De kern van het wezen

uit de cursus ‘Magie en magiërs’ – mei 1971

De kern van het wezen

Het is een wonderlijk verschijnsel dat de dingen anders kunnen zijn dan u denkt.

Er zijn heel veel filosofen geweest, van de oermens Uptah af, tot in deze dagen toe die zich met dat verschijnsel hebben beziggehouden en zich hebben afgevraagd; Wat schuilt er achter? Er zijn zelfs mensen die beweren dat filosofie eigenlijk niets anders is dan het je afvragen, of het alledaagse wel zo alledaags is. Ik zal proberen u enkele stellingen voor te leggen die in deze tijd nog evengoed gelden als in een ver verleden.

Alle waarden die we zien zijn betrekkelijke waarden. Alle waarden die bestaan, bestaan op een niveau waarop wij ze kunnen aanvaarden. Indien wij onze ervaringen direct boven onze visuele waarneming stellen, dan zullen we andere eigenschappen constateren. Gebruiken wij deze eigenschappen, dan is dat magie. Doen wij dit t.a.v. mensen die niet gewend zijn om de werkelijkheid te zien, dan is het een wonder.

Ik geloof dat in deze beschouwing al heel veel licht doorschijnt van het werkelijke wezen van de magie en ook van de magiër.

Er is een magiër geweest (een volgeling van Agrippa von Nettesheim) die op zijn manier probeerde het onzienlijke waar te nemen en waar te maken. Van hem stammen o.m. de volgende uitspraken

  1. Indien ik de essentie der dingen ken, zo beheers ik het leven ervan. Indien ik de uiterlijkheden ken, ben ik daaraan onderworpen.
  2. Leven is kracht. Het is niet belangrijk waar de kracht vandaan komt, wel hoe ze optreedt en hoe ze zich groepeert.
  3. Deze uitspraak is misschien nog wonderlijker; Indien alle din­gen bezield zijn, zo moet contact met alle dingen mogelijk zijn. Als ik spreek tot de ziel der dingen, zullen zij mij antwoorden.

Het is alweer filosofisch en wat we heel vaak tegenkomen nogal voorwaardelijk gesteld. Overigens zijn de spreuken op zichzelf oorspronkelijk versleuteld geweest. Ik ben zo vrij om die sleutels er maar uit te halen. Het is niet zo belangrijk voor u om al die poespas eromheen te kennen.

Wat kunnen wij in deze tijd daaraan hebben, wat kunnen wij daartegenover stellen?

Wel, alle dingen hebben een eigen uitstraling of we die nu ziel noemen of er een andere naam aan geven, dat doet niet ter zake. Als ik de uitstraling ken, weet ik wat het voorwerp is geweest, maar ik weet ook wat het kan zijn. Ik kan aan een steen wel degelijk zien of hij geschikt is om er een ander mee te doden of dat hij daartoe niet geschikt is. Het klinkt vreemd, maar het is waar. De eigenschap straalt eruit. Ik zou dus de steen, die tot doden bestemd is, kunnen werpen met betrekkelijk grote zekerheid. De steen, die niet tot doden bestemd is krachtens zijn uitstraling en uiterlijk toch precies hetzelfde is, zal van zijn baan afwijken, onevenwichtigheden vertonen, in ieder geval niet het gewenste resultaat geven.

Nu geloof ik niet, dat er iemand is die een ander dood wil gooien. Degenen die dat doen, zijn zeker geen magiërs. Maar kan dat ook niet gelden voor een voorwerp dat ik gewoon wil gebruiken? Neem een van de eenvoudigste dingen, die je je kunt denken een klopper om b.v. slagroom mee te kloppen. Je kunt zien, of zo’n garde geschikt ervoor is of niet. Als ze deskundig is gebruikt, heeft ze in zich iets van het patroon hoe er moet worden geslagen. En als een ander gevoelig persoon die garde grijpt, zal hij waarschijnlijk afwijken van zijn eigen gewoonte, een juistere slag nemen en daardoor een juister resultaat bereiken.

Dat geldt niet alleen voor enkele dingen, dat geldt voor alles. Alles, wat rond ons is, heeft een eigenschap. Een groot gedeelte van die eigenschappen leggen wij er zelf in vast.

Er is een denker geweest, een Griek, die beweerde dat alles wat je tot je neemt zijn eigenschappen aan jou ontleent. Ik geloof dat je daarmee wel iets kunt doen.

Als u op een bepaalde wijze met een vulpen omgaat, dan is het duidelijk dat die naar uw hand gaat staan. Met andere woorden; dat uw manier van schrijver in het voorwerp is vastgelegd. Dit is echter stoffelijk verklaarbaar.

Als ik een rijzweep heb die voortdurend op een bepaalde manier wordt gebruikt, dan is dat ook tot een eigenschap van die zweep geworden. Als ik voortdurend een voorwerp misbruik, zal ik het zeer waarschijnlijk niet meer met succes kunnen gebruiken. Het is zelfs met een auto zo. Als een auto met een zekere zorgvuldigheid wordt behandeld, eigenlijk als een levend wezen, dan is hij geneigd betere resultaten te geven, dan als je hem gewoon gebruikt als een machine. Dwaas? Zeker, het is dwaas. Maar het blijkt waar te zijn, Het is alsof de mens zijn eigen gevoeligheid in het voorwerp projecteert, maar daarmee de processen van het voorwerp ook een redelijker verloop geeft.

Het kan magie lijken, indien voorwerpen ons onmiddellijk helpen, terwijl anderen er grote moeilijkheden mee hebben. En dan kun je je ervan af maken door te zeggen. Ach, dat is maar een grapje. Maar zo’n groot grapje is het ook weer niet. Ik kan u een voorbeeld geven uit de praktijk.

Er is een koopman die aardappelschilmesjes verkoopt. Om dat goed te kunnen doen heeft hij een drietal mesjes voor zichzelf gehouden en daarmee net zolang geoefend, totdat hij inderdaad a.h.w. moeiteloos een aardappel zeer snel ermee kan schillen. Als hij nu deze mesjes demon­streert, gebruikt hij daarbij zijn drie mesje. Totdat er een achterdochti­ge dame komt, die zegt “Ja, maar die mesjes die u gebruikt zijn anders.” Waarop hij om te bewijzen dat het niet zo is, een van zijn gebruikte mes­jes tegen de volle prijs verkoopt. Hij probeert het daarop met een nieuw mesje en verwondt zich. Onvoorzichtigheid? Waarschijnlijk niet. De man had een grote training Maar het gebaar, de greep, de essentie van de beweging was in het oude mesje vastgelegd, niet in het nieuwe. En doordat hij terwijl hij demonstreerde niet in volledige concentratie en aandacht schilde, maakte hij fouten, die hij normaal vermeden zou hebben met het gebruikte mesje.

Het lijkt allemaal misschien een beetje kinderachtig. Zeker als je op zo’n cursus zit, dan verwacht je veel belangrijkere dingen. Maar is het niet precies zo met de sfeer in uw eigen huis? Als u in uw huis voortdurend bepaalde dingen verkeerd doet, dan wordt het heel erg moeilijk om ze goed te doen. U zult ze buitenshuis volledig goed doen, komt u binnen, dan faalt u.

U heeft een bepaalde instelling tegenover de mensen, tegenover de wereld. U eist bv. veel. Dan zult u ontdekken dat degenen, die in uw woning binnen komen, geneigd zijn om meer van u te eisen dan ze onder andere omstandigheden van u zouden eisen U straalt hetzelfde uit.

En daarmee hebben we een van de principes al vastgelegd, datgene wat u zelf in voorwerpen (en dan kunt u woningen en al het zg. onbe­zielde dat u gebruikt erbij rekenen) legt, zal ook anderen beïnvloeden, zodat de relatie tussen u en het voorwerp bij anderen een weerkaatsing vindt.

De grote moeilijkheid van veel magiërs is geweest om leven te scheppen. Er zijn mensen geweest die hebben geprobeerd om homunculi te maken. Anderen hebben zich beziggehouden met het laten wandelen van lij­ken, het maken van “levende lijken” (wat overigens een vergiftigingspro­ces is). Dat alles komt voor. De magiër heeft een onstuitbaar verlan­gen om leven tot stand te brengen, kunstmatig leven dan wel te verstaan. Zelfs in de Faust (2de gedeelte komt een homunculus voor die zich in zijn fles ijverig in de richting van de klassieke Walpurgisnacht beweegt. Wat is de homunculus? Hoe denkt de magiër?

In de eerste plaats zegt hij: Alle leven is gelijk. Indien mijn levenskracht kan worden overgedragen op iets anders, zal dat leven. Is dat waar? Onder omstandigheden kan het waar zijn, maar het is niet waarschijnlijk.

Hij redeneert verder;

Als ik een vorm ken, zo bestaat die vorm in mij en kan ik haar aan de materie geestelijk opleggen, mits ik daarbij ook mijn stoffelijke spanningen niet spaar. Het is eigenlijk hetzelfde wat de beeldhouwer zegt; Als ik een beeld in mij zie, dan hak ik net zolang tot­dat het uit het blok is gekomen. Dat is precies dezelfde denkwijze. Maar daar komt bij het idee: indien ik eigenschappen eraan toeken, indien ik daar leven aan toeken, zal dat er ook zijn.

De processen van de alchemisten met hun retorten hebben nooit wer­kelijk leven voortgebracht. En zelfs de processen van de moderne chemici hebben evenmin werkelijk leven geproduceerd. Zeker, halfleven is bereik­baar. Een enkele levende cel kan worden gemaakt. De samenhang echter kan niet worden bereikt. De vraag is nu alleen maar of die stelling, dat het denken in staat is om een binding te geven, dat de eigen levens­kracht in staat is om a.h.w. een Gestalt te vormen met een eigen leven, in zo’n laboratorium niet kan worden toegepast.

Als je in staat bent eiwitten en half eiwitten te maken, dan moet het mogelijk zijn om menselijke cellen te maken. Maar als het mogelijk is om menselijke cellen te maken, dan moet het ook mogelijk zijn om aan die cellen een gestalte op te dwingen. Dan heb je niet te maken met een klomp vormloos weefsel (en dan nog heel klein), maar met een zich ver­meerderende celdeling, een zich uitbreidende groep, die vorm en gestal­te aanneemt. Dit is overigens een feit, het kan. Men heeft het nog niet ontdekt, omdat men in deze tijd, in tegenstelling tot de oudheid, de geestelijke krachten van de mens zwaar pleegt te onderschatten. Maar de mogelijkheid is aanwezig om met je gedachten iets op te bouwen.

Zolang wij zeggen, het gaat hier om een astrale figuur, dan zijn heel veel mensen nog bereid het aan te nemen. Dan is de stelling, de gedachte is de matrix van een astrale vorm, aanvaardbaar. Zodra we zeggen dat dit ook kan voor een levensprincipe, menen ze dat dat niet kan. Is dat redelijk? Volgens mij niet en wel om de volgende reden:

Men neemt aan dat de astrale matrix een gestalte kan voortbren­gen, omdat de materie fijn verdeeld is en dus kan worden gebonden in krachtvelden. Maar als ik te maken heb met levende cellen, dan hebben die ook hun eigen krachtveld, hun eigen innerlijke reactie. Indien ik in staat ben om deze reactie samen te voegen met andere reacties, kan ik wel degelijk ook mijn gedachtenbeeld als een matrix gebruiken. Alleen zal de opbouw daarvan een langere tijd vergen, omdat ik gebonden ben aan het celdelingsproces. U ziet die oude denkbeelden zijn eigenlijk helemaal niet zo dwaas, als je maar naar de kern van de zaak terugkeert.

Die kern van de zaak is in 1920 ongeveer in Engeland in een gehei­me vergadering van magiërs heel aardig gesteld. Daar werd nl. naar vo­ren gebracht;

“Als wij afzien van de uiterlijkheden en uitgaan van de kracht, die de uiterlijkheid als verschijnsel veroorzaakt, kennen wij de bron van alle vorm en verschijnsel. Deze bron zal dan elke vorm en elk verschijnsel kun­nen veroorzaken. Of wij daarbij een Meester aanroepen of niet, wij zullen slagen zolang wij in staat zijn buiten uiterlijkheden om te denken en te beseffen.

Een mooie uitspraak, maar erg onpraktisch. Het is heel erg moeilijk iets moois te bekijken en dan alleen te denken aan de een of andere vaag­heid van energie. De mens is aan zijn zintuigen grotendeels onderworpen. Maar die onderworpenheid is betrekkelijk. U leeft met illusie. Als u in een bioscoop naar een film kijkt, dan ziet u stilstaande beelden, die achtereenvolgens worden geprojecteerd. U ziet echter bewegende beelden. Als u naar de televisie kijkt, dan ziet u punten die achtereenvolgens met meer of mindere sterkte op een rij worden geprojecteerd en dit op een groot aantal lijnen, maar achtereenvolgens. Uw oog ziet een compleet beeld, waarin door wisseling van die punten ook alweer beweging constateerbaar is. De werkelijkheid is dus anders dan hetgeen men ziet.

Indien ik dit besef, dan zal ik ook kunnen begrijpen waar bepaalde verschijnselen uit voortkomen. Een tv. storing wordt plotseling duide­lijk. Het is voor een leek misschien een verschrikkelijk moeilijke taak om te begrijpen hoe een elektrisch apparaat ertoe kan leiden dat de een of andere plechtige prediker plotseling het hoofd heen en weer staat te schudden als een Javaanse danseres. Maar het is eenvoudig een sto­ring in de puntenreeks, een lichte verschuiving. En als je ziet hoe er op de film allerlei wonderlijke verschijnselen worden getoond van mannen die verschijnen en verdwijnen en dat soort dingen, dan is het heel eenvoudig, indien je je realiseert dat ze alleen maar de camera behoeven stil te zetten om het volgende plaatje anders op te nemen. Zo zie je dan door je kennis door de trucage heen. Maar gelijktijdig is dit ook een mentaal proces, waarbij de visuele waarneming onveranderd blijft

Dan stel ik; Wij kunnen innerlijk weten wat de werkelijke krachten, processen en beweegredenen zijn van een bepaalde reeks verschijnselen en wij kunnen zien hoe zij tot stand komen. Want wat is magie?

Magie is het tot stand brengen van verschijnselen, waarvan de oor­zakelijkheid niet op een redelijk vlak constateerbaar is. De magiër doet niets anders dan werken en leven op een niveau dat het zintuiglijke te buiten gaat, niet noodzakelijkerwijs echter te boven. Het is een andere benadering van leven en van verschijnselen, waardoor we wonderen tot stand kunnen brengen. Een goochelaar werkt met gezichtsbedrog. Mijn be­kende uitdrukking is dan ook de hand is vlugger dan het oog. Maar hoe­veel dingen zouden vlugger zijn dan het oog?

Ik stel nu de volgende punten samen uit allerlei verklaringen van wijsgeren, denkers en hoofdzakelijk ook praktisch werkende magiërs, al­chemisten e.d.

  1. Het leven is vergelijkbaar met een essentie, die in elke vorm kan optreden, maar die om te kunnen optreden op een voor ons zichtbare wijze materie nodig heeft om zich aan te hechten. Verschijn­selen worden veroorzaakt door de essentie te werken in de materie, waarin zij zich heeft gehecht, niet door de materie zelf.
  2. De kracht die aanwezig is, is onbeperkt. Want in alle din­gen is de kracht van het leven volledig aanwezig. Indien wij deze kracht beseffen, kunnen wij door ons denken, onze concentratie en manipulatie (dat leg ik dadelijk wel even uit) gestalte geven aan de wijze, waarop deze kracht stroomt. De stroming van kracht is bepalend voor het veroorzaakte verschijnsel. Manipulatie hier wordt gedoeld op de samenvoeging van klanken, gebaren en zelfs het gebruik van etherische stoffen en voorwerpen zoals dat door de magiër gebeurde.

Dan is er een andere magiër. Die bekijkt het nog een beetje handiger. Hij zegt namelijk;

Indien ik alle krachten die ik erken, zou transformeren tot krachten die ik ken, zou ik bestaan in een wereld, waarin ik niet leven kan, omdat de verschijnselen mij volledig domineren. Maar op het ogenblik dat ik alle kracht besef op haar eigen niveau en vermogen, kan ik delen daarvan beheersen, indien zij geleid door mijn gedachten manifest worden in mijn wereld (De vertalingen zijn van mij).

Dan is er nog een heel mooie uitspraak;

Indien oerkracht bestaat, kan zij zich slechts uiten in vele gestalten. Deze zijn de dienende geesten waarop de magiër zich kan beroepen.

Hij beroept zich dus op een bepaald deel van de oerkracht en stelt zich deze voor in een bepaalde vorm. Hierdoor schept hij echter een wezen dat gelijk is aan hemzelf en dat daardoor in kracht en vermogen eveneens zijn gelijke zal zijn, met dien verstande dat het gemakkelijker de grote krachten hanteert dan de magiër zelf. Een stelling. Allemaal stellingen. Maar als we uitgaan van één levende God, Die alle dingen doordesemt en bezielt, dan kunnen we ons ook wel voorstellen dat alle vormen, waarin die God verschijnt (of dat nu in een sfeer is of op aarde) toegang hebben tot het totaal van die kracht, maar door hun wezen gelimiteerd zijn. Als een magiër voor zichzelf een beeld opbouwt, dan kent hij daaraan eigenschappen toe, en wel die eigenschappen welke hij voor zijn werk nodig heeft. Wat dus in verschijning treedt, is ofwel een reeds bestaand wezen dat die eigenschappen bezit, dan wel – maar dat vergt meer tijd en werk – een zelfgeschapen gestalte, die eveneens over de gewenste eigenschappen zal beschikken. Vanaf het ogenblik dat die gestalte optreedt, is er echter een onderhandelingspositie geschapen. De magiër spreekt misschien tegen zichzelf, maar ook tegen een entiteit die hij afzonderlijk van zichzelf heeft gesteld. Daarom is het voor hem noodzakelijk om met hulpmiddelen deze geest te richten en te dirigeren. U ziet, het is heel eenvoudig, Het leven is heus zo moeilijk niet en zelfs de magie is heel wat eenvoudiger dan de meeste mensen denken. Want als u al deze gewichtige stellingen bij elkaar neemt en u probeert daaraan een conclusie te verbinden, dan zou het deze kunnen zijn. Indien ik intens genoeg denk en wens, geef ik daardoor zij het voor mij misschien niet zintuigelijk zichtbaar, gestalte aan iets wat de wens zal verwezenlijken, wat mijn gedachte vorm geeft. Deze vorm zal onafhankelijk van mij bestaan. Als ik haar dus heb geschapen, kan ik rustig daaraan het werk overlaten.

Zeker, er zijn processen, die een – het kan een beetje doen denken aan L’Apprenti Sorcier (de tovenaarsleerling). Want als je niet weet in hoeverre je zo’n vorm moet limiteren, dan wordt het moeilijk. Als de tovenaarsleerling had gezegd. Ik wil de bezem leven geven, opdat hij een emmer water brengt, dan was er niets gebeurd. Maar in het verhaal zegt de leerling dat de bezem water moet brengen. En daar begint de grote moeilijkheid. Hij stelt alleen een actie. En als hij niet in staat is die actie terug te nemen, omdat hij haar zelfstandigheid toekent, dan wordt hij het slachtoffer totdat zijn meester komt.

Deze ziet dat het eigenlijk niets anders is dan een chimaera (monsterlijk schepsel) door de leerling verwezenlijkt, zonder dat hij beseft dat het zijn eigen kracht is die het water schept. En met een gebaar maakt de magiër alles on­gedaan. Zeker, het is een verhaaltje en ook nog een heel mooi stukje muziek.

Maar is het niet kentekenend voor hetgeen wij vaak doen? Wij zijn geneigd gedachten en wensen te projecteren. Maar er komt niets van, zeggen wij; of als het komt, dan komt het net verkeerd. Dat gebeurt zo vaak. Je wilt f 100. hebben. Je zit ernaar te hunkeren. Maar net als je die honderd gulden krijgt, zijn ze niet meer nodig voor het doel waarvoor je ze zo hartstochtelijk hebt verlangd. Dat zijn van die ver­schijnselen die je overal ziet. Dat komt gewoon omdat je niet beperkt hebt.

De gedachte die we gebruiken, is wel degelijk een kracht maar ze moet goed gedefinieerd zijn. Elke magiër werkt ermee. Hij gebruikt daar­bij stoffen die zoveel mogelijk een analogie vertonen met hetgeen hij geestelijk tot stand wil brengen. En dan komt natuurlijk de mooie theo­rie; Wij zoeken naar een stof wier uitstraling in overeenstemming is met datgene, wat wij trachten te bereiken. (Dit is vrij vertaald uit een grimoire.) Maar het belangrijkste is helemaal niet dat die stof die uit­straling heeft. Het belangrijke is wel dat ik nooit materiaal gebruik dat krachtens zijn wezen ongeschikt is. Als ik dood wil brengen, dan kan ik praktisch elk geneesmiddel en elk vergif daarvoor nemen. Maar ik kan er geen zuiver water voor gebruiken. Zuiver water kan levenskracht dra­gen en levenskracht nemen maar dat is ook alles. Het is een heel be­perkt proces. Vandaar de vergiften waarmee men in de magie heeft ge­werkt.

Om dezelfde reden zien we de magiër van voedingsmiddelen bepaalde figuren vormen. En dan vraag je je af; Waarom doet hij dat nu daarmee? Dat kan kostbaar zijn. Je zou het veel eenvoudiger kunnen doen met een paar schelpjes en een beetje zand. Theoretisch is dat waar. Voor de magiër echter is het voedingsmiddel iets wat levenskracht geeft, want als je eet, ontstaat er uit de voeding energie. Het is dus iets wat op zich­zelf aanvaardbaar is voor een menselijk lichaam. Als ik nu die kracht te­gengesteld richt, dan blijft ze nog evenzeer aanvaardbaar voor het mense­lijk lichaam, alleen de uitwerking is anders. Conclusie; aard is niet identiek met uitwerking.

Aard op zichzelf bepaalt wel harmonische en niet harmonische aspec­ten. Uitwerking wordt slechts bepaald door de wijze waarop een bepaalde kracht of een bepaald voorwerp wordt gericht. Zo zou de mens van vandaag zich misschien kunnen afvragen of de wijze waarop hij denkt niet op zich­zelf schadelijk zou kunnen zijn voor al hetgeen hij hoopt te verwezenlijken. Ik geef u een voorbeeld;

Als ik een reinigingsmachine gebruik om een stuk strand schoon te maken en ik doe dat met de opvatting dat het toch niet zal helpen, dan is de kans groot dat de machine veel vuil naar boven brengt dat weer blijft liggen. Zij verwijdert wel vuil, maar brengt gelijktijdig vuil naar boven dat ze niet opneemt. Eindresultaat nihil, het blijft vuil. Ga ik ech­ter met vol vertrouwen met die machine aan het werk, dan zal ze daaren­tegen juist de voorwerpen die nodig zijn opnemen en daarnaast zo weinig mogelijk storen. Het klinkt krankzinnig, een machine die zo zou denken. Maar het is een feit. Als je vertrouwen hebt in een machine, dan werkt ze goed. Heb je er geen vertrouwen in, dan heeft ze veel neiging tot ha­pering en tot weigering. Dit zijn allemaal punten, waarover u eens moet nadenken.

Wat zou bv. een magiër doen, als hij te maken heeft met een auto die niet wil aanslaan? Waarschijnlijk zou hij een praktisch man zijn en eerst eens kijken of er benzine genoeg in zit, of het contact aanstaat. Maar als hij dat heeft gedaan, dan stelt hij zich de gestalte, het totaalbeeld van de motor voor, zo goed hij kan. Hij voelt dan aan tussen het beeld van de werkende motor dat ik projecteer en de motor die hier staat, is een verschil. Dat verschil moet ik opheffen. Soms kan ik dat met geestelijke middelen doen, in een ander geval kan ik het nog doen met krachten die ik daarop richt. En als dat ook niet helpt, kan ik ten­slotte ook nog mijn handen vuil maken. Maar ik heb geconstateerd waar de fout zit en daardoor kan ik haar herstellen. Dit is magie die u zonder meer kunt gebruiken.

Een zeer interessant experiment is eens genomen (het zal ongeveer 500 v.C. zijn geweest door een Pers. Deze was aan het zwerven ge­raakt. Hij was o.a. in de Kaukasus terecht gekomen en daarna in Grieken­land. Hij maakte ook kennis met de Etruskische magie die in die tijd nog bestond en tamelijk sterk was, overigens ook tamelijk duister. Deze man werd bedreigd door een tovenaar die hij wegens een bedrog (om zilver, geloof ik) had ontmaskerd. Nu wist deze Pers wel dat hij niet in staat zou zijn om het in geesteskracht op te nemen tegen de ander. Hij wist echter te veel van alle zaken af om onschuldig te zijn en kon dus de hem  gezonden krachten niet zonder meer afweren. Hij gebruikte nu een aardig­heidje. Hij bouwde in zijn gedachten de gestalte van de magiër op en liet hem a.h.w. vernietigende krachten op zichzelf richten. Het verhaal ver­telt dat de magiër dit te laat besefte en daardoor onmiddellijk stierf aan zijn eigen vervloekingen Dit kunnen we eventueel wijten aan het bij­geloof van die tijd. De procedure op zichzelf is weer zeer interessant. Als ik te maken heb met iets wat mij schaadt, kan ik een beeld daarvan gebruiken om het te bestrijden. Dat is eigenlijk wat men in de homeo­pathie ook doet. Men gebruikt om een ziekte te bestrijden minieme hoeveel­heden van stoffen, die soortgelijke verschijnselen oproepen. Hij was dus gewoon een magische homeopaat. Hij gaf de kracht eenvoudig haar eigen essentie als antwoord en daardoor moest ze falen.

Wij zullen in het leven vaak staan tegenover omstandigheden die wij niet aankunnen. Je kunt natuurlijk wel zeggen; Ik betaal geen belasting, maar dat zal je niet veel helpen. Je moet dus nooit zeggen “ik betaal geen belasting”, maar wel; “hoe kan ik de belastinginner (de Staat) ertoe bewegen om mij datgene wat hij mij heeft ontnomen, persoonlijk ook te­rug te geven. Nu blijkt dat dit ambtelijk moeilijk is, maar met de juiste beïnvloeding door gedachtenprojectie kom je toch een heel eind. En dan kun je vaak allerlei bijdragen en uitkeringen ontvangen, waarop je geen recht hebt. Niet dat dat tegenwoordig iets nieuws is. Er zijn heel veel jongeren die leven van uitkeringen die ze ten onrechte ontvangen. Zelfs tegenover de Staat zou een dergelijke procedure nog wel te halen zijn. Waarom zou je dat dan niet tegenover je medemensen doen? Eenvoudig proberen het beeld te projecteren van datgene wat ze je willen aandoen, de gedachten waarmee ze jou benaderen. Het lijkt misschien of je daar­mee vijandschap schept. In feite bereik je echter dat de mens zelf wordt geconfronteerd met de essentie van hetgeen hij anderen aandoet, de ge­dachten waarmee hij anderen tegemoet treedt en zo kennis maakt met de situatie, waarin hij anderen brengt en dat kan een corrigerend effect hebben.

De eenvoudigste methoden van magie gaan eigenlijk bijna aan de mens voorbij. Ze zijn nl. zo eenvoudig, ze vragen zelfs zo weinig inspanning dat hij ze niet als magie beschouwt.

Als u een bepaald denkbeeld heeft voor het inslapen, dan droomt u daarover. Is dit een probleem, dan geeft de droom het gevoel van een oplossing, niet de werkelijke oplossing. U kunt de oplossing, die u denkt te dromen noteren, maar meestal is dat toch niets. Wat gebeurt er echter? Er is een veranderde afstemming in de persoonlijkheid gekomen. Als u het probleem dan opnieuw aanpakt, is het op te lossen. Uw visie daarop is ge­wijzigd. Waarom zou u die dingen niet als een magisch effect beschouwen?

Als je tegenover dingen staat die je niet goed begrijpt, dan moet je je probleem omschrijven en er gewoon een nachtje over slapen. Het eind­resultaat is meestal, dat je een nieuwe benadering vindt en daarmee ook de oplossing.

Als je dingen heel graag wilt, kun je natuurlijk proberen om die anderen af te dwingen. Je kunt je ook instellen op een bepaalde berei­king of een bepaald iets en daarin zo sterk opgaan, dat je de ander a.h.w. meesleept in deze sterk gerichte gedachtegang. Het resultaat zal dan wonderlijk genoeg zijn, dat je wel je zin krijgt, maar dat de an­der niet weet dat hij jou in de eerste plaats je zin geeft. Hij gaat van een heel ander standpunt uit, maar jij bereikt datgene wat je wenst.

Hypnose is ook een van de aspecten, die in de magie nogal eens voorkomt. Daarover zijn er al heel wat vreemde stellingen geweest. Hypnos was overigens de god van de slaap. Daarom stelt een betrekkelijk oud magiër dat “hij, die de god van de slaap beheerst, daarmee het wezen en het weten van de slapende beheerst” . Verder komt hij tot een aantal eigenaardige conclusies “Maar in deze slaap is zijn vermogen tot kennen niet beperkt. Indien ik hem zeg Gij zijt ziek, wat is uw ziekte, zo zal hij mij antwoorden naar waarheid.” U hoort het al, het antwoord is zo’n beetje aesculaapachtig. Het blijkt dat het inderdaad vaak heeft geholpen. Er zijn zelfs tempels geweest, waarin de droom (de slaap) een rol speelde. We zien dat zelfs nog in de middeleeuwen monniken hypnose toepasten als een middel om een diag­nose te stellen.

Hypnose is iets wat voor ons misschien wat moeilijk lijkt. Maar we kunnen daarmee een ander beïnvloeden. We kunnen een ander zo ver domine­ren, indien we maar rustig genoeg zijn en niet te krampachtig doen, dat hij op een gegeven ogenblik geen onderscheid meer maakt tussen onze sug­gestie en de waarheid. En als we hem dan de suggestie geven, dat hij heus wel weet wat hij mankeert, dan zal hij u waarschijnlijk ook vertellen, wat hij werkelijk mankeert, al wist hij het voor die tijd niet. Als we dan vragen: Wat zou je daar het best tegen kunnen doen, dan is de kans heel groot dat hij met een aantal suggesties komt. Zoek daarvan de zinnigste uit en je hebt de geneeswijze gevonden.

Magie? Zeker, het behoort tot de magie. Maar is het niet gewoon gebruik maken van de krachten die er zijn en van het feit dat alle le­venskracht een zekere harmonie heeft en dat elke kracht in zich on­stoffelijk zijnde alle stoffelijke aspecten kan overzien? Je kunt enorm veel tot stand brengen. Maar dan moet je ook begrijpen dat magiër zijn niet betekent afstand nemen van de verschijnselen, maar de bewegende krachten achter de verschijnselen erkennen.

Waarneming is voor het slagen in de magie een heel belangrijk punt. Die waarneming kan nu eenmaal niet zintuiglijk gebeuren, dus moeten we afgaan op wat sensitiviteit of gevoel heet. Je kunt het dan vaak niet uitleggen. Maar hoeveel mensen zijn er niet die op een gegeven ogenblik zeggen: Ik geloof dit of dat, of ik zie dit of dat, zonder dat ze weten waarom. Want ze hebben helemaal niets gezien en om eerlijk te zijn, geloven ze het ook niet. Ze voelen dat ze het zo moeten zeggen en daarmee bewe­ren ze dingen die later inderdaad uitkomen. Hoe kunnen we dit verkla­ren indien er niet een feitelijke voorkennis is? Een gevoeligheid voor feiten die bijna onvermijdelijk zijn, maar die op dit moment nog niet ken­baar zijn.

Evenwichten van krachten zien. Nu behoeft u helemaal niet lopen te staren, waar zie ik een evenwicht van krachten, want u ziet waarschijn­lijk niets. U kunt echter wel deze intuïtie, deze gevoeligheid anders be­schouwen. Niet als een toevallig eens raak grijpen of als een bewijs voor uw eigen begaafdheid, maar als een bewijs dat u waarneemt op een ander terrein waar o.m. die levenskrachten zich bewegen, waarop de uitstraling van voorwerpen een grote rol kunnen spelen. Als u weet dat dit gevoelig­heid is, kunt u het gemakkelijker gebruiken. U zult dan, als zo’n verschijnsel zich voordoet, weten: dit is een waarneming, niet alleen maar een willekeurige inspiratie of intuïtie. En dan kunt u achteraf zeg­gen Nu besef ik wat mijn gevoelens waren, waar ze vandaan kwamen. Je kunt de zaak gaan ontleden. En met die verstandelijke ontleding van in feite bovenzintuiglijke waarnemingen wordt het ook gemakkelijker mo­gelijk jezelf te programmeren. Want als je een ander kunt hypnotiseren, kun je het ook jezelf doen. Je kunt jezelf ook bepaalde suggesties geven en die zijn soms intens werkzaam. De suggestie dat je al dergelijke impulsen en waarnemingen onmid­dellijk in woorden zult omzetten, helpt je vaak al om op elk ogenblik dat de bovenzintuiglijke waarneming er is, dat in een paar woorden kenbaar te maken. En dan is er weer realisatie mogelijk Zo ontstaat ken­baarheid. Is kenbaarheid van omstandigheden er eenmaal en weet je dat het levenskracht is, dan is het ook duidelijk dat je door iets van je eigen levenskracht, van je gedachten daarop te projecteren, evenwich­ten kunt veranderen. Dan krijg je een zekere beheersing van gebeurte­nissen. En is beheersing van gebeurtenissen eigenlijk niet precies wat  de magiër nastreeft?

O, het is misschien allemaal veel te eenvoudig. Ik zou moeten duiken in allerlei geheimzinnige filosofieën van de oudheid. Maar waar­om zou je ze ingewikkelder maken dan nodig is? Het is helemaal niet zo moeilijk om een mens te overbluffen met de vele wijsheden die in het ver­leden zijn vastgelegd. Ik kan u wel een aantal toverboeken gaan opsommen en uit elk daarvan de nodige citaten opdreunen, maar je wordt er niet wijzer van. Zomin als we niet wijzer worden – dat moeten we goed onthou­den – van het alleen maar aanhoren van een lezing, hoe eenvoudig ook. Wij moeten de vereenvoudiging der dingen doorvoeren tot de essentie van waarneming en op de essentie van waarneming moeten wij de gerichtheid van onze wil bouwen. Dan kunnen we iets tot stand brengen.

Onze cursus gaat zo langzamerhand ten einde lopen. Dat betekent, dat we voor deze moderne tijd en zeker voor de komende tijd, enkele aan­wijzingen moeten geven die in overeenstemming zijn met de magische moge­lijkheden, waarvan we u iets hebben willen laten zien. Ik geef u het vol­gende in overweging;

  1. Als u rond u de chaos ziet en u beschouwt uzelf als bedreigd daardoor of deel ervan, dan zult u zich aan de niet gerichte im­pulsen die ervan uitstralen niet kunnen onttrekken. Chaos heeft in zich geen gerichtheid. Indien u buiten de chaos staande haar mogelijkheid weet te beseffen, haar uitstraling kunt constateren, dan kunt u ook haar uitingen dirigeren. U zult in heel veel geval­len, als er sprake is van rellen, paniek, van allerhande tegen­strijdigheden, alleen al door de realisatie en door de inzet van uw gedachtekracht voor uzelf en mogelijk ook voor anderen de loop der gebeurtenissen kunnen beheersen en daardoor de zo noodzake­lijke orde van zaken kunnen handhaven.
  2. Er zullen heel wat voorspellingen zijn in het komende jaar. Zij alle duiden mogelijkheden aan, nooit feiten. Indien ik een voorspelling ken en weet, dit is inderdaad mogelijk of waarschijnlijk, dan kan ik mij afvragen; Wat zijn de tendensen, wat zijn de voorwerpen, de invloeden, die deze conclusie hebben gewettigd? Ken ik deze, dan kan ik mijzelf daarop afstemmen en zal ik althans voor mij­zelf de uitwerking kunnen vermijden of zelfs in hun tegendeel doen verkeren.
  3. Als je tegenover een medemens staat als een vijand, dan projecteer je vijandschap. U zult dus het probleem tussen u beiden vergroten. Op het ogenblik dat u vriendschap projecteert naar uw vijand, ontneemt u hem de weerkaatsing van zijn vermogens. Zijn vermo­gen komt naar u toe, wordt geabsorbeerd, omgezet en tast de basis van zijn vijandigheid aan. Hierdoor kan een zeker vertrouwen en tenminste een gewapende vrede worden bereikt. Een dergelijke be­nadering van medemensen, maar ook vaak van degenen, die instan­ties e.d. vertegenwoordigen, zal u in de nabije toekomst mogelijk van dienst kunnen zijn.
  4. Vele dingen zijn voor u persoonlijk niet belangrijk. Zolang iets voor u persoonlijk niet belangrijk is, zult u niet tot een voldoend juiste constatering kunnen komen en zult u niet een vol­doend grote concentratie van wil en gedachten tot stand kunnen brengen. Indien u magisch wilt werken, kunt u dat alleen doen met die dingen, waarin u om welke reden dan ook geheel opgaat.

Houdt u daarmede rekening. Werk vanuit uzelf, vanuit uw ervaring, nimmer op basis van vage gegevens van anderen.

Ik hoop hiermede te hebben bijgedragen tot een beter inzicht in de magische mogelijkheden in deze tijd en tevens ook een beter begrip voor de essentie van de magie. Want de essentie is een beetje besef en een hele boel praktijk. Al wat er aan woorden omheen zit is de schijn­vorm die op elk ogenblik kan veranderen. Dit zijn allemaal maar een paar eenvoudige raadgevingen.

Het ego

De essentie van de mens is deel van de eeuwigheid. Dat wil zeggen de werkelijkheid van het “ik” ligt buiten de tijd. Waar geen tijd is, is verandering in de zin zoals men die op aarde kent niet denkbaar. Het betekent dan ook dat veranderingen in de tijd, het tijdloze wezen niet kunnen aantasten. Hierdoor wordt de volgende filosofie meer aan­vaardbaar “

“Waar ik in mijzelf het totaal ben van alle fasen en mogelijkheden die in de stof ooit in mijn wezen tot uiting zullen komen, zal dit ge­heel onverschillig, of het wel of niet wordt vervuld, mijn werkelijk­heid uitmaken. Deze werkelijkheid is onveranderlijk, maar de wijze waarop ik haar beleef (mijn reactie daarop kan zich wel degelijk wijzigen). Dit impliceert dat het “ik” onaantastbaar is. Die onaantastbaar­heid bestaat voor het werkelijke “ik” inderdaad. Maar het bestaat zeer zeker niet voor de verschijnselen, die dit “ik” veroorzaakt in de tijd, zoals bv. een menselijk lichaam. Een “Ik” dat werkelijk onaantastbaar zou zijn, zou zich kunnen vrijmaken van bv. de gevolgen van een pak slaag.

Ik geloof niet dat u over de mogelijkheid beschikt. Als u wordt gesla­gen, dan zult u pijn gevoelen en als er een bloeduitstorting komt, kunt u die moeilijk wegdenken. Slechts de kern van het wezen en niet het ver­schijnsel is onaantastbaar.

In magisch verband heeft dit ook nog wel enige betekenis. Ik zou deze er graag aan toe willen voegen. Het “ik” bestaat totaal uit een aantal mogelijkheden. Iets wat bui­ten deze tijdloos in het “ik” verankerde mogelijkheden ligt, is voor het “ik” niet denkbaar, benaderbaar of bereikbaar. Je kunt in feite nooit meer zijn en doen dan je bent of kunt. Nu is in de menselijke opvatting van de zaak er altijd sprake van een relatie tussen oorzaak en gevolg. Dat wil zeggen dat gebeurtenissen, belevenissen, ervaringen elkaar in een vastgestelde orde plegen op te volgen. In het grote “IK” is deze samenhang niet noodzakelijk, omdat immers alle oorzaken en gevol­gen aanwezig zijn en daaruit een keuze kan worden gemaakt, zonder dat de tussenliggende fasen worden doorlopen.

Indien een magiër vanuit zichzelf iets tot uiting brengt, zo moet het in zijn ego bestaan. Maar hij kan een situatie verwezenlijken, waarvoor de voorwaarden, die menselijk gezien noodzakelijk zijn (de tus­senliggende trappen) ontbreken.

De mens die aan magie wordt onderworpen, staat voor ongeveer ge­lijke problemen. Als u (in de groene magie komt dat nogal eens voor) een geest gezonden krijgt om u te kwellen, ziek te maken, te doden e.d. zo zult u daarvoor alleen vatbaar zijn, indien in het totale ego dat u buiten de tijd bent, een dergelijke ervaringsmogelijkheid is vastgelegd. Is deze er niet, dan bent u onaantastbaar. Is zij er wel, dan is het de vraag of u zich deze realiseert of niet. En nu zien we het vreemde verschijnsel optreden dat mededeling van het feit dat deze magie tegen u wordt bedreven uw vatbaarheid voor de gevolgen daarvan veel groter maakt. Anders gezegd, er moet een erkenning van de inwerking van de ma­gie zijn, plus een erkenning van een zekere mogelijkheid tot zelf beleven, voordat een magisch ingrijpen tot resultaten kan voeren.

Ook hieruit blijkt dat het “ik” in zekere mate onaantastbaar is. Datgene, wat er niet in zit, kan niemand er in leggen. Datgene, wat er niet in zit, kan ook niemand er uit halen. Maar op het ogenblik dat het aanwezig is, kan een dergelijke mogelijkheid, buiten een normale oorzaak ­en gevolg reeks om, tot werkelijkheid worden gemaakt in een stoffelijk li­chaam. Maar dit is evengoed mogelijk in de verschillende geestelijke voer­tuigen. Het ego is dus op zich wel een complex geheel, maar desondanks gefixeerd in een vaste waarde, een vaste levensbetekenis en ik zou haast zeggen met een vaste harmonie ten aanzien van de totaliteit.

De situatie wordt moeilijker, indien men niet in staat is zich de aanwezigheid van vele factoren binnen het eigen “ik” voor te stellen. Menig mens zegt; Er is een grote scheiding tussen wat ik denk en wat ik doe dus zijn gedachten niet identiek met daden. Dat is tot op zekere hoogte waar, want gedachten behoeven niet voor anderen waarneembaar te zijn, terwijl daden dat wel zijn. Maar elke gedachte die ik heb, omschrijft ook een mogelijkheid die in mij bestaat. Ik zou niet op een andere wijze kunnen denken dan volgens de lijnen die in mijn werkelijk “ik” in de eeu­wigheid zijn gefixeerd. Zo is elke gedachte voor mij een – zij het gedeel­telijke – verwezenlijking van mijn persoonlijkheid en mijn wezen.

De ervaringen die ik in gedachten opdoe, maken deel uit van mijn totale ervaringsscala. Gedachten zijn voor de mens gezien in de eeuwig­heid identiek met daden, ze zijn de realisatie van een deel van het eigen wezen. Voor de mens in de stof is de gedachte echter een drijvende kracht bij de daadstelling d.w.z. dat er tussen gedachten en daden een directe relatie bestaat.

Mijn denken bepaalt voor een zeer groot gedeelte mijn vatbaarheid voor mijn omgeving. Heel vaak is verstrooidheid dan ook een redmiddel ge­bleken. Een typisch voorbeeld hiervan kan ik voor u aanhalen.

Er was een groot gangstergevecht aan de gang kort voor de arresta­tie van Dillinger. Er werd met machinepistolen over een straat gevuurd. Onder de mensen in die straat was een man (hij was leraar) die verdiept in een probleem daar doorheen wandelde zonder te worden getroffen. Hij realiseerde zich niet het gevaar en maakte daardoor het gevaar om ge­troffen te worden voor zichzelf a.h.w. non existent of althans zeer klein. In oorlogen zien we ook soortgelijke verschijnselen. Mensen die geen rekening houden met mijnenvelden zullen, als ze maar worden gedreven door een zeer sterk gevoel of een sterke noodzaak, daar doorheen kunnen lopen zonder dat mijnen exploderen, terwijl degenen, die angstig en voorzichtig hun weg er doorheen zoeken juist wel gevaar lopen te worden getroffen. Ik kan verdergaan met die voorbeelden, maar ze stellen wel duidelijk genoeg wat ik ermee wil zeggen.

Het “ik” is in zekere mate onaantastbaar zolang het uit zichzelf niet de mogelijkheden naar voren schuift, die stroken met de voor hem niet aanvaardbare invloeden uit het milieu. Is er echter wel een der­gelijke overeenstemming, dan wordt men ook prompt slachtoffer De angst, die ik ken ten aanzien van iets wat werkelijk is in mijn milieu, betekent een vergrote vatbaarheid voor dit gevaar, voor deze werkelijkheid. De mens, die dus denkt: Ach, je kunt het werkelijke “ik van de mens toch zien als volledig onaantastbaar, is dus wel betrekkelijk, maar niet geheel juist. Dit gaat zover dat wij in de sferen te maken kunnen krij­gen met imaginaire milieus, die niet reëel voor anderen bestaan, maar waarvan de betrokken persoon toch alle inwerkingen volledig ondergaat.

Iemand, die in een hel gelooft, zal daarin de voorstelling van zijn duivels maken tot een werkelijke kwelling die hij gevoelt en onder­gaat. Degene die niet in duivels gelooft, zal waarschijnlijk met een enkele glimlach, elke projectie van geweld uit de weg ruimen, maar zal in overeenstemming met zijn eigen denken, zijn eigen besef, een milieu ontmoeten, waarin hij zichzelf evenzeer zal dienen te bewijzen.

Leven is voor een groot gedeelte jezelf bewijzen, ofschoon de mensen dat niet plegen te beseffen of te laat beseffen. Wat ik wil bewijzen, is helemaal niet dat ik meer ben dan een ander, ook al denk ik dat. Wat ik wil bewijzen is dat al wat ik ben betekenis heeft. En door dit voor mij­zelf te aanvaarden bereik ik die betekenis.

Deze bereiking zal zich dan ook weerspiegelen in mijn contact met de wereld waarin ik leef en zal zelfs grote invloed kunnen hebben op andere denkende wezens, uit de stof of van elders, waarmee ik contact maak.

Uw opdracht om te spreken over het “ik” en daarbij aandacht te geven aan het facet van onaantastbaarheid is hiermee praktisch vervuld. U bent aantastbaar voor zover u zichzelf aantastbaar stelt. En daarmee is bewe­zen, dat het “ik” een feitelijke onaantastbaarheid bezit voor alle invloe­den van buitenaf, maar zeer sterk aangetast kan worden door zijn eigen inhoud, mits deze niet eenzijdig of ontijdig wordt geuit of geprojecteerd. Alle bovennatuurlijke werkingen kunnen worden verklaard uit hetzelfde verschijnsel. In eenieder leven alle sferen. Degene die tot een besef komt van een van die sferen, zal hiermee die sfeer voor zichzelf tot werkelijkheid maken en voortaan de invloeden en werkingen van die sfeer ook aan den lijve kunnen ondervinden. Zolang dit geloof niet bestaat, deze aanvaar­ding niet aanwezig is, ook niet half onbewust of althans niet geuit is het paranormale verschijnsel eenvoudig uitgesloten. Dit is de verkla­ring voor de moeilijkheden die wetenschappelijke denkers en onderzoekers vaak ondervinden als zij de wereld van het paranormale fenomeen trach­ten te benaderen. Door hun instelling zijn zij voor bepaalde invloeden eenvoudig niet “aanspreekbaar” en zullen zij heel vaak verschijnselen die zonder hun tegenwoordigheid mogelijk zijn en steeds optreden, verdrijven.

Zij domineren met hun ongeloof zozeer degenen die aanvaarden, dat zij hierdoor hun onderzoek onmogelijk maken.

Maar als dit geldt voor een onderzoeker van een paranormaal ver­schijnsel, dan moet dit ook gelden voor elke occultist, voor elke mens. De dingen die ik verwerp, wijs ik van mij af. Ik maak het mij hierdoor on­mogelijk te ervaren. Hierbij is het niet belangrijk wat ik zeg, maar wel wat ik denk en diep in mij gevoel.

Een mens die niet in God gelooft, zal nooit met vrucht op God een beroep kunnen doen. Een mens, die in God gelooft, kan op Hem een beroep doen, omdat die God voor hem werkelijkheid is en de voorstelling, zoals zij in zijn totale wezen aanwezig is, in hem en door hem tot uiting kan komen.

Een verklaring voor de mogelijkheden van bepaalde gezond-bidders die echter niet altijd zullen slagen, maar alleen daar waar zij hun ge­dachtewereld kunnen wekken of aantreffen in het bewustzijn van de patiënten die zij behandelen.

Het zou ook een verklaring kunnen zijn voor helderzienden. Dezen zien immers niet voor alle personen, maar altijd voor bepaalde personen. Zij kunnen slechts zien voor die mensen die het zien van een dergelijk verschijnsel bewust of onbewust accepteren. Is er een absolute verwerping, dan is elke erkenningsmogelijkheid afgeschermd.

Telepathie van hetzelfde laken een pak. De telepaat die de mogelijkheid van een telepathisch rapport aanvaardt, bereikt hiermede inderdaad telepathische verbindingen, ook als deze niet geheel overeen­stemmen met de voorstelling die hij zich stoffelijk daarvan heeft ge­maakt. De mens echter die stelt dat een dergelijke uitstraling onmoge­lijk is, heeft daarmee voor zichzelf een scherm geschapen, waardoor hij zowel zichzelf belet uit te stralen als anderen belet te ontvangen.

Ik meen dat deze dingen kunnen bijdragen tot een beter begrip van wat het “ik” eigenlijk is.

Het “ik” is, zoals het in verschijning treedt, in feite een samen­voeging van de erkende mogelijkheden en onmogelijkheden. Hierdoor wordt de wereld bepaald en wordt het verschijnsel bepaald. De eigen twijfel aan de houdbaarheid van iets maakt het niet houdbaar. Je vertrouwen in de eeuwigheid of in de zekerheid van iets geeft het voor jezelf een veel grotere houdbaarheid en zeer waarschijnlijk zelfs een blijvende betekenis.

Wat in je is, breng je tot uiting. Wat je tot uiting brengt, be­paalt je beleving. Je beleving is dus de weerspiegeling van je gedach­tewereld, zoals deze in het milieu een antwoord weet te vinden.

Ik hoop, dat ik hiermede aan de gestelde eis enigszins heb vol­daan. Ik hoop ook dat u nu niet weggaat met de illusie, ik ben volle­dig onaantastbaar of met het gevoel, ik ben volledig kwetsbaar. Maar met het besef aan de hand van mijn gedachten kan ik reeds bepalen welke invloeden voor mij kunnen optreden en hoe ze mij zullen kunnen do­mineren.

Eeuwigheid

Wie telt in tijd kan eeuwigheid niet kennen, want eeuwigheid kent niet de tijd. En wie omschrijven wil de onbeperktheid uit zijn beperking, omschrijft beperking, niet de onbeperktheid van een zijn dat niet in tijd en ruimte meer is uit te drukken.

Eeuwigheid is het vage begrip, waarmee wij aanduiden een absolute onbegrensdheid in duur en mogelijk ook in plaats.

Wij zijn eeuwig. Dat wil zeggen wij zijn onbeperkt. Maar deze onbe­perktheid kan pas duidelijk worden, indien wij onze beperking verloren hebben.

Een mens die leeft als mens is gebonden aan zijn menselijk den­ken, zijn menselijke voorstellingswereld en aan de door hemzelf bepaal­de grenzen van zijn kunnen. Deze zullen hem inderdaad de eeuwigheid tot een verre droom maken. Maar soms vergeet hij, al is het maar voor een korte wijl, de beperktheid van zijn zijn en gaat hij op in iets wat hij het hoger Zijn of God noemt en zichzelf daarin verliezende vindt hij eeuwigheid. Want hij kent niet de duur van zijn beleving, ofschoon de mensen deze tellen in seconden of in uren.

In deze beleving maakt hij zich los van de regels die de mens, de wereld, bepalen. Hij leviteert, omdat de zwaartekracht niet iets is wat voor hem bestaat en slechts de relatie, vaak uitgedrukt tot een voorwerp, nog bepalend is voor de plaats, waarop hij zich bevindt en als zichtbaar wezen zich vertoont. En zo hij zich denkt op een an­dere plaats te zijn, hij is op die andere plaats en is daar kenbaar en verdwijnt op het punt, waar hij stoffelijk zou moeten vertoeven. Dit nu is eeuwigheid.

Eeuwigheid is de absolute ongebondenheid, waarin wij alleen nog onszelf zijn en in dit zelf zijn in alle ruimte, in alle tijdsvoorstellingen tot uiting kunnen komen, zonder dat wij daarbij iets verliezen van hetgeen wij zijn.

Wie droomt van eeuwigheden, droomt in wezen van een tijd die voortschrijdt zonder eind. Maar tijd juist is het denkbeeld, waardoor de eeuwigheid wordt beperkt. Zo denk niet in de tijd, maar in de onbe­grensdheid, waarin alle dingen in gelijktijdigheid mogelijk zijn, waarin gedachten niet elkaar verdringen, maar zich samen vermengen tot een totaalbeeld.

Denk aan bestaan, dat niet meer omschreven behoeft te worden en u zult voor een kort ogenblik iets van eeuwigheid ervaren.

Maar de ziel die eeuwigheid ervaart, heeft eerst zichzelf te leren kennen. En wie zichzelf kent, volledig beseffende de veelheid van mogelijkheden en beperkingen, die hij “ik” heeft genoemd en de fei­telijke onbegrensdheid van al deze dingen, hij zal eeuwig kunnen zijn.

Maar wie eeuwig is, leeft niet een in de tijd. Wie eeuwigheid heeft gekozen als zijn deel, is geen verschijning meer in ruimte die voor anderen kenbaar is. Slechts wie de eeuwigheid ook zelf betreedt, vindt daarin terug de werkelijkheid van hen die voor de eeuwigheid de ruimte en de tijd verlaten hebben.