De instrumenten van de occultist

uit de cursus ‘Occult practicum’ (hoofdstuk 5)- december 1966

De instrumenten van de occultist

Als wij in het praktisch occultisme werkzaam zijn, dan zullen wij ons zeker ook moeten bepalen tot de verschillende werkwijzen en vooral ook tot datgene wat instrumenteel is om het gewenste effect te bereiken.

Wij kunnen deze instrumenten onderscheiden in twee soorten:

  1. de esoterische of interne werkingen.
  2. externe of rituele werkingen en werktuigen.

Esoterische of interne werkingen

Het belangrijkste uit de aard der zaak is het inzicht van de mens; en een van de meest belangrijke punten daarin is wel de wil. Niemand zal in het occultisme of de magie iets kunnen bereiken, indien hij zijn wilskracht niet heeft geoefend. Daarvoor bestaan er verschillende methoden o.a. die van de penjali‑yoga, waarmee men tracht deze wil aan te kweken. Om echter de wil eenvoudig te omschrijven en haar ontwikkeling weer te geven meen ik het voor Nederland als volgt te mogen formuleren:

De wil betekent het richten van de eigen persoonlijkheid en het totaal van de acties, toestanden, mogelijkheden en verdere eventualiteiten, waarin de persoonlijkheid zich uit of die deel zijn van die persoonlijkheid, op iets met uitsluiting van al het andere.

Deze wil wordt bereikt door eliminatie. Het is misschien erg aardig te proberen de wil te richten op een bepaald punt en het andere te laten voor wat het is, maar de praktijk wijst uit dat dit ‑ en zeker voor iemand die pas begint ‑ heel moeilijk is. Wij moeten er een gewoonte van maken bepaalde delen te elimineren. Indien wij ons willen concentreren in een vol vertrek, dan elimineren wij persoon na persoon of voorwerp na voorwerp, tot één bepaald voorwerp het enige voor ons bestaande is. In het begin is dit zeer moeilijk en is die toestand niet na een ogenblik te bereiken. Bij verdere training blijkt dat men deze visuele eliminatie veel gemakkelijker tot stand brengt.

Vervolgens probeert men orale eliminatie en tracht men in bv. een menigte een enkel stemgeluid een paar keer goed te horen en dan op steeds grotere afstand alles uit te schakelen, behalve dit ene stemgeluid. Het lijkt alsof wij hier alleen een zintuig oefenen. Dit is echter niet waar. Er is nl. een voortdurende wilsacte nodig om alle andere storende invloeden blijvend af te wijzen. Deze oefening is dus een training van de wil en de wilskracht.

Gaan wij nog wat verder, dan zullen wij moeten leren één doel te stellen en onverschillig te blijven voor al het andere. Dit laatste zal voor velen moeilijk zijn. Om voor de huisvrouw een voorbeeld te geven: wanneer u zich concentreert op het instralen van een bloem en u wilt dit met vol effect doen, dan mag u geen onrust kennen, omdat de melk kan overkoken; en als u ruikt dat deze overkookt, dan mag u er niet op letten. Dit is natuurlijk wel heel erg laag bij de grond misschien, maar het geeft u een voorstelling van het uitschakelen van de persoonlijke betrekkingen met het andere. U heeft er niets mee te maken. Alleen het doel, het doelbewustzijn, dat zo wordt bereikt, geeft ons dan de wil als instrument.

Als instrument gebruiken wij de wil om bepaalde van onze faculteiten als enig waarnemings‑ of gevoeligheidscentrum volledig te activeren met uitsluiting van alle andere. Wat voor doel dit heeft, zult u begrijpen indien u probeert eens te luisteren met de ogen open en daarna met de ogen dicht. Met de ogen dicht lijkt het of het gehoorde opeens veel scherper is. Het wegvallen van de visuele impressie geeft een grotere gevoeligheid aan het gehoor.

Het gebruik van de wil in meer magisch opzicht.

Wil is energie. Gerichte wil is gerichte energie. Gerichte energie die wordt uitgestraald, is in staat op het punt, waarop zij in focus komt (dus waar het brandpunt van die wilsenergie ligt), acties te doen ontstaan. Daarbij geldt ‑ en dat mag u wel goed onthouden:
Wij richten nimmer onze wil op het totaal; wel de intentie, maar nimmer de wil. Wij proberen niet een hele tafel te verplaatsen, wij proberen een vezel hout uit die tafel te verplaatsen. Die vezel hout valt binnen onze bekwaamheid, maar de tafel als geheel niet. Het resultaat is, dat met de vezel de gehele tafel zal kunnen rijzen. Levitatie. U kunt hierbij denken aan de wetten van de hydraulica en de z.g. hydraulische pers. Als wij in de kleine cilinder een druk krijgen van 1 kg op zeg 1 dm² en de grote oppervlakte is 500 dm², dan staat op elke dm² van het grote vlak diezelfde druk en wordt de totaaldruk dus 500 kg voor 1 kg.

Op dezelfde manier werken wij dus ook met de magie en met al datgene wat wij vanuit onszelf projecteren, hetzij naar een geestelijke wereld, hetzij naar een stoffelijke wereld. Door de projectie op een onderdeel te richten, hebben wij voldoende kracht om een effect tot stand te brengen; en dit zal doorwerken in al hetgeen nauw verbonden is met het punt, voorwerp, enz., waarin het effect werkzaam is.

Dan kunnen wij de wil nog gebruiken om a.h.w. te sorteren. Zoals wij met de gehoorproef, die ik u zo even beschreef, kunnen komen tot het beluisteren van een bepaalde toon (dus een bepaalde trilling, een bepaald timbre, met uitschakeling van al het andere), zo kunnen wij door onze wil uit te stralen als een afscherming onszelf afschermen voor alle werkingen of invloeden behalve enkele. En die enkele kunnen wij zelf dan nog selecteren. Zo is de wil dus eigenlijk ook nog de bron van een magisch scherm of een magische keten.

Als magische keten geeft zij ongetwijfeld ook een bijzonder grote mogelijkheid om normaal zwakke invloeden uit de eigen omgeving zich kenbaar voor het “ik” te doen manifesteren, daar het storend element van de vele andere indrukken voor het “ik” is weggefiltreerd.

Deze omschrijving van de wil als instrument lijkt mij voorlopig voldoende.

Ik wil dan ook overgaan tot het tweede instrument dat wij hebben.

Dit tweede instrument is in feite psychologisch. Het is: De opzweping van het “ik”. U zult zeggen: Waarom moeten wij dat “ik” opzwepen?

Een mens, die zichzelf voldoende opzweept, vergeet zichzelf. Hij komt dan in een toestand waarin de wereld voor hem onwerkelijk wordt. Of hij dit nu doet als een dansende derwisj, waarbij vermoeidheid een rol speelt, of als iemand die kristal kijkt (optische vermoeidheid), of door te luisteren naar geluiden als bij de Voodoo bv., hij wordt overspoeld, hij wordt beheerst, hij verliest zijn identiteit binnen de beperking van zijn wereld. Zijn bewustzijn blijft echter bestaan. In deze roes kan hij aan alles, wat er met hem of rond hem gebeurt (onverschillig wat), de waarden van zijn eigen persoonlijkheid opleggen. Dat is heel typisch. Als je bv. gewoon een glas water drinkt, dan kun je er wijn van maken en je kunt er ook zuivere, pure kracht van maken. Indien u dat symbool aanvaardt als zodanig, dan is het voor u waar. Het heeft echter bepaalde gevaren, dat geef ik graag toe, maar dat is haast onvermijdelijk.

Alle mystici maken in hun poging, door te dringen tot het hogere, gebruik van deze roes. Zij maken gebruik van dit opzwepen van het “ik”, tot het zijn contact met de menselijke realiteit verliest. Wij zien dit bij elke magiër en bij een ieder die bepaalde grote dingen van geestelijk en zelfs stoffelijk belang weet te doen. De grote prestaties van bv. een Jeanne d’Arc zijn zeker voor een deel te danken aan het feit dat zij zich onttrok aan de menselijke werkelijkheid. En levend in haar eigen werkelijkheid beschikte zij over capaciteiten, die zij als normaal mens nooit zou kunnen hebben gehad.

De wijze om dit te verwerven kan ik u moeilijk beschrijven. Er zijn nl. zeer vele methoden. Ieder zal voor zich moeten kiezen wat voor het “ik” de meest aanvaardbare is: het spiegel‑kijken, kristal‑kijken, luisteren naar muziek of wat anders.

Indien men de roes bereikt, dient men dus wel uit te gaan van het feit dat de roes (ritueel of anderszins bereikt) moet leiden tot een bepaald doel. Het geheel heeft maar één bepaald doel, één bepaalde bestemming; al het andere telt niet. Op deze wijze verplaatst men zich in een wereld, waarin het gewenste eigenlijk reeds werkelijkheid is geworden en het “ik” dus alle middelen verkrijgt om ook in de meer stoffelijke wereld over te gaan tot een realisatie, zo deze daar mogelijk is.

De derde innerlijke waarde, die wij toch ook als werktuig kunnen beschouwen, is het z.g. offer. Ik denk hierbij niet aan de uiterlijke offers en offeranden, ofschoon die zeker bij vele godsdiensten en ook in de magie worden gebracht. Het gaat hier om het offer van het eigen “ik”.

In Tibet worden de mensen, die een bepaalde inwijding hebben bereikt, geconfronteerd met de eenzaamheid. Zij moeten eenzaam in de wildernis lopen en luidkeels ‑ terwijl ze een soort knekelratel hanteren ‑ de geesten vragen om hen te eten. Dat klinkt dwaas. Maar laat mij het u uitleggen.

Wij hebben een soort ego, dat heel sterk aan het materiële verwant is. U zou het misschien een soort astrale schil kunnen noemen. Dit ego op zichzelf heeft betrekkelijk weinig waarde, maar het maakt het ons vaak onmogelijk een hogere wereld of sfeer te betreden. Het schermt onze contacten af. Door nu dit lichaam a.h.w. te offeren, dus vrijwillig aan de krachten van de kosmos over te geven (niet alleen aan God, maar aan alles, zonder uitzondering; als er een duivel komt, die het wil hebben, kan hij het krijgen), neemt men deze belemmering weg.

U denkt dat dit magisch is, maar het is in feite een zeer oude religieuze waarheid. Zelfs Jezus zegt dat zij, die zich geofferd hebben, de tweede dood niet zullen sterven. De tweede dood; d.w.z. het leven, gebonden in die halfduistere vorm en deze – vaak onder angst en pijnen  -verlaten, zoals men een stoffelijk lichaam verlaat.

U zult begrijpen dat dit offer in het begin erg moeilijk is. We zijn bang onszelf te verliezen. Maar het ego zelf, met zijn praktisch onbeperkte mogelijkheden (eeuwig wezen als het is en contact hebbende met alle sferen), heeft geen behoefte aan een beperking die het te sterk op aarde definieert. Zolang ik zelfzuchtig probeer te streven naar het hogere, zal ik juist door het vasthouden aan mijn persoonlijkheid en vorm, zoals die op aarde bestaan, dit contact in wezen onmogelijk maken. Maar op het ogenblik dat ik gebruik maak van het offer, moet ik mijzelf, zoals ik nu ben, prijsgeven. Ik houd op te bestaan. En nu is niet slechts de belemmering voor het contact met het hogere verdwenen, maar het bewustzijn uit het hogere kan zich ook onmiddellijk in het lichaam openbaren. Er ontstaat nu hernieuwd een astraal ego, maar dit is niet meer opgebouwd uit de vitale krachten van het leven op aarde, doch uit de vitale krachten van een sfeer. Het is dan ook niet meer blijvend. Het is eenvoudig een uitingsvorm, meer niet.

Door dit offer te brengen bereiken wij dus een contact met hogere werelden; wij bereiken de mogelijkheid het hogere meer onmiddellijk vanuit onszelf te openbaren en wij nemen de belemmeringen weg, die ons persoonlijk “ik”‑besef in de wereld ons meestal zal opleggen t.a.v. het in feite voor ons mogelijke.

Dit zijn dan drie instrumenten, die men meestal gezamenlijk gebruikt ‑ al kunnen de verhoudingen wat verschillen ‑ wanneer men praktisch met het occultisme werkt.

Externe of exoterische uitingen

Daarnaast hebben we echter de z. g. externe of exoterische uitingen. Daar zien we dat het belangrijkste instrument eigenlijk is: de klank.

De klank heeft een bijzonder karakter. Zij beïnvloedt de mens en het totaal van zijn omgeving. Als ik dus klanken produceer, schep ik een invloed. Deze invloed betreft ook het eigen stoffelijk leven. Het is dus mogelijk via klanken een bepaalde selectie van je stoffelijke gevoeligheden te maken. Het is ook mogelijk via deze methode te komen tot een veel scherpere gerichtheid, een groter zelfvertrouwen of een groter Godsvertrouwen.

Geluid en wel in alle vormen (ook muziek, geruis e.d.) is bruikbaar, omdat het de mens en eventueel zijn omgeving kan afstemmen op de voor hem belangrijke waarden, hetzij van eigen “ik”, hetzij van de kosmos. Het produceren van geluid is een zeer aparte kwestie, waarop misschien eens kan worden ingegaan indien daartoe tijd is.

Het tweede instrument, dat wij gebruiken, is het gebed.

De meeste mensen denken aan gebed als aan een spreken met God of als het afraffelen van een aantal vaste formules. In dit verband echter is het gebed niet meer of minder dan het automatisch scheppen van een bepaalde geestelijke gerichtheid door het steeds herhalen van bepaalde en dezelfde formules, waardoor men zich in contact weet of voelt met God. Dit is het creëren van een sfeer. Wil men bidden als instrument gebruiken, dan zal men regelmatig moeten bidden. Het voordeel hiervan is: men schept met betrekkelijk eenvoudige middelen een sfeer rond zich, die voldoende harmonisch is; en voor zichzelf een instelling en een gerichtheid, die het mogelijke maken de wil met veel minder moeite te richten op één bepaald doel.

Daarnaast gebruiken wij dan nog de zintuigen‑beroerende mogelijkheden en instrumenten. Daaronder verstaan wij o.m. reukstoffen.

Wierook bv. kan een zekere invloed hebben op de mens en hem eveneens verwijderen van zijn eigen werkelijkheid. Wij kunnen ook de tastzin gebruiken. Wij kunnen zelfs de temperatuur en het vochtigheidsgehalte aanwenden om voor de mens een bepaald gevoel, een bepaalde invloed of indruk te scheppen. Hij zal hierdoor wederom gemakkelijker tot afstemming komen.

Als derde komen wij in deze klasse aan de z.g. riten en rituele middelen. Om u nog even in herinnering te brengen wat reeds in het eerste deel van de vorige cursus over dit onderwerp is gezegd.

Het is in de rite altijd het gebruiken van een soort geestelijk steno om bepaalde associaties, die voor het gevoelsleven en de emotie belangrijk zijn, maar niet kunnen worden overdacht, omdat ze te veel overdenking vergen, samen te vatten in een enkel beeld. Een goed voorbeeld hiervan is bv. de toverstaf. En dan denken we hier niet aan de toverstaf van de goochelaar maar aan de originele, die uit hazelroede of uit ebbenhout is vervaardigd, waar ringen omheen zitten van verschillende metalen, elk gegraveerd met de juiste namen van goden of van grote geesten, de z.g. hertogen, baronnen, vorsten enz., met de planeettekens en al wat daarbij behoort. Zo’n toverstafje is niet belangrijk, omdat het in zich zoveel macht bergt. Het is belangrijk, omdat het een symbool is van de totale kosmos, zoals de mens zich die voorstelt. Het besef dat men de kosmos hanteert, sluit het gevoel van onvermogen uit en schept zekerheid, gerichtheid en een maximaal gebruik van eigen – eventueel ook andere – energieën op het ogenblik, dat zonder dit hulpmiddel het “ik” zelf een belemmering zou vormen door zijn gevoel van wantrouwen of het gevoel binnen de kosmos gebonden te zijn. U begrijpt dus dat die riten belangrijk zijn.

We kennen dan verder de rituele figuren, zoals de zegels en de z.g. bezweringsdiagrammen, die alle hetzelfde doel hebben nl.: door het scheppen van een aantal symbolen de emotionele inhoud van de mens te veranderen, bepaalde waarden van zijn onderbewustzijn te stimuleren en ten slotte in hem een emotie te doen ontstaan, die verdergaat dan zijn mogelijkheden en vermogens en daarbij andere werelden als een volkomen en directe realiteit te accepteren.

Er zijn veel meer werktuigen te beschrijven. Maar aangezien ik niet aanneem dat er onder u zijn, die willen beginnen met de vervaardiging van een toverstaf ‑ een langdurig werk, dat kan ik u verzekeren ‑ of op andere wijze met de rituele magie onmiddellijk aan het werk willen gaan, meen ik hier met de directe gegevens te mogen besluiten. Wel wil ik u enkele aanwijzingen geven, die voor u misschien toch wel bruikbaar zijn.

  1. Verbind aan bepaalde handelingen, die u niet regelmatig volbrengt, zodat daarvoor een aparte wilsacte nodig is, een intentie of een doel, dat op geestelijk terrein ligt. Zie daarin niet de uit­drukking van menselijke waarden of relaties, maar van kosmische waarden of relaties.
  2. Voeg een aantal gewoontegebaren bijeen, zodat zij gezamenlijk voor u de uitdrukking kunnen zijn van een voor u noodzakelijk begrip (bv. reiniging of zuiverheid), als men zich op het Goddelijke wil richten. Ik denk hier bv. aan het toch wel zeer symbolische afne­men van het hoofd, het wassen van de handen en het even afslaan van het lichaam. Het heeft met reiniging eigenlijk niets te maken. Maar het zegt: Ik reinig mijn gedachten, ik reinig al wat er aan mijn han­den kleeft, ik neem afstand van de wereld en wat de wereld nog aan mij heeft hangen werp ik weg. Met deze gebaren kan men zo een symbolische reeks opbouwen. Dit is maar een voorbeeld uit vele.
  3. Indien u in uw denken en zoeken naar het occulte bepaalde din­gen in het bijzonder nastreeft, is het belangrijk dat u erkent wat voor u daarbij het grondbegrip is. Of dit nu een kwestie is van naas­tenliefde, van Godsverbondenheid of van het samengaan met de geest of wat anders, hindert niet. U neemt dat grondbegrip, u zoekt daar­voor een uitdrukking en wel zo, dat u zich a.h.w. verwijdert van uw wereld én bestaan, uw normen en wetten achterlaat met bepaalde ge­baren (eventueel ook woorden) en zo komt tot de aanvaarding van een andere werkelijkheid. Iets dergelijks moet zeker een tijd lang regelma­tig worden gedaan, ook als men er niet mee wil werken. Het moet een gewoonte zijn; want juist met deze gewoonterite en gewoontegebaren kan men het best werken, wanneer de nood aan de man komt.
  4. En dan nog iets over het geluid. Het is niet hetzelfde of u iets denkt dan wel het zegt. Een bede, die u innerlijk tot God richt, heeft voor zover het u en uw onmiddellijke omgeving betreft in de gedachten weinig directe invloed en waarde, maar op de juiste wijze uitgesproken een zeer grote invloed en waarde. Wen u aan de voor u belangrijke dingen zo kort, maar ook zo juist mogelijk vocaliserend hardop uit te spreken. Geluidsterkte is daarbij niet van belang; verstaanbaarheid is essentieel.