De innerlijke waarheid

9 april 1979

De situatie waarin de wereld zich op het ogenblik bevindt is een beetje warrig zoals u bekend zal zijn. En als de wereld warrig is, zie je ook in de sferen nogal eens wat eigenaardige verschijnselen. Wat mij betreft wil ik iets zeggen over deze vreemde worsteling tussen licht en duister die we op het ogenblik meemaken.

Het licht is duidelijk. Dat zoekt iedereen en iedereen probeert er op zijn manier wel wat van te beleven. Het duister aan zijn kant is natuurlijk ook niet alleen maar donker. Het is sterk gevarieerd en het duister probeert op dit moment zo veel mogelijk mensen op te slokken, aan zijn kant te krijgen. Nu kun je het heel erg simplistisch zeggen: het leger van het licht strijdt tegen het leger van het duister. Maar ja, ik ben wat dat betreft niet zo militair ingesteld.

Ik zou het eerder als volgt willen omschrijven. Als je harmonie zoekt dan is het begin van alle harmonie: beheersing. Je moet in staat zijn om jezelf een klein beetje in toom te houden. Wanneer je dat niet kunt, zal alles wat normalerwijze een streven naar het licht wordt, omdraaien in een streven naar duisternis, of je het nu beseft of niet. Ik heb daar eigenaardige voorbeelden van gezien. Ik kan het misschien het beste met een parabel duidelijk maken.

Iemand ziet dat hij in situaties zit die nogal disharmonisch zijn. Hij neemt het geestelijk besluit om in een snel tempo naar het licht te gaan. Hij zet zich geestelijk in beweging als een soort hard­loper en kiest de weg schuin aan de rechterkant. Hij loopt steeds harder maar vergeet dat er een bocht in de weg zit. En toevallig loopt die weg langs een afgrond. Het gevolg is dat hij juist door het on­beheerste van zijn streven terechtkomt in de diepe duisternis beneden terwijl hij op weg is naar het licht.

Dat soort dingen zie je overal. Er zijn mensen die druk bezig zijn naar vrede te streven en dat doen ze dan zo druk, dat ze iedereen die in de weg komt, opzij proberen te drukken. Die nemen dat dan niet en dan krijg je een poging die met Amin kan worden vergeleken of iets dergelijks. Een goede poging, maar het gaat net niet door.

Wat is nu de kracht die erachter ligt? In de eerste plaats heb­ben we op het ogenblik te maken met allerlei kosmische wervelingen. Er zijn nogal wat sterren die een beetje eigenaardige invloed hebben. Albedaran is op het ogenblik niet zo heel erg vriendelijk ge­zind. Algol heeft een nogal sterke invloed. In het planetenstelsel zien we op het ogenblik een betrekkelijk grote dominantie door de buitenplaneten Uranus, Neptunus en Saturnus. Neem je dat allemaal al­leen materieel bij elkaar dan lijkt het een beetje op tabascosaus. Goed in een gerecht, maar je moet er wel een klein beetje van gebruiken. Gebruik je te veel, dan brand je je bek. Zo gaat het hier eigenlijk ook.

Die invloeden op zichzelf zijn natuurlijk niet allemaal negatief. Maar op het ogenblik dat je daar te sterk op gaat reageren brand je je vingers. De grote moeilijkheid in deze tijd is dat je niet te hard van stapel mag lopen. Dat je gewoon de zaak moet aankijken.

Geestelijk gezien zijn er bovendien nog een paar andere werkingen, want we hebben niet alleen te maken met die nieuwe Aquarius waarover u bent doodgepraat en doorgezaagd. Maar het is nu eenmaal het Aqua­rius tijdperk.

Er zijn heel veel lichtende geesten die het allemaal op hun eigen manier heel goed en vriendelijk bekijken. Die zeggen: “Wij helpen om Aquarius waar te maken. De Broederschap moet heersen op aarde.” Jawel, maar de broeders hebben onderling voortdurend ruzie over hun speel­goed. Of het nou een atoomcentrale is, bij wijze van spreken, of een nieuw ideaal en dan slaan ze elkaar weer dood.

Hoe meer je tegen de mensen zegt: “Jullie zijn gelijkwaardig, ” hoe meer ze beginnen te eisen dat ze hetzelfde krijgen als de ander. En dat neemt de ander niet. Dan krijg je zo’n klein beetje als in dat bekende liedje: de één die wil de ander en de ander wil de éne niet.

Die geestelijke invloeden worden op het ogenblik bovendien nog gecompliceerder gemaakt doordat we te maken hebben met een nogal opval­lend optreden van het Verborgen Priesterrijk. Het Verborgen Priesterrijk ligt in grootorde ongeveer gelijk met de Witte Broederschap. Alleen, waar de Witte Broederschap de algemene leiding probeert te geven, zit in dat Verborgen Priesterrijk ontzettend veel behoefte om op korte termijn inwijdingen tot stand te brengen. Soms doen ze er een tijd helemaal niets aan en dan ineens krijgen ze haast. Wel, op het ogenblik hebben ze haast en zijn ze bezig om de proeven te bedenken die de mensen moeten doorstaan om bewust te worden.

Er zullen veel mensen zijn die dat in hun droomleven op de één of andere manier ervaren. Ze worden geconfronteerd met allerlei situaties die ze eigenlijk niet aankunnen. Ze moeten zich door allerlei hinder­nissen een weg banen. Soms dromen ze een compleet Tibetaans of Egyptisch dodenboek en dan zeggen ze tegen zichzelf: “Ik slaap zo onrus­tig” en: “Ik heb van die gekke dromen.” Waar zou dit van komen?

Zeer waarschijnlijk zijn dat mensen die geestelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor een bepaalde inwijding. Maar dan moeten ze wel eerst even bewijzen dat ze voldoende beheersing hebben. Dat ze niet bang zijn; en noem maar op.

Wanneer zoiets nu komt in een periode dat je alle rust hebt, ach, dan gaat dat best. Maar nu blijkt dat wanneer je s’ morgens weg wilt naar je werk, dat je om moet rijden omdat er weer eens een auto met de één of andere gevaarlijke stof is gekanteld. Daarna kom je op kan­toor en zegt men ook nog tegen je: “Waarom ben je niet vroeger weg gegaan?” Alsof het jouw schuld is. s’ Middags blijkt de zaak ook niet te kloppen. Anderen komen met vragen die je oerstom vindt. Je zegt dat en je hebt ook nog ruzie. Dan kom je thuis. Eindelijk rust, denk je. En dan heb je de televisie. Als je daar ook nog overheen bent ge­komen zak je in slaap en dan wordt er nog van je verwacht dat je de draken van de hel overwint. Dat je eindeloze torens beklimt, precies de goede bogen van licht doorgaat en dan kun je je toch wel een beetje voorstellen, dat zo iemand zegt: “Geef mijn portie maar aan Fikkie.”

Die inwijdingskans is er. Natuurlijk. Maar de omstandigheden zijn niet bepaald gunstig. Wat mij hier erg bij boeide was waarom die dingen nu samenvallen. Want het is zo leuk als je dat mooi kunt doen, nietwaar. Eerst even alle pla­neetinvloeden afwerken. De sterreninvloeden egaliseren en dan in een rustige periode gaan we inwijden. Dat zou elk verstandig mens doen. Nu is dat hetzelfde als wanneer je in de keuken de melk op hebt staan, je visite verwacht, bezig bent met de baby een luier om te doen en je bovendien nog moet zorgen dat wat in de oven staat er op tijd uitkomt. Gegarandeerd dat er ergens iets mis gaat en dan hoop je alleen maar dat het niet met de baby is.

Dus vraag je je af: Waarom doen jullie zo stom. Dat heb ik natuur­lijk niet zo gezegd, want u moet goed begrijpen dat de heren van het Verborgen Priesterrijk niet “in” zijn voor geintjes van aankomende geesten met licht bewustzijn zoals ondergetekende. Dus ik heb het heel beleefd gevraagd en kreeg toen dit antwoord:

“Wanneer wij op korte termijn over voldoende inwijdingen kunnen beschikken kan de kracht van het Priesterrijk een groot gedeelte van de materialistische ontwikkelingen tegengaan en kunnen we een hoge geestelijke kracht op aarde zodanig manifesteren, dat alle negatieve invloeden daardoor worden verdreven.”

Ik dacht: “Gooi het maar in mijn pet, ik zal het wel uitzoeken.” En dat heb ik ook gedaan. En wat blijkt? Al deze invloeden tezamen zijn het begin van een periode met sterke omwentelingen. Wanneer die omwentelingen nu alleen zouden liggen in de sfeer van het stoffelijk gebeuren dan is dat niet zo belangrijk. Maar er zit ook een bepaalde geestelijke omwenteling bij.

Een mens heeft zijn eigen mentaliteit, dat is waar. Maar die men­taliteit is voor een groot gedeelte opgebouwd uit allerhand clichés. Achter al die clichés schuilt echter een werkelijkheid. En de mensen worden nu steeds meer met de zinledigheid van die clichés geconfronteerd.

De tijd dat volk en vaderland een aanleiding was tot moord en dood­slag is allang voorbij. Tegenwoordig gaat het om het milieu of b.v. voetbal. Maar wanneer je die verandering ziet dan moet er ook de gees­telijke invloed voor in de plaats komen. Die moet sterker worden.

Wanneer in deze periode dat geestelijk licht niet sterk genoeg wordt heb je een grote kans dat de strijdlust – de verdeeldheid – steeds sterker toe gaat nemen. Ik heb wat dit punt betreft ook nog even mijn licht opgestoken bij iemand van de Witte Broederschap, die daar nogal wat vanaf weet, bij broeder Theodotus. Ik vroeg hem: “Wil je me alsjeblieft vertellen, hoe jullie dat nu zien?” “Wel, zei hij, “Het is eigenlijk heel een­voudig. We hebben op het ogenblik te maken met een fragmentatie in het menselijke ras. De samenhangen gaan steeds meer verloren. En voor ons, die streven naar de geestelijke eenheid, naar de harmonie, is een dergelijke fragmentatie natuurlijk maar heel beperkt aanvaardbaar. Wanneer daardoor regels wegvallen vinden we dat niet erg. Maar wanneer daardoor de menselijke relaties wegvallen en daarmee bewustwordings­waarden, positieve waarden, dan vinden we het wel erg.” Hieruit bleek dus dat ook hij deze periode ziet als een tijd waarin werkelijk, dus geestelijk, iets moet gebeuren.”

Ik ben het op mijn manier verder nagegaan. U hoort het, ik weet er niet veel van, maar wat ik ervan weet vertel ik u. Er zijn heel veel mensen die heel veel weten, maar die heel voorzichtig zijn dat u nooit aan de weet komt, wat zij weten. Zo moet u het ook maar zien.

Een onderzoek heeft het volgende aangetoond: de verdeeldheid die tussen de mensen ontstaat is op dit moment nog steeds gebaseerd op een behoefte aan harmonie. Wanneer we nu in de plaats van de uiterlijk­heden die innerlijke harmonie sterker kunnen maken, dan is het moge­lijk de uiterlijke verdeeldheid te overwinnen. Maar dan moet een mens natuurlijk wel – en dat is ook heel belangrijk – een beetje de moed hebben om voor zich verder te gaan met die harmonie. Ook wanneer het tegenvalt. En daar schijnt die inwijdingsprocedure erg nuttig voor te zijn.

De mens heeft verder behoefte aan kracht, aan inzicht; in zichzelf, aan rust in zichzelve. Dat kun je van buitenaf niet altijd krijgen, zeker in deze tijd niet. Op het ogenblik zijn er maar twee dingen waar­bij een mens goed kan slapen. Het één is een kamerdebat en het ander is een t.v. uitzending van de E.O. U ziet: actueel ben ik genoeg.

We moeten dus proberen die inwijding tot stand te brengen op basis van harmonie en daarbij de mens de kracht geven waardoor hij in zijn eigen wereld de harmonische aspecten steeds sterker kan uitdrukken en gelijktijdig zich a.h.w. onaantastbaar kan maken tegen veel dingen van de buitenkant, zoals zaken van disharmonie.

Die inwijding ben ik toen ook nagegaan. Ik heb geprobeerd het te ontdoen van alle beelden die erbij komen, want die beelden zijn erg persoonlijk. En in elke wereld en in elke sfeer zal het er wel weer een beetje anders uitzien. Maar wat ik ontdekte was dit: De mensen hebben bij hun inwijding op het ogenblik twee verschillende keuzen. De één is de tocht uit het duister naar het licht. De andere is het gaan uit het licht om iemand te bevrijden uit het duister. Dit zijn de twee wegen die op het ogenblik overheersen.

In beide gevallen gaat het er om dat je een enorm vertrouwen hebt in het licht of in de kracht waar je naar toe wilt. Het gaat er om dat je jezelf op geen enkele manier van je pad af laat brengen. Soms lijkt het wel een sprookje van Duizend en één nacht. Moeder die zegt: “Ach jongen, doe het toch niet” en dan toch doorgaan omdat je weet: dat is het licht.

Wanneer je wapens hebt – vooral degenen die kiezen voor het gaan helpen hebben vaak wapens in hun eigen gedachten – zal je tot de ont­dekking komen dat die wapens maar heel beperkt bruikbaar zijn. Het is je eigen kracht, je eigen inzicht en je eigen besluitvaardigheid die beslissend is.

Wanneer je die tocht vanuit het duister maakt – onverschillig tot welke van de twee soorten je hoort – dan bestaan er de z.g. rust­plaatsen. De eerste rustplaats noemen ze wel: de hal van de priester. Dat is uit een oude inwijding. Het is eigenlijk een ruimte waarin je onaantastbaar bent voor disharmonie maar waarin je gelijktijdig niet in staat bent het wezen van de harmonie te doorgronden. Je zou daar kunnen blijven en rustig zijn vanbinnen en sterk. Maar als je verder wilt moet je toch weer de confrontatie aan met de chaos buiten.

Ga je verder, dan kom je aan de volgende rustplaats. Die noemen ze weleens de groene rots of de groene weide. U kunt zich dit het beste voorstellen als een soort alm. Een soort bergweide. Je bent heel moeizaam de wand opgeklommen en nu sta je daar. Een aardig lapje groen. Een beetje schaduw. Je kunt er rusten. Er is licht. Je kunt het licht voelen. Je kunt er kracht aan ontlenen, maar er is nog steeds tussen jou en de weg verder een soort hek. Wie vraagt om door dat hek te mogen mag er niet door. De procedure schijnt te zijn dat je bij herhaling probeert die toestemming te krijgen en wanneer je die niet krijgt, ze neemt. Want tussen jou en het licht mag niemand staan.

Ga je over het hek dan begint een wandeling door een soort land­schap. Ontzettend vaag, een beetje nevelachtig en dan kom je terecht bij wat ze noemen: de regenboog of de regenboogpoort, waarin alle krachten en alle kleuren, Wij zouden zeggen: de Heren van kleuren die zijn daarin vertegenwoordigd.

Ga je daar doorheen dan krijg je wel een begrip van de eenheid van de kosmos, maar niet van de waarheid. Je hebt wel een begrip gekregen maar de essentie ontgaat je. Zou je daarachter blijven rusten dan kom je niet verder en word je weer teruggeworpen tot je weer voor het hek op het groene weiland zit.

Het is een beeldend verhaal, maar ik weet niet hoe ik het anders uit moet drukken. Hoe moet ik sferen omschrijven in termen die anders zijn dan beelden? Stelt u zich voor dat u verder gaat. U ziet dan een soort ster in de verte. Wanneer je daarnaar toe gaat blijkt dat een soort witte boog te zijn. Die boog is zeg maar blauwwit tot zilverwit. Ga je daar naar binnen, dan heb je eerst het idee: nou heb ik het licht. Maar het blijkt eigenlijk een gang te zijn. Een onmetelijk lange gang die steeds verblindender wordt. En daar moet je doorheen. Je moet verder gaan.

Ga je terug dan heb je grote kans dat je zelfs weer beneden in het halfduister terechtkomt, in de hal van de Priester. Maar kun je door­zetten dan komt er een ogenblik dat je als het ware helemaal in brand staat. Ze noemen dit de reiniging. Kom je daar doorheen dan bevind je je in een wereld met zeg maar een soort gouden nevel, waarin allerlei spiegelingen van schoonheid zijn. Het doet een beetje denken aan Zomerland wanneer je dat vanuit een hogere sfeer bekijkt. Maar dan wel de mooiste delen ervan.

Hier wordt verwacht dat je tot jezelf komt. Dit is een rustplaats waar je energie opneemt. Wanneer je van daaruit weer verder gaat -want er is nog een weg verder – dan komen we tot de uiteindelijke in­wijding. Dit is een soort glas. Het is net iets wat doorzichtig is en je gelijktijdig verblindt. Als je daar komt en door die poort gaat sta je in wat men noemt de werkelijkheid. Dan ben je door de tijd heen.

De verdeeldheid van werelden en sferen valt weg. Je hebt het concept van eenheid gevonden. Wie dit concept van eenheid bezit is in staat die eenheid overal op te roepen en dat schijnt het meest belangrijke te zijn.

Als ik het nou zo vertel dan is het een hele reis. Het kan soms een kwestie zijn van jaren van dromen voor een mens voordat hij tot die laatste stap komt. Hij zal elke keer wel weer terugvallen ook, dat is begrijpelijk. Dit soort inwijding heeft ten doel om een eeuwige waarheid in de plaats te stellen van alle beperkte waarheidsbegrippen waarmee je op aarde of in een sfeer te worstelen hebt.

Dat men deze inwijding op het ogenblik nastreeft kan ik wel be­grijpen. Ik kan niet zeggen dat ik het het ideale tijdstip vind om een dergelijke inwijding door te maken, want de mens wordt gelijk­tijdig geconfronteerd met zijn warrige wereld en met alles wat er aan de hand is.

De kosmische werkelijkheid is de voortdurende vervlochtenheid van alle dingen. Omdat je eerst door de poort van kleuren gaat en ziet hoe alles in verschillende lijnen uiteenvalt ga je ook begrijpen dat elke lijn op zichzelf noodzakelijk is. Je kunt niet zeggen: laten we al het rood uitroeien. Een beetje blauw en een beetje wit is genoeg. Dat kan niet. Want als je een van de kleuren wegneemt zou de poort van wit licht niet meer bestaan. Het is de aanvaarding van de totaliteit in de verscheidenheid. De basis van de hele geestelijke geschiedenis is eigenlijk: eenheid in verscheidenheid. Ik heb dit allemaal op mijn manier bestudeerd. Ik heb het u zo duidelijk mogelijk verteld. Maar wat ik hier vertel is een proces dat u zelf ook doormaakt. U zult in deze tijd altijd weer geconfronteerd worden met het onverwachte. En heel vaak met dingen, die u helemaal niet leuk vindt of waar u het niet mee eens bent.

Mensen zijn anders dan je had gedacht. Of je ziet ineens dat je zelf anders had moeten handelen dan je hebt gedaan en dat is natuur­lijk niet leuk. Maar begin nu eens om dat te aanvaarden. Aanvaard de situatie zoals die is. Je bent dan al een eind verder, want dan kun je gaan zoeken naar de positieve mogelijkheden die erin zitten.

Wanneer wij leren te zoeken naar het licht in alle dingen, dan betekent dat niet dat het duister daardoor niet bestaat. Het betekent alleen maar, dat wij door de erkenning van het licht in de dingen de mogelijkheid hebben om de werking, de betekenis van het duister, minder te maken. Eigenlijk is het heel eenvoudig. Er zijn mensen die enorm in de ellende zitten. Dan kun je zeggen: “Ach, mensen, zo erg is het niet. Kijk eens naar de zon en lach een keer.” U kent die termen wel. Het klinkt ontzettend leuk, vooral als jij het idee hebt dat je al een voorschot op de hel hebt gekregen hier op aarde! Die mens moet eerst de kans hebben om uit te razen. Hij moet even zijn eigen ongeluk kun­nen etaleren, moet zijn verwijten ook kwijt kunnen aan een ander. En pas wanneer dat gebeurd is kun je misschien toch nog het licht vinden.

Je kunt het duister niet ontkennen, maar je moet – juist door het te aanvaarden – proberen het licht dat daar tegenover staat steeds duidelijker kenbaar te maken. U weet hoe dat gaat in uw eigen bestaan, nietwaar? Nog iemand die kortgeleden ruzie heeft gehad? U hoeft het niet te zeggen hoor. Wie niets zegt doet het juist. Dat ligt toch heel eenvoudig, nu hier in de tijd. Het ligt in al die kosmische invloeden waar ik u over verteld heb; aan de invloeden vooral ook van de planeten en van de sterren. Maar is het werkelijk zo erg? Eigenlijk niet. Als je het goed bekijkt gaat het zo weer voorbij.

Wie van u heeft niet het idee dat hij de laatste tijd helemaal verkeerd gewaardeerd is? Maar is dat wel zo? Het kan wel zijn dat men uw bedoeling miskend heeft, of dat men uw bekwaamheden zoals u die zelf beschouwt onvoldoende gewaardeerd heeft. Maar wat zit daar ach­ter? Waar kunnen we dan ondanks dit alles toch iets positiefs vinden? Kijk, dat is iets wat je met die stoffelijke voorbeelden gemakkelijk vertellen kan. Maar laten we nu omschakelen, want het gaat om de esoterie.

Wanneer ik met dergelijke problemen te maken heb kan ik ze in mijzelf sterk maken. Ik kan me erin vastbijten. Ze worden dan steeds zwaarder. Zoals die oude zeeman met die albatros om zijn nek; je raakt het dan niet meer kwijt. Je kunt ook in jezelf proberen er iets tegen­over te stellen. Wat heb ik nog wel? Wat is er in de wereld toch nog wel goed? Wat is er geestelijk of anderszins in mij op dit moment van betekenis? En dan kom je tot de gekste conclusies. Je ontdekt dat je vanuit de omgeving veel miskenning hebt gehad, maar dat je gelijk­tijdig ook weer geestelijk de kracht hebt opgebracht, waardoor je een ander kracht kon geven, die in de put zat en het nodig had. Dat je iemand hebt kunnen genezen. Iemand eindelijk eens een keertje tot rust hebt kunnen brengen. Dat moet je ook opsommen.

In mij is een kracht die alles a.h.w. compenseert. Wanneer je die compensatie eenmaal erkent en aanvaardt zal je als vanzelf ook nieuwe mogelijkheden gaan zien. Nieuwe verbondenheden. Weet u, in de wereld buiten u zijn de verbindingen op het ogenblik ontzettend slecht. Nu bedoel ik heus niet alleen de files en de sta­kingen hier en daar. Gewoon de relatie mens tot mens. Het contact mens tot mens ligt slecht. Maar moet het daarom vanbinnen ook zo zijn?

In onszelf bestaat de mogelijkheid om een grotere harmonie te er­varen. Die harmonie kunnen We juist dan uitstralen naar degenen met wie we misschien een conflict hebben. We kunnen proberen de zaak te egaliseren. We kunnen proberen om harmonieën op te bouwen daar, waar we op het ogenblik voortdurend bezig zijn het ons aangedane onrecht te herkauwen.

Ja, het is vreemd; de mens is een fysieke vleeseter met de neiging tot psychisch herkauwen. Je moet gewoon van die neiging af. Niet bezig blijven met wat er is geweest. Afwerken. Kijken, wat je er positief tegenover kunt zetten. Laat je gedachten gaan. Spreek in gedachten met anderen, wanneer ze zo niet naar je luisteren. Probeer het op die manier. Want de mensen kunnen op het ogenblik niet gewoon op elkaar reageren op de juist wijze, al zouden ze het willen. In uzelf is het precies hetzelfde. Wanneer u bezig blijft met de uiterlijkheden zult u ook innerlijk niet juist kunnen reageren op de krachten die er zijn.

Stel dat er iemand komt om u in te wijden. Laten we het een keer aannemen. Iemand van dat Verborgen Priesterrijk zendt u een droom. Zendt u een beleving. Stelt u een taak tijdens iets wat u als een uit­treding beschouwt. Dan zegt u: “Ja maar, ik heb nog zoveel dit … en dat.” Dan bent u al weg. Wanneer je werkelijk wilt werken met geeste­lijke krachten en met geestelijke inzet, wanneer je door de poorten van inwijding wilt gaan, wanneer je ergens die lange tocht wilt vol­brengen tot het ogenblik dat je zegt: “Nu heb ik de kosmische waar­heid, dit eeuwig rustende waarin alles tegenwoordig is,” zal je toch moeten beginnen met al die kleine dingen over boord te gooien.

De kracht is er. De krachten waarover u op het ogenblik beschikt zijn vaak onvoorstelbaar. En dan bedoel ik niet de lichamelijke kracht.

De mogelijkheid is er want achter alle disharmonie die u op het ogen­blik uiterlijk zo sterk ervaart, hunkert u van binnen naar die harmo­nie. Naar dat beeld van eenheid, van versmoltenheid, van volledig er­kend zijn en erkennen. Waar of niet? Dat ligt diep in jezelf. Dat is geen kwestie die je uiterlijk kunt oplossen. Dat is een kwestie die je alleen diep in jezelf kunt waarmaken. Wanneer je de behoefte hebt en je hebt die kracht dan moet je toch eerst eens beginnen een gees­telijk netwerk te bouwen van harmonie.

U hebt in deze tijd in uzelf wel degelijk enorm veel lichtende mogelijkheden, al is het alleen maar door het werken van die ver­schillende grote groepen uit de geest. U beschikt over heel wat meer kracht dan u zou veronderstellen, want u kunt op het ogenblik van­uit uzelf vaak, veel meer waarmaken langs de geestelijke weg dan u stoffelijk ooit zou lukken. Waarom zouden we dan, ook wanneer u nu toevallig in de stof leeft, blijven staan alleen bij die stoffelijke zaken?

Laten we eens proberen die harmonie in onszelf te maken tot een soort droom. Een droom waarin we spreken met anderen. Waarin we de erkenning aan anderen geven en van anderen ervaren. Een idee waarbij eigenlijk de details wegsmelten en alleen nog overblijft, een soort lichtend netwerk van mensen, die samen een innerlijke harmonie hebben.

Als je dit probeert op te bouwen ga dan elke keer naar de kern van je wezen en zeg: hier is licht. Hier is de kracht. En hoe je dat dan wilt uitdrukken, met een halleluja of wat mij betreft met een lelijk woord, een drieletterwoord, precies zoals u wilt; hoe je het om­schrijft maakt niets uit. Maar in jezelf heb je licht. In jezelf is een onaantastbare kern. Elke keer dat je denkt: dat netwerk is nog niet zuiver genoeg, dat reageert nog niet, ga je terug naar die kern.

Je drinkt je vol met licht alsof je een soort bloedzuiger bent. Je zuigt het in je op totdat je bijna barst van die kracht. En dan ga je weer werken aan dit netwerk. Aan de verbondenheid met mensen die je kent en die je niet kent, met mensen ergens heel ver weg en mensen heel dichtbij. Aan al die dingen samen. Die innerlijke weerkaatsing. Die innerlijke harmonie.

Ik heb zo’n idee dat je dan veel dichter in de buurt komt van die werkelijke inwijdingsmogelijkheid. Zelfs wanneer je betrokken bent in zo’n inwijdingsgang – en dat is op dit moment misschien ook denkbaar -zal je ontdekken dat je daar ineens de toegang krijgt tot een nieuwe mogelijkheid. Een nieuw licht. Dat je de dingen beter gaat doorzien, beter gaat begrijpen, beter gaat doorleven.

Mijn indruk is dit: Er zijn op het ogenblik veel eigenaardige dingen aan de hand in de wereld. En er zijn in de geest ook een hele hoop dingen aan de hand. Wij mens en geest zoals we zijn moeten daar tegenop boksen. Ik denk dat we dat alleen kunnen wanneer we uitgaan van onze innerlijke kracht met daarnaast de verbondenheid van onze innerlijke kracht met de innerlijke kracht van anderen.

Ik geloof dat we geestelijk en esoterisch gezien moeten beseffen wat wij zijn. En als we zo beseffen dat wij één rietje zijn in de bun­del van mogelijkheden, dan zoeken we harmonie met zoveel andere riet­jes dat we door de hele situatie niet meer gebroken kunnen worden. Dat we ondanks onze tegenstelling, ondanks ons gevoel van niet juist functioneren toch in staat zijn met die anderen samen al de stoffe­lijke invloeden voor zover ze niet aanvaardbaar zijn, af te wijzen. Een scherm te maken waar de disharmonie geen plaats meer heeft. Een verheldering te scheppen waardoor de onbelangrijkheid van een groot aantal dingen eindelijk eens duidelijk wordt. Waardoor de mogelijkheid ontstaat om vanuit de geest en in een geestelijke samenwerking met die anderen iets positiefs te doen en de inwijdingswaarden op aarde op dit moment hun kans krijgen.

Ja, dat is mijn idee. Nu zegt u misschien: “Het is toch maar pra­ten.” Als u er alleen naar luistert en er niets aan doet blijft het praten voor u. Als u er wel wat aan doet zult u zien, dat ik met al mijn misschien wat eigenaardige omschrijvingen toch heel erg dicht bij de waarheid zit.

Ik geloof dat u, wanneer u zoekt naar die harmonie in uzelf en die verbondenheid met anderen, u zelfs tot de conclusie zult komen dat u in deze inleiding – uit nood gehouden omdat ik nog steeds niet weet wie de gastspreker van zo dadelijk is – toch ergens een aanwijzing zit voor een eigen verdergaan in esoterische zin, maar gelijktijdig ook een exoterische mogelijkheid.

Hartelijk dank voor uw aandacht. Na de pauze krijgt u een gast­spreker en geloof me, het zal voor mij een even grote verrassing zijn als voor u.

De innerlijke waarheid

De kern van mijn betoog – dat zult u ongetwijfeld bemerken – is de innerlijke waarheid, bezien vanuit mijn persoonlijk standpunt. Want waarheid is iets wat niet bestaat. De innerlijke waarheid van de mens is de sluier die hij heeft gehangen tussen zichzelf en de werkelijk­heid. De waarheid van de kosmos is datgene wat we niet kunnen over­zien en dus niet kennen. En toch zijn we altijd weer op zoek naar een innerlijke waarheid.

Wij weten ergens – of we mens zijn of geest – dat datgene wat we denken te zijn niet helemaal echt is. Dat er iets mankeert. Dat er iets anders is. In onze voortdurende strijd om licht; om schoonheid of wat u verder ook maar wensen moge, zijn we altijd weer bezig om voor onszelf die aanvulling te krijgen waardoor wij eindelijk een blijvende volledigheid kunnen ervaren. Dat is eigenlijk zonderling. We spreken over een innerlijke waarheid. Maar zelfs wanneer we ze bereiken kun­nen we daarmee niet werkelijk vrede hebben.

We zoeken naar het hoogste licht. En als we het eenmaal gevonden hebben vragen we ons misschien zelfs af hoe we het uit kunnen doen. Want zo is een mens. Zo is een geest. Het is voor ons eigenlijk een spel. Een spel waarmee we proberen de totale onvolledigheid van ons eigen wezen, zoals wij die ervaren, te bemantelen of tijdelijk te ver­drijven.

Vaak is het geheel van onze geestelijke oefeningen niet veel meer dan een rustige bezigheid tussendoor. Zoals vrouwen zitten te breien terwijl ze ondertussen spreken over de fouten van anderen. Wanneer we bezig zijn met ons geestelijk werken dan bouwen we dat op totdat we een tempelschrijn hebben opgericht voor iets, wat eigenlijk met één ge­dachte en een gebaar ook zou kunnen. Wij zijn voortdurend bezig om de wereld en onszelf, om de sfeer en ons eigen ik een klein beetje te be­driegen omdat we niet toe willen geven dat we zo onvolledig zijn. Nu is het natuurlijk erg leuk om die dingen te zeggen, maar waar vind je het antwoord? In een ver verleden heb ik het eens neerge­schreven: “Ik droom en ik ga langs de paden. Ik ga langs de heuvels. Ik ga door het dal en zie en beleef. En ben vol verwachting wat ach­ter de heuvel nog komen zal. De weg die ik ga ben ik dra weer vergeten. Maar dat, wat zal komen is me een droom. En nooit wordt mijn droom tot werkelijkheden.” En dat is eigenlijk datgene waar het om gaat.

Mijn droom wordt nooit tot werkelijkheid. De geestelijke droom, van de hoogste verlichting niet en de menselijke droom van dat meevallertje of dat beetje geluk ook niet. Het pakt altijd anders uit.

De innerlijke waarheid is eigenlijk, dat datgene wat we zijn niet zo belangrijk is. En dat is nou juist het enige, wat we niet kunnen aanvaarden. In een geheel hebben we betekenis en alleen zijn we waar­deloos. Maar ja, wie zal dat toegeven?

Wanneer we al samenwerken met anderen, we ons verbonden voelen in een sfeer zeggen we al heel snel: “Dat was dan ook wel nodig want wij moesten die arme zielen helpen en verheffen.” Vergeet het maar.

Wij dromen dat wij het Al zijn en we zijn niet meer dan een stofje, dat danst in de zon.

Wij dromen dat wij het Licht zijn en we zijn alleen een kleine on­derbreking in een duisternis, die elk ogenblik weer dreigt dieper te worden.

We dromen dat wij de beweging zijn. De bewegende kracht van de to­taliteit en terwijl we bezig zijn dat te vertellen, staat alles weer stil.

We zeggen dat we het eeuwige leven zijn en ondertussen zien we on­ze wereld steeds grijzer en valer worden. Of we zien de dood steeds dichterbij komen. En of we het nu eerlijk toegeven of niet, daar voelen we niet voor.

De waarheid is, dat we alleen als deel van het geheel betekenis hebben.

De waarheid is, dat alles wat we zijn, alles wat we doen, alles wat we gedaan hebben, alleen maar betekenis heeft door datgene wat het in het geheel betekent. En op geen enkele andere manier.

De innerlijke waarheid is dat ons ik waardeloos is, tenzij het be­tekenis heeft voor anderen. Misschien ook een filosofie die u niet zo erg zal liggen.

Toen ik ermee begon leek het mij een erg bittere conclusie. Maar nu ik wat rijper geworden ben, wat meer van de kosmos ga leren besef­fen, nu weet ik dat alles eigenlijk met elkaar vervlochten is. Weet u, wanneer je zegt dat de kosmos een draad is dan vergeten wij, dat die draad is gevlochten uit vezels die wij zijn. We zijn niet de draad. We zijn alleen maar de vezels. Maar zonder de vezels is de draad niet.

Het is de wederkerige verbondenheid tussen mens en eeuwigheid. Het is de relatie die bestaat tussen het kleinste ik en de meest om­vattende Godheid, die je voor kunt stollen. Daaraan ontlenen we eigen­lijk onze betekenis, maar ook onze kracht.

U kunt de wereld niet veranderen. Maar wanneer u het uwe doet en anderen het hunne kan niets de verandering van de wereld tegenhouden.

U kunt anderen geen verlichting geven. U kunt ze niet inwijden in een nieuwe wereld en een nieuwe kosmos laten zien. Maar u kunt wel een klein stukje bijdragen als anderen het ook doen. Dan zal voor allen die nieuwe kosmos een werkelijkheid worden. Ik geloof dat dat eigen­lijk de essentie is.

De innerlijke waarheid is dat je zelf en alleen eigenlijk niets bereikt. Je kunt alleen iets zijn. En dat wat je bent ontleent zijn betekenis aan het feit, dat er vele anderen bestaan in wie dat zijn eenzelfde nadruk heeft gekregen.

Mensen hebben wetten gemaakt. Soms wetten uit God. Soms uit bur­gerlijke overwegingen, uit sociale rechtvaardigheid. De sferen hebben op hun eigen manier hun wetten gemaakt uit de beelden die ze samen delen en uit de angsten die ze proberen te weren. Maar zijn die wetten eigenlijk nodig?

Als je de innerlijke waarheid zoekt kom je tot de conclusie dat wetten niet noodzakelijk zijn. Integendeel, dat wetten een bemanteling zijn van de werkelijkheid.

De mensen zeggen dan: “Maar er moet orde zijn.” Maar hoe kan er een orde zijn wanneer de delen van één geheel tegen elkaar zijn opge­zet? Het is gemakkelijk om te zeggen dat de Here voor ons voorziet. Ik heb het duizend keren gehoord, ook in mij tijd. Ja, ja, dat zal wel zo zijn. Maar moeten wij dan maar wachten tot de Here voorziet of moeten we zijn wat we voelen te moeten zijn? Is de innerlijke waarheid dan dat we zo machteloos zijn, dat we alleen van buitenaf als ledenpoppen of wormen, die door een visser worden uitgezocht, uit de beper­king van ons eigen bestaan kunnen komen? Dat is geen trots. Geen Luciferiaanse benadering van de innerlijke werkelijkheid. Het is ge­woon redelijkheid. Hebben we dat dan allemaal zo nodig?

Wanneer ze: mij spreken over de Christus die van buitenaf een mens moet verlossen, zeg ik: “Jullie hebben een verloskundige van Hem ge­maakt, maar voor mij is Hij een deel van mijn wezen. Hij is iets waar­mee ik verbonden ben. Waardoor ik betekenis krijg- door wat ik ben.”

Als ze spreken over de Almachtige die heerst, zeg ik: “Jazeker, de Almachtige heerst. Maar de Almachtige is een deel van mijn wezen en ik ben een deel van Hem. Hij heerst niet. Hij maakt alleen waar, door datgene wat ik ben én datgene wat Hij is.” En dat klinkt dan te trots.

Ik geloof in de eenheid van licht. Ik geloof in die eenheid van kracht waarin alle krachten samenvloeien tot ze weer geworden zijn: het eerste woord dat Schepping betekent.

Ik geloof in de tijd. Maar ik geloof ook in het samenvloeien van ­alle tijd tot het tijdloze eruit is voortgekomen.

Ik geloof in de persoonlijkheid van mens en geest. Maar ik geloof ook, dat de betekenis daarvan pas duidelijk wordt, wanneer ze zijn samengevloeid tot die ene kosmische persoonlijkheid waaruit alles be­staat. Waaruit alles voortgaat.

Ik geloof in mijzelve alleen als deel van een geheel. Ik geloof in de zin van mijn bestaan alleen als een functie van een totaliteit. Dat is mijn innerlijke waarheid.

Nu weet ik wel dat dat altijd een beetje lastig is, want u ziet de dingen anders. U zegt de dingen anders. U formuleert misschien ver­schillend. Maar is het niet zo, dat wanneer de heide een paarse gloed heeft ze haar kleur niet ontleent aan elke bloem afzonderlijk, maar aan een ontelbaar aantal kleine bloemen die daar bijna drogend voor een ogenblik de vreugde uit de barheid van het zand weten te toveren? De gloed van de heide, die haar schoonheid is, haar kenmerk, kan niet door één bloem alleen gegeven of beseft worden. Door de vele bloemen samen ontstaat ze. Is ze de gloed, is ze de werkelijkheid geworden. De verrukking en de schoonheid. En zo zie ik nou het leven.

Ik weet het wel, u bent allemaal erg voornaam en erg belangrijk. Dat ben ik ook geweest, maar dat gaat voorbij.

Weet u, het goede en het verkeerde wat u hebt gedaan gaat allemaal voorbij. Op het ogenblik spreken ze nog over Socrates en misschien over zijn vrouw. Maar weten zij hoe lastig Socrates was en hoe zorg­zaam zijn vrouw? Dat zijn ze allang vergeten. Misschien maar goed ook, want dé grote mannen van de geschiedenis zijn alleen groot omdat hun fouten onbekend zijn gebleven. Omdat die vergeten zijn. Zoals heiligen heilig worden omdat de mensen vergeten hun zonden op te sommen. Zoals grote denkers alleen grote denkers zijn omdat hun kleinzieligheden be­graven zijn met hun lichaam. Zo is toch de werkelijkheid?

Als we zoeken naar een innerlijke waarheid, moeten we dan aan dit feit voorbijgaan? Moeten we ons dan spiegelen aan de onwerkelijke voorbeelden van een verleden? Aan de overdrachtelijke denkbeelden van de groten, die konden wat wij nooit zullen kunnen? Of moeten wij be­seffen dat we één zijn? Dat wij samen met die anderen deel uitmaken van de stroom van tijd, die tezamen het beeld van de eeuwigheid vormt? Als dat het geval is dan gaat het er niet om belangrijk of onbelang­rijk te zijn. Dan gaat het er om bewust te zijn. Zo bewust mogelijk deel van de totaliteit. De waarheid is niet wat ik beteken, maar dat wat ik ben. Waar ik deel van ben. Waar ik bij hoor.

Waarheid is niet iets dat tweeledig is. Waarheid kan op verschil­lende wijzen benaderd worden. Ze kan vele aangezichten hebben, maar er is maar één waarheid. En als er maar één waarheid is, wat maakt het dan uit van welke kant wij toevallig komen? Maakt het uit wie pro­beert iets over die waarheid te zeggen of gaat het erom, dat we de waarheid proberen te beseffen? Gaat het erom wie hier miraculeuze krachten manifesteert en grote lichtgordels doet ontstaan of gaat het er misschien om, dat we samen deel zijn van diezelfde kracht; altijd en overal? Het is maar hoe je het bekijkt.

Misschien had ik hier beter niet kunnen komen. Misschien had ik het beter over kunnen laten aan één van mijn collega’s die zelfs een niet geheel mislukt pontificaat op aarde achter zich heeft. Hij zou ongetwijfeld meer zegening gebracht hebben dan ik. Ik heb ondeugende dingen geschreven. Pamfletten die helemaal niet mochten. Ja, zo was ik en zo ben ik ergens nog. Je kunt heus wel een lichtende geest zijn en toch nog ergens een pamflettist blijven. Waarom ook niet. Die moeten er ook zijn. Ik geloof dat de zalvende woorden van mijn collega zin­rijk zijn geweest omdat de tegenstelling er was van het pamflet. Omdat daar de dichterlijke melodie tegenaan stond van de dichter. Omdat naast het geloof van de gelovigen het ongeloof van de heidenen heeft gestaan. Zonder dit zou alles betekenisloos zijn geweest.

Daarom zeg ik; het maakt niet zoveel uit wie het nou toevallig zegt. Het maakt eigenlijk niet eens uit hoe het wordt uitgedrukt. O, voor u wel. Want u zoekt het nog in de vorm en zolang we de vorm zoe­ken doen we dat, omdat we de essentie nog niet door hebben. Die hebt u nog niet gevonden.

We vinden elkaar vaak een beetje eigenaardig. Misschien hebt u dat ook als u rond u kijkt in de wereld. Er zijn toch een hoop rare mensen. En daar heeft u gelijk in. Maar als zij niet zo raar waren zou u de enige eigenaardige zijn. En het wonderlijke is dat al die verschillende eigenaardigheden zo goed combineren, dat de mensheid toch nog een grote geestelijke waarde kan geven. Dat er in die vele, schijnbare idioterieën van geest en mensheid, toch die innerlijke waarheid leeft en van­uit die waarheid voortdurend weer opnieuw het enig werkelijke kenbaar wordt. Dat is het.

Ik weet het. Je moet het eigenlijk verkopen. Dat heb ik vroeger ook gedaan met woorden. Ik kan het nog. Niet dat het belangrijk is, want het is maar een uiterlijkheid. Maar goed.

Kijk dan. Doe je ogen even dicht en kijk eens even goed naar jezelf.

Kijk naar jezelf en zie het eeuwige licht dat in je leeft. Zie de kracht die in je groeit.

Zie de macht die in je bloeit.

Zie hoe de totaliteit voortdurend schrijdt.

Waar in de tijd, de werkelijkheid van zijn, in u. Eén letter ben je van een woord.

Een woord dat in het gehele boek één klein woord is en niet meer. Maar zo schrijft het toch de waarheid neer

De zin van zijn en werkelijkheid.

Zo schrijft zich de eeuwigheid

Haar naam in al het gebeuren.

O, dat vindt u mooi. Zo zie je, de wansmaak is nog niet veranderd. Het gegalm van de woorden vervangt heel vaak de zin voor de werke­lijkheid. En de werkelijkheid waarover wij praten is de innerlijke werkelijkheid. Dat is uw werkelijkheid en ook de mijne. Het is de werkelijkheid van ons allemaal. Het is Het enige wat waar is, het enige wat overblijft als al het andere verdwijnt.

De waarheid is, dat we alleen met anderen samen iets zijn. Het is de waarheid dat we door de kracht die in ons leeft door alle tijd be­staan. Dat de betekenis die wij hebben, hoe gering ze nu ook lijkt, nooit ten gronde kan gaan en nooit gemist kan worden, nooit ontbreken kan, wil de Schepping ooit als haar eeuwig wezen geopenbaard zijn. Dat is de werkelijkheid.

U hebt nooit geweten dat u zo onmisbaar was. Maar het is zo. En niet alleen maar onmisbaar omdat u zo braaf bent en streeft haar be­wustzijn. Neen, ook om al die gemene dingen die u hebt gedaan. Die horen er ook bij. De roddel hoort erbij en dat waar je niet over praat. Dat hoort er ook bij. En al het andere wat u liever vergeet, hoort er ook bij. En datgene waarvan u droomt, hoort er ook bij.

Innerlijke waarheid is de totaliteit. Innerlijke waarheid is dat vonkje van verbonden zijn met de werkelijkheid. Het is niet de open­baring in zichzelve. Het is de kracht waaruit de openbaring plaats vindt. En als je je daaraan vasthoudt zal er een ogenblik zijn dat je zozeer deel bent van die totaliteit, dat je haar hoe dan ook beseft. Tot die tijd blijft u voortgaan in uw eigen wereld.

Er komt een ogenblik dat u overstapt naar één van onze werelden. Daar blijft u ook weer een tijdje en daarna gaat u of terug of, als u geluk hebt, kunt u een graadje hoger zoals dat heet. Zo gaat u zegenend en weldoende door de tijd nietwaar? Het gaat niet teniet.

De innerlijke waarheid is dat het er allemaal niet op aan komt om­dat je deel bent van de eeuwigheid. Het betekent dat de nadruk die u legt in uw leven in feite een vertekening is van de werkelijkheid en niets anders.

Aanvaard dat nou met die innerlijke waarheid. Je bent niet zo be­langrijk als je denkt en niet zo onbelangrijk. Je bent. Je bent als deel van het zijnde en dat is het enige belangrijke. Daarom kun je gemakkelijk zeggen: innerlijke waarheid vind je eigenlijk niet. Je kunt haar alleen maar “zijn”. Daarom kun je gemakkelijk zeggen dat alles wat wij innerlijke waarheid noemen ergens een leugen is. Dat zelfs de kosmische waarheid zo onoverzichtelijk is, zo onoverzienbaar en complex, dat we ze nooit zullen beseffen. Maar we kunnen ze “zijn”. Dat is hetgeen waar het om gaat. Dit is mijn visie op esoterie. Mijn visie op de esoterie betekent dat u zelf licht bent en dat u zelf kracht bent. Dat u uw beperkingen maar moet vergeten en dat u alle denkbeelden waar u dagelijks mee leeft, gewoon eens naast u neer kunt leggen voor een ogenblik.

Mijn esoterie is als een gedicht. U verstaat de woorden die de wind fluistert, die kent de geheimen die de bomen verbergen achter hun bladeren. Die verstaat de zang van de zon die langs de hemel gaat. Maar wie dit al erkent bestaat, al heeft hij niet verstaan. Dat is voor mij het antwoord. We kunnen niet verstaan. We kunnen niet begrijpen en dat is niet nodig. Maar we zijn. En zijnde zullen we ons beroepen op de totaliteit.

En spreek ik uit mijzelf het woord van licht, voorwaar de zon is onderdaan en zelfs de maan buigt nederig neer en hoort mijn woord. Want zie: ik ben de zon, de maan. Ik ben het akkoord waarin de sterren zingen. Ik ben het einde van de tijd en het begin van alle dingen. Ik ben de enige werkelijkheid, bestaande uit een macht die mij heeft voortgebracht. En levend in een macht waarin ik onderga.

Ik ben de kracht. Ik ben de macht, zolang als ik besta. Want ik weet niet of er een tijdloos, eindeloos bestaan is of niet. Maar ik weet dat ik ben. Verwant met alle dingen.

Mijn innerlijke waarheid zegt mij dat ik, ondanks de beperkingen van mijn vermogens en mogelijkheden, de kracht kan zijn van het geheel. Zodat ik mij steeds meer bewust kan worden van alle dingen samen waarin ik onmisbaar ben en belangrijk. Waarin ik de zin vind van het zijn. Waarin ik de bevestiging vind van alle mogelijkheden. Waarin ik droom. Waarin geopenbaard wordt de waarheid als totaal, die mijn innerlijke waarheid schroomt te erkennen.