De kern van het egoïsme

Als men het woord egoïsme hoort, dan denkt iedereen aan iets dat heel erg lelijk is, een verwerpelijke eigenschap, waaraan helaas – zo zegt men dan ‑ vele menen laboreren. Maar als wij nagaan hoe de mens is gebouwd, wat zijn psychische instelling is, wat zijn erfelijke achtergronden zijn, dan komt er wel iets anders naar voren. Daarmee wil ik u in de eerste plaats confronteren: het gewone egoïsme van een mens.

De mens leeft ‑ of hij wil of niet ‑ in meer of mindere mate egocentrisch. Dit is een gevolg van zijn opvoeding maar evengoed van zijn bestaan, want als mens zie je de dingen alleen in relatie tot jezelf. Het is heel erg moeilijk om tot abstractie te komen en het idee los te laten je te zien als het middelpunt van het heelal. Maar als ik egocentrisch leef en denk en waarneem, dan is het ook heel logisch dat ik mijzelf als middelpunt hoger aanslag dan de rest. Zolang het mijzelf niet betreft, kan ik heel erg altruïstisch zijn, natuurlijk, want dat is een spel tussen machten buiten mij. Daar kan ik mij hoogstens laten gelden. Die drang je te laten gelden is dan ook de meeste mensen wel ingebouwd. Maar op het ogenblik, dat het “ik” in een relatie komt die voor het “ik” ongunstig is en de buitenwereld dat “ik” dreigt te domineren, dan moet het een uitweg zoeken. Het doet dit over het algemeen door alles alleen vanuit zichzelf te bezien en te berekenen. Je zou kunnen zeggen.

Persoonlijk egoïsme is een vorm van denken en handelen gebaseerd op de egocentrische beschouwing van de doorsnee‑mens, waardoor alles alleen in relatie tot het eigen “ik” wordt beoordeeld en ten voordele van het “ik” wordt gebruikt. Dan moeten wij ons afvragen, of het egoïsme ook elders voorkomt. Het blijkt dan, dat elke groep een groepsegoïsme kent. De vorm waarin dat optreedt, kennen wij nog zo’n beetje uit het verleden. Als in een dorp iemand uit een ander dorp kwam vrijen, dan werd hij door alle beschikbare vrijers van het dorp in kwestie ‑ met geweld desnoods ‑,het dorp uitgewerkt. Dan zeg je: Dat is een beetje dwaas. In uw wereld lijkt dat misschien dwaas, omdat u althans in dat opzicht dit groepsegoïsme niet zo sterk meer ziet. Maar wat betekent dat eigenlijk?

Wij zijn een gemeenschap. Deze gemeenschap en de belangen daarin zijn belangrijk; alles wat er buiten ligt is van minder belang. Dat is alleen van belang voor zover het ons van nut kan zijn. Als wij deze dorpsmentaliteit beschouwen, dan bent u geneigd de schouders op te halen en te zeggen; Ach, maar deze vorm van egoïsme …. Onze groep is de enige die telt, dat andere zien wij toch niet meer. Misschien niet. Maar als ik denk aan het optreden van bepaalde vak­bonden (heus niet alleen in uw eigen land), als ik denk aan de ma­nier waarop bepaalde instanties manoeuvreren, dan krijg ik toch wel het gevoel dat dit groepsegoïsme overal bestaat. Overal waar een groep mensen gemeenschappelijke belangen heeft, waardoor deze groep zichzelf in stand houdt of waaraan zij volgens haar denken haar be­langrijkheid ontleent, is zij geneigd egoïstisch te denken en alles alleen te beschouwen vanuit het standpunt: wat kan het mij baten.

Zo kennen wij ook een nationaal‑egoïsme. Dit nationaal-egoïsme is over het algemeen eveneens weer vermomd achter mooie idealen. Wij kunnen ‑ zo roept men uit ‑ ons land toch niet minderwaardig maken in de gemeenschap der volkeren! Waarbij zij vergeten, dat de gemeenschap der volkeren de grootste rem is op de gemeenschap der mensen.

Het land heeft natuurlijk een samenhang. Er is een taalgemeenschap. Er is een economische opzet die langzaam is gegroeid. Men heeft eigen gebruiken, misschien zelfs eigen kleding, eigen woongewoonten en al wat dies meer zij. Nu gaat men zeggen: Wat wij hebben is goed en wat die ander heeft is niet goed. Omdat wat ik heb goed moet zijn, zal alles wat datgene wat ik ben aantast gevaarlijk zijn; dat is iets wat ik mag bestrijden.

Bij een geloof is dat weer precies hetzelfde. Al heel veel jaren is een grote christelijke kerk bezig te proberen weer tot een oecumene samenleving met andere christelijke kerken te komen. Het vreemde is dat deze mensen dat oprecht menen. Maar zij hebben het gevoel: wij hebben de juiste leer. Zij zeggen: Ach, zij behoeven toch niet veel te doen. Als ze alleen de Paus maar aanvaarden, dan is het allemaal voor elkaar. Die mensen zijn eenvoudig blind voor de anderen. Want: ons bestaan, onze waarheid is onaantastbaar en al het andere moeten wij ‑ hoe dan ook ‑ manipuleren of gebruiken met alle mooie leuzen eromheen om eerst zelf sterker en zekerder te worden. Nationaal‑kerkelijk‑ en groeps-egoïsme overal.

Bovendien is de mens ook nog egoïstisch als ras. De mens zegt niet: Wij moeten de ecologie van de aarde zo goed mogelijk in stand houden. Hij vraagt zich af; Hoe kan ik alles wat er op de wereld leeft zo goed mogelijk exploiteren? En is het niet te exploiteren, dan roei ik het uit, want dan heb ik er niets aan. Deze vorm van egoïsme is voor een groot deel aansprakelijk voor de milieuproblemen van uw tijd. Een egoïsme dat bv. zegt; Het interesseert mij eigenlijk niet, of de mensen in een mooi en prettig huisje wonen. Het gaat mij erom dat ik de grond zo goed mogelijk gebruik. Dan moeten zij maar wonen in grote kazernes. Het kan mij niet schelen, maar dan is het pas reëel, dan heb ik een goede opbrengst. Dat is ook een vorm van egoïsme. Je vraagt je dus niet af: Hoe is de ander? Je vraagt je af. Wat is voor mij het nut?

Ik heb met mijn opsomming geprobeerd duidelijk te maken dat egoïsme niet alleen bij het individu voorkomt, maar ook bij vele groepen en dat het zelfs voert tot oorlogen, tot nationale vooroordelen, tot vervolging van minderheden misschien. Al die feiten zijn te herleiden tot egoïsme. Laten wij ons dan eens afvragen; Wat is de kern van het egoïsme? Want die kern kan m.i. niet alleen maar gelegen zijn in de neiging tot profiteren.  De doorsnee‑mens profiteert niet zo graag als het wel lijkt. De doorsnee‑mens heeft graag belangrijkheid, dat is zeker. Maar er is iets wat hij nog liever heeft: veiligheid. Veiligheid, bescherming tegen anderen. Een mens die alleen staat tegenover een groep is geneigd zich dan maar bij die groep aan te sluiten, mee te huilen met de wolven in het bos. Als een mens aanzien verlangt, dan moet hij de erkenning van de groep hebben. Dus ook zijn verlangen is geheel gericht op de groep die in zijn omgeving, in zijn milieu de grootste rol speelt.

Het klinkt natuurlijk krankzinnig, als je zegt dat iemand om politicus of om priester te worden een tikkeltje egoïst moet zijn, om niet te zeggen een tikkeltje egomaan. Het zou erg oneerlijk lijken, omdat de mensen dat zelf niet zo voelen en niet zo denken. Maar waar ligt de kern? De kern is; ik wil de zekerheid hebben dat ik betekenis heb. Het vastleggen van je woorden, je daden voor het nageslacht is erg belangrijk. Waarom zouden wij dan de mensen, die publiciteit zoeken, die proberen op de een of andere manier anderen te dirigeren op dit punt anders benaderen dan iemand, die een grote misdaad heeft begaan en bereid is die te bekennen, als dat maar in de krant komt. Ook daar speelt weer eenzelfde soort egoïsme een rol. Een egoïsme dat misschien niet als zodanig wordt erkend. Het is de poging om het beeld van jezelf op te leggen aan de wereld. Want zolang de wereld aan mijn beeld gehoorzaamt ‑ zo redeneert men heel diep in het onderbewustzijn ‑ ben ik zeker. Indien de wereld naar mijn beeld en gelijkenis is gevormd, ben ik a.h.w. de God in die wereld; dan heb ik een zekere onaantastbaarheid bereikt. Dat klinkt een beetje vervelend, maar het is waar!

Ook zekerheid en begeren spelen samen een rol in die kern. Maar het is heel moeilijk uit te maken waar de angst ophoudt, en waar het begeren begint. Wij moeten daartoe in de eerste plaats alles ontdoen van zijn rationalisatie. Je kunt natuurlijk zeggen; Ik wil de mensen helpen vanuit mijn ideaal. Als ik dat ideaal niet heb, zal ik dat niet kunnen doen. Een volkomen redelijke verklaring. De doorsnee‑mens heeft een soort ideaal, een droom nodig, omdat hij door die droom wordt gemotiveerd in zijn handelingen. De vraag is alleen: Zou hij zonder die droom anders reageren? Dan blijkt dat hij misschien minder op algemeen vlak (dus t.o.v. een groep of een volk) zal reageren, maar dat zijn gedrag eigenlijk precies hetzelfde zal zijn.

Elk wezen op aarde heeft, de neiging zijn voortbestaan te verzekeren. Een mens heeft, zoals elk levend wezen, de drang zichzelf in stand te houden en te continueren. Bij de dieren ligt de continuïteitsdrang voor een deel in het nageslacht. De mens heeft echter naast zijn zuiver lichamelijke wereld een gedachtewereld opgebouwd, die voor hem althans even belangrijk en soms zelfs belangrijker is dan het stoffelijk bestaan. Zoals overal op de wereld men zichzelf tracht te behouden door zich te verdedigen, door anderen iets af te nemen, door anderen te beheersen, aan te vallen desnoods, zo doet ook de mens. Maar hij, doet dit niet alleen op grond van zijn zuiver stoffelijke noodzaken en behoeften, maar ook op grond van allerlei denkbeelden, die voor hem een tweede en aanvullende realiteit zijn geworden.

De mens is egoïstisch of hij het wil of niet, omdat hij wordt gedreven tot een erkenning van zijn eigen belangrijkheid en deze erkenning ook van de wereld eist. Dat is voor hem belangrijk. Dat is ook de ver­klaring voor het optreden van een Hitler, een Napoleon en voor een mijnheer Pietersen, die elke keer ruzie heeft met zijn vrouw. Dat berust op precies hetzelfde. Het is de verklaring voor het gedrag van de direc­teur, die thuis een beetje onder de plak zit; de pantoffelheld, die zodra hij schoenen aanheeft op kantoor opeens een beul wordt. Ook dit zijn vormen van egoïsme. Egoïsme is niet alleen alles voor een ander wegsnoepen. Het is veel meer nog een ander alleen iets geven, indien je zelf het gevoel hebt er beter van te worden, zelfs al is dat maar het gevoel verdienstelijk te zijn in de ogen van God. En daarmee zijn wij geloof ik aan een punt gekomen dat heel erg belangrijk is, indien wij de wereld en al dat egoïsme dat erin bestaat willen begrijpen.

Een kind is natuurlijk egoïstisch. Het houdt geen rekening met de omgeving, maar eist dat de omgeving rekening houdt met hem. Dank zij de opvoeding (deze steeds zachtaardiger wordende vorm van dressuur) leert het kind op den duur dat er bepaalde dingen zijn, die het niet kan bereiken, die het niet kan doorzetten. En dan is het volkomen bereid een andere weg te zoeken om toch zijn zin te krijgen. Van een kind vindt men dat natuurlijk. Maar neem mij niet kwalijk, wat is het verschil tussen het gedrag van een kind dat erkent “op deze manier gaat het niet, laat mij het langs een omweg proberen” en de man die desnoods een frauduleus failliet maakt? Probeert hij niet precies hetzelfde te doen? Kan ik het zo niet hebben, dan zal ik het zo hebben, maar krijgen zal ik het! En wat is het verschil tussen het optreden van dat kind en het optreden van een staatsman, die idealen verkondigt en ze gelijktijdig verloochent, omdat hij alleen op deze manier zijn eigen belangrijkheid in eigen ogen kan handhaven? Wij moeten reëel blijven. Een feitelijk verschil is er niet. Het verschil ligt in de uitwerking, zeker, maar de basis is precies gelijk. De kern is hetzelfde; de poging jezelf in de wereld te doen gelden, jezelf aan die wereld op te leggen en zo voor jezelf de zekerheid te krijgen, de voldoening van begeerten, het terzijde schuiven van angsten, waardoor je gelukkig zult zijn. Een belangrijke verklaring:

De kern van het egoïsme is gelegen in de voortdurende behoefte gelukkig te zijn. Daar zullen heel veel mensen graag tegenop willen komen. Zij roepen dan uit: Maar ik ben alleen gelukkig, indien ik een ander gelukkig maak! Goed, dan maak je dus die ander gelukkig om zelf gelukkig te zijn. Is dat geen egoïsme?

U kunt heel erg goed zijn voor de arme negertjes of voor de arme mensen ergens anders ‑ al of niet met gebreide kousjes, sokjes, melkpoeder of misschien Philipsproducten. Kortom, u maakt anderen graag gelukkig. Maar waarom doet u dat? Omdat u dan het gevoel heeft; ik kan verder mijn handen wassen in onschuld. Tegen mij kunnen ze geen wrok hebben, want ik heb ook een tientje bijgedragen. Zo beredeneert u het niet, maar zo ligt het.

Zo is het ook als bij u de een of andere sekte aan de deur komt met van die heel belangrijke vragen; “Kent u God?” “Bent u in Lou?” “Bent u bereid te sterven?” Het zijn altijd van die opwekkende onderwerpen, die zij meteen aansnijden. Dan zeg je: Aan één kant bewonder ik de zendingsdrang van die mensen, maar als je even nadenkt, is die zendingsdrang niet zo altruïstisch als ze wel lijkt. Het is weer de poging om jezelf te bevestigen, om door je geloof aan anderen te verkondigen innerlijk een grotere zekerheid te krijgen, niet alleen van een lichtend hiernamaals, maar als het even kan ook nog het gevoel van meerwaardigheid dat je anderen iets kunt zeggen wat zij nog niet weten.

U kunt nu natuurlijk zeggen: Waarde vriend, wat u daar allemaal vertelt, dat is een beetje overdreven. Vele mensen zullen dat gaarne doen. Maar als wij naar de feiten kijken, dan ziet het er heel anders uit. Wij zijn zo goed voor onze dieren en iemand, die goed is voor een dier is toch ook een goed mens! Voelt u ergens de fout in deze verklaring? Het is een egoïstische fout. Kijk, dieren kun je de baas. En als je goed bent voor je dieren, ben je een goed mens, dus dan behoef je voor je medemens niet zoveel te doen. Dat ligt er allemaal in. Ik ben toch goed. Ik behoef niet bang te zijn voor eeuwige krach­ten. Ik behoef niet bang te zijn voor het onbekende. Die spoken die in de nacht stommelen, gaan mij wel voorbij, want ik ben goed. Ik zorg voor mijn hondje en mijn katje. Dat die arme dieren dan vaak uit egoïsme worden doodvertroeteld en vetgevoerd, daar denk ie verder niet aan. Je vraagt je niet af: Wat heeft het dier nodig? Je vraagt je alleen af: Wat heb ik nodig? Al dat soort dingen komen elke keer weer naar voren.

Er zijn mensen, die met een glorieus gebaar zeggen: Ik doe aan witte magie. Ik stort het licht uit over de mensheid. Dat doen zij mis­schien werkelijk. Maar waarom doen zij het? Omdat het hun ergens het ge­voel geeft van een grotere zekerheid, van een verbondenheid met het hogere, omdat het hun de mogelijkheid geeft zich iets boven de wereld te plaatsen. Anders gezegd: de kern is wederom egoïstisch. Het egoïsme is de kern waarom de gehele menselijke samenleving draait, of je het wilt toegeven of niet.

Handel is één van de mooiste uitdrukkingen van egoïsme. Je betaalt zo weinig mogelijk en je neemt zoveel je maar kunt. Vandaar dat zoveel echte handelaren tegenwoordig in het antiek zijn ge­gaan. Dat is altijd prachtig. Als je een tafel verkoopt, kun je nog wat extra guldens rekenen voor de wormgaatjes, omdat daar geen hout meer zit! Dat klinkt een beetje raar, maar is het niet zo?

Is de handel geen egoïsme? Is uw ideale verzekering voor het volk ‑ of dat nu kinderbijslag, AOW, ziekteverzekering. WWA of weet ik wat nog meer ‑ geen egoïsme? Vraag u daar eens af; Is dat een eerlijk idealisme? Is dat werkelijk zo idealistisch als het lijkt? Kijk eens naar degenen, die het organiseren, houden die er een baantje aan over, een zekerheid. Die worden er iets meer beter van. De mensen zeggen; Het is goed voor ons dat wij allemaal daaraan meebetalen, zijn vaak ook dege­nen die zeggen: Daardoor worden wij bevrijd van de aansprakelijkheid die wij anders tegenover een medemens zouden voelen. Het is zelfs dat een medicus uit roeping kan zeggen; Het is maar gelukkig dat er een algemene ziektekostenverzekering is, want anders zou ik wel eens om aan mijn geweten tegemoet te komen patiënten moeten helpen, die het niet kunnen betalen. Hij zal het niet zeggen, maar ergens speelt dat een rol. En daar is weer een belangrijk punt; Het is egoïsme, dat de wereld doet draaien wat de mensen betreft. Moeten wij dan al het egoïsme zien als iets lelijks? Ik meen van niet. Ik meen, dat wij de grote fout maken egoïsme alleen maar te beschouwen in enkele facetten, in enkele extremen.

Het is precies hetzelfde als je naar de wereld kijkt, zij is vol idioten. Maar als er één is, die toevallig idioot is op een manier die de anderen stoort, dan wordt juist die voor idioot en gek verklaard. Die sluiten zij op; de rest laten zij rondlopen. Er is geen sprake van de een is een egoïst en de ander is het niet. Er is sprake van de een is egoïst op een hinderlijke wijze voor de gemeenschap, en de ander is in zijn egoïsme nog net aanvaardbaar. Daar ligt de kern van de zaak. Wij moeten dus het egoïsme helemaal niet beschouwen als iets lelijks. Wij moeten het gewoon zien als de kern van de gehele menselijke samenleving. Pas wanneer de gehele menselijke mentaliteit is veranderd, als de hele mensheid gaat leren dat de zekerheid in jezelf ligt, in een geestelijk leven misschien, in een innerlijk bestaan, zodat het niet meer zo noodzakelijk is om jezelf materieel ten koste van alles in stand te houden en vooral om je te doen gelden, dan kan er misschien een sa­menleving zijn, waarin het egoïsme niet meer de feitelijke motor is. Maar ondanks alle mooie leuzen is dat op het ogenblik ‑ in de praktijk althans ‑ voor bijna de gehele mensheid nog niet het geval. Ik ben bang, dat u mij nu een beetje onsympathiek gaat vinden. Ik ben ook een egoïst, al ben ik een geest. Ik wil ook graag worden erkend als iemand die toch wel goed is, natuurlijk. Alleen, ik heb de erkenning niet meer nodig om mijzelf in stand te houden, om in mijzelf te geloven. Ik heb andere dingen gevonden. En daarom kan ik wat gemakkelijker dan u een verklaring afleggen, die niet overal sympathie zal ontvangen. Maar of ik het nu verworven heb of niet, ik heb hier een heel belangrijk punt aangesneden.

Nu zult u zeggen: In onze samenleving komt er toch erg veel altruïsme voor. Uiterlijk wel. Maar als het werkelijk tot het punt van verhongeren komt, dan zijn ze toch heus wel bereid elkaar de laatste snede brood af te gappen. De mensen zijn erg vriendelijk voor elkaar, natuurlijk. Maar als het erom gaat: jij doodt of ik dood, dan zijn er velen bereid ‑ vooral als daar niet de mogelijkheid is om de erkenning te krijgen voor je altruïsme en je heldenmoed – om dan die ander maar te laten doodgaan.

Het is mij opgevallen, dat een groot gedeelte van de heldendaden, die verricht zijn om anderen te redden (ik zeg niet allemaal, maar een groot gedeelte) werd volbracht in omstandigheden waarbij de daad erkenning vond. Wij zien regelmatig, dat heldenmoed ofwel wordt geboren uit stommiteit (iemand die gewoon niet weet wat er aan de hand is), danwel uit de behoefte om zich een held te tonen in de zekerheid, dat men wordt gadegeslagen. Dat is dan egoïsme, niets an­ders. Je kunt de gehele wereld wel ontluisteren, maar aan de andere kant: waar zouden wij zijn zonder dit egoïsme van zelfbevestiging? Waar zouden wij zijn, indien er geen mensen bestonden, die zich niet prettig voelen als anderen lijden, tenzij ze proberen er iets aan te doen. Dat is ook egoïsme. Maar dank zij deze vorm van egoïsme, dit zoeken een eigen zekerheid te winnen is er hulp op de wereld. Het is te gemakkelijk om het alleen maar op de naastenliefde te schuiven. De doorsnee‑naastenliefde wordt wel sterk bepaald door de conditionering van de mens en zijn visie t.a.v. zijn mogelijkheden en belangrijkheid.

Geloof en filosofische systemen brengen de mens ertoe offers te brengen, inderdaad. Maar niet omdat die mens daardoor zichzelf gaat vergeten en zich gaat wijden aan een groter geheel, maar omdat die mens in het grote geheel de enige zekerheid en de enige zin voor zijn bestaan vindt en dit dus ten koste van alles zal blijven handhaven.

Als u hier komt, dan is dat om bewustwording op te doen, natuurlijk. Maar ergens is het ook een vorm van egoïsme, een goede vorm. Heel veel mensen leren, omdat zij daarmee zichzelf een zekere bevrediging, een gevoel van zekerheid, een overwinning van bepaalde angsten weten te schenken. Het is maar goed dat die vorm van egoïsme er is. Een egoïsme, die tot uiting kan komen in het optreden van bv. Albert Schweitzer. Schweitzer is een man, die in zekere zin een exhibitionistische aanleg heeft. Niet op zuiver seksueel gebied, maar hij heeft de neiging zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Dat heeft hij van het begin af aan gehad. Hij is een man, die een ontzettend doorzettingsvermogen heeft, maar vooral omdat hij tegenover zichzelf niet tekort wil schieten. Hij is ontzettend goed voor iedereen, omdat deze goedheid voor hem de bevestiging is van zijn wezen en zijn innerlijke verbondenheid. Maar gelijktijdig gedraagt hij zich toch wel als een soort aartsvaderlijke heerser waar hij de kans daarvoor krijgt. Ontleed de mens en je ziet plotseling dat zijn motieven toch enigszins anders liggen. Dat is geen ontluistering van de zaak.

Wij kunnen zeggen dat iemand een egoïst is, als hij uitroept, zoals eens een dichter heeft gedaan: “Mijn God, Gij leeft, want zie, ik leef. Maar sterf ik, God, ook Gij dooft uit.” De man heeft volkomen gelijk. Het leven, zelfs het bestaan van God wordt voor hem bepaald door zijn bestaan. Als hij niet meer bestaat, is er voor hem niets meer, ook geen God. Waarom moet hij dan postuleren dat de God zal voortbestaan, als hij zelf ten onder gaat? Dat is alleen maar omdat hij het gevoel van het einde wil wegwerken, wil verschui­ven misschien.

Ik zou daarover heel lang kunnen doorgaan. Ik zou heel wat verschillende dingen kunnen aanstippen. Ik zou u een heel eenvoudige vorm van egoïsme kunnen noemen door te wijzen op hel feit, dat toen in een zekere periode een bepaalde Nederlandse regering alle prijzen aan banden legde, de staatsbedrijven in staat werden gesteld hun ta­rieven met bijna 40 % te verhogen. Zij zeggen: Wij hebben inkomsten no­dig voor de Staat. Met andere woorden: de wetten gelden voor anderen, niet voor ons. Het is maar heel zelden in de geschiedenis voorgekomen, dat vertegenwoordigers van een volk hebben gestemd voor een lager sa­laris voor zichzelf. Zij meenden, dat zij het eerlijk verdienden wat zij kregen. Misschien verdienden zij het wel, daar gaat het niet om. Maar het is wel wonderlijk, dat zodra een beslissing henzelf treft, deze altijd ten voordele van hen pleegt uit te vallen. Ik wil het u niet al te lastig maken en zal kort samenvatten wat ik als belangrijkste punten heb getracht te poneren. Ik stel dan:

  1. Het egoïsme is een onverbrekelijk deel van alle leven, omdat alle leven ‑ behalve misschien dat wat tot de aller­hoogste bewustwording is gekomen ‑ op egocentrische wijze zijn wereld beleeft en slechts door zichzelf te handhaven en te hanteren zijn beeld, van de wereld voor zichzelf aanvaard­baar kan maken.
  2. De behoefte aan zekerheden, aan bevestiging van het “ik” en de behoefte om bepaalde angsten te overwinnen of te ver­minderen brengen de mens ertoe ook in groepsverband eenzijdig egoïstisch op te treden. Praktisch alle groeperingen, die wij op deze wereld kennen, hebben dan ook dergelijke egoïs­tische motieven, ongeacht de fraaie verklaringen die zij daar­ voor geven.
  3. Het is egoïsme waarop uw gehele maatschappij in deze tijd is gebouwd. Indien deze egoïstische stroming wegvalt, valt uw gehele maatschappelijk beeld zoals ze nu bestaat, uw industriële en technocratische ontwikkeling opeens in elkaar.
  4. Egoïsme op zichzelf is niet verwerpelijk. Het is een natuurlijke reactie in alle leven waarin enig bewustzijn zetelt.

Zelfs planten hebben een vorm van egoïsme, waardoor zij trach­ten ten koste van andere voedsel uit de bodem te halen of wat meer zonneschijn op te vangen. Laten wij die dan erkennen en zeg­gen dat egoïsme alleen dan verwerpelijk, is indien het kennelijk de levensmogelijkheden voor anderen in zodanige mate stoort, zonder dat dit voor het zelfbehoud noodzakelijk is, zodat niet noodzakelijke vernietiging daaruit voortvloeit.

***********************************

*  Waar blijven je geestelijke verdiensten naar uw verklaringen van het egoïsme?

Ik geloof niet, dat je geestelijke verdiensten hebt, je groeit. Wat men geestelijke verdiensten noemt, is eigenlijk niets anders dan een gewoon je bewuster worden van meer. Ik geloof, dat de mensen een vergissing maken. Zij denken: Als ik nu op aarde erg goed ben, kan ik dat ergens op een bankrekening storten in het hiernamaals en dan kan ik daarvan later een aardig huisje bouwen. Maar dat huisje bouw je op uit je gedachten en je voorstellingen en dat andere heeft er niets mee te maken. Of je nu goed of niet goed bent geweest, heeft eigen­lijk veel minder om het lijf dan de vraag, of je bewuster bent gewor­den of niet bewuster bent geworden. Het denkbeeld van geestelijke verdienste is eigenlijk een primitieve analogie met de menselijke maat­schappij, die voor de geest niet helemaal van toepassing is.

*  Uw mededeling dat “een ander gelukkig maken” zuiver voortspruit uit persoonlijk egoïsme heeft mij geschokt. Gaarne uw commentaar.

Ik ben blij dat dat het geval is. U vindt dat misschien erg vreemd, maar wat ik heb gezegd, heb ik niet zonder reden gezegd. Wat men vergeet is namelijk altijd dit: als je een ander gelukkig maakt, dit ook te maken heeft met je eigen persoonlijkheid. Het is een waarmaken van jezelf. Het is niet zo, dat je een ander gelukkig maakt en niet aan jezelf denkt of helemaal geen rekening houdt met jezelf. Als wij een ander gelukkig maken, zal dan in feite moeten betekenen dat wij de ander als een deel van onszelf gaan beschouwen en dan heb­ben wij ons “ik” vergroot. Maar dan zijn wij degenen die wij gelukkig maken en ook onszelf altijd nog weer aan het begrenzen tegenover de rest van de wereld.

Bijvoorbeeld: Ik maak iemand gelukkig en daarom zal ik hem of haar verdedigen tegen de gehele wereld. Ik geloof, dat je dat werkelijk in de gaten moet houden. Ik heb trou­wens de zaak opzettelijk tamelijk provocatief gesteld. Ik heb dat ge­daan juist om u wakker te schudden uit heel veel opvattingen, die ‑ hoe mooi ze ook zijn ‑ niet helemaal de waarheid zijn. Het is beter te begrijpen, dat je bij alles wat je doet zelf mede bewogen wordt en dat je in de eerste plaats ook aan jezelf beantwoordt. Want pas als je begrijpt hoe belangrijk het “ik” is ‑ zelfs in relatie tot anderen, ook als je offers brengt voor anderen ‑ ga je ook de mogelijkheid vin­den wat objectiever te staan tegenover, die werkelijkheid. Dan kun je eindelijk eens afstand doen van zelf belangrijk zijn, omdat je begrijpt: het speelt er toch wel een rol in. Dan kun je ook wat objectiever zien wat je waarlijk bent, wat je waarlijk doet en wat je waarlijk beter­ kent. Daardoor zul je volgens mij nog beter begrijpen wat je zelf als functie kunt aanvaarden in de totaliteit van het Goddelijke.

*  Is dat ook ten aanzien van je kinderen?

Ten aanzien van je kinderen is dat zeer zeker het geval. De meeste mensen realiseren zich niet dat de liefde voor hun kinderen heel vaak een vorm is van het grootste egoïsme dat er bestaat. Het is n.l. de behoefte jezelf te continueren. Indien ouders zich de moeite zouden getroosten er eens over na te denken, dan geloof ik toch wel dat zij gaan begrijpen dat “mijn kind moet het beter hebben dan ik” be­tekent: Ik heb het niet goed genoeg gehad. ik wil ergens deze compen­satie vinden. Is het niet in mijzelf, dan is het in het kind dat ik als deel van mijzelf beschouw. Dus ik doe het eigenlijk voor mijzelf. Ik offer alles voor mijn kinderen op. Dat is maar heel beperkt waar. Dat is alleen waar, indien je het gevoel hebt een deel van jezelf in het kind te verliezen. De bezitszucht, die ouders ten aanzien van hun kinderen tonen, is een zuivere projectie van het “ik” in het kind. Veel ouders proberen hun kinderen ertoe te brengen, datgene te bereiken wat zij zelf niet konden bereiken. Ook dat is weer een projectie van eigen verlangens: het vinden van een soort tweedehands bevrediging door middel van het kind. Ik denk, dat je daar toch ook wel naar moet kijken,

*  Moeten wij dan zo dankbaar zijn aan een persoon, die ons in de gelegenheid stelt om iets goeds te doen?

Heel veel mensen zullen dat inderdaad moeten zijn. En wel om één doodeenvoudige reden. Indien je het gevoel hebt dat je iets goeds moet doen

*  …dan is het al verkeerd.

Neen, dan is dat niet al verkeerd, ofschoon dat ergens waar is, maar dan heb je in jezelf een gevoel van verhevenheid, van zelfbevesti­ging; en dat heb je dan toch maar aan die ander te danken.

*  Inderdaad. Als in Tibet de bedelmonnik van iemand iets krijgt, dan zegt die persoon tegen de monnik: U wordt bedankt, dat u mij in de gelegenheid stelt……..

Ja, dat is natuurlijk weer erg Tibetaans. Overigens is dat niet alleen zo in Tibet. Praktisch overal waar de gele monniksorde bestaat, speelt ook dit patroon een rol, zelfs tot op Ceylon toe. Dit is weer een kwestie van kerkelijke organisatie, die door het inhameren van een bepaalde vorm van verdienste haar eigen verdienste veilig stelt, zodat zij in een zeer egoïstische leerstelling probeert anderen het gevoel van verdienste te geven, omdat daardoor hun eigen verdienste wordt ver­groot. Dat is precies hetzelfde als de pastoor zegt; Hoor eens, onze kerk heeft een orgel nodig en u heeft zoveel. U zult ongetwijfeld bij God in de hemel een wit voetje krijgen, indien u ons orgel zou betalen of er iets toe wilt bijdragen.

*  Hoe tracht u in uw wereld het egoïsme te overwinnen?

Door te beseffen wat het is. Om jezelf te kunnen overwinnen, dus niet in de vorm van een nieuwe zelfbevrediging maar door afstand te nemen van jezelf, zodat de waarneming, de emotionaliteit en de ervaring in het “ik” los van elkaar komen te staan, daarvoor moet je eerst weten wat je bent. Pas als je weet wat je bent, kun je enigszins begrij­pen waarom je zo bent en hoe je reageert. Voor mij is het zoeken naar een zijnsrechtvaardiging e.d. gebonden aan een “eerst erkennen wat ik ben en dan ‑ losstaande daarvan ‑ beschou­wen wat ik doe”. Daardoor blijkt mij dan dat ik eigenlijk niet op een veel hoger niveau ben, maar dat de dingen, die ik voor mijzelf als grote krach­ten of als een grote trots zien, in feite alleen maar van een ander ko­men of van iets anders. En dan word je wel wat kleiner. Maar aan de an­dere kant ga je begrijpen hoe je functioneel bent in een groot geheel. Dat is dan ook een vorm van egoïsme. Je gaat dan proberen je te identi­ficeren met het grotere geheel. Dat houdt echter een bewustzijnsuitbrei­ding in, waarbij het begrip “ik” en op den duur zelfs het begrip van het actieve geheel onbelangrijk wordt vergeleken met het besef, van het totale aantal mogelijkheden dat je hebt. Dat is het doel dat ik hoop te bereiken.

*  Dus je moet niet ophouden met egoïst te zijn?

Kunt u dat? Op het ogenblik dat u zegt dat u wilt ophouden met egoïst te zijn, wordt u door een bepaalde vorm van egoïsme ‑ hetzij ten aanzien van een zekerder hiernamaals of van een grotere betekenis als mens of als geest ‑ daartoe aangezet, zodat het opgeven van het z.g. egoïsme in vele gevallen een extreme uiting van datzelfde egoïsme is.

*  Waar eindigt het egoïsme en begint het altruïsme?

Ik geloof, dat altruïsme een woord is dat nooit volledig de inhoud van een wezen kan dekken. Ons egoïsme eindigt bij het egocentrisch bestaan van onze God waarvan wij deel zijn, omdat in het deel‑zijn daar­ van ons ego niet meer telt, maar alleen de totaliteit. Wij behoeven dus ook niet meer egoïstisch te zijn, omdat ons bestaan en het totaal van onze ervaringen gegrift zijn in de totaliteit waarin we leven en er niets kan gebeuren dat ons daarvan kan ontdoen of ons iets ervan kan ontnemen.

*  Is het begrip “ik ben” ook nog egoïsme?

Natuurlijk. Het is een constatering. Maar het is de constatering: Ik ben; en daarmee wordt ‑ bewust of onbewust ‑ de persoonlijkheid als het centrum van de totaliteit uitgedrukt.

*  Het hangt er dus van af waarop je de klemtoon legt? Ik ben of: ik bén.

Ik ben. Dan stel ik dus het zijn; maar in directe relatie daarmee en in feite afhankelijk van mijzelf, wat tot hetzelfde resultaat voert.

*  Dus je kunt beter niets zeggen?

Het is over het algemeen beter om niets te zeggen, en niets te doen. Maar hoe kun je dat de mensen in deze tijd duidelijk maken? En bovendien, hoe zou ik mij kunnen rechtvaardigen, indien ik zoiets zou zeggen?

*  Het is, zoals de mensen tegenwoordig zeggen; Je bent je eigen “ik” kwijt. Of zij zoeken naar zichzelf. Is dat een extreme vorm van egoïsme, dat zij door het groepsegoïsme of het individuele egoïsme de realiteit niet meer zien?

Neen. Deze mensen zien een andere realiteit dan die door de ge­meenschap wordt ervaren. Zij voelen zich daardoor geïsoleerd en zoeken dus innerlijk naar een mogelijkheid zichzelf t.a.v. die anderen weer te bevestigen. Dat is één van de grote problemen van deze tijd en ook het gevolg van de gehele ontwikkeling.

Het Westen staat op het ogenblik aan de grens van het materialisme en moet dus langzaam maar zeker weer naar het geestelijke om niet te zeggen naar het esoterische omzwenken wil de mens in zichzelf nog mens kunnen blijven, wil er dus nog een zekere gezonde persoonlijkheid kunnen bestaan. Gaat het verder met de mens zoals het nu gaat, dan krij­gen we te maken met een mierenstaat, waarin het “ik” alleen nog maar een expressie is van de gemeenschap en zichzelf dan ten koste van vele kleine egoïsmen in die gemeenschap probeert te manifesteren. Maar wij moeten ons wel realiseren, dat juist de mensen, die naar zichzelf zoe­ken tegen hun omgeving vaak enorme egoïsten zijn,

*  Is het juist, dat de uitersten elkaar ontmoeten, zoals egoïsme en altruïsme?

Als u denkt aan wat ik zo-even heb gezegd, n.l. dat altruïsme in feite een woord is, dan kunnen we zeggen dat een mens altruïstischer wordt naarmate hij meer een egomane bevestiging van zichzelf zoekt in de totaliteit waarin hij leeft. Ik zit u in te hameren dat u voortdurend met uzelf bezig bent, direct of indirect. Dat is meestal een onplezierige les, ik weet het wel. Maar het is aan de andere kant een les, die u toch wel even moet vasthouden. Ik geloof, dat het erg belangrijk is dat u het begrijpt. U behoeft nog niet te zeggen. Nu ga ik mijn leven veranderen; dat kunt u niet eens. Maar u kunt begrijpen, dat uw eigen motieven altijd door een zekere zelfbevestiging mede worden bepaald. Dat maakt u ook duide­lijker waarom u in de wereld bent zoals u bent.

*  Waarom vindt u dat de gemeenschap der volkeren de grootste rem is voor de gemeenschap der mensen?

Omdat de gemeenschap der volkeren wordt bepaald door een aantal geregistreerde verhoudingen, die doorgaans strijdig zijn met de directe gevoelens van de volkeren, die in deze gemeenschap der volkeren door enkelingen worden gerepresenteerd. Met andere woorden: er gebeuren heel veel dingen in de naam der volkeren, die direct in strijd zijn met de gevoelens, de mogelijkheden en de emotionaliteiten van die volkeren. Juist hierdoor voelen zij zich dan van andere volkeren gescheiden of on­derscheiden en komen dus tot een superioriteitswaan of een bevestigings­behoefte t.a.v. anderen, die ‑ indien er een zuiver menselijke relatie zou bestaan ‑ niet noodzakelijk zou zijn. Om het heel eenvoudig te zeggen: De EEG probeert de handelsrelaties tussen alle staten zodanig te rege­len, dat zij in feite een veel kunstmatiger structuur en conjunctuur veroorzaken dan zonder dit ooit het geval zou zijn geweest. De enige manier om een ware EEG te bereiken zou niet zijn het voortdurend onderhandelen over de wijze, waarop men op een bepaald gebied zal werken en hoe men het zal betalen, maar door de grenzen open te gooien en zo de mensen zelf te laten uitmaken wat zij wel en wat zij niet kunnen doen. Uw EEG op het ogenblik is in feite de kruk van het nationale egoïsme, waardoor vele op zichzelf niet rendabele en vaak zelfs niet noodzakelijke bedrijven of bedrijfstakken en vormen van bedrijfsvoering worden ondersteund ten nade­le van het geheel en zeker ten nadele van de normale ontwikkeling, die toch noodzakelijk is om een gezond economisch evenwicht voor het geheel van de EEG in stand te houden. Ik meen, als men dat nu zo bekijkt en dat zou iedereen toch wel kunnen bevestigen, dat dan ook duidelijk wordt, dat hetzelfde geldt voor een UNO of voor welke volkerenraad ook.

*  U wilt hiermee zeggen, dat als er een gemeenschap van mensen is, is er eigenlijk geen gemeenschap van volkeren nodig?

Ja. Maar dat moet u ook andersom uitdrukken; zolang men streeft naar een gemeenschap der volkeren, zal men de gemeenschap der mensen trachten te verhinderen, omdat daardoor de structuur van de gemeenschap der volkeren wordt bedreigd.

*  Hoe staat het dan met een eventuele broederschap?

Een broederschap ontstaat door mensen die elkaar ontmoeten, niet door mensen die een verdrag met elkaar hebben.

*  Dus maakt u grenzen, dan maakt u afscheidingen?

Als je geen grenzen hebt, zullen de mensen elkaar langzamerhand gaan begrijpen. Maar zolang je grenzen ‑ op welk terrein dan ook, dat kan ideologisch, religieus of op grond van rassenonderscheid e.d. zijn – in stand probeert te houden ‑ om welke reden dan ook ‑ verwijder je de mensen van elkaar en maak je ze tot vijanden van elkaar.

*  Maar het opheffen van die grenzen, is dat geen utopie?

Dat is iets wat alle staatslieden hopen. Maar ik kan u zeggen, dat het opheffen van de grenzen binnen redelijk afzienbare tijd (ongeveer één á twee eeuwen) voor geheel Europa inclusief Rusland een feit zal zijn geworden en dat datzelfde zich ook in andere delen van de wereld zal af­ spelen. Voordat wij een 300 jaar verder zijn, is er geen sprake meer van naties op een continent, maar van continenten die eenheden vormen en die als continenten natuurlijk dan toch weer tegenover elkaar zullen staan.

*  Men kan stellen, dat het tegenovergestelde van egoïsme altruïsme is. Naar ik heb begrepen, kan men deze laatste drijfveer, alleen bij hoogbewusten vinden. Bestaan deze entiteiten uitsluitend in de geest? Of bestaan er ook planeten, gebaseerd op een altruïstische vorm van sa­menleving? Hoe ziet deze mogelijke samenleving er dan uit?

Die samenleving omschrijven valt wel erg buiten het karakter van de avond. Het is mogelijk, dat een planeet een zodanige eenheid in zichzelf heeft gevonden, dat zij in zich geen verschillen meer kent en dan de behoefte krijgt haar wezen uit te drukken. Dan is de planeet als zodanig nog wel ergens egoïstisch, want zij zoekt, een zelfbevestiging, naar in haar handelwijze in zij altruïstisch, omdat zij dus niet probeert zich­zelf aan anderen op te leggen of te profiteren van anderen, maar slechts de bevestiging van zichzelf zoekt door het opheffen van die anderen tot haar eigen peil. Dat is dan in de menselijke definitie het altruïsme, ofschoon de beweegredenen daarvoor toch altijd ergens nog weer een vorm van zelfbevestiging inhouden. Die planeten bestaan er inderdaad. Sommige zijn dichter in de buurt u denkt.

 

*  Als men spreekt over egoïsme en individualisme, dan zijn deze de achtergrond van het bestaan van de mens en worden bepaald door zijn gedragspatroon. Omgekeerd worden zijn gedragspatronen eveneens daardoor bepaald. Als je daarmee nog verder gaat, dan kom je tot de vraag, of het streven naar een zuiver persoonlijk bestaan niet gelijktijdig het toppunt van egoïsme kan zijn.

Als je zoekt naar een absoluut opgaan in de gemeenschap, dan lijkt het misschien alsof daarin egoïsme en het persoonlijk bestaan niet zo belangrijk zijn, maar je kunt zelfs door dat verlangen ernaar in de praktijk alleen maar daartoe komen op grond van datgene wat je bent en door de bevestiging die je daarvoor zoekt.

*  Indien wij de hele zaak zo bekijken, dan moeten wij zeggen; Ik kan eenvoudig niet ontkennen, dat bv. snobisme en andere vormen voortko­men uit een waardering van jezelf. Ook als je jezelf ziet als gelijk of minder dan de rest van de wereld, komt dat voort, uit jezelf, het ligt in je wezen, in je leven.

Je kunt zeggen: Het is mogelijk over die grens van “ik”‑zijn heen te komen; dat is voor de geest en voor de mens wel mogelijk. Maar het is alleen dan mogelijk, indien wij eerst leren uitgaan van onszelf. Eerst indien wij vanuit onszelf als persoonlijkheid (dus persoonlijk ervarend en handelend in onze wereld) proberen te leren wat wij zijn in het geheel, pas op dat ogenblik komt een ervaring, die voor ons mede bepalend is.

*  Wij kunnen wel spreken over noodzakelijkheden, maar ik geloof niet dat je die als egoïsme kunt zien.

Natuurlijk kun je dat wel doen, maar waarom zou je? Want per slot van rekening, als we spreken over een noodzakelijkheid, dan komt die voort uit ons eigen standpunt, door de wijze waarop wij de wereld zien, de manier waarop wij onszelf beschouwen als deel van de kosmos zelfs. Het is dus een bevestiging van onszelf. Indien we het op deze manier bekijken, dan kun je zeggen: Als wij eens dit zelfzuchtige en zelfcentralistische bestaan willen ver­laten en willen komen tot een totaliteit, dan moeten wij eerst begrijpen, dat wij alles vanuit onszelf bepalen en dat wij alles vanuit onszelf zien. Dan pas kan er misschien een ogenblik komen waarop (terwijl de beweging blijft bestaan) wij onszelf kunnen beschouwen zónder door onszelf te wor­den meegesleept, zodat wij zien wat we zijn en wat we betekenen in het geheel zonder gelijktijdig in dat geheel te willen reageren. Ik heb dus gewoon gezegd. Denk gewoon: wat wij zeggen is niet noodzakelijkerwijs waar. Je moet zeggen: Dat is een punt om zelf te be­ginnen te denken en dan misschien ook om zelf je standpunt te bepalen.

*  Ik proef in uw woorden een cynisme en sarcasme. Komen die in uw woordenboek voor?

Daar komen cynisme en sarcasme inderdaad in voor, omdat het een methode is waarmee een bepaalde uitdrukking duidelijker kan worden ge­steld. Als ik op dit ogenblik sarcastisch zou willen zijn en daarmee u allen sterker zou willen beroeren dan men een rechtstreekse eerlijke uitspraak mogelijk is, dan zou ik zeggen; Wij weten het wel, iedereen is tenslotte altruïstisch, dat egoïsme zit alleen maar op de achtergrond. Het is alleen jammer, dat wij er zoveel van horen. Zo kunnen wij ook zeggen: Ach, het is goed dat de mensen in God geloven. Zij hebben toch iets nodig om erin te geloven, want in zichzelf geloven zij niet meer. Dit klinkt een wat cynisch en het is ook sarcastisch, inderdaad. Maar het is een manier van uitdrukken, bij vele mensen veel beter aanslaat dan de rechtlijnigheid en de ernst, die vooral als we iemand hebben die zichzelf ook nog ernstig noemt (dat komt bij ons ook wel eens voor) vaak voert tot betogen, die voor de toehoor­ders eerder vermoeiend en vervelend zijn dan verlichtend.

*  Acht u Krishnamurti in werk en in persoon een representant van de motivering in uw betoog?

Wie het leven van Krishnamurti nagaat, kan daarin vele dingen vinden, die vanuit een menselijk standpunt beschouwd zuiver egoïstisch zijn:, o.a. de wijze waarop hij de beweging van Besant heeft verlaten. Ik geloof, dat heel veel van hetgeen hij heeft gezegd weliswaar een kosmische betekenis heeft, maar in directe relatie staat met zijn eigen persoonlijkheid. Maar we komen ook tot de conclusie, dat hij op een ge­geven ogenblik zover komt, dat hij niet meer zoekt naar de overtuiging die hij anderen kan geven, maar volstaat met het stellen van zijn eigen overtuiging. Ik geloof, dat wij daar het punt hebben, dat een “ik”-besef gepaard gaat met een begrip voor het besef van anderen. Dat is zeker pas in de latere periode van zijn leven gekomen. In het begin probeerde hij te overtuigen. Als een mens niet meer probeert te overtuigen, maar een ander probeert te confronteren met zijn eigen waarheid heeft hij volgens mij een punt bereikt, waarop zijn egoïsme niet werkelijk meer de erken­ning van de wereld nodig heeft. Als zodanig is de persoonlijkheid waarschijnlijk minder egoïstisch dan die van vele anderen. Ik denk dat het werk en de persoonlijkheid van Krishnamurti dit voor een ieder, die zich ernstig daarmee bezighoudt, duidelijk zal maken,

*  Op het moment dat hij zich terugtrok, was dat dan het tegenoverge­stelde van egoïsme?

Aan hoeveel mensen heeft Krishnamurti daarmee iets ontnomen en hun een grote teleurstelling bereid? Maar hij deed dat, Omdat hij ‑ blijvend wat hij was en zoals hij was ‑ niet in staat was een eigen ontwikkeling door te maken. Hij zou dan langzamerhand de dichterlijke uiting zijn gewor­den van een merendeels vrouwelijke hysterie met z.g. geestelijke verklaringen. Dat is ergens egoïstisch. Dat moeten wij begrijpen, Dat is ergens het “ik” stellen voor de ander. Pas veel later zal men misschien kunnen na­gaan in hoeverre een vernieuwingsbeweging, die op dat moment in de theo­sofie eigenlijk gaande was, werd afgeremd en een zeker theosofisch dormatisme tot stand is gekomen, juist als gevolg van deze terugtrekking. Maar de beweegreden lag in de eerste plaats bij hemzelf als zodanig kan ze als egoïstisch worden omschreven. Vergeet één ding niet: Wij kunnen ook wat Jezus doet als egoïsme aanduiden. Want ook Jezus ‑ wat hij ook offert voor de wereld ‑ doet dit, omdat hij alleen zo zichzelf waarlijk kan zijn en kan waarmaken, het andere is bijkomstig. Er is dus geen sprake van een volledig altruïsme. Er is sprake van een altruïstische uiting, gebaseerd op het waarmaken van het ego. Dat blijkt weer uit het feit, dat Jezus tot op het laatste moment aan het kruis werkelijk mens blijft en dat hij ook na de herrijzenis, ondanks zijn geëxalteerde gestalte en mogelijkheden, zich nog als mens blijft gedragen; dus eerst zichzelf is. Zijn inwerking op ande­ren moeten wij dan zien als het resultaat van wat hij zelf was.

*  Ik dacht dat Jezus toch het begin van het communisme stichtte? Waarom haten dan alle religieuze groepen het communisme zozeer?

Omdat het communisme zonder God wil leven. Dat klinkt misschien een beetje vreemd. Jezus heeft zelfs in zijn leerstellingen heel veel Esseense waarheden gebracht. De Essenen waren, zoals u weet, een groep die communistisch leefde. Dat deden ze al een paar honderd jaar. Deze stellingen zijn in het eerste christendom zeer sterk tot uiting gekomen en voerden onder meer tot de eerste christelijke commune in Jeruzalem. Hier is, echter sprake van een vorm van communisme, die wordt bepaald door de offerbereidheid van de eenling, niet door het gezag van de gemeenschap. Dit zou een reden kunnen zijn om een opgelegd communisme (als er althans zoiets als een werkelijk communisme vandaag op de wereld bestaat, ik betwijfel het) te verwerpen. En de kerken zul­len zich tegen dit communisme keren, omdat het communisme niet in feite de mens een vrijheid geeft groter dan die van de kerk, maar het gezag van de kerk voor zichzelf usurpeert en zichzelf gedraagt als een leerstellig lichaam gelijk aan de meest dogmatische kerk, die er bestaat. U begrijpt, dat de kerken een concurrentie (zeker als het gaat om ziel­tjes) niet kunnen gedogen. Het is ook weer het egoïsme van de kerken, die hun eigen onfeilbaarheid of uitverkorenheid willen handhaven ten koste van alles, zelfs indien zij daarmee tot handelingen moeten komen, die in volkomen tegenstellingen zijn met datgene wat zij als leer aan de mensheid voorleggen.

*  Is het begrip egoïsme of altruïsme wel zo belangrijk, omdat we toch eigenlijk allen een rijpings‑ of wordingsproces doormaken? En als wij eenmaal op een zeker trillingsgetal zijn gekomen, dan zullen deze factoren toch wel niet meer als zo erg belangrijk gelden?

Zij zijn niet meer belangrijk op het moment dat wij ze beseffen. Als wij weten, dat er voor alle dingen die wij doen ook een egoïstische motivering is, dan kunnen wij heel rustig verdergaan en helpt ons dat tot een ontplooiing te komen. Maar wij komen dan niet meer tot een ver­keerde waardering (een begoocheling) omtrent onszelf op grond van hetgeen wij zien als altruïstisch of gedaan voor de gehele mensheid, terwijl wij niet begrijpen dat wij in de eerste plaats ertoe werden aangezet door de behoefte om dit te zijn.

Conclusie

Het is vanavond erg interessant geweest te zien hoe u reageert. Ik heb inderdaad geprovoceerd. In mijn inleiding heb ik dat bewust ge­daan. Ook daarna heb ik geprobeerd het hier en daar te doen. En wat blijkt? Dat het voor heel veel mensen een enorme schok is te ontdekken, dat al het goede dat zij doen toch nog te herleiden is tot henzelf, tot hun behoefte aan zekerheid, een begeerte aan erkenning en al die din­gen meer.

Die schok zal menigeen niet zo prettig vinden, maar aan de andere kant is ze wel heel erg nuttig. Want zegt men niet, dat de mens leeft in de wereld van maya? Wel, wie begrijpt hoe hij zelf te allen tijde aan de basis van zijn reacties staat, die begint iets van de begoocheling, te verliezen; die gaat daardoor de werkelijkheid zien. De werkelijkheid niet alleen omtrent zichzelf, maar ook omtrent zijn relaties tot de we­reld. Hij zal daardoor ook beter begrijpen hoe de werkelijkheid van de we­reld kan zijn.

Ik geloof vanuit mijn standpunt en mijn denken (het is een geloof), dat wij opgaan in een totaliteit. Hoe, dat weet ik niet precies. Ik weet alleen maar dat wij groeien en groeien en steeds meer bevatten aan fei­ten, steeds meer krachten in onszelf manifest zien worden en dat wij vandaaruit op een gegeven ogenblik die egoïstische motivering schijnbaar verliezen. Maar om dit te bereiken moeten wij eerst afrekenen met de illusie. Wij moeten afrekenen met onze schijnzekerheden. Wij moeten leren verschil te maken tussen de feiten, ons geloof en de dingen, die wij alleen maar graag waar zouden willen hebben.

Wij moeten terug naar de werkelijkheid, omdat die de uiting is van God. Tenminste zo voel ik dat. Die werkelijkheid is dan vaak niet zo prettig en wij zouden haar vaak liever opzij willen schuiven met zo’n gebaar van “Ach, zo belangrijk is het niet.” Zeker, het is niet belangrijk. Maar dan kunt u ook zeggen dat geboren worden en sterven niet belangrijk is, dat de gehele kringloop van de ziel door de sferen en het leven niet belangrijk is. Ik meen, dat zij belangrijk is, omdat er ergens voor ons ‑ hoe dan ook – een eindbestemming is en dat het besef van die eindbestemming voor ons belangrijk is, dat het ontvluchten aan de illusiewereld, die wij in ons scheppen, ons in staat stelt eerder, sneller de werkelijkheid te vinden. Daarom dacht ik ook en misschien heb ik mij daarin vergist, dat een poging om de kern van het egoïsme in alle dingen aan te tonen (aan te tonen dat het zélf zijn, het zichzelf handhaven, het zichzelf uitdrukken altijd weer in ons bestaan een rol spelen) dat dat ons behulpzaam zou kun­nen zijn. Dat zou ons kunnen helpen om onszelf een beetje te besef­fen.

Nu wil ik er onmiddellijk aan toevoegen: begint u a.u.b, niet om u te zien als verworpelingen dezer aarde. U bent niet erger en niet beter dan alle anderen. Als u nu maar begrijpt, dat u niet erger maar ook niet beter bent. En tracht daarnaast, toch een klein beetje te begrijpen waarom u doet wat u doet, denkt wat u denkt. Dan geloof ik, dat u innerlijk ook bewuster iets ontmoet dat wij dan misschien de kracht van de geest, het innerlijk licht of iets anders kunnen noemen; een onbestem­de factor, waardoor het leven meer inhoud krijgt.

De schok, die zo’n betoog voor sommigen betekent, kan voor velen gelijktijdig betekenen het overschrijven van een betrekkelijk hoge drempel, die ligt tussen de werkelijkheid en hun illusie omtrent zichzelf. Als wij in de werkelijkheid staan, dan staan wij in het werkelijke leven. Het leven dat niet wordt beperkt door geboorte en dood. Het leven dat niet kan worden beperkt tot een bepaalde chemische functie of een bepaalde spirituele uiting, maar die de basis is van het totaal van het zijn, van alle tegenstellingen waartussen wij voortdurend reageren.

Ik heb u een paar stellingen voorgelegd en u bent onmiddellijk teruggekomen met: Ja, maar het altruïsme is toch wat anders. Wij moeten dat egoïsme toch niet te ver doorvoeren. Is dit niet kentekenend voor de behoefte, die een ieder gevoeld om zijn egoïstische drijfveren weg te redeneren en te ontkennen? Is het niet ge­lijktijdig een soort bewijs dat het nodig is hierop de nadruk te leggen?

Is het niet een aanduiding van de illusiewereld, waarin men voortdurend probeert te leven? Ik voor mij ben geneigd deze vragen met “Ja” te beant­woorden.

Juist daarom denk ik dat de mens, die de geestelijke beperkingen van het stoffelijk bestaan wil overschrijden, die een gevoel van kosmische eenheid wil stellen in de plaats van zijn huidig persoonlijk bestaan, moet beseffen dat hij moet uitgaan van zijn persoonlijkheid. Dat het enige punt van waaruit hij kan vertrekken. Hij moet begrijpen, dat juist dit be­reiken van de hogere waarheid alleen kan voortkomen uit de waarheid om­trent zichzelf. Hij moet begrijpen, dat alle illusies en stellingen omtrent de wereld en de mensheid niets daaraan kunnen veranderen, ja” dat zij eerder een beperking zijn voor zijn mogelijkheid tot bewustwording.

Nog een paar laatste woorden en hopelijk word ik dan niet van sarcasme en cynisme beschuldigd, want in deze zin bedoel ik het volgende niet.

Wij willen de kosmos, God, ontmoeten. Wij willen de werkelijkheid vinden. Is dat te bereiken door rond te dwalen in de warrige walm van onze dromen, onze gevoelens van verhevenheid en zelfverheffing? God heeft ons geschapen, dat geloof ik. Dan zijn wij tegenover God niets verschuldigd, want Hij heeft ons gewild. Hij heeft ons gegeven dat wat wij zijn en de mogelijkheid geschapen om te zijn zoals wij zijn. Maar als wij beseffen wat wij zijn, dan kunnen wij misschien ook die God aanvaarden zoals Hij is. Niet de criticasterige leermeester vol toorn, wraak en zoetelijke liefde zoals Hij ons wordt voorgelegd, maar de kracht waaruit wij leven, de werkelijkheid waarin wij leven. Voor mij is het erg belangrijk God in waarheid te vinden om te ontkomen aan onze illusies en dromen zelfs t.a.v. God, zelfs t.a.v. de kosmos.

Als wij een reis maken door onszelf heen, dan is dat misschien erg leerzaam, maar eerst als wij begrijpen wat het zout is daarin en wat ons motiveert in die beleving, zullen we ook datgene van kosmische aard en waarde dat zich daarin manifesteert, kunnen ontdekken.

Kort en goed: een mens moet leren schiften. Hij moet zijn dromen en zijn illusies terzijde weten te leggen om de waarheid over te houden. En als hij dat wil doen, moet hij ook begrijpen dat het merendeel van al die mooie, goede en idealistische ideeën die hij verkondigt slechts de rationalisatie zijn van de behoeften en angsten, die in zijn persoonlijkheid leven.