De innerlijke krachten van de mens

uit de cursus ‘Occulte praktijk’ (hoofdstuk 6) – maart 1966

De innerlijke krachten van de mens

Wij hebben bij elke oefening van enigszins occulte geaardheid altijd te maken met ons eigen innerlijk. De mens moet de kracht putten uit zijn voorstellingsvermogen, uit zijn innerlijke harmonie en wat dies meer zij. Maar deze innerlijke krachten zijn ook nog op een andere wijze bruikbaar. Ik wil trachten in dit onderwerp kort een schets te geven van wat die innerlijke krachten kunnen inhouden en wat men ermee kan doen. Dan stellen wij allereerst:

Alle levensprocessen van de mens zijn  gecoördineerd met zijn geestelijke levensprocessen. Er is een parallel tussen stof en geest. Daar waar de geest tekort schiet, kan de stof onder omstandigheden een tijdelijke reserve opbrengen, waardoor geestelijk grotere vermogens kunnen worden ontwikkeld. Omgekeerd kan waar het lichaam dreigt te falen, de geest vaak een impuls zijn voor de materie.

Dat houdt meer in dan u zou denken. Het betekent nl. dat de kracht, die wij de geest noemen (de innerlijke kracht van de mens), kan worden overgedragen naar elk voertuig waarin het “ik”, het ego, zich op een bepaald ogenblik openbaart. Het houdt ook in dat elk voertuig als zodanig moet worden beschouwd als een krachtbron voor het gehele “ik”. Er is een voortdurende wisselwerking aan de gang.

Als wij dat niet beseffen, dan zullen wij heel vaak de fout maken negatief, mistroostig, te denken. Als ik denk: Wat is dit vervelend, dan ga ik mij vervelend voelen. Als ik denk dat ik die verveling kan overwinnen, dan verandert de spanning om mij heen. Ik kan dan inderdaad een prettiger lichamelijke toestand bereiken. Als ik op een gegeven ogenblik innerlijk geen weg weet en ik heb aan de buitenkant voldoende energie, dan kan ik die energie omzetten in iets, waardoor ik mijzelf a.h.w. een ogenblik ontspan. Door die ontspanning herrijst a.h.w. ook mijn geestelijke veerkracht. Er is dus heel veel te doen op dit terrein. Maar als dit alles zou zijn, dan zou het toch niet de moeite waard zijn om daaraan een onderwerp te wijden.

Een tweede punt dat misschien nog veel interessanter is, zegt:

Elke waarde die in het totale “ik” bestaat, zal als kracht of erkenning kunnen worden geuit in elk voertuig, waarin het “ik” zich bevindt.

Gewichtige woorden, maar die heel wat inhouden.

Alles wat ik ben, ook datgene wat ik van mijzelf niet eens weet of besef, kan ik uiten in elk voertuig; dus ook in de materie. Er is hier geen omzetting bij, zodat het ook omgekeerd aanwezig is, maar u zult begrijpen dat alles, wat er in een bepaald voertuig gebeurt, dus ook op het totale “ik” invloed moet hebben. Als ik het nu heel eenvoudig stel, dan is het eigenlijk dit:

Ik ben eeuwig. Als eeuwig wezen kan ik goddelijke krachten of goddelijk licht aantrekken. Wanneer dit licht ergens in mij bestaat of een bestaansrecht heeft, kan ik elke duistere kracht, die mij zal tegemoet treden, daarmede eenvoudig onschadelijk maken. Het licht is voor mij een wapen waarover ik kan beschikken, omdat het ergens in mij bestaat.

Als ik te maken heb met onvolmaaktheden van de materie (en dat gebeurt zo vaak), dan kan ik door mijn voorstellingsvermogen in te schakelen die onvolmaaktheden voor mij teniet doen en daardoor ‑  werkend met onvolmaakte middelen ‑ een praktisch volmaakt resultaat bereiken. Ook dat is de moeite waard om over na te denken.

Nu moet ik hieraan nog wel enig commentaar toevoegen. Want als je de mens zegt dat hij licht als wapen kan gebruiken, dan realiseert hij zich waarschijnlijk niet precies wat er gebeurt. Ik zal het heel eenvoudig zeggen:

Er zijn een aantal knooppunten in het menselijk lichaam, waar geestelijke organen en stoffelijke zenuwknopen praktisch samenvallen. Op deze punten kan er een wederkerige overdracht van krachten plaatsvinden; en wij noemen dan een dergelijke plaats een chakra.

Als een chakra is opengebloeid, d.w.z. als het uitwisselingsproces daar actief is, dan houdt dat in dat op dat punt stoffelijke en geestelijke impulsen kunnen worden verwerkt; dus dat én stoffelijke én geestelijke krachten vandaaruit ook kunnen worden geuit. Iemand die hoog‑bewust is, zal bv. een keelkop‑ of een voorhoofdchakra hebben ontplooid. Als zo iemand tegenover een vijand staat, dan behoeft hij hem niet te willen vernietigen, maar kan hij zich eenvoudig verdedigen. Als hij tot een verdediging komt, dan is het alsof de totale innerlijke kracht, waarop hij zich baseert, als een soort lichtstraal uittreedt; en wel door het hoogst ontplooide chakra. Dat zal dus het voorhoofd‑ of keelkopchakra zijn. Ook met het borstchakra hebben wij dat nog wel; de lagere chakra’s zijn voor het uitstralen van een afwerend licht over het algemeen niet zo geschikt.

Als ik omgekeerd in mijn eigen wereld grote indruk moet maken, dan kan ik dat vaak niet verstandelijk doen. Ik kan dus niet reguleren wat ik ervaar. Maar aannemende dat een chakra open is ‑ en er is bij een mens altijd wel tenminste één chakra ten dele open ‑ dan zullen alle impressies die daar worden ontvangen in het zenuwstelsel worden geënt als een gevoel. Gelijktijdig zullen zij naar het “ik” gaan als een bewustzijn. De reactie daarop zal een energie zijn, die door de mens dan ‑ vooral bij de lagere chakra’s ‑ als een emotionele reactie wordt geuit. U ziet, het is niet zo moeilijk als het misschien lijkt.

De vraag: Hoe we dat kunnen doen? Daar kom ik in het tweede gedeelte van mijn lezing op terug. Ik wil eerst nog de innerlijke krachten verder nagaan.

Tijd en ruimte zijn voor de mens vastliggende waarden. Hij kan zich daaraan niet onttrekken. Voor de andere geestelijke voertuigen van het “ik” bestaan er andere tijdruimtelijke verhoudingen. Voor de kern van het “ik” bestaat er geen ruimte en geen tijd. Ik zeg dat even vooraf, want nu kunt u de volgende stelling gebruiken:

Daar het werkelijke “ik” niet gebonden is aan tijd en ruimte, maar zich in elk voertuig binnen een willekeurige structuur van tijd en ruimte kan openbaren, zal elke tijdruimtelijke waarneming voor het “ik” voortdurend mogelijk zijn en kan elke uitbreiding of beperking van het ruimtelijk besef plaatsvinden. Ook de tijd kan op dezelfde wijze in zeer grote delen worden overzien of worden teruggebracht tot een vertraagd waarnemen van een micro‑seconde.

U zult zeggen: Dat is heel interessant, maar wat doe ik ermee?

U kunt dat niet verstandelijk doen. U kunt de tijd niet laten stilstaan, maar u kunt uw reactievermogen versnellen.

Nu heeft het “ik” in zich al die voertuigen. Elk voertuig staat ook met het stoffelijk voertuig in verbinding. Via een deel van wat men het onderbewustzijn pleegt te noemen, kan een dergelijk voertuig ingrijpen in het besef en de reactiemogelijkheid van het stoffelijk voertuig. Het resultaat zal zijn dat iemand, die is getraind in het gebruik van zijn innerlijke krachten, tijd en ruimte tijdelijk kan veranderen. Hij kan, indien een situatie niet kan worden overzien, een ander voertuig a.h.w. inschakelen, waardoor een gebeurtenis, die normaal een seconde vraagt, nu plotseling vele minuten duurt, zodat hij zich gemakkelijk kan aanpassen aan elke voorkomende invloed van buitenaf. Iemand kan op dezelfde manier misschien als hij dus een ruimtelijk concept heeft, op een weg, die door de omliggende huizen of andere belemmeringen in het uitzicht wordt beperkt, eenvoudig zeggen: Ik wil weten wat er op de zijwegen gebeurt; en hij zal dan a.h.w. van bovenuit, als uit een soort geestelijke helikopter zien waar zich voertuigen bevinden. Hij kan dus reageren op datgene wat niet ogenblikkelijk zichtbaar is.

U ziet dat die innerlijke krachten heus niet alleen maar dingen zijn, die wij moeten bevorderen vanwege het hiernamaals. Het zijn werkelijke krachten, waarmee je praktisch iets doet. En voordat we gaan vertellen hoe, nog een laatste stelling, die misschien de meest eenvoudige en gelijktijdig één van de moeilijkste is.

Elke harmonie, die voor mij op meer dan stoffelijk niveau bestaat, kan worden uitgedrukt in een wederkerige krachtontwikkeling en ‑uitwisseling. Elke harmonie op hoger niveau is als zodanig voor mij een krachtbron, die ‑ mits bewust gericht ‑ voor de door mij verlangde resultaten kan worden gebruikt, terwijl gelijktijdig alle anderen, die met mij in harmonie zijn, eveneens uit de totaalkracht kunnen putten en deze op hun eigen wijze gebruiken.

Het eigenaardige hierbij is, dat als één persoon deze kracht aanboort, zij in wezen niet verandert of vermindert, daar de harmonische geestelijke kracht eerder kan worden beschouwd als een spanning, die voortdurend bestaat zolang de generator loopt dan als een bepaalde hoeveelheid energie, waarvan wordt afgenomen. Om het nu heel eenvoudig te zeggen: of u één stopcontact gebruikt of tien en of u 220 volt hebt of 110, de spanning blijft op de stopcontacten gelijk. De stroom wordt nl. niet geleverd door de stopcontacten, zo vreemd als het lijkt, zij zijn aangesloten op een leiding; en achter die leiding staat de werkelijke krachtbron.

Nu moet u zich dat zo voorstellen: Ons wezen is verbonden met de goddelijke kracht. Elke harmonische instelling van een der voertuigen van de mens is dus een verbinding via het “ik” met het Goddelijke en door de bestaande harmonie een uitdrukking ervan. De kracht die ontstaat wordt dan ook niet bepaald door de energie van het eigen wezen, maar door de intensiteit of de uitdrukking van harmonie die wordt bereikt. Als die harmonie maar groot genoeg is, wordt daardoor a.h.w. de spanning bepaald. De energie is oneindig. En dat houdt dus weer in, dat ‑ als er een geestelijke harmonie bestaat (een zuiver stoffelijke harmonie alleen doet het dus niet, omdat die van allerhande factoren afhangt, die in feite met het “ik” weinig te maken hebben) ‑ deze geestelijke harmonie altijd een volledige weg naar het Goddelijke betekent en wel met een krachtinhoud, gelijk aan het niveau en de intensiteit van de harmonie. U kunt dus daaruit putten voor uw eigen doeleinden en voor die van anderen. Er bestaat voor al deze dingen geen beperking t.a.v. de wijze waarop de kracht wordt gebruikt. Deze bestaat wel in de mens en in zijn relatie tot andere geestelijke werelden. Daarom is het dus beter om die krachten niet zelfzuchtig te gebruiken.

Hoe gebruiken wij die krachten en hoe komen wij eraan? (De theoretische ontwikkeling van allerhande stellingen laten wij hier maar terzijde. U kunt daarover wel het een en ander vinden. Wij gaan dus uit van onszelf)

  1. Mijn geestelijke energie is altijd een bestaande waarde. Ik kan die energie pas bereiken, indien ik erin geloof. Zelfvertrouwen is noodzakelijk.
  2. Ik kan die energie alleen dan gebruiken, indien de wil tot het richten en tot het gebruiken ervan aanwezig is. Ik moet dus moed hebben.
  3. Ik moet voor mij ‑ en dat is vooral materieel belangrijk ‑ een voorstelling kunnen opbouwen, waarin de energie tot uiting komt; d.w.z.: ik moet mij dus kunnen voorstellen wat er precies gebeurt. Anders gezegd: ik moet de kracht kunnen richten.

En daarmee hebben we drie hoofdwaarden:

  1. Ik moet geloven in de kracht, ik moet haar dus accepteren.
  2. Ik moet niet bang zijn die kracht te gebruiken.
  3. Ik moet weten wat ik ermee kan doen, voordat de kracht er is; dus voordat ze voor mij merkbaar wordt.

Nu lijkt dat misschien erg theoretisch, maar dat is het niet. U zult heel vaak hebben ontdekt, dat als u een bepaalde vorm van zelfvertrouwen bezit, u meer kunt dan anders. Ze zeggen niet voor niets, dat een dronken man of een slaapwandelaar in een goot veilig is, waar een gewone burger verongelukt. Dat is doodgewoon: er bestaat voor deze mensen geen beperking van: “ik kan wel of ik kan niet”. Zij reageren misschien voor de norm heel eigenaardig, maar volgens hun eigen wezen. Zij vertrouwen volledig op zichzelf en presteren dus meer. En nu wil ik niemand, die met geestelijke krachten werkt vergelijken met een dronkaard, maar ik wil toch wel opmerken, dat het zelfvertrouwen, dat iemand onder die omstandigheden heeft (het geloof in eigen kunnen en in eigen wezen) toch voor een ieder bereikbaar moet zijn. En als je dat kunt krijgen, dankzij een ruime bijdrage van geestrijkheid uit Schiedam, dan móet je dat ook kunnen krijgen door doodgewoon na te denken over je origine: je goddelijke afkomst.

Dan krijgen wij de kwestie van moed.

Een dronken man heeft geen moed. Hij is blind voor gevaar. Maar wij moeten werkelijke moed bezitten. Wij moeten het gevaar beseffen, anders kunnen wij de kracht niet juist richten. Maar aan de andere kant, wat kan ons gebeuren? Ik geloof, dat dat het juiste punt van uitgang is. Wat kan mij eigenlijk gebeuren? Er kan iets gebeuren in de tijd, maar er kan nooit iets gebeuren wat eeuwig is. Ik kan dus alleen tijdelijk een onaangenaamheid ervaren of tijdelijk een figuur slaan, maar ik kan dat nooit blijvend doen. Er is geen reden die onaangenaamheden te ontlopen. Wij vinden het misschien niet prettig, maar wij kunnen desalniettemin doorzetten; tenminste als het doel ons de moei­te waard is. En dat is dus een beperking.

Dan zult u ook begrijpen, dat het voorstellingsleven, de fantasie, van belang is. U moet zich precies kunnen voorstellen wat er gebeurt, hoe het is. Er mag geen detail aan ontbreken. Hoe meer de details van de voorstelling a.h.w. gelijkluidend zijn aan de werkelijke feiten en mogelijkheden, des te groter het resultaat. En dan zegt u: Het is heel erg lastig om op die manier te reageren. Dat ben ik met u eens. Maar wij kunnen met een paar eenvou­dige regels toch wel iets doen om die innerlijke krachten wat beter te gebruiken.

Ten eerste: Ik zal elke dag proberen iets te doen, waarvan ik meende dat het onmogelijk was of dat ik het niet zou kunnen. Ik zal mijzelf voortdurend proberen te bewijzen, dat ik meer kan dan ik denk te kunnen. Door dit te doen vergroot ik mijn zelfvertrouwen en mijn moed.

Ten tweede: Ik zal trachten in mijzelf het gevoel van bereiking tot stand te brengen. Ik doe dit omdat daardoor het geloof in het bereiken wordt versterkt.

Ten derde: Daar ik mijn innerlijk wezen nimmer verstandelijk kan omschrijven, moet ik trachten mijn wereld van gevoelens en niet‑redelijk geassocieerde gedachten te beschouwen als een pode van mijn werkelijk “ik”. Ik zal elke dag tenminste een paar minuten wijden aan het ontleden van deze impulsen. Hierdoor krijg ik wederom een juister contact met mijzelf.

De tweede reeks regels is eigenlijk nog veel eenvoudiger.

Ten eerste: Wanneer iets voor mij waarlijk belangrijk is, zal ik nergens voor terugdeinzen. Realiseer u dit: als het voor u belangrijk genoeg is, zult u voor niets ‑ of u het nu een misdaad of onmogelijk noemt ‑ terugdeinzen. U zult het proberen. Ik heb dus in mij alle eigenschappen, die noodzakelijk zijn om het onmogelijke te proberen. Ik heb er alleen meestal de drijfveren niet voor.

Ten tweede: Als ik een doel heb dat ik werkelijk gewichtig acht, zal ik trachten de instinctieve moed, die ik anders toon of de instinctieve vaardigheden, waarop ik anders een beroep doe, ook hier in te schakelen. Om dit te bereiken zal ik mij voortdurend beraden over datgene wat waarlijk de moeite waard is. Ik moet dus mijn doel omschrijven.

Ten derde. Moed ontstaat eerst dan, wanneer men volgens beste inzicht handelt tegen alle consequenties in. Wij moeten leren een scheiding te maken tussen juist handelen en de voor de mens logische gevolgen die het met zich zou kunnen brengen. Weet men in het voorstellingsleven een scheiding te maken tussen deze beide, dan zal men over meer durf beschik­ken. Daarnaast zal men ook zijn doeleinden reëler en juister durven stellen. Dat zijn een paar eenvoudige regels, maar die heel veel doen.

Dan moeten wij natuurlijk ook beperkingen maken.

Als ik elke keer weer een beroep ga doen op mijn innerlijke krachten, terwijl er geen aanleiding voor is, zal ik mij daartegenover ten slotte een beetje schuldig gaan voelen. Elk misbruik wordt gestraft met vermindering van mogelijkheden; een onderbewust proces.

Ik zal moeten proberen om alles wat ik doe, voortdurend aan de werkelijkheid te toetsen. Daar ik de processen niet kan toetsen aan mijn eigen werkelijkheid (ze zijn van geestelijke geaardheid), zal ik dit doen aan de hand van stoffelijke waarneming, zonder een verklaring ervoor te zoeken. Ik moet de feiten alleen constateren.

En dan wat ook heel begrijpelijk is: ik zal mijzelf niet als deel van mijn bestrevingen stellen; zeker niet, voordat ik alle innerlijke krachten werkelijk heb leren beheersen. Door een deel buiten mij te stellen is het voor mij gemakkelijker mij het doel voor te stellen en wordt het mij ook gemakkelijker het te preciseren. Het is voor mij eenvoudiger de juiste durf en de juiste moed op te brengen. Ik geloof gemakkelijker aan mijn innerlijke krachten en aan de goddelijke kracht in mij, waardoor ik tot presteren kom.

Dit alles is heel mooi, maar innerlijke krachten zijn natuurlijk heel wat meer dan alleen hetgeen in deze twee delen is opgebouwd.

Wanneer ik denk, is mijn gedachte een realiteit. Indien ik deze realiteit kan afstemmen (denkt u aan hetgeen we over telepathie heb­ben gezegd), dan zal er in een ander een congruent beeld ontstaan. Elk in mij bestaand beeld, elke in mij bestaande behoefte, voorstelling of kracht zal daar, waar harmonie aanwezig is, een volledige replica vinden in de harmonische factoren. En daarmede heb ik eigenlijk iets gezegd, waar u misschien niet bij stil­ staat. Daarom zal ik het maar even doen.

Als ik een droom uitzend (sommige mensen proberen dat wel eens) of met een ander gezamenlijk een droom beleef (dat komt ook nogal eens voor), dan is er dus sprake van een harmonie. Maar er is ook sprake van iets anders: op dat ogenblik is er een eenheid ontstaan. Wordt er in die toestand een geestelijke kracht geactiveerd, dan wordt zij niet bepaald door het eigen “ik” alleen, maar door de harmonische eenheid die er bestaat. Daar een harmonische eenheid altijd een groter vermogen heeft dan een eenling, is het duidelijk dat elke op een dergelijke wijze ontstane harmonische waarde de kracht, die men kan gebruiken, vergroot.

Dan zult u verder begrijpen, dat het delen van gedachten en krachten op zichzelf niet voldoende is. Er zijn bepaalde spanningen die men ook kan overdragen.

Ik weet niet, of u wel eens het gevoel had dat ze over uw graf lopen (een onverklaarbare koude rilling), zo noemt men dat. Dan kunt u  zeggen: Dat is bijgeloof, of: dat is een lichamelijke reactie. Maar als u oplet, zult u ontdekken dat dergelijke rillingen heel vaak voorafgaan aan aangename of onaangename gebeurtenissen. Zij zijn de uitdrukking van een door ons niet gerealiseerde uiting van kracht via ons wezen. Het zenuwstelsel reageert daarop als u in de stof bent. Door deze reactie worden de eigen mogelijkheden t.a.v. de verhouding tot de buitenwereld ‑ voor zover het het eigen besef betreft ‑ gewijzigd. En daarmee ziet u dus ook dat die innerlijke kracht eigenlijk vreemde dingen doet.

De innerlijke krachten kunnen ons beïnvloeden zonder dat we het weten of willen. Een bewustzijn van al die krachten is niet te bereiken. En daarom is het enige dat we kunnen doen: zorgen dat wij een doel hebben, een instelling, zo intens en zo volledig voor ons aanvaardbaar, dat elke met ons bereikte harmonie gelijktijdig een beaming van ons doel inhoudt. Want op dat ogenblik zal een ander wel niet door ons besefte ontladingen van kracht in ons kunnen veroorzaken, maar die zullen in overeenstemming zijn met ons eigen streven. Zij zullen ons dus een verwezenlijking mogelijk maken, waarin wij zelf niet geloven of waar wij op dat ogenblik zelf niet aan denken. Wat weer voert tot de vaststelling:

De innerlijke kracht van de mens kan door hem worden gebruikt voor en via een ander, ook als hij dit niet volledig wil of beseft. Omgekeerd kunnen de innerlijke krachten van anderen (dus altijd waar er een harmonie bestaat) in hem of dóór hem werkzaam worden en optreden, zonder dat dit gewenst is of beseft wordt. Wat inhoudt, dat men dus nooit zeker kan zijn dat alleen de eigen geestelijke krachten aan bod zullen kunnen komen. Men kan wel bepalen hoe die geestelijke krachten zich uiten en bepalen hoe de innerlijke werkingen en krachten van de mens voor hem in verschijning treden door het stellen van een doel, maar men kan nimmer volledig bepalen, wanneer ze wel en wanneer ze niet geactiveerd zullen zijn. En dan volgt daaruit weer een stelling:

Aangezien het werkelijke ego tijd en ruimte niet beseft op menselijke wijze (zie het eerste deel), zal vanuit het “ik” ook een aantal krachten, reacties en erkenningen, die niet op het heden betrekking hebben, kunnen worden gezonden naar de stof en in de stof worden geconcretiseerd. Dat is belangrijk. We hebben soms krachten in ons, die a.h.w. een tijdbom zijn. Laten we dat heel eenvoudig stellen:

U bent met hart en ziel bezig om bv. mensen te genezen. Het lukt niet. Toch bent u er voortdurend mee bezig. U denkt dat het verkeerd gaat; en vanuit uw standpunt is dat misschien zelfs waar. Maar nu komt er een ogenblik ‑ en dat heeft het ego meestal voorzien ‑ waarop u verrassenderwijs wordt geconfronteerd met een geval waar die hulp werkelijk nodig is; en dan beschikt u plotseling over een overmaat aan kracht. Maar nu het eigenaardige: normaal zou u dit niet aandurven. Op dat ogenblik echter, weet u niet precies meer wat u doet. U reageert en handelt; en voor u het weet, heeft u de kracht uitgegeven en dan pas gaat u denken: Hé heb ik nu wat gedaan of niet? Dat is dan die tijdbom, waar ik het over had.

In bijna elke mens bestaat een dergelijke tijdbom van innerlijke kracht. Zij wordt mede bepaald door wat men karma noemt. Want je hebt in het verleden ervaringen opgedaan. Je hebt doelstellingen in het werkelijke ego, die stoffelijk misschien niet zo sterk naar voren komen; en er zijn in het eigen leven altijd wel harmonische waarden te ontdekken. We moeten dus aannemen, dat in het “ik” energie aanwezig is en dat die energie tot een plotselinge ontlading kan komen aan de hand van in het karma (dus in het totaal beleven) vastgelegde waarden.

Hieruit volgt dat de mens, die onverwacht zijn geestelijke energieën gebruikt, zichzelf als een dwaas of een onredelijk wezen gaat beschouwen. Doet u dat a.u.b. nooit. En onthoud: Indien u zelf een doel hebt en u kunt dat omschrijven, dan zullen dergelijke explosies nimmer in strijd zijn met uw wens en uw huidig leven. Het bezitten van een doel is dus wel erg belangrijk.

Nu is het voor de onbewuste erg vervelend dat hij niet alleen een tijdbom is, maar meestal een met afstandsbediening. Want wanneer er in een ego, dat tijdelijk met hem harmonisch is en waarin dus de kracht, de wil, de moed, enz. zijn geactiveerd, een tendens optreedt, die a.h.w. met die opgehoopte energie in overeenstemming is, dan ontstaat er een uitbarsting, die door het “ik” niet kan worden voorzien, gewenst of beheerst. Alleen indien de afstemming van het “ik” zodanig is, dat het dus voortdurend is gericht op een bepaald doel of desnoods op enkele doelen, zal zeker kunnen worden gesteld dat de in het “ik” aanwezige geestelijke energie tot ontlading komt volgens het als juist besefte doel.

En dan komen wij aan het slotstukje van dit lesje.

In verband met het occultisme kunnen deze innerlijke krachten en de voor de mens moeilijk te begrijpen of te beheersen werkingen daarvan heel erg belangrijk zijn.

Als u aan magie doet, bidt, sacramenten ondergaat of ze uitdeelt, is dat ook magie. Zelfs wanneer u een horoscoop berekent kan hierdoor die energie tot ontlading komen. En daarbij geldt dan:

Naarmate wij dus meer mystiek of occult zijn ingesteld en met groter overgave aan het occulte werkzaan zijn, is de kans groter dat de in ons bestaande krachten tot ontlading komen. En dan geldt daarbij verder:

Elke ontlading van innerlijke kracht, die niet op zwart‑magische wijze geschiedt, houdt gelijktijdig in: een aanvulling van alle krachten in het “ik” vanuit alle harmonische bronnen en factoren. Je staat dus nooit alleen. Wanneer je iets doet, dan kan het een uitbar­sting zijn van je eigen kracht. Je kunt er een ogenblik a.h.w. leeg van zijn, maar het vult zich automatisch  aan.

En dan zeggen we verder: In dergelijke gevallen zal de ontlading van de kracht of de gerichtheid van de kracht en de al of niet directe overbrenging daarvan afhankelijk zijn van het bereikte bewustzijnspijl en daarmede van de chakra’s van het “ik”, die openstaan en de kracht kunnen verwerken.

Wat zijn nu eigenlijk die innerlijke krachten?

Levenskracht bezit men buiten de tijd en buiten de ruimte. Uw wezen is een hoeveelheid energie in het Goddelijke. Die hoeveelheid blijft zichzelf steeds gelijk. De groepering van die energie op de verschillende vlakken van bestaan en bewustzijn kan voortdurend veranderen. Wanneer wij energie uiten, dan geven wij in feite geen energie af. Maar wij transformeren die van het ene vlak naar het andere en wij induceren een soortge­lijke werking bij een ander.

Wanneer ik kracht heb, die zuiver stoffelijk is en ik transponeer deze bv. naar het gebied van blauw licht, dan volgt hieruit dat ik ‑ door dit in mijzelf te doen – bij een ander een ontlading van kracht uit het blauwe licht (uit dat deel van mijn wezen) naar zijn stoffelijk wezen kan tot stand brengen. Ik heb dus in mij altijd dezelfde innerlijke kracht, maar de verdeling ervan over de verschillende voertuigen van het “ik” is steeds verschillend. Alles, wat wij doen met innerlijke krachten, is dus niets anders dan trachten het voor ons op dit moment verlangde evenwicht in onszelf tot stand te brengen en door wat wij harmonie noemen (wat in feite een soort “in fase zijn” betekent) bij een ander de compenserende werking te scheppen. En daaruit volgt de laatste lering:

Als ik mijn innerlijke krachten gebruik ‑ al dan niet op stoffelijk niveau ‑ zo zal ik bij een ander een gelijksoortige krachtontlading, maar in omgekeerde richting, tot stand brengen. De totale balans van het eeuwi­ge blijft voortdurend gelijk, maar ik kan ‑ dankzij de voor mij bestaande harmonische mogelijkheid ‑ mijn geloof, mijn kracht, mijn wil of mijn persoon­lijke verdeling wijzigen ‑ met de zekerheid dat ‑ zo ik dit doe ‑ ook elders in omgekeerde zin een gelijksoortige wijziging optreedt.

Indien u dit alles overweegt, dan ben ik er wel zeker van, dat – wanneer wij zullen spreken over dingen, die meer te maken hebben met wat u misschien magie wilt noemen of de onbegrepen waarden van geestelijke sferen ‑ u dan toch voldoende houvast zult hebben, om te zeggen: Ja, dit is ook voor mij een mogelijkheid en ik kan daarvan zelfs direct gebruik maken.

Noot
Hetgeen door mij werd gezegd t.a.v. de reactiewerking van de innerlijke kracht, waarbij een transpositie van de kracht uit de materie bv. naar het hoogste vlak, elders zal gepaard gaan met een ontlading van de hoogste kracht naar het laagste vlak, nog het volgende:
Wijzelf zijn een vaste hoeveelheid energie; en deze is binnen ons werkelijke “ik” niet uitwisselbaar met de energieën van anderen. Wat zich in ons afspeelt, is dus eigenlijk een verplaatsen van kracht van het ene vlak naar het andere. Maar zoals wij tijdloos een vaste waarde hebben, zo heeft de kosmos tijdloos eveneens een vaste waarde. Indien ik in de verdeling van mijn persoonlijke energie een verandering aanbreng, dan betekent dit dat een wijziging, die dit compenseert, elders in de kosmos moet plaats­ vinden.
Het is duidelijk, dat een dergelijke verandering normaal heel willekeurig geschiedt. Maar op het ogenblik dat twee krachten met elkander zijn verbonden (in résonance, “in fase zijn”), zal de verandering in de eerste kracht, A te noemen, het eerst worden opgemerkt en daardoor ook de eerste reactie doen ontstaan in de tweede kracht, die wij B zullen noemen. Dit impliceert, dat wat A vanaf een bv. stoffelijk niveau naar het hoogste projecteert onmiddellijk wordt beantwoord in B met een projectie van het hoogste niveau van het “ik” naar het stoffelijke toe. Ook elke projectie naar een ander vlak (bv. van de materie naar het astrale) zal bij A een omgekeerde reactie, dus een werking van het astrale naar het stoffelijke in B, ten gevolge hebben.
Het zal u dus duidelijk zijn, dat hiermede slechts een wat vereenvoudigde toepassing wordt gegeven van de wet van evenwicht of de wet van de gelijkblijvende velden, die in de gehele kosmos en voortdurend van kracht is. Daarbij geldt echter dat wanneer er op één punt stasis optreedt of zodra stasis is bereikt, elders het maximum aan actie ofwel explosie zal plaatsvinden. Dat geldt zelfs in het stoffelijk Al. Het geldt in de geestelijke werelden en zo zal dit ook gelden in de eigen persoonlijkheid.

Praktische toepassing van innerlijke krachten

Het is heel lastig de innerlijke krachten te omschrijven. Voor de meeste mensen zal het altijd wel een soort spelletje blijven, waarbij ze niet precies weten hoe of wat. Maar er zijn toch altijd weer bepaalde voorbeelden, waarin die innerlijke krachten concreet kenbaar worden en ‑ dat mogen we niet vergeten ‑ de mens ook welbewust van die krachten kan gebruikmaken.

Wij kunnen de praktische toepassingen onderscheiden uit een zuiver menselijk standpunt, waarbij we dus niet strijden over de wijze waar op het gebeurt, in:

  1. communicatie;
  2. wilsoplegging;
  3. krachtoverdracht.

Bij communicatie stellen we: Op het ogenblik dat in mij de absolute wens tot communicatie aanwezig is en tevens een door mij geformuleerde uitdrukking van hetgeen ik wens over te brengen, zal ik ‑ mij concentrerend op een ander en met diens wezen, enigszins harmonisch zijnde ‑ in de ander het beeld of de klankreeks kunnen doen ontstaan, die in mijzelf aanwezig is.

Indien er in mij bepaalde gevoelens bestaan en deze worden door mij geassocieerd met een persoon, dan zal ik ze ‑ zonder dat ik besef hoe of op welke manier ik dit doe – aan de andere persoon kenbaar maken.

Als ik bepaalde gevoelens onderga en ik wil deze aan een ander mededelen, zo zullen zij voor de ander kenbaar worden; en wel op een wijze, die de aandacht van de ander trekt voor hetgeen er geschiedt. Het is dus niet zeker dat hier de gevoelens zelf worden overgedragen. Het kan voor de ander een visuele of auditieve waarneming zijn, of zelfs alleen maar een denken, dat er iets gaande is.

Wanneer ik mij richt op een bepaald punt van de wereld en met een voldoende kennis van de uiterlijkheden daar, zo zal ik – door mij dit met voldoende intensiteit voor te stellen – kunnen komen tot een waarneming van hetgeen op de voorgestelde plaats in werkelijkheid geschiedt.

Dat zijn regels, maar ook meteen de praktijk. Als u in staat bent u een strand op Tahiti voor te stellen met voldoende intensiteit en de wahines dansen er toevallig, dan heeft u een gratis voorstelling. En als u wilt weten wat ze in het Kremlin doen en u kunt zich die vertrekken voldoende duidelijk voorstellen, dan heeft u een grote kans dat u hoort wat daar gezegd en ziet wat daar gedaan wordt. Of u het begrijpt, ja, dat ligt eraan of u Russisch verstaat. Waarmee ik dus wil zeggen, dat dit eigenlijk iets heel eenvoudigs is. Het is maar de vraag: kunt u zich een voorstelling maken, die intens genoeg is?

Nu nemen we het bewust overbrengen van een boodschap. Als u dat wilt doen, moet u zich eerst de persoon voorstellen en hoe nauwkeuri­ger die voorstelling is, hoe beter. Dan moet u zich voorstellen, dat u tegen die persoon spreekt en als het even kan, moet u ook werkelijk praten. Dan ontstaat daardoor een uitzenden naar die ander van dat­gene wat er in u bestaat. De voorstelling is bepalend voor een zekere mate van harmonie; de overdracht is dan eigenlijk spontaan.

Als je samen droomt ‑ dat is ook zo’n gek geval ‑ dan zeggen de mensen: Dat moet altijd een uittreding zijn. Dat kan; maar het is hele­maal niet noodzakelijk. Wanneer ik nl. met een ander harmonisch ben en ik droom, dan is de kans heel groot dat door die harmonie datgene, wat mij tot dromen brengt, ook bij de ander wordt gewekt. Er ontstaan dan dro­men, die in details verschillen, waarin de hoofdvolgorde eigenlijk wordt bepaald door allebei of door alle tien desnoods. Als dat in een half‑waaktoestand gebeurt, dan noemt men het een gemeenschappelijk visioen, ook wel een gemeenschappelijke hallucinatie, als het geen offi­ciële goedkeuring kan krijgen. U ziet, deze dingen zijn heel eenvoudig.

Nu behoeft u daarvoor niets anders te doen dan alleen in uzelf de voorstelling op te bouwen. Dus iets visualiseren, iets behandelen, alsof het een werkelijkheid ware. Op het ogenblik dat u dit doet, zult u ontdekken dat er een zekere overdracht is. Hoe meer u zich oefent, des te nauwkeuriger en juister de overdracht kan worden. De communicatie is dus zonder meer mogelijk. En dit is wederkerig, want je kunt daar een zeker gesprek voeren en je kunt ook het antwoord van de ander ver­staan. Het is mogelijk op grote afstand een gesprek te voeren, zonder dat de P.T.T. (post, telegraaf, telefoon) er rijker van wordt, als je maar weet hoe je het moet doen.

Met het overbrengen van een wil wordt het wat anders. Hier geldt nl. dit: indien ik met iemand in harmonie ben, dan zal ik die ander mijn wil kunnen opleggen op het ogenblik dat de ander geen eigen wil heeft, die even sterk is als de mijne. En daarbij moet u dus wel rekening houden met een mogelijke weerstand bij de ander. Als u daarvan gebruik wilt maken, dan gaat u op dezelfde wijze te werk ongeveer als bij communicatie.

U bouwt zich een voorstelling op. Laten we zeggen ‑ een gek voorbeeld ‑ u wilt uw baas bewegen u opslag te geven. U stelt zich uw baas voor met alle details en als het even kan op zijn bureau. U zegt dan tegen hem, gewoon alsof u er zelf bent: “Mijnheer, ik wilde graag opslag hebben.” Nu gaat u achter de baas staan en u probeert met zijn mond te spreken; u hanteert hem als een marionet. Als u dat een 4 of 5 keer hebt herhaald, zegt u: “En nu zul je dit morgen ook doen.”

Wat is nu het typische? U heeft dus die mens beïnvloed. U heeft dat denkbeeld in hem doen rijzen. Maar hij zal zichzelf nooit als een ma­rionet zien. U heeft de handeling een paar keer herhaald. In zijn onder­bewustzijn zit de zaak dus een beetje vast. En als nu uw wil sterk genoeg is, dan zal hij dus als bij een post‑hypnotisch bevel zeggen: “Die man of die vrouw is eigenlijk wel wat meer waard. Ik moet toch eens laten blijken dat ik daarvoor waardering heb.” En dan gaat hij u die opslag geven. Maar het kan ook zijn, dat u uw wil niet sterk genoeg hebt overgebracht en dan zal hij zich realiseren wat u gaat doen. Hij zal echter niet onmiddellijk in staat zijn om de zaak af te kappen. U wordt dan in ieder geval vriendelijker naar huis gestuurd dan anders het geval zou zijn. Want het gaat hier om de wilskracht die men heeft. En als die baas juist het idee heeft dat hij iedereen eigenlijk veel te veel betaalt, dan kunt u hem niet overtuigen dat hij meer moet gaan betalen. Dat gaat niet. U zult het dan op een andere wijze moeten doen.

Als er sprake is van een wilsoverbrenging ‑ en zeker als dat op afstand gebeurt ‑ dan moeten wij onze innerlijke beelden zo proberen te vervaardigen, dat ze voor de ander volkomen logisch en aanvaardbaar zijn; dat ze dus niet tegen de draad ingaan. Je kunt niet tegen een ander zeg­gen: “Je moet 100,‑€ gaan stelen op het postkantoor,” als hij eerlijk is, Want dat doet hij niet. Maar je kunt hem misschien wel zeggen: “Die beambte heeft gisteren 100,‑€ gestolen. Nu moet jij die terughalen. Je moet recht doen en het dan daar en daar heenbrengen.” Als u dit op afstand als een droom induceert, kunt u daarmee resultaten behalen. Maar ik waarschuw wel even: de voorbeelden die ik hier geef zouden misschien lukken, maar de terugslag ervan krijgt u ook.

Indien we werkelijk goede resultaten willen bereiken met de wilsoverbrenging, dan moeten we eigenlijk gebruikmaken van een plan, waarvan we aannemen dat het voor de tegenpartij (degene die we bereiken willen) even aanvaardbaar zal zijn als voor ons. We kunnen dan het aanvaardbare verder doorvoeren dan de ander het misschien zou willen, dat geeft niet. Maar we moeten uitgaan van iets, wat we a.h.w. gemeenschappelijk bezitten.

En dan krijgen we: overdracht van krachten.

Nu moet u zich altijd even goed realiseren, dat u iemand niet zonder meer kracht kunt geven. Dat is misschien wel mogelijk, maar wat hij met die kracht doet, of die verloren gaat of niet, dat weet u nooit. Een overdracht van krachten met een bepaald doel houdt dus tevens een wilsbeïnvloeding in. U moet een ander dus niet alleen de kracht geven, maar ook zeggen waarvoor ze dient en wel op zo’n manier, dat de ander dat aanvaardbaar moet vinden.

Kracht overdragen doe ik door mij voor te stellen dat ik:

  1. de kracht bezit;
  2. op een voor mij kenbare wijze die kracht bezit;
  3. dat ik haar op deze voor mij kenbare wijze kan uitstralen naar een ander.

Een van de meest eenvoudige dingen is bv.: ik wil iemand kracht geven. Ik stel mij die kracht voor als een bundel van een zoeklicht. Ik heb dat zoeklicht en ik zet de ander in het zonnetje; een soort hoogtezon. Ik laat die ander dat licht absorberen en dan heb ik daarmede de krachtoverdracht tot een feit gemaakt. Ik zou het ook omgekeerd kunnen doen, maar dat kunstje leer ik u niet.

Overdracht van kracht is mogelijk, indien wij een voor ons aanvaardbare voorstelling kunnen vinden en met voldoende vertrouwen en wil die voorstelling op een ander kunnen richten. Het beeld van de ander moet in ons ook redelijk aanvaardbaar bestaan. Het behoeft niet voor 100% nauwkeurig te zijn, maar als het minder dan 80% nauwkeurig is, dan bereikt u niets.

Nu zult u zeggen: Wat bereik ik daarmee?

Laten we zeggen, dat iemand zwak is. Die persoon heeft wat kracht nodig. Dan kan ik hem op deze manier die kracht geven. Maar doe ik dat zonder meer. Dan heb ik kans dat zo iemand opstaat, zich prettig en fris voelt en onmiddellijk begint met heel veel werk………en na een half uur nog wel verder van de wijs is dan hij voordien was. Ik moet dus proberen daarin een zekere traagheid te brengen en daarvoor heb ik de wil nodig.
Wanneer ik iemand regelmatig die kracht geeft, dan kan ik hem helpen om ziekteprocessen te overwinnen. Ik kan er misschien een suggestie bij geven van een beetje opgewektheid. Ik kan zo neerslachtigheid, melancholie (ook een grote krachtvreter in de mens) misschien beperken. Wij kunnen die krachtoverdracht dus gebruiken voor genezingsprocessen bij anderen, mits wij de kwaal kennen en ons althans een redelijk juiste voorstelling kunnen maken van de wijze waarop de kracht moet worden verbruikt.
Op het ogenblik dat ik mij met inzet van geestelijke krachten ga weren tegen een bestaande toestand, heeft dit alleen zin, indien die bestaande toestand niet slechts voor mij maar ook voor anderen, die er deel aan hebben, onaanvaardbaar is. Met andere woorden: u kunt bestaande toestanden wel op die manier wijzigen, maar alleen met de medewerking van anderen. Er moet een innerlijke harmonie aanwezig zijn, een innerlijk gezamenlijk willen, dan kan de kracht worden gebruikt om een ander de mogelijkheid te verschaffen een sleur te doorbreken of iets waartoe hij anders niet zou komen.

Wij kunnen verder natuurlijk ook trachten een zekere invloed uit te oefenen, maar dat valt eigenlijk onder het hoofd: communicatie. Ik zal proberen u een heel aardig voorbeeld te geven.

Er is een bijeenkomst van …… en u wilt graag zoveel mogelijk belangstellenden er heen krijgen. Nu gaat u zich concentreren op die bijeenkomst en u gaat uitzenden: Morgen allemaal komen. Morgen is er een lezing van ……..

Wat gebeurt er? Een ieder, die ergens bewust of onderbewust is geïnteresseerd in …….. en die op dat moment niet door andere zaken in beslag wordt genomen (bv. slaapt, rust of een boekje leest), die zal de boodschap onbewust in zich opnemen. Bij een dergelijke algemeen uitgezonden boodschap wordt dus niet bewust ontvangen. Wel ontstaat er een herinnering aan het uitgezondene. Die mensen zeggen dus: “Hé, er zal ergens een avond zijn van …….. Daar zou ik toch wel eens heen kunnen gaan.” En dan is het nog de vraag, of ze het verder doen; maar de stimulans is er.

Zo kan ik dus ook “vrede op aarde” uitzenden. Ga ik dat over de hele wereld doen, dan bereik ik over het algemeen niets. Maar ik kan mij voorstellen dat er bv. in Den Haag of in Amsterdam relletjes zijn en ik heb daar een voorstelling van. Nu ga ik denken: Vrede. Waarom vechten? Vrede. En ik stel mij voor dat die zaak een beetje tot rust komt. De meeste mensen zullen dat niet bewust ontvangen, maar er zijn er heel veel die ergens naar vrede hunkeren en die zich ook met die situatie bezighouden. Er ontstaat dus een soort kracht, een suggestie, die sterker is en die vele mensen van onberaden daden zullen tegenhou­den, die ze anders zouden stellen.

Misschien zijn er nog wel meer praktische mogelijkheden te vinden, maar dan komen we toch wel op een terrein dat veel scholing vereist. Wat ik nu heb gezegd, dat kunt u met enige oefening allen zonder meer.

U kunt bv. ook dobbelstenen dwingen om in een bepaald nummer te vallen. Noem het een vorm van telekinese. U behoeft er niet vlak bij te staan en u behoeft ze ook niet in de hand hebben gehad; wat bij zuiver telekinese wel het geval is. Als u zich daar een voorstelling hebt gemaakt van degene die dobbelt en van de dobbelstenen, dan kan dat.

Op die manier kunt u bepaalde kleine dingen doen. En heeft u geleerd een voorstelling in u een ogenblik sterk op te bouwen, dan kunt u in een uitverkoop er wel wat mee doen.
U staat bv. bij een bak met hoeden en u ziet een hoedje dat u wilt passen. Nu staat er iemand naast u, die er ook naar wil grijpen. Dan stelt u zich sterk voor, dat ze net één verder grijpt. In 9 van de 10 gevallen doet ze het. En dat betekent dus, dat u ook in andere gevallen zoiets kunt veroorzaken.

Iemand moet bv. op één van 10 knoppen drukken. Eén bepaalde knop is onze wens. De hand gaat in die richting, indien u zich op dat ogenblik sterk geconcentreerd voorstelt: hij drukt op de knop daarboven of daaronder; en in 9 van de 10 gevallen lukt het u.

Een ander aardigheidje: U staat met panne langs de weg. Er komt een auto aan. U kijkt scherp naar die auto. U neemt het beeld van die auto in u op. U stelt u voor dat degene die erin zit reageert; dat hij stopt en komt kijken. In 9 van de 10 gevallen neemt inderdaad het tempo af. En al is hij u misschien reeds voorbij, zo iemand komt kijken. Dat zijn de praktische toepassingen.

En nu kunnen we zeggen: Zijn dat innerlijke krachten? Natuurlijk zijn ze dat. Dit is eenvoudig een putten uit uw innerlijk om daardoor iets waar te maken, dat in u waar is. U brengt een waarheid van uw gedachteleven over naar de materie. Maar nu moet u helemaal niet gek kijken, als daardoor bij die ander reacties ontstaan die dat compenseren.

De man stop. Hij zal misschien niet weten waarom hij heeft gestopt. Maar als u niet in staat bent om hem voldoening te geven, dus een ge­voel van tevredenheid voor dat stoppen, dan wordt hij onbeschoft. En als u die dame niet gelijktijdig het gevoel kunt geven dat dat hoedje, dat ze heeft gegrepen, toch wel wat goeds is, dan heeft u een grote kans dat ze toch nog probeert om de hoed, die u heeft gekozen, uit uw handen te grissen. U moet er dus op rekenen, de ander reageert ook. Maar we kunnen primair de handeling van een ander iets wijzigen. En dat tikje is meestal voldoende om iets, wat voor ons belangrijk is, tot stand te brengen.

Wij doen dat door onze innerlijke wereld, ons scherp geformuleerd den­ken om te zetten a.h.w. in een stoffelijke actie. Breng het over in de stof. Maar wat daar gebeurt, wordt bij de ander omgezet in een geestelijke vraag: Waarom heb ik dat gedaan? Of: Is dit nu wel zo? En daarop moeten we dan door onze actie een antwoord geven, zodat het een harmonisch geheel blijft en niet tot strijdigheden voert.

Daarmee heb ik dan een klein aantal van de praktische mogelijkheden opgenoemd. Nu moet u niet denken dat dat alles is. Er zijn nog heel veel andere mogelijkheden, want u heeft niet alleen met de mensen te maken. U heeft te maken met geestelijke krachten, met de spanningen in de kosmische structuur. En ook daar kunt u kleine, maar vaak toch wel belangrijke wijzigingen aanbrengen. Daar kunt u harmonieën doen ontstaan of misschien beletten dat ze ontstaan. Maar dat valt dan weer onder de magie of onder de schemata van bepaalde esoterische wegen en bewustwordingen. Dat zijn allemaal dingen, die men alleen in symbolen kan uitdrukken; en dat zou mij te ver voeren. Aangezien u echter een onmiddellijk praktische toepassing van die geestelijke krachten zou willen kennen, heeft u nu voorbeelden te over ervan gehad.

Ik resumeer nog even de belangrijkste punten.

  1. Bij het gebruiken van de geestelijke krachten moeten ze gericht zijn. Dit geschiedt het best door een zo gedetailleerd mogelijke voor­stelling van hetgeen men wil bereiken of van degenen die men wil bereiken.
  2. Wij moeten ons goed realiseren dat wij niet de wil, het innerlijk van de ander, kunnen wijzigen. Wij kunnen slechts de manier waar­op deze dingen tot uiting komen wijzigen. Wij moeten dus altijd uitgaan van de mentaliteit van de ander en nooit van de onze.
  3. We moeten ons verder realiseren dat wij ‑ wanneer wij een stoffelijk verschilletje hier of daar tot stand willen brengen ‑ nimmer het verschil te groot maken. Een poging om door geestelijke kracht in een stoffelijk iets in te grijpen betekent: met een zo gering mogelijke afwijking van de bestaande actie het gewenste resultaat waar te maken. Ook indien dat niet de beste of de zekerste weg lijkt; kies het kleinste verschil, concentreer u daarop volledig, want dat kunt u meestal bereiken.
  4. Dan nog een opmerking over gedachtecommunicatie. Wanneer wij onze innerlijke krachten daarvoor gebruiken, dan kunnen wij harmonieën versterken, die normaal bestaan en we kunnen zelfs nieuwe harmonieën opbouwen. Maar hoe we dit ook doen, er is altijd sprake van een wisselwerking. Ik kan nooit alleen tegen iemand spreken. Als ik tegen iemand spreek, zal de ander antwoord geven. Wanneer een dergelijke communicatie aan de gang is, moet u nooit proberen het antwoord van de tegenpartij te beïnvloeden. In dat geval valt het werkelijke contact weg. Zijn de antwoorden onduidelijk, herhaal ze. Herhaal en herhaal luider. Voeg de wens tot duidelijker antwoorden daaraan toe. Eerst dan heeft u kans, dat zo’n contact voor u een meer  concrete vorm krijgt, dat het meer afleesbaar wordt.
  5. Als u een wil overbrengt, moet u er heel goed rekening mee houden: ook hier kunt u nimmer iemand dwingen om geheel tegen eigen wezen en waarden in te handelen. Wel kunt u hem een moti­vering geven, waardoor hij ‑ handelend volgens eigen waarde en wezen ‑ toch het door u begeerde doet of benadert. Kies daarom het gestelde doel altijd zo redelijk en zo beperkt mogelijk en ook altijd in overeenstemming met datgene wat u van het wezen van de ander kent. Slaagt u niet, dan heeft u uw benadering verkeerd genomen. Tracht u de persoon in kwestie dan nog eens goed voor ogen te stel­len, vooral ook met diens eigenschappen en gewoonten en probeer het – daarmede rekening houdend ‑ opnieuw.

Al deze praktische resultaten zijn theoretisch van het eerste ogenblik af bereikbaar. In de praktijk zal men pas werkelijk goede resultaten verkrijgen door veelvuldige herhaling, zodat het “ik” getraind raakt in het uitzenden van de kracht, het opbouwen van de nodige voorstellingen en zo meer.