De hoofdleer van het christendom is de naastenliefde

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 56

10 maart 1957

Men heeft mij verzocht voor U een inleiding te geven over de geheime leer van Jezus, de verborgen achtergronden van het christendom. Wanneer ik dit doe, verzoek ik U er rekening mede te houden, dat het onmogelijk wordt alle leringen weer te geven, zoals Jezus die zelf aan zijn leerlingen gaf. Wanneer ik dus tot U spreek, geef ik U een samenvatting van al hetgeen door Jezus, zijn leerlingen en zijn opvolgers, zowel als sommigen van zijn Esseense voorgangers behandeld is, alsof ik dit zelve naar voren breng. Ik hoop, dat U hiermede rekening wilt houden.

De hoofdleer van het christendom is de naastenliefde die gebaseerd wordt op het volgend kosmisch concept: God is in alle dingen. Een zijn met God wil zeggen één zijn met alle dingen. Zo persoonlijk de eenheid. en verbondenheid met allen bevorderen is God nader brengen tot jezelf.

Hieruit wordt dan een totale reeks van stellingen opgebouwd, die alle omstandigheden en condities omvatten. Zij brengen langs een filosofische ervaringsweg de mens tot realisatie van zijn God en zijn deel zijn van het Goddelijke, aangeduid in Jezus’ leer als het Koninkrijk Gods.

Voor mij bestaat nu de moeilijkheid, dat ik een onderwerp moet behandelen, dat gedeeltelijk waarden inhoudt, reeds een vorige maal door mij medegedeeld, en verder ook waarden, die voor de anderen weer een aanvulling kunnen zijn. Ik kies daarom als eerste punt: de beschouwing van het menselijk leven in het christendom.

Jezus leeft. En hij stelt dit leven als een tweeledigheid. Hij baseert zich daarbij op oudere stellingen, hetgeen hij geleerd heeft in zijn jeugdjaren en hetgeen hij later persoonlijk ervaren heeft. Een mens leeft in de stofwereld. Dit leven in de stofwereld kan alleen van belang zijn, indien de mens in deze stofwereld uiting geeft aan ook de hogere waarden, die in hem bestaan. Verwerpen van de stof is dwaasheid. Een aanvaarden van de stof met de juiste geestelijke intentie daarentegen, is bevestiging van God; en door deze bevestiging van God ook van jezelf op de wereld

Nu kent de mens de geest. De geest kan zich, bevrijd van het lichaam, opwaarts begeven en alle bereiken van geestelijk bestaan doorproeven. Naarmate de geest meer bereid is zichzelf prijs te geven, zichzelf als persoonlijkheid te zien ondergaan in grotere waarden komt zij nader tot het Goddelijke.

Het Koninkrijk Gods is een eenheid met God. Wanneer deze eenheid hecht tot stand is gekomen en niet meer wordt onderbroken, krijgt men het punt waarvan Jezus spreekt, wanneer hij zegt: “De Vader en ik zijn een,” De goddelijke Kracht kan dan bewust ervaren worden en de mens is voertuig geworden van de goddelijke Kracht, onmiddellijk en direct. Er bestaat geen scheiding meer tussen het kosmische en het beperkt menselijke. Het bereiken van dit doel is het bestreven van elke ware christen, die de inwijdingsleer volgt.

Hiertoe heeft men reeds in de tijd van de Essenen een reeks leerstellingen opgebouwd, Enkele daarvan geef ik thans weer.

Leven wil zeggen; deel hebben aan al wat het leven biedt, maar ook al wat het leven biedt beheersen. In de beheersing van hetgeen het leven biedt, komt men tot een bewuste ervaring van het leven. Heeft men dit bereikt, dan zal de geest vrij zijn haar eigen pad te kiezen. Zij kiest haar pad in de richting van het Goddelijke, de levende Kracht, die in de mens en in alle dingen woont. Zo wordt de Allerhoogste, de Elohim, gerealiseerd en zal de goddelijke Kracht zich openbaren in de mens.

Deze goddelijke Kracht onderscheidt hij in verschillende voor hem afzonderlijke vormen. In de eerste plaats de Heer der materie, de stoffelijke schepping, zoals gezegd “Elohim” genaamd. Daarnaast de beheerser van het geweld, dat in de stof optreedt, de krachten, die de stof vervormen en veranderen. Hem noemt men Jahwe. Dan vinden we daarboven Adonaï, de god van de geestelijke wereld; Hij draagt in zich het volledig bewustzijn. Boven het volledig bewustzijn staat God aangegeven als Sjaddai, als de Allerhoogste, Die omvat alle levensbeginsel, ook van de voornoemde goddelijke vormen.

Het is onmogelijk al deze Gods vormen gelijktijdig te realiseren. Maar indien men de Elohim realiseert en zo een is met Zijn ras, één is met Zijn wereld, zal men uit Hem de volgende trap kunnen betreden. Het streven van de mens zij dus het beheerst gebruik van alle stoffelijke mogelijkheden en de realisatie van het doel, dat al deze mogelijkheden moeten hebben, willen zij in het zinrijke plan der schepping passen. Daarnaast het vermogen zijn scherp persoonlijke voorstelling vrij te geven om zo te komen tot een geestelijke verheffing en deelname aan de krachten, die boven het stoffelijk beperkte peil bestaan.

U moet mij hier mijn kortheid vergeven. Indien ons tijd blijft, zal ik deze principes nog nader uiteenzetten.

Om nu te komen tot de grondslag van de christelijke gedachte, kunnen wij ons baseren op deze leerstellingen, Jezus is mens en God tegelijk. Dat is geen dwaasheid. Jezus is mens door zijn wezen, God door zijn vrijwillig opgaan in hogere kracht. Jezus doet wonderen en is gelijktijdig hulpeloos. De goddelijke Krachten kan hij van uit zich openbaren, maar niet in zich. Zo is hij slaaf van de wereld en meester van de materie tegelijkertijd.

Zijn leerlingen hebben dit later verkeerdelijk uitgedrukt door hem een goddelijke persoonlijkheid op te leggen en zich voor te stellen, dat hij zou lijden en sterven volgens een goddelijke wil. Maar het was Jezus eigen wil en eigen leven, die tot dit resultaat voerden. Hij was niet in staat zichzelf te redden, ofschoon hij anderen redden kon.

Een ieder, die volgens de geheimleer van het christelijke beginsel, zoekt naar een eenheid met het Goddelijke, zal hetzelfde ontdekken. Het is mogelijk de gehele wereld bij te staan, te helpen, te genezen, datgene te geven, waaraan zij behoefte heeft. Alleen voor Uzelf zult gij deze wonderen niet kunnen doen. Dat is verklaarbaar uit het volgende;

Om te handelen in mijn eigen wereld, zal ik te allen tijde een moeten zijn met het Goddelijke doch mij gelijktijdig van mijzelf bewust zijn. Zolang ik mij nu van mijzelf bewust ben, kan ik het Goddelijke in dit “zelf” niet openbaren noch realiseren. Als gevolg is het ik het centrum, van waaruit de goddelijke Kracht door mij uittreedt, doch gelijktijdig het enige punt, dat door mijn wil beroerd de goddelijke Kracht niet kan ervaren.

Het leven, dat een ingewijde voert, is dan ook een leven van absolute zelfverloochening. Wil Jezus komen boven het stoffelijke, dan moet hij zichzelf als persoonlijkheid ontkennen. Daarna keert hij terug. In deze terugkeer zal hij de verheerlijkte zijn en onttrokken aan elke stoffelijke wet, terwijl hij gelijktijdig een meer dan stoffelijke kracht bezit op alle gebied. Maar hij is dan niet meer de persoon Jezus, de mens Jezus. Hij is dan de gedachtevorm Jezus, waarin het Goddelijke sterker wordt uitgedrukt. Of indien U de term prefereert; De Christusgeest, die werkt door Jezus, is nu een geworden met al, wat verschijnt als Jezus.

Wanneer wij op aarde uitdrukking moeten geven aan verschillende beginselen van geestelijke geaardheid, dan zullen wij dit moeten doen door middel van stoffelijke middelen. Deze stoffelijke middelen nu zoeken wij in de richting van ons eigen ervaren en begrip. Zo zeggen niet alleen de Essenen maar ook de vroeg – christenen: “Indien gij samenkomt om te overdenken de glorie des Heren, te belijden de leerstellingen van Jezus, zo, deelt Uw maaltijd gezamenlijk, opdat gij verenigd in de behoeften des mensen en de vreugden des mensen een zult zijn in God.”

Uit Jezus eigen leringen blijkt, dat ook hij prijs stelt juist op deze gemeenschappelijke maaltijd, dit gezamenlijk voldoen aan behoeften. Zijn hoogste leringen op aarde heeft hij steeds gegeven vergezeld van een maaltijd, meestal daarop volgend. Altijd weer zien wij spijs en drank optreden, vaak in simpele vorm, als begeleiding van zijn leringen, vooral bij zijn naaste leerlingen. Dit gebaseerd op het volgende:

Ofschoon wij een geestelijke eenheid zijn, zullen wij als mens een persoonlijkheid zijn, dus verschillend van anderen. Onze eenheid reikt tot het stoffelijk vlak, maar niet in het stoffelijk vlak. Door het gezamenlijk delen van bepaalde gaven, die aan de behoeften des lichaams tegemoet komen, bereiken wij dus een grotere geestelijke eenheid en zal hetgeen wij werkzaam hebben gemaakt op geestelijk gebied zich in ons lichamelijk sterker uiten.

Niet algemeen bekend maar desalniettemin waar is ook het feit, dat de Pinksterbijeenkomst door een dronk van verschillende kleine groepen was voorafgegaan en werd gevolgd door een feestmaaltijd, waaraan bijna zeshonderd personen deelnamen. Steeds weer het stoffelijke afwisselend met het geestelijke. In de meeste gevallen het geestelijke eerst stellend, opdat de instelling wordt verworven, die juist is. Daarna de stoffelijke volbrenging, het stoffelijk delen, waardoor de eenheid, die geestelijk werd ervaren, in de stof wordt uitgedrukt en zo scherper gerealiseerd zal worden ook in de ik vorm, die op aarde moet bestaan.

Deze eenheidsgedachte is echter niet de enige kern van het christendom. In de grondleringen vinden wij zelfs zeer aparte richtlijnen, die ons tonen hoe te komen tot een geestelijke bereiking en eenheid, ook wanneer wij niet in gezelschap zijn. Hierbij kan ik op het ogenblik nog niet alle punten aanstippen en beperk ik mij tot enkele aanwijzingen.

Wie in eenzaamheid tot zijn God gaat, bedenke dat de onthouding van het lichaam een noodzaak is voor deze eenzame bereiking. Zo indien gij wilt gaan tot Uw God, zult gij spijs noch drank gebruiken, gij zult Uzelf ontspannen en bidden tot de Heer, terwijl Uw lichaam rust. In de overwinning van begeerten, de ontkenning van behoeften, zal het lichaam langzaam maar zeker zich onderdanig gevoelen aan de geest en zo worden tot de basis, van waaruit de geest kan opstijgen tot hoger beleven. De geest, die beleeft, zal haar indrukken in dit geval op het lichaam doen weerkaatsen. Als voorbeeld kunt U nemen de verzoeking van Jezus in de woestijn. De weerkaatsing echter is een schijnbeeld, dat ontkend kan worden op grond van geestelijke waarden.

Wie zo bevrijd tot de Vader gaat, vergeet al wat hem verdeelt t.o.v. de schepping. Dat hij achter zich late haat en begeerte, angst en nood. Want deze bestaan niet in de Vader doch slechts in de mens. Zo, deze achterlatend, kan men opgaan in de goddelijke Kracht en een zijnde met deze Kracht voor zich de waarheid ervaren, die uitgedrukt in de stof de mens kan maken tot een drager van de allerhoogste geest, die neergedaald in de stof dient tot heil van alle mensheid.

Bij deze punten wil ik het voor vandaag laten. Ik verwacht van U, dat U ook mijn andere lezingen zult volgen. Uit het geheel zult U kunnen vernemen, hoe uiteindelijk de mens langs de christelijke weg een zekere beleving en bewustwording kan bereiken.

o-o-o-o-o

Nu is eigenlijk het eerste gedeelte een les en een tamelijk zware les. Laten we daarom een ogenblik het tweede gedeelte wijden aan beschouwingen en ervaringen, die een ander karakter dragen.

Rond ons ligt een wereld, een stoffelijke wereld ook, die wacht op het ogenblik van bloei. Wanneer de zon koesterend door de takken speelt, zien we a.h.w. de zwellende knoppen reeds barsten. En een enkele bloem kondigt reeds aan de witte stroom van bloesems, die zo dadelijk het land overspoelt. Daarom, laten wij denken aan ontwaken en aan lente.

Lente is iets, dat werkt in alle dingen, in de mens ook. Wanneer de zon voor het eerst weer kracht begint te krijgen, wanneer de vogels beginnen te slaan en de eerste gevederde reizigers uit het zuiden komen, dan is een mens loom en moe. Het lijkt hem, alsof hij geen voet meer kan verzetten en of zijn aderen met lood zijn gevuld i.p.v. met een vreugdig ruisend bloed. Men spreekt dan van een voorjaarsmoeheid.

Wanneer de zon steeds krachtiger wordt, de lucht zoeler en zoeler, wanneer de geuren van een bloeiende natuur langzaam maar zeker weer de kilte, de onherbergzaamheid van het winterse landschap gaan vullen, dan gaat dat zware bloed stromen. Eerst langzaam, maar slag na slag sneller, tot het is alsof met een ruisende geestdrift het bloed mee jubelt met de gekomen zon, het herboren leven op aarde.

Zo ongeveer gaat het met de mens, die geestelijk ontwaakt. Eerst ontwaakt er een begrip. Het is de zon, die in de winterse hemel van je bewustwording staat en je met enkele stralen toont, dat licht en leven kunnen komen. Dan is een mens vol verwachting. Hij denkt, dat er een openbaring komt en in zijn verwachten wordt de kracht van de geest, die op hem inwerkt, sterker en sterker. Hij voelt rond zich de invloeden. En in een verwachten zou hij misschien willen mee juichen, maar hij komt er niet toe. Want wanneer de zon van een nieuw geestelijk bewustzijn kracht krijgt, dan worden de gedachten zwaar en de ervaringen zeldzaam. De stemmen van de geest, die zo-even nog riepen, versterven tot een zacht gefluister of schijnen onder te gaan in een vreemde, gedempte mist.

De kracht, waarmede je zo-even nog anderen geholpen hebt, staat stil. Zij wil niet meer vloeien. En je voelt je machteloos.

Je moet je gewennen aan het nieuwe licht. Ook de geest, evenals het lichaam, moet zich instellen op een nieuwe cyclus van wording, moet gaan deelnemen aan een nieuwe tijd, een nieuwe wereld. En zoals de aarde dan langzaam ontwaakt, zoals een enkele bloem zo hier en daar de bode is van bloesem en bloei, zo zal in de geest soms een enkel gebeuren, een flitsende gedachte, een enkele ervaring, da hoop levendig houden.

Maar het is nog niet zover. Dan wacht je vol sidderend ongeduld, want je weet: het wonder zal gebeuren. “Zo dadelijk,” zeg je, “zal mijn hele wereld, één bloemenzee zijn. Mijn gehele geestelijk bewustzijn een licht, een rijkdom.” En je wacht, maar het komt niet. Zoals de zon in het voorjaar, ja zelfs vóór het sterven van de winter soms al krachtig is en die belofte in zich draagt, maar het nog maanden kan duren, voordat in een magische nacht een ruisende wind plotseling alle bomen en struiken beroert en een zee van groen en bloemen de wereld doet overspoelen, alle kleuren nog gemengd met het goud van de rijzende zon.

Je wacht en je meent, dat het alles tevergeefs is. Zo min als de mens in zijn loomheid en moeheid de omstelling erkent, die juist de activiteit, het aanvaarden weer van een zomer, van een herfst van ben eenheid met de natuur meer dan in de winter mogelijk zal maken, zo erkent de geest niet in haar traagheid, en gebondenheid in haar schijnbare afzondering, de tekenen der komende lente van de geest, het ontwaken.

Wij kunnen ons voorbeeld verder voortzetten. Want komt eenmaal de bloesem in de wereld, dan zijn de weiden gevuld met jong leven, dan zijn de vogels in rep en roer en zingen en jubelen het uit, dat zo dadelijk het huwelijksfeest gevierd zal worden. Dan ligt je hele wereld in de zonnige ban van een wondere tijd. Maar vruchten zijn er nog niet. Nog is er belofte en geen vervulling.

Voor de geest komt het ogenblik, dat er een nieuw licht is, een nieuwe aanvaarding van het leven. Je voelt a.h.w. overal krachten op je inwerken. Het is alsof je openbloesemt en bloeit, een nieuwe geestelijke zon tegemoet. Je zegt: “Wat is het goed om te zijn. Wat trekt het bewustzijn in mij door. Hoe voel ik, dat ik nu weer helpen kan. Nu kan ik weer verstaan en begrijpen, wat andere sferen mij zeggen.” En je denkt misschien, dat je bereikt hebt. Maar dat is niet waar. Je bent pas ontwaakt en de werkdag gaat beginnen.

Dan gaat de geestelijke kracht en het bewustzijn sterker en sterker in je doorvloeien. Dan word je soms gedwongen om geestelijke lasten te dragen, die je haast te zwaar zijn, zoals de verschroeiende zon in de zomer soms het groen kan bleken op de velden tot een vaal en dor geel. Zoals in de zomertijd soms al om water, om regen schijnt te vragen, zo vraagt ons soms de geest om rust, om een ogenblik van bezinning, om een ogenblik van stilstand van deze slagen van dit onverwachte. Zoals het zomerse onweer naast de verlichting soms onvoorstelbaar geweld brengt, zo zal in de mens probleem na probleem rijzen. Telkenmale weer zal hij zich veranderen en opnieuw instellen, opdat hij de zegen van bewustzijn, van vermogen zal ervaren. Eerst daarna komt de periode van de werkelijke vrucht.

De herfst is vredig. De kleuren veranderen. In plaats van het lichtende geel, het geelgroene van de lente en de symfonie in donkerder groene tinten van de zomer, komt nu het mengsel van goud en rood en groen, van felle kleur en zacht verstorven draden, die zweven door de lucht als glinsterende feeën haren. De rust van een felheid vol tegenstellingen, die in zich geborgen weet het kostbaarste van alles: de vrucht, het resultaat van je bewustwording.

Wanneer de herfst komt, presenteert het land je met gulle hand zijn vruchten. Appels en peren zijn er voor het nemen, overal is overvloed. De dieren, zij spelen zorgeloos verder en alleen een enkeling begint alvast vat te hamsteren voor de komende wintertijd.

Ook de geest. Zij kan U zoveel geven. Op de velden van het bewustzijn zijn vruchten gerijpt, krachten zijn in haar actief. Ze schenkt en zij geeft aan alle kanten. Zij is vreugdig, zij viert een oogstfeest. Maar terwijl zij nog feest viert en in volle gulheid haar gaven over de wereld uitstort, komt de eerste kilte, onverwacht en snijdend scherp, een vlaag maar. En je vraagt je af: “Kan dit dan niet blijven?”

Dan gaat het verder. De storm komt. De storm, die het blad neerwerpt, tot het ligt als een tapijt over een aarde, die haar eigen uiterlijk beschaamd verbergt achter het geel, bruin en goud. Zo verberg je je ziel en haar problemen achter wat je nog geven kunt, achter herinneringen aan wat je gedaan hebt. En hoog boven je, daar, waar de geest uitgrijpt naar de Allerhoogste, daar vaart al de storm en breekt het dode hout weg.

De volheid, die je had opgebouwd, wordt verminderd. Er wordt je ontnomen, wat je waardevol was. Je meent misschien, dat het een willekeur is, en een bitterheid. Maar is de herfst de tijd van vruchten, hij is ook de tijd van de tuinman, die al komt en snoeit. Wanneer de herfststorm het hout breekt en het blad doet vallen, bereidt hij de boom voor op een nieuwe cyclus, op een rust in de winter, een herboren voorjaar en een hernieuwd vruchtdragen.

Zo zal het leven ook U soms, wanneer ge meent, dat het nu vol is en schoon, plotseling iets ontnemen. Maar dat, wat U ontnomen is, wordt U duizendvoudig teruggegeven in een andere vorm. Wat U aan bewustzijn ontvalt, wat U aan vermogen wordt ontnomen, wordt U alleen ontnomen, omdat het Uw eigen ontwikkeling zou verhinderen, omdat het niet meer leeft.

Zo kunnen wij uit de lente een beeld trekken, dat een jaar omvat. Een jaar van geestelijk streven en werken, of een periode van bewustwording, een fase, waarin je van de ene sfeer naar de andere durft te gaan en uiteindelijk misschien een nieuw vlak vinden om op te leven.

De natuur zegt: “Het is lente.” Ze verkondigt met een enkel vogelgeluid, met een warmende zonnestraal: “Het nieuwe leven gaat komen.” Misschien dat ook in U ergens een vlaag van bewustzijn zegt: “Het gaat lente worden. Iets gaat er in mij leven, dat meer waard is dan alle andere dingen.” Wanneer het zo is, dan zeg ik U: “Verheug U. De lente is de tijd van het spel, van de vreugde. Daarna komt de arbeid en het loon. Maar denk niet, dat dit eeuwig is. Want wanneer ge deze reeks van gebeurtenissen en belevenissen hebt voltrokken, wanneer in Uzelve de cyclus is voltooid, dan zal U veel ontnomen worden, opdat U in een komende ontwikkeling meer gegeven moge worden.”

0-0-0-0-0-0-0-0

GEDACHTEKRACHT

De gedachte is een beeld, dat nauw omvat uit kan gaan door alle Gedachte is een deel van de eeuwigheid, een deel van alle leven, uitgedrukt nu in een beeld, schijnbaar in een mens geboren, maar iets, dat ook reeds lang tevoren bestond en in een mens slechts nieuwe grond gevonden heeft tot uiting in bepaalde sfeer.

De gedachte gaat verder. Maar iets daarvan laat zij in het wezen achter en slaat als koele regen neer en geeft daar nieuwe krachten.

Niet de gedachte is de kracht, maar dat, wat de gedachte wekt. Zij doet in ‘t ik een levend zijn ontwaken, dat het mogelijk maakt om te genaken het wonder van een waar bestaan. Om uit te grijpen over tijd en ruimte en tijdelijk te bannen waan en daar te geven werkelijkheid.

Maar de gedachte zelf snelt voort. Het is deel der eeuwigheid. En wat ons achterblijft is het akkoord van eigen stil begrip. De kracht, zij komt uit eigen stil bestaan, waar door gedachten “ik” en “t Zijn” het allerhoogste samengaan en samenwerken komt. En zo, door de gedachte in de mens gericht, op aarde een uiting vonden voor goddelijke Kracht en voor een goddelijk Licht.

Gedachtekracht, dat is een gave, die komt uit allerhoogste sfeer. Zij heeft zeker tot de mensen, wil hen laven, maar gaat tot de Allerhoogste werelden.

De kracht der eeuwigheid, van mens tot mens gezonden, schept beelden, die ook leven in de geest en meer nog dan het stoffelijk wezen, ja misschien het allermeest nog wel de ziel te kennen geven: “Dit is een waarheid, dat een plicht.”

Zo is gedachtekracht de glimlach van ‘s Heren aangezicht, die door een mens soms aan een mens gegeven het goddelijke Licht maakt tot een werkelijkheid ook in een stoffelijk leven.