De kleine goden

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 3) – december 1956

Naast de grote scheppende krachten in het Al, bestaan er kleinere machten die in zichzelf niet scheppend zijn. Zij zijn en blijven gebonden aan de totaliteit van wetten, die uit een bepaalde schepper voortvloeit. Zij bewegen zich over het algemeen in de grensgebieden. De z.g. kleine geesten of kleine goden – in zichzelf t.o.v. de mens vaak nog onvoorstelbaar machtig – bewegen zich ofwel op het gebied dat aan het stoffelijke grenst en vaak het astrale wordt genoemd, dan wel in de grensgebieden van de geest, die eveneens vergeleken zouden kunnen worden met een bepaald deel van de astrale wereld.

Om deze kleine goden nader te definiëren moeten we allereerst zien, wat voor kleine goden er kunnen bestaan. In de eerste plaats, bewuste wezens, die om enigerlei redenen niet de eenheid met hun schepper nastreven, maar trachten zichzelf te blijven. Zij kennen bepaalde magische aspecten, zijn vaak zeer oud en daardoor zeer wijs en maken gebruik van alle natuurwetten die de mens kent en niet kent. Zij kunnen vanuit hun astrale wereld, waarin zij voor zichzelf grote krachten weten te vergaren, werken op de materie en zij verrichten vaak grotere of kleinere wonderen.

Zij behoeven zich echter niet altijd als goden te uiten. Want er bestaan ook dergelijke geesten die – in overeenstemming met het scheppingsplan of trachtend tegen het scheppingsplan in te gaan –  leiding geven aan bepaalde groepen, die zich van deze leiding niet of ternau­wernood bewust zijn. Wij zouden hier kunnen gaan spreken over bepaalde rassengeesten, over geesten ook, die bepaalde dier- en plantsoorten leiden en ontwikkelen. Hier vinden we de duivel en de demon wel zeer dicht naast elkaar, zoals de Oosterling spreekt over de witte en de zwarte djinn.

Djinn ‑ eigenlijk demon, of duivel zelfs. Toch zijn deze duivels soms goed, soms kwaad. Ze hebben één eigenschap, die ze allen bezitten: ze zijn magiër, ze bewijzen diensten aan de mensen en ze zijn vatbaar voor zekere invloeden. Ze worden bv. aangetast door het woord “Allah”, ook wanneer ze wit zijn. Een geest, die niet de eenheid met zijn schepper nastreeft, kan desalniettemin “goed” streven, d.w.z. groei en bewustzijn van het mensdom of van een deel der schepping bevorderen. Maar zijn weigering om het Goddelijke te aanvaarden als einddoel, doet hem schrikken voor alles, waarin dit einddoel zo duidelijk kenbaar wordt, b.v. in een naam.

De duistere demon is de zelfzuchtige. Hij streeft voor zichzelf en zal vaak veel vernietigen om voor zichzelf enige voldoening te verwerven. Deze legende figuren zijn een beeld van wat in werkelijkheid ook bestaat.

De oorsprong van deze demonen en kleine goden is natuurlijk zeer verschillend. Ik noemde u de natuurlijke, degenen die door eigen ontwikkeling zich een plaats hebben verworven, waarbij zij heersend kunnen optreden t.o.v. delen der materie, of ook delen van de lagere geest. Maar er zijn ook kunstmatige goden. Kunstmatige goden worden opgebouwd door de gedachten der mensen.

Het zijn voertuigen, die zeer langzaam gevormd worden, over het algemeen in het lager astraal gebied en door het zich voorstellen van een dergelijke god, zoals mensen dit doen, een vorm verkrijgen. Wat meer is, elke eigenschap, die aan die god wordt toegekend, leeft als enige impuls. Een dergelijke god heeft dus niet – wat we zouden kunnen noemen – een zedelijk bewustzijn. Een dergelijke god wordt gedreven om de impulsen door het volksgeloof – door zijn bouwer in hem gelegd – voortdurend te verwezen­lijken. Desalniettemin heeft hij – juist door de grote mate van verering, die hij misschien ontvangt, de veelheid van kracht, die op hem geconcen­treerd wordt – een vermogen, dat verre alle voorstelbare vermogens op aarde overtreft. Hij kan mensen doden en doen herleven. Hij kan natuurrampen veroorzaken. Hij kan schatten eenvoudig uit stof scheppen en dergelijke. Deze kleine goden zijn op aarde nog zeer machtig. Machtig vooral voor degenen die zich aan hen onderwerpen.

Naast de kunstmatige god, die door de groep wordt opgebouwd, vinden we een kleinere god, die in feite zichzelf opbouwt. Dit duidelijk te maken vraagt een voorbeeld. Stellen wij dat een mens overgaat. Deze mens blijft zich van zijn wereld bewust; bv. een dronkaard, aangetrokken door zijn voortdurende begeerte tot drank. Hij weet het nu zover te brengen, dat hij via het lichaam van een ander aan de aangename sensatie van het drinken – zij het misschien voor een klein part – deel kan hebben. Hij zal nu voortdurend een ieder die drinkt, gaan helpen en bijstaan, opdat deze zal blijven drinken. De drinkers krijgen een vertrouwen in dit “geluk”. Zij blijven dit geluk aanroepen, ja, komen er soms toe het te vereenzelvigen met een bepaald voorwerp, een amulet, een bepaalde omgeving en dergelijke. Hun vertrouwen en hun overgave op de duur aan dit “geluk” brengt met zich mede, dat de invloed van deze kleine mens, die niet eens het licht durfde of kon betreden, steeds groter wordt. En de krachten, die zijn sujetten – degenen, die hem erkennen – hem geven, maken het hem makkelijker zijn eigen begeerten door middel van de mensheid steeds sterker te bevredigen.

Deze kleine goden zijn zeer gevaarlijk. Zij zijn gebonden aan plaats en komen over het algemeen alleen daar voor, waar de slechtere hartstochten van de mensen hun spel spelen. Wie het slachtoffer wordt van een dergelijke god, kan daarmee breken door een bepaald aspect van zijn leven eenvoudig te ontkennen, niet meer te zien, er niets meer aan te doen, enz.

Ik heb nu nog niet gesproken over natuurgeesten. Ook deze worden soms als goden gezien, zoals de elfenkoning Oberon eigenlijk in menig sprookje tezamen met Titania een soort van pseudo‑godenpaar vormen. Of – indien U een ander voorbeeld wilt hebben – de Russische figuur van Baba‑jaga, de machtige heks, is ook zo’n pseudo godin. De kleine goden kenmerken zich voortdurend door het volgende: een direct ingrijpen, niet in het totale lot der mensheid, maar speciaal in het lot van één enkele mens of van enkele mensen. Ze zijn persoonlijke goden. Ze zijn veel gevoeliger voor verering en ontkenning dan de grote scheppers. Hun hele strijd is gericht op het behouden van de invloed, die ze hebben. Ze hebben daarvoor alles over en zullen soms zichzelf vernietigen in een wanhopige poging om verloren invloeden te herwinnen.

De resultaten, die uit het werk der kleine goden kunnen voortspruiten voor de aarde, moet ik hier even noemen. In de eerste plaats: de kleine goden kunnen de mensen zeer veel geluk geven. In de tweede plaats: de kleine goden zullen te allen tijde voor wat zij geven iets in ruil verlangen. Over het algemeen verering, aanbidding, soms ook bloedoffers. De kleine goden zullen zeer sterk staan op een zeker ritueel. Zij verbinden voortdurend hun verering aan reeksen van gewoontehandelingen en zullen door deze gewoonten, die ze de mens steeds dieper trachten in te prenten, hun eigen invloed op die mens versterken. De kleine goden kunnen ook veel onheil brengen. Zij werken voor het brengen van onheil wel met bovennatuurlijke middelen, maar toch bij voorkeur door middel van enkele mensen.

Wanneer zij komen op het pad van de geest die naar bewustzijn zoekt, zien wij de kleine goden vaak als poortwachters. Zij beheersen een bepaald gebied en wensen niemand de mogelijkheid te geven zich te bevrijden van de invloeden, die hun eigen macht bepalen. Zo zal de geest, die naar bevrijding streeft en uittreedt, zeer vaak deze demonen of kleine goden tegenover zich vinden als tegenstanders. Op het ogenblik dat hij hen erkent, dat hij hen door hen aan te spreken aanvaardt volgens hun eigen waardering, dan wel door angst mede in zijn eigen leven en streven betrekt, is het hem onmogelijk verder te gaan. Zij belemmeren zo iemand, binden hem in hun eigen omgeving en trachten hem te gebruiken voor hun eigen werk. De geest daarentegen, die geen vrees kent noch zich door allerhande verlokkingen, door de bekoorlijkheden misschien ook van het gebodene, laat verleiden, blijkt door deze geest heen te gaan alsof hij niet bestond.

Dit laatste lijkt mij zeer belangrijk. Een ieder die streeft naar geestelijke bewustwording en daartoe het stoffelijke slechts middellijk wil gebruiken, zal op zijn weg de kleine goden vinden, die trachten hem te binden aan hun eigen sfeer, hun eigen werkzaamheden en gedachten. Slechts degene die alles wil prijsgeven om zijn eigen doel na te streven, de kleine goden terzijde latend, is in staat om voort te gaan tot de grote goden, tot de scheppende krachten van zijn eigen wereld en bewustzijn.

Om nu het standpunt van de mens – vooral tegenover de kleine goden – mede te helpen bepalen, lijkt het mij goed u enige punten te wijzen, die u in het eigen leven steeds kunt terugvinden. Bij de kleine goden – waarvan de allerkleinsten behoren tot wat u geleidegeesten noemt, want ook deze zijn uiteindelijk machtiger dan u en kunnen in uw leven soms ingrijpen – ontdekt u de volgende aspecten:

In het leven komen perioden voor, waarin voortdurend dezelfde mogelijkheid wordt geboden. U krijgt nooit één kans op iets; er zijn er altijd meerdere. De leerstelling, dat men het geluk bij de voorlok moet grijpen, omdat het achterhoofd kaal geschoren is, is alleen in zoverre waar, dat de mens meestal te zeer het verloren geluk, de verloren mogelijkheid betreurt, om bereid te zijn de nieuwe mogelijkheid te vatten. Doch indien u zich de moeite getroost het eigen leven na te gaan, zult u ontdekken dat bepaalde verschijnselen – ten goede of ten kwade, volgens uw huidig oordeel – voortdurend in reeksen zich voordoen. Wanneer u één dubbeltje vindt, dan vindt u meer op die dag. Wanneer u één ongelukje hebt, kunt u er zeker van zijn dat er meerdere volgen. Wanneer u één persoon ontmoet, die u iets van esoterische wijsheid verkondigt of tracht te verkondigen, kunt u er zeker van zijn, dat in de komende periode meerdere van die personen op uw pad komen. Wanneer u zoekt naar een bepaald antwoord, dan zult u soms ontdekken dat u niet één keer, maar wel tien keer een boek in handen krijgt, waarin iets staat, waaruit het antwoord kan komen.

Ik wijs op deze kleine feiten, om u duidelijk te maken wat de kleine goden doen. De kleine goden zijn niet in staat u te dwingen. Maar zij kunnen wel omstandigheden scheppen in uw omgeving. Die omstandigheden scheppen zij zodanig, dat u door eigen vrije wil – en anders niet – in staat bent deze gelegenheden te gebruiken. Dat die gelegenheden geestelijk vaak heel anders worden gewaardeerd dan stoffelijk, zal voor een ieder, die onze lezingen volgt, duidelijk zijn. Desalniettemin is het wel uitermate noodzakelijk om na te gaan, of de gelegenheid die geboden wordt, verantwoord aanvaard kan worden. Zegt u “neen”, meen dan niet dat elke gelegenheid voorbij is, dat het hoofdstuk is gesloten. U zult ontdekken dat steeds weer hetzelfde terugkeert. En deze terugkeer biedt u dan in verschillende varianten dezelfde mogelijkheid, dezelfde ervaring, hetzelfde geluk of ongeluk.

Indien u met de kleine goden wilt strijden, dan zult u soms hun gaven, die ze u haast opdringen, moeten verwerpen. Want u kunt nooit verwachten, dat de kleine goden u iets geven op een wijze, waardoor u slechts hebt te aanvaarden. Ge zult altijd voor de aanvaarding of de ver­werping zelf een daad moeten stellen. Dit zelf een daad stellen is uw vrijheid. Indien zonder dit een geest of kleine god op u zou kunnen inwerken, u zou een slaaf zijn van elke macht, die wenst u te bezit­ten, te regeren. Dat is toch duidelijk? Indien jijzelf niet eerst zou moeten toestemmen, dan zou elke macht met grotere kennis, met grotere geestelijke of stoffelijke vermogens, u kunnen overweldigen en dwingen mee te gaan in zijn eigen ontwikkeling volgens zijn inzichten. Waar de daad noodzakelijk is, zijt gij juist hierdoor gevrijwaard voor elke invloed der kleine goden, die u niet wenst te ondergaan. Aan de andere kant zult u ‑ juist door de mogelijkheden, die de kleine goden u bieden ‑ vaak voor uzelf een ervaring, een bewustzijn rijker kunnen worden.

De naam die de meeste mensen geven aan het werk der kleine goden, is: “Noodlot, tegenslag, ik heb het niet geweten, ik kan er niets aan doen.” En de naam, die ze er aan zouden moeten geven, is: “Ik wist het niet, maar wetend zal ik het gebruiken. Ik streef daar niet naar, maar het past in mijn streven en dus zal ik het aanvaarden. En wat er ook ge­beurt, ik ben altijd sterker.” Wanneer men die drie namen geeft aan de kleine goden, of ‑ zo u wilt ‑ aan de toevalligheden van het leven, dan zult u ontdekken dat u, door deze regels te gebruiken, voor uzelf de kleine goden leert beheersen, daarmede meer meester wordt over uw eigen wereld en meer gebruik kunt maken van de gaven, die u door licht zichzelf en duister gelijkelijk zullen worden geboden gedurende uw hele aardse bestaan.

Over deze kleinere machthebbers, zoals er rond uw wereld zo veel zwerven, moet ik nog enkele laatste punten opsommen. Uit mijn uiteenzetting in het begin, waarbij ik u drie verschillende typen noemde, is u reeds gebleken dat hun beweegredenen geheel andere kunnen zijn. En daarom is het noodzakelijk voor de mens, die leeft en zoekt naar bewustwording, dat hij zich niet bezighoudt met de beweegredenen van de kleine god, indien deze ingrijpt, maar voortdurend zijn eigen inzichten blijft volgen, ongeacht de consequenties, die dit schijnbaar of reëel moge hebben. Over het algemeen zal blijken, dat de dreiging van de kleine god met consequenties groter is dan zijn vermogen om u deze consequenties daadwerkelijk te doen ondergaan.

In de tweede plaats zal blijken, dat de kleine god vaak niet in staat is zijn beloften te vervullen. Er is hier sprake van een zekere onvolmaaktheid. Ongetwijfeld zal elke geest – onverschillig of hij een natuurlijke, een kunstmatige kleine god is, of zelfs een overgegane die zich macht en bewustzijn heeft verworven – trachten om zijn woord gestand te doen. Dit is immers noodzakelijk om zijn invloed te handhaven. Maar dat neemt niet weg dat hij vaak zal falen. Falen, omdat de kleine god in uw wereld niet kan handelen tegen het bewuste streven van de mens in. Nu gebeurt er veel op de wereld, dat wij – althans voor een groot gedeelte – mogen wijten aan dergelijke kleine goden en hun invloeden. Maar het feit dat het gebeurt, is tevens een bewijs van de zwakte van het menselijk denken. Wanneer door onze groep wordt gesproken over gedachtekracht als een machtig wapen, dan is dit niet alleen maar om de directe werkingen, die we kunnen verkrijgen met de straling der gedach­ten. Het is ook om de kracht, die wij verkrijgen juist door het vaak ge­zamenlijk denken, door het gezamenlijk streven in de geest, om de kleine goden van hun baan te dwingen.

De scheppende krachten – of het nu geestelijke of materiële scheppers zijn – zijn sterker dan alle kleine goden. Dat zij niet ingrijpen in het werk van de kleine goden, zolang hiervoor geen directe reden bestaat, vloeit voort uit het feit dat de kleine goden een deel van hun schepping uitmaken. Maar wanneer een groot gedeelte der schepping zijn vrijheid tracht te verwerven of te behouden tegenover deze kleine goden, dan zal het scheppend vermogen – hetzij geestelijk of stoffelijk -een evenwichtstoestand stellen, waarbij niet de strijd overbodig wordt, maar waarbij de mogelijkheid tot zelfhandhaving voor beide partijen aanwezig blijft.

Uit deze strijd ontwikkelt zich voor de mens een nieuw bewustzijn. En voor de kleine god vaak nieuwe kracht of nieuwe mogelijkheid. De kleine god zal dus uit deze strijd rijker te voorschijn komen, indien hij strijd volgens eigen beste weten en niet zijn krachten verspilt omwille van een spel van lusten en gedachten. Voor de mens betekent het, dat de strijd tegen de kleine goden, de strijd soms ook met kleine goden tezamen tegen andere invloeden, voor hem wordt een voortdurende vergroting van eigen kracht, van eigen vermogen. Op de duur een vermogen, dat in staat stelt de wereld der kleine goden te passeren en in de plaats daarvan nieuwere en grotere werelden te betreden, waarbij de onmiddellijk scheppende principes van de kleine scheppers kenbaar en duidelijk worden.

De kunstmatige kleine god zal een dergelijk doel nooit kunnen bereiken. Ja, het streven daarnaar is hem zelfs onmogelijk. Vandaar dat deze de meest hardnekkige is in het trachten de mens terug te dwingen tot zijn zuiver menselijke afhankelijkheid.

De natuurlijke kleine god zal veelal de mens trachten te helpen, mits het streven van die mens in overeenstemming is met zijn eigen richting van ontwikkeling. En hier bestaat zowel de positieve als de negatieve richting, dus de vormende en de vernietigende. Elk van deze natuurlijke goden zal slechts die personen bijstaan, die streven in eigen ontwikkelingsrichting. Zij zijn echter niet zozeer geneigd als de kunstmatige goden om de mens klein te houden.

De derde soort, de overgegane die zich – hetzij door kennis of anderszins – vermogens heeft weten te verwerven, waardoor hij kan ingrijpen in het menselijk leven en daar de mogelijkheden wijzigen, zal voortdurend trachten de mens tot ontwikkeling te helpen, mits deze ontwikkeling inhoudt een vergrote mogelijkheid tot bevrediging van eigen verlangens.