De inhoud van het kosmisch weten

image_pdf

7 mei 1962

We gaan dan vanavond weer een onderwerp behandelen en eventueel erover discussiëren,  maar voordat we beginnen zou ik u wél heel graag nog even willen wijzen op het feit, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik vind het dus wel heel erg prettig, wanneer u zelf wilt nadenken over alles wat naar voren komt en ik zou u zelfs de raad willen geven, wanneer nou een paar punten erg onduidelijk zijn in de inleiding, maakt u eens een notitie ervan, dan kunt u na de pauze daar eens op terugkomen.

Per slot van rekening een avond als deze is er een van samenwerking, ik doe mijn best, maar wanneer u met vragen komt die slaan op het onderwerp als de beruchte tang op het zwijn dan is er altijd wel een zeker gebrek. En dan verder nog, misschien vindt u het prettiger om een vraag schriftelijk te formuleren. Ook in dat geval zou ik graag de schriftelijke vragen, na afloop dus van de inleiding, na de pauze eerst behandelen. Ik geloof dat we nu precies weten waar we aan toe zijn, ja? Nog iets te vragen over de procedure? Nou dan zou ik willen beginnen dus met het kosmisch weten.

Wanneer wij aannemen dat de kosmos de uiting is van een levende bezielde Godheid, een Godheid die dus kracht is, bewustzijn bezit, kortom alle dingen die wij normalerwijze aan een God toeschrijven, dan mogen we allereerst wel stellen dat hetzij voor het gehele wezen of een deel van het wezen van die Godheid, de kosmos als een spiegel kan worden beschouwd. God spiegelt zich in Zijn schepping.

Een tweede punt volgt uit de eigenschap Gods, plus enkele eigenschappen die men ook in de natuur kan vinden.

Wij komen namelijk tot de conclusie dat, de energie die in de vorm van materie, enz. bestaat, praktisch onverwoestbaar is. Ze kan omgezet worden in velerlei andere vormen, maar zij gaat niet geheel teloor. Wel is er een verlies, dat loopt van een half pro mille tot in sommige gevallen bijna twee procent, waarbij we kunnen zeggen: die energie is niet meer te achterhalen. Maar we kunnen ook niet zeggen dat ze teloor gaat, God is eeuwig.

Zolang de goddelijke krachten de schepping in stand houdt, mogen wij dan ook aannemen dat de schepping op zich eeuwig is. Mag ik aannemen dat deze punten voor u aanvaardbaar zijn? Dat is namelijk wat ik als punt van uitgang wilde stellen. Goed.

Dan krijgen wij de volgende punten: In de eerste plaats, eeuwigheid is tijd zonder beperking, althans vanuit menselijk standpunt. Dan mag eveneens worden gesteld, dat tijd slechts een deel is van een eeuwigheid.

Wanneer wij aannemen dat er vele veranderingen plaatsvinden, die in het tijdselement kenbaar zijn, dan moeten zij gelijktijdig bestaan in de eeuwigheid. Maar waar eeuwigheid geen scheidingsmomenten van tijd kent, alles dus praktisch gelijktijdig. Dat is misschien een gedurfde stelling, maar ik geloof toch wel dat ze aannemelijk is, wanneer we uitgaan van de zin van het woord ‘eeuwigheid’ en van het wezen Gods zoals wij het menen te kunnen erkennen.

Dan stel ik, mijn vrienden dat, wanneer van God uit alles gelijktijdig en volledig kenbaar is, wij ons bewegen als schepselen in een wereld, waarvan alle mogelijkheden reeds zijn vast gelegd en waarin slechts de keuze van die mogelijkheden, zij het misschien beperkt, aan ons is overgelaten. Hier hebben wij dan een beeld van de kosmos als een vaste eenheid.

En nu gaan we over naar een tweede puntje van belang of neen, een tweede stelling van belang. Anders dan denkt u zo: “nou, hij begint maar met punten of hij graszaad aan het uitzaaien is”, en dat is niet de bedoeling.

Wanneer ik aanneem, dat God leeft in het totaal van Zijn schepping, door het totaal van Zijn schepping, wezens in stand houdt en die schepping in God voltooid aanwezig is, dan zal elke harmonie met het Goddelijke, of een deel daarvan, in mijn wezen een wetenschap kunnen wekken omtrent elke fase, zelfs de eindfase of voltooide fase, van het menselijk zijn, van het kosmisch bestaan en van elke werking of wet, die er binnen deze kosmos optreedt.

Kunt u ook deze stelling nog accepteren? Nu, dan bent u erg gemakkelijk, dat vind ik erg prettig. Hier komen dan mijn eerste conclusies en ik moet erbij zeggen, een deel van die conclusies is direct gebaseerd op feiten, feitenmateriaal dat ook materieel controleerbaar is.

Het is mogelijk te zien in het verleden en in de toekomst. Het is mogelijk een reconstructie van het verleden volledig nauwkeurig te doen plaatsvinden, bijvoorbeeld door middel van hypnose, waarbij men dus een individu doet teruggaan. Men kan dit ook in bepaalde vormen van zogenaamd zien in de tijd. Op dezelfde wijze blijkt het mogelijk (dit is ook geconstateerd en nog niet verklaard) dat mensen in de toekomst zien en daarin fragmenten van het geheel, die later precies tot stand blijken te komen, voor zich waarnemen.

Dan zou ik dus mogen stellen, dat er ergens een bron is van kennis en kracht, waarin het totaal van de schepping aanwezig is en waaruit ook de mens brokstukken kan putten. Wanneer dit het geval is, dan mogen wij – uit menselijk standpunt – in de eerste plaats wel spreken over een kosmisch geheugen, want al wat is geweest, of het ook bekend is aan de mensen of niet, bestaat voort in het Goddelijke en is daarin volledig kenbaar. Wij kunnen elk waar verleden van een mens terugvinden. Wij kunnen verder elke toekomstmogelijkheid van die mens vinden. Maar vooral, wij kunnen vanuit het kosmisch geheugen samenhangen begrijpen, die op zich wat verwarrend lijken. Wanneer u bijvoorbeeld denkt aan de vernieuwingsprocessen, die zich in uw eigen tijd voltrekken, dan is de reden voor veel verwarring en voor veel problemen moeilijk te overzien.

Wij kunnen misschien nog nagaan hoe een probleem als Algerije is ontstaan. Maar om na te gaan hoe die eigenaardige verdeling van welvaart en ellende in de wereld tot stand kwam, hoe de verandering van de economische verhoudingen op de duur een soort pressie begint uit te oefenen op alle staten met een zekere welvaart, dat is haast niet te verklaren. Om deze dingen geheel te kunnen beseffen moeten we tamelijk ver terug, want superioriteit van het Westen moeten we eigenlijk vinden in de tijd van Griekenland en Rome. Een eenvoudig mens zal dit moeilijk kunnen doen, maar iemand, die put uit het kosmisch geheugen, kan alle belangrijke factoren herkennen. Hij zal dan niet alleen begrijpen hoe de toestand is, maar ook waarom. Het ‘waarom’ op zich zelve maakt het weer mogelijk om in het heden de juiste condities te gaan scheppen voor een betere toekomst en op de meest juiste wijze aan de nu bestaande condities te beantwoorden. Hier is dus een directe aanpassing mogelijk en zou kunnen worden gesproken van kennis. Kunt u dit met mij eens zijn? Een beetje ingewikkeld, ja hé?
Ik zal het eenvoudiger zeggen, wanneer ik mij zou instellen op de goddelijke kracht, ik daarmee harmonisch ben hetzij door geloof of door vormen van meditatie, kortom door elke methode waarbij wij ons aan het ik-bewustzijn tijdelijk onttrekken, dan kan ik vanuit het goddelijke een antwoord krijgen op al mijn vragen, maar zonder uitzonderingen. Het antwoord op deze vragen berust op feiten uit het verleden, die echter niet eens noodzakelijkerwijs uit God zelf direct gegeven worden maar in de kosmos als zodanig blijvend bestaan. Kunt U dat volgen? Nu, dan hebben wij hier het eerste en naar ik meen het interessantste feit.

Want wanneer er een kosmisch geheugen is, dan moet er ook gesteld worden dat de kosmische krachten werken volgens vaste normen. Wat niet in de Schepper aanwezig is, kan nimmer buiten de Schepper om geproduceerd of geschapen worden. Slechts datgene wat in de kosmos bestaat, kan door een mens verwerkelijkt worden, kan beleefd worden. Dat geldt voor het verleden zowel als voor de toekomst. Er bestaat dus een directe relatie mens – God, door de gebondenheid van de mens aan de uit het goddelijke voortkomende mogelijkheid. Aanvaardbaar? Hierbij ontstaan natuurlijk vanuit een menselijk standpunt een paar moeilijkheden, want hij kan nu wel spreken over het kosmisch weten, maar het kosmisch weten is veel omvattender dan de menselijke begripsmogelijkheid.

Om het heel eenvoudig te zeggen: wanneer u God volledig zou mogen aanschouwen en Hem zelfs zou kunnen beleven, zou u nog geen duizendste van Zijn Wezen kunnen weergeven of omschrijven, terwijl u slechts een zeer klein deel van uw eigen emoties op de juiste wijze kunt uitdrukken. Al het andere zou u vergeten, omdat u eenvoudig geen middelen hebt om die beleving vast te leggen. Hier wordt dus voor de mens de moeilijkheid geschapen dat het kosmisch weten zó omvattend is en ook het kosmisch geheugen, dat hij daaruit niet naar willekeur kan putten, maar alleen in overeenstemming met zijn eigen capaciteiten, met zijn eigen vermogen tot harmonie maar ook tot begrip. Het zal u duidelijk zijn, dat wij dus in elke relatie met de kosmos voorop moeten stellen dat een zekere kennis noodzakelijk is. Die kennis kan beperkt zijn, maar zonder enige kennis en enige ervaring zullen wij niets kunnen beseffen. Wanneer wij echter door de kennis inzicht kunnen krijgen in althans een deel van de feiten, wordt het ons mogelijk het ik aan te passen aan de feiten en de werking van krachten en wetten vanuit het goddelijke in een ander, beter te concipiëren. Wij maken ons een voorstelling van wat er in de ander bestaat en wat er in ons zelf bestaat. Dan kunnen wij wijsheid gewinnen, een wijsheid die het ons mogelijk maakt het essentiële uit alle levenskrachten en levensvoorwaarden voor onszelf te puren, en daarmee voor onszelf en anderen op de meest juiste en meest harmonische wijze te streven. Is dit te volgen?

En te aanvaarden?

Nu wil ik dan proberen om het kosmisch weten als geheel vanuit een menselijk standpunt te benaderen, dit wil zeggen dat wij dus maar een zeer klein gedeelte van de werkelijkheid kunnen bespreken, voor de rest hebben wij geen woorden.

Allereerst: God is kenbaar in krachten. Wij kunnen God niet erkennen in Zijn Wezen, wij kunnen Hem hoogstens ondergaan. Maar aan de krachten, krachtevenwichten en -tegenstellingen, die in de schepping, de sferen zo goed als in de wereld, aanwezig zijn, kunnen wij ons een beeld maken van wat God is. Alle dingen zonder uitzondering zijn uit God, bestaan dóór God, want de kracht in de gehele materiële kosmos, de kracht in de gehele vorm- en uitdrukkingswereld van de sferen is aan zich gelijk. Er zijn geen verschillen tussen de energie, die optreedt als leven in de hoogste sfeer en de energie, die optreedt in uw menselijke wereld, er is evenmin een verschil te vinden in de grondbouwstenen, de energiewerveling, dat is misschien de beste uitdrukking, waaruit alle kleinste bouwstenen van het Al worden opgetrokken. Ook dit geldt voor alle werelden en sferen. Zo mag worden gezegd, dat een wet Gods altijd moet zijn een erkenning van twee tegenstellingen.

In de eerste plaats de beoordeling van beide factoren vanuit het menselijk standpunt.
In de tweede plaats de inwerking van beide factoren ten opzichte van elkaar. Uit de beoordeling volgt voor ons de beleving. Uit de verhouding van beide tegengestelde waarden ten opzichte van elkaar de begrenzing van onze belevingsmogelijkheid. Is het duidelijk? Het schijnt hier en daar wat zwaar te zijn? Nu goed, wij komen vanzelf wel aan de kant, maar er bestaat een bekend gezegde: “de eerste klap is een daalder waard”. Ik heb die eerste klap op het ogenblik geprobeerd te geven door uit te gaan van de belangrijkste grondstellingen, die u zelf misschien nog eens kunt overdenken.
Nu ga ik proberen om eens wat te zeggen over het kosmisch weten. Wanneer het totaal van de schepping, vanuit het standpunt van de Eeuwige, geheel kenbaar is van begin tot einde, zijn alle waarden daarin gekend. Het kosmisch weten omvat dus, zonder uitzondering, alle mogelijkheden maar ook alle feitelijke keuzen van elk individu. Dit vloeit niet voort uit een gebondenheid aan een bepaalde keuze, maar uit het feit dat de gelijktijdigheid van elk levensmoment, zoals dit in de Eeuwige kenbaar wordt, het mogelijk maakt ook die delen van het ik te overzien en die keuzes te overzien, die voor de mens zelf nog niet gerealiseerd zijn. De wetten, die in de kosmos optreden, vloeien eveneens uit deze Eeuwige beschouwing voort. Want een wereld, waarin voortdurend veranderingen zijn, is slechts, dan denkbaar, wanneer ook God in zich een evoluerende kracht is. Maar een kracht, die een Al uit zich voortbrengt, evolueert zeker niet in dit Al. Dan zou er buiten dit Al en die God een ander, groter Wezen, een grotere mogelijkheid moeten bestaan, waarheen die evolutie zou kunnen voeren. Dit laatste zou ik dus liever uitsluiten. Nu stel ik mij voor, dat elke wet, die wij leren kennen, in feite een begrenzing is van mogelijkheden, zoals die eeuwig, dus buiten de tijd eigenlijk, is vastgesteld. Wij kunnen geen enkele kosmische wet werkelijk overschrijden, wij kunnen verder in de tegenstellingen elke willekeurige keuze doen. Maar een keuze, die in overeenstemming is met de gehele baan van ons wezen, zal rechtlijnig moeten zijn, d.w.z. ze zal moeten beantwoorden aan onze oorsprong en aan ons doel, en zo mogelijk daartussen de kortste weg vormen. Doen wij dit namelijk, dan zijn wij zelf evenwichtig en in deze evenwichtigheid harmonisch met het geheel van het Zijn. Aanvaardbaar?

Nu kunnen wij natuurlijk stellen, dat de weg van een mens ergens begint bij het eerste licht. Wanneer wij terug gaan tot de oude vertalingen, ik denk hier dus aan de oude commentaren op de eerste Griekse vertaling van de Tenach (dat zijn de Bijbelboeken, elke letter geeft iets aan daarvan), dan vinden wij nl. dat God “is” . Het woord “is” in God en uit God, typisch een uiting van God. Het is niet God Zélf, het woord “was” God, vóór de schepping. In die commentaren wordt dan ook gedacht aan een eeuwige onbegrensde waarde, voor ons absoluut onkenbaar, die vanuit zich een deel van het Wezen, het woord of de wil, zo ge dat prefereert, “uit” en deze wordt het kenbare voor de schepping. Dat is God voor de schepping en dan verbindt, de oude wetgeleerde daaraan het commentaar: “zo is het Woord de wet”. Dus niet God is de wet, de uiting Gods is de wet. Maar voordat het Woord was, was de Wijsheid. Dat is een commentaar, dat men ook op de eerste hoofdstukken van Genesis heeft gebaseerd en waar wij hem vinden dat niet God over de wateren zweeft, maar de Geest Gods en volgens het oude begrip is de Geest dus een ‘Weten, Geest, dat is het Weten, het Bewustzijn. Het Bewustzijn van God, dus niet God zelf, maar Zijn Bewustzijn is boven de wateren. En dit Bewustzijn draagt in Zich Sofia, Wijsheid, een wijsheid, die dan het geheel van de schepping verder voltooit.

Als zodanig gaan deze oude commentatoren – die dus voorchristelijk zijn laat ons dat a.u.b. niet vergeten – ook nog eens denken over de mens en wat zeggen zij? “God blaast de mens Zijn adem in”. Maar dat is niet God zelf, dat is de Geest Gods, Die de Vader is van de Schepping. Het Bewustzijn. Dat ziet dat het goed is bv. Deze adem nu, zegt men, is de tijd. Een heel typische opvatting. Maar aan de andere kant ook weer verklaarbaar, als u hoort dat Adam bestemd is om met God te wandelen, zonder ziekte en zonder dood, tot het einde der dagen. Hier wordt zeer duidelijk gezegd dat God de tijd geeft aan de mens. En nu wil ik niet esoterisch worden en hier de gedachten van de Adam Ketman bij halen en wat daar allemaal bij te pas komt, maar ik wil alleen even van hieruit verder gaan.

Tijd is de adem Gods, tijd is de differentiatie van verhoudingen, waardoor wij te midden van de blijvende en kosmische evenwichten voor ons zelf een voortdurend afwisselend ervaren kunnen vinden, dat op zich weer voert tot de realisatie van de grote waarden, waarin wij bestaan.

Er zijn overigens heel wat meer gedachten in die richting te vinden, want wanneer ik terugga, zou ik eigenlijk terug moeten gaan tot de periode, dat de Chaldeeën in de maanstad Ur hun eerste invloed krijgen. Die invloed zal u misschien hier en daar aan de Bijbel herinneren, maar dat is niet zo vreemd, want wij kunnen aan de hand van het Oude Testament aantonen dat er directe relatie bestaat, meermalen, tussen Ur en Palestina in de tijd van de Aartsvaders en in de tweede plaats tussen de Aartsvaders en Egypte. Maar in Egypte vinden wij ook weer de relatie naar Ur via Babylon. Er is dus een wederzijdse beïnvloeding mogelijk, ik zeg dit van te voren, opdat u niet denkt dat ik u hier kom met afleidingen van Bijbelse wijsheid of zo. Wat wordt daar nu gesteld?

De God zelve, de Kracht zelve, zegt men daar, heeft geschapen en is teruggetrokken. Hij laat Zijn Kracht echter in de gestalte van personen achter. Die personen bevatten dan een oergod en een aantal goden en godinnen, die met de bewegende sterren, de planeten dus plus zon en de maan, in overeenstemming zijn. Allen zouden een zeer bijzondere werking hebben op de aarde en een eigen machtsgebied. Die leer vinden wij later nog wel weer even terug, wanneer we horen, dat er in het Koninkrijk van de hemel, vóór de schepping, een strijd kan zijn, dus een splitsing, een tegenstelling wordt geschapen tussen de heerscharen des Lichts en de heerscharen des duisters. Lucifer valt van zijn troon. Hier knopen wij dan onmiddellijk aan bij het Oud—Chaldees inzicht waarin wordt gezegd dat de God zelve gestalte gaf aan Zijn eigenschappen. Zo bracht Hij uit Zich de goden voort. Hij Zelve is verborgen, doch de goden zijn, laten we zeggen, geopenbaard of kenbaar. De goden zijn echter krachten, die hun beperkingen hebben en (ik probeer het zo nauwkeurig mogelijk te vertalen, het is van de priesteres Tanit die dat heeft doen neerbeitelen, neerschrijven, neerkrassen). “Elk der goden is voor de mens geopenbaard volgens het geloof van die mens”. Niet God, want God is onveranderlijk. Maar wat wij maken van de goden, zegt déze priesteres Tanit, is dus wat wij van God maken, van een deel Gods althans. Een kosmisch weten omvat natuurlijk alle goden of alle facetten, want wat dat betreft vinden wij dus de Babylonische indaling van de goden, die uit Ur komt, terug in de vroege mystiek, eigenlijk van de Israëlieten, van de Joden zou ik moeten zeggen, waar zij beginnen met de negen Seviroth. Pas later wordt er een tiende bijgevoegd, maar men begint met de negen Seviroth, overeenstemmend met de negen krachten of graden, die men reeds in Ur kende en aanvaardde. Deze krachten worden door ons gevormd. Onze wijsheid kunnen wij uit het goddelijke putten, maar nimmer via een God, want deze God, of zo ge wilt Aartsengel of wat anders, is door ons meegevormd.

De verhouding van God tot de schepping kunnen wij niet beïnvloeden, maar de relatie mens engel, engel mens of God mens enz. beïnvloeden wij zelf en wanneer wij van God iets verkrijgen, is dat omdat wij met Hem in harmonie zijn, dan is het een onbeperkte gave. Maar wanneer wij iets willen afdwingen van een engel of dus een deel van God, dan moeten wij worstelen. Wij worden steeds beproefd vóór wij de gave krijgen. Dat is een heel typisch iets dus, dat men reeds kende vóór het christendom op aarde was. De goden en de godinnen beschouwde men als waarden, waar de mens eigenlijk grote invloed op had.

Dit is ook het principe van de primitieve magie overigens. De primitieve magie vinden we eigenlijk al op het ogenblik, dat de mens aan het directe fetisjisme ontgroeit. Zij krijgt langzaam maar zeker vorm en ontwikkelt zich tot twee tegenstellingen, nl. de chaos, het niet geordende, en daartegenover het geordende, het goddelijke. Nu, dan hebben wij hier dus de stellingen, die Zoroaster uitdrukt in zijn Osmuth en Ariman, zijn krachten van licht en van duister in voortdurende strijd met elkaar. Wij hebben, eerlijk gezegd, te maken met de vraag: wat is de taak van ons wezen, wat is de taak van de schepping? En dan moeten wij terugvallen op dat kosmisch geheugen. U kunt mij toch volgen? Ik probeer deze stelling voor u te ontwikkelen.

Stel u eens de zaak zó voor: wanneer de schepping volmaakt is vanuit het standpunt van de Eeuwige, zal deze schepping omvatten elke fase van ‘zijn’, vanaf het begin tot het einde. Dus elke periode van chaos en de meest perfecte en volmaakte vorm. Voor God zijn deze dingen noodzakelijk. Tussen het absoluut geordende, de toestand van stasis, en de toestand van het absoluut ongeordende, de chaos, ligt de schepping. Het zijn de grenzen. De wetten komen altijd voort vanuit het geordende, omdat hun invloed op de chaos betekent dat zij hun eigen bestaan continueren. Dat is onduidelijk voor u. Alles is één geheel, chaos kan slechts bestaan als een kenbaar verschijnsel op het ogenblik dat er iets tegenover staat wat minder chaos of niet chaos is. Dat kunt u volgen. En God kan in chaos niet bestaan, een engel evenmin, zelfs een demon kan in absolute chaos niet bestaan, want daarin gaat ook hij ten onder, er is geen bewustzijn, er is geen vorm, niets. Elke kracht, die als een begrenzing van onze levensweg optreedt, is dus een wet, is dus vanuit de vorm, in de perfecte vorm erkend, een volmaakte vorming uitgedrukt in de richting van de chaos. Kunt u dat begrijpen?

  • Wij kunnen het in ieder geval nog nalezen.

    Nu, laten we het hopen.
  • U hebt zoveel hooi op uw vork genomen!

Ik heb niet teveel hooi op mijn vork genomen, maar ontdek dat ik inderdaad aan die grens sta, dat woorden heel moeilijk gedachten duidelijk kunnen maken binnen deze sfeer. Ik ga nog een derde poging wagen, al is het een van de driemaal scheepsrechten.

Er is een politiemacht en die werkt aan de hand van vaste regels. Dat kunt u begrijpen, want wanneer er een massa is, die geen regels aanvaardt, kunnen wij die massa vergelijken met chaos. Dan zal de politie in die massa alleen orde kunnen brengen, wanneer zij uitgaat van haar wet, van haar directe voorschriften en haar eigen discipline. Maar als het omgekeerde gebeurt, zal de massa nimmer de politie tot orde kunnen brengen. Integendeel, zij kan haar hoogstens meeslepen in de chaos. Dat is toch duidelijk, hé? Goed, moeilijk of niet moeilijk, ik ga nog even door.

Nu moet u zich eens voorstellen, dat de wet komt uit de volmaaktheid, uit Gods beeld van de volmaaktheid, uit het eeuwige. Wij moeten naar die wet toegroeien, want wij moeten door de vele veranderingen die wij ondergaan, op de duur beseffen wat onze plaats is in dit blijvend geheel van de schepping. Wij moeten ingaan in Gods huis, schepping, dat ene waarin God zich uit, waarin God zich openbaart. Maar dat kunnen wij alleen doen, wanneer wij eerst afstand doen van ons eigen beperkt begrip, wij moeten het geheel kunnen aanvaarden. Zo is ons wezen dus in feite een wezen, dat door zijn geaardheid en doel bestemd is om ordening te leren. Kunt u dat begrijpen? Hoe juister de orde is en hoe meer deze orde in overeenstemming is met werkelijk bestaande waarden van de schepping, zoveel te beter. Dan is dus kosmische wijsheid in feite niets anders, voor ons althans, dan een begrip van alles wat God geschapen heeft, zonder dat wij daarin iets verwerpen. Wij mogen dingen voor onszelf ontkennen, wij mogen weigeren bepaalde dingen of toestanden te aanvaarden vanuit onszelf, wij mogen daar zelfs tegen optreden als wij menen, dat zij tegen anderen zowel als tegen onszelf indruisen, maar wij mogen niet ontkennen, dat God ook daarin aanwezig is. Is dit duidelijk voor u?

Het tweede punt, dat net zo belangrijk is. Het is niet direct de vraag: “welke wet is de juiste?” Het is een strijdpunt waar men zich vaak mee bezig houdt. Neen, het feit dat ik de wet aanvaard, is belangrijker dan de wet zelf. Het feit, dat ik vanuit mijn eigen denken en streven de juiste vorm van harmonisch leven zoek, de juiste vorm van begrip, betekent immers, dat ik beantwoord aan de wetten van de kosmos, maar bovenal aan het Kosmische Wezen zelf. Noemt u het mijnentwege dan de Geest Gods of de openbaring, de uiting. Ja, ik heb het u misschien moeilijk gemaakt, maar laten wij dan nu beginnen met het nog eventjes eenvoudiger te doen of denkt u dat u al uitgeput bent? Kan het nog even?

Moet u eens luisteren. Ik kan natuurlijk nu vanuit al deze stellingen een bewijs gaan construeren. Dat bewijs zou onder meer inhouden het bestaan van materie en antimaterie, eventueel in gescheiden ‘Allen’ of gescheiden delen van het Al, waarin een uitwisseling van krachten tot stand komt. Dit houdt verder in een mechanische verklaring van het ontstaan van het heelal. Hoe een sterrennevel ontstaat bv. is mechanisch te verklaren en zelfs de ideeën als dag en nacht van Brahma zijn te verklaren, wanneer wij rekening houden met het feit dat van het ogenblik af, dat alle overvloedige materie is weggevloeid er een toestand van niet bewegen ontstaat, een toestand die identiek is aan duister, maar de energie is elders werkzaam, ze is daar een evenwicht verstorende invloed geworden, in het heelal van antimaterie mijnentwege en zal daar dus een schepping doen ontstaan. Op het ogenblik dat dat daar gebeurt, is er ook voldoende energie gekomen om in dit Al weer leven te brengen.

Hiermede zijn wij dus in de richting gekomen van de theoretische verklaring, die uitgaat van het mechanisch geheel. Maar in dit mechanisch geheel is één ding niet opgenomen, nl. dat deel van het leven, dat bewustzijn draagt en bewustzijn kan overdragen aan verschillende vormen. Ook eventueel zonder hersenen; hoe dit nl. werkt in het leven kunnen wij onmogelijk verklaren. Wij kunnen uitgaan van de speciale populaire eiwitstructuren, die bij de bevruchting de vorm van de mens bepalen, maar hoe het leven en hoe de bijzondere mogelijkheid tot ontwikkeling en eigenschappen daarin ontstaan kunnen wij niet verklaren.

Men kan wel kunstmatig eenvoudig leven erin produceren maar niet een levend bewustzijn. Ik wijs hier maar even op om aan te duiden dat wij met een mechanische verklaring niet klaar zijn. Nu kunnen wij grijpen naar de mysteriën, het mystieke, het occulte. Dan gaan wij voor onszelf verklaren, dat er bepaalde wetten, bepaalde openbaringen, bepaalde waarheden zijn en dat wij daaraan gebonden zijn. Dat kan voor onszelf en ons gevoelsleven vaak bevredigend zijn. Maar aan de andere kant mogen wij ook stellen, dat een kracht uit de geest of onverschillig waar vandaan, die werkelijk bestaat, voor ons alleen beleefbaar en daardoor ook redelijk te volgen en te aanvaarden is, wanneer hij kenbaar wordt, al is het maar door een enkele uiting. Dit kunt u ook begrijpen?

Dan heb ik dus ook niets aan een zuiver occulte verklaring. Ik kan klaarblijkelijk geen enkele theorie ontwerpen, geen enkele reeks van stellingen poneren, die het geheel van leven en schepping omvatten. En daarom: doe dat niet! Ik zeg dat het mechanisch deel van de schepping in feite en mechanisch bestaat maar dat dit mechanisme gestimuleerd en a.h.w. bewaakt kan worden door bepaalde vormen van bewustzijn. Of wij daar over engelen of over geesten moeten spreken doet niets ter zake.

Ik stel in de tweede plaats, dat de bezielende kracht in al deze dingen sterk verschilt van de mechanische krachten, en zelfs van datgene wat de mechanische krachten weten en bewaren. Ik stel dat dit een afzonderlijke kracht is, die de grote tegenstelling, waarop het gehele kosmische bestaan gebaseerd is, volledig maakt. De tegenstelling tussen stof en geest of misschien moet ik het nog anders zeggen, laten we de geest even buiten beschouwing, laten we zeggen de ziel of bezieling en de materie. Deze twee tegenstellingen geven tevens aan welke wetten er kunnen bestaan.

In de materie zal alles uit God geschapen en als zodanig aanvaardbaar zijn. In de ziel is elke kracht uit God en elk zich vormend bewustzijn uit de geest, dus eveneens uit God.

Ook daarin is alles aanvaardbaar. Maar wanneer deze beide elkaar ontmoeten en het bewustzijn bijv. leeft in de materie of een voertuig, dat het materiële nabij komt, zal het ontmoeten van deze twee tegengestelde krachten eisen dat er een evenwicht wordt gevonden. Een evenwicht, waarbij zowel de goddelijke uiting in de materie als de goddelijke uiting in de ziel, de bezielende kracht, gelijkelijk gerespecteerd worden en een innerlijke samenwerking, een innerlijk contact, een versmelting van deze beide gevallen ontstaat. Voor beide factoren zal dit een verrijking betekenen. Kunt u dat aanvaarden?

Dan zouden de juiste evenwichten tussen bezieling en bewustzijn van de geest plus materie moeten geven de perfecte vorm plus de perfecte gedragslijn van jezelf. Deze kan nimmer bestaan voor het ik alleen maar kan alleen bestaan in het ik, wanneer dit in de juiste samenhang met het geheel zo kan leven. Want alles heeft binnen het Al zijn plaats, in het kosmisch weten zijn de plaats, de weg en de juiste evenwichtigheid bekend.

Vervolgens geef ik u nog een punt. In mijzelf bestaat de mogelijkheid om door het observeren van al wat rond mij bestaat, door het vinden van de juiste harmonie met al wat rond mij bestaat, plus het vervullen van een wet, die mij persoonlijk de innerlijke vrede laat, tot erkenning van het hogere te komen. Mijn eigen leven, volledig aangepast op het ogenblik dat een erkenning binnen mijzelf bestaat van het hoogste, zal ik dan zelf kennen van het eerste begin tot de laatste voleinding. Ik zal mijn weg kennen zoals hij uit God ontstond en zoals hij in God terugkeert. Mijn weten omvat dan alle fasen. Mijn kennis maakt het dan mogelijk om elke relatie, elke verhouding, elke conditie, die op kan treden of zal treden, te horen a.h.w. te erkennen en mij zelve reeds, ook terwijl ik in de tijd leef, aan te passen. Niet alleen aan vandaag maar ook aan morgen en zo ziet u dat het gehele kosmisch weten en wat er uit voort komt, voor ons in feite herleid moet worden, dank zij de beperktheid van ons weten, tot een kracht waaruit wij begrip kunnen krijgen voor hetgeen voor ons leven goed is, kracht kunnen verkrijgen voor welke taak in ons leven noodzakelijk is en vrede kunnen gewinnen met het leven, onszelf en ons innerlijk weten en geloof.
Maar er is niets, werkelijk niets wat niet in dit kosmisch weten van uw wezen is, of het is in de schepping aanwezig. En dat is dan een belangrijk punt. Nu ga ik mijn betoog zo langzamerhand afsluiten, ik heb het u lastig genoeg gemaakt vanavond. Wanneer wij dus nu eens heel eenvoudig zeggen: “Alles wat in de schepping is, zal zijn of geweest is, bestaat in de kosmos.” Er is slechts één waarde, die wij in die kosmos nimmer bewust volledig zullen erkennen, dat is de Kracht waaruit de kosmos voort komt.

Zo kunnen we dus stellen aan het einde van ons betoog: het kosmisch weten omvat Gods uiting, de delen Gods, die in Zijn schepping weerkaatst zijn of geschapen zijn. Zij bevat verder de relatie tussen de macrokosmos of het geheel en de microkosmos of wel de kleine verhoudingen en wezens die daarin bestaan. Zij maakt het mogelijk voor elk wezen, dat op de juiste wijze harmonisch is met het geheel of zelfs met bepaalde delen ervan, voor zich de nodige inzichten, de nodige kennis, de nodige kracht te verwerven. Wij richten ons al te vaak tot een God waarvan wij aannemen dat hij onlogisch is. Wij maken ons ervan af door te zeggen: “die God onttrekt zich aan ons kennen”. Iets wat op zichzelf waar is, maar uit het niet kenbare is voor ons nimmer te distilleren de voor ons bruikbare weg.

Daarom doen wij verstandig, naast het erkennen van God en het aanvaarden van Zijn Wezen voor onszelf te zoeken naar die delen van de kosmos, van de geuite Godheid, die voor ons begrijpelijk zijn. Wij zullen moeten zoeken naar de juiste relatie daarmee. Wij zullen deze moeten uitdrukken door alle werelden en sferen heen in ons eigen gedrag, daarbij gecorrigeerd door de wetten die ons duidelijk zeggen: “Hier mag u niet verder gaan”.

Het juiste pad vinden betekent meer dan alleen maar zeggen: “er is een God”. Het wil zeggen alle krachten, die er in de schepping bestaan, plus elk weten en elke wijsheid, die je in jezelf verwerkt, samenvoegen tot een groot geheel, waaruit je dan, daar gaat het uiteindelijk om, kunt komen tot een erkenning van het geheel en tot het bewustzijn dat dit geheel inderdaad kan bevatten. En pas wanneer wij dat hebben bereikt, kunnen wij zeggen: “nu zijn wij werkelijk verheven boven alle dingen”. Wij zijn een deel van de schepping maar wij zijn nu ook deel van God, Zijn geheiligde uiting en dan kunnen wij, geloof ik, de hoge Kracht zó volledig beleven, dat zelfs wanneer die schepping op zou houden, ons wezen deel krijgt aan de Schepper, dat elk deel van ons bestaan, waar en hoe dan ook, ten allen tijde herbeleefd en herschapen kan worden.

Ik geloof dat ik daarmee voldoende stof ter overdenking heb gegeven. Misschien zult u hier en daar zeggen dat het een beetje onsamenhangend is geweest. Maar ik ben me er van bewust dat ik hier en daar een hink-stap-sprong heb genomen.

Ik heb mijn uiterste best gedaan om zo veel mogelijk in zo weinig mogelijk tijd te zeggen, Wanneer u ergens een sprong te groot was; u weet uw eigen hiaten, wijst u er zo dadelijk na de pauze even op, ook wanneer er persoonlijke kwesties zijn. Nu ja, niet natuurlijk: hoe win ik de honderdduizend of wat is de uitslag van de volgende voetbalpool, of: leeft oom Jansen nog? Maar zo u werkelijk vragen over de verhouding tot God hebt, goddelijk of kosmisch begrip, dan zou ik zeggen: zolang u ze algemeen kunt formuleren zijn ze ook welkom. U heeft nu moeten luisteren, mijn respect voor uw geduld en uw aandacht. Zo dadelijk verwacht ik van u dat u ook wilt praten, d.w.z. wanneer ik dan iets zeg wat u niet begrijpt, dat u erop zit als de bok, of wat dames betreft, als de geit op de haverkist en dat u zegt: “ik snap het niet, vertel het nog eens”. Dan kunnen wij uiteindelijk misschien zeggen dat u niet alleen veel gedachten gezamenlijk ontwikkeld hebt vanavond, maar dat wij ergens een klein beetje dichter zijn gekomen bij het begrip wat de kosmos en dat kosmisch weten en al die dingen, waar u zo vaak over hoort vertellen, eigenlijk zijn. Mag ik dan nu afscheid van u nemen, ik dank u voor uw aandacht.

(noot: de opname van het tweede deel van deze avond is helaas mislukt )

image_pdf