De juiste weg die niet bestaat

7 juni 1959

Wij willen dan vandaag weer proberen na te denken over verschillende problemen, die in verband staan met de esoterische en kosmische leerstellingen die in de loop der tijden op de wereld verkondigd zijn. Er leiden natuurlijk onnoemelijk veel wegen naar wat men noemt de volmaaktheid. Er zijn ook onnoemelijk veel dogma’s geformuleerd, waarin wordt beweerd, dat er geen andere weg bestaat. Het is voor ons vaak moeilijk, zeker wanneer wij nog in de stof leven, om uit al die dogma’s en al die leerstellingen het voor ons juiste pad te vinden en te kiezen. Het zal u daarom niet verbazen, dat ik dit eerste onderwerp op deze morgen wil wijden aan “de juiste weg.”

Er bestaat in feite natuurlijk geen juiste weg. Maar wij vinden toch omschrijvingen daarvan bij verschillende oudere en ook moderne filosofen, Een van de ouderen stelt bv. dit:

“Wanneer het gehele wezen iets kan aanvaarden of bevestigen als behorende tot het goede en het begeerlijke, dan behoort het tot onze weg. Doch een aarzeling is voldoende om ons te voeren op het pad der misleiding. Wij moeten een persoonlijke bevestiging kennen van hetgeen wij doen en ook van hetgeen wij geloven.”

Wanneer wij deze oude leermeester dus mogen volgen, is het helemaal niet erg om bijgelovig te zijn, bang te zijn om onder ladders door te lopen, of te huiveren voor het getal 13, als wij dit in onszelf niet enigszins belachelijk vinden. In geen enkele gedachte mag zelfs maar enige aarzeling schuilen. Op het ogenblik dat die aarzeling optreedt, hebben wij het goed als zodanig, het afgeronde, het volmaakte in onszelf a.h.w. vernietigd. Elk streven dat vervolgens voortgaat in deze richting kan nooit anders dan onvolmaakt zijn. En wat het onvolmaakte begrip betreft, er staat niet voor niets geschreven:

“Het onvolmaakte is mede een uiting in de keten van oorzaak en gevolg. Wie het onvolmaakte schept, zal het onvolmaakte oogsten.”

Het gaat er dus om een innerlijke perfectie te bereiken. In de moderne filosofie drukt men het vaak wat anders uit. Ook hier echter vinden wij voldoende leerstellingen, die ons kunnen bevestigen: een juiste weg kiezen is betrekkelijk eenvoudig, indien wij slechts de moed hebben dat te doen. In de moderne Real-filosofie lezen wij nl. onder meer ook het volgende: “De mens, die zichzelf onvrij maakt en zich bindt door het aanvaarden van regelen, die de maatschappij stelt, terwijl hijzelf deze regelen onaanvaardbaar acht, veroorzaakt daarmede in zichzelf een innerlijke strijd, waaruit vele en dan volgt een opsomming complexen, obsessies, het gaat tot schizofrenie toe, kunnen voortvloeien. Het ziekelijke verschijnsel van een zelfbedwang, dat innerlijk niet wordt aanvaard, van een zelfbeperking, die niet als noodzakelijk wordt ervaren of een uiten van zichzelf, dat niet buiten eigen behoefte om gaat, leidt tot de vernietiging van mens in deze tijd.”

Ik zou zeggen, daar kunnen wij het wel mee doen. Immers, indien wij reëel willen zijn, vrienden….moeten wij tot de conclusie komen, dat het leven en vooral ook het geestelijk leven voor een groot gedeelte gebaseerd is op aanvaarding en verwerping, of zoals u misschien zegt; begeren en angst, ofschoon deze in een ietwat andere relatie staan. Willen wij komen tot een ervaren van de goddelijke volmaaktheid, dan mag er geen vrees en geen verwerpen zijn. Er moet dus een volledige levensaanvaarding bestaan. Maar die kan alleen bestaan in overeenstemming met onze eigen persoonlijkheid. Het is praktisch onmogelijk iets te accepteren, wat volledig aan je wezen vreemd is. Maar wij zien dat de vroege christenen bv. de marteldood aanvaardden, omdat dit met hun wezen, hun geloof strookte. En dan kun je zeggen; Het is natuurlijk niet prettig om gemarteld of verbrand te worden of verscheurd door de wilde dieren, maar daar staat iets tegenover, nl. dat deze mensen door zich te onderwerpen aan deze martelingen een volmaakte bevestiging gaven van hetgeen zij werkelijk innerlijk geloofden. Er zijn ook mensen geweest, die uit stijfhoofdigheid de martelingen ondergingen, Deze mensen hadden nu eenmaal gezegd, dat ze niet wilden offeren aan de keizer of aan de goden, of in andere gevallen dat ze zich niet wilden bekeren tot het geloof van Rome. Zij lieten zich verbranden, niet omdat zij overtuigd waren dat zij het bij het juiste eind hadden, maar om de doodeenvoudige reden dat zij geen ongelijk wilden bekennen. Het vreemde is dat deze mensen in zich wel voelden dat er iets niet klopte. Zij hebben zowel in de beproeving zelf, dus tijdens de marteling als ook daarna, meer geleden dan de anderen. Zij zijn verward geraakt, want voor hen was een kwaad ontstaan uit wat ternauwernood goed geheten kon worden en dit kwaad heeft hen achtervolgd en zij hebben lang moeten vechten om ten slotte weer een goede weg te vinden.

Het is niet altijd een kwestie van een dogmatische wereld. Geloof mij, er bestaat geen enkel dogma, dat volledig juist is, er bestaat zelfs geen enkele stelling, die geheel juist is. Alles is benadering, alles is een tasten naar de volmaaktheid. Maar ons wezen zelve is ook een tasten naar de volmaaktheid. Zeker, we stellen ons met het onvolmaakte tevreden. Dat weten we wel. Maar dat ons-tevreden-stellen-ermee is toch een poging om onze droom te benaderen. Wanneer wij zouden kunnen komen tot een volledige levensaanvaarding, ja, dan zou voor ons waarschijnlijk ook gelden wat Jezus en Salomo gezegd hebben over de bloemen: “Zie de leliën des velds, zij zaaien en zij spinnen niet en toch gaan zij gekleed in schoonheid groter dan die van Salomo in al zijn heerlijkheid.” Deze waarheid bestaat voor ons ook. Ook wij kunnen met een volmaaktheid in overeenstemming komen, maar de bloem doet dit onbewust. Wij mensen daarentegen moeten bewust tot een aanvaarding komen. Hoe groter de harmonie is, die wij vertonen met de wereld rondom ons, hoe groter de innerlijke harmonie is, die wij bezitten en de vrijheid, waarmede wij God volledig aanvaarden zoals Hij Zich aan ons openbaart, hoe juister en harmonischer ook rondom ons alles gaat verlopen en hoe minder moeite wij hebben om iets tot stand te brengen. Dit laatste is niet alleen maar een religieuze of esoterische stelling. Wanneer wij de blik richten op de uitkomsten van de psychologie, dan zien wij dat men daar zelfs beweert: “Degene, die een onjuistheid beweert, maar van de waarheid ervan volledig overtuigd is, zal in staat zijn anderen te overtuigen. Hij echter, die een waarheid verdedigt, die hij zelve niet geheel aanvaardt, zal niet in staat zijn anderen te overtuigen.” Dit is een heel typisch verschijnsel. Wijzelf, wij zoeken natuurlijk voortdurend verder te komen, voortdurend meer in overeenstemming te komen met het beeld, dat wij ons van de volmaaktheid hebben gevormd. En wij moeten dat doen op onze wijze. Op het gevaar af, dat men mij verwijt dat ik een veelgebruikte spreuk uit haar verband haal, zou ik hier toch willen wijzen op Jezus, die, uitdrukkelijk steeds weer zegt? “Het Koninkrijk Gods is in u.” Maar als het Koninkrijk Gods in mij is, dan moet ik het in mijzelf zoeken en dan kan ik het niet zoeken in de wereld buiten mij en dan kan niemand mij tot dat Koninkrijk brengen; dat kan ik alleen zelf. Op deze wijze is de verinnerlijking van het leven gelijktijdig een normalisering van het leven aan de hand van mijn eigen denken, mijn eigen geloof. Alles wat van buiten komt en wat ik van buiten af aanvaard, kan slechts ten dele juist zijn. Maar al wat ik in mijzelf als goed en zuiver ervaar, dat is een deel van mijn bewustwording. Mijn goddelijk wezen, want in mij leeft God, in mij is het Koninkrijk Gods. Ik behoef niets anders te doen dan dit te vervullen en te verwerkelijken, teneinde niet alleen met mijzelf maar ook met de wereld rond mij in harmonie te komen. Toch zijn er wijsgeren geweest, o.a. bij de ouderen die wel enig voorbehoud t.a.v. deze stellingen hebben gemaakt. Wij vinden bv. in het oude Sanskriet een paar verklaringen die ik hier verkort weergeef, anders moet ik u 2 bladzijden gedicht reciteren die op het volgende neerkomen: “De mens, die zichzelf niet durft te zijn, wordt gejaagd door demonen. Gejaagd door demonen zal hij een ieder haten, die de vrijheid van de godenwereld – laten wij het zo maar noemen – bereikt heeft.” Dus degene, die vrij is. “De normale mensheid, zolang ze gebonden is, moet haten,” zegt hij, “want, erkennende wat de ander aan vrijheid bezit, durft men haar voor zichzelf niet te nemen. Of men kan het risico niet aanvaarden of men weigert de verplichting te accepteren en men meent dan: “Die ander heeft het maar goed, dat is onrechtvaardig, die neemt maar van het leven wat hij hebben wil en ik heb er niets aan.” Ik kan het met die stelling grotendeels eens zijn. Maar we moeten de harmonie met de kosmos m.i. ook wel enigszins anders beschouwen dan, zoals menigeen, als een volledig gelukken van alles, wat je doet. Ik zou het liever willen zien als een normaliseringsproces. De wijze, waarop wij leven, waarop wij zaken doen in overeenstemming met ons innerlijk, is bepalend. Het gaat er niet om wat we precies doen, het gaat er eigenlijk meer om hoe wij het doen. Of wij van binnen uit kunnen leven of alleen kunnen reageren op acties van buiten af.

Wanneer ik ergens kom en ik wil u iets verkopen, of dit nu een schoenveter is of een grote villa, een preparaat ter verkrijging van de eeuwige jeugd of alleen maar een tandprothese, wanneer ik voor mijzelf overtuigd ben dat wat ik aanbied voor die ander goed is, juist is, dan heb ik het overredend vuur, waarmee ik de ander wanneer er maar een kleine mogelijkheid bestaat ertoe breng te accepteren, te kopen, te aanvaarden. In de moderne verkoops-psychologie zult u dat ook aantreffen. Op een van de laatste congressen werd tijdens een redevoering gezegd: “Het is noodzakelijk dat de verkoper niet slechts zijn artikel kent, maar ook dat hij overtuigd is van de superioriteit ervan. Eerst zo wordt de grootst mogelijke rentabiliteit van het verkoopapparaat bereikt.” Ik zou dat willen toepassen in een meer alomvattende en misschien ook wat geestelijker zin. Het is eigenlijk zo, dat wij voortdurend iets aan de wereld verkopen, of wij nu in de handel zitten of niet. Wij hebben a.h.w. voortdurend de taak onszelf te verkopen voor wat we zijn. Aan de wereld maar ook aan onze eigen persoonlijkheid, ons innerlijk. Wij zijn voortdurend kritisch t.o.v. onszelf, zoals een koper dat is t.o.v. de koopwaar. U zoudt het eigenlijk graag nog een beetje anders hebben en zo zou het toch een beetje beter zijn. Zolang wij onszelf niet de overtuiging kunnen geven dat dat, wat wij zijn goed is, zullen wij uit de aard van deze aarzeling alleen kwaad zijn, kwaad doen. Zolang wij de wereld niet ervan kunnen overtuigen dat wij het goed menen, dat wij eerlijk zijn tegenover die wereld, zolang wij die wereld niet kunnen zien als iets, waarmede wij in harmonie kunnen leven, waarmee wij kunnen werken, dan zal niet alleen ons wezen tegenover de wereld staan als tegenover een tegenstander maar ook de wereld tegenover ons. En nu weet je, als je vecht, kun je misschien wel een brokje van de ander bemachtigen, maar je kunt nooit het geheel in je macht krijgen, terwijl een vrijwillig samenvloeien, een soort a.h.w. één worden met, altijd de volledige beschikking over het totaal der mogelijkheden betekent. In uw wereld is dat precies hetzelfde als in de geestelijke wereld. Op het ogenblik dat ons eigen wezen de wereld erkent als goed, het eigen “ik” erkent als goed en het kwaad, dat er eventueel nog in schuilt of de aarzeling zou het goed of kwaad zijn die er in schuilt, eenvoudig omzet in een onthouding zodra er een aarzeling is, dan ontstaat een harmonie met de wereld. Dat uit zich natuurlijk in je omgeving.

Het openbaart zich bovendien op veel uitgebreider vlakken. Het openbaart zich eveneens in de sferen, het openbaart zich in je innerlijk, dus in je eigen instelling t.o.v. het Goddelijke, in het onttrekken van kracht aan het Goddelijke eventueel. Al die dingen vloeien samen. Wij hebben eigenlijk de juiste weg gevonden, wanneer wij vrienden zijn met de wereld. En denk nu niet dat er uitzonderingen bestaan. Je hebt mensen, die zeggen; “Ja, maar als je nu zo achter geld en goed aangaat, dan deugt er toch iets niet.” Dat zijn dezelfde mensen, die beweren dat Jezus de enige en enig ware weg heeft geleerd. Maar wat zegt Jezus? “Maak u vrienden uit de Mammon.”Het staat precies zo geschreven bij Mattheus. “Maak u vrienden uit de Mammon.” De Mammon wordt door menig gelovig mens gezien als een droeve noodzakelijkheid, als het “slijk der aarde”, dat je nu eenmaal, helaas, nodig hebt omdat je anders niet leven kunt. Maar Jezus bekeek het anders. Jezus zegt niet: “Dit is iets verachtelijks,” hij constateert: “Wanneer ik geld heb en ik gebruik het op de juiste manier, dan maak ik vrienden, dan schep ik harmonie. Het ligt niet op mijn weg de Mammon te verwerpen maar om hem te gebruiken.” En dat zien we telkenmale weer. Uit Jezus leven kunnen wij daar vele voorbeelden van aanhalen. Wanneer hij O, neen, dat staat niet in de Evangeliën, tenminste de erkende Evangeliën. Het staat nl. in het evangelie van Bartholomeus en dat is niet geaccepteerd. Ik zal het toch maar vertellen. Wanneer Jezus dus met de Samaritaanse vrouw heeft zitten spreken aan de put bij de bron, maken zijn leerlingen hem een groot verwijt. Ze zeggen: “Maar Heer, weet ge dan niet, dat deze vele mannen heeft gehad?” Hierop antwoordt Jezus rustig: “Maar er was liefde in haar hart, meer dan in het uwe. Zo staat zij hoger in het Huis mijns Vaders dan gij.” Dat is wel een heel merkwaardig oordeel. Ik kan ook wel begrijpen, dat men een dergelijke spreuk niet in een kerkelijke leerstelling kon aanvaarden. Maar we kennen toch wel uit de verschillende spreuken o.m. deze: “Aan hen die veel hebben lief gehad wordt veel vergeven.” Jezus bedoelde dus, dat de liefde, de fouten a.h.w. uitwist. Je mag er niet over spreken. De liefde is en voor Jezus en voor de oudere en ook de nieuwere leraren in feite een vereenzelvigingsproces. Een één worden. Indien die eenheid op de juiste wijze wordt bereikt, dus in balans met de kosmos en met de buitenwereld, zouden wij misschien kunnen aanvoeren dat wij persoonlijk een andere methode prettiger of beter zouden vinden, maar wij kunnen nooit zeggen, dat het niet goed is, we kunnen nooit zeggen, dat het geen juiste weg is voor degene, die deze voor zich als noodzakelijk of juist aanvaardt. Want, indien zelfzucht geen rol speelt, wordt juist hierdoor wederom een harmonie geschapen met de kosmos en met de wereld en kan de persoonlijkheid zich van uit het eigen wezen dus ontplooien. Belangrijke punten ongetwijfeld bij het kiezen van de juiste weg. Maar er is nog een feit, dat we even buiten beschouwing hebben gelaten en dat is nl. dit: “Zij, die in leugen leven, zullen in de leugen sterven.” Men heeft wel eens gedacht dat dit alleen sloeg op leugenaars en men heeft zelfs dit wel als een volksgezegde terzijde willen stellen. Maar toch zit er veel waarheid in. Wij kunnen natuurlijk doen, alsof wij iemand liefhebben, alsof wij gemakkelijk afstand kunnen doen van goederen, alsof wij goed zijn, belangrijk, voornaam, volmaakt, religieus. Maar dat “doen alsof” “brengt één consequentie met zich. Wij scheppen hierdoor een schijnwereld en die schijnwereld moet door ons daadwerkelijk beleefd worden met al haar oorzaken en gevolgen. Wanneer wij dus eenmaal een leugen hebben opgebouwd, of dit nu is een kwestie van liefde of van wat anders, van kameraadschap of van zakelijke solvabiliteit – neem onverschillig welk voorbeeld – dan zullen wij steeds weer zien, dat wij om voor onszelf harmonisch met de kosmos te blijven deze leugen ten dele waar zullen moeten maken en ten dele zullen moeten afbuigen, totdat ze waar kan worden. Wij kunnen niet volstaan met eenvoudig een leugen en dan basta, we kunnen een leugen ook niet terugnemen. Want door haar uit te spreken of op andere wijze metterdaad in de wereld te brengen, hebben wij de leugen gemaakt tot deel van onszelf. We zullen dus steeds moeten trachten deze in ons bestaande waarde om te vormen a.h.w. tot zij harmonisch past in de wereld. Onze juiste weg wordt niet bepaald door dogma’s, Het is een weg, die voor iedereen bestaat, voor het nonnetje even goed als voor de publieke vrouw, de bondspresident, de moordenaar en de priester. Ze hebben allemaal dezelfde kans, dezelfde mogelijkheid. Het leven biedt elk hunner de mogelijkheid harmonie met de wereld te vinden, elk op zijn eigen wijze, van uit eigen plaats en langs eigen weg, uiteindelijk komen tot een aanvaardbare en juiste verhouding, waardoor de wereld hen a.h.w. opneemt, kan gaan dienen en ook voor hen waar wordt. Niets, dat zij verlangen, zal hun geweigerd of onthouden worden, omdat ze zelf juist zijn georiënteerd t.o.v. de kosmos. Wie die toestand bereikt, zal die toestand kunnen handhaven door elke wereld en sfeer heen. Dat wil dus zeggen, dat Gods volledige openbaring zelfs van uit een onvolmaakt bestaan op alle plaatsen te vinden is.

Voordat ik ga eindigen nog een kleine waarschuwing; Sommigen zullen misschien menen in het betoog alle reden te vinden om nu maar vrijelijk te doen wat ze willen. Maar onthoudt u a.u.b, dat er een beperking bij is. U moogt doen wat u wilt, indien u zonder enig innerlijk voorbehoud gevoelt dat wat u doet goed is. Maar als er ook maar enige twijfel is, zult u onderworpen aan de wet van oorzaak en gevolg de consequenties van uw daden moeten aanvaarden, totdat uw instelling wel volmaakt met de kosmos in harmonie is. Denk dus niet de juiste weg is eigenlijk: “Ga je gang maar.” Neen, de juiste weg is, dat je je telkens weer afvraagt: Voel ik dit nu op dit ogenblik als volledig goed? Bestaat er in mij geen enkele twijfel omtrent de aanvaardbaarheid hiervan voor mijzelf? En luidt het antwoord bevestigend dan is het inderdaad zo. Ga dan verder, want op deze wijze verwerkelijk je je, eigen wezen en van uit je eigen wezen een steeds groter wordende harmonie met de kosmos. Maar een twijfel moet voldoende zijn om te zeggen: Hier mag ik, kan ik of durf ik niet handelen, voordat ik weet, hoe ik dit kan doen, op welke wijze dit kan geschieden, zonder dat in mij enigerlei twijfel aan de juistheid en de aanvaardbaarheid hiervan voor God en mijzelf bestaat.

o-o-o-o-o

Als wij het voorgaande tot ons laten doordringen, vraag je je af, wat die kosmische harmonie eigenlijk is. En nu mag ik misschien proberen iets te vertellen over die kosmische harmonie. Vergeet echter één ding niet. Deze kosmische harmonie is niet een toestand, die in woorden is te vatten maar een idee, een gedachtegang, die je moet overbrengen.

En daarom zult u mij vergeven, wanneer mijn woorden niet zo feitelijk waar zijn of zo doordringend filosofisch als van mijn voorganger. Integendeel. Ik voor mij zou het graag zoeken in een wat rijker terminologie:  Kosmische harmonie is natuurlijk in de eerste plaats het voelen in jezelf van een grote vrede, een grote rust. Het is een kracht, die je voortdurend verder doet gaan zonder vragen. Kosmisch beleef je, wanneer je je voelt opgenomen in de natuur bij een zonsondergang en wegstroomt, totdat de zilveren sterren van de nacht overgaan in het gloeiend rose, de veelkleurigheid van een zon, die weer rijst. Kosmische harmonie is de droom, die ligt tussen de lichtende kracht en de lichtende kracht. Het duister wordt door ons niet ervaren, het wordt langzaam maar zeker overgebracht tot het lichtend zelf een verbinding maakt, een schakel waarmee goddelijk licht en goddelijk licht aaneengebonden zijn. Kosmische harmonie openbaart zich in het vermogen om in onszelf alle tonen en klanken, die wij horen, samen te voegen, niet op een willekeurige wijze, maar tot er een soort beschrijvend lied ontstaat.

Een beschrijvend lied, zoals je misschien wel eens voor jezelf hoort, wanneer je in de vroegte ergens op het platteland loopt en in de verte de dorpskerk met haar vergulde haantje zich in de eerste lichtstralen kenbaar maakt. Dan hoor je daarbij het ruisen van de bomen in de wind,je hoort de geluiden van nachtdieren misschien, die zich ter ruste begeven en ergens slaat een eerste vogel. In de verte kraait een haan, wij horen het kraken en knersen van een pompzwengel, we horen een deur opengaan en het is, of in die stilte voor ons een beeld ontstaat van al, wat er rond ons gebeurt. Je hoort die geluiden a.h.w. samenvloeien tot
het perfecte beeld van “het ontwaken van een landschap.” En zo vreemd als het klinkt, het is alsof zelfs de dauwdruppels, die op de bladeren liggen meeklinken het vallen misschien van een enkele drop vochtigheid, het ritselen, het eigenaardig fris krakerige ritselen van het gras, wanneer je er doorloopt, dat alles tezamen vormt een beeld van een wereld, die wakker wordt, die ontwaakt.

Op deze manier eigenlijk, zou je het leven zelf moeten horen. En dan duid ik natuurlijk niet slechts op al die lawaaierige klanken, die u buiten hoort maar op het geheel. U hoort dichtbij misschien het zingen van de vogels en op de achtergrond het roezemoezen van een stad in zondagsstemming, een stad, die langzaam maar zeker zich opmaakt om volmaaktheid te zoeken. U hoort misschien het koken van water, dat klaar staat en ergens in de verte de stemmen van een paar kinderen, van een paar mensen, een grammofoon misschien of in een radio. Dat alles tezamen vormt een beeld en dan zeg je: “Dit is zondagmorgen.”

Zo kun je ook voor jezelf het leven horen, Het klinkt misschien wat vreemd, toch is het waar. Want in de kosmos heeft elk gebeuren, elke gedachte zelf; een soort klank, als een stemvork, die even wordt aangeraakt, een trilling, die even doorsiddert en dit alles vloeit tezamen tot een beeld. Nu is het echter zo; het beeld, dat de kosmische harmonie ons geeft, is het beeld van God. Bij ons beeld van de morgen heeft u dat hele landschap niet gezien. Misschien meende u, dat die krakende deur er een was van een groot huis, terwijl die er een was van een stal of omgekeerd. Maar dat geeft immers niets. Als je de sfeer kent van de morgen op het land, dan kun je daar kracht uit putten, dan kun je daar gelukkig mee zijn. Wanneer je je die morgensfeer realiseert, zegt het je ook wat, Als je de sfeer van God aanvoelt, kun je je heus nog wel vergissen in het beeld, dat Hij geeft, maar je kunt toch die kosmische harmonie voor jezelf opbouwen tot een ervaren van Hem. Wat is er belangrijker dan het ervaren van God, vrienden. God is niet alleen maar een lichtstraal in het duister. God is voor ons veel vaker het diffuus licht van een zwaarbewolkte dag, wanneer je geen zon ziet en toch het licht van de zon aan alle kanten tegelijk haast schaduwloos op je afkomt. Het ligt dan aan ons om dit te erkennen; om in het leven aan te voelen hoe de krachten van eeuwigheid en tijd tezamen komen om ons te doen leven. En als wij daarin slagen, dan zijn wij gekomen tot die kosmische harmonie, waarin zoals men zegt: God tot ons spreekt.

Nu zult u het mij niet kwalijk nemen, dat ik het dichterlijk misschien heb gezegd, dat ik haar beelden heb gegrepen, die bijna gemeenplaatsen zijn. Ik heb het eerlijk gedaan om u iets te laten voelen van die stemming, van die verhevenheid. Want kosmische harmonie kan in een ogenblik van overpeinzing worden als een kathedraal. Ik weet niet, of u wel eens bent geweest in zo’n grootse kerk, waarin de schreden vallen stuk na stuk, aarzelend, terwijl de afstand van portaal naar altaar bijna niet slinkt. Als u zo’n grote kerk wel eens hebt gezien, dan heeft u misschien wel eens meegemaakt, dat er een orgel begint te spelen. Dan weet je eigenlijk niet eens goed waar het staat, want het speelt zo vreemd van wand tot wand, van klank tot klank en toch is het een bruisen en een zingen dat betovert en dan blijf je even stilstaan. Misschien repeteert er een koor en dan hoor je een paar kinderstemmen of een paar mannenstemmen plotseling uitroepen; “Halleluja”, of een “Gloria” of in een verdoken teerheid haast een “Sanctus” of een “Agnus Dei”, Dan behoef je helemaal geen christen te zijn om een ogenblik gevangen te worden in de betovering en voor jezelf heb je dan het idee: “Ik sta hier op gewijde grond, Waarom weet ik niet, maar hier is God,” En openbaart zich dan eigenlijk de kosmische harmonie: Aanvoelen hoe het is, weten dat het er is en voor jezelf te zeggen: “Ik sta op gewijde grond, hier is God.” En dan te luisteren, opdat God Zich openbaart in de kosmische harmonie, in de kosmische melodie van het leven.