De innerlijke werkelijkheid

De innerlijke werkelijkheid

Deze cursus houdt zich bezig met alle gebieden van het menselijk bestaan. Het belangrijkste voor een mens is eigenlijk zijn innerlijk. Daarom zullen wij de eerste lezingen besteden aan de innerlijke werkelijkheid. In elke mens leeft een wereld die niet werkelijk buiten hem bestaat. Toch reageert hij op deze wereld als de enige werkelijkheid. Men is zich niet bewust van de invloeden die de buitenwereld op een mens kan uitoefenen. Er zijn zoveel van die dingen waar je eigenlijk niet naar kijkt of waar je niet op let. Dat gaat van de invloed die geuren op ons hebben tot onze voorkeur voor kleurigheid en zelfs een zekere gemakzucht waardoor we bepaalde gewoonten, ook denkgewoonten, plegen aan te nemen.

Het is duidelijk, wat in ons bestaat is datgene wat ons regeert. Om nu aan te geven op welke wijze en hoe dit innerlijk gezag functioneert, moeten we proberen het geheel, dit complex, allereerst eens te ontleden. Daarvoor zijn verschillende punten; sommige daarvan heeft u ongetwijfeld al eens eerder horen behandelen.

Genetische herinnering

In de cellen is een bepaald herinneringsvermogen opgeslagen dat mee bepalend is voor de kwaliteiten daarvan. In een zaad- of eicel bevinden zich zeer ingewikkelde moleculaire structuren (DNA) waarin een groot gedeelte van de eigenschappen van de cellen worden vastgelegd maar ook, en dat vergeet men vaak, het gedragspatroon van die cellen en een zekere herinnering, zij het dat die voor het bewustzijn meestal schimmig of vaag blijft. De dromen van een mens zullen heel sterk wor­den gedicteerd door die celgeheugens. Als uw voorvader ruzie heeft gehad, dan krijgt u misschien een nachtmer­rie waarin u eigenlijk die ruzie weer naspeelt, nu met uzelf als hoofd­figuur en een onbestemde dreiging op de achtergrond.

Het geestelijke herinneringsvermogen

Zoals u weet wordt dit tijdens de groei van de vrucht bij een steeds intenser contact tussen de incarnerende entiteit en het lichaam voor een groot gedeelte overgebracht naar de hersenen. Een deel ervan komt terecht in de rechter hersenhelft, een deel ervan echter ook in de linker hersenhelft en wel speciaal in de centra voor beeld‑, klank- en kleurherinnering.

Dan kennen we nog de frontale hersenlobben. Ook daarin worden bepaalde kwaliteiten vastgelegd. Dit zijn in feite gewoontepatronen die uit vroegere levens afkomstig zijn. Het zijn dus weer herinneringen, maar nu aan je eigen manier van werken, denken en leven.

Bij de geboorte is er altijd een trauma, d.w.z. dat je een schok ondergaat. Een schok kan, zeker bij zo zwak vastgelegde herinneringen in groeiende hersenen, de directe toegankelijkheid verloren doen gaan. Maar er blijft een groot gedeelte ervan aanwezig.

Nu kunnen we van deze herinneringen het volgende zeggen: in de eerste plaats zijn vooral de kwaliteiten en de vaardigheden vastgelegd in de frontale hersenlobben, welke een zeer sterke invloed op de ontwikkeling van het bewegings‑ en gedragspatroon van het individu. In de tweede plaats wordt al datgene wat in de rechter hersenhelft is vastgelegd, als emotie ervaren en functioneert als een emotionele conditionering. Maar in deze conditionering zit tevens een mate van rationalisatievermogen. Je kunt dus steeds aan jezelf verklaren dat je terecht op een bepaalde manier denkt of voelt.

Datgene wat in de linker hersenhelft is terechtgekomen, wordt praktisch volledig verdrongen naar het onderbewustzijn. Bepaalde hevig herbeleefde fragmenten zullen tijdens de incarnatie echter naar voren blijven springen. Wij zien bijvoorbeeld dat ze het fantasieleven van jonge kinderen heel sterk beïnvloeden. De een droomt altijd van landhuizen, de ander van zeerovers, de derde van een bepaalde kunstvorm of misschien zelfs van een zekere lichamelijke overmacht.

Een ander niveau waarmee we te maken hebben, is de wereld waarin we leven. Nu klinkt het voor u misschien wat vreemd maar juist wanneer je heel erg jong bent, ben je eigenlijk voortdurend bezig om jezelf, en ook je wereld, te ontdekken. Dat gaat meestal tot 6 á 12 maanden na de geboorte.

In deze periode nemen we allerlei indrukken op die we niet rationeel kunnen verwerken. Ze worden deelherinneringen voor zover dat het redelijk beheerste deel van de hersenen betreft. Ze worden ook als extra emoties vastgelegd in de andere hersenhelften. Ook deze bepalen de voorkeuren, maar ook onze interpretaties. Dat laatste is erg belangrijk. Want als wij de factoren die tot nu toe zijn genoemd even samenvatten, dan wordt het duidelijk dat ik niet kijk naar datgene wat er nu is. Ik kijk naar datgene wat er nu is door de lens van wat ik stoffelijk ben geweest maar op de manier van een andere persoonlijkheid die ik geestelijk ben geweest. Daarbij ontstaan er zwarte vlekken (dus uitwissingen die weer worden bepaald door de jeugdherinnering).

Daarmee is, meen ik, in eerste beginsel al duidelijk gemaakt dat de innerlijke werkelijkheid van de mens eigenlijk een zeer complex geheel is waarbij bepaalde factoren worden versterkt, andere worden veranderd en zeker ook bepaalde factoren die in de buitenwereld bestaan, worden uitgewist. Uw gehele herinneringsvermogen wordt echter opgebouwd op grond van uw ervaring met de buitenwereld. Als u een innerlijk leven heeft, dan zal zich dat rationeel en emotioneel wel degelijk afspelen volgens de normen die in u op dat moment heersen.

Conditionering door de omgeving

De omgeving leert u van alles aan want u maakt deel uit van een gemeenschap en u moet uw gedrag aan die gemeenschap aanpassen. Dat is niets bijzonders. Dat zien we ook bij dieren. Een welp krijgt een zekere vrijheid tot het ogenblik dat hij zich zelfstandig met een roedel, een horde of een kudde gaat bewegen. Vanaf dat ogenblik krijgt het dier aan­wijzingen zodat het de gezagsorde aanvaardt en daardoor de gewoonten van de kudde a.h.w. overneemt en in zekere zin de taal van de kudde gaat spreken. De taal van de kudde behoeft helemaal niet op de werkelijkheid gebaseerd te zijn, maar ze is er wel.

De jonge mens komt in een omgeving. Die omgeving begint hem onmiddellijk lastig te vallen met allerlei zaken. Vele daarvan zijn veronderstellingen, het zijn dus geen waarneembare feiten. Als het kind moet bidden ‘Here, zegene deze spijzen’, dan wordt de Here voor dat kind een figuur. Maar die figuur wordt niet bepaald door de predikers van het geloof. Ze wordt bepaald door de associaties, als vooromschreven, die in de innerlijke wereld aanwezig zijn. Het aangezicht van God wordt bepaald door de genetische, de geestelijke herinnering en eventueel de eerste ervaringen tijdens de eerste levensmaanden. Dat klinkt vreemd. Maar als u in de innerlijke wereld bezig bent, dan leeft u eigenlijk in een soort droom‑ en filosofiewereld.

In de gedachten is alles mogelijk, zegt men. Maar is dat waar? U bent geconditioneerd, dat wil zeggen dat u heeft geleerd sommige dingen zonder bewijs als waar of zeker te aanvaarden en andere dingen, ongeacht het bewijs, als onjuist te verwerpen. Dat zal in uw innerlijke wereld zeker een grote rol spelen. Het zal ook wel degelijk bepalend zijn voor uw reactie op de buitenwereld.

Als die conditionering alles zou zijn, dan waren wij er misschien al. Maar u heeft ook nog een eigen karakter. Nu kunnen we over karakter veel strijden. Karakters zijn natuurlijk voor een deel genetisch bepaald, voor een ander deel zijn ze door de omgeving bepaald. Maar één ding springt er dan altijd weer uit: het karakter impliceert een eigen oriëntatie op de wereld buiten het ‘ik’. Bijvoorbeeld, men wil zich laten gelden. Men wil het liefst ongestoord blijven. Ik noem nu maar twee van vele mogelijkheden.

Als deze dingen aanwezig zijn en ze zijn dominant, dus zeer sterk in het karakter aanwezig, dan zal niet alleen de ervaring naar buiten toe mee worden gedicteerd door deze onbewuste beweegredenen, maar dan zal het gehele beeld naar binnen toe daarop gebaseerd zijn. Bijvoorbeeld, iemand is dominant in zijn neiging ten aanzien van de buitenwereld. Wat droomt zo iemand? Zo’n mens droomt, fantaseert en stelt zichzelf in het middelpunt als een grote macht, als iemand die door de straten gaat en elk te snel rijdend voertuig aanwijst waarop het plotseling wordt verplaatst naar een plek ergens in het binnenland van Afrika waar men in het zand, als men nog rijden kan, kan rijden zo hard men wil. Het klinkt dwaas maar het is zo.

Of men stelt zich voor dat men een groot aantal betogers tegenover zich ziet en dat men dan die ene kreet weet waardoor ze plotseling allemaal met je meegaan en het hele conflict is opgelost. Misschien droom je ook wel eens dat je minister van financiën bent en als een alchemist erin slaagt om goud te maken. Over het algemeen is een minister van financiën iemand die probeert goud te maken uit het onbewustzijn van anderen ten aanzien van de eisen die feitelijk aan hen worden gesteld.

Dan hebben we nu voldoende factoren bijeengebracht om de eigenschappen van de innerlijke wereld te bepalen. Die eigenschappen worden echter ook vertaald in innerlijke beelden. Wat meer is, die beelden zijn voor ons zo werkelijk dat we ons niet daaraan kunnen onttrekken. De beelden die in ons bestaan, beheersen in feite ons totale werkelijkheidsgevoel, zelfs als we wakker zijn.

Wanneer we slapen, worden we helemaal beheerst door dat onbewuste. Dan zijn onze dromen, onze belevingen eigenlijk niet veel anders dan een voortdurend opbouwen van een compensatie voor de buitenwereld die we met onze eigen karakteristiek niet voldoende aankunnen. Het zal u duidelijk zijn dat een mens probeert met de beelden die in hem leven, iets te doen. Men zegt bijvoorbeeld: ik wil ingaan tot God. Waarom? Als je eerlijk bent, dan zeg je: ik weet het eigenlijk niet goed, maar ik wil dat. Ik voel mij daartoe geroepen.

God is een beeld, een voorstelling. Het is nooit de werkelijkheid. Die voorstelling echter is voor jou een wezen (je eigen ‘ik’), maar nu ontdaan van alle beperkingen en voorzien van alle mogelijkheden en alle macht. De identificatie met de Godheid is dus nogal gemakkelijk. Alle eigenschappen die je bezit en waardoor je in feite wordt gedreven, worden ook eigenschappen van die God. Daarom is de ene God een God van liefde, de andere een toornige of wraakzuchtige God. Er zijn ook Goden bij die zich helemaal niéts van de wereld aantrekken of Goden die je kunt omkopen, hetzij met schietgebedjes, met het offeren van een stier of een ram. Ik zeg dat erbij omdat Abraham ook zo geloofde.

De God is voor ons zo werkelijk dat, als we ons voortdurend daarin verdiepen, die God tot ons gaat spreken. Wij kunnen dan niet zeggen dat die God werkelijk praat, maar er komen beelden, er komen zekerheden in ons op. En omdat wij ze toeschrijven aan een bron die hoog is, omdat we zélf emotioneel verbonden zijn aan hetgeen in ons als boodschap doorkomt, zijn wij eenvoudig niet in staat om ons daaraan te onttrekken. Er is een God in ons die ons regeert, die ons gedrag naar buiten toe bepaalt, maar gelijktijdig ook beslissend is voor ons schuldbesef, voor ons gevoel van bevrijding, van verlossing, het vrij worden van de krachten die wij normalerwijze allemaal in ons dragen en die op aarde verkeerd paranormaal worden genoemd. Je zou eerder kunnen zeggen: wie geen paranormale eigenschappen heeft, is gezien de totale historie van de mensheid een tikje abnormaal.

Wat is dus voor ons die God? Wat is voor ons die wereld, die denkwijze, die denkbeelden, die idealen? Dat zijn voor ons eigenlijk de wetten die wij scheppen om ons ten aanzien van onszelf betekenis te geven. Zelfs degene die zich verdoemd voelt, geeft daardoor aan zijn wezen een betekenis. Dat wordt over het hoofd gezien.

Als ik zoek naar mijn eigen perfecte vorm, dan zoek ik niet naar de perfecte vorm die ik kan bezitten, dan kun je beter op dieet gaan. Neen, ik zoek juist naar de vorm die beantwoordt aan hetgeen er aan totale eigenschappen in mij is gelegen. Mijn ware vorm is een persoonlijke interpretatie. Zeker, naar buiten toe kun je erover spreken alsof het een abstractie zou zijn. Maar als je probeert je ermee te confronteren, dan is het een definitieve voorstelling.

De innerlijke werkelijkheid bestaat uit definitieve beelden die zich voortdurend manifesteren in andere samenstellingen en waarin nooit vaste grenzen zijn te constateren. Wij zoeken ook in ons naar de waarheid. Maar waarom? Niet omdat wij naar de waarheid zoeken, hoe vreemd het ook moge klinken. Wij zoeken naar de formulering, de uitdrukking waardoor wij onszelf kunnen omschrijven op een manier die wij zelf nog net kunnen aanvaarden.

Je eigen karakteristiek is bepaald. Een masochist zegt heel gauw: ik ben een grote zondaar. Ik moet naar de hel. Een sadist zegt: ik ben de enige rechtvaardige. Ik mag alle anderen dwingen om in te gaan. Dan zegt men in beide gevallen: dat zijn grote gelovigen. Maar waarin geloven zij? Zij geloven in zichzelf.

Als je bezig bent met God, dan blijft het altijd iets vaags, iets abstracts. Maar er zijn andere zekerheden. De zekerheid bijvoorbeeld dat ik een democraat ben en een waar socialist. Dat zijn namelijk twee dingen die niet kunnen bestaan. Een waar democraat zou iemand zijn die de mening van anderen acht, maar dan heeft hij geen leven meer. Een waar socialist is iemand die voortdurend strijdt voor anderen en alles deelt met anderen en daardoor zelf niets overhoudt, want de anderen zijn geen socialisten. Maar waarom denk je dat dan? Heel eenvoudig. Je zoekt naar een fraaie formulering die voor jou een voldoende omschrijving geeft om alles wat je innerlijk beseft te zijn, te rechtvaardigen. Dat is iets wat we steeds weer tegenkomen. Datgene wat we werkelijk zijn, rechtvaardigen wij door formuleringen die we schijnen te ontlenen aan de wereld maar die we parafraseren totdat ze bij ons passen.

Dan komen we vanzelf op het terrein van de innerlijke wereld waarvan een groot gedeelte wordt verworpen. De mensen proberen heel veel dingen die in hen leven, opzij te schuiven alsof ze daarvoor bang zouden zijn.

Een droom en ook een fantasiegemiddelde van ongeveer 1 op 5 heeft bij de stofmens seksuele betekenissen of associaties. De seksualiteit wordt gewoonlijk ontkend. Waarom? Omdat men haar ziet als een punt van zwakte, niet als een normaal deel van het bestaan. Men verbindt er beperkingen aan. En als men neigingen heeft die nog afwijken van dat wat door de gemeenschap nog wordt erkend, dan voelt men zich eigenlijk daardoor toch schuldig. Misschien zal men zelfs nog proberen zich te verdedigen door agressief op te treden tegen de bui­tenwereld.

Hetzelfde is het met begrippen als eerlijkheid. Geen enkele mens is, als je diep in hem kijkt, eerlijk. Hij wil natuurlijk wel de dingen doen zoals ze naar buiten behoren te zijn, maar innerlijk droomt hij ervan dat hij in staat is om het lot te dwingen. Dat hij kan uitmaken door wie hij wel of niet zal worden gekozen en voor welke functie. Dat hij kan uitmaken dat op het lot dat hij koopt, de honderdduizend zal vallen. Dat hij kan uitmaken dat iedereen eerbied voor hem heeft, dat hij een hogere rang krijgt.

Die dromen zijn wederom niets anders dan pogingen om dat complexe geheel dat je bent, op de een of andere manier zo te vormen dat je nog net de buitenwereld en de werkelijkheid een beetje daaraan kunt aanpassen. Als er iets is dat een mens niet kan verdragen, dan is het de wereld die buiten hem bestaat. De naakte werkelijkheid daarvan gaat hem te ver. Hij kan niet aan­vaarden dat mensen over het algemeen meer worden gedreven door de drang tot zelfbehoud dan door edele gevoelens. Dat hun heldendom over het al­gemeen meer domheid is of onvermogen om te erkennen waar hun beperkingen liggen, dan feitelijke moed. Hij kan niet begrijpen dat zijn wilskracht naar buiten toe eigenlijk niet veel te maken heeft met werkelijke inner­lijke kracht, dat het eerder een stoffelijke kwaliteit of eigenschap is waardoor hij geneigd is om langer in een bepaalde richting door te lopen dan een ander.

Dat is natuurlijk niet leuk als je dat zo zegt. Daarom kijk je er ook niet naar. Daarom bouw je een beeld van jezelf. Van je wereld bouw je jezelf een werkelijkheid. Zo een werkelijkheid heeft dan ook invloed op je. Zodra ik iets als buiten mij bestaand veronderstel, zelfs als het er niet is, heeft het ook stoffelijk gezien invloed op mijn emoties. Ik ben bang voor een spook dat er helemaal niet is, maar ik loop wel te klappertanden en ik heb kippenvel. Als ik een hartzwakte heb, dan heb ik kans dat deze mij tot spook maakt voor de beleving ten einde is.

Stel u dan eens voor hoe het is als u allerlei dingen droomt. Die wekken ook emoties op. Die wekken ook allerlei reacties op. Als u zich heel sterk vereenzelvigt met het lijden van een ander, dan is de kans groot dat het lichaam denkt dat het ook lijdt. Denk maar aan al die mensen die stigmata hebben vertoond in de loop der tijden. Mensen voor wie de innerlijke werkelijkheid de eredienst was, de vrome verering van Jezus, maar waar de innerlijke wereld in feite zei: jij bent Jezus.

Dan werd de hele geschiedenis die ze van buiten hadden geleerd, her­haald en herhaald, aangevuld met vroegere ervaringen uit andere levens. Aangevuld misschien met genetische herinneringen aan wreedheden. En dat alles bij elkaar drukt zich dan zo uit dat er zelfs stigmata, bloedende wonden, ontstaan. Dan zegt men: dat zijn de wonden van de Here Jezus. Ja, dat zijn de wonden die men zich daarbij voorstelt, ongetwijfeld.

Dus is die innerlijke werkelijkheid veel machtiger dan men denkt. Dan is de innerlijke werkelijkheid niet alleen maar een droomwereld zonder meer. Dan is het een concrete wereld waarin wij vertoeven. Een wereld die wij weliswaar zelf voortbrengen, maar die ons gelijktijdig domineert, die ons met haar angsten bestookt, met haar verrukkingen verzadigt, die ons steeds weer belast met schuldgevoelens of ons het gevoel geeft dat wij nu eindelijk ontwaakt zijn tot het grote Licht. Achter al die dingen ligt natuurlijk een innerlijke werkelijkheid waarin we al die grenzen een ogenblik vergeten.

Als je de beelden, die in de innerlijke wereld zijn ontstaan, voor een ogenblik vergeet (terzijde stellen kun je ze niet, maar je kunt ze voor een moment vergeten), dan kom je pas tot rust. Dan is er geen sprake meer van een uiterlijke en een innerlijke werkelijkheid. Dan is er alleen nog maar sprake van een wereld waarin je opgaat, waarin je de oerkracht voelt die in je bestaat. Bestaat die oerkracht? Wij nemen het aan. Maar in wezen is ze even onbewijsbaar als de ‘Big Bang’ voor het ontstaan van melkwegstelsels. Ja, van de gehele kosmos. Het zijn stellingen.

In die stellingen vinden wij dan in ieder geval een rust en een vrede, een toestand van niet‑zijn die zo ontstellend intens is dat ze in ons blijft hangen. In ons innerlijk leven voortdurend, als een spinnenweb van heimwee, bij elke associatie ons opnieuw wijst op deze innerlijke mogelijkheid. Als wij die innerlijke mogelijkheid soms bereiken, dan zijn we niet alleen maar geestelijk verlicht, dan is het lichaam plotseling als verjongd, het is energieker, meer ontspannen, sterker.

Dan kun je zeggen: is dat dan allemaal zo belangrijk? In de mens schuilen toch zoveel geestelijke voertuigen. Zeker. Je kunt ook zeggen: De mens is als een ui. De een na de ander zitten de rokken over elkaar heen, als je eraan komt, barst je onwillekeurig in tranen uit. Maar hebben we te maken met al die verschillende lagen? Wel neen. In het innerlijk bewustzijn hebben ze misschien wel een zekere invloed gehad, maar die invloed is t.a.v. de stof één geheel. Je kunt niet zeggen: dit komt van mijn ‘hoog lichtende ik’, dat komt van mijn ‘Zomerland ik’ en dat komt van mijn ‘astrale ik’.

Dit is nu precies hetzelfde als je een druppel water neemt, je vinger er heel voorzichtig in doopt en zegt: dit komt uit de zee, dat komt uit de Rijn en dat komt uit de Lek. Dat is onzin. We kunnen de totale stroom, die tezamen geestelijke conditionering en ook wel geestelijk contact geeft, niet onderscheiden in voertuigen of werkingen. Het is een geheel. En als geheel domineert ze mee in onze innerlijke wereld. Als geheel bepaalt ze ons. Laten we dan alstublieft niet gaan zeggen dat we dit allemaal moeten onderscheiden in verschillende waarden en voertuigen. Laten we die innerlijke werkelijkheid dan maar eens als een geheel nemen, dat misschien verandert wanneer wij van wereld veranderen, maar een geheel.

Laten we ons realiseren dat Zomerland eigenlijk ook zo’n soort droom is, een innerlijke wereld die naar buiten wordt gestulpt totdat ze de werkelijkheid is waarin je met anderen contact hebt. Dat al die andere sferen in wezen precies hetzelfde zijn: werkelijkheden. Werkelijkheden waarin je misschien eeuwen kunt bestaan, waarin je met anderen kunt spreken en waarin je toch voortdurend verbonden blijft met de grondeigenschappen van je wezen, je kwaliteiten.

Nu heb ik hiermee, meen ik, al een tamelijk omvattend beeld van de innerlijke werkelijkheid opgebouwd. Het zal u duidelijk zijn dat die innerlijke werkelijkheid voor ons ook heel grote voordelen en beperkingen kan inhouden.

Als ik in mijzelf kan geloven – of ik dit nu toeschrijf aan God, aan een demon, aan mijn eigen talent of iets anders – dan kan ik de grenzen van mijn waarnemen verschuiven. De mensen zeggen dan dat je paranormaal ontwikkeld bent, want je kunt een stukje in de toekomst zien. Je kunt aanvoelen wat er in een ander leeft. Je kunt krachten openbaren waardoor een ander geneest enz. Maar eigenlijk is dat alleen omdat de grens die in de innerlijke wereld bestaat en die zegt: dit kan niet, dit behoort niet tot mij, weg valt. Als die is weggevallen, dan is daar de mogelijkheid, want die mogelijkheden bezit iedereen.

Laten we ons dan ook realiseren dat we die innerlijke wereld niet zelf kunnen veranderen. Wij denken het wel. Zeker, wij kunnen selecteren uit de vele gegevens en daaruit voor onszelf een dagdroom samenstellen. Als wij dat dan intens genoeg doen, is het tijdelijk een werkelijkheid voor ons. Maar wij kunnen er niets aan toevoegen, we kunnen er niets van wegnemen. Onze innerlijke wereld is het geheel van onze herinneringen, onze conditionering en onze mogelijkheden. Als we proberen om verder te gaan dan dat, dan komen we met onszelf in strijd. Als we proberen onze God los te maken van de kracht die in ons woont, dan scheppen we gelijktijdig een God die voor ons arbiter wordt, een soort rechter. Een God waaraan we ons voortdurend moeten verantwoorden. Die verantwoording is dan niet gebaseerd op feiten maar op emoties. Wij gaan dan onze eigen onevenwichtigheden met bijzondere nadruk etaleren, omdat het beeld van God, dat wij ons hebben geschapen, voor ons het perfecte evenwicht is. Gespletenheden in feite.

Als je de dingen in twee partijen splitst, ach, zolang je het overzicht daarover behoudt, is er niets aan de hand. Als er een tennisset wordt gespeeld en je bent de scheidsrechter, dan zie je wat er gebeurt. Je overziet de mogelijkheden van twee spelers of van twee dubbels en voor de rest is er niets aan de hand. Op het ogenblik echter, dat je jezelf losmaakt van deze waarnemingspositie in je innerlijke wereld en een van de spelers wordt, heb je opeens een tegenstander. De God die je in jezelf schept, is – zo goed als de duivel die je in jezelf schept – een tegenstander van de werkelijkheid die jij bent. Daardoor ontstaan al die conflicten, al die moeilijkheden, die grenzen. Realiseer je dit gewoon.

Er is geen punt dat u alleen maar moet aanvaarden als geloof. U moet het overwegen. Het wonderlijke is dat u heel vaak aanvoelt dat iets juist is terwijl het redelijk gezien onjuist is. Waarom? Omdat uw innerlijke juistheid emotioneel wordt uitgedrukt. Maar als u innerlijk de juistheid ervaart, ook als het emotie is en de rede dat schijnbaar kan ontmaskeren, dan moet er een samenhang zijn tussen uw persoonlijkheid en datgene wat u probeert zuiver rationeel te ontleden en eventueel te verwerpen.

Als u een reden nodig heeft om iets te doen, dan zien we precies hetzelfde aspect. In de innerlijke wereld ervaren we het niet als normaal, als natuurlijk, om welke reden dan ook. Dat kan de conditionering zijn, dat kunnen voorgaande ervaringen zijn. Nu overtuigen wij ons dat het toch goed is. Daarmee scheppen we weer strijdigheden in onszelf. Onze innerlijke wereld is een perfectie die hemels lijkt op het ogenblik dat de tegenstellingen voor ons niet tellen, dat wij, ons bevindend in het middelpunt van onze werkelijkheidswereld, diep in dat ‘ik’ alle zijden kunnen zien als eenvoudige functies van dat ‘ik’. Wanneer wij partij gaan kiezen en iets anders, wat dan ook, in het midden stellen als beoordelaar, dan nemen wij een beperkt deel van ons wezen en spelen dat uit tegen al de dingen die we zijn en dan komen we innerlijk in moeilijkheden..

Natuurlijk, onze relatie met de buitenwereld zal harmonischer zijn naarmate onze innerlijke werkelijkheid meer harmonie bevat. Aan de andere kant is het natuurlijk weer zo dat, naarmate wij in de innerlijke wereld minder harmo­nisch zijn, wij ons meer moeite zullen geven om toch harmonisch te zijn naar buiten toe. Dat is heel zonderling. Er is een vastliggende relatie tussen onze innerlijke werkelijkheid en onze hele visie op de wereld om ons heen, op alle mensen, op alle din­gen. Ons gevoel voor schoonheid, onze erkenning van harmonieën en dishar­monieën in de wereld om ons heen is gebaseerd op datgene wat er in ons bestaat.

De innerlijke werkelijkheid is de moeder van het ervaren. Daarom moe­ten wij de innerlijke werkelijkheid durven beseffen voor wat ze is. Wij moeten beseffen dat de goden, die wij in ons hebben geschapen, geen werkelijke goden zijn maar beelden van onze herinneringen waarvan wij een soort beeldhouwwerk hebben opgericht, een kracht die nooit bepalend kan zijn voor onze wereld. Als wij deze kracht wegnemen, dan krijgen wij al meer overzicht.

Wij moeten beseffen dat in onze innerlijke wereld heel veel emoties zijn die in wezen onzuiver zijn, die niets te maken hebben met enige wer­kelijkheid buiten ons, die ook niets te maken hebben met de structuur of de eigenschappen van onze persoonlijkheid, maar die alleen de uitdruk­king zijn van de tegenstellingen die we niet kunnen oplossen.

Een tegenstelling kun je innerlijk alleen oplossen door versmelting. Als wij beseffen hoe alle dingen tezamen ons ‘ik’ vormen, al die herinne­ringen, al die emoties, al die bewuste en onbewuste impulsen, dan komt er een ogenblik dat we kunnen zeggen: mijn innerlijke werkelijkheid is voor mij het middel om mijn uiterlijke werkelijkheid te begrijpen. Zolang we ech­ter niet komen tot die eenheid, zal de innerlijke werkelijkheid de macht zijn die ons belet de werkelijkheid buiten ons te beseffen.

Ik hoop dat we met dit begin misschien ook hebben duidelijk gemaakt waar we naartoe willen. Want uw innerlijke werkelijkheid (we zullen daar­over nog meer moeten spreken) omvat natuurlijk nog heel wat meer aspecten dan die welke wij vandaag in verband met uw menselijk bestaan hebben be­handeld.

Als wij ons realiseren dat bijvoorbeeld ruimte en tijd voor een groot gedeel­te worden bepaald door ons bewustzijn, dan zullen wij ons ook realiseren dat het innerlijke bewustzijn een heel grote rol kan spelen in het al dan niet beheersen van de aspecten daarvan. Voor vandaag meen ik u voldoen­de stof voor overweging te hebben gegeven. Ik hoop dat uw belangstelling voldoende gewekt is om ook de verdere lezingen binnen dit kader met bij­zondere intensiteit te blijven volgen.

Vragen

  • Waarom en in welke fase van de overgang verdwijnt de herinnering aan leven in een geestelijke sfeer wanneer een geest incarneert?

Op het ogenblik dat hij wordt geconfronteerd met zijn eigen lichame­lijkheid en zijn noodzaak die lichamelijkheid in stand te houden in een wereld die op dat moment nog onbekend en chaotisch is.

  • Is het dus noodzakelijk dat hij het verleden vergeet?

Over die noodzaak is reeds veel gezegd. Ik geloof wel dat het voordelen heeft, zeker als het gaat om vroegere incarnaties in de stof. Of het een noodzaak is, kan ik niet met zekerheid zeggen. Ik kan alleen zeggen dat het een feit is dat tot nu toe bij zoveel tienduizend miljoe­nen mensen, zelfs van uw eigen soort, zich steeds weer manifesteert en dat de enkele uitzondering daarop een bijzonder grote uitzondering is en daardoor tevens een mens wordt die niet past binnen de gemeenschap van de mensen, ook als hij later misschien als leider daarvan wordt erkend.

  • Is het van belang om alle delen van je onderbewustzijn tot bewust­zijn te brengen en daardoor een bepaald evenwicht te kunnen scheppen?

Dit is meer psychologisch gezien noodzakelijk dan wenselijk. Wanneer de innerlijke wereld in harmonie is, zijn de verdrongen feiten niet meer verdrongen. Ze zijn gewoon vervaagde herinneringen die alleen daar naar voren komen waar ze noodzakelijk zijn om de wereld buiten je op enigerlei wijze te definiëren. Ze zijn niet meer bronnen van emoties die niet beseft en toch niet onderdrukt kunnen worden.

Waar of niet waar?

De wereld wordt geregeerd door wijze, bezadigde mensen. Waar of niet waar? Wij allen streven slechts naar het goede. Waar of niet waar? Vul uw eigen antwoorden maar in.

Het klinkt misschien een beetje gek, als we zo over de werkelijk­heid beginnen te praten, maar toch. Wat is de werkelijkheid om ons heen? De werkelijkheid om ons heen is in feite een vertekening van al hetgeen wij menselijk als ideaal beschouwen.

Men zegt bijvoorbeeld: strijd is onmenselijk. Maar zouden de mensen zonder strijd ooit geëvolueerd zijn van apen tot mensen die elkaar na-apen? Wij moeten ons goed realiseren dat al die dingen waarmee wij bezig zijn, zozeer afhankelijk zijn van de manier waarop wij het zelf zien dat het eigen­lijk niet eens mogelijk is te zeggen wat werkelijkheid is of wat het be­tekent.

Zeker, werkelijkheid is iets als het bij herhaling proefondervinde­lijk juist en controleerbaar is. Maar dan is het nog de vraag wie con­troleert dat en met welke proeven? Want er zijn zoveel dingen waarvan je je kunt afvragen wat het eigenlijk betekent. Neem nu de vraag: wie is nu het sterkst bewapend? De Amerikanen maken duidelijk dat het de Russen zijn. De Russen op hun beurt maken duidelijk dat het de Amerikanen zijn. Mogen wij misschien aannemen dat ze geen van tweeën durven? Maar dat kan niet want dat is bondgenootschappelijk onjuist.

En daar zitten we met de grote moeilijkheid. Wij weten niet eens wat de feiten zijn. En waarom weten wij het niet? Wij weten niet wat de feiten zijn, wat de werkelijkheid is, omdat we niet weten wat waar is en wat niet waar is. Want wij moeten voor een groot gedeelte dan toch maar vertrouwen op degenen die zeggen dat zij het weten. Als we zien hoeveel dingen anderen zeggen te weten waarvan wij kunnen weten dat zij ze nooit zullen weten, dan is het eigenlijk een kwestie van elimineren. Steeds meer wegstrepen van al datgene wat niet waar behoeft te zijn.

Dat betekent dat de uitspraak van een politicus niet waar behoeft te zijn. De uitspraak van een theoloog waarschijnlijk niet waar is. Dat be­tekent dat de uitspraak van menig geleerde ten hoogste voor een deel waarheid bevat en nooit een totale. Dat betekent dat onze werkelijkheid anders is dan ze ons wordt voorgesteld. Maar als ik mij de werkelijkheid anders voorstel dan ze is, hoe kan ik dan nog leven met de werkelijkheid? Ik heb eens een heel mooi verhaal gelezen: Iemand was blind. Hij trouwde een mooie vrouw, althans dat dacht hij, want hij hoorde haar stem. Toen hij het gezicht terugkreeg en zijn oog op haar liet vallen, vielen hem de ogen bijna uit het hoofd. Want ziet, wat hij als gevuldheid had beschouwd, was overvloedig. Datgene wat hij als schoonheid had aangenomen, bleek in het geheel niet aanwezig te zijn. Hij zei tegen zichzelf: wat is ze lelijk. Maar toen hij besefte wat ze al­lemaal voor hem had gedaan, zei hij: neen, ze is mooi. Dat was nog mooi van hem om dat mooi te vinden, maar ze was en ze bleef lelijk want dat was de werkelijkheid. Alleen, in de werkelijkheid komen de dingen er niet altijd zo op aan als je denkt. En dat is nu weer iets waar de mensen eigenlijk bang voor zijn.

Kijk, als je zegt: één en één is twee, dan is dat duidelijk. Daar is het hele huwelijk op gebaseerd, één en één is twee. Maar als het een beetje tegenvalt, kun je doortellen tot 29. Dat zijn punten waarbij we ons gaan afvragen of we hier moeten overschakelen op het geloof: het is een zegen Gods; of moeten we overschakelen op zuiver menselijkheid: het is een te zware belasting; of is het een kwestie voor sociale be­schouwingen: wij moeten in dit geval dit gezin in het bijzonder bijstaan. Geef maar een fokpremie. Al die dingen bij elkaar, wij weten niet wat de werkelijkheid is.

Wat is de werkelijkheid? De werkelijkheid is dat een mens wordt geboren in een wereld die hij niet kent. Hij meent dat hij die wereld leert ken­nen, veronderstelt dat hij weet wie hij is en voordat hij beseft hoe fout hij het heeft, gaat hij meestal al dood. Dan kunt u zeggen: wij zijn misschien allen niet even goed, maar er zijn veel goede mensen. Daar heb ik ook een antwoord op. In werkelijkheid ben je goed als je voor een ander probeert meer te be­tekenen dan redelijk van je kan worden verwacht. En dan gaat het er niet om of de ander dat beseft. Het gaat er alleen om of je het probeert. Goed ben je op het ogenblik dat je met datgene wat je beseft ten aanzien van werkelijkheid en eigen wezen, voor anderen steeds meer probeert te zijn zonder die anderen in hun eigen ontwikkeling overigens af te remmen.

Dat is natuurlijk wel waar of is het misschien niet waar? Menselijk gezien schijnt het niet waar te zijn want de meeste mensen redeneren: ik moet anderen helpen door hen te maken tot mijn beeld en gelijkenis. En dat kan soms wel een beetje pijnlijk aankomen.

Als je van een neger, bij wijze van spreken, een blanke maakt, dan is hij geen van tweeën. Hij kan misschien innerlijk de blanke beschaving heb­ben aanvaard, maar uiterlijk blijft hij iemand anders. Je kunt tegen een gelovige zeggen dat hij heiden moet worden. Maar als hij heiden is, dan zoekt hij toch weer een afgod omdat hij zonder een God niet kan bestaan.

Je kunt een ander eenvoudig niet aanpassen aan datgene wat je zelf bent. En dat betekent ook dat je je eigen waarden en normen nooit een ander kunt opleggen. Toch durf ik zeggen dat het hele streven in de wereld, vooral bij de machtigen, steeds gebaseerd is op het aan elkaar gelijk doen worden van alle anderen. Waar of niet waar?

Het is natuurlijk jammer maar men is er nog steeds niet in geslaagd om in plaats van zaken als kunstmatige inseminatie over te gaan tot robotgeboorten, dan kun je meteen het din‑nummer in de bodem stempelen. Men zou toch wel graag willen dat de mensen het zoveel mogelijk met elkaar eens zouden zijn. Het met elkaar eens zijn, kun je in de stoffelijke werkelijkheid alleen als je je innerlijke werkelijkheid verloochent, want je komt allemaal uit een ver­schillende ontwikkeling. Nu is het natuurlijk de vraag of iemand ontwikkeld is. Ik geloof trouwens dat de meeste mensen een ander pas als ontwikkeld beschouwen indien datgene wat zij menen te kennen, in het bewustzijn van de ander is gefixeerd.

Wat is dan de zin van de werkelijkheid? Laten we ons dat eens afvragen. Dan hebben we de werkelijkheid buiten het ‘ik’. De werkelijkheid buiten het ‘ik’ is een angstdroom die we soms onderbre­ken om onszelf terug te vinden in een innerlijke werkelijkheid die we even ge-uit menen te zien zonder dat het zeker is of een ander dat ook zo be­seft. Daar zit je dan. Ik weet trouwens niet waarom de mensen dat altijd in de conservatieve sfeer zoeken. Zij zeggen: je zit in de puree. Ik voor mij zou zeggen: prak maar liever in de nieuwe aardappels, dat is minder gelijk maar het is minder plakkerig. Realiseer u even: waarom zitten wij zo vaak in de ellende?

Misschien wel omdat we de moed niet hebben om de feiten onder ogen te zien. Zelfs de feiten die we kunnen kennen, willen we niet kennen. Datgene wat we moeten beseffen en wat ons steeds weer door de werkelijk­heid buiten ons als een feit wordt bewezen, ontkennen we prompt. Wij durven eenvoudig het leven niet aan zonder de illusie. Maar een mens die zich illusies maakt, moet beseffen dat hij de werkelijkheid opzij schuift.

Dan zeggen ook veel mensen: maar als je geen ideaal meer hebt, dan ben je helemaal niets meer in het leven. Daar hebben ze dan groot gelijk in. Het ideaal is datgene waarop je jezelf verheft, omdat je zonder dat geen betekenis hebt. Dat klinkt erg hatelijk. Besef echter wel even dat iemand die zich innerlijk ontplooit zoals hij is en naar buiten toe rea­geert op de werkelijkheid zoals die is, het enige bezit waarvoor een mens respect moet hebben, namelijk wijsheid. Want wijsheid is niets anders dan het zien van de werkelijkheid en het in staat zijn deze te interpreteren volgens een werkelijkheid die in de waarnemer leeft.

Dan zijn er mensen die zeggen: dan moet je wel je mond houden, anders heb je geen leven. En dan vraag ik mij toch wel eens af of je dat eigen­lijk wel hebt? Want de conclusies waartoe ik ben gekomen ten aanzien van uw huidige ontwikkelingen op aarde (misschien heb ik het fout), zijn de volgende:

  1. In deze wereld worden steeds meer voorschriften gemaakt, die niets uithalen, om dingen te regelen waaraan niemand zich stoort, terwijl men gelijktijdig een steeds grotere ontregeling in de menselijk­heid van de mens tot stand brengt.
  2. Men belast voortdurend meer dingen om door de belastingen anderen meer te kunnen geven maar de kosten van dat geven zijn zo hoog dat de belastingen te laag zijn.
  3. Voortdurend is men bezig om de wereld te bevrijden. Degenen die daarover nadenken, zouden moeten beginnen om de wereld van zichzelf te bevrijden want daarmee zouden ze een groot gevaar en een groot nadeel voor de mensheid uit de weg hebben geruimd.

Is dit allemaal waar of is het niet waar? Zoekt u het maar zelf uit. En als u toch zo druk bezig bent, vraag u eens af, als u zich bezighoudt met allerlei systemen, met allerlei geloof: is dat buiten u waar of niet waar? Als u zegt dat God aan uw kant staat, doet Hij dan ook wat? Als Hij niets doet, waarom zegt u dat dan? Als u zegt dat u weet hoe het leven het best geleid kan worden en u krijgt steeds weer ongelijk, waarom zegt u dan dat uw theorie wel juist is maar dat de mensen verkeerd reageren? Is degene die denkt dat hij weet hoe een ander in werkelijkheid moet leven een dwaas, een waanzinnige of iemand die geen werkelijkheid maar macht zoekt? Is een van deze drie stellingen nu waar of niet waar? Geeft u zelf maar het antwoord daarop.

Werkelijkheid, vrienden, is iets waarmee we altijd weer worden gecon­fronteerd maar dat we niet willen aanvaarden zoals het is. Wij klagen voortdurend dat dit onrecht ons wordt aangedaan zonder ons te realiseren dat we daarmee alleen maar beantwoorden aan een norm die in de werkelijkheid altijd en voor iedereen schijnt te bestaan.

Wij beklagen ons altijd dat we niet krijgen wat ons toekomt. Als wij ons realiseren waar het op aan komt, dan blijkt dat de hele wereld uitgaat van het standpunt dat iedereen misschien recht op werk heeft, maar zeker niet op inkomen, laat staan op de winsten van een week. Dan kun je wel zeggen dat het anders is, maar is dat wel juist?

Je kunt natuurlijk zeggen dat de hele wereld de laatste tijd veel teveel in de olie is geweest en dat ze nu eindelijk nuchterder moet worden. Maar als de ontnuchtering zo kostbaar is, kun je dan niet beter in de olie blijven? Of, om het anders te zeggen, is een energieprobleem een concreet probleem? Bestaat het in de werkelijkheid zoals men dat zegt of is het misschien anders? Wat denkt u daarvan? Is die stelling juist of onjuist?

Wat denkt u van uw eigen zondigheid? Want geloof mij, u zit hier als zondaren. Weliswaar op een stoel en niet op het zondagsbankje, maar toch. U kunt zo dadelijk weer zeggen dat u gezeten heeft, al is het maar voor een uurtje. Bent u nu werkelijk een zondaar(es) of niet? Zo ja, waarom denkt u dat? Zo neen, waarom ontkent u dat? Om de doodeenvoudige reden dat zonde iets is wat niet door de Schepper maar door de mensen wordt vastgesteld.

Ik denk dat God de mens het paradijs heeft toegedacht, als hij het al geschapen heeft. Ik weet niet precies of het allemaal zo is gebeurd. Maar als dat waar zou zijn, waarom zou God de mens het paradijs hebben ontnomen? Zou de mens dat zelf niet hebben gedaan? Een mens is een wezen dat niet in een paradijs kan bestaan. Wist u dat? De werkelijkheid is deze: de mens die genoeg heeft, heeft geen zin meer om te leven. De mens, die volgens anderen genoeg heeft, vindt zelf dat hij tekort komt. Dit betekent dat hij nooit vrede kan hebben met het paradijs, een perfecte harmonie zonder meer. Want in zich heeft hij die harmonie niet, heeft hij het juiste besef niet. Dientengevolge kan hij een paradijselijke werkelijkheid buiten hem niet eens verwerken en zal hij proberen haar zo snel mogelijk te veranderen in iets dat hij een wereld in ontwikkeling noemt, maar eigenlijk bewijst hoezeer hij geestelijk onderontwikkeld is.

Een cursus als deze zou u dus kunnen beschouwen als een geestelijke poging om iets te doen voor onderontwikkelde gebieden. Nu weet ik wel dat dat allemaal niet zo prettig overkomt. Want, zo roept men uit, waarom moet de geest nu steeds maar blijven hakken op de mensen op aarde? Wel, lieve mensen, als wij het niet zouden doen, dan zouden jullie gehakt van elkaar maken.

Weet u hoeveel zorg de geest steeds moet besteden aan het voorkomen van wat men ‘het ergste’ noemt? Hoe wij voortdurend bezig zijn om de mensen een klein beetje af te remmen, zodat ze niet zichzelf en hun hele wereld zonder meer te gronde richten. En als we dat moeten doen, als we worden geconfronteerd met de manier waarop mensen altijd weer denken alsof ze een bepaalde Franse koning zouden zijn ‘aprés nous le déluge’, dan denk ik: zijn jullie nog wel mensen?

Is het werkelijk menselijk om anderen hun gemoedsrust te ontnemen alleen maar om je eigen gelijk te laten overheersen? Waar of niet waar?

Is het werkelijk menselijk om risico’s te lopen met de veiligheid en de mogelijkheid van bestaan van vele geslachten na u, alleen maar omdat u houdt van economische groei? Juist of onjuist?
Is het redelijk om geestelijk te leven en je steeds vast te houden aan dat wat anderen zeggen zonder zelf te denken? Juist of onjuist? De werkelijkheid is volgens mij deze: een mens is een wezen dat wel degelijk een bepaalde eenzijdigheid kent, daaraan is niet te ontkomen. Maar in en met die eenzijdigheid kan de mens proberen zijn wereld te aanvaarden zoals ze is, kan hij trachten zichzelf te aanvaarden zoals hij/zij zelf is. Als hij dit probeert te doen, komt hij tot een groter besef van de werkelijkheid en een grotere wezenlijke mogelijkheid.

Op het ogenblik dat hij de werkelijkheid ‑ al is het maar ten dele ‑ probeert te verwerpen, als hij zichzelf bedriegt omtrent zich­zelf, dan schept hij feitelijk een wereld die hem aldoor confronteert met onverwachte botsingen.

Een mens moet bereid zijn de wereld te nemen zoals ze is. Niet zeggen: ik zal haar veranderen volgens mijn idealen. Dat is onmo­gelijk. Hij kan hoogstens zeggen: ik zal zelf leven volgens mijn idealen. De mens moet niet zeggen: ik weet wat goed is voor de wereld, als hij niet eens weet wat goed is voor hemzelf.

Jezelf kennen, is erg belangrijk. Maar ik geloof dat het nog veel belangrijker is om jezelf te aanvaarden zoals je bent. Pas als je eer­lijk en bewust uitgaat van al datgene wat je bent en wat er in je leeft, kun je op grond daarvan misschien komen tot een aanvaarding van de we­reld buiten je zoals die is. En dan vind je een weg om door ervaring, eventuele conditionering niet uitgesloten, te komen tot een groter begrip van de werkelijkheid.

Ik heb een collega die filosofisch is, vandaar dat hij mij altijd stekelig vindt. Hij zegt altijd tegen mij: jij bent een geestelijke egel. Ik heb dat beantwoord door te zeggen: waarde vriend, jij beweegt je geestelijk voorwaarts als een geestelijke schildpad. Als er iets komt dat je niet bevalt, trek je plotseling alle ledematen in.

Deze collega zei tegen mij: wanneer wij de werkelijkheid vinden, dan vallen alle begrippen van ruimte en tijd weg, dan is er niets meer over behalve het zijn zelf. Ik heb hem gevraagd: ben je dan al zover? Hij zei: neen, ik ben op weg. Ik zei: ja, ja, dat is dus een schildpad met een slakkengang.

Het is mooi om dergelijke dingen filosofisch te beredeneren, maar daar hebben wij op dit moment niets mee te maken. Op dit ogenblik heb­ben wij te maken met de wereld waarin we leven, de mens die we zijn, de mogelijkheden die er voor ons bestaan en de feiten waaraan wij niet kunnen ontkomen. De feiten die ‑ al verdraaien wij ze nog zo erg ‑ nooit wezenlijk kunnen veranderen. Laten we dan de feiten aanvaarden zoals ze zijn. Laten wij onszelf aanvaarden zoals we zijn en laten wij vanuit deze innerlijke werkelijkheid waarin wij leven, proberen ons be­wust te worden van datgene wat wij zijn in het andere.

Misschien dat we dan ook eens begrijpen wat de ander voor ons wer­kelijk betekent en op grond daarvan dan misschien eveneens ons met een schildpad- of slakkengang verder kunnen bewegen naar het filosofisch veronderstelde einddoel, waarvan we alleen maar kunnen zeggen: het is een mooie theorie. Het zou waar kunnen zijn maar niemand van ons, ook niet de steller daarvan, beschikt over enigerlei teken dat het juist is. Kortom, de werkelijkheid zoeken, betekent illusies achterlaten. Het betekent de feiten accepteren, ook als je er zelf bij betrokken bent. Het betekent het beste maken van de wereld waarin je leeft volgens de mogelijkheden die je zijn gegeven. Als je dat allemaal kunt, dan kunnen we zeggen: waar of niet waar, ik heb geleefd volgens mijn besef. Ik heb daardoor de ervaring opgedaan die mij dichter brengt bij de werkelijkheid die waarschijnlijk toch wel mijn eindbestemming is.

Kleuren

Er zijn zovele kleuren. Zelfs als ik kijk naar mijzelf, sta ik er gekleurd op. Want alles druk ik uit in verschillen en kleuren zijn niets anders dan verschillen. Het zijn de verschillen waardoor ik mij bewust kan worden van mijzelf en van al het andere. Maar dan moet ik niet proberen de wereld die kleur te geven die mij het best bevalt.

Er is een veelheid van kleuren. Kosmisch gezien, trillingen. Op aarde gezien, weerkaatsingen van licht. Die hele veelheid van kleuren doet niets anders dan inhoud en diepte geven. De kleur is niets anders dan een boodschap van de wereld aan mij. Of ik haar be­grijp, of ik haar beleef, dat is mijn zaak, maar ze is er.

Zo zijn er geestelijke kleuren van licht. Er zijn geestelijke uit­stralingen, vol van intensiteit die een eigen kleur hebben. Als ik nu ga beseffen dat ze bestaan en besef dat ikzelf evenzeer een kleur heb, dan zal ik misschien bereid zijn te accepteren dat ‑ al sta ik er gekleurd op ‑ ik niet behoef te kleuren. Want in de veelheid van kleuren die mijn wereld uitmaakt, liggen de boodschappen verborgen die mij bewust maken van de werkelijkheid, de inhoud en de betekenis van mijn leven.

Waar ik dat kan vinden, daar zijn de kleuren geworden tot een god­delijke boodschap die mij duidelijk maakt hoezeer alle kleuren eens te­zamen zullen terugkeren tot het wit waaruit ze zijn voortgekomen en in het wit zelf worden tot het licht dat de ziel lichter maakt.

Als u teveel bezig bent met kleuren, dan moet u maar zo denken: zolang u ze ziet en ze zeggen u wat, dan is het prima. Maar op het ogenblik, dat u probeert de zaak zelf in te kleuren, zit u verkeerd.