De komende mens

23 november 1956

Ik heb natuurlijk de gebruikelijke waarschuwing uit te spreken. U weet allen, dat wij in ons leven een voortzetting zijn van ons aards leven, dat wij achter ons hebben. Dit houdt in, dat de volmaaktheid wel wordt nagestreefd, maar nog niet bereikt is. Wij zijn niet alwetend en niet onfeilbaar. Vandaag zou ik willen spreken over: De komende mens.

Niet als toekomstdroom, maar als een ontwikkeling uit het verleden, eventueel met het heden vergelijkbaar. Toen de mens jong was en nog geen “mens” heette, slechts beschikte over een zeer beperkte taal, was deze mens aangepast aan de omstandigheden. Ook sedertdien hebben wij voortdurend moeten bemerken, dat het menselijke zich aanpast aan de condities, die het ontmoet. De komende mens van het verleden had wel degelijk zijn eigen opvattingen omtrent beschaving en cultuur. Dat dezen sterk verschilde van wat u thans kent, is begrijpelijk. Dat deze mens beschikte over capaciteiten, die u vreemd zijn geworden, zal misschien minder begrijpelijk zijn, maar vloeit toch logisch voort uit het wezen, dat “mens” heet.

Bij een dier met een zeer beperkte vocabulaire, ik wil hier bv. wijzen op uw geliefde huisdieren als hond en kat, die meestal in taal niet boven de 5 á 10 vaste uitdrukkingen uit. Enkele dieren, door omgang met mensen, komen op de duur tot een vocabulaire van 50 woorden, maar dan hebben wij ook werkelijk alles gehad. Toch bevatten zij alles en weten zij elkaar zeer veel duidelijk te maken. Zij doen dit door een proces, dat bij gebrek aan beter, door mij hier wordt betiteld met “associatieve telepathie”. Associatief, omdat het telepathisch proces niet direct en onmiddellijk begint, maar begint plaats te vinden aan de hand van karakteristieke handelingen en geluiden, waarna een soort instelling op elkaar wordt bereikt en de achtergrond van deze geluiden en houdingen  ondanks het feit, dat zij op zichzelf beperkt zijn in aantal  toch zeer duidelijk en zo herkenbaar doordringt tot de partner.

Wij kunnen dit heel sterk zien bij verschillende katachtigen: leeuwen en tijgers. Vooral bij de leeuw, wanneer hij jaagt in verband, dus met zijn kudde van wijfjes. Wij zien bv. hetzelfde bij de vos en zijn wijfje. Wanneer dezen samen jagen, dan is er van een zodanige harmonische samenwerking sprake, dat het onmogelijk daar aan te nemen, dat dit nu maar zo toevallig gebeurt. Dan hoeven wij niet te spreken over een geplande strategie, maar moeten wel rekening houden met een voortdurend contact, ook wanneer de dieren elkaar tijdelijk niet zien. Dit nu, was het begin van de mens. Een uitbreiding van dit kenvermogen. Met uiteindelijk een vergroting van de reeks associatieve prikkels, bracht de mens tot zijn taal. Hij had toen nog lang niet de menselijke gedaante. Hij behoorde eerder nog onder de aapachtigen thuis en wist zich, samenlevende o.a. met de kudden op de vlakten en de weiden, puszta’s, aardig te handhaven  en wat meer is – langzaam maar zeker de omstandigheden in zijn voordeel te wijzigen. Wanneer wij deze periode bezien, dan vallen ons twee punten wel buitengewoon zeer sterk op. In de eerste plaats, dat deze kudden mensen, of komende mensen, een zeer hechte eenheid wisten te vormen. Hechter dan u zich op het ogenblik kunt voorstellen.

In de tweede plaats, dat zij in hun samenwerking, voortdurend uitingen van het principe, dat de slimheid tegen de kracht moet winnen. U vindt het misschien vreemd, dat ik deze dingen naar voren breng en toch ook in deze tijd over de komende mens wil gaan spreken.  Dit staat i.v.m. bepaalde psychologische aspecten Ook de mens van heden, evenals de mens uit het verre verleden, is geplaatst in een milieu, dat hem met geweld dwingt, dat aan alle kanten overmacht stelt tegenover zijn eigen begeren. Zoals in de oude tijd groepen en groepjes zich leerden door slimheid te onttrekken aan geweld en zich met succes daartegen te verzetten, zo zal ook de tegenwoordige mens leren om de gevaren van deze tijd te ontgaan.

Was vroeger hoofdzakelijk het gevaar in de natuur te vinden, ligt het tegenwoordig maar al te veel in beschreven in gedrukte papieren. Het gevaar op zichzelf is gelijk en dwingt een psychische conditionering van de mens af. Wat meer is: er zijn gebieden, waarbij de taal niet meer vrij is. Dat is nu hier niet het geval, maar er zijn gebieden, waar een gesproken woord doodsgevaar kan betekenen.

Dit dwingt juist in deze streken de mens om weer terug te gaan tot zijn systeem van associatieve telepathie. Hij moet nu uitdrukken, wat hij denkt, zonder dit onder woorden te kunnen brengen. Hij moet van het vatbare, het concreet geuite, terug tot het subtielere, niet kenbaar geuite. Het resultaat zal duidelijk zijn. Nieuwe begripswerelden gaan zich open en nieuwe mogelijkheden doemen daardoor op. Zoals in die oudheid de mens, juist door zijn vermogen tot steeds meer en sterker associëren van bepaalde denkbeelden met zeer simpele prikkels, kon komen tot een beheersing van zijn milieu, van zijn omgeving, zal ook de moderne daarin moeten slagen. De oude mens overwon in de eerste plaats de natuur door zich vrijplaatsen te verschaffen. Tegen het geweld der natuur zocht hij bescherming in holen, tegen het geweld van de wilde dieren op ontoegankelijke plaatsen. Hij zocht het gezelschap van die dieren, die hem behulpzaam konden zijn bij de jacht. De mens gebruikte bv. al in zeer vroege perioden groepen van wolven. Half tamme dieren, ook voor hem zelf vaak gevaarlijk, die zijn gezellen waren bij de jacht  op groot wild en het hem daardoor mogelijk maakten in de eerste plaats wild te volgen  wat hijzelf niet kon. Maar deze wolvenkudden hadden een uithoudingsvermogen, waardoor de mens het grote wild  kon volgen en op de duur  als het vermoeid was – naderen, hij had nl. meer tijd: de uitputting, het zigzag lopen  kon door de  mens worden voorkomen. Door deze manier heeft hij dus door gebruikmaking van hulpmiddelen voor zichzelf zekerheid en veiligheid geschapen. De middelen daarbij gebruikt zou ik weer willen delen in twee groepen. De offensieve en defensieve zekerstelling van eigen leven.

De offensieve bestaat in het gebruik maken van wapens, het gebruiken van voorzorgen, kortom, het tegenover de wereld altijd weer te zorgen beschermd te zijn en in vele gevallen aan te vallen.

Het offensieve systeem berust op een overzien van de toestand en het aanvallen op de zwakste punten, gelijktijdig zich strategisch terugtrekkend, wanneer een overmacht mocht blijken. Deze strategie was die van vele kleine stammen. Zij wisten door hun samenwerking en hun voortdurende aanvallen in sommige gevallen ravijnen en valleien, waarin zij zich bij voorkeur vestigen  onbegaanbaar te maken, of gevreesd te maken, bij soorten, die wel erg gevaarlijk waren,

Verder kenden zij een defensief systeem. Dit bestond in de eerste plaats uit een voortdurende waakzaamheid. In de tweede plaats in een voortdurend revalueren van de condities. Dus een  steeds weer herwaarderen van al wat zich voordeed. Dit heeft overigens in de bewustwording een grote rol gespeeld. Want juist dit voortdurend herwaarderen van schijnbaar vaste waarden, in verband met nieuw optredende omstandigheden, heeft de mens geholpen aan een zo sterk ontwikkeld geheugen. Dit geheugen is voor hem wel een van de bouwstenen geweest van het menselijk zijn volgens het huidige inzicht. Verder: het zoeken van ontoegankelijke oorden. Wanneer wij nagaan hoe die primitieve volkeren leefden in holenwoningen, dan valt ons steeds weer op, dat die uitgangen in die holen betrekkelijk smal en klein zijn, eenvoudig versperd kunnen worden, dan wel, dat men in grotten op bepaalde tafels a.h.w. dus hoogten, zijn eigenlijke woningen, zijn vuurplaatsen, bouwt, terwijl de toegang daartoe niet beklommen kan worden, zij het dan met hulpmiddelen, die eerst uit het hol naar beneden worden gelaten.

Wij zien, ook overigens heden ten dage bij sommige stammen, dit systeem nog. Denkt u maar aan bepaalde groepen Maleisiërs bv. en ook bij de Bataks vinden wij, dat die hun dorpen zo bouwen, dat zij op palen staan in het water en de toegang daartoe zo stellen, dat die betrekkelijk eenvoudig kan worden verbroken. De toegang naar de wal is snel te verwijderen, of, in andere gevallen, wordt die alleen per boot onderhouden. Dat zijn nog overblijfselen uit die tijd. Bv. in Zwitserland heeft men dergelijke paaldorpen gehad en dat is al veel langer geleden. Ik hoop u hiermede duidelijk gemaakt te hebben, dat twee factoren voor het vormen van de mens belangrijk waren. Zijn systeem van aanval en zijn systeem van verdedigen.

Daarmede kunnen wij eigenlijk de hele zaak terugbrengen tot de strategie van het menselijk denken. En die is blijven bestaan. Op het ogenblik in de maatschappij kent u het offensieve systeem en het defensieve systeem. D.w.z. u probeert anderen te overvleugelen. U valt a.h.w. de maatschappij aan om haar iets af te dwingen. Daarnaast kent u bv. verzekeringssystemen e.d., die zeer zeker defensief genoemd kunnen worden. Dus… .in het huidig denken zijn beide waarden aanwezig. De reclame bv. is weer offensief, om nu eens iets te noemen. Uw wijze van belasting, staatsregeling, is in de meeste gevallen weer defensief.

Deze waarden, aanwezig zijnde in de huidige mens, vloeien volgens mij hieruit voort, dat onder omstandigheden, die de mens met zijn leven en vrijheid in gevaar brengen hij nu op psychische weg zal zoeken naar dezelfde mogelijkheden, die eens in meer fysieke omstandigheden zijn voorvaderen hebben gezocht en gevonden. De komende mens zal zeer zeker zich beginnen terug te trekken van de mensheid. Hij heeft een heiligdom nodig, waarin hij voor anderen vluchten kan. Dat kan hij alleen, wanneer hij onverschillig wordt. Wanneer hij de wereld van zich afstoot en slechts enkele banden daarmede knoopt, niet te veel.

Verder ook: zijn offensief systeem. Hij zal voortdurend trachten zijn eigen misnoegen tegen de maatschappij bewust en zelfs onderbewust te uiten. Hoe dit op het ogenblik reeds werkt, kan ik u ook wel even aantonen. Er zijn op het ogenblik veel mensen met werk dat zij eigenlijk veel liever niet verrichten. Zij voelen zich hierdoor in hun vrijheid beëngd en benauwden het eigenaardige resultaat is, dat de degenen, die hieronder lijden, zeer veel fouten maken. Een soort van onbewuste sabotage plegen. Vraagt u het maar eens aan grote fabrikanten. Zij zullen hun bedrijfspsychologen laten bevestigen, wat ik u hier zeg. Ook defensief. Kijkt u naar de jeugd van tegenwoordig. Zich afzonderend in kleine groepen, die soms tot massale demonstraties samen komen, maar over het algemeen een geheel eigen afgezonderd wereldje scheppen, met een aparte taal, met aparte gebruiken, aparte sociale waarderingen  en meestal een grote minachting voor de wereld rond hen. Dat deze groepen ontstaan is te wijten aan het offensief, dat de jeugd opent tegen de maatschappij, die voor haar benauwend wordt. Zij zoekt dit niet in de eerste plaats in een fysieke uiting. Zeker, dit is het resultaat daarvan. Maar de mentaliteit, die voor de daad komt, is het resultaat van een verdediging.

Nu ga ik weer verder met mijn volkeren, waarbij de spraak ook al beperkt wordt. Wat zullen wij daar zien? Een steeds sterker aanvoelingsvermogen t.o.v. gelijk gezindheid en of andere gezindheid. Wat meer is: de mogelijkheid om met hetzelfde woord, dus met dezelfde klankprikkels, door kleine veranderingen geheel andere gedachtebeelden op te roepen.

Dit zal zich ongetwijfeld uitbreiden naarmate de vrijheid van de mens in de maatschappij minder wordt. Het bargoens, dat vroeger de asociale groepen hadden, zal langzaam maar zeker wat achteruitgaan in betekenis. Daarvoor komt in de plaats de gewone en normale taal, maar gebruikt met bepaalde intenties, die alleen door gelijkgezinden geheel kunnen worden begrepen. Dit is natuurlijk niet alleen ten nadele. Het heeft zeker ook zijn voordelen. Denk bv. aan de revolutie in Hongarije. Al die opstanden op het ogenblik in gebieden, waar eigenlijk een opstand niet mogelijk zou moeten zijn. En al die verrassingen, waarvoor niet alleen oostelijke, maar ook westelijke staatslieden voortdurend komen te staan.

Men kan de gemeenschap van het volk nog wel leiden, maar men is niet meer in staat om de psychische reacties van de kleinere groepen te blijven beheersen. De uiterlijke macht is aanwezig, de innerlijke macht wordt gebroken.

Dit is belangrijk. Want de nieuwe mens  ik zou haast zeggen: homo nuovo  zal ongetwijfeld terugvallen op zijn primitieve verdediging. En dat is zelfontwikkeling. Het is een zodanige aanpassing van het “ik”, dat  zij het dan zijdelings  er gevaren bedwongen kunnen worden, die de maatschappij biedt voor zijn vrijheid en zijn wezen.

In het verleden hebben wij nog meer gezien. Daarin zien wij op een gegeven ogenblik in betrekkelijk korte tijd een reeks van ontstellende mutatievormen. Velen daarvan zijn weer ten gronde gegaan en hebben niet lang geleefd. Anderen zijn overgebleven en zijn uw voorvaderen. Deze perioden van sprongmutatie vallen eigenaardig genoeg samen met vulkanische gebeurtenissen, met kosmische rampen e.d.. Wij kunnen dus aannemen, dat ook dergelijke invloeden van groot belang waren voor de stoffelijke omzetting. Voor de verandering van de mens zijn plotselinge aanpassing bij geheel nieuwe condities. Ik blijf spreken over een aanpassing. Ook de mutant zal zich aan moeten passen aan de maatschappij, maar zal dit, mits van een regelmatige mutatie kan worden gesproken, doen op een wijze, die zijn voorvaderen nog niet kenden. Het zou dwaas zijn om te beweren, dat de komende mens geen mutatievorm zal zijn van de huidige. Een mutatievorm, omdat de geestelijke behoeften van de tegenwoordige mens een ander lichaam vraagt, een lichaam met andere capaciteiten en mogelijkheden dan vroeger aanwezig waren.

Ik stel mij daar o.a. het volgende van voor. In het verleden hebben wij gezien, dat bij deze mutaties de denksnelheid en de reactiesnelheid aanmerkelijk vergroten op het bewuste vlak, Gelijktijdig is een kleine vertraging van de onbewuste reactie te vinden. Omgezet in deze tijd. Denkt u niet, dat deze nieuwe vorm zal beginnen met zijn denkproces verre op te voeren boven het huidig aanvaardbare. Ik bedoel niet, zoals u misschien denkt; mutanten,  die supermensen zijn. Helemaal niet. Dat is een onmogelijkheid.

Een mutant, die eventjes een paar atoomformules uit zijn mouw schudt, door zijn buitengewone krachten de vloer veegt met een paar leeuwen en tijgers en met hypnotisme een stad bedwingt, dat is een sprookje en zal het wel blijven ook.

Maar de mutant, die in staat is meerdere problemen, onafhankelijk van elkaar door te denken, a.h.w. drie, vier lijnen tegelijk te telefoneren, die lijkt mij dichterbij te liggen. Een splitsing van gedachteprocessen lijkt mij een stoffelijke mogelijkheid, die het eerst als mutatiemogelijkheid kenbaar zal worden.

Daarnaast stoffelijke aanpassing. De eigen reactiesnelheid zal iets groter worden. Wij kunnen aannemen, dat in de eerste vormen de bewegingen dan iets spastisch krijgen, iets krampachtig. Verder zal de tendens van de mens om zich niet te veel meer te verplaatsen op eigen kracht  als je tegenwoordig een wandeling maakt van 10 km is dat heel wat, dat heb ik zo horen zeggen, misschien zijn er wel, die meer wandelen, maar van degenen, die wij ontmoeten, vinden de meesten 50 km al een heel eind. Die zijn niets vergeleken bij de trekkers van vroeger, die rustig drie á vier jaar achter elkaar doorwandelden en daarbij afstanden van soms 10 tot 15.000 km aflegden. Dus de ledematen van de mens krijgen een beetje andere bestemming.

Wanneer nu de gedachteprocessen meerdere handelingen gelijktijdig mogelijk maken, dan lijkt het mij logisch, dat de mens een ontwikkeling gaat vertonen, die zijn vormgenoten uit een ver verleden, de apen, op het ogenblik al hebben. Nl. een verlenging van de teen en een vergroting van de bewegelijkheid van de grote teen t.o.v. de anderen, tot deze uiteindelijk ook omkeerbaar wordt, zodat als met de hand, ook met de voeten zal kunnen worden gewerkt.

Ja, u lacht daar misschien om. U ziet zichzelf al kopjes afwassen met uw voeten, gelijktijdig een berekening maken met uw rechterhand en links nog eventjes een klein knutselwerkje afmaken.

Het klinkt wat dwaas en deze voorstelling is ongetwijfeld ook even sprookjesachtig als andere voorstellingen, die ik zo-even opriep. Toch meen ik, dat de mens steeds sterker op het bedienen van instrumenten zich zal gaan instellen, op het gebruiken van hulpmiddelen. Wat meer is: dat hij zijn eigen krachtsinspanningen aanmerkelijk zal gaan beperken lichamelijk, ondanks al uw sport-rages op het ogenblik, op de duur vermindering daarvan en daarvoor  in de plaats een veel grotere gevoeligheid, veel grotere sensitiviteit in geestelijke en stoffelijke zaken.

Nu zult u zeggen: waarom zoveel gesproken over deze dingen, die nog geen werkelijkheid zijn? Misschien ook wel, omdat ik de tekenen van dit komende meen te herkennen in de gebeurtenissen van deze dagen.

Maar daarnaast ook – om u duidelijk te maken – dat het heden een voortdurende schakel is tussen verleden en toekomst. Je kunt niet zeggen, dat het verleden gescheiden staat van het heden. Evenmin kun je dat van de toekomst zeggen. Je moet zeggen, dat door alles een gelijke tendens loopt. Eén draad, die al deze dingen aaneenrijgt tot het een parelsnoer van gebeurtenissen is, in zichzelf schoon en ononderbroken.

De draad, die dit alles samenhoudt, is tweeledig gevlochten, bit de stoffelijke capaciteiten van het dierlijke, dat de mens tot voertuig dient en de geestelijke capaciteiten van de mens, die in de psyche heel sterk hun spiegeling kunnen vinden.

Deze beiden zijn continu. De eigenschappen, die in den beginne aanwezig waren, zijn er nu nog en zullen er altijd blijven. Zij zijn bepalend voor het menszijn in zijn stof geestelijke vorm. Dan kunnen wij daar eigenlijk over filosoferen zolang als wij willen zonder daaraan tot een einde te komen. Om de filosofie te vermijden en te blijven tot de praktijk, zou ik u voor willen stellen het volgende eens nader te beschouwen, wanneer u tijd heeft.

Wanneer alles, wat vroeger in de mens potentie was, ook thans in die mens potentie blijft, wanneer al, wat in het verleden ontwikkeld was en teloor ging in het heden potentie is, dan mogen wij aannemen, dat de nieuwe vorm van “mens” ten alle tijde een combinatie zal zijn van huidige en verleden potenties, samengevoegd op zodanige wijze, dat hij beantwoordt aan omstandigheden, die de wereld hem biedt.

Geestelijk gezien zal de wens tot uiting voor de geest gelijke tred moeten houden met de stoffelijke mogelijkheden. Wanneer dit niet meer het geval is, zal ofwel de stof ten onder gaan en de mens uitsterven, dan wel door een plotselinge mutatie het stoffelijke moeten veranderen op zodanige wijze, dat de geest wederom de ervaring in het stoffelijke slechts in deze vorm begeert. Mijn conclusie is eenvoudig. De mens zal geestelijk moeten stijgen, waar zonder geestelijke stijging een voortzetting van het huidig mensdom praktisch onmogelijk is, tenminste over langere tijd. Maar zal de mens geestelijk stijgen, dan zal hij ook lichamelijk, moeten veranderen. Ik durf aannemen, dat in de komende 2.000 jaren het mensdom zeer aanmerkelijk zal veranderen in capaciteiten, in vorm, in gestalte en denken. Ik durf aan te nemen, dat de geboorteweeën van een nieuwe wereld, die men thans ervaart, een vruchtbaar mensdom voort zal voortbrengen in juist geestelijke zin. Een mensdom, dat gedreven door de psychologische factoren van deze tijd, terug gaat zoeken naar het groot heiligdom van het ego, waarbinnen men nog contact kan krijgen met werelden, die vrij zijn, die geen binding kennen. Dat de geest juist door dit contact, in staat zal zijn, haar eigen wensen en wil steeds sterker op de stof neer te drukken, zodat zij uiteindelijk meer en meer zal beantwoorden aan de idealen van de geestelijk strevende mens.

  • Men zegt, dat ieder een geleidegeest heeft. Waarom? Heeft men niet genoeg aan de eigen geest? Wat is de functie van zon geleidegeest?

U kent het gezegde, dat u ook in eigen land gebruikt: Wanneer  de blinde en de lamme samenwerken, zij kunnen komen tot een werkelijk redelijk bestaan. De lamme alleen komt niet verder, de blinde alleen gaat onder. Daar heeft u eigenlijk het antwoord, dat ik hier op geven moet. Wanneer een mens leeft, heeft hij wel genoeg aan zijn eigen geest voor zijn eigen streven. Maar wie leeft in de geest, ziet dat de geest in de stof blind is. Dit houdt in, dat een geest, die zelf persoonlijk, zonder stoffelijke contacten en beleving, niet vooruit kan komen, vaak tracht de geest in de stof, die blind is, te helpen, opdat zij daardoor gezamenlijk komen kunnen tot een nieuwe en betere bewustwording. Iedere mens, die de mogelijkheid biedt tot een eenheid, zal dus een geleidegeest kunnen verwerven. In de meeste gevallen ook: bezitten. Elke geest, die een stofmens vindt, waarmee een band kan bestaan, zij het een levende, of een pas aan te knopen band,  zal daarvan gebruik maken. Wanneer u goed begrijpt, wat ik hiermede wil zeggen, is voor u, meen ik, het probleem van geleidegeest opgelost. De geleidegeest is de geest, die uit eigen onvolmaaktheid, volmaking zoekt bij de onvolmaakte mens. De mens, die een geleidegeest bezit, is een mens, die door zijn vatbaarheid voor de geleidegeest in staat is ook deze te helpen. Dat is alles.

  • Er is dus altijd een band van liefde?

Dat kan ook een band van haat zijn. Want in de haat tracht men door het vernietigen van anderen de eigen haat tegen te werken. Dus het is ook mogelijk. Maar ongelukkig de mens, die voor dergelijke geleidegeesten vatbaar is. Zegt niet uw eigen geloof uit uw kinderjaren, dat de engel en de duivel tezamen vechten om de ziel van de mens? Het kan zijn, dat de liefde en de haat beiden uw geleiders zijn het hele leven door en beiden gedurende het hele leven zullen trachten met u datgene te volbrengen, wat zij voelen als eigen behoefte.

  • Het is dus niet zeker, dat een gedachte, die door een geleidegeest op een mens wordt afgedrukt, altijd werkelijk in diens belang is?

Tot mijn grote spijt moet ik hier zeggen: inderdaad, wanneer de geleidegeest geleidt uit liefde, kunnen wij zeggen, dat zij in het geestelijk belang van de mens is, maar niet, dat zij in het stoffelijk belang van de mens zal zijn.

  • Kan het ook een gevolg zijn van het verkeerde inzicht, dat de geleidegeest heeft?

Geestelijk is dit haast onmogelijk. Wat betreft stoffelijke aspecten is de mogelijkheid inderdaad aanwezig.

  • Dus geestelijk in ieder geval niet?

Geestelijk niet.

  • Wanneer Paulus zegt “Onderzoekt de geesten, of zij uit God zijn, bedoelt hij dan dit gevaar?

Wanneer Paulus zegt “Onderzoekt de geesten”, dan zegt hij hiermede: “Ik weet, dat niet alle geest gelijkelijk ten goede streeft. Tracht het streven van de geest te erkennen, opdat je weet, op welke wijze je je tegenover die geest zult moeten gedragen”.

  • Voorkomen hogere geesten dan niet, dat er kwade invloeden wordt uitgeoefend op het wezen?

Indien hogere geesten dit zouden voorkomen, zou het zijn als de moeder, die het kind belet te lopen, omdat het bang is, dat het zich zal stoten. De wijze weet, dat vrijheid geven, ook vrijheid tot lijden, noodzakelijk is, wil men iemand iets laten ervaren en laten leren.

  • In Antwerpen heeft onze vriend Henri een beschouwing gegeven  over het scheppingsverhaal, Dit ging als gewoonlijk nogal rap van tong. Ik kon dit dan ook niet geheel volgen,  bent u bereid hier een discussie over te geven?

Indien u dit wenst, ben ik natuurlijk uw dienaar. Ik neem aan, dat u hier spreekt over het scheppingsverhaal in de christelijke vorm, de judaïstische voorstelling. Hierin wordt gesteld een paradijs. Dit is een oord van vreugde, het is begrensd aan vier zijden. Verder is opvallend, dat het doorkruiste wordt door stromen, dat daarin de dieren leven in eenheid met elkaar en met de mens. Een oud spreekwoord bij ons zegt: “Waar de vrouw binnentreedt en haar wensen spreekt, zaait zij tweedracht. Zo leer haar hare tong beheersen”. Ongetwijfeld zou in het verhaal deze raad aan Adam zeer van stade zijn gekomen. Maar dit echter gebeurt niet. Zij zondigen tegen de wetten van dit paradijs en zijn voortaan daarbuiten geplaatst. Wanneer deze samenvatting van dit verhaal onjuistheden bevat, weest u dan zo goed mij te corrigeren.

Een paradijs is begrensd, daarentegen de wereld buiten het paradijs niet. Een paradijs beleven betekent voor de onvolmaakte mens een begripsbeperking, waardoor hij vrede kan vinden, die met een vol begrip niet beleefd kan worden.

De begrenzing is naar de vier windstreken. Dit wil zeggen: alle stoffelijke aspecten vallen buiten de mogelijkheid tot beoordelen. Adam is de mens, die geestelijk met God wandelt, maar stoffelijk geen oordeelsvermogen of redelijk kennen bezit. In zijn eigen wereld maakt hij gebruik van zijn capaciteit tot redelijk denken, wanneer hij dieren benoemt. Maar de onvolledigheid van zijn bestaan doet hem snakken naar een gezel, of gezellin. Wanneer hem deze wordt gegeven, kan hij zichzelf verliezen in een ander. Hier wordt een twee-eenheid geboren, die niet meer past in een paradijs. Een paradijs kan alleen bestaan zonder tegenstellingen. Man en vrouw, voortgekomen uit elkaar, zijn echter tegenstellingen.

Dan, ….het paradijs is in vier delen verdeeld door de stromen. Er zijn vier vlakken van bewustzijn mogelijk binnen het dierlijke, waarin absoluut bestaan met innerlijke vrede en aanvaarding van alle natuurwetten mogelijk is, deze vier tot één verenigen is echter onmogelijk. Als de stromen in het paradijs niet meer vloeien, dan is er geen paradijs meer, Dan kunnen de tegenstellingen elkaar benaderen.

Conclusie: Adam en Eva wisselen van het ene bewustzijn tot het andere, waar zij het gehele paradijs kunnen begaan, maar zijn voortdurend beperkt in hun bewustzijn, niet slechts tot de mogelijkheden van het paradijs, maar tot de mogelijkheden van het deel van het paradijs, waarin zij zich bevinden. Van arbeid is geen sprake. De natuurwet doet Adam weliswaar zaken verrichten, maar dezen vloeien uit hemzelf en zijn wezen voort.

Hij is één met zijn God, doordat hij geen wensen kent en zijn natuurlijke drang voldoet in de taak, die hij verricht.

Er staan twee bomen, die niet aangeroerd mogen worden en één boom, die wel mag worden aangeroerd. De boom, die aangeroerd mag worden heet: Boom des Levens… Wie hiervan eet verwerft zicht het eeuwig leven. Een kabbalistisch symbool, uitdrukkend de eenheid tussen stof en hoogste Geest, de levensboom met veel vertakkingen naar voren gebracht.

In mijn volk zegt men: “Indien de Goden niet uit de aarde geboren zijn en de aarde niet uit de Goden, kunnen zij niet bestaan. En God bevestigt de wereld, de wereld de God”. Dit is hier waar.

Wie de Booms des Levens neemt en hiervan eet, is bewust deel van de volledige voortgang van levensuiting, die uit het Goddelijke voortkomende het Goddelijke weerspiegelt in het stoffelijke. De Boom van Kennis en Goed en Kwaad echter is het tegendeel daarvan. Kennis van goed en kwaad is slechts mogelijk zonder gevoel  of begrip van eenheid. De Boom des Levens zou eenheid geven, maar de persoonlijkheid gaat onder in de eenheid.

De halve persoonlijkheid van Adam aanvaardt zonder te denken. Door de Boom van Kennis en Goed en kwaad kan hij niet meer aanvaarden zonder te denken. Want denkende, beoordeelt hij en beoordelend stelt hij zich buiten het Goddelijke.

Waarom dan een vlammend zwaard? Omdat voor de mens zijn kennis van het vuur, waardoor hij de meerdere wordt van de dieren en tegenover hen machtig is, de stap is, die hem verwijdert van de natuur en hem vanaf nu dwingt met de natuur te worstelen en in het zweet zijns aanschijns voeding te verdienen.

Hier wordt m.i. op zeer schone symbolische wijze een  bepaald deel uit de geschiedenis der mensheid naar voren gebracht.  Andere figuren, die hierbij optreden  niet in de bijbel, maar wel in de begeleidende legende  als bv. Lilith, de diervrouw, met wie  Adam eerst huwde vóór hij Eva ontving, tonen ons aan, dat er niet alleen sprake is van een geschiedenis der mensheid, maar dat de schrijvers van dit werk met deze mythen gelijktijdig verknoopt hebben een kabbalistische beschouwing over wereldwaarden en hun waardering van de mens als tweeledig wezen, dierlijk en menselijk wezen.

Enkele van de oude commentatoren gaan nog verder en stellen, dat Lilith en Eva één zijn. Want dat God alles in tweeheid heeft geschapen, opdat het zou leven op aarde. Maar, zeggen zij, op het ogenblik, dat het dier in Lilith sterft, is zij niet meer Lilith, maar wordt zij de nieuw geboren vrouw, die Adams bewustzijn – en hiervoor staat dan Adams rib, volgens hen – deelt en daardoor tot gezel wordt, ook in zijn geestelijk leven, maar gelijktijdig in het dierlijke een vreemde.

Deze weergave lijkt mij zeer schoon, maar ook gevaarlijk. Zij leidt bij een woordelijke aanvaarding tot een absolute misvatting van al, wat geschiedde. Er zijn passages in, die mij herinneren aan de verschillende fallistische erediensten der oudheid.

Is het niet opvallend, dat na de zonde Adam en Eva zich een bepaald deel met bladeren bedekken? M.a.w.: het natuurlijke van hun onderling contact heeft plaats gemaakt voor een erkennen van mogelijkheden, niet slechts een aanvaarden van vreugde. Ook hier weer een verschil in bewustzijn in de eerste plaats uitgedrukt in beelden, dat voor de vroegere mensheid aanvaardbaar zou zijn.

Wanneer  dus mijn mening zoudt, vragen over het scheppingsverhaal, zou ik willen uitdrukken in wonderschone woorden en gelijkenissen is het overleverde beeld van de oude wereld en het geloof aan de Goddelijke interventie, uitgedrukt door degenen, die het geschreven hebben.

Maar zij schreven geen waarheid, maar omschreven de waarheid zo, dat de ingewijde zou weten, doch de leek onbewust zou blijken.

  • U zegt, dat Adam in het paradijs niet volmaakt was. Maar hij wandelde naast God, want één met God. Dan was hij toch ook volmaakt?

In zijn eenheid met God was hij als onbewust deel van het Goddelijke volmaakt. Maar als mens was hij onvolmaakt en ook als schepsel. Want is het niet zo, dat de mens, die geen gedachten kent, geen mens is? Was Adam de eerste mens, dan was hij onvolmaakt door zijn gebrek aan denken en word hij eerst tot werkelijke mens gemaakt door zijn weten omtrent het verschil der waarden, het kennen der tegenstellingen. Dit wordt uitgedrukt in de gedachte goed en kwaad. Zijn wandelen met God kunt u omschrijven als een erkennen van de   Alkracht in de natuur, zonder daarom bewust te zijn van het wezen der Alkracht.

  • U zegt: met de vrouw komt de tweedracht binnen. Wat denkt u dan van de Franse uitdrukking: Ce que Dieu veut, que la femme veut etc.?

Het is heel begrijpelijk. Bij ons zegt men: een man verliest  meer van zijn waardigheid door een vrouw dan een beer door een boom vol honing. En deze misleiding van zijn eigen zinnen, doet hem dat,  wat de vrouw verlangt aanvaarden als een Goddelijke rechtsspraak. Zegt men niet bij u, dat de liefde verblindt? Ik zou willen zeggen: deze blindheid is niet alleen der zinnen, maar ook der gedachten. Als u mij gelooft, zou ik alle gehuwden aan willen raden proberen zich te realiseren, hoe zij over het andere geslacht hebben gedacht, toen zij nog verloofd waren? Ongetwijfeld zult u inzien, dat wat God wil uiteindelijk de wil der vrouw is voor de man, die  de vrouw aanbidt. Dan zal ik u ook helpen herinneren, dat de man, die de vrouw aanbidt, haar met woorden haar onvolmaaktheid verwijt, haar gelijk met de ogen verslindend.

  • Welke bomen waren er in het paradijs? Ik ken er maar één; De  Boom van Kennis en Goed en Kwaad?

De Boom van Goed en Kwaad en de Boom der Kennis. Het is dus de kabbalistische versie, waarbij een verschil gemaakt wordt tussen het oordeel goed en kwaad en de kennis, het bezitten van weten. Begrip kan je krijgen, wanneer je goed en kwaad hebt. Met kennis kun je aanvaarden, verklaren en ontleden, maar niet deel hebben aan. Dit is overigens eigenlijk niet helemaal judaïstische kabbalistiek, want hier sluipen bepaalde islamitische elementen mee in.

  • Dus het oordeel verwijdert de mens van God, terwijl God hem het vermogen tot oordelen heeft gegeven?

Inderdaad, omdat de mens oordeelt over alle dingen, behalve zichzelf. Waar hij slechts behoort te oordelen over zichzelf en verder niet.

  • In Sleutels staat: Het is wenselijk, dat geen enkel mens, die streeft naar het licht, zich buiten het lichaam bewust mag bewegen in zijn astraal voertuig. Dit is te sterk aantastbaar. Hoe kan een mens bewust gebruik maken van zijn astraal lichaam? Wanneer ontstaat ontbinding van het astraal en mentaal lichaam? Zijn dezen ook dienstbaar op hun gebied, zoals het stoffelijk lichaam na ontbinding voedsel is voor plant en dier?

De eerste is eigenlijk zo simpel, dat ik mij eigenlijk schaam om er antwoord op te geven. Het is geen verwijt, maar na enig nadenken zult u begrijpen, dat de mens, die bewust genoeg is omtrent zijn eigen vermogens, wil en concentratievermogen genoeg bezit om dezen te gebruiken, in staat is ook zijn astraal voertuig als lichaam te gebruiken, met een volledig bewustzijn omtrent eigen toestand en eigen handelingen. Daar is toch niets tegen in te brengen?

Dan verder, wat er gebeurt als zo’n lichaam wordt aangetast. Zo’n lichaam kan aangetast worden bv. door andere geesten. Zij kunnen dit niet lang in zijn werkelijke vorm in stand houden,  maar kunnen gedurende die tijd daarin leven. Daarna valt het uiteen in een soort van ongevormde fijne materie, waarin zekere energie nog blijft zitten. Deze kan dan later gebruikt worden door anderen voor opbouw van een astraal voertuig. Dus zou ik zo zeggen: enig nut heeft het wel, maar er is wel enig verschil met de bomen, de planten enz.

De vraag, die eraan toe wordt gevoegd: hoe je dat kunt? Dat is zo eenvoudig, dat het voor de meesten uwer wel te moeilijk zal zijn. In de eerste plaats: sluit je stoffelijk bewustzijn geheel af. Richt je denken op een plaats of toestand, waar je wilt zijn en zou je dat astraal willen doen wat ik ook niet aanraad, hoor, stel je dan voor, dat je daar heen gaat met een voertuig, waarin je handelend op kan treden.

Wanneer je je dit voorstelt voor de aarde, nevelland, lagere sferen, of het astraal gebied zelf, dan zul je op deze wijze uittreden met het astraal lichaam en daardoor evenzeer kwetsbaar zijn op dit terrein als bekwaam om handelend in te grijpen. Nu spreek ik toch niet te vlug, hé?

  • Toen het wezen zich losmaakte van de groepsgeest ontstond de  homo sapiens. Gebeurde dit aan het einde van het Lemurisch tijdperk? Was de lichaamsbouw van dit nieuwe wezen precies als de mens nu nog is ?

Neen en neen. De eerste geesten, die zich losmaakten van de groepsgeest in mindere en meerdere mate vinden wij aan het hyperborese tijdperk. In Lemurië zijn dus reeds groepen, die deze vrijheid grotendeels bereikt hebben. Vaak vinden wij hen onder de leiders van  de priesterschap, die in Lemurië bestond.

  • Hier op aarde hebben wij de verslagen van de O.D.V.-avonden en cursussen, welke wij telkens bestuderen en nalezen om tot grotere bewustwording te kunnen komen. Maar hoe moet dat na onze overgang ? Dan hebben wij het geschrevene niet meer?

Neen, dan heb je iets veel beters, nl. je eigen geestelijk vermogen, wat jullie op het ogenblik maar voor 10 % gebruiken en dan hoop ik voor 100 %. Ik zou zeggen: dat is nu ook wel simpel. Om het nog even nader te definiëren, wanneer de mens in  zijn stoffelijk leven in staat zou zijn door zelfbeheersing, training e.d. te komen tot 50 % van zijn werkelijke capaciteiten, dan zou hij volgens de normen van de huidige mensheid behoren tot de genieën en  zelfs volgens de huidige standaard, die niet zuiver is, n.l. intelligentiequotiënt, een nummertje, waarmee zij aangeven, hoe intelligent je wel bent t.o.v. de gemiddelde norm, dan zou het waarschijnlijk liggen tegen de 170. Dat is over het algemeen hoog genoeg, hé?

  • Waarom is er zo weinig bekend gemaakt over de inhoud van de in 1947 gevonden rollen aan de Dode Zee?

Omdat het uitwerken daarvan een zeer lange tijd vraagt en men bovendien eerst wil komen tot een religieus aanvaardbare interpretatie voor zij aan het volk wordt voorgelegd.

  • De vorige spreker zeide; de geest in de stof is eigenlijk blind. Hoe zit dit?

De geest is geestelijk blind in de stof. Dat is het verschil. Wanneer de geest aan de stof gebonden wordt, wordt hij zo overstelpt door stoffelijke invloeden en indrukken, dat hij niet in staat is zich volledig en vrij op haar eigen terrein bewust te bewegen.

  • Vriend Henri heeft zo gesproken over simpelheid. Maar ik vind het helemaal niet zo eenvoudig.

Dat heb ik toch al gezegd. Ik heb gezegd: voor u is het zo eenvoudig niet. Om de eenvoudige reden, dat u zo ingewikkeld denkt, dat u niet kan komen tot de aanvaarding van het eenvoudige. Dat is met de hele mensheid de kwaal.

  • Kunt u daar dan geen richtlijnen voor verstrekken?

Ik kan het wel proberen. Ik weet alleen, of u in staat zult zijn ze toe te passen. Ik geef ze, misschien doet u er wat mee.

In de eerste plaats: de gedachten afsluiten door te proberen nergens aan te denken is de ongecontroleerde gedachte te inviteren om voortdurend uw stilte te storen. De mens dus, die zichzelf leeg wil maken van het aards denken, kan geen gebruik maken van een absolute gedachteloosheid in de eerste fase. Hij zal om te beginnen zich moeten concentreren op een onderwerp, of met het contempleren van een voorwerp, dat zover van zijn normaal stoffelijk beleven, denken en streven is verwijderd, dat deze concentratie praktisch geen associaties met het dagelijks leven toelaat.

Ja, het is moeilijker dan u denkt misschien. Het vraagt oefening: Heeft u dit bereikt, dan kan, wanneer de beschouwing eenmaal volledig is, de contemplatie en ook de sterke concentratie langzaam iets verslappen, waarbij men dan het element dus van willen omtrent eigen geestelijk werk laat doordringen. Dit willen wordt niet scherp omschreven. Dat heeft men al gedaan voor de oefening en is dus reeds in het “ik” aanwezig, dus scherp genoeg kenbaar.

Op deze wijze kan men dan komen – en dat is niet zo moeilijk, als je zover bent – een verwijdering van het “ik” van de werkelijkheid. Er ontstaan dan waanbeelden, die aan een droom gelijk zijn, het simpelste is deze niet verder te bestrijden of te onderzoeken, maar tijdelijk te aanvaarden. Het zal dan blijken, dat je uitgaand van een beginpunt, dat slechts ten dele, of misschien zelfs niet reëel is, langzaam maar zeker je toch een realiteit betreedt, die  dat kun je in het begin het best doen door stoffelijk ergens heen te gaan controleerbaar wordt bij de herinneringen, die men daarvan behoudt.

Deze wijze van werken laat verder toe een geestelijke overbrenging van bepaalde hoogtepunten en geestelijk beleven in het stoffelijk bewustzijn,

Als je die regels hebt geprobeerd en je heb het werkelijk ernstig geprobeerd, dan moet je maar eens vragen, hoe je dan ook naar een andere sfeer kunt gaan, maar ik zou beginnen met eerst op de wereld maar eens wat waar te nemen en dan ik er de raad bij willen geven: Zeg niet tegen jezelf “Ik wil iets doen”, alleen maar “Ik wil zien”. Dan zul je merken, dat dat zien, wanneer je terug bent in je lichaam in beelden, dus ook stoffelijk aanvaardbaar, kan worden vertaald.

Het is heel simpel in die zin, dat de regels op zichzelf  zeer eenvoudig zijn. Maar ja, een uur op één been staan is ook heel simpel. Je trekt het andere op en je blijft in evenwicht…..Maar probeer het eens….. Dat is met deze dingen ook zo.

  • Is het niet makkelijker de impuls van de gedachte te richten op de ademhaling?

Ook niet, zou ik zeggen. De gedachte op de regelmatige ademhaling brengt ons in de richting van de yogi-gedachte, waarbij de regelmatige ademhaling uiteindelijk toch moet worden aangevuld met concentratie en contemplatie.

Waar over het algemeen een goede leiding over deze ademhalingsoefening moeilijk te vinden is en vooral voortdurend goede leiding, lijkt het mij verstandiger om dit bij een algemeen gegeven aanwijzing buiten beschouwing te laten. Want een regeling van de eigen ademhaling en een beschouwen daarvan brengt op zichzelf reeds vele moeilijkheden met zich en – zoals u zich misschien bewust bent – voor de leek vaak grote gevaren.

  • Alles wat wij doen voor geestelijke bewustwording of stoffelijke bereiking wordt geboren uit angst. Maar als dat waar is, steekt daarin toch geen verdienste? Ik kan mij niet voorstellen, dat  hogere machten het op deze wijze zouden tolereren.

Dat komt, omdat u dan waarschijnlijk vastzit aan de gedachte van beloning en straf. Maar lonen en bestraffen zijn maar woorden, die de mensen hebben uitgedacht voor toestanden, die niet het resultaat zijn van een Goddelijke Wraak, of van een Goddelijke gave, maar van een natuurlijke ontwikkeling binnen het Goddelijke volgens de lijnen, die het Goddelijke heeft gesteld. Daar ligt het verschil in.

U kant niets doen – zo gek als het klinkt – wat werkelijk verdienste is t.o.v. het Goddelijke. U realiseert alleen datgene, wat u volgens het Goddelijke en in het Goddelijke reeds bezit, ook voor uzelf. Dus kan dat nooit van een ander uit verdienste zijn. Alleen voor uzelf verdienstelijk, omdat u dan dichter bij de waarheid komt. Omgekeerd kunt u niets doen, wat vanuit het Goddelijke slecht, of negatief is, want in het Goddelijke bestaat u volgens de waardering en de waarde van het Goddelijke. Dus als een volmaaktheid temidden van een volmaakte schepping.

Het feit, dat u zichzelf daarvan niet bewust bent en verder van dit bewustzijn afkomt door negatie van waarden in uzelf, ook al denkt u ze in de wereld te negeren, dat is wederom uw zaak en brengt voor u misschien bepaalde toestanden met zich mee, die voor u niet prettig zijn. Maar die vloeien uit u voort en niet uit het Goddelijke, of uit iets anders.

Van verdienste spreken lijkt mij een betrekkelijk groot woord, tenzij wij het beschouwen t.o.v. onszelf. Ik geloof bv. niet, dat iemand zich voor de wereld verdienstelijk kan maken, want het goed, dat je één doet, kan voor de ander kwaad zijn.  Laten wij nu eens denken aan een politieagent. Dat is iemand, die veel goed doet door de orde te handhaven. Maar aan de andere kant veel kwaad doet door mensen in kleine stenen kastjes op te laten bergen, bonnetjes te schrijven e.d. onplezierige dingen. Van de kant, waarvan je het dus bekijkt, hangt af, of die agent nu verdienstelijk werk doet, of werk, wat je liever ongedaan zoudt zien.

Precies hetzelfde met de moordenaar. Een moordenaar doodt een mens. Nu kan je zeggen, dat het slecht is, omdat hij de veiligheid van de mensheid bedreigt, wordt dit niet gestraft, dan zou vandaag of morgen wel eens een rare jongen kunnen komen en zeggen: “Ik breng die vent, of die dame ook maar eens een keer om hals. Dat is best aardig.” Maar nu kan het ook zijn, dat iemand anders zegt: “Wat ben ik blij, dat die uit de weg is geruimd”. En die vindt die moordenaar in zijn hart eigenlijk helemaal niet zo erg, want er is voor hem iets gebeurd, wat voor hem positief is.

Rare voorbeelden, vind je ook niet? Toch zijn zij waar. Ik bedoel met dit betoogje alleen maar de aandacht te vestigen op het feit, dat elke waardering relatief is en uit het “ik” voorkomt en niet Goddelijk kan zijn, of in het Goddelijke zo kan bestaan, want dan zouden wij een groeiend zich ontwikkelend en veranderlijk Goddelijk Wezen aan moeten nemen.

Nemen wij aan “groeiend”, dan moet er ruimte bestaan, waarin het Goddelijke kan groeien, dus iets, wat groter is dan het Goddelijke, en dat het kan leren vullen. Afgewezen  door ons, omdat het grootste, dat er bestaat, het meest omvattende voor ons Het Goddelijke is.

Het Goddelijke zou kunnen veranderen. Wanneer het Goddelijke veranderd is, of veranderlijk, dan vloeit daaruit voort, dat het in zich zelf niet evenwichtig, harmonisch en volmaakt is, anders zou er geen verandering nodig zijn. Wij kunnen alleen een scheppende Kracht aanvaarden, Die absoluut in Zichzelf harmonisch is, dus van ons standpunt af gewezen.

Maar als ik op zo’n manier redeneer, dan wordt ook logisch, dat een mens, die spreekt over verdienste, van ons standpunt uit verkeerd handelt. Hij kan zeggen: “Dit is verdienstelijk voor mijzelf, of het is niet verdienstelijk, of nadelig voor mijzelf”. Maar hij kan het nooit zeggen voor de wereld.

Waar onze beschouwingen uit de gedachtegang van de Orde voort komen, dus ook degene, die u citeert, zal het u duidelijk zijn, dat deze opvatting dus m.i. gerechtvaardigd is.

  • Jaaa,

Tja.

  • Maar ik kan toch niet inzien, dat je gaat streven naar geestelijke bewustwording uit angst voor het lijden? Dan is het toch geen streven?

Mag ik een simpel voorbeeldje gaan gebruiken? U zegt op het ogenblik, als iemand hard wegloopt, omdat hij bang is voor een hond door een hond gebeten te worden, dan is het geen lopen. M.a.w.: U stelt het proces afhankelijk van de oorzaak. Is dat niet een beetje onredelijk? Is het proces in zichzelf niet bepaalt door het feit, dat streven, verandering dus, volgens ons eigen bewustzijn de drijfveer is  van ons eigen bestaan?  Streven is voor ons noodzaak. En die noodzaak wordt geboren uit onze onvrede met het huidige, plus onze angst voor datgene, wat uit het huidige voort kan vloeien, waarom zou een mens naar vrede streven, als hij de onvrede niet vreesde?

Ja, ik heb een ernstige bui vandaag, hoor…..Maar ik hoop, dat ik tussen twee haakjes door zo even iets duidelijk heb gemaakt voor u allen en niet alleen voor de vraagsteller omtrent onze gedachtegang.  Want als u mij toestaat om eventjes, voordat ik vraag, of er nog vragen zijn, mijzelf af te vragen in hoeverre ik hier redelijk ben, dan zou ik dat graag doen.

Ik kan mij niet voorstellen, dat er ergens iets bestaat en voor mij werkelijk is, zonder dat ik persoonlijk dit waardeer. Onverschillig of dit een positieve of negatieve waardering is. M.a.w. mijn hele beleven, al wat ik ben, al wat ik zijn zal enz., is afhankelijk van mijzelf en mijn eigen houding tegenover wat rond mij is. Het feit, dat ik zal trachten een zo positief mogelijk resultaat te wekken in de wereld rond mij, betekent voor mij; streven. Is dat streven goed, is dat misschien voor de wereld helemaal niet. Maar voor mijzelf zie ik dit als goed en zou ik het niet doen, dan zou ik het zien als kwaad voor mijzelf als een gebrek. Een gebrek betekent voor mij een tekort. En een tekort is lijden. Het is onaangenaam. Ik probeer voor mijzelf steeds het aangename te bereiken. Wat is het aangenaamste, wat ik mij kan voorstellen? Een toestand, die volgens mijn huidig weten, volmaakt is. Iemand, die 3 dubbeltjes uit te geven heeft, droomt miljonair te zijn. Waarom? Het probleem “uitgeven” lijkt voor hem het belangrijkste de oplossing miljonair schijnt – ik zeg schijnt –  het probleem van uitgeven, van bezitten e.d. uit de weg te ruimen, dus: was ik maar miljonair.

Een daadkrachtig iemand zegt: “Ik ga miljonair worden”. Doet hij dat voor de wereld? Wel neen! Dat doet hij voor zichzelf: Wat is de drijfveer? De hebzucht? Neen! Want als die mens vrede zou vinden met iets anders, dan zou hij zeker niet zo heftig door blijven streven, het is zijn angst. Kijk eens, een miljonair passeert een punt, waar hij rustig en in vrede zou kunnen leven. Maar vaak voelt hij zich genoopt om verder te gaan, omdat hij vreest die toestand, niet te kunnen behouden. Zo is eigenlijk elke drijfveer gebaseerd op een zekere angst, een niet willen herhalen van vroegere belevenissen, of toestanden, angst voor pijnlijke, dat gelegen is in armoede, lijden, ziekte enz..

Het lijkt zelfs, dat het streven van velen om het leven langer te laten duren niet in de eerste plaats. is gelogen in een gehechtheid aan het leven, maar in een angst voor de dood. Op grond daarvan geloof ik voor mijzelf te mogen zeggen: alle streven is een gevolg van een vrees.

Datgene, wat wij vrezen is meestal hetgeen wij kennen. Daaruit vloeit voort, dat wij meestal streven naar hetgeen, wat wij  nog niet kennen. Zo is ons streven vanzelfsprekend een uitbreiding van ons bewustzijn, waarbij naarmate ons bewustzijn wordt uitgebreid ons streven zal veranderen.

Om het voorbeeld aan te vullen: zodra de miljonair miljonair is, streeft hij niet meer naar het verwerven van meer geld bv., maar naar een redelijke belastingontduiking.

  • Ik vraag mij wel eens af, hoe u kennis kunt nemen van alles, wat er bij ons geschreven wordt in boeken en tijdschriften. Ook sprak u wel over het drukke verkeer op de Laan van Meerdervoort. Moet ik aannemen, dat u daar zo maar eens doorheen wandelt? 

Dat is eigenlijk heel simpel. Als u weet hoeveel automobilisten, voetgangers, fietsers het drukke verkeer voortdurend in gedachten lopen te verwensen gedurende de spitsuren, dan zou het u niet verwonderen, dat deze gedachten zelfs tot ons doordringen. Maar om het simpeler te stellen is het zo: Alles, wat geschreven en gedrukt wordt moet eerst worden gedacht. Elke daad wordt ook eerst gedacht. De gedachte straalt uit. Deze uitstraling ligt op een terrein, dat voor ons leesbaar is. Wat meer is; deze uitstraling blijft voortbestaan, ja, met een langzaam veranderen van wezen en geaardheid, in een kosmisch geheugen. Waarbij men theoretisch dus elke daad, elke gedachte van het begin der mensheid tot het einde der mensheid hieruit zou kunnen volgen. Wanneer u nu weet, hoe zeer bepaalde krantenartikelen onze aandacht trekken, hoe veel verontwaardigingen en heerlijke gezellige scheldpartijtjes over rock and roll bv. hier de hele atmosfeer kunnen vullen, dan zoudt u niet meer verbazen, dat wij, die ons voortdurend richten op het bereiken van de mens, gebruik maken van zijn eigen gedachte-impulsen en gedachtebeelden om daaruit voor ons zelf een beeld te construeren van zijn wereld, zodat, wij hem gemakkelijker kunnen benaderen door precies op de hoogte te zijn van wat er bij hem gaande is en als het even kan, beter dan de eenling, omdat wij het totaal der massa overzien en de eenling maar een klein beetje.

  • Kunt u dan ook gebruik maken van de kennis en de gedachten van aanwezigen, of andere mensen op aarde?

Dat kunnen wij doen. Wij doen het niet graag. Per slot van rekening: wij kunnen alleen een ander citeren, wanneer wij het daarmede eens zijn, ofwel dit citaat gaan gebruiken om onze eigen mening daaromtrent uiteen te zetten. Vandaar dat wij slechts zover gebruik maken van hetgeen er geschreven is, door u gedacht wordt e.d., als nodig is om de juiste beelden en woorden te verwerven, waarmede wij onze eigen gedachten dus voor u uitdrukken.

  • Kunt u mij zeggen, wat een reactie uit het onderbewustzijn is, waar komt dat vandaan? Hoe werkt dat?

Een reactie uit het onderbewustzijn zou je zo kunnen omschrijven: een mens, die even vergeet te zijn, wie hij denkt te zijn en daarom is, wie hij werkelijk is, maar later schrikt dit te erkennen, omdat hij nu eenmaal niet wil zijn, wie hij is, maar wie hij denkt te zijn.

Ik zal het nog op een andere manier zeggen: wat de mens onderbewustzijn noemt, bestaat uit een reeks van automatische reacties van het lichaam, waar hij geen aandacht aan schenkt en een hele hoop dingen uit het bewustzijn, die hij liever niet weet. Waar dezen net zo goed deel uitmaken van zijn persoonlijkheid, als wat hij denkt werkelijk te denken, kun je begrijpen, dat hij vaak denkt anders te denken, dan hij werkelijk denkt. Zo komt hij dan tot de gedachte, dat datgene, wat hij heeft gedacht, geen werkelijk denken was, maar een onderbewust denken, wat hij dan terzijde mag schuiven.

Maar in feite zou je tot de mens moeten zeggen: indien je werkelijk komen wilt tot een overwogen denken en daar als resultaat uit een overwogen leven moet je trachten te erkennen, wat achter het redelijk denken nog aan vaak zeer redelijk denken verscholen ligt, zonder dat je het zelf weet.

  • Hoe komt het dan, dat ons lichaam soms al reageert, vóór wij weten, wat er gebeurd is?

Dat is eigenlijk heel simpel. Laat ik het dan nog simpeler stellen, dan ik het al gedaan heb. Nu gaan wij spreken over lichamelijke reacties als resultaat van het onderbewustzijn.

Een lichamelijke reactie wordt geacht uit het onderbewustzijn voort te komen, wanneer de mens zo snel denkt, dat hij zijn eigen gedachten niet bij kan houden en daardoor sneller reageert, dan hij zichzelf voor kan stellen. Hierdoor reageert hij op waarnemingen, zonder zich bewust te zijn, dat hij die waarneming doet. Het resultaat is, dat hij handelt, zonder te weten, dat hij handelt. Een voorbeeld van dergelijke schijnbare automatische reacties, die uit het bewustzijn voortkomen, vinden wij ook bij vaders en moeders, die kinderen soms een draai om de oren geven, als zij stout zijn, voordat zij weten, of zij werkelijk stout zijn, maar dan blijkt, dat zij wel stout waren, maar dat het toch beter was geweest de kinderen er niet voor te slaan.  Dergelijke reacties zien wij verder bij automobilisten, die die kip voor de wielen nog net vermijden om dan achteraf er over denken, of het nu een kip, een konijn, of een waanbeeld is geweest. Omdat zij trachten, datgene, wat zij hebben gezien, waargenomen, gedacht en verwerkt, nu op een redelijk peil te gaan verklaren. Dat kun je alleen doen, wanneer je de hele scène in een vertraagd tempo verder terugdraait.

  • Men leert, dat er reflexen zijn, waarbij wordt gereageerd, voordat de prikkels de hersenen bereiken, of zonder dat dit laatste geschiedt. Rekent u, dat dan ook tot het onderbewustzijn?

Het gekke is: dat de meeste mensen denken te denken met de hersenen, maar ik denk, dat er veel meer mensen denken met de zenuwknooppunt en zelfs met de maag, dan met de hersenen. Dat is heel logisch. Het hele zenuwstelsel tezamen met de hersenen is een totale waarneming plus denkvermogen van de mens. Er bestaat hierdoor een eenheid, nu is het zo, dat de hersenen de centrale is, die verschillende dependances heeft zitten in zenuwknooppunten, die een eigen bewustzijn dragen. Eigen capaciteiten hebben, waarvan sommigen zuiver stoffelijk, anderen half-stoffelijk of gedeeltelijk geestelijk zijn en al deze dingen tezamen reken ik mede tot het onderbewustzijn.

  • Bij hersenspoeling legt men verklaringen af, die niet waar zijn. Hoe ziet u die nu geestelijk?

Dat is heel eenvoudig. Er zijn mensen, die hun hele hebben gekregen voor de voortdurende herhaling, meer dan je zoudt denken. Omdat uiteindelijk het leren van de maatschappij en de aanpassing aan de maatschappij voor de mens voor 90 % bestaat uit voortdurende herhalingen, die je op de duur voor waar aanneemt. Verder heeft elke mens bepaalde angsten en bepaalde wensen. Wanneer je nu door te spelen met die angsten en wensen kunt komen tot een voortdurende herhaling van bepaalde dingen, zal de mens, ondanks zijn eigen bewustzijn, de mens er uiteindelijk toe kunnen komen om een onwaarheid te zeggen met een overtuiging, dat zij waar is, waar zij, zou hij zeggen, dat zij niet waar is, zijn principiële vrees, ofwel zijn principieel begeren zou schaden.

Het is misschien voor de mens niet erg prettig om het zo te zeggen, maar bij de doorsneemens zijn verlangen en vrees belangrijker dan waarheid en is de mens ook meestal geneigd de waarheid aan te passen aan verlangen en vrees.

  • Maar de hersenspoeling wordt vorkregen door een injectie…..

Die hersenspoeling wordt niet verkregen door injectie. Die hersenspoeling wordt verkregen door bepaalde denkbeelden, die in het individu leven zo sterk naar buiten te brengen, dat daaruit zekere consequenties voort komen. Ook voor het verdere leven. De injectie, waarover u spreekt, is een andere. Zij brengt tijdelijk het totale denkvermogen tot een zekere verstarring. De suggestibiliteit van het individu wordt zodanig verhoogd, dat het tijdelijk de waarheid van een ander als eigen waarheid zal zien. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de drijfveren in het “ik” om een schijnwaarheid tijdelijk als waar te doen aannemen. Maar dat is geen hersenspoeling. Dat is foutief bekennen. Het grote nut van de hersenspoeling is zuiver, dat zij, psychologisch wapen zijnde, zonder enige hulpmiddelen in staat is, de totale visie, levenshouding en zelfs een deel der levensfunctie van degene, op wie zij wordt toegepast, zodanig te veranderen, dat  geen realiteitsbegrip volgens vroegere waarden meer bestaat.

Zonder hulpmiddelen. Wat je met inspuitingen doet, is niet blijvend, wel weer met een chirurgisch ingrijpen, maar dat is geen hersenspoeling, dat is meestal een doorsnijden van bepaalde verbindingen, de hersenlobben meestal, waardoor een deel der persoonlijkheid op non-actief wordt gesteld. Dat kun je bv. zo doen, dat alle sociale gevoelens uit geheugenwaarden voortkomen, van de rest van de hersenen worden gescheiden. Dan krijg je ook een hele andere persoonlijkheid, maar dat is geen hersenspoeling.

Trouwens, als ik de opmerking mag maken: de meeste mensen zijn er zich niet van bewust, dat de hersens voortdurend gespoeld worden. Eén van degenen, die met zijn hersenspoeling het verst was, was W.C. gedurende de oorlog, Winston Churchill, oftewel W.C. Ja, dat is een afkorting, hoor, geen aanduiding van de persoonlijkheid verder. Want alleen door zijn persoonlijkheid en zijn beroep op de wensen en angsten van zijn volk, wist hij hen een toestand voor te goochelen, die niet met de werkelijkheid overeenkwam, maar waardoor zij in staat waren dingen te verdragen, die hen anders gek gemaakt zouden hebben. Zo wordt u ook voortdurend aan een soort van hersenspoeling onderworpen. Men predikt u zoveel dingen voor, waarvan u weet, dat zij niet, of niet geheel waar zijn, dat u op de duur vergeet kritiek uit te oefenen op de mogelijke onwaarheden, die erin verborgen zijn. En dat doet men dan al weer door u te vleien, uw persoonlijkheid te strelen….

Ik heb nog nooit iemand meegemaakt, al was hij nog zo lelijk, die je niet gelooft, als je zei: Wat ben jij vandaag knap”. Waarom niet? Aan de andere kant heb ik nog nooit iemand meegemaakt, die gerust was, wanneer je hem een hoop dreigingen had verteld, ook al geloofde hij er niet aan.

Wanneer je een atheïst indrukwekkend genoeg vertelt, dat de duvel bij hem voor de deur staat, dan zal hij er niet in geloven, maar toch een beetje vlugger lopen, als hij voorbij gaat.

Dit zijn de principiële grondslagen van de hersenspoeling. De voortdurende beïnvloeding van het “ik” in een bepaalde richting, gebruik makende van eigen capaciteiten, eigenschappen en angsten van het sujet, of van de menigte, om zo op de duur eigen kritisch beschouwen van omstandigheden te veranderen in een aanvaarden van suggesties. Daar komt het op neer.

Laat ik u niet veel langer bezig houden. Ik ga op mijn manier besluiten. Nu hebben wij zoveel gepraat over verschillende dingen, nu zou ik u graag als slot iets vertellen over:

Ernst, dat lijkt de waarheid van het leven, maar betekent het onbewust zijn van het Zijn. Want ernst van leven en van streven is in waarheid meestal klein.

De luim, de lach, zo vaak gegeven, toont u meer van werkelijkheid, waar lachen blijk is van aanvaarding, van tot beleven zijn bereid.

Daarom: gebruik de ernst des levens als een wapen in de strijd, maar weet op tijd een lach te geven, dan zijt gij tot leven en tot streven, maar ook tot sterven steeds bereid.