De innerlijke en uiterlijke vernieuwing

Inhoudstafel

uit de cursus ‘ Het probleem van vernieuwing en ontwikkeling’ april 1985

Elke mens maakt innerlijk bepaalde processen door. Als je kijkt naar de manier waarop de mensen reageren dan kun je dat er vaak reeds uit aflezen. Mensen van deze dagen denken heel anders en voelen ook heel anders dan de mensen uit zeg 1920. Het is duidelijk, er is innerlijk iets aan het veranderen. Gelijktijdig echter verandert de wereld aan de buitenkant.

Aan de buitenkant zien we de neiging tot een bijna paternalistische structuur. Het gezin is niet meer zo belangrijk, want je hebt vadertje Staat. Je kunt wel niet op hem rekenen en hij vraagt veel, maar je vertrouwt toch op hem.

Er zijn steeds nieuwe processen op gang gekomen. Denk eens aan de moderne elektronica waardoor je eigenlijk het idee krijgt, alles kan wel automatisch. Dingen die de mens eens zelf moest doen mentaal of met de hand, worden grotendeels door automaten verricht. Iedereen begint zich zo langzamerhand een beeld te maken van een wereld waarin je heel weinig werkt, je heel veel verdient en waarin je ook nog heel veel lol kan trappen. Het is duidelijk dat deze beelden zoals ik ze nu geef, een soort momentopnamen zijn.

Maar als je anders voelt en anders denkt (die twee gaan meestal samen) dan zal je visie op de wereld eveneens veranderen. Nu kun je dat negativistisch doen. Je kunt zeggen: Ik voor mijzelf voel: dit is goed en dat is goed. Dan moet de wereld zich aanpassen, de wereld deugt niet. Je kunt ook zeggen: Ik erken dat vele dingen die er in de wereld bestaan niet juist zijn, maar laat mij dan eerst proberen om van die wereld het beste te maken. De tweede benadering is de meest logische en zal zeker in een tijd waarin het opportunisme bij heel veel mensen toch tamelijk sterk is ontwikkeld een heel grote rol spelen.

Als ik denk aan de innerlijke ontwikkelingen van de laatste 25 jaar, dan zie ik daarin een enorme pressie waardoor bv. het staatsgezag in feite wordt uitgehold of ondermijnd. De gevolgen daarvan zien wij in de moderne samenleving voortdurend. Er zijn steeds meer mensen die bepaalde regels van de staat gewoon aan hun laars lappen. De mensen zoeken naar een nieuwe vorm van samenleving. Zij zoeken die voorlopig nog in het isolement in het behoren bij een speciale groep.

We kunnen dat zien bij de vele religieuze en pseudoreligieuze bewegingen. Maar aan de andere kant kun je dat evengoed zien bij de vakbondsstructuren of wat dat betreft bij de ambtelijke structuren. Ook hier spreekt niet meer zozeer de logica. Hier is geen duidelijk overzien van de feiten en mogelijkheden. Er is een je vastklampen aan beginselen. Die beginselvastheid heeft dan het voordeel dat je je verbonden voelt met alle an­deren die ook beginselvast zijn.

De groepjes die dan ontstaan lopen uiteen van de streetgang tot de Loges, de bijzondere conferentiegroepen etc. Waarom? Omdat men niet in staat is – op dit moment althans – om zijn innerlijke wereld te duiden in termen van de wereld waarin men leeft. Men trekt zich uit die wereld terug en begint in een schijnwereld te leven.

Wij kunnen dat constateren bij bepaalde regeringskringen. Hun visie op datgene wat de mensen werkelijk van hen verlangen en verwachten is over het algemeen maar beperkt juist gemiddeld minder dan 50 %. Wij kunnen het zien bij zakenmensen die bij hun belangenafwegingen uitgaan van wat zij dan noemen het zorgen voor werkgelegenheid kapitaalvergro­ting, investeringsdiepte. Zij vergeten helemaal dat een wereld waarop geen leven mogelijk is al die investeringen als vanzelf onrendabel maakt.

Werkgelegenheid is in dat geval maar van weinig belang meer. Je kunt moeilijk zeggen: Ik heb nog een aantal werkplaatsen over, als de hele wereld op apegapen ligt. Maar in hun visie doen zij het juist. Ze zijn heilig overtuigd van de juistheid van hun eigen methodieken hun eigen denkwijze, omdat zij hun innerlijke wereld niet in overeenstemming kunnen brengen met de feitelijk wereld.

Als wij een vernieuwing zien, een ontwikkeling van de mensheid en die is aan de gang, dan zullen wij natuurlijk geconfronteerd worden met de discrepantie tussen de denkwereld van de mensen, de emotionele we­reld, en daarnaast de feitelijke wereld waarmee ze moeten afrekenen.

Ik zie het verloop daarvan ongeveer als volgt:

Naarmate je meer behoefte krijgt aan geborgenheid of zekerheid en gelijktijdig niet meer kunt terugvallen op de toch zeer kleinschalige verhoudingen van eens, zul je een anonimiteit nastreven waardoor de per­soonlijkheid alleen wordt gekenmerkt door beginselen en beginselvastheid. Hierdoor treden steeds toenemende conflicten op. Conflicten tussen groe­pen van mensen in een staat, maar net zo goed ook steeds grotere conflic­ten tussen de staten onderling. Steeds grotere afwijkingen van de gericht­heid van politieke en economische belangen. Hierdoor kunnen noodsituaties niet uitblijven.

In een noodsituatie echter kun je als groep je niet meer redden al­leen maar door je verheven te voelen boven, of je af te zetten tegen de anderen. Dan moet je wat doen. En dan is het enige dat je kunt doen, grij­pen naar datgene wat in je leeft en naar het geloof dat in je bestaat en dat proberen om te zetten in feiten.

Als ik denk aan mensen als Thatcher, Lubbers, er zijn nog anderen, dan kunnen we zeggen. Zij staan wel heel ver af van de gemeenschap. Op zichzelf zijn ze waarschijnlijk uitstekende mensen. Zij zullen theoretisch gezien ongetwijfeld gelijk hebben, maar datgene wat ze proberen te bereiken is eigenlijk niet, zoals ze zelf zouden zeggen, haalbaar. Zij zullen dus op een gegeven ogenblik in een conflictsituatie komen te verkeren.

Ik denk dat als u morgen u zou bezighouden met de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Engeland, u een aanmerkelijke verschuiving zult zien waardoor het stemmenaantal voor de oppositie met ongeveer 30 tot 40 % toeneemt. Dit ten koste van de toch nog heersende conservatie­ven. Dat is alleen maar een aanduiding,

Politieke macht kun je alleen uitoefenen, indien je beschikt over een al dan niet politieke meerderheid. Dus, wat zal Mevr. Thatcher doen? Zij zal proberen, ongeacht haar wel zeer eenzijdige manier van denken en benaderen, een compromis te uiten, ergens mensen terug te winnen. Dat kan ze niet met woorden. Dat kan ze alleen doen, als er een feite­lijke verandering optreedt. Het resultaat zal zijn dat men dus feitelijke veranderingen gaat forceren op een manier die bijna ongezond is.

Iets dergelijks kunnen wij in Nederland verwachten van het Kabinet Lubbers maar veel gematigder en natuurlijk met veel meer gesprekstof. Maar waar­schijnlijk pas in een volgende periode, als ze tenminste aan de macht blijven.

Dat houdt in dat er een verschuiving gaat plaatsvinden. Een verschui­ving van het denken van de ivoren toren (de theoretische onfeilbaarheid) naar de feitelijke verandering, de feitelijke manipulatie van milieu en volk. Dan zullen andere groepen ook daarop moeten reageren. Dat kunnen ze dan niet meer doen met alleen leuzen, met demonstraties en stakingen. Dan zullen ze ook feitelijk iets moeten bewijzen.

Een vakbond die beweert dat bij een kortere werktijd en meer mensen aangesteld in een bedrijf, dat bedrijf winstgevend kan functioneren, die zal het dan eens moeten bewijzen door zelf een bedrijf op die manier te leiden waarvan ze zeggen dat dat mogelijk is. Maar dan zullen bepaalde visies toch een tikje moeten worden herzien. Dat is moeilijk want het kan leden kosten. Maar ze zullen moeten veranderen.

Die veranderingen spelen zich op het ogenblik nog steeds niet open­lijk af. De andere benadering, de andere visie en ook de andere gevoelens worden angstvallig verborgen. Anders, zo meent men, gaat er invloed, macht, mogelijkheid of afzet teloor. Maar als het meer naar buiten komt, dan ontstaat er iets dat wij misschien openheid kunnen noemen, ofschoon werkelijke openheid ondenkbaar is zolang er een gekozen of een zichzelf aanstellend bestuurslichaam bestaat. Dat kan namelijk niet volledig open zijn omdat het daardoor in alle besluitvorming zal worden gehinderd,

Dan gaan die mensen dus eigenlijk andere groepen die tot op dit ogenblik diep in het verborgene bezig zijn geweest met, mijnentwege, me­ditatie, magie etc eveneens forceren. Het gaat er niet alleen meer om: wat geloof je, maar: wat maak je waar?

Zij zullen tegen een priester, die zich opstelt op een punt van on­feilbaarheid, zeggen: Wij willen u graag geloven, maar u heeft het zo over alle wonderen die zijn gedaan, doe er zelf even een. Dan kunt u ten­minste bewijzen dat u gelijk heeft. Dat zal heel wat mensen in moeilijkhe­den brengen.

Het brengt ook heel veel opzien met zich mee. Maar de gewone mens gaat steeds meer voelen wat in mij leeft, wat ik voel, mijn beeld van de wereld moet aan de praktijk worden getoetst. Ik moet niet proberen de wer­kelijkheid te vernielen, dus niet het anarchistische principe van: sla alles maar kapot dan kan er een betere wereld ontstaan, maar echt van: wat ben ik, wat kan ik, wat leeft er in mij en hoe kan ik dit kenbaar maken? Dan komt daar misschien heel veel bij te pas dat een beetje on­zinnig lijkt.

Wij zullen heel wat shows te zien krijgen die voor degenen die het zich herinneren doen denken aan de zgn. magische dingen, een demonstra­tie van Jasper Grootveld, de eerste hippie bestrijder van het roken.

Als je echter je innerlijke wereld voortdurend probeert te toetsen aan de wereld buiten je, dan zullen je gevoelens een belangrijkere bete­kenis krijgen. Want ze zijn onmiddellijk gekoppeld nu niet alleen meer aan denkbeelden maar aan effecten in de wereld buiten je.

Aan de ene kant zullen de mensen meer afstandelijk worden. Ze zullen niet meer zo ontzettend snel opgaan in allerlei zaken die eigenlijk van weinig of geen belang zijn. Ik kan mij van een toekomst mens bv. niet voor­stellen dat hij thuisblijft omdat Peyton Place op de buis is. Ik spreek al­weer uit het verleden. Maar hij zal in die afstandelijkheid ook veel scher­per observeren. Hij zal daardoor worden geconfronteerd, niet alleen met de wereld en de fouten van die wereld want dat bestaat al zolang er mensen zijn, maar met zijn eigen fouten in de wereld. En daar begint dan een ver­nieuwing die heel erg belangrijk is.

Op het ogenblik dat je wel wordt genoopt jezelf te beoordelen aan de hand van je betekenis in de wereld en je je niet meer kunt los verklaren van de feiten of van een deel van de feiten, moet je wel gaan leven niet alleen voor jezelf maar voor de wereld, want anders verlies je jezelf en je ik-beeld.

Je hebt dan ook geen mogelijkheid meer om geestelijk weg te vluch­ten naar andere werelden. Want alles wat je bent, alles wat je in die wereld betekent, bepaalt mede je gevoelsleven, maar daarmee ook je geestelijke ervaring. En dat impliceert dat men langzaam maar zeker groeit naar een groter wereldbesef met gelijktijdig een losser worden van de groepsgebondenheden die de onzekerheid in de huidige tijd in de wereld heeft doen ontstaan.

Zoek je dat verder uit, dan is het redelijk om aan te nemen dat de golf van paranormale beïnvloedingen die sedert 1963 heeft plaatsge­vonden eveneens een andere en grotere betekenis gaat krijgen. De mens wordt geconfronteerd met het paranormale. Waar het paranormale bestaat, veranderen belangrijkheden. Zo goed als het mogelijkheidsbegrip verandert. Er is niet alleen meer een ander sociaal functioneren, er is een ander persoonlijk functioneren.

Ik mag hier even teruggrijpen naar de historie. Het is opvallend dat in een tijd waarin 9/10 van de bevolking analfa­beet was kleine gemeenschappen vaak niets anders kenden dan de gewen­de omgeving, er ontzettend veel wonderen zijn voorgekomen. Dat geldt zo­wel voor de christelijke aera als voor de voor-christelijke. Kennelijk speelde hier geloof een veel grotere rol dan tegenwoordig voorstelbaar is. Maar geloof in een absolute aanvaarding blijkt in de moderne wereld niet mogelijk. Een geloof dat echter ontstaat aan de hand van eigen ervaringen, lijkt mij daarentegen onvermijdelijk.

Gesteld dat op dit moment ongeveer 85 % van de mensen enigerlei paranormale begaafdheid bezit, gesteld verder dat de ontwikkeling er­van voor tenminste 10 % bijna onvermijdelijk wordt in de komende tijd, dan moeten wij aannemen dat steeds meer mensen een geloof vinden dat niet meer berust op een eenvoudig aannemen van krachten zonder meer, maar dat is gebaseerd op ervaringen die men heeft plus mogelijkheden die men in zichzelf steeds verdergaand ontdekt.

En dan wordt het erg interessant. Want de telepaat en de empaat voelen aan wat er gaande is of ze lezen het af. Vele schermen die op het ogenblik door mooie woorden worden opgetrokken, storten ineen. De telekineet kan dingen bereiken die technisch gezien heel moeilijk haalbaar zijn. Hij kan bv; ik noem maar een heel eenvoudig voorbeeld, als de gloeilamp kapot is, de gloeidraad mentaal beetpakken, die weer tegen de pool zetten zodat ze zichzelf vastlast op het moment dat daar stroom op komt te staan. Niet dat de fabrikanten van gloeilampen daar erg tevreden over zullen zijn, neem ik aan. Dit is echter een van de simpele mogelijkheden. Dat kun je uitbreiden tot het bijstellen van al­lerlei ontoegankelijke apparatuur bij vliegtuigen, raketten en wat dies meer zij.

Weer anderen hebben de mogelijkheid om temperatuurveranderingen te veroorzaken. Daarmee kunnen ze ook allerlei dingen doen. En het mooie, deze dingen zijn althans voorlopig niet zonder meer meetbaar en constateerbaar. Ze zijn daardoor ook niet reguleerbaar. En dat bete­kent dat deze ontwikkeling zich enige tijd zeker ongeremd zal voortzet­ten.

Die mensen leven in een wereld die er heel anders uitziet in hun ogen dan in de uwe. Voor hen zijn levende krachten overal om hen heen. Voor hen zijn er overal krachtbronnen te vinden die zij kunnen gebruiken om bepaalde dingen te bewerkstelligen. Voor hen zijn gedachten ervarin­gen geworden. En als zodanig is de gedachtewereld voor hen net zo be­langrijk of misschien nog belangrijker dan alle verbale geweld dat u zich op het ogenblik kunt voorstellen.

Zij zullen ook gevoeliger zijn voor ritmen. En dan denk ik heus niet alleen aan de ritmen van de zon, de maan, de planeten. Elk kosmisch rit­me, geestelijk of anderszins, wordt aangevoeld. Door het aanvoelen wordt het aangepast. Deze mensen ontplooien dus een mate van perfect functioneren door een bijna vooruitlopen op wisselingen van omstandigheden, want zij reageren reeds als ze voor een ander nog niet kenbaar zijn. Dit impliceert dat er verschuivingen plaatsvinden.

Het is op het ogenblik al zo dat men in bepaalde bedrijven mensen aanhoudt niet vanwege hun bekwaamheid maar vanwege het feit dat ze altijd geluk hebben. Maar geluk is niet iets dat je naar je kunt toe­halen, zoals u weet.

Ik denk dat alle mensen die steeds juist reageren als vanzelf in de hiërarchie, die nog steeds zal bestaan in de mensheid, gaan stij­gen. Hun bewustzijn echter is emotioneel en geestelijk verbonden met een veel groter deel van de hen omringende wereld dan nu denkbaar is voor alle belangrijke functionarissen. Zij reageren daardoor niet meer volgens regels of veronderstellingen, maar op grond van een voortduren­de constatering van datgene wat er in een ander leeft. Dit houdt in dat er langzamerhand een versmelting mogelijk zal worden tussen bestuurs­organen van welke aard dan ook en de mensen die tot op dit moment on­willig te besturen zijn, maar die dan ook een functionerend deel worden van een geheel. De samenhangen die zo ontstaan zijn in hun implicaties voor mij op dit moment nog niet eens volledig te overzien.

Wij hebben al heel vaak gesproken over de paranormale gevoeligheid waardoor chirurgen de juiste ingreep doen ongeacht de mogelijk verschillende uitleggingen van de geconstateerde symptomen. Wij hebben het gehad over mensen die onwillekeurig precies de juiste reactie vertonen. Maar dat zijn enkelingen. (Maar hoe wordt dat, als een groot aantal men­sen in een gemeente als Den Haag (een paar honderdduizend mensen) op eenzelfde manier gaan reageren? Dan moet er wel een wereld ontstaan waarin allerlei emotionele en geestelijke waarden de overhand krijgen.

De vernieuwing impliceert een andere vorm van geloven maar ook van beleven. Het geloven vloeit voort uit het voortdurend constateer­bare. De verklaring daarvan kan nog steeds verschillend zijn, maar de belevingselementen blijven hetzelfde. Dat houdt in dat men elkaar kan begrijpen, ongeacht verschillende verklaringen. ­Het houdt in dat de beleving van werkelijke waarden of ze geestelijk zijn of misschien dichter bij de materie liggen voor alle mensen even ­goed mogelijk wordt. Dat er niet meer zal worden gestreden over de dui­ding maar dat er alleen nog maar wordt gedacht aan het geconstateerde, het beleefde.

Ik wil niet zeggen dat daardoor een broederschap wordt gevormd waarin geen ruzie meer denkbaar is. Integendeel in families wordt vaak tussen broers heel hard gevochten. Zij haten elkaar meestal totdat ze ontdekken, soms als het te laat is, dat ze elkaar eigenlijk toch nooit hebben willen missen.

Er ontstaat een eenheid waardoor alle geestelijke indrukken en in­vloeden veel dichter bij de wereld komen. Maar ook een eenheid waardoor bijna automatisch iedereen met de juiste bekwaamheid of de juiste mogelijk­heid op de juiste plaats wordt gebracht. Naarmate de noodsituatie ster­ker zal toenemen, zal dit goed reageren ook intenser worden. Laat mij het heel eenvoudig zeggen:

Er is ergens een ongeluk gebeurd. Normalerwijs wordt dat overgela­ten aan de mensen die het weten en aan de nieuwsgierigen die nergens van weten, maar die het altijd erg leuk vinden omdat het op de televisie zo mooi overkomt. Nu is er een automobilist, misschien in een andere richting op weg die juist de krik bij zich heeft welke nodig is om het portier te forceren. Hij maakt rechtsomkeer, hij voelt zich gedreven. Ergens anders is er iemand, die misschien een persluchtmasker heeft want hij wilde een oefening in duiken doen. Die perslucht kan nodig zijn, dus maakt hij rechtsomkeer. Hij komst aansnellen op de plaats van het ongeluk, want hij heeft iets dat daar nodig is. Dat wil zeggen, dat het niet meer gaat om bevoegdheden, maar doodeen­voudig; heb je de mogelijkheden die op dit moment nodig zijn. Dan zal blijken dat een zeer ernstig verkeersongeluk veel sneller kan worden behandeld als iedereen die maar iets kan bijdragen daar onmiddellijk naartoe gaat en de anderen wegblijven dan nu denkbaar is met alle nog zo goed uitgeruste instanties en waarschuwingsdiensten. Dit is een zeer stoffelijk voorbeeld.

Ook geestelijk bestaat dat. Ik heb u reeds gesproken over empaten. Een mens is werkelijk wanhopig. Een empaat voelt dat aan. Hij straalt de behoefte aan hulp uit. Een ander probeert dat af te lezen. Hij is licht telepatisch. Hij ontdekt ergens de oorzaak van het probleem. Daardoor kan hij weer iemand bereiken of beïnvloeden die in staat is de impasse te doorbreken waaruit die emotionele wanhoop is voortgekomen al is het maar een kleine uitweg tonen. Er is een ander die wel de mogelijkheid heeft om zo iemand te helpen, al neemt hij maar de telefoon op. Hij zegt: Jongens dat en dat kunnen wij doen.

En als het zuiver geestelijk is. Een mens gaat over. Op dat ogen­blik is de geest tegenwoordig. Er zijn de afhaaldiensten. U weet wel hoe dat gaat. Wij hebben daar vaak genoeg over gesproken. Stel u nu voor, een mens gaat over en degenen die erbij betrokken zijn op welke manier dan ook, voelen het aan. Hun gedachten en hun krachten gaan uit naar die persoon. Niet om hem terug te houden, niet om hem vooruit te duwen, maar gewoon om hem die energie (kracht) te geven die hem op dat ogenblik in staat stelt om juist te functioneren. Dan kan die geest hem veel gemakkelijker bereiken en helpen als het nodig is.

Er zijn ook mensen die kunnen uittreden en die ook aanwezig zijn. En omdat ze de omstandigheden iets gemakkelijker en beter kunnen aan­voelen dan geesten die al een tijdje geleden zijn overgegaan, kunnen zij de juiste benadering aangeven waardoor zo iemand kan worden geholpen.

Het is niet een kwestie van vrede op aarde. Trouwens als er vrede op aarde is dan kan ik onze vriend Henri citeren die zei: Die komt eerst, wanneer van de laatste twee mensen de een de ander ter aarde heeft besteld.

Er komt begrip op aarde. En dan kunnen de belangen nog steeds te­gengesteld zijn, maar het mens-zijn krijgt de overhand. Met het mens-zijn worden alle inhoudelijke zaken (de geest, de werkingen, de mogelijkheden van de geest, zelfs de incarnatiewerkingen voor zover die benaderbaar worden) allemaal bruikbaar. Ze domineren de eigenbelangensituatie die op het ogenblik nog zo ontstellend sterk aanwezig is.

Ik durf heus niet beweren dat, wanneer het zover is, er nooit meer vechtpartijen zullen zijn op het voetbalveld en dat er nooit meer iemand bezopen langs de straat loopt te dweilen. Dat zijn dingen die blijven ge­woon voorkomen. Maar ze gaan niet meer in de richting van excessen. Er is begrip voor de wisselwerking die ontstaat. Als je iets doet dan weet je ook hoe ver je kunt gaan. Dat is erg belangrijk.

Hoe dat de maatschappij zal veranderen, ik heb het al gezegd, is op dit ogenblik zeker niet met enig detail weer te geven. Je kunt al­leen zeggen: Ik denk dat grenzen voor een groot gedeelte zullen ver­dwijnen. Ik denk dat parlementen en dergelijke heel anders gaan functio­neren en daardoor ook veel gemakkelijker met andere soortgelijke bestuurs­lichamen tot reële overeenkomsten zullen komen.

Ik durf niet zeggen dat het geld verdwijnt of dat er geen giro-­omlopen meer zullen zijn. Maar ik kan u wel zeggen dat de belangrijkheid van geld zal terugvallen, al is het maar omdat er geen vaste waarde­ringsmogelijkheid meer bestaat voor prestaties. Een prestatie wordt niet meer bepaald door het zuiver materiele element alleen, maar ook nog door de werkelijke, hetzij sociale, hetzij emotionele, hetzij geestelijke betekenis die ze heeft. En dan ontstaat er toch een wereld die heel anders is.

Ik denk ook dat het een wereld is waarin heel veel dingen die nu onafwendbaar lijken eenvoudig niet meer voorkomen. Dan krijgen we te ma­ken met een mensheid die nog steeds nieuwsgierig is, in zekere mate be­lust op avonturen, om niet te zeggen soms zeer ziekelijk, maar dan zal het naar buiten toe gericht zijn.

Deze eigenschappen worden vertaald in het nemen van proeven, mijnent­wege in het maken van ruimtereizen. Men zal niet meer proberen te spreken over de mannetjes in de vliegende schotels die komen om de mensen tegen zichzelf te beschermen, want men weet dat dat gewoon niet denkbaar is. Men zal zich misschien eerder bewust worden van het feit dat er wel degelijk leven is in de ruimte. Men zal niet meer dingen verwerpen of aanvaarden, omdat het past bij het denken, het geloven van alleen een groep. Het zal altijd mede worden bepaald door de betekenis die het heeft in het geheel, de beantwoording daarvan die uit het geheel kan ontstaan.

Ik kan mij voorstellen dat er mensen zijn die zeggen: Wordt het dan geen mierenstaat? Ik denk het niet. Mensen blijven immers een groot gedeelte van hun eigenschappen behouden, ook als hun gevoeligheid voor het geheel aanmerkelijk toeneemt.

Dieren hebben hun eigen gedragspatronen die door een soort telepa­tisch gedrag wordt bepaald. Je zou kunnen zeggen: Een mierenvolk heeft een groepseenheid die alle leden van het volk zo doet functioneren als dat binnen het geheel wenselijk is. Dat kan ik voor de mensheid niet zien, omdat elke mens een andere bijdrage geeft. Er is geen sprake van het nor­meren van de mensen, een indeling met een koningin, een stelletje darren daaromheen en dan de werksters en de krijgers.

Op het ogenblik staat u veel dichter bij een dergelijke structuur dan u later zult staan. Want in deze dagen zijn deze groepen inderdaad als afzonderlijke stammen al voortdurend actief. Maar als de functies gaan overvloeien, als de werker een krijger wordt of de krijger een werker als het nodig is, als de denker tot handwerksman kan worden, maar de hand­werksman ook tot denken op het moment dat dat opportuun is, dan krijgen we een zodanige verwisselbaarheid dat we niet meer kunnen spreken over een mierenstaat. Het algemene belang zal ongetwijfeld domineren, maar elke mens zal toch proberen in dat geheel zichzelf te zijn zo goed hij kan. Dat lijkt mij een veelbelovende zaak.

Ik wil besluiten met hieraan nog enkele mogelijke geestelijke ontwik­kelingen te verbinden

Vele mensen hebben op dit moment al hun dromen of visioenen, hun be­levenissen die ze niet helemaal kunnen verklaren en in 9 van de 10 gevallen niet helemaal kunnen begrijpen. Deze mensen beginnen langzaam maar ze­ker, of ze het beseffen of niet, hun geest iets vrijer te maken van de be­perkingen van de materie. Maar als de geesten van de mensen op aarde vrijer komen van de materie, dan liggen ze veel dichter bij ons. Dan is het makkelijker mogelijk om geestelijke contacten op te nemen. Voor henzelf zal het veel gemakkelijker zijn om na een eventuele overgang op te gaan in de geestelijke wereld zonder enig conflict, zonder waantoestanden zo­als die maar al te vaak voorkomen.

Wij genieten in de sferen wat wij noemen leringen van hoge krachten. Dat is in feite in harmonie komen met iemand die een groter bewustzijn heeft dan jezelf hebt, waardoor het je mogelijk wordt de inhoud van je beseffen anders te groeperen, het is dus een hergroepering.

Een geest die vrij is ook als hij nog in de stof gebonden leeft, kan ook aan dergelijke leringen deelnemen. Vanuit geestelijk standpunt zal je een aanmerkelijke hergroepering van alle bewustzijns- en besefselementen moeten verwachten zoals die in de sferen voorkomt. Het betekent dat de evolutie van sfeer naar sfeer, zoals die in de geest bestaat, voor een deel reeds stoffelijk kan worden bereikt en afgelegd. Dan zullen vele functies die vanuit de geest op aarde moeten worden vervuld in toene­mende mate ook kunnen worden overgenomen door mensen wier geest eindelijk zo vrij is gekomen van de materiele situatie dat zij in staat zijn om juist op aarde te werken met besef van menselijke zaken, maar met de kracht van de geestelijk bewuste en met een inzicht dat alleen kan worden ver­worven vanuit een niet stoffelijke wereld,

Ik voorzie geestelijk toenemende harmonieën die steeds grotere aan­tallen entiteiten gaan omvatten. En dan niet groepen die zich afzetten tegen anderen, maar vormen van harmonie die in zich een steeds hechte­re eenheid vormen en daarnaast een aanvaarding kennen van die eenheden waarin zij met hun besef nog niet kunnen doordringen.

Het is denkbaar dat binnen duizend jaar veel van het werk dat de geest op het ogenblik doet, absoluut zinloos is geworden, omdat het ge­daan zal worden door mensen die in de stof leven.

Evenzeer is het denkbaar dat een groot gedeelte van onze energieën, die nu nog naar de aarde gericht zijn, dan zullen worden gebruikt om een steeds lichtender en groter bewustzijn te verwerven in de sferen. Ik durf niet spreken over een Duizendjarig rijk. Die hebben namelijk de ellendige gewoonte om maar heel kort te duren en onder enorm veel el­lende ten gronde te gaan. Maar ik durf denken aan iets dat daar toch een beetje nabijkomt, een Koninkrijk Gods op aarde. Niet om God, maar om de eenheid waardoor kosmisch besef kan domineren, zelfs in de menselijke samenleving. Dat betekent dat dit besef zich zal uitbreiden tot daarmee Alle leven in is besloten en misschien zelfs meer ook delen van de zgn. dode materie.

Waar die eenheid ontstaat daar zal de evolutie op aarde kunnen wor­den versneld. Daar zal het geestelijke werken op aarde zozeer worden ver­smolten met het werken inde werelden van de geest dat de grenzen tus­sen geest en stof juist daardoor worden gereduceerd tot bijna nul. En dan zie ik de vernieuwing en die verandering uitlopen op een terugkeer; maar nu bewust naar toestanden die eens hebben bestaan toen de eerste zielen hun eerste lichaam zochten en verkregen.

  • Wanneer was er het eerste leven op aarde?

Dat kunt u zetten op ongeveer 40 miljoen jaren. U moet niet zoeken of daarin herinneringen zijn vastgelegd. Ze bestaan misschien alleen nog maar genetisch hier of daar. 40 miljoen jaar geleden waren de lichamen grotendeels plantaardig, deels dierlijk. Als u denkt aan menselijke licha­men (dat is nog niet homo sapiens), dan kunt u voor het eerste teruggaan tot ongeveer 25 miljoen jaar. Dat is heel wat langer dan de geleerden aannemen.

  • Hoe lang duurt de toekomstige splitsing van de mens, de mensen die achterblijven en mensen die andere eigenschappen krijgen?

Ik denk niet dat er een splitsing kan zijn, ook nu niet. Ik denk dat achterblijven en vooruitgaan op het ogenblik wordt bepaald zoals ook de begrippen derde wereld en eerste- en tweederangs-staten e.d. door maatstaven die op zichzelf niet reëel zijn omdat ze alleen stoffe­lijke zaken en geen andere meer geestelijke en bewustzijnswaarden in aan­merking nemen.

  • Wil dat zeggen dat agressie e.d. komen te vervallen?

Agressie zal nimmer geheel komen te vervallen. Daarvoor is het te zeer een eigenschap van het menselijke ras. Maar de agressie zal niet meer tomeloos en zinloos gericht zijn. De agressie zal worden gebruikt om reële en bewust erkende waarden mede op grond van een gemeenschap­pelijk aanvoelen en eventueel geestelijk erkennen te corrigeren. De agressie wordt eerder de avonturen- en dadendrang die nodig zijn dan de behoefte om te vernietigen of te onderwerpen.

Onderwijs

Als ik meet met mijn eigen begrippen en maatstaven is het onder­wijs in de laatste tijd enorm gevallen. Om u een beeld te geven. Het kwam onder mijn aandacht dat zeer veel onderwijzend personeel be­schikt over onvoldoende taalbeheersing, beschikt over onvoldoende er­varing in hoofdrekenen en daarvoor in de plaats bijzonder bekwaam is in vakken als vrije expressie.

Het is duidelijk dat wij het onderwijs moeten stellen in een be­paalde relatie tot de gemeenschap en tot het gezin. Dit impliceert dat een school de kinderen die kennis geeft die zij nodig hebben om zich op de juist mogelijke wijze later in de gemeenschap te kunnen be­wegen. Hier is persoonlijkheidsvorming, hoezeer men daarop ook de na­druk pleegt te leggen in deze dagen in feite overbodig. Die behoort aan het gezin toe.

Elk kind heeft een aantal imitatieve kwaliteiten. Deze kwalitei­ten worden overgenomen van personen in de eigen omgevingen vooral van die personen ten aanzien van wie er een zekere attractie bestaat en een geborgenheidsgevoel kan worden ontwikkeld. Als de mensen zich dus op een redelijke wijze gedragen, zal het kind een persoonlijkheid en een persoonlijkheidsexpressiemogelijkheid ontwikkelen welke volledig in overeenstemming is met het milieu waaruit het voortkomt en gelijktijdig door de scholing die kennis kunnen verwerven die noodzakelijk is om zich maatschappelijk op basis van de verworven persoonlijke kwaliteiten te handhaven.

Ik heb bezwaar tegen de neiging om alles steeds meer te mechani­seren. Om u een voorbeeld te geven:

Het kwam mij ter ore dat bij vele examens tegenwoordig van zgn. keuze vragen wordt gebruik gemaakt. De leerling kan uit drie of vier mogelijkheden kiezen waarvan één de juiste is. Anders gezegd; zelfs de­gene die niets weet, heeft nog een kans van 1 op 4 op het juiste antwoord. Dit lijkt mij niet bepaald redelijk. Als een gedifferentieerd antwoord moet en kan worden gegeven, komen daarbij de persoonlijke kwaliteiten van een examinandus veel beter naar voren, daarnaast kan een juister beeld worden verkregen van diens feitelijke kennis. Als je hoort dat kinderen gebruikmaken van rekenmachines, dan komt er een ogenblik dat ze niet meer weten wat 1 en 1 is omdat het batterijtje op is.

Hetzelfde speelt zich af met wat men zou kunnen noemen maatschap­pelijk onderricht. Ik heb het altijd al in mijn tijd overbodig gevonden dat de kinderen precies wisten wanneer Floris V was afgemaakt. Ik vond het belangrijker dat ze wisten waarom het gebeurde.

Het hoe en waarom komt tegenwoordig niet al te veel aan bod. Meer gaat het om de verkondiging van vooroordelen. Dit kan mijns inziens alleen maar aan een slechte invloed te wijten zijn waardoor zowel geeste­lijk als sociaal een aantal verminkingen ontstaat.

Godsdienstonderricht wordt hier vaak gegeven vanuit een standpunt van onfeilbaarheid. In deze dagen kan dat onderwijs nooit meer goed worden gegeven omdat het kind wordt bijgebracht dat het het recht heeft om te vragen hoe en waarom. Met andere woorden, degenen die het geloofsonderricht in handen hebben, geloven dat de kinderen zullen geloven wat zij zeggen, terwijl de kinderen op zich niet geloven wat er wordt gezegd, zodat op een gegeven ogenblik God even onwaarschijnlijk wordt als Sinter­klaas en de Kerstman.

Toch heeft de mens geloof nodig. Dan zou men moeten uitgaan van die dingen die essentieel zijn in het geloof, de punten waarop een mens een beroep moet kunnen doen, de gebondenheden die voor een mens uiter­mate belangrijk zijn. Daarnaast zou men de mensen de mogelijkheid moeten laten om een eigen oordeel te vellen. Maar hoe kun je een oordeel vel­len als je eenzijdige of onvolledige voorlichting krijgt?

Men heeft mij weleens gezegd dat de huidige ontwikkeling in het onderwijs onvermijdelijk is. Als u het mij vraagt, dan is er een groot aantal egomane leiders, die aan het onderwijs voortdurend nieuwe be­naderingen opdwingen, terwijl de vorige benadering nog niet eens wordt beheerst. Dit impliceert dat, terwijl de taak van de onderwijzers in fei­te zwaarder wordt zij gelijktijdig minder mogelijkheid hebben om tot een juiste kennisoverdracht te komen en dat zij daarnaast bovendien nog wor­den belast met velerlei misschien maatschappij belangrijke maar in het onderwijs onbelangrijke zaken waarmee dan allerwege rekening moet worden gehouden.

Ik ben nog uit de tijd dat je een kind een opduvel mocht geven als het dat verdiende. In deze tijd ziet het ernaar uit dat de onder­wijzer vooral zijn vingers thuis heeft te houden en het brutaliseren van de lieve kleinen voortdurend voor lief dient te nemen, omdat hun per­soonlijkheid zich dan zo verder ontwikkelt. Dat blijkt dan ook uit de terreurgroepen die later ontstaan.

Wanneer ik de ontplooiing van het onderwijs zoals het nu plaats­vindt bezie, dan moet ik zeggen dat de hoop voor de toekomst zeer ge­ring zal zijn. Er zijn veel meer mensen die denken dat zij er iets van weten, terwijl ze feitelijk bijna niets weten en op grond van hun vermeen­de weten eisen stellen die onvervulbaar zijn om daarna in een strijd met de gemeenschap te ontbranden die in feite onverantwoordelijk is en die voor geen van de partijen enig resultaat kan opleveren.

Maar stellen wij nu eens dat het onderwijs eveneens wordt gedragen door een beter begrip. Dat een onderwijzer/onderwijzeres zijn/haar taal­kunde niet alleen maar gaat toetsen aan datgene wat onvermijdelijk nood­zakelijk is in lesjes die heel vaak ook ontworpen zijn door mensen die niet al te veel begrip van kinderen of van taal hebben. Zij zouden zich kunnen verdiepen in oude schrijvers zoals Couperus en diens gevoel voor stijl, woordkeus en omschrijving zouden gebruiken in hun eigen benadering van de kleinen (aangepast natuurlijk), aan het mentale peil van de klas waarvoor men staat. Zou het dan niet mogelijk zijn om het woord te ont­doen van zijn vage betekenissen van deze tijd en weer te komen tot een beter overdragen van begrippen.

De wereld van vandaag leeft van haar misverstanden, niet van haar begrip. Als echter paranormale gaven zich ontwikkelen hetgeen bij vele kinderen in deze tijd wel duidelijk kenbaar is, dan zouden wij op grond daarvan moeten aannemen dat zij enerzijds zich zeer veel kennis gemakkelijker eigen maken dan de volwassenen van deze dagen zich kunnen voor­stellen. Maar dat zij daarnaast betekenissen gaan begrijpen die als ze alleen op het hedendaagse peil zouden worden beschouwd onmogelijk of ondenkbaar zijn.

Ik neem aan dat de taal dan weer haar functie krijgt van werkelijke overdracht van het geheel van de persoonsinhoud inclusief de ge­voelens, inclusief de denkwijze (gedachten), inclusief zelfs de ritmiek en de schoonheid die in elke mens leeft.

Ik neem aan dat het rekenen dan weer wordt herleid tot het ver­mogen om ook getallen op een zodanige wijze in jezelf te verwerken dat het mogelijk is uitkomsten tamelijk eenvoudig te overzien.

Ik neem aan dat men dan in staat zal zijn om door stellingen en feiten heen te kijken en de daarachter verborgen werkelijke betekenissen te zien. Nu kan ik mij voorstellen dat degenen die zich in leidende functies bezighouden met het uitdenken van de taken van het onderwijzend personeel op het ogenblik weinig behoefte hebben aan mensen die door alles heen kunnen kijken. Soms heb ik zelfs het gevoel dat de fei­telijke verwaarlozing waaraan het onderwijs ondanks zgn. zorgen op het ogenblik lijdt, kunstmatig is gecreëerd en voortdurend wordt bevorderd door mensen die behoefte hebben aan degenen die niet meer denken en die alleen in ik-leuzen zich nog kunnen uitdrukken.

Maar geestelijke en paranormale waarden zullen te enigerlei tijd en op enigerlei wijze de mens wel dwingen tot een verandering in zijn expressiemogelijkheden. En dat betekent dat hij ook zijn kennis op een andere manier moet verwerven en verwerken. Het betekent dat de mens veel meer moet denken in alomvattende en veel minder in zeer specia­listische termen.

Ik vind het heel mooi als een kind op jeugdige leeftijd kliede­rend met verf (het zgn. fingerpainting, iets wat wij vroeger materiaal­verknoeiing noemden) zich kan bezighouden. Maar de belangrijkheid van deze uitdrukkingswijze is op zichzelf nihil, als het kind zelfs op dit gebied niet enig begrip krijgt van ruimte-indeling en materiaalbeheer­sing. Met andere woorden: door de kinderen steeds meer te brengen in een situatie waarin het lijkt of zij presteren zonder dat ze het feite­lijk kunnen doen, breng je hen in een situatie waardoor zij groter ge­worden en eventueel paranormale krachten ontwikkelen, niet de mogelijk­heid hebben om op de juiste wijze te reageren en op de juiste wijze te presteren.

Ongetwijfeld zullen er onder u zijn die zeggen: O, daar zit een ouderwetse kankerpit. Ik geef toe dat mijn denkwijze voor de huidige tijd enigszins orthodox is. Maar orthodoxie is niet altijd slecht. Men heeft als een wijsheid altijd verkondigd: onderzoek alle dingen en behoud het goede. Ik heb het gevoel dat men tegenwoordig in het onder­wijs bezig is met: onderzoek alle dingen en gooi het goede de deur uit. Ik kan mij daarin vergissen natuurlijk. Maar als ik kijk naar de feite­lijke resultaten, zoals ik deze nu kan constateren, dan moet ik wel zeggen:

De mensen moeten weer leren, hoe ze moeten leren. De mensen moeten weer een eigen manier van zich ontwikkelen, het zich eigen maken van kennis, de beheersing van kennis verwerven. Als ze daartoe niet komen, richten zij zichzelf te gronde. Maar daar staat tegenover dat de mensen werkelijk een meer algemene belangstelling krijgen en daarbij gelijktijdig redelijke mogelijkheden krijgen om zich kennis eigen te maken en er dan een ontwikkeling denkbaar is waardoor de jeugd in misschien reeds en­kele jaren velen van de volwassenen overvleugelt door haar wijze van zich uit te drukken, de wijze van zich ontwikkelen, de wijze waarop zij bovenal practisch leert denken.

Op dit moment leeft u in het interregnum (tussenregering) waarin de dwaasheid het bewind voert. Maar deze tussenregering is snel afge­lopen. U zult zich nog wel kun­nen amuseren. Daar ben ik van overtuigd.

Maar kunt u ook de tekenen herkennen die op het ogenblik als in Nebukadnezars tijd als een schrift aan de wand verschijnen? De tekenen van een jeugd die zoekt naar andere wegen. De tekenen van een jeugd die haar denken afbuigt van al datgene wat zo aanvaardbaar scheen te zijn. Een jeugd die meer humaan is in vele opzichten dan al degenen die het humanisme hebben verkondigd, maar die gelijktijdig meer direct is dan alle idealisten lief zal zijn. Een jeugd die langzaam maar zeker en tastend zoekt naar nieuwe maatschappelijke verbanden, naar betere persoonlijke verhoudingen, naar een juister uitdrukken van wat je zelf bent. Die dingen bestaan in uw dagen.

Hoe betreur ik het dat het onderwijs juist in deze dagen nog faalt en deze wordende mensen niet die gereedschappen in handen geeft, die beheersingsmogelijkheden aanleert die hen van dienst zouden kunnen zijn in het tot stand brengen van de werkelijke vernieuwing van de maatschappij en van een juister en bewuster beleven van de innerlijke ver­nieuwingen die zij voortdurend ondergaat.

Ik hoop dat ik niemand heb gekwetst met hetgeen ik uit het volst van mijn hart u hier heb voorgelegd. Ik meen terecht te mogen zeggen dat het onderwijs in deze dagen faalt en tekortschiet. Niet alleen door de schuld van het onderwijzend personeel, maar door een structuur die het onderwijs zijn werkelijke functie van kennisoverdracht voor een groot gedeelte heeft ontnomen.

Ik meen ook zeer terecht te mogen zeggen dat kennis, basiskennis en beheersing, noodzakelijk zijn om tot een juiste uitdrukking te komen van innerlijke waarden, van nieuw begrip en nieuwe mogelijkheden.

Vergeef mij daarom dat ik u dit onderwerp op deze wijze heb voor­gelegd.