De kern van de werkelijkheid

13 november 1968

Vrienden, wanneer u tracht om uzelf de werkelijke wereld voor te stellen, stuit u op de grote moeilijkheden van een mens die in zijn denken en zijn voorstellingsvermogen gelimiteerd is door ge­woonten die hij krijgt krachtens de mogelijkheden van o.m. zijn waar­nemingsvermogens. Ik wil vanavond trachten met u het een en ander te bespreken over die werkelijke wereld.

De kern van de werkelijke wereld is kracht, kracht of energie. Hoe wij deze kracht of energie verder moeten omschrijven staat niet geheel vast. Zeker is dat zij aanwezig is en dat zij kan optreden in een positieve en in een negatieve vorm. (Vorm is misschien te veel gezegd voor energie, maar het is een poging om haar te bepalen in menselijke termen.)

Overal waar de kracht negatief optreedt, vinden wij dezelfde vermogens die wij bij een positief optreden zullen waarnemen; alleen ontbreekt daaraan – wat wij noemen – het licht, dus een bepaalde vorm van kenbaarheid. Vergelijkenderwijs gesproken: positieve ener­gie die kenbaar wordt, is een vorm tegen een lichte achtergrond. Een negatieve vorm of een negatieve uiting is dus ook een vorm, een verschijnsel dat zich echter voordoet als een opening in een lichte achtergrond.

Nu is de grote moeilijkheid voor de mens en ook wel voor de geest om zich deze verschillende waarden voor te stellen zonder gelijktijdig vast te lopen in overgangsvormen. Want waar ik absoluut positief die energie kan zien (dus volledig geuit en losstaande van het andere; en gelijktijdig als een hiaat in het andere, de negatieve energie) wordt het natuurlijk erg moeilijk wanneer ik een energie krijg die deels positief en deels negatief is. Dat kan dan een bas-reliëf zijn of een haut-reliëf, maar altijd krijgen we dan een binding met de achtergrond.

Datgene waarin de energie kenbaar wordt – en dat waarschijnlijk ook haar oerwezen ergens uitmaakt – noemen we bij gebrek aan een betere omschrijving dan maar “ruimte”. Of ruimte reëel is weet ik eigenlijk niet. Ik weet alleen dat zij zich in alle werelden en sfe­ren in verschillende vormen voordoet, maar overal hanteerbaar blijft. Heb ik nu deze wereld gezien in krachten, dan wordt het tijd om me bezig te houden met de mengverschijnselen, want die mengverschijnselen zijn juist het meest kentekenend.

Een gedachte kan vorm krijgen. Die vorm kan volledig vast zijn: menselijk gezien bv. een standbeeld. Zij kan volledig onzichtbaar en toch geuit zijn: denk aan muziek. Wanneer ik die twee vormen – beide kunst – met elkaar vergelijk, moet ik zeggen: beide zijn beeldend, maar beide bewegen zich op een ander niveau.

Nu kan het echter zijn dat ik op een gegeven ogenblik de voor­stelling probeer aan te vullen met het geluid. Toneelspel bv. paart dus de voorstelling (de illusie van beelden en figuren) met geluid. Een bioscoop doet hetzelfde, zij het dan tweedimensionaal i.p.v. driedimensionaal. Wanneer ik met een mengverschijnsel te maken heb, zullen er dus verschillen optreden t.o.v. de positieve kracht die erin is. De negatieve kracht is niet alleen schaduw, zij is niet; zij is het onbereikbare. De positieve kracht is misschien ook wel onbereikbaar, maar is voor ons kenbaar. Dit ligt aan onze eigen oriëntatie uit de aard der zaak.

Ik stel nu: In elke vorm, waarin het licht of de energie posi­tief aanwezig is, zal ik het negatieve slechts zien als een hiaat of een accent t.a.v. het positieve. In een negatief verschijnsel of een negatieve vorm zal het licht dienen om nog enige vormvoorstelling te maken t.a.v. het in wezen onkenbaar gewordene.

Om dit te verduidelijken: Wanneer ik met licht te maken heb is dat een halo, een krans, een lichtstraling, waarin enkele lijnen de figuur misschien vaag aanduiden. Die lijnen zijn dan niet licht.

Het omgekeerde is het duister. Alles wat er niet is (denk aan zo’n geknipte sjabloon van vroeger, zo’n zwart plaatje), dat is dus weg; maar omdat er nog een vorm in zit; zijn er kleine witte stukjes en stipjes en lijntjes in en daardoor krijgt het gestalte. Dan kan ik dus definiëren als volgt:

Een verschijnsel wordt eerst dan voor mij kenbaar, wanneer het een mengsel is van positieve en negatieve vormen van energie. Daar waar slechts één vorm van energie optreedt; zal er voor het ego geen kenbaarheid zijn.

Wanneer die werkelijke wereld er ongeveer zo uitziet – en u begrijpt dat we eigenlijk nog steeds proberen met vergelijkingen een werkelijkheid te benaderen – dan krijg ik verder de kwesties duur, tijd. Een vorm heeft een bepaalde duur; daarna verandert ze in een andere vorm. Zolang de energie dezelfde blijft, mag echter gesproken worden van een continuïteit.

Wanneer u zich een reïncarnatie-reeks zou willen voorstellen, kunt u dat misschien het eenvoudigst doen door net als de kinderen een krant op te vouwen en er poppetjes uit te knippen. Wanneer u ze uit elkaar haalt, hebt u een ketting. Het ene poppetje is niet het andere; het behoeft daarmee zelfs niet helemaal identiek te zijn, maar beide gaan in elkaar over.

Zo is het met vormen. De vorm die wij waarnemen is een bepaalde uiting van evenwicht tussen licht en duister, positief en negatief. Dan kan ik zeggen, dat de verhouding van positief en negatief binnen de vorm gewijzigd kan worden; zonder dat het wezen (de essentie die in de vorm wordt uitgedrukt) verandert.

Eenvoudiger gezegd: ik heb klei. In die klei maak ik een aan­tal openingen. Daardoor ontstaat een voorspelling. Nu verander ik de verhouding tussen de voorstellingen en de klei door de gaten weg te halen of deels op andere plaatsen aan te brengen. Er is een andere verhouding ontstaan, maar het is nog dezelfde klei.

Nu begrijpt u wel dat de vorm op zichzelf dus niet bepalend is, maar dat de essentie van het ik wel bepalend is, daar dit de blij­vende materie is (vergelijkend gesproken), waaruit dus voortdurend de vorm, waarin het ik optreedt tot stand komt. Het is belangrijk dat we ons daarbij realiseren dat de verhoudingen van positief en negatief in ons wezen kunnen veranderen, zonder dat ons wezen zelf verandert. Het is de uitings- of de verschijningsvorm, die verandert.

Ik wil hier graag een conclusie aan toevoegen. Wanneer ik mijn eigen wezen weet te veranderen tot al het negatieve daaruit verdwe­nen is bv., ben ik niet tot een ander geworden; ik blijf mijzelf. Ik verander slechts mijn verschijningsvorm. Maar daar ik mijzelf ken aan mijn verschijningsvorm, zal mijn oordeel over mijzelf zich wel wijzigen.

  • Maar als er geen negatief is, is er toch ook geen verschijnings­vorm?

U hebt volledig gelijk; maar als ik daarop verder moet ingaan, komen we niet aan een einde. Het is nl. zo, dat we dus op het ogen­blik dat er geen negatief meer aanwezig is een ik-besef krijgen, dat niet meer vormbepaald is. Maar het ik-besef blijft bestaan. En daar de essentie van ons wezen positieve energie is (dat wil ik hier dus wel graag even vaststellen), is het voor ons niet moge­lijk om totaal negatief te worden.

Wij kunnen de positieve waarden van ons wezen zover uitsmeren a.h.w., tot het merendeel van ons wezen schijnt te bestaan uit het negatieve; maar daar ons wezen positief is, zijn die hiaten het “niet-ik”. Het negatieve is het niet-ik. Op het ogenblik dat u dus een verschijningsvorm hebt, waarin het duister bij u volledig overheerst, bent u niet uzelf: maar u bent slechts een verschijnings­vorm, die gedomineerd wordt door zijn tegenstelling, nl. door het duister. (Dat is misschien voor u ook tamelijk duister, maar als u erover nadenkt komt u er wel achter.)

Nu zitten hier enkele praktische facetten aan vast en die zullen we nu eerst uitwerken.

Elke vorm bestaat voor mij uit positief of negatief of een menging daarvan. Al wat negatief is, is voor mij verwerpelijk. Het negatieve kan ik in een positieve vorm alleen waarderen, wanneer daardoor de kenbaarheid van de vorm omlijnd wordt. Mijn bewustzijn bestaat krachtens de aanwezigheid van het negatieve, mijn wezen krachtens de aanwezigheid van het positieve.

Wanneer ik in mijzelf de verhoudingen kan wijzigen, zo moet het voor mij mogelijk zijn mijn relatie tot positief en negatief eveneens te wijzigen. En dan zijn we met één grote stap bij de meer praktische kant van de zaak, die toch ook in deze esoterisch-magische kring m.i. een rol moet spelen.

Wanneer ik dus verhoudingen in mijzelf kan wijzigen en daarmee mijn relatie tot hetgeen buiten mij bestaat, kan ik elke verhouding van licht en duister beïnvloeden door mijn waardering daarvoor.

Elk beeld dat ik van de kosmos krijg wordt niet alleen bepaald door de feitelijke waarde of verhouding daarin, maar bovendien door mijn waardering voor de geconstateerde verhouding. Daar mijn waarde­ring voor mij de actuele relatie – en daarmee de feiten – beheerst, zijn alle feiten voor mij hanteerbaar op het ogenblik dat ik in staat ben de verhouding licht-duister in mijzelf voldoende te be­heersen en daarmee ook de relatie t.a.v. de buitenwereld vanuit mijzelf voldoende duidelijk te beheersen of vast te stellen. Dit is magie in de zuivere zin van liet woord.

Waar ik te maken heb met een tekortkoming, met een hiaat, kan ik natuurlijk proberen dit hiaat te vullen. Maar in 9 van de 10 gevallen zal dit niet gelukken. Wanneer het een reëel negatief aspect is lukt me dat nooit. Ik kan wel proberen de betekenis van een hiaat (dus van een negatief facet) voorlopig althans te minimaliseren. Ik kan het dus beperken. Naarmate ik het meer beperk en onzichtbaar maak t.a.v. het totaal, verandert de visie van het ik op zichzelf.

Hier hebt u dus weer een typisch verschijnsel. Ik zal een ver­gelijking gebruiken. Stel dat er een mens is die de een of andere geestesziekte heeft. Hij heeft het een of ander negatief facet in zijn persoonlijkheid. Wanneer je probeert dat negatieve facet a.h.w. uit te wissen, positief te maken, bewust te maken, dan wek je een ontzaglijke resistentie. Die weerstand is enorm groot. En wanneer je erin slaagt dat ene facet bewust te maken, heb je grote kans dat daardoor de gehele verhouding van de verdere persoonlijkheid blijvend gestoord wordt.

Maar nu kan ik ook proberen dat facet dat ik dus wel enigs­zins kan lokaliseren, a.h.w. onbelangrijker te maken. Ik ga steeds langs de grensgebieden en maak daar een steeds sterker bewustzijn. Wat gebeurt er? Voor de persoon wordt dit duistere plekje eigen­lijk steeds minder interessant, steeds minder belangrijk. Het is nog wel negatief, maar het is a.h.w. niet meer actief in zijn negativiteit. Het wordt dormant. En zodra het dormant is, is het net bevro­ren water, je kunt erover lopen. Je kunt dus dat negatieve schijn­baar verdrijven door de oppervlakkige waarden bewust te maken. De ondergrond kun je dus nooit beroeren; maar die ondergrond valt weg, die verdwijnt uit de persoonlijkheid, omdat de persoon zelf in zijn ik-beeld deze waarde of dit hiaat niet meer accepteert. De klei is een beetje gekneed, het gaatje is naar de buitenkant verdreven en is daar tot een begrenzing, een limitering van de persoonlijkheid geworden i.p.v. een factor, die de persoonlijkheid kan beheersen.

  • Dus ingekapseld?

Neen, dat is niet ingekapseld. Dat is gewoon naar buiten ge­dreven. Wanneer je deeg kneedt en er zit een luchtbel in en je kneedt lang genoeg, dan komt die luchtbel naar buiten. Die lucht is er nog wel, maar die zit in de atmosfeer, die zie je niet meer. En als je het deeg dichtslaat, is het een homogene massa. Op dezelfde manier zou je een persoonlijkheid kunnen behandelen.

Dit voorbeeld is misschien weer voldoende om u duidelijk te maken hoe gemakkelijk het eigenlijk voor ons zou moeten zijn om van ­bepaalde duistere facetten in ons eigen wezen af te komen. En daarmee ook bepaalde duistere of negatieve facetten in de wereld buiten ons te beperken. Dat kunnen we dus nooit doen door er de aandacht op te vestigen. Een confrontatie met het negatieve heeft altijd als resultaat een grotere nadruk op de negativiteit. En dan is het dus duidelijk dat wij – wanneer we althans met het licht wil­len werken – moeten proberen de positieve krachten steeds meer vorm en gestalte te geven.

Dat kunnen wij op twee manieren doen. Wij kunnen het negatieve constateren voor zover het constateerbaar is, maar bij die consta­tering de essentie van het negatieve eenvoudig laten rusten. Wij gaan er dus niet van uit: dit is een negatief punt, dat moet ver­dreven worden. Maar we zeggen: kijk, hier is een gebied, waarbinnen het negatief is. Dat is aanvaardbaar, ook voor onszelf.

Dan kan ik een dergelijk negatief iets op dezelfde wijze bena­deren. Door steeds het negatieve a.h.w. mede aan te duiden, wordt de indruk die het maakt steeds kleiner. Het blijft aanwezig, maar wij kunnen in ons eigen voorstellingsvermogen dat negatieve eenvou­dig uitvlakken; wij kunnen het wegnemen voor onszelf. En daar onze verhouding tot de buitenwereld niet alleen bepaald wordt door de positief/negatief-verhouding in ons wezen (die kunnen wij hervormen) maar vooral door onze waardering op grond daarvan, zal in de wereld de nadruk dus sterker gaan vallen op het positieve.  Ik wil proberen dit alles weer in een paar eenvoudige punten vast te leggen.

  1. Elke directe bestrijding van het negatieve brengt het verder op de voorgrond. Bestrijd nimmer het negatieve.
  2. De erkenning van datgene, waarbinnen het negatieve zich be­vindt, is aanvaardbaar. Wij moeten niet bang zijn om te consta­teren waar de hiaten zijn, maar we moeten bereid zijn ze verder te laten rusten. Zij zullen daardoor voor ons besef in belang­rijkheid afnemen en op den duur verdwijnen.

Bij anderen en in andere krachten en uitingen bestaat hetzelf­de. Daarom geldt:

Daar, waar ik positieve aspecten erken en de nadruk op dit positieve leg, met de erkenning van de hiaten of negatieve waarden daarin verborgen, zonder dat ik daaraan veel aandacht besteed, zal ik in staat zijn een groot gedeelte van die negatieve krachten of waarden voor mijzelf niet-actief te maken en mijn relatie met dit andere volledig positief tot stand te brengen.

De volgende stap is dan:

Mijn denken als mens zowel t.a.v. mijzelf (waar ik mijzelf tracht te kennen) als t.a.v. de wereld (waar ik die wereld tracht te ken­nen of te beheersen) zal gericht moeten blijven op het positieve. Het positieve is echter niet met een vorm te omschrijven. Het is geen vorm, het is een essentie. In licht neem ik waar. De afwezig­heid van licht constateer ik. Waar licht is, neem ik niet het licht waar, maar ik kan constateren dat het er is aan de hand van de ver­schijnselen, die kenbaar worden. Als de lamp niet brandt, weet u dat hij uit is. Als de lamp wel brandt, kijkt u niet naar de lamp of die wel brandt, maar u ziet alle dingen.

Op dezelfde wijze werkt nu het positieve in onszelf. Het posi­tieve valt niet op doordat het zijn aanwezigheid direct en luidruch­tig kenbaar maakt, maar door het feit dat het verschijnselen in een zeker daglicht zet. Naarmate wij meer erkennen, mogen wij aannemen dat het positieve sterker aanwezig is. Dan volgt hieruit weer:

De nadruk, die ik leg op het positieve, zal voor mij de ken­baarheid van de wereld groter maken, ofschoon ik dit positieve zelf nooit omschrijven kan. Ik werk dus altijd met een onbekende kracht. En mijn gerichtheid in mijzelf of naar buiten toe is geba­seerd op mijn erkenning, dankzij de positieve of lichtende kracht. En die erkenning is een gevoelswaarde.

Ik wil haar niet verwarren met wat u misschien een gevoels­waarde noemt (honger, dorst e.d.), ofschoon deze als vergelijking misschien nog bruikbaar zouden zijn. Ik voel aan of iets voor mij harmonisch is, of het door mijn wezen bevestigd wordt of niet.

Daarmede zeg ik niets omtrent het werk zelf. Ik kan mij iemand voorstellen die voor een schilderij van Rembrandt staat en zegt: neen. Dat betekent niet dat Rembrandt geen groot kunstenaar is. Dat betekent alleen dat er in de uitdrukking aspecten liggen die die persoon eenvoudig niet kan aanvoelen of verwerken.

Op een soortgelijke manier moeten wij dus eigenlijk reageren op wat aanvaardbaar lijkt en op wat niet aanvaardbaar lijkt. Wij moeten niet beredeneren waarom, wij moeten constateren dat. Door deze con­statering ontstaat bewustzijn, waarneming, registratie. Bewustzijn, waarneming, registratie betekent: besef, mogelijkheid tot combine­ren van waarden, tot erkennen van waarden. Een erkenning van waar­den, die ik tot stand heb gebracht, betekent voor mij echter ook de mogelijkheid in mijzelf een verandering aan te brengen, krachtens het erkende, in de verhouding van positief en negatief.

Dan kan ik dus op grond van het erkennen (of dat nu esoterisch is of meer exoterisch) mijzelf altijd wijzigen. En elk resultaat zowel in mijzelf (of dit nu Godserkenning heet) of naar buiten toe (magie, genezing of wat anders) kan ik alleen bereiken door de manier waarop ik mijzelf verander.

Dat is een heel belangrijk punt. Een mens is geneigd uit te gaan van het standpunt dat hij de wereld kan veranderen. Maar hij kan de wereld nooit veranderen, tenzij hij zichzelf verandert. Door zichzelf te veranderen, verandert de mens de wereld.

En wanneer je dat eenmaal in de gaten hebt, kun je ook verder gaan en zeggen: Kijk, positief en negatief kan in vele vormen voorkomen, waarvan er maar enkele misschien materieel constateerbaar zijn. Maar al die andere vormen zijn vergelijkbaar. Mijn gevoelsreac­tie daarop zal dezelfde zijn. Mijn gevoel is nl. een harmonische vergelijking gemaakt middels de aura. En daar bestaat dus geen enkele beperking van sfeer of wereld bij. Ik kan dus aanvoelen welke kracht goed en welke kracht kwaad is. De vormvoorstelling is daarbij niet bepalend. En zo kan het zijn dat ik op grond van associatie dezelfde vorm toeken aan iets wat positief en aan iets wat negatief is. Voorbeeld:

U hebt weleens gezichtsbedrog-plaatjes gezien. Staan de ku­bussen nu opgestapeld naar boven toe, of hangen ze eigenlijk van iets af als een soort overkoepeling naar beneden toe? Het ligt er maar aan hoe je kijkt. Nu kun je zeggen: het hangt naar beneden toe: negatief. Of je kunt zeggen: het klimt naar boven toe: positief. Dat is dus eigenlijk mijn benadering. Maar de manier waarop ik kijk bepaalt hoe ik het plaatje zie.

Dan is het dus doodeenvoudig: Wanneer ik iets aanvoel, groe­peer ik daarmee gegevens voor mijzelf. En hetzelfde beeld kan ik door een dergelijk visueel trucje soms negatief en soms positief zien, En als ik dat nu eenmaal weet, wordt het ook begrijpelijk, waarom men in sommige gevallen engelen en duivelen dezelfde naam geeft. Dat doet men in bepaalde vormen van magie. Een engel wordt dus het ene moment Azraël, een brenger van leven en het volgende ogenblik is hij de doodsengel. Leven en dood zijn één.

Zodra ik dit ga begrijpen wordt mijn oriëntatie dus veel gemak­kelijker. Het gaat er niet om wat er werkelijk staat of wat er is. Het gaat erom wat ik ermee kan doen. Hier is mijn gevoelsreactie bepalend, nooit mijn beredenering of mijn besefsreactie. Mijn gevoels­reactie geeft mij de mogelijkheid aan. En ten tweede bepaalt ze de wijze, waarop ik in meer rationele vorm het geheel zal zien, om­schrijven en waarderen. Kies daarom altijd de dingen, die voor u positief zijn. Werken met krachten die vanuit uw gevoel negatief zijn, is alleen dan mogelijk, wanneer u uzelf volledig beheerst.

Komt u bij het werken om tot een hoger besef te komen in uzelf aan een punt, waarbij u werkelijk voor een afgrond staat, dan is het dus zaak niet te proberen die afgrond te bedwingen of uzelf te veranderen, maar om eenvoudig te kijken wat er aan positiviteit te vinden is in uw persoonlijkheid vanuit dit stand­punt. Richt uw aandacht daarop en u zult ontdekken dat wat u een afgrond leek, u nu ineens alleen nog maar ziet als een mijnput, waar u gemakkelijk omheen kunt lopen.

Op die manier kan de mens leren in zijn innerlijk een groot aantal problemen en hiaten te ontgaan, waar hij ze niet kan veran­deren. Maar op dezelfde manier kan men ook naar buiten toe bepaal­de onmogelijkheden en moeilijkheden ontgaan. Niet door te zeggen dat ze er niet zijn, maar door ze te negeren. Door eenvoudig langs een positieve weg verder te gaan.

Ik geloof dat ik hiermee al een paar voorname punten heb ge­steld. En dan kom ik nu nog op het punt van de inhoud van het po­sitieve.

Een positieve kracht is als potentie, zo sterk als het verschil tussen de aanwezige positieve en negatieve waarden in uw besef. Dus wanneer u 50/50 bestaat uit licht en duister, dan hebt u wat die kracht betreft praktisch nul. Op het ogenblik dat u 1% meer hebt weten te bereiken (dus 51% licht), dan is uw potentie (uw eigen potentie wel te verstaan!) 2%, enz.

Het is dus voor mij niet zo erg belangrijk dat ik mijzelf volle­dig licht maak. Wel is het belangrijk dat ik op het juiste ogenblik in mijzelf de verhouding licht/duister zodanig besef dat het negatieve dat bij mij behoort buitenkant wordt. Het behoort niet meer bij mijn wezen, het wordt niet gewaardeerd. Het is immers geen werkelijk deel van mijn wezen. Wat ik naar buiten toe geprojecteerd heb, heb ik afgeschoven. Dat kan mij niet beïnvloeden bij de werking met de positieve kracht die in mij bestaat.

En dan kom je vanzelf nog een heel klein stapje verder. Wanneer je zegt: Daar, waar een positieve kracht voor mij onaanvaard­baar wordt, realiseer ik mij het negatieve, dat mij mede omgeeft. Elke positieve kracht zal door mijn besef van het negatieve worden opgeslorpt. Een volledige afscherming tegen positieve krachten is mogelijk door de realisatie dat ik mede omringd ben door het duis­ter. Elke afweer tegen negatieve krachten is mogelijk door mij te re­aliseren dat ik omringd word door licht. In beide gevallen ben ik selectief t.a.v. de mogelijkheden en bepaal ik mijn eigen relatie tot de omgeving, niet tot de al of niet aanwezigheid van licht of duis­ter.

Laten we dit eerst eens esoterisch samenvatten.

  1. Elk probleem dat ik in mijzelf ontmoet, zal voor mijn eigen besef voortkomen uit die dingen die ik als negatief omschrijf. Dergelijke moeilijkheden erkennen betekent mijn innerlijke vooruit­gang stuiten. Dergelijke dingen aanvaarden en verdergaan betekent ze onbelangrijk maken t.a.v. mijn innerlijke bewustwording.
  2. Rond mij en in mij is theoretisch alle kracht in volledige potentie aanwezig, zowel het uiterst negatieve als het uiterst positieve. Een beroep op deze krachten zal mij nimmer baten, daar ik mijzelf slechts kan realiseren als een mengeling van beide. Het is dan ook niet belangrijk dat ik bij een innerlijk proces mijzelf tracht te zien als geheel licht, mits ik maar van mijzelf besef dat ik meer licht draag dan wat ik aan negatiefs omvat. Zodra ik tot deze realisatie kom zal mijn werkelijke persoonlijk­heid (die positieve kracht is) sterker gaan spreken. Dan zal ik daarmee het werkelijke ik nader komen en zo ook m.i. de verklaring van het bestaan van dit ik.

Dan gaan we het nu magisch bezien.

Het resultaat dat ik wil bereiken is afhankelijk van een wijziging in mijn eigen erkenning van positief en negatief in het gestel­de doel. Zodra ik mij dit realiseer kan ik – mits ik daarbij niet in­ga tegen mijn eigen concept van het eigen ik – elke willekeurige re­latie stellen tussen mijzelf en het andere. De krachten – positief en negatief – die in alle dingen bestaan, zullen dan voor mij en t.a.v. mij de verschijningsvorm wijzigen. Wanneer die verschijnings­vorm mede gebaseerd is op waarden die ook in het bewustzijn van een andere persoonlijkheid bestaan, zal de wijziging voor ons beiden reëel worden en blijven, zolang ik in staat ben deze door mij besefte relatie vol te houden, of deze door anderen als een werkelijkheid te doen aanvaarden, waardoor dezen zonder meer het proces continueren.

En dan is er natuurlijk nog één ding dat wij over die magie heel goed moeten weten: Op het ogenblik dat ik (bij absorptie dus) het negatieve dominant stel in een magische werking, stel ik daarbij gelijktijdig de noodzaak van voldoende licht dat geabsorbeerd zal worden om een zekere evenwichtigheid in mijn wereldbesef tot stand te brengen. Daar, waar ik dus het negatieve activeer, zal het posi­tieve eveneens geactiveerd moeten zijn. Waar dit niet het geval is, zal datgene wat ik in mijzelf als licht beschouw, geactiveerd worden en door het negatieve a.h.w. tijdelijk verdund worden, voor mijn be­sef worden uitgewist.

Met deze paar regels zijn: wij iets dichter gekomen bij de werke­lijke wereld, maar daar is nog veel meer over te zeggen. Elke indeling die ik van de werkelijke wereld maak is reëel, mits zij geba­seerd is op een uiteindelijke evenwichtigheid tussen positief en negatief. Elke ruimtelijke voorstelling die ik mijzelf maak is juist, mits zij gebaseerd is op een evenwicht tussen positief en negatief. En dit betekent dat alle dingen waar zijn, maar dat de waarheid van die dingen voor mij afhankelijk is van mijn realisatie van positieve en negatieve waarden.

Dit impliceert ook dat ik dus niets te maken heb met verschijn­selen als tijd. Tijd is wel een verschijnsel dat in uw wereld domi­neert, maar in de werkelijkheid kan het hoogstens als duur worden uitgedrukt. En daar duur altijd een gesloten keten vormt, is alles eigenlijk oneindig. De energie is nl. oneindig. De vormen, waarin ze optreedt, zijn op zich vergankelijk, maar gaan onmiddellijk over in andere vormen.

Een besef hiervan maakt het weer duidelijk dat wij tijd dus als een beheersbare factor kunnen gaan beschouwen. Tijd kan beheerst worden op het ogenblik dat het eigen besef niet meer aan tijd ge­bonden is, maar slechts aan een werking (vormwerking) of een positief/negatief-verhouding. In al deze gevallen wordt het persoonlijk tijdsbesef uitgeschakeld en … nu ga ik iets zeggen wat misschien voor sommigen schokkend is …daarmede ook een groot aantal van de effecten die voor de mens de tijd zo gemakkelijk doen registreren, nl. slijtage, ouderdom, enz. Een mens die ik dus breng in een toe­stand van tijdloos bewustzijn, zal in die periode ook niet verouderen. Dat is natuurlijk ketterij t.a.v. het materiële, maar het is toch waar.

Als tijd beheersbaar is, dan blijft alleen nog over de vraag over ruimte. Nu is ruimte iets, wat we niet helemaal kunnen definiëren. Is het een idee? Is het een werkelijkheid? Het is in ieder geval iets wat onbegrensd is. Het is iets wat vanuit ons standpunt terugkeert tot zichzelf, evenals duur. En dat toch gelijktijdig een zo groot aan­tal mogelijkheden omvat dat wij het als een kosmos of wereld beschou­wen. Wanneer dus tijd of duur niet reëel is, behalve wanneer wij het op een enkele vorm bepalen, zouden wij kunnen zeggen: ruimte is al­leen dan reëel, wanneer ik een aantal differenties maak (dus ver­schillen constateer) tussen mijzelf en anderen, welke een ruimtelijke relatie van node hebben.

Wanneer ik ruimte moet beseffen, dan moet er dus iets zijn, waarmee ik die ruimte kan meten. Als ik helemaal in het ledig zit, is er eigenlijk geen ruimte. Want er is niets, waarmee ik het bepalen kan. Maar wanneer ik één paaltje neerzet op 10 meter van mij af, dan heb ik een ruimtelijke relatie geschapen en dan wordt daardoor mijn ruimte ook verder – zeg maar perspectivisch – bepaald.

Dan kunt u zich dus voorstellen dat die ruimte voor ons precies hetzelfde is. Naarmate ik meer ken, is er meer ruimte. Naarmate ik minder ken, is er minder ruimte. En daaruit volgt dat ruimte eigenlijk ook niet reëel is, althans niet reëel vanuit ons standpunt. Dan moet ruimte beheersbaar zijn.

Daar afstandverhoudingen door erkenning tot stand komen, zal een vereenvoudiging van een aantal geconstateerde waarden in ruim­te voeren tot een vermindering van afstand tussen mij en het nog geconstateerde. Wanneer ik dat ene paaltje heb staan, kan dat 100 km ver weg staan en 10 km. Maar wanneer het perspectivisch effect wegvalt, is dat paaltje altijd zover weg dat ik er net naar kan reiken. Pas wanneer ik een tweede paaltje neerzet op een ander punt, dichterbij of verder weg, ontstaat een verhouding, waardoor het ene paaltje wel en het andere niet te grijpen is.

Wanneer ik in mijn gedachten dus zou uitgaan van een standpunt: er is niets buiten mijzelf en dit andere (en dat moet dan een omschre­ven punt zijn, een omschreven voorstelling), dan is er tussen dat andere en mijzelf de afstand van “reiken”. Ik kan alles bereiken. Op het ogenblik echter dat ik meer factoren introduceer, wordt de bereikbaarheid minder. Ze kan nooit groter worden, ze kan al­leen minder worden. Want projecteer ik die andere dingen verder weg, dan ontstaat toch nog een groter afstandsbesef en zal het mij misschien moeilijker vallen te grijpen. Stel ik één ding dichterbij, dan is het andere ineens buiten bereik.

In de werkelijkheid is zowel ruimte als tijd iets wat ik kan beheersen, wanneer ik mijn afhankelijkheid van bepaalde dingen ver­minder. Voor ruimte is dat dus de veelheid van stellingen of con­stateringen (de ruimtelijke indeling). En in tijd blijkt dat vooral de vormgebondenheid te zijn

Dat is interessant. Want nu wordt het duidelijk, hoe iemand die in een hogere sfeer is, op aarde kan komen en daar weer de heb­belijkheden kan vertonen die hij in een aardse vorm heeft gehad. Voor die mens is er geen tijd verloren, maar de persoonlijkheid neemt én vorm in de totale duur tijdelijk over en verlaat daarvoor een andere vorm. Hij kan naar boven gaan, hij kan naar beneden gaan. De vorm die gekozen wordt is dus alleen de uiting van die persoon­lijkheid, maar is niet de persoonlijkheid zelf.

Alle incarnaties die u ooit gehad hebt, zouden bij een derge­lijk besef door u onmiddellijk en volledig geuit kunnen worden met alle details ervan. Maar uw eigen persoonlijkheid, zoals die thans volgens uw besef bestaat, kunt u daarbij niet tenietdoen. U kunt uw persoonlijkheid niet veranderen, wel de vorm waarin ze zich uit.

Als ruimte en tijd beide variabelen zijn, is elke bepaling van mijn wezen in ruimte en tijd een fictie. En dan kan ik dus alleen door de juiste instelling van mijn persoonlijkheid elke verhouding ruimte/tijd wijzigen. Is dat mogelijk, dan volgt hieruit verder dat elk willekeurig punt van mijn totale wezen op elk ogenblik bereik­baar is en daarmee elke daarin denkbare relatie met de rest van het Al. Ik ben niet meer beperkt in mijn besef bij mijn relatie met het hogere – mijn erkenning misschien ook van het lagere – van wat er nu is. Ik ben slechts afhankelijk van hetgeen ik ben.

En nu het laatste punt: de moeilijkheid van de zelfkennis.

Zolang ik mijzelf beperkt omschrijf, zoals een mens dat doet, bind ik mijzelf aan een beperking. Dat blijkt uit het voorgaande. Dan volgt hieruit, dat de ik‑voorstelling plaats moet maken voor een wederom enigszins gevoelsmatige ik‑beleving. Het bestaan kan ervaren worden zonder dat wij daar een voorstelling of vorm aan gaan verbinden. En daar een mens niet alle vorm verloochenen kan, kan hij wel een zodanige veelheid van vorm en van mogelijkheid voor het ik aanvaarden, dat daarmee voor hem de beperktheid in tijd en ruimte van eigen wezen grotendeels teloor gaat. Dan wil ik daaraan nog deze conclusie verbinden:

Wanneer u de nadruk legt op wat u nu bent, de problemen die u nu hebt etc., kunt u de potentie van uw werkelijke ik niet reali­seren. Laat dus elke omschrijving van het ik in een bepaalde vorm eenvoudig weg. Stel u desnoods voor wat u in alle incarnaties ge­weest kunt zijn, zonder u erin te verdiepen wat dat allemaal bete­kent. Eenvoudig opsommen: al die vormen ben ik. Hoe meer u dat doet, hoe vager de vormverbinding met het ik wordt.

Het eindresultaat is dat u dus sterker aanvoelt wat u wérkelijk bent. En in dit aanvoelen van het werkelijk ik, de kracht die u bent – en dat is positieve kracht, dat is nu eenmaal onze kringloop – daarin kunt u dus die positieve kracht niet alleen aanvoelen, maar u bent nu ook gemakkelijker in staat om a.h.w. de verhouding tussen de gaatjes in de klei te veranderen naar believen. Want zodra ik mij losmaak van de vorm op zichzelf, is elke vormgeving die alleen op verhouding berust gemakkelijk geworden. Ze wordt pas moeilijk, wan­neer ik haar in een bepaalde vorm tot stand wil brengen.

Voor het ego dat de werkelijkheid wil beseffen, is het dus wel heel erg belangrijk dat het in staat is zichzelf a.h.w. een beetje los te denken van één bepaalde vorm, één bepaald lichaam, één bepaald bestaan. Dat houdt in dat je heel sterk op jezelf bent aangewezen.

De mensen menen dan dat je je ook los moet gaan denken van elke relatie met medemensen. Dat is maar tot op zekere hoogte waar. U hebt nl. een oneindig aantal relaties a.h.w. in uw duur. Ik wil niet spotten, maar stel u nu eens voor dat u 10.000 incarnaties hebt gehad. En in die 10.000 incarnaties bent u toch zeker op z’n minst 9.000 maal getrouwd geweest. Begrijpt u wat ik bedoel?

U moet dus loskomen van de idee dat dit alleen het is. Het gaat niet om de persoonlijkheid. Want al die verbindingen, die op één deel van die duur betrekking hebben, hebben ook betrekking op de totale duur. Ze zijn er ergens deel van en komen ook in het ge­heel wel degelijk tot uitdrukking.

Dan kan ik dus een ongelimiteerd aantal contacten aanvaarden, geestelijk en anderszins. En dat is vooral geestelijk van heel groot belang, omdat – wanneer ik aanneem dat geestelijk elk contact aan­vaardbaar en mogelijk is – ik weer een limiet heb afgeschaft. Ik heb dus een begrenzing, een hiaat bij mijzelf, verwezen naar de plaats waar hij behoort (plaats hier overdrachtelijk), nl. de buitenkant, buiten mij. Buiten mij is misschien een onoverspringbaar hiaat, maar in mij is alles mogelijk.

Door dit nu te doen, heb ik niet alleen magische mogelijkheden te over, want u beheerst veel beter de gewenste verdeling van posi­tief en negatief. Maar u hebt ook nog iets anders. U hebt dus ook uw ruimtelijke vrijheid herwonnen. U kunt nu putten uit het werkelijke ik. En dat kan niet in menselijke gedachten. Dat weet ik wel. Maar de menselijke gedachte kan vorm geven aan elke impuls van het totale ik. En zo is het mogelijk elke willekeurige waarde of beleving uit het verleden te activeren en – in de beperking van uw middelen in de wereld – tot uitdrukking te brengen.

De beperking van uw middelen in de wereld is zeker – voor zo­ver het geestelijke krachten betreft – weer hoofdzakelijk gebaseerd op negatief of positief. Negatief: het kan niet of ik kan niet. Po­sitief: het kan wel, ik kan wel. Door deze positieve benadering ontstaan intuïtieve en niet geheel rationeel uit te drukken reac­ties. Deze reacties zijn juist de feiten en geven ons de juiste krachten en de juiste verhouding met onze eigen wereld.  Ik ge­loof dat ik het daar voorlopig bij mag laten.

Wij weten nu dat wij in ruimte en tijd eigenlijk niet beperkt zijn en dat we die beperkingen zelf scheppen. Waarom zouden wij dan bij het zoeken naar innerlijke waarheid, beperkingen scheppen? Waarom zouden wij in ons zoeken naar buiten toe, beperkingen scheppen? Dat is eigenlijk overbodig.

De beperkingen die wij hanteren zijn waarden die nodig zijn om in onze wereld met anderen op een bepaalde wijze te kunnen bestaan. Het is de wijze van bestaan die bepaalt welke beperkingen er zijn. Is die wijze van bestaan voor mij niet aanvaardbaar, dan moet ik mijn relatie met de totaliteit eenvoudig veranderen. En dan ontstaan er waarschijnlijk wel andere beperkingen, maar de oude bestaan niet meer.

En dit eigenaardige spel, dit wisselen a.h.w. van mogelijkheden van relaties, betekent voor jezelf dat je al die negativiteit, waar­mee een mens zo vaak te worstelen heeft, eigenlijk kunt gaan uitscha­kelen. Ze is er wel, maar ze betekent niets meer. Ze is hoogstens voor ons nog een achtergrond, waartegen de dingen enigszins relief krijgen. Het is de ledige ruimte, waardoor een bepaald beeld eigen­lijk pas goed uitkomt.

Op die manier het leven zien betekent: in jezelf tot een hoger bewustzijn komen, ook al kun je het niet helemaal uitdrukken. Het betekent magisch gezien: het vermogen krijgen om je eigen wereld veel sterker te beïnvloeden dan voorheen. En daarnaast – en dat heb ik niet aangesneden hierbij, maar ik zal het toch even noemen: de mogelijkheid om de eigen kracht zodanig harmonisch te zien met de totale kracht, dat elke werking – mits begonnen door eigen kracht – gezien kan worden als een werking van de totale kracht. En dat wordt dan voor het ik waar.

Werkelijkheid

U hebt zo aan het begin van de avond een klein discours gehad over de werkelijkheid. Daarover wil ik ook graag een paar dingen zeggen.

Werkelijkheid is datgene wat je gelooft. Want de dingen die wij zeker denken te weten, zijn onze beperkingen. De dingen die wij geloven zijn onze wegen naar de oneindigheid.

Een mens zal altijd proberende hogere krachten zover te krij­gen dat ze zich manifesteren. Hij probeert het wonder tot stand te brengen. Maar daarbij probeert hij ook het oneindige a.h.w. te behandelen als een stekelbaarsje dat je in een jampotje vangt. En dat is nu juist de fout die wij maken. De werkelijkheid is iets dat wij nooit kunnen bevatten en waarmee we niet kunnen werken. En misschien is het dom gedacht van een man als ik om te zeggen: Als ik er toch niets mee kan doen, waar maak ik me dan druk over? Laat ik me bezighouden met de dingen, waarmee ik wel iets kan doen.

Ik weet dat er ergens een grote God is. Daar geloof ik in. Maar hoe Hij eruitziet, ach, dat kan toch niemand zeggen. Waarom zal ik dan zoeken naar een portret?

Ik kan zeggen dat ik geloof in alle engelen. Er zullen er zijn, maar ik zie ze nooit. Wat heb ik aan die engelen? Pas wanneer ze komen, hebben ze betekenis voor mij. Wanneer ze in mijn kleine wereld­je zijn gekomen. En dan mag ik toegeven dat de wereld, waarin ik leef, niet de werkelijkheid is. Maar aan de andere kant zal ik ook moeten toegeven dat ik eerst moet werken met de dingen die ik heb en waarmee ik werken kan, voordat ik verder kan gaan. Hier ligt ei­genlijk voor mij het grote probleem van de werkelijkheid.

Een mens heeft een leven dat gevormd wordt door alle dingen, waarin hij gelooft. En hij zoekt naar de sleutels, waarmee hij dan die kooi van mogelijkheden waarin hij opgesloten zit, dat onontkoombare noodlot, dat goddelijk raadsbesluit, ergens ongedaan kan maken. Maar je moet er ook over nadenken of de mens wel rijp is om uit zijn kooi­tje te ontsnappen. De meeste mensen die aan geestelijk werk doen, willen weleens wat meemaken. Geef ze ongelijk met alle moeite die ze doen. Maar de vraag is alleen: zou het goed zijn, zou het bruik­baar zijn?

Stel dat u ineens helderziend wordt, zo maar ineens. Wat zou u ermee doen? Zeker, de dingen die u ziet zijn deel van een werke­lijkheid, maar weet u waar ze thuishoren? Weet u precies wat de beelden zijn, die u ziet? Of ze schillen zijn, bestuurd vanuit het duister, zoals dat heet; halve demonen? Of dat het lichtende figuren zijn? Weet u wat de droom is van uw buurman? En het product van de één of andere fantast? En wat waar is? U weet het niet. En zo­lang u geen onderscheid kunt maken is het gevaarlijk.

Het is net als met paddenstoelen eten. Als je ze kent, is het een uitstekend gerecht. Maar je behoeft je maar één keer te vergissen en je hebt kramp, als het niet erger wordt.

Zo is het met de werkelijkheid waarin we leven. De werkelijk­heid kan pas gehanteerd worden, wanneer wij rijp genoeg zijn om ons met bepaalde delen daarvan bezig te houden. En als we uitgaan van hetgeen we nu hebben, dan mogen we wel zeggen: we willen er meer bij. Maar wat we meer willen hebben, is heel vaak iets wat wij niet aankunnen. Het grote gevaar dat in de werkelijkheid schuilt, is dat wij onze eigen mogelijkheden beseffen, eer wij in staat zijn ze te hanteren. Het klinkt erg zwartgallig. Maar wat moet je ermee doen?

Ik heb mensen gezien, heel goede begaafde mensen, die probeer­den anderen te genezen. Ik heb een geval meegemaakt vanuit de geest, ongeveer een 40 jaar terug. Het was in een klein plaatsje in Duits­land. Die man wilde iedereen helpen en genezen, zoals Jezus deed en andere grote genezers hebben gedaan. En hij kon genezen. Hij had zich dat gerealiseerd, maar hij wist niet waar hij moest ophouden. Het hele dorp was in oproer. Iedereen wou genezen worden en hij kon niet ie­dereen gelijktijdig genezen. Maar als hij de één genas en de ander niet, dan werden ze nijdig op hem. Wat is er gebeurd? Ze hebben die goeie man verschillende keren doodgewoon opgebracht. En hij is weggevlucht. Hij heeft niet meer gesproken over wat hij kon en wat hij niet kon, om­dat hij eenvoudig niet in staat was de gave die hij had, op de juis­te manier te gebruiken.

Nu zegt u: Moet er een gastspreker komen om dit allemaal te vertellen? Maar gastspreker zijn betekent nog niet dat je blind bent voor de eenvoudige dingen. Hooggeestelijk praten, lieve mensen, is heel erg gemakkelijk. Er zijn mensen die met u kunnen praten over de problemen van de wereld, totdat het lijkt of ze in een handom­draai alle problemen kunnen oplossen. Maar zeg eens tegen hen: schil eens een kilo aardappels, dan snijden ze zich in hun vingers.

Dan zou ik zeggen: Voor je aan de problemen van de wereld be­gint, moet je beginnen aan jezelf. Beginnen bij het begin. Niet zeggen: Die grote werkelijkheid is er en nu ga ik er alles mee doen. Maar eerst eens gaan vragen: Wat ben ik vandaag nu eigenlijk volgens mijn eigen werkelijkheid?  Wat kan ik aan? Wat kan ik dragen? Wat wil ik dragen in de wereld? Want dat is ook belangrijk. Het is gemakke­lijk om voor heilige te spelen, als er toch geen kans is om te zon­digen. Maar voor heilige spelen, terwijl er een kans is dat de zonde naderbij komt, kijk uit lieve mensen: voor je het weet ben je een ge­vallen heilige. Zo is het.

U zit hier, u bent allemaal gewone mensen, ieder met zijn eigen probleempjes. De één zal een beetje van dit willen, de ander van dat. U wilt allemaal meer zijn dan u nu bent, nietwaar? Anders zou u niet hier zijn. Luister nu naar een raad van iemand, die het heus weten kan: Probeer nooit meer te zijn dan je kunt zijn. Probeer niet als een dreumes AOW te trekken. Dat wordt toch niet uitbetaald. Probeer niet als een geestelijke dreumes je te gedragen als een bewuste van de hoogste graad, want dat gaat niet. Groei langzaam.

Ze zeggen dat elke mens zijn inwijdingen krijgt. U zou beter kun­nen zeggen dat elke mens op zijn tijd de kans krijgt te bewijzen dat hij iets meer van de werkelijkheid begrijpt dan een ander. En dan niet dan “een ander”, maar dan “alle anderen” misschien wel. Dat hij los kan komen uit de uiterlijkheden van de wereld en dat hij voor zich­zelf en zijn bestaan wat nieuws kan vinden, waardoor hij beter kan werken met die wereld, waardoor hij meer kan doen met die wereld. En als je dat eenmaal hebt, dan is het niet de vraag: hoe ga ik verder? Maar: hoe kan ik gebruik maken van wat ik heb?

Het is aardig om te zeggen, dat je dan je goede daden maar op interest moet zetten. Maar de bank die uitbetaalt heeft een conto-sperring, die duurt tot je aan de andere kant bent. En u zou graag hier resultaat willen zien, nietwaar? Dan moet u niet beginnen met de zaak op rente te zetten. Dan moet u beginnen te werken met wat u bent en wat u beseft. En elke keer wanneer er iets nieuws op je afkomt, wanneer je een nieuw begrip krijgt, wanneer je wat gaat zien, wanneer je wat gaat horen, wanneer je wat gaat dromen, wanneer je merkt dat je een beetje meer kracht in je handen hebt, of dat de hersens misschien een klein beetje anders gaan werken, dan moet je zeggen: wat kan ik ermee doen, zonder dat ik mijzelf in de vingers snijd. Wat kan ik ermee doen zonder dat ik nu ineens voor problemen kom te staan die ik niet aankan.

Het hele proces dat ze bewustwording noemen, zeker, dat is in tijd en ruimte onbelangrijk. Maar voor u is het belangrijk op dit ogen­blik. En hoe kan de totaliteit van uw wezen, die hele rij van ver­schillende figuren die u geweest bent en zult zijn, hoe kan die ge­lukkig worden, wanneer u elke keer weer begint met te ver te grijpen en weer een ongeluk te scheppen? Harmonie krijgen met je leven, is werken met wat je hebt. En wie wil werken met wat hij heeft, die krijgt er meer bij. Maar wie eisen gaat stellen aan het leven of wie probeert te veel te krijgen, die loopt vast.

Misschien is het allemaal te eenvoudig na al het mooie dat mijn voorganger daarnet heeft gezegd. Maar het is de “essentie”. Dat woord heb ik eerlijk zo van hem meegenomen.

Natuurlijk, lacht u maar. Als een mens aan het hogere denkt en hij kan niet lachen, dansen en zingen, dan is het òf geen mens, òf het is het hogere niet. Het hogere is iets wat je blij maakt, wat je ruimer maakt, wat je vrijer maakt. Als u het hogere zoekt, moet u proberen vrijer, blijer, ruimer te worden. U moet proberen om elke keer als u denkt: “Nu heb ik wat nieuws of een gedachte waarmee ik wat kan doen”, er eenvoudig mee te gaan werken. Niet zeggen: nu word ik ingewijd, of niet ingewijd. Dat krijg je achteraf wel te horen. Het beste examen leg je af, als je denkt dat je niet eens een proef­werk maakt. De grootste wijsheid vind je, als je je niet bezighoudt met de wijsgerigheden maar met de feiten van de dag. En de grootste kracht vind je niet als je sterk wilt zijn, maar als je het gevoel hebt dat je niet anders kan.

En zo is het voor u precies hetzelfde. In uzelf naar waarheid zoeken is goed. Laat het kwaad links liggen, schitterend. Maar als je nu het goede hebt geconstateerd, doe er dan wat mee. Ga niet zeggen: nu moet ik nog meer goede, lichtende dingen ontdekken. Zeg gewoon: ik heb één ding ontdekt, laat ik er vandaag mee werken.

U hebt allemaal als mens een eigen type. Er zijn heel veel verschillende typen. Een vriend van mij, Reb Abraham, heeft er een indeling van gemaakt; 144 ruitjes. Hij kan precies zeggen wat een mens is; je komt er niets verder nee. Het is mooi, maar u bent een mens met een eigen type, niet alleen een temperament. (Soms is tem­perament ook alleen maar de komedie die je tegenover de wereld speelt) Je hebt je begripsvermogen, je hebt je manier van denken, van gevoelen, van handelen, van eten. Al die dingen bij elkaar, dat bent u, nietwaar? U hebt een type. Dat type wil zeggen dat u een bepaalde voorkeur hebt en een bepaalde mogelijkheid.

Ik heb altijd gezegd: Het is een grote zot die van bonen houdt en daarom aardappelen gaat eten. Het is een dwaas die heel goed kan handelen en gaat metselen. En het is een idioot die schitterend houtdraaiwerk maakt en zegt: mijnheer, ik wil een boek gaan schrijven. U hebt allemaal iets wat u het beste doet, geestelijk zowel als- ma­terieel. Begin daarmee. De proeven die je aflegt slagen het beste, als je uitgaat van wat je kunt. Dan heb je het zelfvertrouwen. Dan heb je de mogelijkheid om meer te doen.

Mens, sta jezelf de tijd toe om te groeien. Als u een graankorreltje in de aarde legt, verwacht u dan dat er morgen een roggebroodje staat? Maar u verwacht wel als u een wijsheid hoort dat u morgen ineens een ster van licht zult zijn. Waarom? U hebt de tijd, want tijd is niets. U hebt de tijd om te leven en te werken zoals u wilt, zolang u uzelf maar niet verloochent en probeert uzelf wijs te maken dat u een ander bent. Als een jongetje wil doen alsof hij een meisje is, dan is hij geen jongetje meer, maar een meisje is hij ook net niet.

Zo is het geestelijk met u nu precies eender. U hebt een bepaalde aanleg. Met die aanleg moet u werken. En als u probeert te doen of u die aanleg niet hebt, dan bent u helemaal niets. U hebt een karak­ter, goed. Dat karakter zou misschien beter zijn als u anders was. Dat geef ik toe. Maar u moet werken met wat u hebt. Want als u doet alsof het anders is, dan bent u helemaal niets. Leer eerst iets te zijn zoals je bent. En begrijp dan misschien een klein beetje dat achter al die schijnvertoningen die werkelijkheid ligt. Dan kom je er langzaam, omdat je uitgaat van de dingen, waarin je gelooft, die voor jou waar zijn.

U gaat toch niet tegen uzelf zeggen: “Ik geloof wel dat ik een goed mens ben, maar …” U zegt: “Ik probeer een goed mens te zijn.” Dat geloof je dan, of het waar is of niet. Of u zegt: “Ik ben het niet.” Dan geloof je dat je slecht bent. Je bent niet goed of slecht, maar je gelooft het. En wat je gelooft maak je waar, in je wereld. Daar leef je uit, daar maak je je ervaringen uit, dat zijn je problemen. Die kun je alleen oplossen, wanneer je probeert eerst jezelf te zijn. Dat zijn heel veel woorden voor een heel kleine waarheid. Maar vergis u niet: zo eenvoudig als het klinkt, het is een waar­heid van het hoogste Licht. Het is het zuiverste goud uit de geest dat ik u geven kan. Lach er niet alleen om, naar denk erover na. Want wat heb ik eraan om hier te praten, als u gewoon verdergaat?

de kracht van de totaliteit

Mijn broeder heeft op zijn manier tot u gesproken over de werke­lijkheid en hij heeft geprobeerd u uit het doolhofje van de vele mo­gelijkheden terug te brengen tot het beginpunt dat uw eigen wezen en uw eigen werkelijkheid is. Maar er is meer dan dit in het leven en dat mogen wij – geest en stof – niet vergeten.

Rond ons is eeuwige kracht. Hoe wij die kracht gebruiken, is onze zaak. Dat vloeit voort uit ons bewustzijn. Wij scheppen voor onszelf uit het onbekende de dingen, die wij zelf waar willen hebben. En wij scheppen de tegenstellingen van het leven vaak uit datgene wat wij in onszelf beseffen, maar nog niet tot eenheid kunnen brengen.

De kracht die er is en die ik gebruiken kan, moet ik op mijn manier gebruiken. Die kracht kan mij nooit verlaten, omdat ik zelf een deel ben van die kracht. En ze kan uit mij werken, omdat ik – in die kracht werkende – mijn besef kan overdragen aan al die kracht zonder meer. Er zijn geen beperkingen aan datgene wat wij in de eeu­wige kracht zelf tot stand kunnen brengen. En er zijn ook geen beper­kingen aan datgene wat deze eeuwige kracht voor ons betekenen kan.

Een begrip van werkelijk bestaan, de kennis van het ware ik, is moeilijk te bereiken. Maar de kracht die als werkelijkheid in en rond en vanuit ons voortdurend bestaat, die kunnen wij niet zo gemakkelijk terzijde schuiven en die kunnen wij zeker niet misvormen. Wij kunnen met die kracht werken, zelfs wanneer wij haar niet volgens haar wer­kelijke wezen erkennen. En dit nu lijkt mij het punt waarop deze avond gewezen moet worden.

Indien ik de waarheid zoek, moet ik de kracht erkennen. Niet de uitingen waarin de kracht zich kan tonen; de kracht zelf. Leven is kenbaar door processen. Maar leven zelf is in feite een toestand die moeilijk te omschrijven is, maar die tot uiting komt. Wil ik we­ten wat leven is, dan moet ik dus het besef, de vibratie van het bestaan nagaan en niet de verschijnselen, een oogopslag, een hand­beweging, een ademhaling. Op dezelfde wijze moet ik trachten het innerlijk bestaan te beseffen. Niet krachtens de vormen waarin het optreedt of kan optreden, maar krachtens datgene, wat het is.

Ik ben deel van een levende kracht. Erken ik die kracht in mij­zelf anders dan met begrippen? Voel ik die kracht? Ik besta toch? Wat is mijn leven? Dat is de manier waarop je de werkelijkheid ook nader kunt komen. Het is misschien belangrijk voor ons dat we vorm geven aan de kracht en aan onszelf. Geen van ons kan leven zonder zijn eigen wereld. Zelfs in de sferen is er de noodzaak een zekere uitdrukking te vinden voor het ik en een uitwisseling met anderen in een zekere formulering. Daaraan ontkom je niet. Maar je kunt ont­komen aan het denkbeeld dat die beperkingen belangrijk zijn. Niet wat ik uit, maar wat ik ben is belangrijk. Niet wat rond mij tot stand komt in zijn vergankelijkheid, maar wat ik ben in mijn onvergankelijk­heid is belangrijk. De krachten van de geest die rond en in u wer­ken, zijn tenslotte kleine delen van die eeuwige kracht, mengdelen van een atmosfeer van leven. Die geest is belangrijk voor u als ver­schijnsel, maar de levende kracht die achter hem schuilt en die ook in u bestaat, is het belangrijkste. Want daarin kunt u die andere vorm erkennen. En wanneer u van dit, uw eigen leven uitgaat, kunt u in die andere vorm spreken, kunt u leven en doordringen zelfs in die geest, of zij nu licht, duister of verward is.

Er zijn geen beperkingen geschapen buiten de beperkingen, die men zichzelf schept, zo is u geleerd. Ik zeg u dat deze beperkin­gen worden geschapen door onze poging altijd weer onze eigen wereld te zien als het beeld, waaruit al het andere moet voortvloeien. Als u denkt over het leven op andere planeten, denkt u eraan als een soort afleiding van menselijke, althans aardse vormen. U kunt mis­schien niet anders. Maar is het dan niet belangrijker na te denken over besef, ongeacht de vorm? U hebt besef. Dat besef kan zich rich­ten op de kracht. Die kracht kan in uzelf erkend en aangevoeld wor­den, kan vanuit uzelf weerkaatsen naar alle dingen die u beseft. Niet in hun uiterlijk, maar in hun wezen. Wat wij veranderen in het wezen der dingen is het antwoord dat wij vinden op de oneindigheid, is de werkelijkheid die geschapen wordt buiten wereld en sfeer.

U bent in staat om die dingen te doen. Zeg niet dat u zwak bent of te dom of te eenvoudig. Zeg niet dat het te moeilijk is voor een mens om deze dingen na te streven, want u wéét het in uzelf, u vóélt het in uzelf. En dat is belangrijker dan wat u zegt en beredeneert. Wanneer u vanuit uw gevoelswereld werkt en daarbij dan desnoods de stoffelijke emoties voorlopig insluit, komt u verder dan wanneer u probeert alles mooi te beredeneren en uit te drukken. De wereld is deel van het eeuwige licht. Het eeuwige licht is de kracht waaruit u leeft en die vanuit u in alle leven werken kan. Als u weet los te komen van uw gevoel van beperktheid in dit opzicht alleen, dan is er haast niets meer voor u onmogelijk.

Misschien slaagt u daarin niet. Maar wanneer ik u zeg dat er hier op dit moment licht is, dan is dat licht er. Het is er altijd, maar wanneer ik het zeg, wordt het kenbaar voor mij. En wanneer u met mij in harmonie bent, wordt het kenbaar voor u. Dan wordt het misschien een witte, sidderende deken van licht, omdat u het zo in­terpreteert, maar het is in wezen alleen maar kracht die voor een ogenblik manifest is. Kracht die alles kan zijn. Kracht die adders en slangen kan voortbrengen of engelen. Die de schoonheid van bloe­men kan scheppen of de dorheid van een woestijn. Want alles is de­zelfde kracht.

Wat vormt u van de kracht die in u leeft? Licht? Misschien. Maar het licht dat u scheppen moet, kan niet alleen maar onzicht­baar buiten u bestaan. Het moet een werking zijn die voor u bestaat, die voor u leeft. Dan moet u die kracht eerst in uzelf weten. En wanneer u die kracht in uzelf weet, kunt u daarmee misschien iets doen. Maar wanneer u onevenwichtig bent en niet in uzelf gelooft of vertrouwt, wanneer u complexen hebt en problemen en hoe dat ver­der heet, dan wordt u zelf ziek, terwijl u met uw krachten een ander geneest. Dan is uw eigen geest gespleten en geobsedeerd, terwijl ge anderen kunt bevrijden. Daarom moet ge ook op uzelf achten.

Ik roep niet uit: geneesheer, genees uzelf. Maar ik zeg u wel: Hij die anderen wil genezen moet ook beseffen dat die kracht in hem bestaat. Hij moet beseffen dat die kracht vorm heeft, dat die kracht evenwicht heeft. Hij moet beseffen dat als hij onevenwichtig is, er ergens een evenwicht bestaat, waarop hij zich beroepen kan. Dat is de manier om te leven met die eeuwige kracht rond je. Dat is de ma­nier om uit de beperkingen van je eigen bestaan langzaam uit te groeien naar althans een doorvoelen en leven vanuit de grote wer­kelijkheid die je bent.

Laten de schimmenreeksen uit het verleden herleven of verbleken. Het is onbelangrijk. Laat de toekomst helder en klaar staan uitgete­kend in alle kleuren, of slechts een vage nevel zijn, waarachter alles zich nog verbergt, dat is onbelangrijk. Maar weet dat gijzelf zijt en deel zijt van die kracht. Dat is belangrijk. Weet dat deze kracht, zoals gij ze beseft, in en rond u aanwezig is. Besef dat uw woorden vaak zinloos zijn, maar dat de kracht – zo gij ze gevoelt – werkzaam zal zijn in u, vanuit u en rond u.

Uw werkelijkheid is datgene, wat ge zijt. De kracht is er deel van. En deze kracht is voor u het meest kenbare van hetgeen ge waar­lijk zijt. Laat dan deze kracht u spreken van de werkelijkheid.

Ik heb u gezegd: het is licht. En er was licht voor mij. Ik kan u zeggen: het is duister. En het is duister. Dit is van geen belang, want het licht blijft. Ik moet alleen datgene wekken in de wereld wat belangrijk is als licht. Datgene wekken in mijn geest wat belang­rijk is als licht. Want daar, waar de trilling van mijn gedachten, mijn willen uitgaat, daar schep ik niet, maar daar wek ik uit het niet-geopenbaarde de openbaring van één van vele mogelijkheden. En in die mogelijkheid vervul ik mijzelf en kom ik nader tot een werkelijkheid, waarin alle dingen bestaan.

Daar mijn goede vriend mij reeds een deel van mijn taak heeft ont­nomen, wil ik u niet te lang bezighouden met juist dit facet van wer­kelijkheid. Ik zeg u slechts nog één ding: Er is licht. Dat licht is aan geen vorm, geen daad, geen handeling gebonden, doch slechts aan uw besef. Durft ge het licht beseffen? Maak u dan los uit uw denkbeel­den aan kleinheid en beperktheid. Het is niet belangrijk of ge groot of klein zijt in de totaliteit. Belangrijk is dat ge het licht kunt wekken tot leven. Belangrijk is dat ge het licht wekt tot leven. Be­langrijk is dat ge kracht wekt tot kracht. En dit kunt ge.

Wees dan in uzelf en in uw wereld zo goed ge kunt: dragers van licht en wekkers van licht; dragers van kracht en verbreiders van kracht. Ken in uzelf de vervulling van degene die wekken mag wat sluimert: het lichtende, dat is de kracht van de totaliteit.