De inwijdingsgraden

Inwijding is een begrip, waarmee op aarde nogal eens wordt gegoocheld. Inwijding betekent in feite: leren volledig te leven. Het zal u duidelijk zijn, dat ‑ ongeacht de vele inwijdingsscholen en loges, die men heeft – de inwijding op zichzelf toch wel iets anders moet worden bezien dan als een kwestie van leerling zijn, gezel worden en daarna meester. Er zit daaraan veel meer vast. Ik zal in deze inleiding trachten u kort een overzicht te geven van de normale gang van zaken. Ik zeg; de normale gang van zaken, want het zal u duidelijk zijn dat afwijkingen overal en zeker ook hier mogelijk zijn.

Iemand, die met een zekere begaafdheid of een zeker talent incarneert, zal ongetwijfeld in de inwijding bepaalde graden kunnen overslaan. Het verloop, dat ik u schets, is dat van een normaal persoon. Ik wijs verder erop, dat de inwijding vaak niet één maar vele incarnaties kan vragen.

Je begint te leven. In het leven word je geconfronteerd met het bekende en het onbekende. De mens, die leert uit het bekende het onbekende te benaderen, begeeft zich op het pad van inwijding. Elke benadering van het onbekende betekent n.l. een uitbreiding van eigen besef omtrent het leven en daarmee ook een juistere en misschien meeromvattende erkenning van eigen wezen en mogelijkheden temidden van het leven. In deze periode zullen wij niet te maken krijgen met iemand, die u komt inwijden.

De inwijding in haar eerste fase is er een van normaal leven. De inwijdingscyclus wordt gereguleerd door kosmische wetten en het eigen geestelijk bewustzijn van school en scholing behoeft hier geen sprake te zijn. Iemand, die in deze periode deel gaat uitmaken van een z.g. inwijdingsgenootschap, zal daarin misschien hoge graden kunnen halen, maar dat wil helemaal nog niet zeggen dat hij een werkelijke inwijding heeft ondergaan. Dit is sterk afhankelijk van zijn eigen reactie. We zouden kunnen zeggen, dat de daarop volgende 2e en 3e fase eveneens niets anders zijn dan reageren en erkennen.

In het reageren en erkennen krijgen we in de eerste periode te maken met wat wij een eigen moraliteit kunnen noemen: een besef van verplichting en verantwoordelijkheid, dat zich in de 2e fase uitbreidt tot een begrip van vermogen. Er komt een zekere zelfkennis te voorschijn. In die zelfkennis ontdekt men ook de mogelijkheid tot handelen; en dit blijft niet alleen beperkt tot het zuiver materiële. Het einde van de 2e fase is over het algemeen het begin van de paranormale ontwikkeling.

De z.g. 3e fase is sterk gebaseerd op het paranormale. Ook hierbij geen bewust geleide inwijding. Men volgt over het algemeen geen absolute inwijdingsscholen. Men heeft daarmee ook weinig contact. Indien men in contact komt met adepten, weet men dat zelf doorgaans niet. De typerende ontwikkeling hierbij is, het gebruik van wat men noemt paranormale vermogens; en daarbij spelen dan genezende werking en contact met wat men de geestenwereld noemt meestal de hoofdrol. Deze beide zijn bepalend. Als daarin iets wordt bereikt, dan komen wij tot de 4e fase, waarin voor het eerst een meer bewust ervaren leiding gaat optreden. In deze 4e fase n.l. krijgen we te maken met direct voor het “ik” bestemde aanwijzingen, soms stoffelijk gegeven. In vele gevallen echter hoofdzakelijk geestelijk gegeven en aangevuld met schijnbaar incidentele kennis, die men op aarde krijgt.

Heeft men in deze 4e fase de juiste reactie, dan ontstaat voor het eerst de mogelijkheid dat werkelijke inwijdingsbegrippen een grote rol gaan spelen. Dit begint dan met het erkennen van een zekere symboliek, een bevrijding van het “ik” uit de gemeenschapsmoraal en gelijktijdig de erkenning van een zuiver persoonlijke Godsrelatie, die menselijk uitgedrukt een moraliteit inhoudt, en het contact met anderen. Dit contact met anderen is eigenlijk het begin van wat men kan noemen; de bewuste scholing. Al het andere kunnen wij nog herleiden tot zelfsuggestie of spiritistische verschijnselen. Nu echter maak je contact met mensen, die je soms helemaal niet kent, die je een paar woorden of een richtlijn geven, waardoor je leven anders wordt. Natuurlijk is ook hier het zelf reageren nog steeds van belang. Maar het blijkt, dat het incident (het ontvangen van een boodschap, een richtinggevende mededeling of hulp) steeds frequenter wordt.

In de 5e fase zien wij een maximale activiteit. Men voelt zich a.h.w. gedreven en houdt zich zeer sterk bezig met de mens, vooral met de zieke dus de sociaal minder prettig levende mens. Er is groot begrip voor deze delen van de mensheid; en uit dit begrip ontstaat een Godsbegrip.

Als wij al deze fasen tezamen nemen, dan kunnen wij zeggen: Het is de z.g. drempel. Want hebben wij eenmaal de 6e fase dan doorleefd en komen wij in de 7e, dan weten wij dat er een leiding is. Wij weten dat er een inwijding is; en onze erkenning van de symboliek, die in een vorige fase al aanwezig was, wordt nu uitgebreid. Zij wordt de erkenning van een taal, waarin niet alleen in woorden uit te drukken ervaringen en denkbeelden kunnen worden medegedeeld.

Het begin van de symbooltaal is tevens het begin van een vreemde communicatie, die voor vele mensen door alle tijden heen gaat. Iemand van vandaag, die de 7e fase bereikt, leest met evenveel plezier de boodschappen, welke duizenden jaren geleden ergens in steen werden gehouwen als bv. de diagrammen uit de middeleeuwen of zelfs de symbolen, die de meer moderne tijd heeft ontworpen. Zou men hiervan een stoffelijke voorstelling willen geven, dan zou men moeten zeggen: De mens is niet meer afhankelijk van de realiteitsbeschrijving. Hij leert de blauwdrukken van het leven lezen.

Zodra je dit bereikt, ga je zoeken. Want het is logisch, dat je dan in die blauwdruk ook wel de mogelijkheid wilt zien om de zaak te veranderen, op te bouwen. Men gebruikt daarvoor over het algemeen op symboliek gebaseerde systemen. Wij zien in deze fase mensen optreden als vergevorderde Rozenkruisers, Groot‑Kruizers. Bij de Theosofen vinden we ook enkelen van deze mensen. Wij vinden hen bij de vergevorderde denkers, die voortkomen uit de Antroposofie, maar in sommige gevallen eveneens in kloosterorden of in priestergemeenschappen. Ik noem er enkele. Er zijn natuurlijk veel meer van die groeperingen.

Typerend voor de 7e graad is een sterk leren in de z.g. geheimschool, met een groot gevoel van ontevredenheid. Men is het niet eens met de daar heersende standaard en maatstaven. Men erkent al zeer snel, dat het systeem als zodanig alleen bruikbaar is, indien het voor het “ik” geheel opnieuw wordt geïnterpreteerd. Komen wij tot deze nieuwe en persoonlijke interpretatie, dan treedt de 8e fase in.

In de 8e fase gaan wij mediteren; nu niet meer op grond van het bestaande, maar a.h.w. vanuit onszelf. Wij komen tot een beeld, dat wij vergelijken met de bestaande symboliek. Een beeld, waardoor wij langzaam maar zeker doordringen in wat men de werelden van de geest zou kunnen noemen. Het contact met een grotere werkelijkheid begint; en ook in de 9e fase vindt dit zelfde plaats.

U zult begrijpen, dat we deze fasen niet kunnen vergelijken met graden. Het zijn eenvoudig treden van ontwikkeling. Zou ik hier de symboliek willen aanhouden die men gebruikt, dan zou ik bv. de 9e graad moeten beschouwen als een van buitengewone bereiking. Ze is dit echter niet. Zij is in fasen gezien slechts het bewuste contact met wat de doorsnee‑mens ziet als het bovennatuurlijke.

In deze periode ontstaan steeds meer contacten met ingewijden, of zij nu adeptus minor of adeptus major zijn of misschien nog behoren tot lagere graden. Hier vinden wij dus een leiding en ook weer een gemeenschap. Een geestelijke gemeenschap wordt opgebouwd, die buiten de normaal menselijke waarden ligt, maar zich daarbinnen kan manifesteren. Hierdoor krijgen we de moed om door te dringen in het onbekende en we komen dan bij fase 10.

In de 10e fase zullen we voortdurend bij ons zelfonderzoek onze eigen angst volledig ontmoeten. Nu niet meer alleen de gedachte aan de doodsangst, maar werkelijk de confrontatie met al wat er in ons wezen is: het lelijke en het mooie. Het is een periode, waarin men zich vaak sterk geïsoleerd voelt. Men heeft geen werkelijk contact meer met degenen, die geestelijk zo prettig samenwerkten. Men voelt zich ook vaak van geest en geestelijke leiders verlaten. Indien men in staat is de aspecten van de eigen persoonlijkheid, die nu naar voren komen, te aanvaarden voor wat ze zijn (niet te overwinnen, maar te aanvaarden), dan kan men binnentreden in een rijk, waarin natuurgeesten en entiteiten van bv. mijn aard en karakter aanwezig zijn. Er is dan sprake van een bewust en niet meer van het dagelijks leven te scheiden voortdurend bestaand contact met de geest. Dit contact wordt tot een gewoonte.

Wij zijn nu in de ontwikkelingsfase aangekomen en hier wordt het eindelijk nodig, dat een werkelijke inwijdingsscholing begint.

Men heeft in 11 fasen de beginontwikkeling doorgemaakt, die een ieder zelf zou kunnen volbrengen. Men heeft daarbij misschien enige hulp gehad, maar die hulp was niet noodzakelijk. Wil men verder gaan, dan heeft men gidsen nodig, want binnentreden in een land van de geest impliceert ook wel, dat je de waarden en de mogelijkheden van die wereld van de geest kent.

In de 12e graad of fase vinden wij de mens, die geestelijke activiteiten verricht. Voor de westerling over het algemeen in het kader van de z.g. Grijze Broeders of Grijze Pijen. Dit zijn entiteiten, die zich bezighouden met het helpen van anderen in lagere sferen, die ook de geest op aarde trachten te helpen; die heel vaak, hetzij stoffelijk of in de geest, aanwezig zijn bij de overgang van anderen. Er wordt in deze fase onnoemelijk veel ervaring opgedaan omtrent leven en dood. Vroeger moest men het zelf doen. Men moest zelf zijn angsten overwinnen. Nu heeft men achter zich de mentor. De mentor is een entiteit of een persoon (het kan dus ook iemand op aarde zijn), die zijn gedachten met u wil delen. Gedurende uw activiteiten in de geest bent u door die mentor a.h.w. beschermd en krijgt u ook voorlichting omtrent hetgeen u verkeerd doet. Hier is sprake van een daadwerkelijke scholing, die zich op den duur ook in de richting van het meer magische uitstrekt.

Kan men dit magisch element (dit werken met krachten en wetten, die op aarde niet erkend zijn) aanvaarden en verwerken, dan gaan wij onmiddellijk over naar de 13e graad waar wij beginnen te werken met de z.g. kosmische wetten en deze nu bewust voor onszelf gaan gebruiken om onze eigen invloed op de materie tot uitdrukking te brengen, maar ook wel om daarmee geestelijk resultaat te bereiken. De proeven hiervan zijn het opbouwen van z.g. eigen scheppingen of gestalten, die ook weer kunnen worden vernietigd. Daarnaast hoort in deze fase zeker ook thuis de bewuste uittreding naar de verschillende sferen, het actief zijn in die sferen (desnoods zonder geleide) en ook scholingen, die meer en meer het karakter krijgen van een geestelijke versmelting met de mentor.

Die geestelijke versmelting is van buitengewoon groot belang. Door de confrontatie met de diepte van een adept kan de leerling zich een beeld gaan vormen van zijn eigen doel. Tot nu toe is alles gebleven bij verschijnselen en gevoelens. Nu echter kan men doelbewust gaan reageren. De volgende 3 graden bestaan dan ook in het beproeven van eigen vermogen tot doelbewust reageren.

Wij zitten dan enige tijd in rust. Als je zover komt, dat je zegt; “Ik ben aan de 17e graad toe”, dan sta je eigenlijk voor een beslissing en je keert terug tot jezelf. Het bovennatuurlijke trekt je niet meer. In het gewone leven sta je een beetje apart, maar je begrijpt het. Nu moet je een keuze doen. Wil je leven voor jezelf of wil je een hogere “planning” aanvaarden? Wil je trachten door te dringen in het goddelijk scheppingsplan en dit waarmaken? Doet men dit, dan ontstaat er een direct en ook in de stof optredend contact met ingewijden. Men erkent hen misschien niet altijd als zodanig, maar het geestelijk contact, dat men met hen heeft, maakt toch wel duidelijk dat hier iets bijzonders aan de hand is. Men vindt verder een z.g. droomscholing; d.w.z. een regelmatige uittreding door een mentor geleid, waarin feiten worden getoond en geleerd.

Tot de 21e graad kunnen wij zeggen, dat er sprake is van het leren van het scheppingsplan, het leren van de kosmische verhoudingen. De activiteiten van vroegere graden worden weliswaar nu en dan weer opgenomen, maar eigenlijk meer als een trainingsprogramma dan ‑ zoals in het begin ‑ als een volledige taak. Degenen, die eenmaal de 21e fase van inwijding hebben bereikt, gaan op eigen houtje helpen. Zij krijgen daarbij de verantwoordelijkheid tegenover mensen, die zich lager op de trap van inwijding bevinden. Gelijktijdig dragen zij vaak een veel grotere verantwoordelijkheid tegenover entiteiten, die niet volledig bewust zijn. Als men in dit verband geestelijk werkt, behoort men tot de z.g. Witte Pijen, omdat het beeld, waarin men zich uitdrukt, de persoonlijkheid wel verhult, maar lichtend is en niet ‑ zoals in het begin – wat grijsachtig.

De activiteit op geestelijk terrein impliceert nu ook contact met geestelijke groeperingen, geestelijke organisaties. Heeft men in vroegere fasen kennis gemaakt met telepathie als een mogelijkheid, nu wordt de telepathie een normaal deel van het eigen bestaan. Men heeft een voortdurend, zij het soms nog wat vaag, contact met anderen. Men ontvangt mededelingen en leert steeds beter beseffen waar ze vandaan komen en van wie. Op den duur is men in staat om zelf rapporten omtrent geestelijke omstandigheden en stoffelijke noodzaken uit te wisselen met vele entiteiten op aarde en in de sferen.

Heeft men dit bereikt, dan komt de 22e fase als een zeer belangrijke. Men heeft gekozen voor het licht, dat is goed. Men heeft gekozen voor het scheppingsplan. Men heeft geleerd contact op te nemen met anderen, die op gelijke wijze denken. Men krijgt nu de keuze zich aan te sluiten. Deze aansluiting houdt in, dat men het gezag van een bepaalde groep en de juistheid van haar plannen erkend en zich daaraan ‑ maar niet onvoorwaardelijk ‑ bindt. Men is dus verplicht eerst volgens de lijnen van de groep actief te zijn; daarnaast kan men op eigen wijze verder werken en leven. Deze beloften zijn vaak tamelijk zwaar en worden voor een periode gegeven. Die perioden zijn soms 3‑ soms 7‑jaren durende, indien men op aarde leeft. Indien men in de geest leeft, spreekt men over een cyclus van 9 hoofdervaringen.

U zult begrijpen, dat wij hier eindelijk het punt hebben bereikt waar een werkelijke inwijding, een werkelijke confrontatie met het Eeuwige nodig is.

De 23e tot en met de 27e fase omvatten dan het vormen van de z.g. adeptus minor: de lagere ingewijde. Deze zal de strijd moeten aanbinden met de elementen. Hij moet bv. leren om vuur en water te beheersen. Hij moet leren om een zekere mate van wat u weer magie zou willen noemen (dus de elementen in de lucht en in de aarde) waar te nemen, te erkennen en eventueel te regelen. Deze periode kan voor sommige mensen zeer gevaarlijk zijn. Want als je eenmaal in staat bent om eenvoudig te zeggen; “Hier in de zee zijn parels”, of: “Daar in het land ligt een goudader”, dan komt het egoïsme nog wel eens een keer boven. Wie hier faalt, wordt het slachtoffer van zijn eigen angsten. Hij kan zichzelf niet meer volledig aanvaarden zoals hij is. Hij is in zichzelf verdeeld. Deze worsteling betekent doorgaans het wegvluchten uit de erkende eigen morali­teit, het terugvallen eerst op de algemeen gangbare moraal en later vaak ook zelfs het verlies daarvan. Het is een isolement, dat niet alleen geestelijk, maar op den duur zelfs menselijk wordt.

Slaag men in deze fasen als adeptus minor, dan krijgt men over het algemeen z.g. taken. Deze kan ik u niet omschrijven. Een dergelijke taak kan bv. bestaan uit het stichten van een bepaalde groep of genootschap. Daarnaast kan zij bestaan uit het helpen van bepaalde mensen, het veranderen van zekere gebeurtenissen en soms zelfs het alleen aanwezig zijn in omstandigheden van groot gevaar om anderen daarbij hulp te verlenen. In vele gevallen is de opdracht zelfs gecombineerd. Die opdrachten betekenen, dat je meer en meer moet gaan vertrouwen op dit bovennatuurlijke. Je moet en nu niet meer instinctief zoals in de eerste fasen, maar volledig bewust kunnen vertrouwen op geestelijke kracht om jezelf en anderen te beschermen tegen gevaren. Je moet bewust en niet alleen maar intuïtief weten te putten uit een menselijke totaliteit van kennis, uit een goddelijk besef, uit goddelijke kracht.

Dit bewust werken met krachten houdt weer in, dat je wordt geconfronteerd met de ook niet‑menselijke entiteiten en grootkrachten en grootmeesters, die er in de kosmos bestaan. U zoudt hier kunnen spreken van een ontmoeting met de werkelijke duivelen en engelen, misschien zelfs aartsengelen. In deze ontmoetingen zal men zijn doelbewustzijn nog voortdurend verder moeten bewijzen. Als men raadsels of problemen heeft, waar men niet uit kan komen, dan heeft men nu telepathisch en daarnaast vaak ook stoffelijk een zodanig contact met andere ingewijden, dat men altijd op hulp en steun kan rekenen. Men behoort bovendien tot een groep, die ‑ zolang men niet buiten het door die groep gestelde doel gaat ‑ zeker alle mogelijkheden schept. Het betekent eenvoudig, dat je hier, dank zij hulp en dank zij de aansprakelijkheid die anderen tegenover jou nog op zich nemen, praktisch alle dingen kunt doen, die van een ingewijde worden verwacht.

Maar dan komt het ogenblik, dat je je moet losmaken van de groep. Losmaken ook van de gebondenheid aan een mentor, die nog steeds ‑ zij het nu wat verder ‑ achter je staat. Je moet zelfstandig het licht tegemoet treden; en men noemt dit dan wel: het ingaan in het verblindende of witte Licht. Men noemt het ook wel eens de confrontatie met God.

Dit is een totale verandering van alle waarden. Je hebt niet meer te maken met het programma van het leven en van de schepping. Je hebt te maken met de tijdloosheid ervan. Je hebt niet meer te maken met je eigen “ik”, zoals je dit kent. Je hebt te maken met je “ik”, zoals het in werkelijkheid bestaat. En je moet deze dingen aanvaarden. Je moet de dreigingen, die er voor je bestaan (d.w.z. het onaanvaardbare in de totaliteit van het zijnde) erkennen en aanvaarden. Kun je dit, dan kun je terugkeren en nog als mens leven op aarde of elders, maar dan ben je in staat om alle dingen te doen. Als je zegt: “Ik wil duizend jaar leven”, dan leef je duizend jaar, want je kent nu de kracht, waaruit het leven zelf is opgebouwd. Als je zegt: “Ik wil deze wereld teniet doen”, dan kun je dat, want je weet welke krachten (ook eenvoudige geestelijke krachten) een ontbinding van de materie tot stand kunnen brengen. Je bent in staat binnen te treden in de duisterste sferen, te staan voor de meest dodelijke demonen en hun holheid en leegheid te doorzien, zoals je in staat bent om door te dringen in hét licht en de realiteit van het bestaan te erkennen.

Wie deze fase achter zich heeft, zal nimmer behoeven te incarneren.

Hij zal zich altijd en te allen tijde een lichaam kunnen scheppen. Wanneer hij op aarde leeft en hij heeft elders behoefte aan een lichaam, dan legt hij zijn voertuig eenvoudig ter ruste en bouwt zich elders een voertuig. Als hij spreken wil, dan kan hij dat doen tot alle ingewijden. Maar hij kan ook de emoties van zich uitstralen, totdat ze een hele stad of een heel volk doortrokken. Hij is in deze fase, als adeptus major, inderdaad degene, die alles kan.

Nu zal hij zelf zijn eigen ontwikkeling en wezen (en nu uitgaande van het Goddelijke), zijn verhouding t.a.v. mensheid, leven en kosmos opnieuw moeten vaststellen. Men kiest dan een taak, die voortvloeit uit de eigen persoonlijkheid. Men werkt in een dergelijke toestand wel mee aan bv. een Witte Broederschap of iets dergelijks, maar men doet dit niet als een ondergeschikt deel ervan, doch eenvoudig als een kracht, die zich tijdelijk of voor een bepaald doel daaraan schenkt. De contacten zijn nu ook volledig reëel geworden. Je kunt niet meer spreken van telepathie; je gaat gewoon werkelijk bij elkaar op bezoek.

Dit zijn dan kort genomen de fasen van een normale inwijding. U zult begrijpen, dat er nog wel meer over te zeggen valt en ik heb hier en daar een paar fasen overgeslagen. Het geheel nauwkeurig te beschrijven lijkt mij eigenlijk overbodig, vooral omdat in de hogere graden de ontwikkeling over het algemeen zo geleidelijk gaat en bovendien zoveel diverse mogelijkheden en feiten bevat, dat je eigenlijk niet precies kunt zeggen, hier houdt die fase op en daar begint de volgende. De fasen, die ik noem, zijn a.h.w. stations, die ik betrekkelijk willekeurig in een continue lijn van ontwikkeling heb aangestipt.

Nu de vraag, of er uitzonderingen voorkomen? Ja. Uitzonderingsgevallen zijn er vele. Soms kun je werk, dat door de meeste ingewijden of inwijdingzoekenden zuiver geestelijk moet worden gedaan, lichamelijk doen; en omgekeerd kun je bepaalde dingen, die een zekere lichamelijkheid onontbeerlijk schijnen te maken, omzetten in geestelijke waarden. Naar gelang je zelf bent, als je op aarde komt (je geestelijke achtergrond, je contacten met de geest en daarmee ook het gebruik van je begaafdheden), zul je in staat zijn om een of meer van die fasen eenvoudig over te springen of soms in verscheidene fasen gelijktijdig actief te zijn. Je kunt bv. aan de ene kant nog als leerling bezig zijn, terwijl je op een ander gebied eigenlijk al kunt reageren als een adeptus minor. Hier is dus geen vaste regel meer te geven. Wel kan altijd dit worden gesteld:

De werkelijke kracht en begaafdheid van de adeptus major kan eerst worden verkregen, indien de ontwikkeling van eigen wezen (geestelijk en eventueel ook lichamelijk) evenwichtig is. In de lagere fasen is het mogelijk, dat je bv. bij de ontwikkeling van geestelijke vermogens graad 12 hebt, terwijl je nog in graad 7 of 8 zit waar het gaat om bepaalde meer actieve occulte waarden. Dit is niet mogelijk, als je volwaardig wordt ingewijd, omdat iemand, die niet evenwichtig is, het niet kan stellen zonder mentor, zonder hulp, van waar die dan ook moge komen.

Een andere vraag, die men zich in dit verband misschien zou willen stellen is: Bestaan er vaste systemen? Het antwoord is; Neen. Het systeem van inwijding is het leven zelf. Alle leven, alle bestaan in de sferen en op aarde, zeker in de vormkennende werelden, zou mogen worden beschreven als een vorm van inwijding.

Waarom we dan toch spreken van de ingewijde in tegenstelling tot de ander? Omdat de een misschien sneller zijn lessen heeft geleerd; maar ook omdat degene, die verder is, verantwoordelijkheid gaat dragen voor degenen, die nog niet zover gevorderd zijn.

Inwijding wil niet alleen zeggen: een persoonlijke bereiking, een persoonlijke groei. Het wil ook zeggen: het steeds meer beseffen en het dragen van verantwoordelijkheid voor degenen, die nog niet zover zijn. Het betekent vaak het zeer moeizaam bewaren van een balans tussen je eigen verlangens en je eigen leven en de verantwoordelijkheid, die uit je besef en je bereiking voortvloeit. Alleen zij, die de hoogste fasen hebben bereikt, zullen zichzelf vaak opofferen, omdat ze de eeuwigheid van hun persoonlijkheid beseffen. Het is niet belangrijk wat er met hun stoffelijk wezen of met hun stoffelijk leven gebeurt. Dat is van voorbijgaande aard. Hun werkelijk bestaan (wat zij ook voortdurend erkennen als zodanig), is nu eenmaal die eeuwigheid, waarin zij zijn doorgedrongen.

Zijn de oude mysteriën, zo zal men zich afvragen, misschien een weergave van dit alles? Het antwoord is: Neen. De oude en ook de nieuwe mysteriën zijn geen weergave van dit alles. Zij zijn vaak wel gebaseerd op een interpretatie van bepaalde trappen van de bewustwording.

Is verstand nodig voor inwijding? Ach, neen. Inwijding is eigenlijk geen verstand, zoals de mens het ziet. Het is begrip; en begrip is iets anders dan verstand. Maar iemand, die de inwijding doormaakt, zal ook verstandelijk meer gaan presteren. Dat is wat anders, maar het is geen voorwaarde.

Is een ingewijde deugdzaam? Nu, vanuit het menselijk standpunt gezien is hij over het algemeen erg ondeu­gend. Dat is te begrijpen. Naarmate men meer begrip krijgt van de kosmos en de daar geldende regels, acht men de op aarde als belangrijk gestelde regels van minder belang. Men zal er niet bewust tegen ingaan, indien dat anderen kwetst of schaadt, maar ze hebben zo weinig zin; en heel veel van de regels, die mensen maken, zijn belachelijk. Als ze belachelijk zijn, dan komt het ogenblik, dat de feiten je dwingen de regels te overtreden. Denkt u in dit geval aan Jezus, die geneest op zondag; die reist op zondag en daarvoor heel veel verwijten te horen krijgt van de wetsgetrouwen. Zij noemen hem daarom een groot zondaar. Hij reageert echter uit zijn erkenning; en dat is heel wat anders.

De wetten van mensen zijn alleen maar de weergave van de menselijke beperktheid, niet de wetten van het leven. Naarmate je verder gaat in de inwijding, leer je meer de wetten van het leven kennen en zul je je dus minder aantrekken van de menselijke wetten. Het is duidelijk, dat men daarom de werkelijke ingewijde maar heel zelden als deugdzaam beschouwt, ofschoon – dat wil ik er meteen bijvoegen ‑ een ingewijde van bv. de 20e tot de 25e graad op aarde later heel dikwijls tot de held of de heilige van een bepaalde godsdienst of systeem wordt verklaard. Want dan zijn de verdiensten en de bereikingen zo groot, dat men al het andere daarvoor wel door de vingers wil zien. De man of de vrouw is ten slotte dood, dus zullen ze wel geen gekke dingen meer kunnen uithalen.

De ingewijde heeft voortdurend een strijd met de wereld. In de lagere graden is dat allereerst de strijd om jezelf te zijn te midden van die wereld met haar wetten. Kom je in wat hogere fasen terecht, dan is het de strijd om zelf in de wereld een volwaardig mens te blijven en toch gelijktijdig je gaven (zo noemt de wereld dat dan) te blijven gebruiken. Kom je nog verder, dan wordt het over het algemeen een strijd om niet jezelf aan anderen op te dringen, want ook dat is een deel van deze inwijdingsfase. Als u een zeker gezag, een zekere macht, een zeker inzicht hebt wat anderen niet bezitten, dan bent u maar al te zeer geneigd om uw persoonlijke inzichten en waarden aan hen op te dringen en zelfs dwingend op te leggen. Ook dit is niet geoorloofd.

Als we dus spreken over de verschillende graden van inwijding, dan kunnen wij kort en krachtig constateren: Het totale verloop van de inwijding omvat tijdens de duur ervan voor degene, die de inwijding ondergaat, zelden volledig kenbare punten. Het gaat zo geleidelijk, dat men niet beseft waar men van de ene graad of fase naar de andere overgaat. Slechts terugziende, kan men beseffen, dat bepaalde kroonpunten zijn bereikt en overschreden.

We kunnen dan verder constateren dat elke graadindeling, die wordt gegeven ‑ of dat nu in 33, in 32, in 9 of in 7, desnoods in 3 graden is – een volledig willekeurige en menselijke is. Het symboolgetal, dat heel vaak wordt gehanteerd bij deze graadindelingen, is misschien wel een uitdrukking van een zeker begrip voor de mogelijkheid van inwijding, maar zeker geen weergave zonder meer van de bereikte inwijding.

Een inwijding is nimmer te constateren aan een behaalde graad, doch alleen aan een verkregen vermogen. Een innerlijk contact met anderen, met hogere krachten en hogere waarden, juist als het scherp en duidelijk, zal zelfs de mens vaak ertoe brengen om alles, waar dergelijke geestelijke graad‑ en rangindelingen bestaan, voorzichtig te schuwen en te mijden of zich daarin tenminste op de achtergrond te bewegen.

Daar heeft u dan een klein en beperkt overzicht van inwijdingsgraden. Er is hierover onnoemelijk veel te spreken, maar dan zou het moeten gaan over bepaalde fasen van de een of andere graad. Menigeen onder u zal zich waarschijnlijk afvragen: Ben ik dan eigenlijk aan een inwijding bezig? Het is heel waarschijnlijk, gezien uw belangstelling, dat u althans de neiging heeft om verder te gaan; dus dat er een zekere inwijding gaande is, dat uw denken verandert en zich verruimt. En als uw praktijk daarmee gelijke tred houdt, dan bent u inderdaad bezig aan een inwijding.

Verlang nooit dat u directe leiding krijgt. Een ingewijde, die bij u op bezoek komt, is heus een zeldzaamheid; dan moet u zelf al heel ver zijn. Verwacht ook niet, dat men u de raadselen van het Al zal ontsluieren of u een geheim machtswoord zal influisteren, waardoor plotseling uw leven anders wordt. Inwijding is in feite: natuurlijke levensontwikkeling; en d.w.z. dat al wat u in de inwijding verwerft door eigen wezen, strijd en zoeken wordt verkregen. De hulp en bijstand, die u erbij krijgt ‑ bedenk dat wel ‑ wordt u gegeven krachtens uw verdienste; niet omdat men u zo graag wil inwijden.

Daarmee zou ik deze inleiding kunnen besluiten, indien we niet op een vaak verwarrende wijze zouden worden geconfronteerd met wat men noemt de inwijdingen van bepaalde groepen; want de Witte Broederschap bv. wijdt ook mensen in. Dat is echter geen algehele en kosmische inwijding. Het is een inwijding binnen het kader en de taak van de groep. U kunt binnen zo’n groep wel degelijk een grote taak vervullen en ook veel weten en bepaalde eigenschappen ontwikkelen, terwijl uw feitelijke inwijding nog op een betrekkelijk laag trapje staat. Iemand, die in de Witte Broederschap een behoorlijk hoge graad heeft, behoeft nog niet altijd gestegen te zijn, al is het maar tot adeptus minor. Integendeel, hij kan in menig ander facet van zijn persoonlijkheid en leven veel lager staan. De absolute evenwichtigheid is immers allereerst noodzakelijk, wanneer het stadium, dat wij adeptus major (de hoogingewijde) noemen, wordt bereikt. Dergelijke inwijdingen zijn soms van groot belang voor de totaliteit van de mensheid, omdat zij een beïnvloeding van de totale geestelijke waarden van de mens betekenen. Het betekent niet ‑ uitdrukkelijk niet ‑ dat degenen, die daaraan deelnemen nu ook zonder meer kosmisch ingewijden zijn. Wel mag worden gesteld, dat men aan een dergelijke groep, als ingewijde, halfingewijde of medewerker zeker niet kan deelhebben, indien men zich niet ‑ al is het maar in één van de lagere graden, maar toch strevende ‑ op de weg der bewustwording, der inwijding bevindt. Onthoudt u dus ook dit.

Een waarschuwing. Wie waarlijk ingewijd is, weet dat het geen zin heeft daarover te spreken. Wie uitroept. “Ik ben een ingewijde,” is iemand, die zich een graad aanmatigt. Aanmatiging van rang en invloed is niet deel van het be­sef en het gedrag van de ingewijde. Onthoudt u ook dit. Want niemand zal zich aan u als ingewijde vertonen, tenzij u zelf een behoorlijk hoge graad van inwij­ding heeft bereikt. Hij zal zich dan niet manifesteren door zijn rang te noemen, maar hoogstens door zijn uitstraling kenbaar te maken. De z.g. kentekenen, waar­mee ingewijden elkaar op aarde herkennen, zijn als het gaat om kosmische inwij­ding nimmer zichtbare tekens, gebaren of woorden. Het zijn bepaalde kenmerken van de uitstraling, die voor een ingewijde immers altijd zichtbaar zijn. Daarnaast kunnen soms telepathische begrippen worden uitgewisseld. Een groot gedeelte van het contact tussen ingewijden is wat u zoudt noemen telepathisch of geschiedt in uitgetreden toestand. Ook dit is begrijpelijk. Er zijn dan min­der belemmeringen t.a.v. mededelingen (een medium); er zijn grote mogelijkheden om te tonen wat men wil zeggen en er is veel minder gevaar, dat men wordt gestoord, of erger nog, dat mensen, die het misschien niet helemaal zouden be­grijpen het afluisteren.

Er zijn overal op aarde z.g. stralings‑ of contactpunten van bepaalde geestelijke Orden of Broederschappen. De Witte Broederschap bv. heeft er vele. Deze punten worden door ingewijden vaak gebruikt als oriëntatie, ook wanneer zij niet gebonden zijn aan deze Broederschappen. Zij hebben hier n.l. een knooppunt, waardoor het gemakkelijk is zich te richten op degenen, die zij willen bereiken.

Ja, dan zoudt u zich waarschijnlijk nog willen afvragen, hoe het nu eigenlijk komt dat men zoveel hoort over ingewijden en dat men hen nooit ontmoet? Ik heb het u zo-even reeds gezegd: Er lopen misschien ingewijden door de straat. Ze zitten bij u aan tafel. Ze zijn misschien hier aanwezig. U weet het niet.

Het is hier niet waarschijnlijk, maar het is mogelijk. Zij zullen trachten u te helpen en met u zijn volgens hun eigen bereiking en besef, maar zij zullen zich nooit te kennen geven. Alleen als iemand u aan uw uitstraling als ingewijde herkent en op zijn telepathische reactie antwoord krijgt, dan weet u bewust: wij zijn ingewijden, wij hebben elkaar ontmoet. Of u weet, ik ontmoet hier iemand van een hogere rang, die mij kan helpen bij een verdere inwijding.

Ik geloof, dat ik het qua inleiding hierbij laat. U behoeft het niet eens te zijn met hetgeen ik heb gezegd. Maar wat ik u heb gezegd is naar ons beste weten en ervaring (en dat betreft de ervaring van vele tienduizenden en van een behoorlijk aantal eeuwen) tot op heden nog volledig waar. Datgene, wat u er niet in begrijpt, wat u anders heeft geleerd, wat u wilt controleren of eventueel bestrijden, kunt u na de pauze kenbaar maken.

******************

*  De fasen van de inwijding duiden op een zekere begrenzing. Hoe zou men die in dit materiële leven voor zichzelf kunnen herkennen?­

Een begrenzing is in alle leven altijd tegenwoordig, omdat het ego op zichzelf een begrenzing betekent. Voor uzelf een begrenzing erkennen wil dus eerst zeggen: beseffen welke begrenzing voor u van belang is. In verband met inwijding zou ik zeggen dat de begrenzingen welke voor u van belang kunnen zijn;

  1. de kwestie van begrensd denken. Ga in dit geval voor uzelf na hoe snel iets onmogelijk of ongeloofwaardig acht en om welke redenen.
  2. van vermogen. Als u proeven noemt ten aanzien van bv. helderziendheid en helderhorendheid en u heeft geen resultaat, dan betekent dit een zeke­re begrenzing. Neemt u dit t.a.v. genezing en u heeft beperkte resultaten, dan duidt dit ook op een zekere begrenzing. Deze begrenzing moet voortko­men, altijd weer, uit de beperktheid van uw begrip, uw inzicht, uw groeien in de werkelijkheid, zoals deze kosmisch bestaat.
  3. een punt dat ook wel interessant is om de begrenzing te constateren. Vraag uzelf af in hoeverre u de wetten van gedrag en moraliteit bij anderen zoudt willen afdwingen. Hoe meer u geneigd bent anderen een dwang op te leggen, zon­der dat daarvoor een andere regel is dan: dit gedrag vind ik niet passend, of, dit stoort mij, of: dit acht ik niet juist, dan geeft u weer blijk van begrenzing,

Dit zijn dus een paar vragen, die u zich kunt stellen. Als u in alle drie de ge­vallen moet toegeven “ik ben hier nogal beperkt”, dan kunt u er ook wel zeker van zijn, dat ‑ zo u op een weg van inwijding bent ‑ u zich toch zeker nog niet boven de 7e fase beweegt.

*  Welke rol speelt een inwijdingsschool als de Vrijmetselarij in de inwijding, zoals u die heeft geschetst?

Dat is heel sterk afhankelijk van degene, die bij de Vrijmetselarij is. Dan ligt het verder ook nog heel sterk aan het karakter, want bij een algemene organisatie bestaat er tussen de verschillende loges een vaak zeer groot ver­schil in denkwijze, in reactie en in mystiek aanvoelen. Ik zou willen zeggen; Indien wij aannemen, dat er sprake is van een werkelijke communicatie binnen de loge (en niet alleen een beetje heen en weer kletsen, wat ook nog al eens voorkomt), indien er verder sprake is van een gezamenlijke erkenning van een mystiek beleving en daarnaast kan worden gesproken van een voortdurende uitwisseling van denkbeelden, waarbij bevooroordeeldheid op den duur wordt weggenomen, dan kan de Vrijmetselarij voor de doorsnee‑mens een rol spelen van de 4e fase af tot ongeveer de 12e tot 14e fase toe. Daarna zal blijken, dat zij met haar systeem van denken toch nog te rigide is om aan de wensen en noodzaken van het ego tegemoet te komen. Men kan dan nog wel een tijdlang blijven meelopen, maar het eigen denken, het eigen werken ontgroeit toch al een beetje aan de sfeer van de loge‑activiteit en de daar ‑ neemt u me niet kwalijk dat ik dat zeg – toch nog enigszins geldende dogmata.

*  Is de geboorte in de stof met haar op destructie gerichte eigenschap (entropie) ook niet een vorm van inwijding?

Mag ik u verwijzen naar het begin van mijn betoog, waarin ik heb gesteld, dat het gehele leven in feite inwijding is. De incarnatie in de stof is echter over het algemeen voor een ego, dat reeds enige geestelijke ontwikkeling heeft, een bewust kiezen van de nodige werktuigen (dus mogelijkheden) om de inwijding verder ‑ en geconfronteerd met meer objectief constateerbare waarden – voort te zetten. Als zodanig is het leven op zichzelf en de geboorte op zichzelf te beschouwen als een mogelijkheid tot inwijding en mag worden gesteld dat een geest, die eenmaal aan een inwijding bezig is, zich zeer veel moeite zal getroosten om in een juist milieu te incarneren; dus om via de geboorte een versnelde verde­re inwijdingsmogelijkheid te verkrijgen. Alle geestelijk bestaande eigenschappen vinden meestal na het begin en soms na beëindiging van de puberteit dan ook meer bewust hun weerslag in het stoffelijk bestaan.

*  Zoudt u (eventueel met een voorbeeld) iets meer willen verduidelijken wat u bedoelt met het “onaanvaardbare leren aanvaarden”?

Het onaanvaardbare leren aanvaarden kan voor elke mens weer een andere betekenis hebben. Een voorbeeld geldt dus nimmer voor iedereen. Laat ons zeggen dat wij moeten leren aanvaarden, dat iemand zegt, dat er geen God is. Voor menigeen is dit onaanvaardbaar. Wij moeten echter leren aanvaarden, dat ‑ zoals die ander het begrip “God” formuleert ‑ er voor hem inderdaad geen God is, maar dat wat voor ons de essentie van het Goddelijke is, voor die mens onder een andere gestalte of vorm ‑ al of niet geformuleerd ‑ wel degelijk aan­wezig is.

Een ander voorbeeld: Een maatschappij heeft bepaalde ‑ wat men noemt ze­delijke ‑ wetten. Deze kunnen betrekking hebben op het verkeer tussen de seksen, op de bescherming van eigendom of op de heiligheid van wet en vaderland e.d.. Indien men zelf is opgegroeid in een bepaalde stelling of opvatting, dan lijkt het onaanvaardbaar, wanneer een ander deze stellingen eenvoudig verwerpt. Maar wij moeten leren aanvaarden, dat ook die verwerping betekenis heeft. Bijvoorbeeld: De mens, die zegt “Vaderland is bedrog”, heeft evenveel gelijk als de mens, die zegt “Je vaderland is datgene, waarvoor je alles over moet hebben.” Dit is een persoonlijke en emotionele benadering van een op zich nu niet zo pre­cies omschrijfbare eenheid. Ieder heeft het recht anders te reageren. Ik geef hier maar een paar voorbeelden. Ik zou het natuurlijk kunnen uit­breiden, maar ik hoop, dat u hiermee begrepen heeft wat ik bedoel met het “on­aanvaardbare aanvaarden”? Je moet zover kunnen gaan, dat wanneer je een duivel in levende lijve voor je zou zien, dat je niet uitbarst in angst, in afweer, in een verwijt, maar dat je dit andere aanvaardt voor wat het is en dus alleen zo­dra dat andere op jou inwerkt, daarop reageert vanuit je eigen besef. Maar nim­mer met een aantasting van de waarde van het andere.

*  Moet je alleen jezelf beschermen en voor de rest niets?

Ja. Jezelf beschermen is zelfs te veel gezegd. Jezelf zijn in het bewust­zijn, dat het ego onaantastbaar is, zolang het andere wordt erkend als nut bren­gend, maar niet als mogelijk het “ik” beheersend in dit geval. Daar geldt ook bij, dat wanneer ik kom en de demon mij niet kan aanvaarden zoals ik ben, de de­mon voor mij zal vluchten. Maar dat komt niet, omdat ik die demon verwerp, maar omdat deze mij verwerpt. Dit is heel typerend. Wij horen van Jezus eigenlijk nooit, dat hij een duivel wegjaagt. Zelfs in die be­kende scène van de bekoring zegt hij niet; “Ga terug naar de hel” of zo, wat hij zou kunnen doen. Hij zegt echter; “Ga achter mij, Satan.” Dat is n.l. de meest juiste vertaling, ofschoon die later wel is gemaakt tot “Ga heen van mij”. Maar hier wordt dus zuiver de persoonlijke relatie Jezus ‑ demon geschapen. Jezus is echter niet actief t.a.v. de demon. Als Jezus de demonen, die zich Legio noemen, uitdrijft uit de bezetene, dan is wederom opvallend, dat Jezus hen niet terugbant. Hij maakt een mens vrij, want die mens is een ego, dat recht heeft om zichzelf te zijn. Maar hij biedt hun een kudde zwijnen aan; en dat dan de demonen ze nijdig worden dat ze die in de afgrond gooien, dat is hun zaak; daar heeft Jezus niets mee te maken. Je behoeft het kwade dus niet te verwerpen, maar je moet het eenvoudig doen. Zodra je het kwade gaat verwerpen, ga je het bestrijden. Om het kwaad te bestrijden moet je kwaad begaan. Wie het kwade bestrijdt, wordt kwaad.

*  U heeft in de voorbeelden verschillende dingen genoemd, die onaanvaardbaar waren, maar die lagen altijd buiten het ego. Maar er zijn ook wel eens dingen in je, die onaanvaardbaar zijn, waardoor je een soort van conflictsituatie krijgt. Moet je die dan ook leren aanvaarden of moet je die overwinnen?

Nu, ik geloof, dat je die moet aanvaarden, want de aanvaarding houdt de overwinning in. Het is moeilijk om daarvoor een uitdrukking te vinden. De eenvoudigste is misschien deze: U bent erg driftig. U weet op een gegeven ogenblik dat nijdig worden ei­genlijk verkeerd is. U zet uw nijdig worden om in arbeid. U reageert uw woede dus niet meer af door anderen aan te vallen, maar door een toch noodzakelijke taak sneller en misschien ook degelijker dan anders af te wikkelen. U heeft nu de woede, die onaanvaardbaar was, aanvaard en daarmee heeft u die gebracht bin­nen uw beheersing.

We kunnen ons voorstellen, dat iemand erg zinnelijk van aanleg is en gelijktijdig deze zinnelijkheid om de een of andere reden verafschuwt. Zolang zo iemand pro­beert die zinnelijkheid te bestrijden, ontstaan er veel grotere spanningen, dat is duidelijk. Maar nu blijkt heel vaak, dat die z.g. zinnelijkheid in feite een emotionaliteit is en dus niet in de eerste plaats een zuiver, lichamelijke, maar wel een psychisch‑emotionele zaak. Indien je nu die zinnelijkheid in jezelf aanvaardt, je zegt: ja, zo ben ik, maar kan ik nu met deze neiging misschien iets beters bereiken dan alleen maar die momenten van zelfbevrediging, vaak gevolgd door momenten van zelfverwerping, dan blijkt dat dat wel mogelijk is. Dan vervaagt dus in de eerste plaats de verwerping van het probleem, dat op zichzelf geen probleem behoeft te zijn, maar voor vele mensen wel is. Wij zien dan dat er meer positieve dingen uit gaan groeien. Dat is dus het aanvaarden, ook in jezelf. Je hebt in jezelf nu eenmaal heel veel eigenschappen, waarmee je ergens niet helemaal gelukkig bent. Begin dit te aanvaarden. Zeg niet: Ik moet mezelf veranderen. Zeg: Ik ben zo. Het is deel van mijn wezen, ik moet ermee leven. Hoe kan ik nu met dit heden leven, zonder dat ene te bestrij­den en het beste te doen? Dan blijkt, dat het ego tot een eenheid terugkeert en dat het door een vergroting van zijn eigen evenwichtigheid veel positievere pres­taties levert, geestelijk en ook vaak stoffelijk, daarbij de voorkomende onregel­matigheden niet meer ziet als een belemmering voor het verder gaan, maar hoog­ stens als een stimulans om voortaan nog beter als totaliteit te reageren. Dan voelt men het dus niet meer als iets, wat je moet bestrijden, maar als iets, waar je gefaald hebt om volledig te zijn. Als u dat nu begrijpt, dan begrijpt u ook dat je het onaanvaardbare in jezelf gemakkelijk kunt aanvaarden; en dat is een deel van de inwijding.

De inwijding betekent in haar uiterste consequentie: het ingaan tot het verblindende Licht, het treden tot achter de Troon. Daar is geen verschil meer. Daar zijn alle dingen van betekenis. Daar bestaat alles met een reden, daar heeft het zin, daar heeft het betekenis, ook als wij het zinloos zouden noemen. Daar heeft het duister net zoveel recht van bestaan als het licht, want beide zijn een en hetzelfde. Zolang wij verwerpen (niet voor onszelf een keuze doen, maar afwijzen, bestrijden), maken we het onszelf onmogelijk om beter te worden, om meer het totaal te begrijpen en daarmee te werken; en dat is juist de inwijding.

*  Maar dat is moeilijk.

Het is niet zo moeilijk als het lijkt. De doorsnee‑mens echter houdt zijn innerlijke strijdigheden juist in stand, doordat hij voor zichzelf voortdurend beredeneert, dat hij te dien aanzien gelijk heeft. Als u nu begrijpt dat geen enkele mens gelijk of ongelijk kan hebben, maar dat elke mens alleen voor zich juist of onjuist kan zijn, dan heb je niet meer het idee dat je iets prijs geeft, als je de dingen die in je leven toch aanvaardt. Dan heb je niet meer het idee dat je je idealen vuil maakt door wat anders ernaast te accepteren. Dan ga je begrijpen, dat het niet een kwestie van scherpe definitie is, maar van de ver­smelting van alle waarden. Inwijding is een samenvloeien van alle dingen in je. Niet ‑ zoals menig­ een denkt ‑ het scherp formuleren. Het scherp formuleren van de dingen, het omgrenzen ervan, dat helpt ons wel bij het beseffen. Het geeft ons uitdrukkings­mogelijkheid tegenover anderen. Als zodanig is het nuttig. Maar in onszelf ge­bruikt, betekent het een voortdurend grotere innerlijke verdeeldheid. Leren wij een eenheid te zijn en toch door het erkennen van de delen, welke die eenheid vormen, het formuleren van begrippen naar buiten toe door de communicatie, dan zijn wij zeker de 14e á 15e fase nabij. Dan zijn we dus al een heel eind op weg. Het is niet zo moeilijk als u wel denkt, maar het betekent dat je de denkgewoon­te, die je hebt, moet breken. Het breken van de denkgewoonte is veel moeilijker dan de aanvaarding van het onaanvaardbare op zich.

*  Maar men moet in de maatschappij leven met de mensen om je heen. Leidt dat soms niet tot een kleurloosheid. “Misschien geen reële kleurloosheid, maar wel in de ogen van de maatschappij, die je omringt. Daarmee wil ik voorop stellen, dat je moet leven in deze maatschappij, zoals die is.

U moet in die maatschappij leven, zoals u bent en niet zoals die maatschappij is. Dat is juist de grote fout, die de meeste mensen maken. Ze zeggen: Wij moeten leven ín de maatschappij. U moet met die maatschappij leven, zoals u zelf bent. Belangrijk is uw eigen innerlijk, uw eigen harmonie. Neemt u me niet kwalijk, dat ik nu eventjes zonder het te bedoelen misschien, dingen zeg die venijnig kunnen zijn. Men heeft voortdurend getracht de mensen meer tot een conformiteit te brengen aan die maatschappij, een steeds grotere gebondenheid aan die maatschappij. Gaat u nu eens kijken naar het stijgen van bv. het aantal zelfmoorden. De maatschappij, die schijnbaar het beste is, leidt in feite tot de grote bandeloosheid, die op zich niet verwerpelijk is, maar wel indien ze de uitdrukking is van een onvermogen tot het zelf handelen en kiezen (dus in het ego). Zij leidt tot wanhoop, tot onmenselijke verhoudingen, in feite tot een ontmenselijking van het maatschappelijk bestel. Dat komt, omdat die mensen de maatschappij stellen als iets, waarin je dan toch moet bestaan, en dat is niet waar. Je moet bestaan in de wereld, waarin die maatschappij is. Maar u bent het, die de maatschappij kunt vormen, zolang u maar niet eerst stelt, dat u in die maatschappij moet le­ven. Dat is de grote moeilijkheid.

Als u nu kijkt wat er allemaal op de wereld aan ellende is, die niemand wenst, dan zult u tot de conclusie moeten komen dat dat juist komt, omdat er mensen zijn die zeggen: Wij moeten in de maatschappij leven, en die bang zijn kleur­loos te zijn, die daardoor misschien wel zeer kleurige, maar ook zeer eenzijdige figuren worden, die op een gegeven ogenblik het vaak zelf niet meer kunnen vol­houden, die te gronde gaan aan hun eigen eenzijdigheid en die dan gelijktijdig daardoor vele anderen voeren tot die eenzijdigheid. Mensen, die er dus ook bijna aan ten onder gaan. Zo doe je het goede sterven. Het goede is de mens. De mens, die in zich evenwichtig is. De maatschappij is niets anders dan de vorm, die de mensen in staat moet stellen om gezamenlijk te leven. Zij is niet het doel van het bestaan der mensen; en zo ziet het er tegenwoordig nogal eens uit.

*  Zijn de niet‑menselijke krachten, waarmee men kan worden geconfronteerd, ook werkzaam bij de ontwikkeling van leven en bewustzijn? Of zijn daar krachten bij, die het tegenovergestelde beogen?

Ja, alle krachten, die er bestaan, zijn deel van en daardoor werkzaam in de zin van het totale leven en het totale bewustzijn. Er bestaat dus geen enkele kracht, die negatief is, gezien vanuit het Goddelijke. Voor onszelf echter ligt de zaak anders. Gezien ons bestreven en de vaak nog betrekkelijke eenzijdigheid van ons begrip en van onze ontwikkeling kunnen wij krachten of entiteiten ontmoeten, die vanuit ons standpunt negatief zijn en dus gericht tegen leven en ontwikkeling, zoals, wij die op dat moment erkennen. Indien we deze krachten niet vrezen maar onszelf blijven, zal ons blijken dat ze aan ons voorbij gaan, dat ze ons niet aantasten. Integendeel, dat zij vaak voor ons ervaringen scheppen, waardoor wij nog meer bewust en ruimer nog de eenheid in onszelf en de eenheid met het zijnde kunnen ervaren.

*  Bij het zelfonderzoek wordt geconfronteerd met de angst. In welke vorm bedoelt u dat? Valt angst voor pijn hier ook onder? Hoe kan men dat overwinnen, als men het moet leren aanvaarden?

Angst is in feite het instinctief of ook wel redelijk opbouwen van een mentaal beeld omtrent mogelijkheden, die nog geen feiten zijn. Anders gezegd: De angst is een vooruitlopen op de feiten, waardoor de ervaring van de feiten wordt bemoeilijkt. Het beste voorbeeld vindt u, als u naar de tandarts gaat. U lijdt in feite meer pijn, terwijl u er naar toe gaat en zit te wachten dan die ellendige boor u in werkelijkheid veroorzaakt. Dan zegt u “au, au, au”, maar het is voorbij. De pijn van het wachten duurt uren. Als wij angst moeten overwinnen, dan is het in feite dit; Wij moeten leren met onze verwachtingen (vooral verwachtingen ten kwade) niet vooruit te lopen op de feiten en de mogelijkheden. Dan blijkt, dat wij de feiten en mogelijkheden baas kunnen. Als u bang bent voor pijn, lijdt u veel meer pijn dan er lichamelijk aanwezig is, want lichamelijk bestaat er een pijngrens, waardoor het bewustzijn wordt uitgeschakeld op het ogenblik dat de pijn werkelijk ondragelijk wordt. Het pijn bewustzijn valt dus weg, zodra een zeker maat wordt bereikt. Ik stel nu, dat de mens, die aandacht geeft aan de pijn, hierdoor a.h.w. een feedback ver­oorzaakt, welke niet inwerkt op het zenuwstelsel en zo komt tot een intensiteit van pijnbeleving, die veel hoger ligt dan de lichamelijke mogelijkheid tot pijnbe­leving zoals die in het zenuwstelsel is gelegd. Dit geldt niet alleen bij pijn, dit geldt ook bij de ontmoeting van demonen, van duivels of van hetgeen je in jezelf slecht of onaanvaardbaar vindt. Zodra je daarvan beelden opbouwt, maak je die dingen machtig. Zolang je probeert ze eenvoudig te erkennen en zonder meer verder te gaan zo goed als je kunt, blijk je in staat te zijn ze zover te overwinnen, dat wat er overblijft beheersbaar is geworden en voor de beleving niet meer van een beslissende invloed zal zijn.

*  Zijn de verschillende fasen der inwijding gebonden aan een bepaalde incarnaties of hebben karmische wetten daarop geen invloed?

Ik geloof, dat de vraag fout is gesteld. De fasen van inwijding zijn niet gebonden aan een bepaalde incarnatie. Men kan in één incarnatie misschien de gehele inwijding volbrengen, een enkele fase doorleven of misschien ook op een punt blijven steken. Wat dit betreft, kunnen wij dus niet zeggen dat de incarnatie bepalend is voor de bereiking. We kunnen zelfs verder gaan en zeggen, dat een groot aantal incarnaties achtereen meestal een bewijs is van weinig geestelijke vooruitgang. Daar staat tegenover, dat karmische wetten of invloeden, indien we die tenminste vertalen als “het bewustzijn in ons ontstaan door het totaal van ons verleden of onze belevingen, en daardoor dus het bewustzijn, waarmee wij in het heden         voor onszelf de wetten van oorzaak‑en‑gevolg t.a.v. onszelf reguleren”, dan mogen we zeggen, dat aangezien onder karmische waarden en wetten ook wordt verstaan het bereikte bewustzijn en de reacties daaruit tot stand gebracht, deze zeker bepalend zullen voor.

  1. de incarnatie binnen een sfeer, waarin een bepaald vlak, een bepaalde fase van inwijding alom aanwezig is;
  2. het al of niet snel bereiken van de volgende fase op de weg der inwijding.

*  Zijn de termen “bewustwording” en “inwijding” niet synoniem?

Ze zijn niet geheel synoniem, omdat bewustwording inhoudt “constatering”, terwijl inwijding inhoudt “constatering plus een persoonlijke beleving”. In de bewustwording kunnen wij dus veel bereiken, zonder dat wij in staat zijn hetgeen wij rond ons hebben geconstateerd ook voor onszelf waar te maken. De inwijding daarentegen brengt ons een bewustwording, waardoor al het geconstateerde wordt herleid tot eigen wezen; en in het eigen wezen wordt omgezet tot een vermogen t.a.v. het erkende.

*  Is een mentor iets dergelijks als een geleidegeest?

Ja, dat is nou erg moeilijk. Een geleidegeest zou in de lagere fasen misschien wel eens een functie kunnen vervullen, welke lijkt op die van een mentor. Maar wanneer wij in de fasen van inwijding komen, waarin een mentor onze voortdurende metgezel is, dan is dit geen geleidegeest meer, maar mag er eerder worden gesproken van een voortdurend deelhebben in het bewustzijn van een hogere entiteit, zonder dat hierdoor het eigen “ik” en de reactiemogelijkheden van het eigen “ik” worden beperkt. Dat is dus iets anders dan een geleidegeest, zou ik zeggen. Maar ik kan me voorstellen, dat sommige mensen zeggen: Nou ja, het is dan toch wel een geleidegeest.         De geleidegeest echter is iemand, die buiten u staat; die tracht u te helpen. De mentor is iemand, die u doet deelhebben aan zijn wezen en persoonlijkheid en u daardoor kan volgen bij al wat u doet, u kan helpen bij al wat u doet en vaak een aanvulling vormt op die punten van realisatie, waarin u nog tekort schiet. Dat is toch wel heel wat meer. De wisselwerking is ook wel een wat andere.

*  Is een mentor iemand in de geest?

Dat kan iemand in de geest zijn; dat kan iemand in de stof zijn. Een mentor is n.l. altijd adeptus major. Hij is dus een volingewijde; en als zodanig kan hij ‑ of hij nu in de stof leeft of in de geest ‑ op deze wijze zich met één, ja, zelfs met velen verbinden, indien hij dit noodzakelijk acht.

*  Is de overgang gemakkelijker voor iemand, die een inwijdingsschool heeft doorlopen?

Mag ik hier misschien één opmerking maken, die wat scherper lijkt dan ze is bedoeld? Ik heb veel godsdienstige mensen vloekend zien overgaan. Ik heb veel z.g. hoge graadsingewijden van verschillende groepen in sidderende angsten met pijn de overgang zien beginnen; en ik heb mensen, die nooit iets hadden gedaan aan geestelijke bewustwording, zien overgaan op een zo natuurlijke wijze, dat er eenvoudig niet alleen geen pijn en moeite bij te pas kwam, maar dat ze als natuurlijk ontwaakten in de andere wereld en daar rustig verder gingen. Stoffelijk gezien moeten we dus wel constateren, dat geestelijk bewustzijn volgens de aardse normen en het volgen van aardse inwijdingsscholen niet zonder meer bepalend zullen zijn voor de wijze van overgang. Wel kunnen wij zeggen dat iemand, die de inwijding tot ongeveer de 11e á 12e graad heeft doorgemaakt, een voldoende bewustzijn heeft van het leven in het hiernamaals, dat hij zo hij niet belast is met verplichtings‑ en schuldgevoelens t.a.v. de materie over het algemeen eenvoudig en gemakkelijk overgaat. Maar dat vloeit voort uit het bewustzijn en niet uit de inwijdingsgraad. Dat ik hierbij bepaalde fasen van inwijding noem, doe ik omdat hierin nu eenmaal het bewustzijn van geestelijke waarden en capaciteiten reeds aanwezig is. Zonder deze bereikt men de graad niet. De graad is echter niet noodzakelijk. Indien het bewustzijn zonder meer bestaat, kan dat al voldoende zijn.

*  Is de overgang ook een inwijding?

U maakt het me wel moeilijk. Als u reist van uw woonplaats naar een ander oord, is dit reizen dan noodzakelijkerwijze een verbetering van uw positie?

*  Het is een verandering.

Zeer juist, het is een verandering. Een verandering behoeft echter niet altijd een inwijding of een verbetering in te houden. Dientengevolge kunnen wij zeggen, dat de overgang meestal geen inwijding is, maar dat men wel vaak na de overgang tot een bewustere consolidatie van de inwijdingwaarden komt, die tijdens het leven ‑ vaak half bewust ‑ werden verworven, dat wel. Maar dat ligt dus niet aan de overgang, maar aan hetgeen men daarna is en doet. De overgang op zichzelf is geen inwijdingsvorm.

*  Zijn er op onze wereld verscheidene adepten werkzaam?

Als u bedoelt kosmische adepten, op het ogenblik 5. Als u bedoelt groeps­adepten, die meestal kosmisch adeptus minor zullen zijn, dan kunnen we zeggen, dat er op aarde een 2000 werkzaam zijn. En als u bedoelt ingewijden van bepaal­de groeperingen, zoals bv. de Witte Broederschap, waarbij we het kosmisch ele­ment buiten beschouwing laten, dan kunnen we het getal al gauw schatten op een kleine 50.000. Het ligt er dus maar aan wat u ingewijden noemt. Vol‑ingewijden van de hoogste kosmische graad zijn er op dit moment, voor zover mij bekend 4 of 5 stoffelijk op uw wereld actief. Daarvan is er op het ogenblik maar één, die een lerarende functie bekleedt op aarde. Dat is niet de wereld‑Heer of wereld‑Meester.

*  Nu maakt u ons nieuwsgierig.

Daarom voeg ik dit laatste er ook bij. Die lerarende functie overigens bekleedt hij zeker niet t.a.v. de massa, maar t.a.v. degenen, die reeds een vol­doende inwijding hebben gehad. Dat wij zeggen, dat als u terugkomend op een vorige vraag ‑ wilt zeggen: Zijn er mensen op aarde, die als mentor kunnen op­treden, dan is het antwoord. Op het ogenblik 4 á 5.

*  Deze inwijdingsgraden, daar moeten wij allemaal doorheen om het hogere te bereiken of zijn er ook wel mensen, die een andere weg bewandelen dan het pad dat u heeft genoemd?

Er zijn geen mensen, die andere paden bewandelen dan de door mij genoemde.

*  Ik bedoel met mensen natuurlijk zielen.

Er zijn wel zielen, die een andere weg bewandelen, maar ze behoren dan niet tot dat deel van ontwikkeling en bewustwording, waartoe de mensheid als geheel behoort. Het is misschien een beetje pijnlijk om dat te horen, maar die inwijdingsweg moet u toch werkelijk allemaal gaan.

*  Bedoelt u met de zielen, die niet tot de menselijke groep behoren, natuurgeesten e.d.?

Bij hen is de hele verhouding t.a.v. het Goddelijke en t.a.v. het leven een andere. Het zal u duidelijk zijn, dat voor hen vele dingen, die op deze door mij beschreven inwijdingsgang zich eerst langzaam als eigenschap bij mens en geest ontwikkelen, door hun bestaan alleen reeds grondeigenschappen zijn; en daar voor de mens de ontplooiing van die eigenschappen vaak noodzakelijk is, zal voor be­paalde ‑ wat u noemt ‑ natuurgeesten en niet‑menselijke groepsentiteiten het dikwijls noodzakelijk zijn juist die dingen te leren beperken. Waar de mens een uitbreiding moet zoeken, daar moet zo iemand een beperking zoeken. Maar ook voor hen ‑ en dat is dus wel belangrijk ‑ geldt harmonie en bereiking ven een zekere evenwichtigheid (innerlijk en t.a.v. het Goddelijke) toch altijd wel als een voor­waarde.

*  Het fascineert mij waarom u het woord “pijnlijk” in de mond nam. Is het on­bescheiden te vragen waarom u het woord “pijnlijk” in verband met deze inwijdings­graden gebruikte?

Omdat daarbij fasen voorkomen van verlatenheid, van innerlijk conflict, van een zich opnieuw moeten oriënteren in de wereld en daarbij ook de erkenning van de totaliteit van eigen wezen. Dat kan voor heel veel mensen pijnlijk zijn, omdat de doorsnee‑mens gewend is om zijn slechte kwaliteiten en eigenschappen in een soort muurkast weg te sluiten als het bekende skelet van de familie om het alleen tevoorschijn te halen wanneer het bij gelegenheden als paradepaardje kan dienen. Dat betekent dus, dat het erkennen van de realiteit van je eigen persoonlijkheid heel erg pijnlijk kan zijn. Dit wordt heel erg pijnlijk voor iemand, die denkt of die altijd heeft willen denken, dat hij voor de gemeenschap streefde en dacht en die opeens zal moeten toegeven dat hij veel van die dingen alleen heeft nagestreefd en gedacht, omdat hij daaraan een belangrijkheid meende te ont­lenen, die hij in feite niet bezat. Zoals het pijnlijk is om te erkennen, dat wat je ziet als je opofferingsgezindheid en altruïsme of zelfs de God‑gegeven roe­ping niet veel anders is dan een poging om je eigen conflicten te ontlopen of een uitdrukking is van je eigen egoïsme. Er zijn in de inwijdingsgang nu eenmaal heel veel van die elementen, die pijnlijk zijn en daarom gebruikte ik die term. Het mag dus pijnlijk zijn, maar u kunt er niet omheen. Er zijn nu eenmaal dingen, daar moet je doorheen leren bijten.

************************

We weten allemaal, dat als we spreken over inwijdingsgraden, over de fasen van inwijding, over het proces van inwijding, dat we dan spreken over iets, wat de mens biologeert. Hij beseft meestal niet dat hij er deel van is, maar hij voelt zich ertoe aangetrokken. Daarom zou ik nog dit willen zeggen: Zoek geen inwijding om meer te zijn dan anderen. Probeer niet uzelf te verhogen. Probeer uzelf te zijn. Probeer niet het leven van anderen te leven. Leef de God, Die in je leeft. Inwijding is een doodeenvoudig iets. Het is helemaal niet geleerd. Het is niet moeilijk. Het is bestaan; maar dan zo bestaan, dat je in jezelf voelt; dit is aanvaardbaar. Dat je voelt: ik begrijp mijn wereld beter, ik ga de mensen beter begrijpen en ik word innerlijk mij bewust van mogelijkheden, van vermogens, eventueel uit krachten die ik kan gebruiken.

Inwijding is geen kwestie van stellingen en examens. Het is een kwestie van resultaat. Zoals telepathie niet een kwestie is van een mooie theorie, maar van een ineens opvangen van een gedachte, een flits die misschien weer verdwijnt, maar waardoor is bewezen dat ze bestaat. Zo is inwijding.

Als u hier komt om naar die dingen te luisteren, dan neem ik aan dat inwijding voor u belangrijk is. Probeer dan a.u.b. niet om een ander te vertellen wat inwijding is. Ga een ander niet zeggen wat de juiste weg is, want u weet het niet. U kunt alleen weten wat voor u de juiste weg is. Maar leef dan ook voor uzelf juist en verantwoord.

Probeer nooit een ander te binden aan uw wezen; dat moet die ander besluiten, indien hij dat wil doen. U kunt desnoods nog het “volg mij” uitspreken, maar het volgen is nooit een verplichting voor de ander. Het is een vrijwillige daad en keuze. Eerst wanneer u leert vrij te zijn, doordat uw erkenning, uw eigen leven, uw eigen streven voor u de drijfveer is, zodat al wat u aan de wereld geeft uw antwoord aan de wereld is volgens uw wezen en niet anders, dan kunt u zeggen: Nu ben ik op het goede pad.

Dat kun je doen met kleine en met grote dingen. Dat gaat in het dagelijks leven evengoed als in de meest esoterische lering of in de meest exclusief geestelijk gerichte omgeving. Doe het allemaal op uw eigen manier, maar begrijp dat er een kracht en een licht is, dat steeds sterker in u wordt. Als je droomt, is dat vaak niet alleen maar dromen. Zoek er dan geen grote betekenis achter of een uitverkiezing, maar begrijp; als die dromen deel zijn van mijn wezen, dan moet ik ze aanvaarden. Ik moet ermee leven.

Als je een flits van aanvoelen of van helderziendheid hebt, zeg niet; “Brrr, ik ben er griezelig van, liever niet”. Aanvaard ze. Zij zijn deel van je wezen. Aanvaard jezelf met je eigenschappen en met je mogelijkheden; en probeer dan in die erkende totaliteit vrede te vinden. Probeer dan in dat geheel iets te vinden, waarvan je zegt: Ja, dat is goed; dat is God.

Als je innerlijk een kracht voelt en je voelt je door die kracht gedreven, laat de mensheid dan maar praten. De mensheid gaat je ten slotte niets aan, zodra ze wil zeggen wat jij moet zijn. De mensheid gaat je aan, zodra ze een beroep doet, waarop je als “ik”, als wat je bent, antwoord kunt geven en anders niet.

Bouw in jezelf. Maak van jezelf iets, wat past in de goddelijke wereld. Probeer dat evenwicht te vinden. Probeer die krachten, die capaciteiten te ontwikkelen, waardoor je een volledig mens, ja, een volledig ego wordt. Dat is je persoonlijke taak en dat is voor het “ik” het enig belangrijke. En omdat dat “ik” daarbij dan moet reageren op een wereld, betekent dat dat het tegenover die wereld zichzelf moet zijn. Dat betekent nooit, dat het zichzelf aan die wereld kan opleggen of zelfs die wereld kan dienen door zichzelf te ontkennen.

Je kunt een wereld, jezelf en God dienen door waarlijk jezelf te zijn. Maar dan ook eerlijk, zonder kunstmatige tegenstrijdigheden, zonder ontkenning van wat je kwaad noemt of een verheerlijking van iets wat je goed noemt. Wees jezelf en leer langzaam maar zeker de begrenzingen doorbreken, die mensen hebben opgebouwd.

Inwijding is het besef, dat de dood geen scheiding betekent. Dat is het besef, dat krachten niet alleen stoffelijk zijn. Het is het besef, dat de zin van het leven niet alleen wordt bepaald door de schijnbare zinloosheid van het aardse bestaan.

Inwijding is het besef, dat alle dingen een plaats hebben en een doel.

Waar men een beroep op ons doet en wij volgens ons wezen kunnen reageren, daar zullen wij natuurlijk trachten een ander te helpen het juiste te beleven, het kwade te vermijden, zoals hij of zij dat ziet. Dat is onze plicht. Maar wij kunnen alleen onszelf zijn. Wij kunnen nooit veroordelen en beoordelen. Wij kunnen alleen maar bestaan in de totaliteit van ons eigen wezen, in de erkenning van de kracht die met ons is.

Wij moeten leren begrijpen. Niet alleen de werelden van licht, maar al die werelden van goed en kwaad; die hele scala van bestaan. En naarmate wij die totaliteit van leven leren accepteren, zoals ze is en niet zoals we ze zouden willen zien en daarbij onszelf kunnen blijven, waarlijk, eerlijk en naar waarheid onszelf erkennend en richtend volgens het doel, dat wij innerlijk voelen, dan zijn we waarlijk op het pad van inwijding. Dan vinden wij weg na weg, die ons nieuwe gaven nieuwe kennis, nieuwe inzichten brengt. Dan vinden we contacten. En zelfs daarin moeten we beseffen: ik moet mijzelf blijven. Eerlijk, waarlijk en getrouwelijk mijzelf.

Ik moet mijzelf leven. Niet alleen in denkbeelden, maar geheel, met heel mijn wezen, met mijn stoffelijk lichaam, met mijn astraal, met mijn levenslichaam, met het mentaal, met al wat er is en al wat ik ken. Ik moet met al deze dingen mijzelf zijn, evenwichtig en met een doel voor ogen. Een doel, waarvan wij zeggen: Dit is ergens God of deel van God.

Het is eenvoudiger dan u denkt. De meeste mensen worden afgeschrikt en weggejaagd door het idee: maar dat kun je toch niet doen; of: dat kun je toch niet geloven; of: dat is toch niet denkbaar; of: dat kan ik niet doen in de wereld; of: ik heb toch mijn maatschappelijke verplichtingen. Wees uzelf. En met al uw maatschappelijke verplichtingen en bereikingen bent u niets dan een lege schil.

Maar indien u zelf leeft, indien u zichzelf bent, indien het pulserend bewustzijn van hogere waarden en de erkenning van uw wezen, uw noodzaken, uw uitdrukkingen u gezamenlijk smeden tot een eenheid, dan bent u iets, wat niet door tijd kan worden teniet gedaan; dan bent u reeds een deel van uw eeuwig “ik”. En dan heeft u een stap gezet naar die verdere vervulling van het bestaan, waar bij men eindelijk als grootingewijde kan treden achter de schijnbaar verblindende glanzen, die het geheim van de schepping voor ons versluieren. Dan kunt u dan geconfronteerd met uzelf, met uw God, met een eeuwige werkelijkheid weten waarom het zo belangrijk was uzelf te zijn. Want inwijding kun je slechts vinden als dat wat je bent. Nimmer als een illusie, een projectie van anderen of een schijnwezen.

Er bestaat een uitspraak over al die trappen van inwijding, die ik u hier als besluit van deze avond graag wil voorleggen:

“Eerst wie waarlijk is in zichzelf, kan waarlijk beseffen zijn God. En wie waarlijk beseft zijn God, beseft waarlijk de schepping. Zo levend in waarheid vervult met zijn ware bestaan.”

Ik hoop, dat u ‑ klein in aantal misschien ‑ op deze avond iets hebt geleerd, niet alleen over graden van inwijding, maar ook over u zelf.