De incarnatiecyclus

De incarnatiecyclus impliceert dat geboorte op aarde een zich herhalend feit kan zijn en dat alle verschijnselen, die daarmee samenhangen een regelmatig patroon plegen te vertonen. Als men daarvan uitgaat, dan kan men vele kanten uit. Ik zou eerst willen uitgaan van het lamaistïsch‑boeddhistisch Rad, het Rad des levens. Nu weten we allemaal wel zo’n beetje hoe dat eruit ziet: een wagenwiel en in de spaken een groot aantal verschillende werelden. Daaronder zijn hellewerelden, hemelwerelden en ten slotte ook de wereld van de mens. Het is een kringloop.  Hoe gaat het nu, wanneer een mens op aarde sterft?

In de eerste plaats zal hij zich moeten oriënteren in onze wereld. Heeft hij schuldgevoelens, dan zal hij daarmee worden geconfronteerd. De eerste periode van ongeveer 3 dagen tot maximaal 7 dagen van z.g. “bespiegeling” blijft bijna niemand bespaard. In deze periode herbeleeft men belangrijke fragmenten van zijn vorig bestaan. Men beleeft deze niet meer alleen als “ik”‑figuur, maar alsof men een zou zijn met alle figuren. Dus, als ik iemand sla, dan sla ik niet alleen, maar ik krijg ook de klappen. Is het resultaat van deze bespiegeling gunstig, dan gaat men zonder meer over naar een vormwereldje dat men Zomerland pleegt te noemen. Is het resultaat echter niet gunstig, dan zal men proberen bepaalde verschijnselen te ontkennen. Men zegt dan: Dat is zó niet geweest, dat is zo niet gebeurd. Dat betekent dat men de aandacht erop vestigt en een voortdurende herhaling krijgt.

In het Rad vinden we de uitbeelding van bv. een hel, waarin de ziel voortdurend met pijlen wordt doorschoten. Dat is dan een ziel, die eens in menselijke vorm met een pijl op leven heeft geschoten en nu deze pijn van het beschoten worden niet kan aanvaarden. Pas als hij komt tot de aanvaarding van het verschijnsel met daaraan inherent de pijn en de problemen, kan er een progressie zijn. Is dat het enige probleem, dan komt men wederom in Zomerland. Heeft men meer problemen, dan zal men ook die andere problemen weer moeten aanvaarden, dus opnieuw doorleven en aanvaarden. Slaagt men daarin niet, dan ontstaan er in het Pad de andere hellewerelden waaronder een wereld van koude, een wereld van duisternis, een wereld van vuur en noemt u ze maar op. Elke fase is dus niets anders dan een heroriëntatie van het ego, waardoor het leert zichzelf met zijn daden en met alle consequenties daarvan (niet alleen die voor het eigen “ik”) te aanvaarden. Is deze aanvaarding eenmaal geslaagd, dan komt men volgens het Rad in de werelden van rust, en deze kan men het best omschrijven als Zomerland in verschillende fasen. Hier ontspan je je. Je krijgt weer contact met anderen. Je leeft in een wereld, die grotendeels uit jezelf voortkomt. In die wereld blijf je bespiegelen totdat je beseft dat je actief moet zijn en door die activiteit treed je binnen (de volgende trap) in wat de hemelwerelden zijn. Die hemelwerelden kunnen hogere sferen omvatten. Er zijn echter sferen, die niet meer bewust beleefd kunnen worden. Deze worden uitgebeeld door het vlak van het Niet in het Rad, het punt waarop de terugkeer begint. Dat ik dit wat uitvoeriger behandel is om u te doen begrijpen hoe het verschijnsel van zo’n cyclus zich kan ontwikkelen. Er is besef gevormd door leven in de stof: de noodzakelijkheid om dit gehele besef in zijn werkelijke betekenis in de geest te aanvaarden.

Daarna het verwezenlijken van de inhoud, die je mede door dat gebeuren hebt verkregen, het beleven van werelden waarin je tot actie komt en waarin je dus leert en gelijktijdig ook handelt. Vandaaruit het ontmoeten van werelden waarin je niet meer bewust kunt zijn. En bij het niet‑meer‑beleven de terugkeer naar de werelden, die iets lager liggen volgend de norm van het Rad. Werelden, waarin je je voorbereidt op hernieuwde incarnatie welke dan weer resulteert in geboorte op aarde.

Het zal u duidelijk zijn dat het doorlopen van die cyclus bij verschillende entiteiten een verschillende tijdsduur kan hebben. Als je uitgaat van het individu, dan kun je niet zeggen dat er een bepaalde incarnatiecyclus bestaat waardoor je om de zoveel jaar als mens geboren zou worden. De mensheid als geheel heeft echter een gemiddelde bewustwording. Deze gemiddelde bewustwording en mede de toestand, die op zo’n wereld bestaat in de periode dat je leeft, impliceert wel dat je ongeveer gelijke ervaringen hebt met althans een behoorlijk aantal van degenen die in die tijd en in die omgeving hebben geleefd. Daarom spreken we ook nog van een incarnatiecyclus, als we daarmee aanduiden het terugkeren in het stoffelijk leven van bepaalde groepen. Wij zijn op het ogenblik een beetje door de Egyptische periode heen. Er is een Egyptische en een Indiaanse golf geweest, die nog niet ze lang achter ons ligt en nu beginnen we ‑ vreemd genoeg ‑ aan een Indiase golf waarmee onnoemelijk veel mensen, die voorgaand heel veel hindoe‑elementen hebben doorleefd, nu weer op aarde terugkeren. De periode waarin zo’n groep incarneert is, omdat het om grote aantallen gaat en niet beperkt blijft tot de eenling met al zijn mogelijkheden tot variatie, nog wel vast te stellen. De gemiddelde fase van terugkeer voor een groep als geheel is 1600 jaar. Dit betekent echter niet, dat alle entiteiten in die tussentijd niet nogmaals geïncarneerd zouden kunnen zijn. Dit ligt weer aan hun persoonlijke bewustwording en ontwikkeling. Het komt vaak voor dat in een periode van 1600 tot 1800 jaar voor een groepsincarnatie een tussenliggende incarnatie plaatsvindt, zodat de periode voor een eenling ligt op ongeveer 800 jaar per incarnatie, maar hij met dezelfde groep slechts per twee incarnaties terugkeert.

De groepsincarnaties zijn in zoverre van belang dat een groep, die leeft in een bepaald land met een bepaald geloof, niet een bepaalde morele instelling en een bepaalde wijze van leven daardoor ervaringen opdoet die conditionerend werken.

Wanneer die Egyptische groep op aarde terugkeert, dan heeft ze behoefte aan iets van haar magische mystiek (bv. de relatie Osiris‑Isis). Ze zoekt a.h.w. in het mystieke een verklaring en haar bestaan geeft ook weer aanleiding tot het ontstaan van allerhande geesteswetenschappen. Het is helemaal niet zo vreemd dat juist in deze periode begrippen als parapsychologie, psychologie, sociologie enz. (dus gedragswetenschappen, maar ook in feite occulte wetenschappen) een grote rol spelen. Dat is de conditionering uit de Egyptische periode. Die Egyptische groep heeft ondertussen nog een incarnatie gehad als groep, maar ze wordt nog steeds gedomineerd door deze begrippen en daarom als Egyptisch aangesproken. Wanneer die groep weer zal incarneren, dan heeft ze zeer waarschijnlijk de vermenging van wetenschap en occultisme sterk in zich opgenomen, want dat is in deze tijd bepalend geweest. Dus zal die groep een volgende maal waarschijnlijk juist dan incarneren, wanneer bepaalde geestelijke wetenschappen dan menselijk beheersbaar tot uiting komen. Ik geef u dit als een enkel voorbeeld. Er zijn vele van die groepen. Ik kan ze echter niet alle afzonderlijk voor u bespreken.

De cyclus van de groep wordt in haar duur bepaald door de mogelijkheid om met een bepaald bewustzijn een aantal sferen te doorlopen en daarna wederom tot incarnatienoodzaak te komen. Hierbij geldt een gemiddelde omdat de aantallen nooit volledig gelijk zullen incarneren. Verder geldt dat in deze groep entiteiten kunnen bestaan, die op kortere termijn ‑ a.h.w. daartussen liggend ‑ een eigen incarnatie doormaken in een ander milieu en de waarde daarvan dan later binnen de groep mede tot gelding brengen. Verder bestaat de mogelijkheid dat er individuen van deze groep afvallen, dus een afwijkende ontwikkeling doormaken, bestaat ook de mogelijkheid dat anderen zich bij de groep gaan voegen, omdat ze tijdens een bepaalde incarnatie met het leven en denken van die groep sterk verweven zijn geraakt.

Wat kunnen we ons verder nog voor een cyclus voorstellen. Wij krijgen dan automatisch te maken met de astrologie. Astrologie gaat uit van de sterrentekens van de Dierenriem. Het zou logisch zijn te veronderstellen dat er een progressie is. Als we bv. een “teruggaande” progressie nemen: iemand is bv. Vissen, dan zal hij de volgende incarnatie Waterman zijn. Of we draaien het om iemand is Steenbok bij een “vooruitgaande” progressie dus zal hij in een volgende incarnatie Waterman zijn. Ik neem nu het eenvoudigste beeld rond deze tijd. U zult begrijpen dat dat niet doeltreffend kan zijn. Ik zal u ook vertellen waarom;

Elk Dierenriemteken is wel degelijk een ervaringskenmerk voor het bestaan van een bepaalde karakteristiek, die zowel het lichaam betreft als de evenwichten daarbinnen plus de meer mentale mogelijkheden van het voertuig. Daarom is het niet juist, als u zich zonder meer hier op een progressie van incarnatie zoudt willen richten. Maar er zijn wel andere dingen waaraan we toch een zekere houvast kunnen hebben. Zo is een luchtteken bv. geneigd om als luchtteken terug te keren, terwijl een aardteken de neiging zal hebben om als aardteken terug te keren. Dit is een neiging, geen noodzaak. Iemand met een bepaald karakter heeft een aantal belevingen en zal ook in het leven de nadruk leggen op die dingen, welke volgens zijn teken van belang zijn. Om u een voorbeeld te geven; Een Stier zal erg materialistisch zijn, zeer gehecht aan de materie. Het materiële speelt een grote rol. Wanneer zo iemand incarneert, dan kan hij niet incarneren in een persoon waarin die materiële belangstelling helemaal niet meer bestaat of zeer ondergeschikt is. Het is dus belangrijk om dan wederom een type voor die incarnatie te vinden waarin de gebroken draad van deze gebondenheid aan de materie weer kan worden opgenomen. Er bestaat een regeltje ‑ dat echter niet 100 % juist is – dat zegt; “Als men begint met het aardteken en vervolgens verdergaat door vuurteken, waterteken en luchtteken, dan moet om van het ene soort teken naar het andere over te gaan, een kringloop volbracht zijn.” Men neemt dus veiligheidshalve aan, dat er dus vier incarnaties zijn gemaakt in het ene type teken, voordat men overgaat tot een aantal incarnaties in een tweede type teken. Dit is niet altijd juist, dat zeg ik erbij.

Waarom gebruikt men dan die aanduiding? Wel, iemand die incarneert in een totaal ander karaktertype moet in de geest dus zoveel hebben bijgeleerd, dat hij in staat is de betekenis van wat hij vroeger is geweest volledig te beseffen zonder dat daarin hiaten aanwezig zijn. Nu gaat men uit van het denkbeeld dat je ‑ levend onder een bepaald teken eigenlijk – zo wat alle mogelijkheden daarvan moet hebben gehad om precies te weten wat er aan de hand is. Dat klopt natuurlijk niet helemaal, maar voor heel veel geesten is dat wel ongeveer juist. Men zegt dan verder: De incarnatieduur is bestemd, dus vastgelegd. Dit houdt dus in dat de duur van uw leven is vastgelegd zowel als de duur van de periode, die tussen dit leven en een volgend leven zou liggen. Dit is niet juist. Een incarnatiecyclus kan voor een groep naar tijd worden bepaald, voor een individu niet. Want een persoonlijkheid, die een snelle ontwikkeling heeft doorgemaakt, die een groot vermogen tot aanvaarding heeft, zal ongetwijfeld geestelijk veel meer leren dan een ander. Dit betekent dus, dat hij sneller voor de keus zal komen te staan om als geest verder te gaan of ‑ gezien bepaalde onevenwichtigheden in zijn wezen ‑ te incarneren.

Een persoon, die traag is, die zeer orthodox is, blijft vasthouden aan alles wat er in dat stoffelijke leven heeft bestaan en weigert dat op een andere manier te zien, kan een zeer lange tijd kennen tussen twee incarnaties. Iemand, die zeer bewust is en een taak heeft op aarde die door de dood werd onderbroken, kan zelfs (maar daarvoor heeft hij wel hulp nodig) in de tijd van 3 tot 7 dagen reeds zijn incarnatiemogelijkheid opnieuw bepalen, zodat zo iemand gewoonlijk wordt geboren ongeveer 9½ maand na zijn overlijden. U ziet, het is nogal een ingewikkelde materie. Als men die tijd in een persoonlijke cyclus enigszins wil bepalen, dan kan men zeggen;­ De duur van een leven is niet bepalend, wel de inhoud daarvan. Naarmate je als mens meer hebt gewerkt met geestelijke krachten en je gelijktijdig toch bewust bent gebleven van je eigen wereld, zul je je in een kortere tijd bewust kunnen worden van vormloze werelden. In die vormloze werelden bestaat dan de noodzaak om je eigen evenwicht te bezien. In Zomerland doe je dat nog niet zozeer, maar zodra het een beetje vormloos wordt moet je weten; waar zijn mijn evenwichtigheden, waar zijn a.h.w. mijn blinde plekken. Op grond daarvan ontstaat dan het besluit om al of niet in de materie te incarneren. Dan moeten we nu proberen een beeld te geven van de progressie, die een incarnatiecyclus inhoudt. Het meest bekende beeld hiervoor is de spiraal. In de spiraal begeven wij ons van buiten naar binnen toe. Je begint aan de buitenkant van de spiraal en je reist naar het middelpunt. Hierbij wordt dan gesteld: Ten eerste: Indien ik uit dat middelpunt een rechte lijn trek naar een willekeurig punt op de buitenste spiraal, dan betekent dat een ontwikkeling of een invloed, die op alle windingen van de spiraal zal terugkeren. Ten tweede: De constante van beweging blijft gedurende het lopen langs de spiraal praktisch gelijk. Dat betekent dus dat bij elke volgende winding de tijd, die je nodig hebt om van dat bepaalde punt tot datzelfde punt te komen op een hoger liggende spiraalwinding, korter wordt. Het is dus een platte spiraal. Dan stelt men verder nog en dit is misschien het meest interessante; Er is een grove indeling te maken, op deze waarbij kan worden gesteld, dat voor elke reeks belevingen (dit zijn dan niet jaren, maar ervaringen), die tijdens een stoffelijk bestaan worden ondergaan, tenminste een zesvoud van deze tijd noodzakelijk is, voordat een oriëntatie is gevonden waardoor een incarnatie kan plaatsvinden; om het anders te zeggen, voordat je de ronding in de spiraal hebt gemaakt en weer die­ zelfde lijn zult kruisen. Tekent u zelf een illustratie bij het voorgaande. Trek gewoon een spiraal met 5 of 10 windingen en trek dan vanuit het middelpunt een lijn naar de buitenste lijn. Als u deze in de gaten houdt, dan ziet u wat ik bedoel en begrijpt u ook dat het aantal ervaringen belangrijker is. Maar het aantal ervaringen nu ‑ en dat is weer een nieuw gegeven ‑ wordt aangenomen per winding identiek te zijn. Dat houdt in, dat het aantal ontwikkelingen en gebeurtenissen toeneemt per tijdseenheid naarmate je dichter bij de kern van de spiraal komt. Degenen, die een incarnatiecyclus op deze manier bekijken, weten wel ongeveer waarover ze praten. Niet helemaal. Wij weten trouwens meestal niet precies waarover de praten, dus zo belangrijk is dat niet. Zij gaan namelijk uit van een constante van beweging. Maar de enige constante van beweging, die voor de geest bruikbaar is, is er een van besef. En besef is voor de geest nog het best meetbaar in een persoonlijke tijd, niet in een algemene tijdseenheid. Daarmee valt de vergelijkbaarheid al voor een groot deel weg. Het is een interessante voorstelling, aan de hand waarvan we iets kunnen begrijpen. Het is niet, zoals men wel eens stelt, een definitieve mathematische structuur waardoor elke incarnatie verder kan worden berekend. En dat is maar goed ook.

Wat betekent een stoffelijke incarnatie?

In de stof begin je met ;

Fase 1; Levensaanvaarding, dus een aanvaarding van een gebondenheid aan de materie.

Fase 2; Een onderzoek. Een erkennen van jezelf, dus wederom het constateren van het onderscheid tussen jezelf en het andere. Er ontstaat een z.g. actiepatroon waardoor het “ik” alles interpreteert als actie met of tegen het “ik” en niet komt tot een bepalen van een eigen oorzakelijkheid daarbij. Het gaat er dus niet ons “doe ik het of doet een ander het? Het gebeurt mij.”

Fase 3; De z.g. leerfase, waarin kennis wordt opgenomen omtrent de feiten van de wereld zowel als omtrent legenden en denkbeelden, die er ten aanzien van de wereld bestaan. Dat is de beste tijd waarin men o.m. sociologie e.d. kan gaan studeren.

Fase 4; De periode van praktijk. Hierbij moet het zich nu gevormd hebbende “ik” zijn inhouden in daden omzetten.

Fase 5; Deze fase houdt in, daden overzien, dus begrip plus daad samenvoegen tot een relatie waardoor je jezelf ziet als functie van die wereld.

Fase 6; De erkenning van eigen geestelijke inhoud en eventueel van eigen geestelijke krachten.

Fase 7; Hier eindigen we, als het goed is, met de geestelijke activiteit uitgedrukt door het stoffelijk lichaam.

Dat zijn de zeven fasen die het menselijk leven omvat. Nu kan het zijn, dat de laatste fase voor iemand een kwestie is van een paar minuten voor of tijdens het sterven. Het kan ook zijn, dat het een fase is die een tiental jaren van je leven in beslag neemt, maar dan toch wel aan het einde van dat leven. Elk van de voornoemde fasen is niet in tijd te bepalen, maar zal gewoonlijk toch wel in 5 tot 10 jaren kunnen worden uitgedrukt. Waar een versnelling van metabolisme ontstaat en de mens a.h.w. sneller leeft, zullen deze fasen zich sneller afspelen waardoor het lijkt, alsof deze fasen mede gebonden zijn aan de veroudering van het organisme. Willen we vanuit de stof verdergaan, dan kunnen we natuurlijk weer heerlijk over sfeertjes gaan praten. Als u daarvan nog niets afweet, is dat niet erg. U beleeft het eens zelf. Als u denkt, dat u er veel van af weet, laat het dan maar een beetje rusten. Het is nu zeker hiervoor niet zo erg belangrijk. Overgang naar een geestelijke wereld betekent een confrontatie met jezelf. Die confrontatie zal altijd berusten op datgene wat je in je laatste stoffelijke leven bent geweest. Wanneer deze is doorstaan en een zekere periode van ontspanning en actie is gevolgd, is er een confrontatie, met het totale “ik”. Hierbij kunnen alle vroegere incarnatievormen in het bewustzijn terugkeren voor zover zij voor het karakter mede bepalend zijn. Hebben we deze fase doorlopen, dan krijgen we een functiebestemming waarbij het “ik” niet meer ageert als een eenheid te midden van allen, maar als een functioneel deel van een grotere eenheid. Dit betekent onder meer dat bij een groepsincarnatie eerst de bewuste incarnatie binnen die groep kan plaatsvinden en van hieruit ook een bepaalde taak binnen de groep kan worden opgenomen. Ga je nog verder, dan word je geconfronteerd met de totale kennis van al wat je bent geweest. Elke mens schrijft a.h.w. een paar woorden in de geschiedenis van de kosmos. Het zien van deze woorden is op zichzelf zeer vleiend, maar hun betekenis ontlenen ze aan de context waarin ze staan. Je leest nu de context kosmisch en komt hierdoor tot een definitie van je eigen kosmisch bestaan. Ook van hieruit is incarnatie mogelijk, maar dan alleen op grond van uitdrukking van kosmische waarden. Alleen grote Meesters en Leraren zullen dus vanuit deze fase nog incarneren. Degenen, die niet incarneren vanuit deze fase, kunnen verdergaan. Degenen, die wel incarneren, zullen deze fase stilzwijgend voorbij gaan, omdat hun besef niet in staat is het kosmische beeld op te nemen. Nu zijn er nog een paar punten waarop we nog even de nadruk moeten leggen. Er zijn mensen, die zich erop beroepen dat ze “oude zielen” zijn. Oud worden is een natuurverschijnsel geen verdienste, onthoudt u dat. Iemand, die een oude ziel is, die dus vele incarnaties achter de rug heeft, is zeer waarschijnlijk, iemand die in al die incarnaties niet veel verder is gekomen. Dus het is zeker geen reden om jezelf geestelijk hoger te achten dan een jonge ziel. Belangrijk is alleen wat je bent door die incarnaties en niet hoeveel keer je bent geïncarneerd. Dan moet u er verder rekening mee houden dat de z.g. “oude zielen” (denk aan de brahmanen, de tweemaal geborenen, zoals ze zich ook wel noemen) zichzelf wel een zekere wijsheid toekennen, maar deze in feite vaak niet bezitten. Dit geldt natuurlijk ook voor u. Als je terugkeert, dan die je dit om een onevenwichtigheid in jezelf te corrigeren. Dit kan nooit gebeuren door afstand te nemen van de wereld. Als je een cyclus hebt volbracht en wederom in de stof bestaat, dan is het belangrijk dat je zowel handelt als denkt in die stoffelijke omgeving. Hierdoor alleen is een aanvulling van onevenwichtigheden in je wezen bereikbaar. Ten laatste heb ik nog iets over de gehele kosmos. Als wij spreken over de incarnatiecyclus van de mens, dan moeten we ons realiseren dat de kosmos precies hetzelfde doet. Ook de kosmos dooft uit, leeft a.h.w. plotseling op op een ander vlak en zal vanuit dit vlak dan weer terugkeren tot een beginnende existentie waarin dan weer alle leven zich kan openbaren.

Die cyclus is eveneens niet in jaren te bepalen, zeker niet in aardjaren. Maar deze cyclus houdt wel in dat geboorte, ontwikkeling en afsterven (het ontstaan van rust en gebrek aan energieverschil) altijd een proces is waardoor in het geheel van de kosmos een verandering van besef tot stand is gekomen. Ook hier geldt dus, wanneer de dag van Brahman voorbij is en de nacht van Brahman weer plaats maakt voor een nieuwe dag, dan is die nieuwe dag niet dezelfde dag, maar het product van alles wat in de eerste dag is geschiedt plus datgene wat gedurende de nacht daaromtrent is beseft. En dat bepaalt ook weer een beetje onze relatie ‑ al incarnerend ‑ met de grote kosmos.

Wij brengen veranderingen teweeg in de kosmos; maar door die veranderingen worden we deel van de kosmos. Naarmate we meer deel worden van de kosmos staan we verder af van een leven, maar worden we ons meer bewust van een soort lijn, die wij middels vele levens hebben getrokken door vele werelden, die tot die kosmos behoren. De eenwording met de kosmos ‑ iets wat we meestal wel prediken als het einddoel ‑ betekent dat we deel kunnen nemen aan de nieuwe geboorte van de kosmos. Wat dat betreft bestaat daarover een heel aardige dichterlijke uitspraak:

“Als je beseft wat de kosmos is en je beseft hoe haar licht te doven, zo dooft je eigen licht niet. Wanneer alle lichten gedoofd zijn, ben je alleen in de duisternis een licht. En zo je wil is niet te doven, zo zul je het licht zijn van een nieuwe dag waarin de schepping herontstaat. Je bent dan de Schepper. Maar de wijze dooft niet wat dooft, opdat hij buiten het verschijnsel de waarheid moge ervaren waaruit het verschijnsel voortkomt.”

Dit is heel diepzinnig. U moet er maar eens over nadenken. En hiermee heb ik, over de incarnatiecyclus wel heel veel gezegd. De misvatting waarover we bezig waren, bevat ook nog iets anders; dat het mogelijk is om astrologisch vorige incarnaties volledig juist te berekenen. Dit is niet waar. Men kan wel bij benadering een voorgaan­ de incarnatie berekenen, zeggend: Gezien het huidige type, mede bepaald door type en stand van de sterren, de aard van het teken ook waaronder m en is geboren, is de eerst voorliggende incarnatie zeer waarschijnlijk die en die. Maar aangezien hier de onzekerheidsfactor, zelfs bij de beste berekening, altijd nog meer dan 25 % is, is het duidelijk dat, als je verder gaat rekenen en iemand je vertelt wat je vijf incarnaties ge­ leden bent geweest, de kans maar heel gering is dat die voorstelling juist is. Ik zeg dit, omdat er mensen zijn, die laten astrologisch berekenen wat ze zijn geweest. Ze gaan dan dromen over wat ze in dat vorige leven geweest zouden zijn en scheppen voor zichzelf zo een mogelijkheidswereldje dat niets te maken heeft met een reëel leven, maar dat wel een zeer misleidende inwerking heeft op alles wat ze in dit leven doen. Daarom meen ik, dat ik u hiertegen enigszins mag waarschuwen. Natuurlijk, als u er erg nieuwsgierig naar bent en u heeft geld over, ga uw gang. Maar denk alstublieft niet dat dit juist en zeker is. Als je al je stoffelijk incarnaties kent, dan valt er vaak een bepaalde ontwikkeling in te vinden. Ik zal niet over mezelf spreken, maar een vriend van ons heeft bij een versnelling van incarnaties ‑ overigens in de laatste periode ‑ o.m. meegemaakt; slaaf zijn, priester zijn, rijk zijn. Toen kwam hij in de christelijke era terecht en werd herbergier. Van herbergier werd hij priester (abbé) en vandaaruit werd hij een heel klein koopmannetje. Nu lijkt het, alsof iemand hierdoor minder is geworden. Maar dat is nu juist niet waar, omdat de waarde van een incarnatie niet wordt bepaald door de status die je hebt ten aanzien van anderen, maar door het contact dat je met anderen hebt en het contact dat je voor die anderen betekent. Dat is iets wat de meeste mensen voor zichzelf nooit precies kunnen nagaan. Zeg daarom nooit; Het is erg belangrijk, ik ben vroeger een jonge priester of priesteres geweest. Dat is helemaal niet zeker. Een ander punt. Men beweert vaak: Ik ben nu een vrouw, dus ben ik in een vorige incarnatie een man geweest of omgekeerd. Ik weet niet waar ze de kolder vandaan halen! Het man of vrouw zijn wordt namelijk uitdrukkelijk niet bepaald door de voorgaande incarnatie. Het wordt slechts bepaald door het bewustzijn plus de behoefte tot uiting, die op bet moment van de keuze van voertuig bestaat. Het enige dat je misschien zou kunnen zeggen ‑ en dat moet je dan nog heel voorzichtig zeggen ‑ is het volgende;

Indien er een z.g. wisseling van sekse plaatsvindt van de ene incarnatie naar de andere, is de neiging om de hormooninvloed te beïnvloeden wat groter en hierdoor zullen meer elementen van beide seksen in de persoon tot uiting komen. Dat is meestal wel waar. Maar het is niet zo, wat men wel eens beweert; U bent in het vorige leven een vrouw geweest en nu ben je als man geboren, je bent er nog niet aan gewend en daarom ben je van “de klets‑klets” of zo. Of omgekeerd; je bent vroeger een man geweest en daarom ben je nu wel vrouw geworden, maar je wil je nog steeds als man gedragen etc. Dat heeft er niets mee te maken. Het kan voortkomen uit de beïnvloeding van het hormoonevenwicht, wat dan gedurende de eerste 7 á 8 maanden van de zwangerschap moet gebeuren, dus voordat men op aarde komt, anders is er in deze geen invloed meer. Dit is voor sommigen waarschijnlijk ook een teleurstelling. Verder wil ik nog opmerken ‑ dit is heel eigenaardig ‑ dat als een ontwikkelingscyclus is begonnen en men als vrouw die cyclus begint, men de neiging heeft om in de eerstvolgende incarnaties wederom vrouwelijke voertuigen te kiezen. Datzelfde geldt voor de man. Dat is ook begrijpelijk, want het psychisch beeld dat je als man krijgt is nu eenmaal anders in de wereld dan dat wat je als vrouw krijgt. Daar kan geen Dolle Mina wat aan veranderen. Dat beeld bepaalt dan je ervaringen en ook de meest sprekende ervaringshiaten. Daardoor is het behouden van de sekse enkele incarnaties achtereen waarschijnlijk, maar het is nimmer een zekerheid. Hiermede meen ik voldoende gegevens te hebben aangedragen om u, indien u daarvoor interesse heeft, de gelegenheid te geven daarover te discussiëren. Alle punten die van belang zijn, heb ik aangesneden. Ik meen, dat ik een tamelijk samenhangend beeld voor u heb opgehangen.

************************************

*  Incarneert men steeds op dezelfde plaats waar men geboren was en dus vandaan kwam?

Over het algemeen heeft men er wel genoeg van en zoekt men nieuwe horizonten bij incarnatie. Het gebeurt heel zelden dat iemand op de­ zelfde plaats incarneert waar hij vroeger al een keer heeft geleefd. Het kan eens voorkomen, maar zelfs dan moet u denken aan een omgeving in een straal van 120 km. Een incarnatie op precies dezelfde plaats is voor zover mij bekend nooit voorgekomen. Ik kan er het volgende wel bij vertellen: Als u geïncarneerd bent geweest in bepaalde streken of landen, dan zal uw belangstelling voor die streken of landen over het algemeen wat groter zijn. U zult er graag heen willen gaan, er graag iets over lezen of horen en in de foto’s en de kunst van zo’n streek of zo’n bepaalde tijd vindt u dan iets bekends, want u reageert daar veel positiever op dan anderen, die deze incarnatie niet hebben gekend.

*  Wanneer iemand snel incarneert, bv. na 9½ maand, dan krijgt hij hulp. Kunt u dit verder precies in details uitleggen?

Het is tamelijk moeilijk om dat in details te doen. Ik kan het u wel in een beeld geven. Het is zoiets als een variéténummer, een trapezenummer. Men zweeft van het leven naar de dood en wordt aan de andere kant opgevangen door iemand die zegt: “Joh, ik weet het, je moet weer terug.” Deze geeft hem dan een enorme zwieper, zodat hij nog net de bar (stang) kan grijpen en op z’n eigen plankje terecht komt. Dit klinkt misschien een beetje vreemd, maar ik zal het verder verduidelijken omdat u details vraagt. Degene, die sterft op aarde, moet allereerst weten dat zijn taak daar nog niet is afgelopen. Die taak moet van een geestelijke of medegeestelijk karakter zijn en moet voor zijn persoonlijkheid en taakbewustzijn van groot belang zijn. Indien deze inhoud bestaat, dan zal deze indruk voor het sterven zijn overgebracht naar degenen met wie men harmonisch is; en dat zijn gewoonlijk wel entiteiten uit een hogere sfeer. Deze entiteiten zorgen dan dat een keuze reeds van te voren wordt gemaakt. Het is dus niet zo, dat een dergelijke ziel zelf gaat kijken waar hij incarneert. Er zijn drie of vier mogelijkheden waaruit hij kan kiezen en dat doet hij dan direct na de overgang zodra hij in staat in om dat contact met die hogere entiteiten op te nemen. Dat kan meestal een dag of drie duren. Daarna is hij voldoende vrij gekomen van zijn stoffelijke gebondenheden. Hij vindt dan onmiddellijk die indicatie plus de kracht en zal daardoor ertoe worden gebracht om onmiddellijk weer te incarneren in een van die voertuigen. Dit is dan een van die gelegenheden dat de incarnatie vaak in de omgeving plaatsvindt waarin de vorige incarnatie werd beleefd.

*  Wanneer iemand een ander moet doden in oorlogstijd, hoe is dan de uitwerking na de dood?

De uitwerking na de dood is zo, dat je daaraan geen schuld voelt, maar dat je je wel gaat realiseren dat het doden van anderen, omdat het z.g. niet anders gaat, allerhande repercussies heeft en dat anderen daarvoor een aansprakelijkheid hebben, die je toen niet hebt beseft, maar die je nu wel degelijk onder ogen moet zien. Dat betekent dus dat een soldaat, die overgaat ofwel een periode kent waarin hij zijn oorlog dan wel een periode moet aanvaarden in bedrijf probeert voort te zetten, dan wel waarin hij beseft dat hetgeen hij heeft gedaan geestelijk gezien, niet aanvaardbaar was en eerder ten detrimente dan ten voordele van zijn bewustwording heeft gewerkt.

*  Is het mogelijk dat man en vrouw (als geestwezens) bij een nieuwe incarnatie als een individualiteit op aarde incarneren?

Ja, dat is mogelijk. Er kunnen zelfs meer entiteiten zich tot een eenheid samenvoegen en toch in de stof incarneren. Dat is een soort geestelijke coöperatie met een stoffelijke persoonlijkheid. Het is dus theoretisch wel mogelijk. Maar vergeet u één ding niet; Man en vrouw zijn op aarde over het algemeen wezens die een bepaalde band met el­kaar hebben, waarschijnlijk juist omdat ze elkaar toch nooit helemaal kennen. Dat impliceert, dat die verschillen in de geest wel worden erkend, dat de harmonieën, de banden van genegenheid van harmonisch denken en al die andere dingen meer blijven bestaan, maar dat het niet zo heel vaak voorkomt dat ze dan onmiddellijk incarneren in een indi­vidu. Ze zullen wel vaak, in elkaars omgeving incarneren en zo in de stof hun mogelijkheid tot contact of tot samenwerking proberen voort te zetten. Dat is wel enkele keren gebeurd. Maar in de meeste gevallen geloof ik toch, dat het huwelijk juist na de dood heel andere aspecten toont dan je op aarde hebt vermoed. Dan kom je bv. ineens tot de ont­dekking dat “liefje” “lapswans” heeft betekend of iets dergelijks. Dat zijn toch wel ontstellende dingen. Je ziet jezelf met de ogen van een ander; en dat is voor de meeste mensen een beetje wonderlijk, vooral als ze ook nog weten wat ze zijn. En daaraan kun je als geest helaas, niet ontsnappen. Vandaar dat het niet vaak voorkomt.

*  Als iemand ongetrouwd blijft door de een of andere oorzaak en daar door bepaalde ervaringen mist, dan kan deze incarnatie niet volledig zijn, meen ik. Op welke wijze is dan zijn weg door de sferen bepalend?

Geestelijke ervaring kan bestaan zonder dat er enige stoffelijke er­varing aan gekoppeld is, omdat de bewustwording ‑ geestelijk gezien ‑ niet afhankelijk is van het stoffelijk gebeuren op zichzelf, maar wel van de relatie t.a.v. de wereld die men beseft en beleeft. Ik geloof, dat dat voor een oude vrijster of oude vrijer even goed kan bestaan als voor iemand, die van jongs af aan volop het z.g. “leven” is ingedoken. Dan moet u zich verder realiseren, dat u hier het huwelijk verheer­lijkt op een verkeerde manier, want de stoffelijke eenwording (een beleefd woord) zegt weinig of niets omtrent de geestelijke eenwording. Maar het is de geestelijke eenwording die telt. Er bestaan relaties, die zuiver platonisch zijn, waarin een geestelijke harmonie groeit die na de dood veel belangrijker is dan een langjarig huwelijk ooit zou kunnen zijn. U kunt dus nooit zeggen dat door niet‑gehuwd te zijn je iets ontbreekt. Hier wil ik nog bij zeggen, dat in deze tijd velen ongehuwd blijven, ofschoon hun aan ervaring niets ontbreekt, hoogstens aan bepaalde lasten!

*  Heeft “weten” als zodanig invloed op je later geestelijk zijn?

Het ligt eraan wat je onder “weten” verstaat. Als je onder “weten” de stoffelijke kennis zonder meer verstaat, dan zou ik zeggen; het heeft weinig of geen betekenis, tenzij het een belangrijk deel van je emotioneel bestaan is geweest. Ik hoop niet dat dit een teleurstelling is voor de intellectuelen. Maar intellect op zichzelf bestaande uit kennis, uit weten en al die dingen meer zegt niets. Wat wel iets zegt ‑ en dat zou men ook “weten” kunnen noemen ‑ is begrip voor de dingen. Begrip namelijk is een je integreren niet het andere; en dat is een geestelijke waarde waar je niet zo gemakkelijk tussenuit kunt trekken. Het is een geestelijke waarde, die pas na de dood volledig tot gelding komt en dan ook bepaalt op welke wijze je in de geest leeft en streeft en daarnaast mede invloed ‑kunt hebben op een eventueel noodzakelijke volgende incarnatie. Maar kennis op zichzelf, neen. Trouwens, kijkt u eens naar uw eigen wereld. Daar heb je een hoop van die eierhoofdjes. Ze weten alles. Ze weten precies wat goed is voor u, daarom hebben ze al die betonnen kolossen neergezet. Ze weten precies wat er nodig zal zijn, daarom zijn er in Den Haag zoveel lege kantoren. Ze weten precies wat wetenschappelijk de juiste oplossing is, daarom lijdt de hele wereld op het ogenblik aan vervuiling en toenemend ge­brek. En zo kan ik doorgaan. Dan kunt u wel zeggen; Die kennis is zo beperkt, ze kan geen kosmische betekenis hebben. Al dat weten, die we­tenschap op zichzelf is zinloos, tenzij ze betekent dat je daardoor het leven anders benadert en beter begrijpt. Dan is het begrip dat telt, niet het weten op zichzelf

*  Kan men een voorgenomen iets op aarde na de dood uitvoeren?

Ja, dat kan inderdaad, maar het is wel erg lastig. Ik moet hier bijvoegen dat dat voornemen dan betrekking moet hebben op iets wat je op aarde nog wenst te doen of te verwezenlijken. Als je namelijk een bepaalde gebeurtenis, handeling of taak, op aarde als boven alles belang­rijk beseft, ook op het moment van sterven, dan is dat een soort auto­hypnose. Je bent niet meer in staat anders te reageren dan in de rich­ting van die verwerkelijking. en dan ga je desnoods spoken. Er zijn verhalen genoeg daarover. Een typisch voorbeeld daarvan dat ook is geregistreerd is gebeurd in de Columbia University in U.S.A. Daar was een professor, die had voor een lezing een aantal bijzondere projectieplaatjes van een collega te leen gevraagd. Hij had ze echter weggeborgen, zodat niemand ze kon vinden. Die goeie man is toen als geest blijven spoken, blijven spoken, blijven spoken, totdat iemand eindelijk ging zoeken in dat ene laatje achter al die andere rommel, ze toen vond en ze terugbracht naar de plaats waar ze hoorden te zijn. Daarna verdween het spook. Dit is door een groot aantal getuigen, studenten zowel als hoogleraren bevestigd. Dit bewijst dus dat het mogelijk is. Aan de andere kant lijkt het mij betrekkelijk onverstandig, omdat er namelijk niets zo belangrijk is als juist leven. Indien je je mogelijkheid tot leven en tot ervaren geheel afhankelijk stelt van één bepaald feit of van één bepaalde actie, dan sluit je jezelf op in een dwangbuis waar je later misschien met heel veel moeite uit komt. Het is dus zeker niet de verstandigste manier. Commentaar?

*  Hoe spookte hij dan?

Dat zal ik u precies vertellen. In de eerste plaats zag men hem soms door de gang lopen, vooral wanneer het licht minder sterk was. Daarbij word de professor, die de zaak aan hem had geleend, voortdurend op klopgeluiden onthaald en werden er voorwerpen op zijn bureau verplaatst. Enkele studenten kregen, terwijl ze in het lab waren waar die plaatjes waren opgeborgen, plotseling een duwtje (wat later bleek) in de richting van die lade. Maar ze verdachten er een ander van. Want als er niemand te zien was, dachten ze dat ze zelf gek waren. Daardoor hebben de spookverschijnselen een aardige tijd geduurd, in het geheel 15 maanden.

*  Is een reïncarnatie eigenlijk verplicht?

Neen. Ik geloof, dat er niets in het kosmische bestaat dat ver­plicht is, behalve het bestaan zelf. Reïncarnatie is dus altijd een kwestie van keuze. Maar men moet één ding wel begrijpen: U kunt zeggen: het is een slechte keuze. Maar als de andere keuze nu nog erger is, dan kies je toch die incarnatie vrijwillig, omdat er geen betere mogelijkheid. voor je is. In die zin zullen de meesten van ons gereïncarneerd zijn of nog eens reïncarneren. We zouden de situatie als volgt kunnen omschrij­ven. Als het maximum aan absorptievermogen van krachten en kennis in de geest is bereikt, leef je in een wereld die stilstaat, die dus niet meer verandert. Er is geen ontwikkeling meer, je kunt niet méér zijn of méér doen. Het is dus verveling; alles vervaagt een beetje. Dan moet je kiezen, ofwel teruggaan naar een lagere sfeer die je echter al kent in de hoop daar een feit te vinden, dan wel incarneren in de stof, wat minder prettig is dan teruggaan naar een lagere sfeer, maar wat wel inhoudt dat je (voor een geest in een betrekkelijk korte periode) een groot aantal nieuwe feiten zult erkennen waardoor je geestelijk veel verder zou kunnen gaan. Daarom kiest men meestal voor de reïncarnatie.

*  Wanneer iemand tot de afhaaldienst behoort, geeft dat op een gegeven moment ook een gevoel van niet‑verder‑kunnen‑komen?

U zegt dat zo alsof de afhaaldienst een vorm van de kattenbakcentrale in de geest is. Dat is niet de bedoeling. U moet zo denken; Punt 1, de afhaaldienst is iets waartoe u vrijwillig behoort. Punt 2, tot dat afhalen komt u alleen, indien er in u ‑ op welke wijze dan ook ‑ een drijfveer of een harmonie bestaat ten aanzien van degene die afhaalt. Het is een waarmaken van iets wat reeds in u bestaat. Dele hulpverlening is zeker niet beperkt tot een bepaalde sfeer. Dat kan ook uit een heel hoge sfeer gebeuren zo goed als uit een lage. Het is dus niet zo, dat dat afhalen een kwestie is van “niet verder kunnen”. Het is gewoon een kwestie van een bestaande harmonie of rela­tie (verplichting kan het zelfs zijn), het gevoel van eenheid waardoor je je bewogen gevoelt om zo iemand te helpen. Dat we dat dan in groepsverband vaak doen, komt omdat onze groep ten aanzien van dergelijke personen een bepaalde harmonie erkent, anders zou ze er zeker niet toe kunnen komen.

*  Is degene die afhaalt altijd of merendeels een bekende van degene die overgaat?

Dat is niet noodzakelijk, maar als het even kan, kiezen we er wel zo iemand voor. Het zal u ook duidelijk zijn waarom. Indien je iemand hebt, die de stervende kent, dan kan deze zich vaak voor de dood reeds manifesteren. Dan is er een herkenning. In die herkenning wordt eigenlijk het moment van de dood zelf al bruikbaar om iemand bewust te maken, terwijl bovendien de angst (het trauma van het sterven) aanmerkelijk minder wordt. Dus – als het even kan – sturen we kinderen, vaders, moeders, goede vrienden en dergelijken erop af, indien die beschikbaar zijn. Maar als die er niet zijn, dan zal er toch altijd wel iemand te vinden zijn, die op de een of andere manier met hem verbonden is en die hem komt helpen om de nieuwe toestand te aanvaarden.

*  U heeft daarnet gezegd dat de vroegere Egyptische en indiaanse groepen nu weer incarneren.

Dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat hun reïncarnatiecyclus nu ten einde loopt, terwijl nu een Indiase cyclus loopt; dus mensen van hindoe‑origine over de gehele wereld worden geboren.

*  Hoe lang duurt zo’n cyclus eigenlijk?

Dat ligt aan de groep. Wanneer we bv. de Egyptische invloed nemen, dan loopt die bijna honderd jaar. Dat ligt aan het aantal mensen behorend tot de groep die incarneert en de betekenis die ze heeft. Maar al in 1860 wordt ook in bepaalde kunstvormen in Europa het Egyptische element veel sterker. U ziet dat de belangstelling voor Egyptologie enorm toe­ neemt. U zult ontdekken dat Egypte zelf meer op de voorgrond komt en ook dat dat in deze tijd langzaam maar zeker aan het afnemen is, terwijl gelijktijdig de nadruk steeds sterker komt te liggen op India. Dat is een van de aanwijzingen dat de cyclus is veranderd. Wat de Indianen betreft; als u rekening houdt met Engeland, dan hoorde u daar overal bijzonder veel praten over Indianen. Geestelijke genezers waren Indianen, geesten die door kwamen waren indianen, de men­sen zelf gedroegen zich vaak als Indianen: stoïcijns uiterlijk en voor de rest: kijk uit! Dat zat er in die periode echt in. Nu blijkt dat te veranderen. Bij de Indiase incarnaties zou zelfs een bepaalde tak nog in Engeland incarneren en een andere groep zouden we zeer waarschijn­ lijk bij voorkeur in de Ver. Staten zien. Dat ligt aan het karakter en de achtergrond van de maatschappij. Als we denken aan de vereerders van de godin Kali, dan geloof ik dat we die in de U.S.A. in de komende tijd zeer veel zullen aantreffen, al dan niet voorzien van hun oude fouten, natuurlijk, maar met een mogelijkheid om tot een nieuw besef te komen.

*  Het geboren worden onder een bepaald teken. Wat verstaat u onder het geboren onder”?

Geboren onder is het geboren worden onder dat bepaalde teken. Het heeft dus niets te maken met de ascendant. Het is doodgewoon; u bent geboren onder bv. Aquarius. Dus in die periode. Ik heb daarbij gezegd ‑ dat zou ik in herinnering willen brengen ‑ dat dit prak­tisch niet voorkomt. Ik heb ook geprobeerd u duidelijk te maken waarom. Omdat men namelijk niet uitgaat van een opeenvolging van tekens volgens de astrologische volgorde, maar van bepaalde elementaire belevings­mogelijkheden, die het gemakkelijkst worden aangeduid met de element­ tekens, die men aan bepaalde Dierenriemtekens toekent, omdat daartussen een bepaalde verbinding blijft bestaan.

*  Maar dan moet er tussen twee incarnaties toch een tussenruimte zijn van 2200 jaar

Ik weet niet waarom u dat zegt, want dan gaan we alleen maar uit van het heersende teken waarin alles staat. Maar ofschoon dit de periode van Aquarius is, zijn we toch Aquarius allang voorbij. Dan had u kunnen gaan tot februari. Op het ogenblik zitten we nog net in Vissen. Zo bedoelde ik het en zo heb ik het gezegd.

*  Als de hoogste ontwikkeling is bereikt, dan incarneert de één als grote Meester en de ander gaat verder. Waarheen?

Naar een geestelijke wereld, waarin hij ten aanzien van het geheel meent een taak juister te kunnen vervullen dan binnen de doeleinden van een stoffelijk, voertuig. Maar het aantal van degenen die verder gaan is groter dan dat van degenen die terugkeren, omdat een tijd, maar een bepaald aantal Meesters verdraagt. Meer kunnen er namelijk niet zijn, omdat er dan verwarringen komen. Indien aan die behoefte is voldaan, dan is er op aarde eenvoudig niets meer te doen dat belangrijk is en dan ga je als vanzelf verder. Maar je gaat dan altijd uit van een kosmische tendens, een kosmische waarde. We kunnen dan wel zeggen dat je in dergelijke gevallen meestal wel zegt, dat per teken (dat is de periode van 4100 en zoveel jaar) een bepaald aantal Meesters kan optreden en meest­ al één soms twee grote Leraren, wereldleraar, wereldmeester.

*  Er komt op een gegeven ogenblik een tijd dat je niet verder kunt. Wat dan?

Er komt een tijd, dat je als ego niet meer verder kunt met begrenzende begrippen t.a.v. het “ik” zoals je tot op dat ogenblik hebt beleefd. Dan is de volgende ontwikkeling dat je die grenzen gaat verleggen. Je wordt dan a.h.w. een soort module in het totaal bewustzijn, waarin vale factoren van dat totaal bewustzijn voortdurend worden ge­kend, signalen worden ontvangen en doorgegeven, maar je jezelf niet meer ziet als een afzonderlijke factor, die buiten en tegenover het geheel staat, maar als een bewust functionerend deel van het geheel. En als je dat ook helemaal hebt bereikt, dan schijnt er nog een fase te zijn, maar daar weet ik heel weinig over te zeggen. Het enige dat ik weet, is dat ze zeggen: dan ben je God. Niet in de zin van; je bent de enige God, maar dan ben je God als een deel van de totale Kracht.

*  Dus er is een tijd dat je individualiteit ophoudt te bestaan?

Er is een tijd, dat individualiteit, zoals deze op aarde en in vele sferen wordt beseft namelijk als een tegenstelling tussen ego en de rest van de wereld, ophoudt te bestaan! Het betekent niet, dat het besef dat het ego kenmerkt daarmee ophoudt te bestaan, maar wel dat dit besef dan gaat functioneren als een deel van het geheel en daarbij geen tegenstellingen meer erkent tussen zich en het andere.

*  Kan men dan als deel van het geheel alle mogelijkheden van het geheel tot uiting brengen?

Voor zover deze in de nodule (het knelpunt dat je bent tussen al die krachten) tot uiting komt, zeker. Maar dan breng je niet meer tot uiting, dan ben je uiting van het geheel. Dat is het verschil.

*  Is de Broederschap al in dat stadium van uiting van het geheel?

Als u bedoelt de Witte Broederschap, dan kan ik zeggen dat mis­schien enkele van de hoogsten in dat stadium verkeren. Dat kan ik echter niet beoordelen. De Witte Broederschap bestaat nog voor het merendeel uit individuen, die een besef hebben ten aanzien van zichzelf en de wereld. Ze streven een bepaalde relatie na tussen zich en de wereld, omdat ze een besef hebben van verbondenheid. Maar die ver­bondenheid betekent nog niet het zonder grenzen een‑zijn.

SLOTREDE

Vrienden, we hebben gezegd; Indien u dat met alle geweld wilt, dan willen we nog wel een keer over het Rad des Levens en de incarnatiecyclus spreken. Dit betekent niet, dat we veel nieuws te vertellen hebben. Dat is ook wel begrijpelijk, want het aantal malen dat we over incarnatie en reïncarnatie hebben gesproken in deze groepen is bijna niet meer te tellen; we zijn de 2500 ruim voorbij. Ik heb daarom geprobeerd in dit betoog een aantal aspecten aan te stippen en enkele indelingen te geven; gewoon een paar overzichten. Per slot van rekening, of we nu wel of niet reïncarneren, is ons ‑ naar ik aanneem ‑ een zorg wanneer we op aarde zijn. Dat zien we later dan wel weer. Maar of we nu in deze incarnatie harmonisch leven is wel erg belangrijk. Door uw vragen ben ik in staat gesteld erop te wijzen dat harmonisch zijn met de wereld helemaal niet betekent dat u in een bepaalde inter­menselijke relatie bestaat, zoals die sociaal is vastgelegd. Dat heeft er niets mee te maken. Het gaat er gewoon om hoe u leeft te midden van de levenden, wat u probeert te zijn voor anderen en wat anderen ook in u erkennen. Het is een voortdurende wisselwerking; en daarop berust eigenlijk het belang van uw bestaan. Hoe meer u voor een ander betekent, des te beter het is. Maar niet omdat de ander die betekenis erkent, maar omdat u zelf die betekenis zoekt te geven aan uw bestaan. Later zult u alles overzien en zult u weten wat het werkelijk was. Het is echter uw eigen streven dat het meest belangrijk is. In de gehele cyclus, zoals u die doorloopt van mens‑zijn via sferen tot weer mens‑zijn (voor u mensen is het nu eenmaal zo dat u het menszijn als begin‑ en eindpunt pleegt te nemen) is alles steeds weer gebaseerd op de band die u kent met anderen. Dat is geen band, die stoffelijk uitdrukbaar is, maar die bestaat door een zekere eenheid van denken, een onderling dienstbetoon dat niet zuiver stoffelijk behoeft te zijn, maar dat ook uit geestelijke kracht en steun bestaat. Het is voor een mens op aarde mogelijk tijdens een incarnatie banden aan te knopen met bepaalde hogere werelden of sferen. Hij kan soms zelfs een deel van de krachten van die werelden of sferen op aarde manifesteren. Op zich is dat misschien weer niet zo belangrijk, maar wel belangrijk is dat die mens ‑ hoe dan ook ‑ een band vindt met de mensheid en eventueel met geestelijke waarden, want dat bepaalt wat u in de geest zult zijn. Maar wat u in de geest bent en hoe u zich in de geest ontwikkelt, bepaalt weer wat u als mens zult worden. Wij hebben gelukkig geen vragen gekregen over karma. Een uitdrukking, die me altijd weer doet denken aan een ouderwetse conducteur, die zijn bestuurder aanmoedigt om te vertrekken: Karre maar. Want vrienden, de meesten denken dat karma iets is waardoor men in het volgende leven betaalt voor dit leven. Het is een soort zondigen op afbetaling. Maar dat bestaat niet werkelijk. Het zijn de verbindingen die u in dit leven vindt, de waarden die u beseft in dit leven plus al datgene wat daar geestelijk in ligt en wat daar geestelijk uit voortkomt, die bepalen zullen door welk besef en met welke inzichten u een volgende incarnatie nastreeft. Het is helemaal niet erg, als u behoort tot een groepsincarnatie, want ook deze groep kan evolueren en uw deel uitmaken van die groep geeft u vaak bijzonder gemakkelijke banden en relaties met mensen rond. u, waardoor u eigenlijk meer beleeft en ervaart dan zonder dat mogelijk zou zijn, vooral in geestelijke zin. De cyclus, waarover we hebben gesproken, is een onvermijdelijke. Eerst als je besef zover is gekomen dat je volledig afstand kunt nemen van je eigen persoonlijkheid, van je pretentie tot betekenis of je angst voor betekenisloosheid, kom je op een punt waar de cyclus alleen geestelijk verder kan gaan. Dan is het geen incarnatiecyclus meer. Dan wordt de kringloop een parabool, die je wegvoert in werelden van steeds intenser wordend licht. Met al wat we gezegd hebben, hoop ik u ook in die richting enkele denkbeelden te hebben gegeven. Want ook al weet u het niet altijd en al schat u zichzelf en anderen voortdurend verkeerd in op deze wereld, u betekent iets voor een ander, hoe dan ook. En het is die betekenis, die uitmaakt wat u in de geest zult erkennen en beleven en hoe u verder zult gaan eventueel tot een volgende incarnatie.