, je praktisch moet zijn.

En dan zijn de vragen, die je in de eerste plaats stelt: Als mens leef je materieel. Je kunt nu wel vertellen, dat er een ziel is en dat je een hoger geestelijk Ik hebt en al die dingen meer. Maar als werkelijk puntje bij paaltje komt, dan ben je in de eerste plaats een stofmens. Hoe kan het stoffelijk Ik nut hebben van deze verhoudingen? – Het zijn trouwens verhou­dingen, die op veelvouden van drie gebaseerd zijn. – Ik zou het zo willen zeggen: Wanneer iemand in de stof leeft, dan kan hij zijn daden onderscheiden in dingen die buiten hem omgaan, dingen, die hij ondergaat dus en dingen, die hij zelf instigeert. Wat buiten je omgaat, dat is de verandering van decor.  Het beïnvloedt je misschien wel, maar toch niet zo ver. Wat je ondergaat, dat beroert je direct zelf, daar ben je bij betrokken en daar heb je een mening over, daar heb je gevoelens bij. Maar wat je zelf instigeert, dat is eigenlijk het enige, waarin je werkelijk leeft, datgene, wat je zelf tot stand brengt. Misschien zou je kunnen zeggen: het is als een toneelstuk, Een acteur kan daar te midden van veel acteurs staan voor een decor, maar voor hem is het belangrijke deel in het stuk alleen dat deel dat hijzelf moet spreken. Op diezelfde manier moet u het bekijken.

We leven dus, als mens, in de materie. Wij weten, of kunnen weten, dat wat wij doen en denken in die materie invloed heeft op de werkelijkheid van het ego. Zelfs, wanneer we hierbij een Hiernamaals buiten beschouwing laten, blijft nog het feit bestaan, dat het Ik gevormd wordt vooral door de eigen acties, die dit Ik onderneemt. En dan heb je het tweede punt. Elke mens heeft iets, dat lijkt op een droomwereld, ja, een gedachtewereld mis­schien, dagdromen. In die wereld ben je anders. Het is typerend bv.: dat kleine mannetje, dat nergens werkelijk iets te zeggen heeft, is waarschijnlijk in zijn dagdromen een tiran.

Het is niet alleen de tegenstelling ten aanzien van wat je werkelijkheid noemt en in een zekere mate ook wel het oplossen van bepaalde conflictsituaties, het afreageren in fantasie, maar die dagdromen tekenen als het ware je idieële beeld. Als we dit nu eens de astrale waarde noemen, dan ontdekken wij op grond van die formule iets vreemds, nl. dat de invloed van de dagdroom op het dagbestaan, of het gedachteleven op het daadleven, als u het zo wilt, groter is dan die van het daadleven op het gedachteleven. Wanneer ik dus leer, om juist te denken, dan zal ik van daaruit automatisch ook beter gaan handelen.

En dan is er een derde punt, dat ik hierbij te pas wil brengen. Dat is het Werkelijke Ego – zoals men zegt het Grote Ego, de Ziel, of hoe u het noemen wilt. Deze leeft en bezit een ervaring – u hoeft het niet te geloven, maar neem het voor het argument even aan – een ervaring, die dus veel verder gaat dan het stoffelijk bestaan zelf. Daar kunnen vele incarna­ties in zijn. Daar kan een reeks van leringen uit sferen in zitten, er zit een grotere zelfkennis ook bij, dan je in de materie hebt. Nu kan dit op het gedachteleven inwerken. En laten we nu eenvoudigheidshalve – het is niet juist – maar zeggen, dat de verhouding is: 9 voor het werkelijke Ik, tegen 6 voor het astrale tot 3 voor het materiële. Dan zouden we dus kunnen zeggen, dat elke directe beïnvloeding van het materiële vanuit het Grote Ik een drievoudige kracht heeft, maar dat een directe beïnvloeding op het gedachteleven niet zonder meer mogelijk is, omdat deze 9 dan geen volledig getal heeft. Je zou dus zeggen: anderhalf keer die invloed, 3/2 x de invloed. Maar dat is dus iets, waar je dan geen rekening mee houdt, die factor is te klein.

Dan stellen we: Al hetgeen uit het werkelijke Ik voortkomt, moet worden beschouwd als een inspiratie, die niet het stoffelijk welzijn als doel stelt, maar het bereiken van een eenheid. Jezelf worden betekent ook: één worden met jezelf, niet verdeeld zijn binnen jezelf. De gedachtewereld staat daar buiten. De gedachtewereld heeft een grote invloed op het daad­leven, maar elke inspiratie is sterker dan elke fantasie. Kunt u mij volgen?

Nu moet u luisteren, nu begin ik praktisch te redeneren. Als mens kan ik mijn werkelijk Ik nooit beïnvloeden. Als mens heb ik wel invloed op mijn gedachteleven. Wanneer ik mijn gedachteleven voldoende weet te richten, dan zal hieruit een stoffelijke vorming resulteren. Nu ja, resulteren is een mooi woord, hè? Je zou dus misschien nog verder kunnen gaan en zeggen, dat vanuit het sacralistisch denken de materiële regio beter bepaald moet worden. Ja, dat is iets, dat hoort bij de verkiezingen thuis, niet in een geestelijke lezing. Wanneer u weet, ik kan met mijn denken niets beïnvloeden, dan is het ook nog de vraag: wat wil ik? Wat is die dagdroom, die je hebt, wat is het gedachteleven, waarmee je werkt? Dan zeggen we heel eenvoudig: Het gedachteleven kan door mijzelf op elke wijze gericht worden, maar als ik in mijn gedachten voortdurend bezig ben om een eenheid te zoeken voor de mensheid, begrip voor de mensheid, dan beïnvloed ik de materie in een rich­ting, waarin dit mogelijk wordt. Ik schep mogelijkheden! En daar ik gevoe­ligheid, sensitiviteit ten aanzien van mijn wereld en al het andere in mijn gedachteleven inleg, zal ook het werkelijke Hogere Ik daardoor meer tot het bewustzijn doordringen. Naarmate het gedachteleven meer gericht is op vergrote gevoeligheid ten aanzien van de wereld, zal de inspiratieve factor van het werkelijke Ik het materiële Ik voortdurend sterker kunnen beïnvloeden en zal een grotere eenheid van besef en actie kunnen ontstaan tussen de drie factoren van de mens: de stof, gedachteleven plus astraal en werkelijk Ik – of geest in de sfeer of hoe u het noemen wilt.

De tweede vraag, die u hierbij zou kunnen stellen is: Zijn die verhoudingen, die u geeft, juist? Nu, volgens de Gulden Snede zelf, niet helemaal. Ik gaf deze eenvoudigste waarden, omdat die verhoudingen op zichzelf niet zo belangrijk zijn. Wanneer de samenhang van de ver­houding maar tot uitdrukking komt. Of om het anders te zeggen: toen Noach de ark bouwde, was het dus wel belangrijk, dat zij negentig ellen enz.  en zestig ellen en de rest was, maar het belangrijkste was, dat het ding kon drijven. Want al waren de afmetingen ideaal geweest, nietwaar, als Noach er niet goed mee had gebouwd, had hij met al zijn beestjes aan boord gezeten in de regen, blub, blub, blub, blub. Dan is de vraag, wat er dan overgebleven zou zijn. Neen, het gaat niet zozeer om de afmetingen, het gaat om de constructie, de structuur.

Datzelfde kun je ook zeggen van een bouwwerk. Als u gaat kijken naar die geringe vermindering, dat taps lopen dat bepaalde zuilen hebben, dan lijken ze ineens slanker, ze lijken mooi. En het is toch eigenlijk maar een heel kleine af wijking van de rechte lijn, het ziet er anders uit. Ook iets, wat met de gouden snede te maken heeft, plus eventueel de verhouding zuilengalerij met de fries, die daar ook bij te pas kwam. Het interessantste van de zaak is dus, dat wij met een geringe afwijking een grote verandering van schijn tot stand brengen. De zuil wordt niet slanker, ze lijkt slanker.

En nu stel ik iets, wat u misschien heel vreemd vindt. Wanneer ik werk met de juiste verhouding in mijn eigen denken, mijn inspiratie en mijn daadleven – die drie horen bij elkaar – en ze zijn een hecht geheel, – ’t kan drijven, bij wijze van spreken – dan verander ik maar heel weinig aan  de feiten, maar ik verander veel aan de schijn. Kunt u het volgen? Gaat het nog? Dat valt me mee, eerlijk gezegd.

Schijn! Schijn is een woord met een heel slechte betekenis. Ja, ik wil ook wel Maya zeggen, maar dat betekent eigenlijk hetzelf­de, of begoocheling. Schijn, dat is iets, dat een slechte betekenis heeft gekregen, omdat de mens over het algemeen probeert beter te schijnen dan hij is en daarom de schone schijn ophoudt, waarvoor hij anderen pleegt te laten betalen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, hè? Schijn, dat is dus mislei­ding, maar het is ook “zien”. Wanneer je een schilderij ziet, dan is dat ding plat. En toch zijn er schilders geweest in het verleden, die, na de ontdekking van het perspectief, daar dingen tot stand hebben gebracht, dat je denkt, mens, ik kijk in de oneindigheid! Op dezelfde manier kun je dus zeggen: ja, we veranderen misschien niet veel aan de werkelijkheid, maar we geven een nieuw perspectief. Maar wat doet het perspectief? Bij het schilderij geeft het ons de mogelijkheid om als het ware met onze geest binnen te gaan, we kunnen de wereld van het schilderij betreden. Wat veel moeilijker is, wanneer we dus een vlakke voorstelling hebben als bv. bij de byzantijnse iconen. Daar kijk je tegenaan, daar kom je niet in, je kunt niet binnengaan. Het is schijn, zeker, maar de schijn, die verandert, verandert ons inzicht. Ons inzicht geeft ons grotere mogelijkheden tot denken. Kunt u me volgen? Niet helemaal misschien. Nu, dan moet ik er maar een verhaaltje tegenaan gooien. Waarom niet. Verhaaltjes maken zoveel dingen duidelijk en alle wijzen hebben in gelijkenissen gesproken.

Er was eens een man, die niet deugde. Dames, komt veel voor, vindt u niet? Maar, deze man hield zichzelf voor, dat hij goed was. Dat was natuur­lijk schone schijn, in het begin zich uitend in allerhande uiterlijke gedragingen. Maar de man geloofde zozeer, dat hij goed was, dat hij niet meer slecht durfde zijn. Zo vergat hij een groot gedeelte van zijn slechte natuur en kwam tot het reëel beleven van dat, wat eens schijn geweest was. Hij werd, door de illusie, die hij koesterde, van een amoreel mens tot een moreel mens. Nu heb ik niets tegen amorele mensen, houd u mij ten goede. Want moraal, dat weten we allemaal, is een menselijke schepping. Het is iets, dat is voortgekomen uit de menselijke maatschappij en de cultuur, of we God nou de schuld daarvan geven of de United Nations. Maar, de veranderingsmogelijkheid in het ver­haal is belangrijk. Het kan zijn, dat je iets gelooft, dat helemaal niet waar is, het bestaat eenvoudig niet, het is er niet. Maar je gaat het aannemen als waar. Je zegt: ja, daar moet toch iets van waar zijn, je gaat er in gedachten mee bezig zijn, je gaat er rekening mee houden, je schept langzaam maar zeker een soort waarheid. En dan komt het eigenaardige ogenblik, waarop, ook al is de bron, die je aanneemt, niet werkelijk aanwezig, de kracht, die uit die bron zou vloeien, wel aanwezig blijkt. Ze komt ergens anders vandaan, maar ze is er.

Dat doet die Gulden Snede dus eigenlijk. Ze geeft niet alleen maar een regel voor een juiste constructie, neen, ze leert ons ook nog eventjes, dat we met een illusie een werkelijkheid tot stand kunnen brengen. De begoocheling is dan niet alleen maar iets, waar we dan maar doorheen moeten kijken. Er zijn mensen, die kijken graag door alle begoochelingen heen. Nou ja goed, moeten ze een x-straal apparaat nemen en dan geloof ik wel, dat ze op den duur ook niet meer naar uiterlijke schoonheden maar naar geraamtes kijken. Mensen, die overal doorheen willen zien, vergeten één ding. Alles, wat bestaat, is op enigerlei wijze functioneel, het heeft een plaats, het heeft een betekenis, het heeft zin. En nu zegt ons de inwijdingsverklaring, de geestelijke verklaring van de Gulden Snede niet alleen maar: zo moeten we zijn en zo moeten we worden, neen, ze zegt ook nog eens een keer: uit de schijn kunnen wij werkelijkheid maken. Wij kunnen het onmogelijke waar maken, door te leven, alsof het onmogelijke waarheid zou zijn. En dan zegt iedereen: Ja, maar dat is kolder, dat gaat niet!

Maar als u probeert, met een geloof of zo, iets tot stand te brengen, dan blijkt dat, wanneer uw geloof een volledig geloof is, dan ontstaan werkingen, die uit dat geloof voortkomen. Je moet iets gewoon aannemen, anders werkt het niet. Als je het aanneemt, al is het niet reëel, dan werkt het toch. Er bestaat een aardig technisch trucje – het heeft misschien niet veel te-maken met dit verhaal – van iemand, die in staat was om een tekening te maken van een batterij, dat was een symbool dus, en een tekening van een schakelaar en op de lijntjes maakte hij twee echte draadjes vast met een lampje. En als hij nu met de tekenstift de schakelaar sloot, ging het lampje branden, u hoeft niet van mij aan te nemen, dat dat mogelijk is, want dit behoort  tot een van de experimenten, die de volgelingen van Ryan onderzocht hebben en ze weten daar geen volledige verklaring voor. Het enige, wat ze zeker weten is, dat onder omstandigheden een symbool in de plaats kan treden van de werkelijkheid. En als dat dan mogelijk is, waarom zou het dan niet mogelijk zijn om een symbool – want God en al die dingen zijn toch voor ons eigenlijk symbolen – in de plaats te stellen van de werke­lijkheid en zo een actie te verkrijgen, die werkelijkheid is. Zo ver kun je komen, als je met die Gulden Snede gaat doorwerken.

Er zijn mensen, die zeggen: ach, dat is allemaal niet zo interessant Vertel ons liever eens, hoe het komt, dat die Gulden Snede bv. ook in enkele piramiden voorkomt. Dan kan ik alleen maar zeggen: die verhoudings­leer, – want dat is het eigenlijk – had een inwijdingsbetekenis, waarschijnlijk ook in Egypte. Zeker dus in de tijd, dat eigenlijk de Aton-vereerders een kort ogenblik de overhand kregen. De hele geschiedenis toont ons aan, dat er mensen zijn, die dat steeds weer terugvinden. Er zijn kort geleden op Kreta weer kleine ruïnes gevonden, en één daarvan blijkt ook weer aan de verhoudingen van de Gulden Snede te beantwoorden. Het is leuk om te zeggen: ze hebben dat gekend. En ’t is ook reuzeleuk om te zeggen: ja, dat moet dan ook wel een betekenis hebben, we kunnen het architectonisch gebruiken en waarschijnlijk zijn er ook technisch verschillende toepassingsmogelijkheden. Maar, zien we dan niet weg over dat ene, dat deze regel, dat deze verhouding,  leer, want dat is het eigenlijk, bedoeld was om de mens vrij te maken, de mens te maken tot iets, wat perfect past in een werkelijkheid, of dat nu een olympische werkelijkheid of een kosmische werkelijkheid of wat anders is. Ik geloof, dat de betekenis van zoiets is gelegen en gelegen blijft in hetgeen je er zelf mee kunt doen.

En dan stel ik, weer heel eenvoudig: op het ogenblik, dat de mens door zijn gedachteleven een nieuwe schijn wekt voor zijn werkelijkheid, zijn stoffelijk Ik, zal het Ik zich daaraan aanpassen. Door deze aanpassing kan een vergrote harmonie plus een vergrote actiemogelijkheid verkregen worden voor het Werkelijke Ik, zowel in zijn astrale als in zijn materiële uiting. De mens kan dus, als is hij een deel van de werkelijkheid,  door het “Ik” vanuit zijn wereld invloed uitoefenen. Hij kan komen tot een perfectionering van “zijn” erkenning. Hij kan zelfs komen tot de hantering van het symbool als werkelijkheid en zo in beperkte mate zijn stoffelijke werkelijkheid meester worden en in onbeperkte mate zichzelf veranderen en aanpassen.

En nu wil ik u nog een paar kleine dingen erbij vertellen. Het klinkt misschien heel gek, maar ze horen toch wel bij het onderwerp. Op het ogenblik, dat u een vraag zuiver formuleert, hebt u in wezen het antwoord reeds in uzelf. Het is dus niet zo belangrijk, wat ik dadelijk ga antwoorden, maar wel, wat u gaat vragen. Misschien is het de moeite waard, om daar eens aandacht aan te wijden. In de tweede plaats is er nog iets anders.

Aangezien het geheel van het leven zich voordoet als een kringloop, zal elk punt vanuit elk ander punt in het leven benaderd en begrepen kunnen worden. Het klinkt natuurlijk krankzinnig, dat een klein kind een grijsaard kan begrijpen en een grijsaard een klein kind. Toch is die mogelijkheid volledig aanwezig. Het begrip, dat we hebben voor de medemens komt voort uit ons begrip voor de onbeperktheid van ons vermogen.

En dan een laatste ding, dat er toch ook wel bijhoort. Het merendeel der verschijnselen, die de mens in zowel zijn stoffelijke als zijn geestelijke werkelijkheid ontmoet, zijn uit hemzelf geboren. De mens zelf construeert, buiten de natuurlijke of zeg maar de goddelijke norm, voortdurend normen, waaraan hij gebonden is. Zolang hij zich daaraan bindt, zal hij de goddelijke werkelijkheid niet betreden. Maar op het ogenblik, dat de mens de begrenzin­gen, die hij stelt, laat vallen, komt hij automatisch in de wereld, waarin alleen het goddelijke, – al dan niet met beperkingen – want er zijn grenzen, omdat we buiten bepaalde waarden niet kunnen bestaan – kan worden gekend, zal hij dus die onbegrensde goddelijkheid vanuit zijn standpunt beleven en kennen. Wie de God in zich vindt en de onbegrensdheid daarvan weet uit te drukken, is meester van zichzelf en gelijktijdig dienaar van de totaliteit  van zijn wereld. Dat is een punt, daar moet u ook maar eens over nadenken.

Vragen

Graag nog een paar voorbeelden, om te verduidelijken.

 

Als u maar zegt, waarvan.

Van mensen, die langs de door u geschetste weg iets hebben bereikt U hebt daarnet dat symbool genoemd, dat je kan tekenen, maar zijn er mensen, die zichzelf gezond hebben gedacht, bv.?

 

Ja, die zijn er. Maar ja, dat is iets, dat door de medische weten­schap niet zo graag wordt aangenomen. Ik kan dat ook begrijpen. (Het is een onbegrijpelijke aantasting van de beroepsethiek, waarbij de medicus zich moet instellen voor de genezing van de patiënt. Als de patiënt de medicus gaat genezen, dan wordt het een nare geschiedenis. Maar er zijn dus inderdaad veel mensen, die zichzelf genezen. En gewone verschijnselen van deze aard kunt u zien. Iemand heeft enorme migraine, is ziek, heeft hoofdpijn en opeens gebeurt er iets, waardoor de gehele aandacht wordt geboeid. Resultaat: de migraine verdwijnt’. Menige vrouw kan haar ziekte genezen door een hoedje te kopen. En menige man, door op te scheppen over de vissen, die hij bijna gevangen heeft. Dit is een heel gewoon verschijnsel, dat u voortdurend rond u ziet. Mensen kunnen dus zichzelf genezen. Maar, wanneer mensen leren in een zekere harmonie te leven, dan zullen zij ver boven hun normale prestaties uit kunnen komen zonder ziek te worden. Met dien verstande, dat ze het eenmaal bereikte evenwicht dan ook voortdurend zullen moeten handhaven. Is dit voldoende? Als u meer voorbeelden wilt hebben, u zegt het maar. Ik kan wel voorbeelden in het wilde weg geven, maar ik spreek liever over iets, waarvan u zegt, daar wil ik wat van weten.

Die schijn, die dan werkelijkheid wordt. Dan is die werkelijkheid op zich toch ook geen reëel iets? En daarbij hoort dan dat ego, maar dan is dat Ego toch ook niet bestaanbaar op een ander niveau?

 

Ja. Kijk eens, de zaak zit zo. We hebben te maken met een reeks vaste waarden. Die vaste waarden zijn onveranderlijk, maar die zijn ons ook ingelegd en daar kunnen we niet aan ontkomen. Een mens kan wel zeggen, dat hij geen adem meer wil halen, maar als hij het probeert, dan krijgt hij eerst een zeer mystieke teint en daarna de mogelijkheid, om geestelijk over zijn fouten na te denken. Dus, wat is de werkelijkheid? De werkelijkheid voor de mens is een reeks bestaande waarden plus een reeks fictieve waarden en interpretaties, door de mens daaraan verbonden. Bent u dat met mij eens? Goed. Wanneer wij het hebben over de schijn, die wij gebruiken, hebben wij het over het in feite scheppen van een verdere reeks in feite valse waarden die echter ons werkelijkheidsbegrip wijzigen en daarmee onze relatie tot die werkelijkheid.

Dan volgt hieruit, dat een volledig verkeerde premisse toch tot resultaat kan voeren. En hieruit blijkt weer, dat niet de premisse op zich van belang is, doch slechts het feit, dat er een premisse  is. Zoals je bij uitvindingen kunt zeggen, dat het niet belangrijk is, van welk punt de uitvinder vertrekt, want het beeld van de uitvinding, dat nog niet bestaat en misschien niet mogelijk lijkt volgens wetenschappelijke wetten, creëert zichzelf als het ware, terwijl hij actief is. Nu zegt u, ja, maar dat sluit dan het bestaan van een geestelijk Ik uit. Neen, helemaal niet. Het geestelijk Ik is dezelfde aanwezigheid, die u “Ik in de stof” kunt noemen. Of om het heel eenvoudig te zeggen: “Ik denk, dus ik besta” dat weet u ook. En nu kunt u zeggen: ja, maar als ik denk, is er dan misschien een ander, die mij denkt als denkende – dat is mogelijk – maar dan ga je weer te ver. Je moet zeggen: voor mij is het bestaan een realiteit, omdat ik denk. Dan ben je er. Vanuit dit werkelijkheidsconcept leeft de geest zo goed als de materie. En het is dus duidelijk, dat elke verandering van stoffelijke werkelijkheid, die ontstaat, voor die geest een verandering van beleving inhoudt. Het is echter geen verandering – directe verandering althans – van de werkelijkheid, waarin die geest vertoeft. Het is een verandering van haar zienswijze, van  ervaring en van mogelijkheden niet van haar milieu zonder meer.    En op grond van die ervaring kan zij dan voor zich bepaalde, tot waan behorende beelden, illusies dus als het ware, veranderen, zodat zij toch weer dichter komt bij de feitelijke wer­kelijkheid, die het bestaan in zijn geheel is. Ik hoop, dat ook dat te volgen is.

En dan kun je daaraan de conclusie verbinden, dat, zelfs wanneer het bestaan van de geest in de materie niet zonder meer en volledig objec­tief bewijsbaar is, – subjectieve bewijzen zijn er dus wel, – reeds het feit, dat wij het bestaan van die geest veronderstellen, een directe betekenis krijgt binnen het Ego, het gedrag van de mens zal beïnvloeden. En, zo er een geestelijk bestaan is, dit daardoor meer waar zal maken. En nu ben ik toevallig een geest, die het zegt, dus u moet wel begrijpen, dat ik niet zal gaan zeggen, dat ik niet besta. Dat zou onzin zijn. Maar ik weet dus wel degelijk, dat de wereld, waarin ik leef, voor een groot gedeelte uit illusies is opgebouwd. En, daar zeilen we dan omheen, want dat zeggen we nooit graag; door te zeggen: onze sfeer is in feite amorf en neemt de gedaante aan, die door onze gedachten bepaald, wordt. Maar dat komt er dus op neer, dat de werkelijkheid door onze gedachten bekleed wordt tot iets, wat voor ons aanvaardbaar is. En op dezelfde wijze gebeurt dat op aarde. Ik zou dus zeggen, dat er eerder uit het gesprokene zou kunnen worden ge­concludeerd, dat er een directe parallel bestaat tussen de verhoudingen, zoals die in de materie voorkomen en zoals die in de geest bestaan. De waarden zullen dan misschien, van menselijk standpunt uit, anders liggen, maar de relatie tussen de illusie, de schijn en de werkelijkheid en het Ik blijft bestaan. En uit deze drie-eenheid construeert zich inderdaad weer steeds nieuw besef en mogelijk ook nieuwe eigenschappen. Ik hoop, dat ik daarmee de zaak iets verhelderd heb.

Ja, de begrippen “positief denken” en “negatief denken”, kunt u daar nog iets van zeggen in dit verband?
                                                                                 .                                  *

Ja, je zou dat zo kunnen stellen. Het positief denken gaat uit van mogelijkheden, terwijl het negatief denken uitgaat van onmogelijkheden. Iemand, die positief denkt, die zegt bv.: Het lijkt onmogelijk, maar ik kan iets bereiken. Iemand, die negatief denkt, zegt: Het lijkt nou wel mogelijk, dat ik iets bereik, maar er komt toch niets van terecht. Daar hebt u dus al een heel eenvoudige parallel.

Positief en negatief denken zijn bepalingen, ten aanzien van het standpunt van de beschouwer. Wat ik positief en negatief noem, bepaalt, waar ik mezelf bevind. Als ik zeg: dit is links en dat is rechts, dan betekent dit, dat dit neutrale punt (tussen beide in) Ik ben. Op het ogen­blik, dat u spreekt over positief of negatief denken dus, gaat u uit vanuit uw eigen ontwikkeling. En zo kunnen positief en negatief denken nooit algemeen gedefinieerd worden, doch slechts vanuit het besef, de mogelijkheden van de denker. Kunt u me volgen? ’t Is niet leuk, hè? ’t Is veel gemakkelijker als je algemene regels hebt. Maar ja, je ziet, waar je met algemene regels naar toe komt. Een volkstelling, waarvan driekwart niet klopt.

Nu, en dan kom ik dus aan het laatste punt voor u. Vanuit uzelf is alle denken negatief, waarin mogelijkheden verworpen worden, erkenningen terzijde worden gesteld. Positief vanuit uzelf is al datgene, waardoor u mogelijkheden veronderstelt en probeert waar te maken of waaruit u nieuwe begrippen puurt. Zolang u zichzelf open plooit voor uw wereld – bij wijze van spreken – en daar actief bent, bent u vanuit ons standpunt positief en op het ogenblik, dat u dichtklapt en de wereld van u afwijst, bent u, van ons standpunt uit, negatief. Voldoende?

Is het mogelijk, dat een innerlijke eenwording als gevolg van bewust denken een manifestatie is van een schijnniveau, en zo ja, is het kosmisch Ego dan in staat om uit eigen initiatief dit schijnevenwicht in een positieve richting te verstoren? Dit vooral, omdat een dergelijke eenwording in tegenspraak lijkt met het lerende effect van het bestaan.

 

Ja, er zijn natuurlijk een paar dingen, die je nooit uit het oog mag verliezen. Elk punt, waarop wij een innerlijke eenheid bereiken, wordt voor ons uitgedrukt in de termen van de wereld, waarin wij leven, en als zodanig onvolledig. Deze onvolledigheid resulteert over het alge­meen in nieuw initiatief, want, omdat wij voelen, dat wij de volledige beleving nog niet kunnen uitdrukken en dus geen concept hebben van deze volledigheid zoeken wij naar een methode om deze uitdrukkingswijze van volledigheid wel te vinden in de termen van onze wereld. Daarin slagen wij wel niet, maar het betekent wel, dat een nieuwe ontwikkeling begint. Je zou dus dit leereffect eigenlijk als ingesloten in dediscrepantie tussen het kosmisch Ego en het op dit moment bewust ergens levende Ego kunnen uitdrukken. Het kosmisch Ego formuleert niet, maar bestaat. Het deel van het Ego, dat leeft, dus geprojecteerd is, formuleert, maar is daardoor gelijktijdig in zijn ondergaan en beleving beperkt. Dat houdt in, dat elke eenwording op zichzelf het initiatief inhoudt voor een nieuwe richting van streven.

En dan de kwestie van een schijnniveau. Het bereikte niveau is reëel, maar de waardering daarvan komt voort uit onze voorstelling. En onze voorstelling is, gezien de interpretaties, die we geven, de onvolledigheid van onze kennis en erkenning, dus altijd min of meer schijn. Toch ervaren wij ook onze eigen formulering als realiteit. En dit juist brengt het streven weer op gang. Een absolute zelfvoldaanheid is niet mogelijk, omdat hetgeen je je herinnert, hetgeen je uitdrukt, niet in overeenstemming is met wat je in feite beleefd hebt. Ik hoop, dat dit duidelijk genoeg is, anders hoor ik het wel. Nu, ik hoor niets, dus dat betekent volgende vraag.

Wanneer ik gewoon naar een feit vraag, dan kan ik mij niet voorstellen, dat het feit in mij gelegen is. Misschien is het er wel, maar u heeft betere middelen tot uw beschikking, om het antwoord via  te laten zeggen.

 

Dat heb ik inderdaad. Maar nu is er nog weer een andere vraag. Is het opportuun? En dat is een heel belangrijke kwestie. Want wanneer u het antwoord op een vraag zelf vindt, heeft het voor U vaak een veel grotere betekenis en het ligt in u vast gegrift. Wanneer wij u een antwoord op een vraag geven, is de kans groot, dat zowel de stimulans, waardoor de vraag ontstond, als het antwoord in het vergeetboek raken. En daar ligt dus ook voor ons wel degelijk een zekere beperking. Maar die beperking zou ons er dan toe moeten brengen om te zeggen: dat is niet geschikt voor u, of: dat mag ik niet zeggen. We doen het wel eens een keer. Maar het is natuurlijk veel juister om te zeggen: U draagt zelf het antwoord, in de hoop, dat u dan ook naar dit antwoord zoekt.

Dan is er nog de kwestie van antwoorden op zogenaamde feitelijke vragen, waar we wel eens mee geconfronteerd worden. In enkele gevallen zijn het testvragen. Dan hangt het alleen van de spreker af, of hij erop ingaat, want we zitten hier nu niet direct, om ondervraagd te worden. In andere gevallen vraagt men reëel een oplossing voor een probleem. We hebben er verschillende gehad, o.a. een juistere uitvoering van een brom­fietsmotor. Men heeft het ons gevraagd. Het bereiken van grotere kernhard­heid. We hebben er een antwoord op gegeven, maar we hebben nooit een antwoord gegeven, dat onmiddellijk menselijk bruik­baar was. Het zou namelijk niet eerlijk zijn. Anderen werken aan hetzelfde probleem en degene, die ons om een antwoord vraagt, zou daardoor ten aanzien van die anderen sterk bevoordeeld worden. Dat is niet onze bedoeling. Dus ook hier zit een zekere terughoudendheid. We willen de mens stimuleren tot zelfwerkzaamheid, tot verdere ontplooiing van zijn persoonlijkheid, op elk terrein desnoods, maar we zijn toch niet van plan, om de mens te bevoor­delen, zonder dat zijn eigen pogen aan het bereiken van het voordeel heeft meegewerkt, zijn eigen actie, zijn eigen denken en streven daar mee in verwerkt is. En we zijn ook niet geneigd om het iemand zo gemakkelijk te maken, dat hij zich op de borst klopt en zegt: Ik ben ingewijde en ik heb jullie niet meer nodig. Want dat zit er ook vaak bij. Juist de mens, die iets met moeite bereikt, waardeert het en dat is voor ons de reden vaak, om de dingen moeilijker te maken dan noodzakelijk

U vindt het misschien een beetje een hatelijk iets, wanneer ik zeg: Wanneer wij een onderwerp ingewikkeld formuleren, dan denkt men erover na en dan zegt men: ach, wat mooi. Wanneer we datzelfde in eenvoudige drie- en vier-­letter woorden uitdrukken, dan zegt men: Is dat alles, wat de geest te bieden heeft? U begrijpt wel, dat het voor ons van belang is, niet dat u mooi vindt, wat we zeggen, daar gaat het nog niet eens om, maar dat u nadenkt over wat we zeggen. En we gebruiken elke methode ook om dat te bereiken.

In onze lichaamsbouw vindt men de Gulden Snede, als door u nog steeds niet in getallen uitgedrukte verhouding veelvuldig terug. Is dit als een reflectie op te vatten van de door u behandelde wetmatigheid in ons materiële bestaan? Dan is misschien ook de voorkeur voor het recht­hoekige formaat in de beeldende kunst en typografie geen toeval, gezien de zeldzaamheid van vierkante schilderijen, kranten en boeken.

 

Ik zou daar alleen dit op kunnen antwoorden. De Gulden Snede is geen kosmische waarheid, het is een menselijke waarde, die ik nog steeds niet in getallen heb uitgedrukt en die ik ook niet in getallen zal uitdrukken. Alles wat de mens denkt vanuit zich, wordt vanuit hemzelf gevormd op grond van de waarden, die in hem liggen. En zo is men zelfs gekomen tot de kosmische mens, zoals u weet. Die wordt voorgesteld als een soort gekrui­sigde figuur zonder kruis, staande op de aarde en zich als een Tau uitstrekkkende te midden van de sferen. Dergelijke voorstellingen hebben niets meer te maken met de mens. Maar, de mens zelf is als het ware de toetssteen voor en het symbool, van het geheel van hogere waarden, dat hij zoekt en vindt. In zijn waarderingen zien wij hetzelfde. De mens wordt in zijn waardering van uiterlijkheden heel vaak gedreven door de menselijkheid van zijn bestaan op dit moment. Wanneer u dus zegt, dat rechthoekige formaten een teken zouden kunnen zijn van die Gulden Snede, zo zeg ik: ja, er zit misschien wel iets in. Maar het is zo, dat de mens, die geen evenwichtigheid kent de neiging heeft, om een niet volledig evenwichtige vlakverdeling aan te brengen. En dat zien we dus terug in de moderne grafiek en in de moderne schilderkunst. Zelfs daar, waar men uitgaat van een volledig evenredige symmetrie brengt men verstorende elementen aan waardoor in feite het symmetrisch effect te niet wordt gedaan en gelijk­tijdig als idee een bijzondere nadruk krijgt. Als je je dat realiseert, dan zou je moeten zeggen: dit gebruiken van die rechthoekigheden in alle vormen van leven zijn eerder uitdrukking van de onevenwichtigheid van de mens van heden dan een uitdrukking van de Gulden Snede. Maar, daar ze voor hem de uitdrukking zijn van zijn huidig bestaan – en hij beschouwt zichzelf altijd als het ideaal van de wereld – is het volledig begrijpelijk, dat hij de waarde van de Gulden Snede terugvindt in deze verschijnselen, zoals in zichzelf.

Ja, ’t Is vervelend hè om tegen de mensen te zeggen: je maakt jezelf eigenlijk tot basis van het mooie. Maar laten we eerlijk zijn. In de tijd, dat een patriarch bijzonder vereerd werd en dus een oude man, was God een oude man. En op het ogenblik is God, ja, iets vagers aan het worden, maar in de ogen van sommigen is hij een soort atoombom met een menselijk gezicht. En dan nog in explosie. De mens abstraheert uit de vorm, uit het wezen van zijn denken en uit zijn problemen geloof ik, de beperkin­gen die hij aan abstracte denkbeelden oplegt, en die hij hierdoor voor zich uitbeeldbaar maakt.

Ervaart ons onderbewuste de breedte-hoogte verhouding niet als die van krachten, die bij een vierkant dan een gelijk spel zouden geven – dus een onbevredigend einde – en bij een te langwerpig formaat – bv. 7:1 – een “inmaken” van de tegenstander, dus ook onbevredigend. De esthetica spreekt hier van “formaatspanning” als expressiemiddel, Graag uw commentaar.

 

Ja, daar zit iets in, maar nu ben ik van die visies niet zo heel erg op de hoogte, ik moet dus eventjes de zaak gauw bij elkaar grab­belen. Ik zou het zo willen zeggen: Een vierkant is voor de mens ergens onbevredigend, omdat het hem belemmert in zijn neiging, om ergens naar toe te gaan eigenlijk, er is geen richting, geen voorkeursrichting. De meeste mensen hebben behoefte aan een richtingaanwijzer, omdat ze zonder dat blijven staan, niet wetend waarheen te gaan. De verwerping van het vierkant als zodanig kan ik dus begrijpen.

De te langgerekte vorm is, geloof ik, niet allen maar een kwestie van tegenstand of zo. Ik geloof eerder dat het een kwestie is van een te veel, een teveel moeten zijn bv. Als u zegt 1 op 7, dan hebben we iets langgerekt. De mens heeft behoefte aan kruisende richtingen, hij wil een keuzemogelijkheid. In die langgerekte vorm is de richting zodanig aangeduid, dat die keuze­mogelijkheid er niet is. Ik meen, dat ditzelfde denken overigens aanspra­kelijk is voor de heiligheid van het kruis in zijn vele vormen, omdat hier­in verschillende bewegingen als het ware figuratief worden uitgedrukt.

Ja, ik kan wel iets voelen voor uw stelling, als ik zo nadenk. En ik zou zelfs willen zeggen, dat voor de mens de vorm, die niet regel­matig is, in feite de meest attractieve zal blijven, omdat ze geen dwingend element meer vormt. De rechthoekigheid van de moderne stedenbouw bv. lijkt mij alleen door het ontbreken van voldoende afleidingselementen, dus het idee van keuzevrijheid, veel spanningen te wekken en daardoor conflic­ten te verhevigen. Misschien vergis ik mij daarin, maar ik ben ook geen expert op dit terrein. Ik geloof, dat ik uw stelling durf onderschrijven.

In deze Orde zijn vele mensen, die zich met geestelijk genezen -bezighouden. En die vaak voor de moeilijke taak worden gesteld, om hun patiënten – ik denk hier aan chronische zieken als reuma-patiënten – om die hoop te geven, terwijl zij met hun pogingen bezig zijn. Ik meen, dat u ons vanavond een weg heeft gewezen, om die hoop zeker te geven, maar ik durf nog niet eens te vragen: waar liggen hier de grenzen van de mogelijkheden voor dergelijke patiënten.

 

Ik geloof, dat die voor het merendeel liggen in henzelf. Ik weet ook niet zoveel, dat is vervelend, hè, maar naarmate de patiënt dus meer openstaat voor de mogelijkheid van verbetering en gelijktijdig de bestaande toestand blijmoediger aanvaardt, geeft hij zichzelf – zelfs zuiver biologisch gezien – al een veel betere mogelijkheid tot het be­antwoorden aan elke vorm van genezing. De geestelijke genezer zal dus, alleen al door die toestand te bereiken, een betere uitwerking van medi­catie in de hand werken, bv. Dus dat is wel het belangrijke, ’t is alleen de vraag: in hoeverre kan de mens begrijpen, dat zijn kwaal de wereld niet beroert. Maar dat zijn kwaal draaglijker wordt, wanneer hij die wereld eerst eens bekijkt en aanvaardt. En dat kun je meestal door sugges­tie, gedachtekracht gemakkelijker overbrengen dan door directe woorden.

U had het daarnet over positief denken en negatief denken, het ene zou dus scheppend zijn, het andere zou begrenzend zijn. Dat wekt bij iedereen de impuls, om dan maar altijd positief te denken. Maar dat klopt toch niet erg met de leringen om alles in evenwicht te brengen. Hoe rijmt u dat?

Heel eenvoudig. Niemand, die grenzen schept, schept die grenzen niet slechts buiten zich en voor zich, maar ook in zichzelf. Hij zet dus grenzen tussen delen van zijn wezen. En belet zichzelf daarmee, evenwichtig te worden. Iemand, die positief denkt en dus ook gaat streven, heeft een veelheid aan ervaring en aan conflict, dat is ongetwijfeld waar. Maar gelijktijdig heeft hij een maximum aan bereiking en aan bevrediging en komt daardoor innerlijk tot een grotere evenwichtigheid. Zoals u weet, is onze leer niet dat u alleen evenwichtig moet zijn, maar dat men zo evenwichtig mogelijk uitbreiding van besef naar een zo groot moge­lijk deel van de schepping moet bereiken. Dus een groeiend bewustzijn in een zo evenwichtig mogelijke ontwikkeling. Dit wordt met een positief den­ken beter bereikt dan met een begrenzend denken.

Maar als nu een houding dus heeft uitgemaakt negatief te zijn geweest, dan wil je die toch beperken en gelijktijdig positief uitbreiden?

 

Ja, dat is natuurlijk aardig, maar het klopt niet helemaal. Kijk eens, wanneer je de eerste keer tortilla’s eet, is het of je een klap in je gezicht kriigt, meestal. Maar daarna herstel je en hijg je als iemand, die te snel een te Indische rijsttafel verorberd heeft, maar als je er eraan gewend bent, dan is het lekker. Dus, de herhaling, ongeacht de eerste schokken en mislukkingen, is nuttig. En dat is nu juist iets, wat we wel proberen te leren, je moet geen grens trekken. Iets, wat vandaag onder deze omstandigheden mislukt, kan morgen onder andere omstandigheden slagen.

Wat vandaag onder deze omstandigheden niet waar te maken is, kan onder andere condities wel waar worden gemaakt. En zo kun je doorgaan. Wat de ene mens je niet kan geven, kan de andere je misschien brengen, is geen reden dus om te zeggen: ik begrens, ik beperk. Wel is er reden om te zeggen: wanneer ik een voor mij bevredigend evenwicht op één terrein bereikt heb, zal ik trachten eenzelfde evenwicht op een ander terrein te bereiken, zodat een al te eenzijdig streven wordt voorkomen, dat wel.

Nawoord

Dan wordt het zo langzamerhand tijd om u een klein slotwoord toe te spreken. Ik heb met u gesproken over de Gulden Snede, omdat ik u verteld heb, wat  u erin kunt vinden. Ik heb er niet met u over gesproken in die zin, dat ik haar heb gedefinieerd en verklaard, zoals ze bestaat. Ik heb daarvoor mijn redenen. Wanneer dit u interesseert, kunt u over die Gulden Snede meer dan voldoende gegevens vinden. De formules bestaan, er zijn hele verhandelingen over de betekenis, die daaraan gehecht zou kunnen worden. En wanneer u dat allemaal van mij alleen wilt hebben, dan is het u kennelijk niet veel moeite waard. Het is een instrument. Ik heb u ver­teld, waarvoor het te gebruiken is. Het ligt in de winkel, ga het halen. Ik wil toch een lans breken voor het zelf nazoeken van de dingen. Weet u, het is zo, er zijn heel veel mogelijkheden, heel veel dingen, die je kunnen helpen, om die wereld beter te begrijpen, om je beter uit te drukken, om meer jezelf te zijn, om beter als het ware weer te geven, wat er is, om anderen beter te begrijpen en te verstaan, kortom, om intenser en vollediger te leven. En die middelen zijn op aarde aanwezig. Die dingen zijn eeuwenlang soms, uitgelegd. Maar u moet zoeken naar de oerformule.

Als u het hebt over een evangelische waarheid, ga niet vragen, wat de theoloog daar uiteindelijk meent te destilleren. Vraag u af: Wat betekent die waarde voor mij. Wordt u geconfronteerd met het Zen-systeem vraag u dan niet af: wat is het antwoord op deze vraag? Maar zeg: Hoe zou IK hier willen antwoorden? Want alles keert naar jezelf terug. Juist, wanneer je alles, wat in die wereld bestaat aan middelen – en dat zijn er heel wat – je kunt uitgaan van de Bhagavad Gita bv., u kunt uit­gaan van het Evangelie, U kunt uitgaan van oude Rozenkruisersleringen, u kunt mijnentwege grijpen naar antroposofie, naar theosofie, naar ver­schillende vormen van geloof als de Islam, het Hindoeïsme, u pakt maar wat, daar zitten waarden in. Maar wanneer u zelf niet van die dingen eerst kennis neemt, wanneer u niet zelf iets probeert daaruit te vormen, heeft elke aanwijzing voor het gebruik verder geen zin.

Maar als een ander het u toewerpt, dan beschouwt u het als een reclame-aanbieding, zoiets, wat je meeneemt, omdat het voor twee centjes wel aardig is en in je zak steekt en vergeet. 0 nee, tegenwoordig is het wel twee euro, zoiets. Maar ja goed, daar praten we niet over.

Onthoudt dit: Er zijn overal werktuigen, die je kunt gebruiken. Als die Gulden Snede, wat ik er over gezegd heb, u interesseert ergens, probeer dan eens. U kunt het vinden in een openbare leeszaal, U kunt het vinden in vele encyclopedieën, en nagaan, wat is dat nu eigenlijk, die Gulden Snede. En wat heeft die vent er ook weer van gezegd? Denk er dan eens over na, probeer dan eens, of je met die verhoudingen kunt werken. Probeer dan eens, of het misschien voor jou de mogelijkheid is, om iets open te breken. Niet alleen de wereld, maar ook in jezelf. Dan heb je er wat aan. Daarom heb ik u dus wel en tegelijk ook niet iets ver­teld. Dat is een hele kunst. Menig politicus zou dankbaar zijn, als hij die kunst beter verstond.

Men begrijpt dat niet. Nu, het is heel eenvoudig. Ik heb u gezegd: er bestaat een middel, u kunt het vinden. Daar kun je dat en dat en dat mee doen. Ik had ook kunnen zeggen: Het middel is dit en dat en zus en zo, en zwijgen over hetgeen je ermee doen kunt. Of u enkele aanwijzingen geven. Op grond van onze ervaringen – en dat moet u dan ook maar accepteren van mij – is het vaak verstandiger, om de aanwijzingen te geven en te zeggen: het instrument kun je zelf vinden.

Ik hoop, dat ik bij u enige belangstelling heb gewekt, niet alleen voor die verhoudingen, voor die kwestie, dat je dat tussen Werke­lijk Ik, atsraal Ik, zeg maar, en stoffelijk Ik kunt zien, dat het daarmee werkt, maar vooral, omdat het je de mogelijkheid geeft, een nieuwe zelf­expressie te vinden. Dat heb ik vastgelegd vanavond. Dat heeft in die inleiding werkelijk gestaan, dat is werkelijk gezegd. Ik hoop, dat u er iets mee zult kunnen doen.

Zo, en nu moeten we nog sluiten. Ik zou jullie alleen nog een kleine raad mee willen geven op de weg. Als je niet weet, waar je het kunt vinden – en dat gebeurt nog wel eens zo in deze dagen – zoek er dan niet naar. Want dan is het er niet! Zoek dan gewoon naar de rust in jezelf, die je nodig hebt. Want als je gaat zoeken naar iets, waarvan je niet weet, wat het is, krijg je alleen maar – wat wij noemen – onvrede, oftewel trammelant. En dat gun ik u niet. Wees rustig, laat u niet opzwepen, ook niet door uzelf, op die manier komt u door de volgende maand het beste heen. Dan heeft u de grootste mogelijkheden, om voor uzelf en anderen iets goeds te betekenen.