De hiërarchie van het Licht

image_pdf

3 december 1962

U moet goed begrijpen, we zijn niet alwetend en niet onfeilbaar. We zijn ook niet geneigd om alles in finesse te behandelen, het vraagt te veel tijd en te veel kennis van de aanwezigen. Ik heb dus gedacht om deze inleiding populair te houden. Na de inleiding, dus na de pauze, krijgt u gelegenheid uw vragen te stellen.

De hiërarchie van het Licht. Nu moet ik eerst terug gaan naar de oorsprong want u zult begrijpen dat het idee van een hiërarchie, een Hemelse Hiërarchie ontstaan moet zijn in een verleden.
Wanneer wij nu terugdenken aan de oude tijden, dan vinden we daar de eerste hiërarchische verhoudingen in de kleine stadstaten en daar ligt het ongeveer als volgt: Je hebt een materieel geweld dat door half priesters, half ingewijden dus, wordt uitgeoefend. Aan de andere kant heb je het priesterlijk geweld. Deze twee lopen –  vooral in het begin – samen uit in een top. De vorst die gelijktijdig representant is van de Godenwereld en in negen van de tien gevallen is hij een zoon van de zon, een herborene van de zon. De zon de levensgever, hij is de kenbare uiting van de Goddelijke kracht.

Wanneer wij te maken krijgen met de mystieke denkers in bv. Egypte, de middelste dynastieën, midden rijk, dan vinden we daar de gedachte dat de zon de belichaming is niet van God zelf – die blijft daar buiten – maar van de lichtende kracht. Deze God is dictatoriaal. Hij stelt zijn wetten. Hij geeft bevoegdheden aan anderen. En wanneer de mensen dan naar de hemel kijken, zien ze de sterren. Die sterren vormen allerhand vaste combinatie. De combinaties gaan zover dat men inderdaad aan die hemel bepaalde letters denkt te lezen. Dat is in de tijd dat we dus de eerste vormen van spijkerschrift en stempelschrift zien ontstaan. Later wordt dit idee aangepast wanneer de mens begint met een ideografisch schrift waarbij hij dus tekeningetjes gebruikt, die later ook tot lettersymbolen kunnen worden. Hier ziet u nu de zwervende ster in. Dat zijn natuurlijk de planeten die het dichtst bij het Licht staan en hij begint ook daarin Goden te zien. U zult zich daar waarschijnlijk niet over verbazen, want wanneer u naar de sterren kijkt, dan hoort u daar voor elke planeet (zwerfster) de naam van een godheid, Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus, tot Pluto toe. Die buitenste planeten zijn niet bekend. En zo komt men tot de gedachte van zeven werelden, zeven hemelwerelden.

Het is deze filosofie, later door de kabbalisten ook de kabbalisten magiërs van de Perzische beschaving dus – dat ligt ongeveer een 6-700 jaar na Christus en door de uit Egypte beïnvloedde Griekse beschaving dus, wordt dat uitgewerkt.

Nu zou dit alles voor ons weinig betekenis hebben, wanneer er niet ergens een school had bestaan, die voor zich probeerde, om de Goddelijke kracht ook te kennen en te definiëren. En die Goddelijke kracht werd daar in verschillende stralen of delen uiteen gesplitst. Men was wijs genoeg om te zeggen: god is licht en duister. Maar dan moet er een hiërarchie van licht en duister zijn. Mijn God is ook in de schepping. God moet ook in de schepping hiërarchisch vertegenwoordigd zijn. Zo ontstaan een aantal hiërarchische verhoudingen, gezagsverhoudingen, waarbij dus een bepaalde Godheid bv. het element wijsheid vertegenwoordigt, maar onder zich weer vindt de kennis en het persoonlijke denken, die weer uiteenvallen in verschillende takken. Het is elke keer een piramide systeem en dat piramide systeem wordt later aangepast aan de Kabbala. Die aanpassing aan de Kabbala begint eigenlijk al in de tijd van Agrippa, dus zeg maar kort na Jezus’ verschijnen. Ze vindt dan rond 300 een paar eerste uitingen en blijft dan rusten tot ongeveer – nu maken we een schatting – 900 – 1100. In die periode ontstaan weer geschriften, meestal aan oude meesters toegeschreven, waarin men de hiërarchische verhouding – maar nu vanuit het standpunt van een Godendom – belicht. Dit blijft voortgaan tot ongeveer 1500. Men brengt uitvindingen, filosofieën van het hof van Kathai. Men trekt door Arabië heen en door Indië. Men heeft handelswegen en brengt ideeën over, zodat er rond 1500 een associatie ontstaat van de oosterse en westerse denkwijze. Pas wanneer deze helemaal geïntegreerd zijn en dat begint in 1700, ontstaan er scholen die in staat zijn, de kosmische hiërarchieën weer te geven op de redelijke manier, dus niet te eenzijdig, maar met een zekere objectiviteit. Helaas verdrinken zij aan het einde van de 19e eeuw in een opkomende golf van oriëntalisme, dat helaas, nogal dogmatisch is ingesteld. Hier hebben we dus de achtergrond. Die achtergrond moeten we kennen want als ik alleen maar theoretisch ga vertellen, dat er engelen zijn, die gegroepeerd zijn onder aartsengelen en tronen en dat deze tronen zijn samengevoegd tot heerschappijen, dan zegt u: “Het heeft mij niets te zeggen.” Hoe komt dat, hoe komen de mensen daaraan, dat is een stelling. Neen, dit alles is ook historisch gegroeid.
Het is menselijk denken en menselijke opvatting, samengebracht met innerlijke beleving, met religieus besef. Zo vinden wij bv. in de oude tendensen voor de wereld zelf – als de manifestatie in de wereld van de Goddelijke kracht een Godheid – een scheppende Godheid, die wij later wanneer Jezus op aarde geweest is, Christusgeest gaan noemen. Voor die tijd dacht men niet aan Christus, maar men had de idee wel en daarin passen dan later de Christelijke ideeën. Ik zeg dit opdat u begrijpen zult dat – wat ik nu ga zeggen over de hiërarchie – zo eenvoudig en zo simpel als het is, toch een deel is van de menselijke bewustwording, van de menselijke historie.
Ik wil dan eerst eens proberen, het menselijk aanzicht duidelijk te maken. Daarna hoop ik u onze visie te geven op die hiërarchie van licht, want die is wat omvattender. Dus menselijk gezien is God een wezen, dat alle dingen schept. Uit God komt alles voort. God brengt uit zich voort de grote engelen, degenen die onder Zijn leiding de schepping bewaren en in stand houden en daarin hun taak hebben. Later worden dat de engelen, die bv. met een taak (de doodsengel) belast zijn of met de strijd of de boodschap (Gabriël). Deze namen van engelen worden weer geassocieerd met bepaalde sterren en zo vinden wij bepaalde engelennamen terug als heersers of eigenschapsnamen  voor planeetwerking in de astrologie. Maar dit ter zijde.

We krijgen dus eerst God, onder God de grote scheppende facetten. Zij zijn de wetten. Deze wetten vallen uiteen in de oorzaak en gevolgwetten en de zgn. liefdevolle of Christus wetten. Wij willen vandaag die sombere wetten buiten beschouwing laten. Zij zijn het kader van uw leven. De krachten, die daaruit bestaan zijn niet – zoals u misschien denkt – kwaad maar zij zijn voor u kwaad want deze wetten dwingen u, om vanuit uzelf te antwoorden op de waarheid van God of uzelf af te sluiten van het Al en in eenzaamheid te verkommeren tot u weer het Goddelijke kunt accepteren. We gaan dus naar het licht.

God leeft dus ergens in de verte. Zijn representant is in het zonnestelsel de zon, de zon, de voortbrengster van de planeten. Elke planeet brengt uit zich voort verschillende soorten van leven en van denken, elk op haar manier, elk volgens haar eigen kwaliteiten, elk genereert vanuit zichzelf een eigen licht. En zo wordt het Goddelijk licht, dat we dus hier zien als het zonlicht vergezeld van de specifieke kleurweerkaatsingen – het hele gamma van kleuren als het ware – dat vanuit de planeten komt. Alles wat in de materie bestaat is nu – volgens deze stelling – slechts een weerspiegeling van een hemelse werkelijkheid. Zo zal uw aura alle tinten kunnen vertonen die elke planeet op zich heeft. Zo zal Uw eigen wezen de krachten kunnen dragen en op verschillende punten van het lichaam dezelfde eigenschappen hebben, die overal in het Al bestaan.

De mens is de microkosmos. De gedachte aan namen is hier typisch menselijk. De naam op zichzelf zegt niets of ik nu roep: Michaël of Gabriël of ik roep Adonai. Wanneer ik een (de eerste logis is Adonai) naam roep, dan roep ik daarmee alléén één van de scheppende principes. In de Kabbala ziet men, dat God zelf zich splitst in de logoi: de Voortbrengers en die worden gerangschikt tot de zeven logoi en later tot de 49 logoi. Zij zijn Scheppers, zij geven licht en kracht. Zij origineren kracht. Tegenover hen staat – wat men later het “helse heir” noemde – de logoi dus van de contra wereld, van het negatieve. Elke Logos brengt uit zich voort een reeks geneï. Deze geneï zijn aan Hem en Hem alleen gebonden. Zij zijn met Hem verwant, zij volbrengen Zijn taken, maar ze zijn daarin gespecialiseerd. Ze hebben ook een beperkt gezag, maar ze kunnen niet alles doen. Elk van de geneï heeft onder zich zijn hovelingen of ook wel zijn beminden, waarbij wij namen vinden als bv. Karfaks, Athichon, ook weer klanken. Zij geven weer, hoe er arbeiders zijn en elke arbeider hanteert een deel van de Schepping. Wanneer nu de eerste Logos, waaronder zoiets ressorteert licht is, dan zal al het andere licht zijn. Een Genius en een kleinere geest kan nooit zijn oorsprong ontkennen, ze zijn altijd gelijk. En zo heeft de mensheid dus een bepaald beeld gebouwd van een dictatoriale God, die Zijn Procurators uitzendt om bepaalde gebieden van de Schepping te regeren. Elke procurator heeft zijn ministerraad, elke minister heeft zijn uitvoerend orgaan. Dit is dan het menselijk beeld.

Hoe echter ziet het er nu uit, wanneer men probeert, het van de geestelijke zijde te benaderen. Ook dan moet ik beginnen, mij te richten op God. Maar wat zie ik? Er is een Kracht, die ik niet ken. De Almachtige is de ‘Niet Geopenbaarde’. In Hem bestaat niets, wat ik kan herkennen, maar dat is Zijn wil. Als een lens ligt de Goddelijke wil tussen het scheppend vermogen en het geschapene. Zo wordt geprojecteerd, wat in God leeft door de wil tot de schepping. Daarbij verwisselen zich, zoals dat altijd gaat, links en rechts. Het beeld schijnt verdraaid en verschoven, maar wie alleen het beeld ziet, merkt dat niet op. Het beeld is omgekeerd, ondersteboven, maar wie zal er iets van zeggen? Nu, elke straal, elke bundel, die door de lens komt heeft een eigen tendens. En we ontdekken dat licht en donker op een vreemde manier met elkaar verwikkeld zijn. Het is niet zo, dat hier het duister is en daar het licht. Neen, we vinden licht en duister steeds naast elkaar, alsof soms het duister nodig is om aan het licht reliëf te geven, om het kenbaar te maken.
Er is geen absolute duisternis en er is geen absoluut licht, er zijn slechts waarden, die in contrast met elkaar een uiting zijn en zo vinden wij steeds de lichtende kracht, die met een zeker doel werkt. Dat doel ligt niet in de tijd of in de ruimte. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar wanneer u een camera neemt en u hebt een schilderij dat stil is en u beweegt, waarnemend van detail tot detail, dan lijkt het, of u in een landschap rijdt, dan lijkt het of er steeds nieuwe figuren in komen en toch is het beeld hetzelfde, zo bewegen wij ons door ruimte en tijd, maar het geprojecteerde beeld en daarmee de krachten van licht en duister zijn onveranderlijk. Zij zijn de eeuwige projectie van de Goddelijke krachten, tot stand gebracht door de Goddelijke wil. Nu ik dit gezegd heb, nu kan ik gaan denken aan wat voor mij licht is. En dan moet ik eerlijk zeggen, dat het al te fel lichtende, datgene wat schoonheid baart, voor mij niet aanvaardbaar is. Ik kan het zien, ik kan er in ondergaan, maar het vindt geen antwoord in mij. Voor mij is het verblindend.

Maar daarnaast zie ik een milder licht. Wat wij zouden kunnen noemen het gulden licht of de trilling van de Goddelijke wereld. En het is dit, dat tot ons spreekt. We vinden vaak ook op aarde representanten van deze wereld. Wanneer ik bv. denk aan al die grote leraren, profeten en Meesters van de oudheid. Wanneer ik denk aan Jezus, maar ook aan de wijzen en profeten die na hem gekomen zijn. Want er zijn er na hem geweest, dan zeg ik: “Zij allen tezamen tonen in verband met de wereld de lichtende Kracht”. En wat is die Jezus: Hij is het Gouden Licht en de beperking van de materie. Hij staat dus gelijktijdig hoog en laag. En dan zien wij, dat hij gelijktijdig leeft onder de schaal van lichtengelen, van liefdeskrachten, van de verschillende hiërarchieën van de Schepping, de verschillende groepsgeesten en ook boven hen staat. Er is geen vaste waardering hiërarchisch te maken alleen aan de hand van de vorm. Het is eerder de intensiteit waarmee dat gouden licht, het levende licht zich openbaart, dat uitmaakt waar men thuishoort. Zo kun je zeggen dat alle volgorde van namen, die wij  kunnen opstellen, alleen maar bruikbaar is omdat ze ons een beeld geeft van de mogelijkheden, maar het is geen feitelijke vaststelling.
Heden staat Michael strijdvaardig klaar in de hoogste hemelen, een zilveren flits in het gouden licht. Morgen is dezelfde Michaël een kleine glimp van gouden licht met een zilveren zwaard, een mens die rechtvaardigheid bracht. Wie zal het zeggen? Vandaag loopt er een mens eenzaam door de wereld en weet hij niets, maar in hem is de behoefte om het licht te aanvaarden en in hem wordt het sterker en sterker, maar dan komt er een ogenblik, dat het licht van hem sterker is dan dat van bv. een groepsgeest of een natuurheerser … meer is dan engelen. En dan hoort hij hiërarchisch dus boven hen. Ook dit moet u begrijpen.

We zijn als geest en als mens misschien bekrompen en kleine wezens, maar wij kunnen nu in de aanvaarding van het hogere wel degelijk in de hiërarchie van het licht een andere plaats innemen. Daarmee verwerven we ook – en dat is wel niet belangrijk, maar toch interessant – een andere macht. Want elk deel van de hiërarchie, deel die maar in de zeven lagen, heeft een bepaalde macht. Een eerste Logos, een van de logoi, is Schepper. Hij kan een wereld nemen en haar kneden en boetseren naar zijn wil. Maar iemand die daar onder is, een Heerser, een Koning, een Genius hij kan wel die wereld beheersen zoals die is. Hij kan de ontwikkelingen bepalen, die plaatsvinden, maar hij is gebonden aan het decor, dat boven Hem is gebouwd. En degenen die Hem dienen, kunnen wel weer de taken die Hij dus heeft vastgelegd op hun eigen wijze volvoeren. Als er een stukje aarde weg moet, kunnen zij het kiezen of ze dat willen doen door een oorlog, een aardbeving, een tornado of een overspoelen door de zee. Ze moeten het zelf uitmaken maar de Wil moet vervuld worden.

En dan komen we nog lager en dan vinden we degenen die bv. de mens licht brengen. Hun taak, om dat licht te brengen is niet gedefinieerd. Er is geen bevel: langs deze weg zul je de mens zalig maken, maar er is wel een opdracht: leer naar uw beste weten, dat wat ik u heb opgedragen opdat gij een weg kunt zijn. Begrijpt u? En hier krijgen we te maken met onszelf. Want ook de mens heeft in de hiërarchie van licht een betekenis. Soms is die onbelangrijk, soms telt die helemaal niet mee en een enkele keer brengt die het tamelijk ver. Wanneer tien mensen, 100 mensen, 1000 mensen samen in zich het licht dragen – dat wij noemen naastenliefde maar dat eerder is een aanvaarding van God en de Schepping en het willen van alle vreugde, alle goedheid voor allemaal – dan hebben die mensen gezamenlijk als groepsentiteit een betekenis in de hiërarchie. Hun gezamenlijke kracht stijgt. En daar vinden ze dan – en dat is de verwarring die de Kabbala meebrengt – een naam. Als daar bv. staat Archameddon, dan denkt u: dat is een wezen. Neen, het is een kracht, een functie en als ge zo ver stijgt dan kunt ge dat zelf zijn. Er zijn enkele uitzonderingen. Gij kunt deel uitmaken van de Christusgeest, maar de Christusgeest is te groot om Christus te zijn. Dat kan geen mens, dat kan alleen de Hoogste Lichtende Kracht en die meestal nog in vereniging. Maar we kunnen toch aardig hoog komen. Zo is de hiërarchie van licht voor ons niet alleen maar een indeling van de Hemel, maar het is – ik hoop, dat ik u niet teleurstel door te weinig namen te noemen en systemen – het is een kwestie van harmonische verhouding. Hoe meer ik innerlijk in harmonie ben met mijn Heer, hoe meer ik ook in mijzelf hiërarchisch verheven wordt. Het is dus de nederige die verheven wordt maar ook de hoogmoedige die God niet erkent, die vernederd wordt. Want hiërarchisch heeft hij niets te betekenen.
Dit alles moge voor u misschien een beetje vreemd klinken, maar mag ik u eens vragen, hoe u zelf bent, wat leeft er in u, wat bent u? Bent u alleen zo maar, een mens? Nu ja, we zijn allemaal mensen zult u zeggen. Daar hebt u gelijk in en u hoeft er zich niet over te schamen, want u bent met zovelen. Maar ik zou toch zeggen: je kunt iets meer zijn dan een mens.

Ergens in je bestaat een verbondenheid, niet alleen met de medemens, maar met iets hogers. In elke mens leeft ergens iets van het licht, we zijn allemaal – als we mens zijn – deel van de hiërarchie van het licht. En dan kan het zijn, dat de een van ons meer verwant is aan Mars en de ander meer aan Venus en dat de een bij Michaël behoort en de ander bij Gabriël, dat de derde misschien eerst bij Ichemel behoorde en later overging naar een ander, want namen en richtingen zijn er genoeg, maar u bent ergens verwant met het hogere. Wanneer die verwantschap in u leeft en die weet te uiten, dan bouwt u voor uzelf, wat men noemt, de magische relatie op. De bewuste – zo zegt een van de inwijdingswerken – wandelt met zijn voeten op aarde en zijn ogen zien de wereld en de andere werelden. Rond hem zijn de sterren van de doden en van de eeuwig levenden. In zijn hoofd draagt hij het licht van de zon, zijn handen besturen de sterren, want zie, Hij, die alles dient omwille van de Kracht, die alle leven geeft, hij beheerst alle dingen. Nu is dit symboliek, want in u is de wereld, u bent geestelijk en lichamelijk alles tezamen een beeld van het Al met Zijn materie, met zijn geestelijk lichtende kracht.

En dan is de geestelijke kracht belangrijker dan de stoffelijke, maar beide tezamen vormen het beeld dat de Schepper projecteert. En zo hoop ik niet, dat u zich bedrogen voelt, wanneer ik u zeg: “De hiërarchie van het licht wordt bepaald door de éénheid met God en de Schepping, die u bereikt”. De wijze, waarop u in uw wezen het hogere beseft en het vanuit u openbaart, maakt uit waar gij behoort en het betekent ook, dat de kracht van het Lichtende zich in u openbaart. En nu zeggen wij allen: wij willen leven in de Christusgeest. Dat is begrijpelijk, want men leeft onder Christenen en vroeger zeiden we: we willen leven in de wijsheid van Sjaloom. Dat was ook begrijpelijk, want dat was toen de grootste. Maar wat we werkelijk willen dat is niet Christus zijn, dat kunnen we niet, maar we willen deel zijn van de lichtende werking die we Christusgeest noemen. Voor ons is het hoogst voorstelbare licht het Gouden Licht, waaruit de werkelijkheid geboren wordt. Dan roepen wij, met willekeurige namen desnoods, die in ons wezen worden geboren naar het Licht dat wij reeds erkennen. Als gij zegt: Jezus, zegt dat niets. Wat is Jezus? Wat leeft er van Jezus in u? Of u roept Salomo, nu wat is Salomo voor u? Wat is hij eigenlijk? U roept David, wat is David voor u of Abraham? En dan kunt u ook nog roepen naar al die andere groten. U kunt Ichtar aanroepen of roepen naar Bel, wat maakt het uit? De vraag is niet, welke naam roept u, maar welke kracht erkent u. En zo zijn er mensen die roepen Jezus, maar wat ze zien, dat is meer de uitbeelding van Beëlzebub, want ze zien er alleen een methode in om voor heel weinig heel veel te krijgen. En als Jezus een geestelijk melkkoetje is, dan bestaat hij niet in de lichtende sferen. Er zijn mensen die zien Jezus als een voorbeeld, die zijn dichterbij. Zij zien de mens Jezus, drager van Goddelijk Licht en komen tot aanvaarding van het Goddelijk Licht. Zij worden a.h.w. degenen, die in de voetsporen van Jezus gaan.
Maar er zijn er ook, die begrijpen dat Jezus eigenlijk niet is de mens, die geleefd heeft of de God, die ze in de Hemel denken, maar dat hij is het principe van de verlossende liefde. En nu zeg ik verlossend erbij en dat is zeker voor iemand van mijn volk een gevaarlijk woord. Want als ze ons gaan verlossen, dan wordt het zoiets als Bergen-Belsen en Dachau.

Maar verlossen, daar bedoel ik niet mee: helemaal bevrijden. Neen, werkelijk losmaken. De Christusgeest maakt vrij en dat is zijn hoogste principe, maakt vrij van de wereld van waan en Zij stelt ons zo boven de vormen van engelen en heerschappijen. Wij behoren tot de sterken, zolang als wij niets vragen voor onszelf, maar geven om de liefde, geven om God die in alles leeft. Zoals ik dit nu vertel over Jezus of zo kan ik dat over alle dingen doen, u kunt geen naam uitzoeken, of ze heeft haar betekenis.
De naam is alleen een poging van de mens om in een klank, in een enkel woord iets te vangen van de wonderbaarlijke krachten die elders bestaan, wanneer ik Jezus zeg, dan zegt dat niets, maar zou ik het zeggen in de Aramese taal: Joshua, dan zegt het wel wat, dan leeft het, want Jezus en Joshua dat is van dezelfde stam. Dat is het woord dat de kracht weergeeft. En zeg ik Christus, dan betekent het niets, maar laat ik het uit mijzelf opkomen en zeg ik: Christos Manifestos, dan leeft het en dan heeft het klank.
Ik spreek de trilling uit, die ergens leeft en zo kan ik een ieder roepen. Ik kan roepen naar de zon en ik kan ze roepen als Ra en ik kan ze ook roepen gewoon als Vader en beide woorden hebben zin. De trilling, die ik erin leg uit mijn wezen bepaalt de hiërarchische band, die ik aanspreek. En wanneer ik een eenvoudig tekeningetje of een schemaatje maak – daar zijn mensen die dat doen – of ik nu een driehoek teken of een piramide of dat ik er een bol van maak met een kruis erin, een kruis erop of wat anders, wat maakt eigenlijk het symbool van een kracht? Niet een naam.

Hiërarchieën van licht zijn krachten, die afnemen en verder uiteenvallen, naar mate zij dichter komen tot de chaos en daar, waar zij de chaos bereiken, zijn zij als een regen van verschillende kleurtjes, die in het duister oplossen. Bij ons zijn zij stralen van krachtbundels van verschillende kleuren en geaardheid, waar wij ons in kunnen baden, waar wij banden kunnen zijn. Maar ook wij hebben uiteindelijk als geest en als mens de grootheid om in ons te antwoorden (regel die weggevallen is in originele tekst: ong. 2 regels) maar op alle stemmen. En dit is …. op het totaal van de wereld en het totaal van God in die wereld, aanvaardend zonder oordeel, maar levend in zich die kracht en ze uitend, dienstbaar zijnde aan alles, hij draagt in zich zelfs meer dan het Gouden Licht. Hij draagt in zich de vreemd verblindende straal, die alle aspecten omkleedt. Hij geeft alle gaven zeker, maar bovendien geeft hij alle begrip, alle wijsheid. Zo arm als je kunt zijn voor de mensen, zo rijk kun je zijn in de hiërarchie, omdat je door je gebrek aan menselijke beperkingen, redeneringen, het hoogste aanvaardt zonder meer. Jezus heeft gezegd: “Zalig zijn de armen van geest, want zie, hen behoort het Koninkrijk der Hemelen”. Wees niet beperkt in jezelf, maar laat vanuit jezelf licht komen dan weet je wat lichtende kracht is. En dan nog een enkele raad en dan ben ik met mijn inleiding klaar. De rest van de tijd zult u denk ik, zo zelf wel het een en ander naar voren brengen. Wat ik heb gezegd is nu dus mijn begrip van de Hiërarchie des Lichts. Nu zijn er 1000 en 1 systemen. Je hebt systemen van sferen en die gaan dan via mentale werelden, enz. tot het Goddelijke en terug. Je hebt systemen van 9, van 7, van 49, van 63, ja van 144 verschillende mogelijkheden.

Leer ze wanneer ze u interesseren, als u denkt, daar kan ik misschien voor mij iets in vinden. Maar denk niet, dat ze belangrijk zijn. Veel te veel kijkt de mens zich dood op namen en op systemen en hij vergeet, wat het leven is. We moeten een keuze doen wanneer we bestaan en voor ons is bewustzijn, eenheid, bereiking van het hoogste ergens onvermijdelijk. Laten we dan het licht kiezen, want het duister dooft uit, het beperkt, het maakt niet wijder, niet groter. En wanneer we het licht kiezen, laat ons dan daarbij de weg kiezen, die ons het beste ligt, ons het beste past. Laat ons niet beginnen met te zeggen: ik wil heel de wereld wel helpen. Laat ons beginnen te beseffen, dat de laagste orde van de lichthiërarchie uiteindelijk ook maar de groepsgeest is. Laat ons dan eerst in een groep ons wezen tot licht maken, met een groep een grotere groep bereiken en zo langzaam stijgen tot we behoren tot de engelen, gezamenlijk vervullend een taak, tot de aartsengelen beheersende een taak, tot de Tronen regerende een deel van de sferen en werelden, tot de Heerschappijen overziende een deel van het Al en dienstbaar daarin volgens de wil van de Hoogste, om uiteindelijk met een der Logoi te scheppen en herscheppen, opdat het beeld, dat God via Zijn wil projecteert in ons allen, vervuld moge zijn in een door alles en allen besefte volmaaktheid. Nu, dat is kort, dan hoop ik, dat jullie niet denken dat je bekocht uitkomt, maar het is een onderwerp, waar ik of veel te ver op in moet gaan of mezelf een beetje op de vlakte houden. Nu ben ik wel in de vlakte gebleven maar ik heb het zo’n beetje à la Cape Canaveral gedaan, ik ben vanuit de vlakte wel even horizontaal omhoog gegaan. Wat u denkt en gelooft, is niet belangrijk, maar wat u leeft van uw geloof, van uw idee van God en vooral de wijze, waarop u het lichte en het goede op de wereld uit en niet het kwade nog eens eventjes een extra dik streepje er onder geeft. En niet alles tot kwaad maakt door uw namen en uw willen, maar het ziet als goed.

Dan geloof ik, vrienden, dat we niets meer hoeven te zeggen, want u hebt nu wel begrepen, dat de hiërarchieën van licht niets anders zijn dan werelden van macht en gelijktijdig gebondenheid met het Goddelijke en dat behoren tot de Hiërarchie slechts wil zeggen: een taak volvoeren naar beste kunnen totdat je rijp bent voor een betere en daarmee voor een hoger deel van de hiërarchische verhoudingen. Nu, dit is alles, vrienden. Uw vragen kunt u hierna brengen en als er tijd overblijft kunnen we misschien ook eens op een bepaald punt wat verder doorgaan, maar dat zullen we dan wel weer zien.

Nu hebt u na het eerste gedeelte misschien gezegd: “Wat heeft hij weer gezwamd”. Mag ik nu vragen, of u wat te zwammen hebt? Zijn er vragen? Nu, jullie zijn niet van het oude volk, dat kan ik zo wel merken. Ja, we noemen het het oude volk, maar we zijn allemaal kinderen van Adam. Als het tenminste juist is, wat er in de bijbel staat. Goed, als u nu helemaal niets te vragen hebt, dan zou ik nog wel eens even het een en ander willen vertellen over die hiërarchieën en wat erbij te pas komt. Maar één ding: als u het nu niet kunt volgen, zegt u dan a.u.b. ineens: stop. Dan leggen we het uit, want anders doe ik een hoop moeite voor niets. En waarom zouden we niet proberen om rationeel te werken. Dan allereerst moet u eens luisteren, nu ga ik ketters worden.

We zijn allemaal gelijktijdig ongeveer ontstaan, allemaal een andere weg gegaan, allemaal een ander doel gehad. En we denken dan wel, dat we misschien naar één keer leven op aarde. Maar als u de feiten bekijkt, dan doet u er heus wel een paar leventjes bij. Nu zult u natuurlijk begrijpen, dat als je begint, met een bepaalde weg te gaan, je altijd mensen hebt, die toevallig dezelfde bestemming hebben en nu is het eigenaardige, dat wij in het begin, waarschijnlijk zonder dat we het wisten, terecht zijn gekomen bij een van de heersers, dus bij een van de krachten die de Schepping a.h.w. aanvullen, nadat de Logoi ze gevormd hadden. In elk leven ontmoeten we een aantal mensen. Met die mensen ontstaat wat we noemen harmonie. Dat is een zekere band, waardoor we gezamenlijk wat meer licht hebben dan ieder van ons afzonderlijk zou hebben en daardoor kom je niet in een leven als een vreemdeling. Je komt in het leven als iemand, die eigenlijk al zijn relaties heeft, zijn contact en zijn mogelijkheden. Nu kun je dat nagaan. Wanneer je weet, hoe de regels liggen van de kabbalistische mystiek, van de cijferleer, dan kun je zien, dat een ieder die een gelijk grondgetal heeft – laten we zeggen, u hebt grondgetal 8, dat rekent u uit op uw roepnaam plus uw geboortedatum – dat je met al die andere 8-tjes altijd goed uitkomt.

Het is zeer waarschijnlijk, dat u dan behoort tot een zelfde ontwikkeling, een zelfde groep. De kracht, die dat regeert, staat altijd een trap hoger. Heb ik nu gezegd het zijn allemaal 8-tjes, dan zeg ik: dat zijn dus wezens zich bewust van de oneindigheid, levens in twee werelden, erkennende de eindigheid van het bestaan en tenslotte de oneindigheid van de levensweg van het geestelijk bestaan daarnaast. Dan is diegene die hen leidt, altijd wat wij noemen, een 9. Diegene die priester is, zal altijd direct staan onder een hogepriester en een hogepriester staat weer onder een vol ingewijde. En een vol ingewijde behoort dus weer bij iemand, die de openbaringen in tegendelen kent. Dat is een Godsbewuste. En die zal weer horen onder iemand die de drie wegen in zich verenigt of wel een Geopenbaarde. En zo ga je voort. En nu is het belangrijke, dat je weet, dat je niet met iedereen op aarde een gelijke harmonie kunt vormen.

Dat is hetzelfde als met kleuren. Ik weet, dat ik een tijdlang een meisje bij mij heb gehad die kwam uit het oosten. Een heel lief meisje, maar ze had werkelijk een voorkeur voor een oranje bloesje bij een paarse rok. Dat vloekte. Er zijn mensen, die in het leven hetzelfde willen, zij zijn oranje bij wijze van spreken en zij zoeken paars, dat vloekt, dat is niet harmonisch. En zo krijg je een idee van de harmonische keten die er bestaat, want allemaal tezamen passen we wel, maar ik kan niet zeggen dat het licht, dat in de een leeft, ook past in de ander. Je hoort door je ontwikkeling, door de Heerser van wie je bent uitgegaan, eerst bij een bepaalde groep, die met een andere groep, dus met individuen daarvan harmonisch is. Maar daartussen liggen verschillende verwante groeperingen, waar geen harmonie mee mogelijk is.

Maar nu gaat het een heel eind verder en nu blijkt, dat een hoog geestelijke Groep wel harmonisch kan zijn met een andere groep, die wat lager staat maar niet met die andere hoog geestelijke groep. Neen, daar is weer een andere ontwikkeling.

Maar nu gaat het weer verder, want er zijn ook weer lagere geestelijke groepen, stoffelijke, zuiver materialistische groepen. Je kunt het dus bekijken, zoals je wilt, elk soort mens, die op zijn juiste plaats staat in de schepping en zijn juiste rol vervult, die heeft vanuit zich een brandpunt van harmonische waarden, maar degene, die op gelijke hoogte staan en behoren tot verschillende kleuren, die kunnen elkaar meestal niet direct bereiken. Dat is nu het droevige.
Op aarde kun je dat ook zien. Daar heb je bv. bij de Jidden de sterk orthodoxe en daar heb je dan ook nog de zgn. Russisch-orthodoxe, de Oosters-orthodoxe en de Oost Joden. Die zijn weer anders dan de Portugese en dan hebben we ook nog de vrijzinnige Joden. Die verschillen allemaal van elkaar. Nu is het gekke, als je goed kijkt, dan kan een Jid vriend zijn met een Goï onverschillig of die nu erg orthodox is of vrijzinnig, dan dat hij bevriend kan zijn als een orthodoxe met een vrijzinnige Jood. Dat gaat niet. En zo heb je dat bij de Christenen ook.
Daarom moet je dus altijd uitgaan van het standpunt: ik leef nu wel in de hiërarchie van het Licht, maar in de eerste plaats moet ik vanuit die hiërarchie de harmonie van het kosmische geheel op aarde tot stand brengen en dat kan alleen gebeuren, wanneer je op de juiste manier met elkaar harmonisch bent en dus niet ten koste van alles met iedereen harmonisch wilt zijn. En niet verwacht, dat iedereen, die hooggeestelijk bewust is, het precies met je eens is, precies zal zien wat jij ziet, zal denken wat jij denkt. Die harmonie is niet mogelijk, maar via tussentrappen kan zij wel bestaan. Is dat duidelijk?

Vragen

  • Hoe moet je je grondgetal te weten komen?

Als u het weet, is het eigenlijk erg eenvoudig. Elke letter heeft een waarde. Het is dus niet 1,2,3,4, is in het begin wel, naar dan valt het weer terug op 2,1, bv. Dus die letters hebben een eigen getal. Die getallen tel je bij elkaar op voor de roepnaam en dan neem je het hele geboortejaar, dat tel je gewoon op. Dat getal vereenvoudig je. 1962 is dus 10 + 8= 18=9 juist. Nu komt er bij de 2e van de 11e maand bv., dan wordt het dus 4. Heeft nu de naam ook een grondgetal van 4, dan is het gezamenlijk getal 8. Maar als je dat nu goed wilt weten, dan neem je gewoon een boekje over Kabbalistische cijferleer. Maar dan ben je er nog niet, hoor, want dan moet je ook nog leren, dat je namen kunt omzetten. Er bestaan dus methoden, dan kunnen letters van ‘het alfabet’ met elkaar verwisseld worden. Zo kun je een geheime naam bv. te weten komen volgens de Kabbalistische regel. En dan is het eenvoudigste, dat is net als kinderen doen, dan ga je a, b, c, tot je de helft hebt.

  • Wat is dat, het a, b, c, tot je de helft hebt?

De helft van het aantal letters. Dan laat je de q er meestal uitvallen, dan komt het mooier uit en dan ga je daaronder verder. En dan is elke letter dus te verwisselen met een letter, die daarboven of daaronder staat. Die worden dan als gelijkwaardig beschouwd. En op die manier kun je er weer achter komen, of je een geheime naam hebt. Dat is weer wat anders dan een geestelijke naam. Dat zijn nu de eenvoudigste dingetjes, die kun je van iedereen leren.

  • Neen, maar teneinde die harmonie te vinden, met welke personen men dus min of meer kunt harmoniëren. Is dat niet deugdelijk?

Nu ja, dat is eigenlijk eenvoudig. Als je wilt cijferen, kun je ze leren. Ik meen er zijn er hier, die het u kunnen vertellen. Dan vraag je die eens, neem nu eens een middag en help me een keertje om eerst die vereenvoudigingen te maken en daarna help me dan om de Kabbalistische cijferpiramide te zetten. En als ze je dat dan geleerd hebben, dan kun je tot de conclusie komen: wij gaan dus – Kabbalistisch gezien – samen, er zit een harmonie van licht in, die je in een leerboekje ook kunt vinden. Zijn er nog meer vragen? Daar zit ik voor.

  • We spraken zo even over het grondgetal. Dat grondgetal geldt dan alleen voor deze incarnatie, want deze keer heet ik Pietje en de volgende keer misschien Mina.

Kijk eens, het grondgetal zal zich wijzigen, want u verandert, maar u blijft binnen een gelijke ontwikkeling. Nu zijn er natuurlijk jongens die blijven zitten. Er zijn er, die achterblijven van de groep en er zijn er ook bij, die ineens een sprong maken en u later opwachten in een sfeer of op de wereld. Elk getal, wat u hebt, verandert. U verandert zelf toch ook voortdurend?

  • Dat heeft met het ego toch niets te maken?

Dat heeft met het ego niets te maken, het is alleen een bepaling van de harmonische golf waar je toe behoort plus de kleur, waarin je leeft. Dus die cijferleer die is bruikbaar voor nu. En dan zegt de kabbalist: ” Kijk eens, in het nu ligt al het gebeurde van het verleden plus alle mogelijkheden van de toekomst opgesloten”. Dus wanneer ik goed handel dan bepaal ik mijn toekomst en uit het getal, dat ik nu ben vorm ik – mits ik daarmee volledig harmonisch ben – het getal dat ik in de toekomst zal zijn.

  • U zei zo even, dat een priester die heeft boven zich een hogepriester. Wat verstaat u onder een hogepriester?

Wanneer ik dus een priester heb, een priester is degene die offert voor de Heer. Hij is dus meer dan een Leviet, want hij offert, hij staat in contact met God. Maar dan is er een hogepriester, die ook offert, maar hij kan met het offer doen wat de gewone priester niet kan; voor het aangezicht des Heren treden. Dat komt uit de Joodse gebruiken, die in de tempel bestonden. En een hogepriester daar verstaat men dan tegenwoordig iemand onder, die voor God kan treden, de stem Gods kan horen, maar niet kan aanschouwen.

  • Dat heeft met een bisschop niets te maken?

Een bisschop kan dus – kabbalistisch gezien – een hogepriester zijn, maar niet iedereen die hogepriester is volgens de kabbalistische aanduidingen, zal bisschop zijn. Om het nu eens heel, heel leuk te zeggen. Als Sinterklaas nu een echte man was en alles waar was, wat over hem wordt gezegd, dan zou hij op zijn minst een hogepriester zijn en dan zou hij geleefd hebben onder een paus, die, wat dat betreft pas een mens was. Dan stond in de hiërarchie de paus onder Sinterklaas maar dat kon de paus weer niet toegeven. Dus die heeft gezegd: ” Klaas, jongen, ga jij maar naar de missie toe”. Begrijpt u, wat ik bedoel. Dit hangt dus niet samen met een materiële orde.
Een man kan bisschop worden, omdat hij zakelijk talent heeft en goed preekt, maar een mens kan alleen een deel worden van een lichtende hiërarchie, wanneer hij in zich – en dat heeft wel met het ego te maken – zover ontwikkeld is, dat hij op dit deel van de Goddelijke kracht in zichzelf een direct antwoord kan geven. En anders kan hij het niet. Rang, pronk en praal zijn uiterlijke dingen. De harmonie met het licht en de plaats, die hij in de hiërarchische verhoudingen inneemt, de kracht waaruit je a.h.w. innerlijk put, is iets wat aan de persoonlijke ontwikkeling gebonden is. Naarmate het Ik zich mooier, gelijkmatiger, evenwichtiger ontwikkelt binnen een bepaald … zal er meer licht in komen. Niet alleen uit één bron, maar uit meerdere bronnen. Dus u begint met een meester: kleuterklasje, een kleuterleidster, maar dan kom je op de lagere school en dan heb je al een meester en daarnaast iemand voor het godsdienstonderwijs en dan kom je weer wat hoger en dan krijg je er een juffrouw bij voor Frans, maar voordat je het kent, heb je heel wat lesjes uitgesproken.

Dat is het vreemde, als een mens begint met zijn talen, dan doet hij eigenlijk precies hetzelfde als wanneer hij voor zich eens eventjes erg godsdienstig wordt. Hij begint met tot in het oneindige de uitgangen te herhalen, met in de talen de vervoeging van de werkwoorden. En als het gaat om het geloof, de hemel, de hemel, de hemel. Dat er nog wat anders nodig is om bij God te komen, daar denken ze niet over na.

  • In verband met de priesterwijding, die heeft dan helemaal geen waarde?

Nu, het heeft er erg weinig mee te doen. Maar een priesterwijding kan in verband staan met licht. Wanneer ik in mezelf nu een lichtende kracht draag, zoals Jezus deed, en ik wil die kracht aan een ander overgeven, dan doe ik dat symbolisch bv. door handoplegging, dan draag ik mijn kracht aan hem over. Hij is harmonisch met mij, hij kan die kracht aanvaarden. Dan kan hij vanuit Mij werken. Wat zegt Jezus zelf er u eigenlijk van?

  • Ja, maar dat kan ieder mens doen, die zeer hoogstaand is. Dat heeft niets met priesterwijding te maken.

Dus m.a.w. voor u is een priesterwijding niets?

  • Neen, ik vraag het alleen.

U stelt het zo, dan moet u goed luisteren. In de eerste plaats is het met een Jid altijd moeilijk praten, misschien dat u toch nog denkt: Daar zit het onsympathieke karakter toch op de achtergrond. Maar wat is volgens u dan priesterwijding? Wanneer ik een ander tot priester wijd dan moet ik toch eerst zelf priester zijn. Ik kan niets geven wat niet in mij ligt. Een mens, die hoogstaand is zoals u dat noemt – zoals wij dat noemen, die hoger bewust is – die leeft voor zijn God, is priester. En als een ander komt die met hem harmonisch is en die zijn taal helpt volvoeren, maar die nog niet precies zich zo kan overgeven aan God, maar wel aan zijn leider, dan kan die hoogstaande mens zijn hand opleggen en a.h.w. een inzegening verrichten. Snapt u wat ik bedoel? Dan is hij dus ook priester, maar dan kan die mens in uw wereld helemaal niet als priester bezien worden. Bij u betekent priester: rondlopen met een tonsuur op je hoofd en een Drs. voor je naam. Maar dat maakt je niet tot priester. Wat leeft ín je hart dat maakt je priester. God die in je spreekt, de kracht Gods die je vervult, dat maakt je priester. Het offer van je wezen, van je streven, dat je geeft aan het hoogste wat je beseft, dat is priesterschap. Zie je nu wel dat het met een Jood slecht kersen eten is?

  • Ik heb het in het begin niet erg goed begrepen. U zei toen, meen ik, ieder heeft een ander doel. Wat bedoelt u daarmee?

Nu, ben je wel eens op de markt geweest. Moet je eens opletten, de één die komt met worteltjes en peultjes, de ander met textiel en de derde komt met een collectebusje. Ze hebben dus wel iets gemeen, ze willen allemaal iets verdienen. Maar ze hebben ook een verschillend doel, want de een kan alleen verdienen door peentjes, peultjes en spinazie te verkopen en als het kan, net iets boven de markt. En de ander alleen door de mensen theedoeken aan te smeren, dweilen in hun tas te duwen en ze een bloesje mee te geven – waar ze misschien uitbarsten – maar dat ze in ieder geval betaald hebben. Ieder werkt dus anders. En nu zeggen we: elke mens heeft een ander doel, omdat hij een andere taak heeft.
Wanneer u geboren bent op deze wereld om zuiver materieel te werken en te leven, dan kunt u zo geestelijk willen zijn als u maar kunt maar u bereikt niets. Maar wanneer u beantwoordt aan uw taak, aan uw wezen en dus gewoon de mensen helpt zonder ook maar eventjes hooggeestelijk te denken, dan doe je een hoop. En dan leeft dat geestelijke vanzelf wel. Is dat duidelijk? Kan je meekomen? Wij geloven dus eigenlijk een beetje anders dan heel veel mensen. Toch komen we met esoterici altijd weer tot een overeenkomst, het zit erin. God heeft geschapen, God heeft volmaaktheid geschapen. God heeft die volmaaktheid zo geschapen, dat elk wezen van het grootste tot het kleinste, van een watervlo en een tor tot een brontosaurus, van een aap en een hond tot een mens tot een aartsengel, zijn eigen plaats heeft. Al die dingen samen vormen de perfecte evenwichtigheid, de volmaaktheid, de eeuwigheid, omdat die balans niet verstoord wordt en dus oneindig blijft. Wij hebben die plaats in God en dan gaan we de wereld in. De plaats die we hadden, was er al op het ogenblik dat ons wezen nog onbewust was en zo eigenlijk werd geuit, waren we bepaald door de plaats die we in God hadden. En wat we doen, dat is diezelfde plaats handhaven in elke wereld, in elke sfeer, maar steeds juister, steeds volmaakter. Wij groeien niet zoals de mens denkt allereerst naar God toe, maar naar de aanvaarding en de vervulling van de taak, de plaats, die we in het Goddelijke hebben. En als je zo denkt dan begrijp je wel, dat niet iedereen datzelfde doel kan hebben. Er zijn daar mensen bv. die hebben daar allerhand lievelingen, waar ze dan mee dreigen, noem er naar een paar op: Lucifer, Beëmod, Behelzod, enz., allemaal duivels, gemene jongens, vieze kerels. Ja, natuurlijk ben ik het met u eens van ons standpunt uit, maar zij hebben ook hun taak in het geheel. Om het eens heel eenvoudig te zeggen, als er geen kwaad was, zou er dan goed kunnen bestaan? En als er geen goed was zou dan het kwade bestaan en zin hebben?
Door het contrast bestaan de dingen. Ze hebben dus ook hun plaats en hun taak en dan kunnen wij wel zeggen: voor ons is de duivel kwaad, de duivel moet dus uit de hemel gevallen zijn. Goed, het kan zijn, maar ik van mijn kant denk dan, God heeft dat zo gewild, anders kon het niet bestaan. En als God het gewild heeft, dan is het een deel van Zijn schepping en dan mag ik het mezelf verwijten als ik met de duivel ga onderhandelen. Wanneer ik het kwade probeer te nemen in plaats van het licht, dat mijn doel en mijn taak is, dan mag ik nooit zeggen, dat die duivel gemeen is, neen, ik ben hartstikke stom en gemeen, als ik met de duivel meega in plaats van met het licht. En ik geloof tussen twee haakjes – nu ik mag het wel zeggen, weet u, wat de duivel eigenlijk doet – het klinkt heel gek. Ze denken altijd, dat de duivel de mensen verleidt het verkeerde te doen. Nu, ik denk niet dat dat nodig is. Ik denk eerder, dat hij er zich mee bezighoudt de mensen er toe te brengen, anderen te verbieden te doen wat goed is, want dat is veel werkzamer. A.h.w. de gedachte aan de duivel, die zie ik als de rem in de bewustwording waar je niet ontvankelijk behoeft te zijn, als je zelf maar je eigen taak, je eigen doel voor ogen houdt. Ik mag ook niet zeggen, dat die duivel geen deel is van God of van de Schepping, dat hij er buiten staat. Hij hoort erbij, allemaal horen zij erbij, maar ze horen niet bij mij. Er kan een ogenblik komen – misschien ergens in het oneindige – dat Lucifer weer wordt de zoon van de morgen en dat alle monsters – die we nu in de afgrond dromen – engelen met parelmoeren lichten en de glans om zich heen worden. Dat is dan de werkelijkheid, de volmaakte werkelijkheid.
Maar zolang als we die niet kennen, moeten we eerst zorgen, dat we onszelf zijn. En onszelf zijn, kunnen we alleen, wanneer we beantwoorden aan datgene wat wij in de Schepping zijn. Een ieder van ons heeft er zijn eigen deel aan. Het is niet zo, je bent een mens en dus bestaan voor jou die regels en die wetten. Het is zo, in God is jouw Wezen door heel veel vormen die er deel van uitmaken, dat punt is de volmaaktheid. En de kern daarvan zijn het bewustzijn van dat ene punt en de vervulling van de taak, die dat punt betekent binnen de Schepping en meer niet. Je kunt niet je buurman bekeren, je kunt alleen jezelf bekeren, zo dwaas als het klinkt. Je kunt een ander niet tot God brengen, je kunt alleen God in jezelf erkennen en hopen, dat een ander daardoor op zijn wijze God vindt. Moeilijk misschien, maar waar.

  • Dus dan bestaat de duivel eigenlijk niet, alleen als de mens hem zelf wil aannemen. Dan kan hij ook niet uit God gezonden zijn.

Mag ik nu eens wat vragen. Politieagenten zijn eigenlijk wezens, die zich alleen met je bezighouden, wanneer je iets doet, wat niet hoort of mag. Dus bestaan er geen politieagenten. Ze bestaan wel maar wat ze voor jou betekenen dat hangt van jezelf af. Als je naar een agent toe gaat en u geeft hem een schop onder zijn broek en u zegt tegen hem: “Hoor eens, geüniformde langneus, als je wat mot, mot je bij mij zijn”. Dan moet u helemaal niet gek kijken als die agent voor u een pak slaag plus een ambtelijke boete en straf betekent. Begrijpt u, wat ik bedoel? Zo is het nu met de duivel. De duivel bestaat niet. Hij bestaat niet, zoals de mensen het zien, als iemand die rondloopt om u te vangen. Maar hij bestaat wel degelijk.

  • Ja alleen, als de mensen hen zelf aanvaarden, want….

Hij kan alleen invloed op u uitoefenen, als u hem zelf aanvaarden wilt maar daarom bestaat hij nog wel. U moogt – en dat is nu een andere kwestie – in uw eigen leven zijn bestaan niet helemaal ontkennen. U moet nl. zeggen, dat er voor u bestaat goed en minder goed, zeg dan maar niet kwaad.

Zodra ik minder goed doe, geef ik de duivel werk, zodra ik goed doe, is er voor mij geen duivel en zodra ik beter doe, is de duivel ineens in plaats van mijn bestrijder mijn vriend geworden. Waarom? Omdat hij dan in mij ook God terugvindt en God aanvaardt hij, dat moet hij, hij kán niet anders. Dus maak niet de fout, die een hoop mensen maken, dat ze zeggen: “de duivel bestaat niet”. Niet zo baarlijke als ze hem hebben afgebeeld. Trouwens ik geloof ook niet, dat er geesten zijn, die voor gek gaan lopen met een paar hoorntjes en een paardenvoet en een sik. Dat zou te dwaas zijn om los te lopen, dat is mensenmaaksel, dat is de faun uit het verleden, de natuurgod, die de mensen tot zinnelijkheid bracht en zinnelijkheid is volgens sommigen, erg foutief. Nu ja, waarom heeft Onze Lieve Heer het dan gegeven, gebruik het goed, dat is de enige kwestie. Hebben ze nou gezegd: nou, dat is nou de duivel. Die bestaat dus niet, niet zoals u leert dat ie er is, als de kleine kinderen, maar als een kracht, als een vorst, als een heerschappij zelfs. Er bestaat iets, wat u vanuit uw huidige ontwikkeling duivel moet noemen of moogt noemen, omdat het zo strijdig is met uw weg, als wanneer u van hier naar Weesp moet en u stapt in de trein naar Amersfoort. Dan kom je niet, waar je wezen moet en daarom moet u er voorzichtig mee zijn.

  • U kunt het, geloof ik, ook zo zeggen, dat de duivel door zijn isolement erkent wat ouderwets is. Dat hij dus altijd een beetje laat optreedt, zoiets als een Fries zou zijn voor de randstad Holland of zo.

Nu, ik ben niet zo erg met het buitenland bekend, maar ik zou het zo willen stellen: de duivel treedt bij de mens meestal zo laat op, omdat ze het prettig vinden zijn verleidingskunsten de schuld te geven van hun eigen stommiteit.

Vrienden, ik geloof, dat we weer even terug moeten komen, dan ga ik de zaak afronden. Ik heb getracht, u duidelijk te maken, dat er een zekere harmonie bestaat. En nu is harmonie eigenlijk altijd een emotie. Zo kun je ook zeggen: God is voor ons een emotie. God is geen rede, geen verstand. De weg die wij gaan, die kunnen we redelijk stap na stap komen, maar in ons wezen kunnen we ze ervaren. Zo zit het nu met al die wezens van licht, van die lichtende kracht. Elke kracht van licht is in ons een emotie. Het is iets wat we voelen.

Het is een trilling, het is een gevoel, het is een inspiratie, maar redelijk is het niet. En dat, wat met ons verwant is, spreekt in ons altijd het sterkste en dan moeten we er goed naar luisteren, dan moeten we ons niet afvragen: hoe kan ik daar nu menselijk een beetje plezier van hebben. Maar je kunt je wel afvragen; hoe kan ik in deze kracht gelukkig zijn en gelukkig maken? Want wat is eigenlijk God? Uitdragen in de mens, de mens geluk geven. Maar een geluk dat ligt niet in de Honderdduizend. Ik heb er een gekend: Sam Levisohn, drie ton rijk, had een vrouw, die altijd de baas over hem speelde, zodat hij niet durfde thuis blijven. Zijn dochter Bekkie was er ook heel gauw vandoor en toen raakte ie zijn centen nog kwijt en zijn vrienden erbij. En toen eindelijk, toen hij niks meer had, toen stond hij ook met een karretje met …..en toen was er iemand, die weer wat van hem vroeg en toen kon ie dus geven, wat ie had, toen was die man gelukkig, vóór die tijd niet.
Ik wil maar zeggen: geluk zit niet van binnen, moet iemand van binnen waar maken. Wanneer u gelooft op uw manier – ieder gelooft zijn manier – dan moet u toch ook geloven, dat God u niet gemaakt heeft, hier, de lasten van het leven te dragen. Per slot van rekening, als Hij krullenjongens nodig heeft, waarom heeft Hij ons dan nodig, kan Hij zelf wel. Maar Hij geeft ons iets anders. Hij geeft ons naast de dromen die we hebben en onze ideeën, dat we o zo handig en zo goed en zo sterk zijn, ergens ook een geloof van binnen en wij moeten uitvinden waar dat bij past. Wij moeten uitvinden, wat het licht is dat in ons leeft. En wanneer we dat vinden, dan moeten we niet zeggen: “hoe kan ik daarmee marchanderen?” maar hoe kan ik uit dat licht wat maken, wat groter en mooier is. Hoe kan ik anderen gelukkiger maken, ook al moet ik daar mijn eigen waan, mijn eigen illusies voor opofferen. En dan ontdek je, dat er ergens, ik weet niet precies waar, dat er ergens een licht is dat je leidt. Noem dat licht Christus of geef het een andere naam. Ieder mag de naam vinden, waaruit voor hem God spreekt. Maar één ding is zeker: wanneer je beantwoordt aan het licht, dat ín je leeft, dan heb je alle krachten vanaf de eenvoudige groepsgeest tot de Heerschappij, tot God en Zijn wil die in je leeft, die je sterken zal en harmonie geven met anderen. Die je rust geeft in plaats van zenuwachtigheid. Daar vindt je de werkelijkheid. En daarom, vrienden, moet je ze nu vergeven. Ik heb niet veel technisch verteld over al die hiërarchieën. Ik had het kunnen doen, maar u zou er niet veel wijzer – hoogstens verwarder – door geworden zijn. Nu wil ik gaan sluiten, ik hoop niet dat u het erg vindt, door mijn deel van licht te zijn, uit te drukken wat er voor mij bestaat. Voor mij is dat bestaan altijd een roepen naar God, een schenken van God’s kracht aan anderen. Als ik zou bidden, dan zou ik niet weten, hoe ik dat moest doen. Ik ben altijd een stem, die roept, maar ook een kracht, die antwoordt.

Adonai! Adonai! Adonai.
Tot u richt ik mijn hart, mijn stem.

Uit u ben ik licht en door u ben ik licht.
Uit u ben ik kracht en door u ben ik kracht.

Geef mijn licht en laat u naam klinken in mijn wezen,
opdat ik de kracht moge geven, die Gij zijt.

Wees mijn steun, o Heer!
Adonai! Adonai ! Adonai !

Zo bid ik mijn God en zo antwoord ik mijn God en zo is de Hiërarchie van licht in mij het Licht, dat uw deel is van de Schepping in uw leven, moge de naam van de Almachtige in u geuit zijn. Dat het Licht zij de vreugde van uw schreden, de wijsheid, waaruit ge verder gaat, het krachtig leven, dat de Werkelijkheid maakt deel van uw bestaan. God behoede u.

image_pdf