De kosmische cirkelgang

9 juli 1979

We hebben deze keer een gastspreker, die behoort tot een vroegere Tibetaanse groep. Zijn specialiteit was toen hij op aarde was, het rad des levens en zijn tweede specialiteit incarnatieleer. Zijn huidig specialisme is de kosmische cirkelgang.

Als je daar mee beging kun je natuurlijk in kringetjes praten, maar op een gegeven ogenblik loop je vast. Ik zal dus ze vrij zijn om het één en ander te pakken uit zijn werkelijk beroep van vroeger. Dat geeft dan meteen een beetje de achtergronden waaruit zijn huidige denkwijzen zijn voortgekomen.

Een bekende voorstelling is het z.g. wiel of rad des levens. U kunt zich dit voorstellen als een wiel, waarbij de naafdop de bereiking is. Tussen alle spaken liggen verschillende werelden.

De mens die leeft, leeft in een wereld van begoocheling. Daarbij kan hij van het ene niveau naar het andere gaan. Hij is dus niet gehouden om op één niveau van begoochelen stil te blijven staan. Hij kan daarbij dichter naar de waarheid gaan. Hij kan ook verder van de waarheid afkomen.

Wanneer hij aan het einde komt van het leven behoudt hij zijn eigen bewustzijn. Dit bewustzijn heeft weer een reeks door de waan geschapen beelden in hem vastgelegd. En deze beelden ervaart hij dan in een reeks hellewerelden die eenieder moet doorlopen, maar waarbij alleen diegene kwetsbaar is, die voor die voorstelling a.h.w. in zichzelf een vergelijkingswaarde heeft. Van daaruit ga je verder.

Je komt in een wereld die wij Zomerland noemen: een vergelijkbaar met de stoffelijke wereld opgebouwd geheel. In dit geheel vind je je oude relaties terug. Je komt tot de herinnering en van daaruit betreed je de hemelwerelden. En in die hemelwerelden is het alweer de vraag of je kunt beseffen of niet. Hoe dichter je bij de naaf komt, hoe meer je ervan kunt beseffen.

Nadat je de hemelwerelden hebt doorlopen komt er een ogenblik dat je terechtkomt in een soort najaarswereld. Een wereld waarin alles nog wel aanwezig is maar die a.h.w. door de nevelen heen gezien wordt en van daaruit geschiedt dan weer de incarnatie.

De tijd die je nodig hebt om het rad van incarnatie tot incarnatie te doorlopen is afhankelijk van de wijze waarop je de hellewerelden doorloopt en de wijze waarop je de hemelwerelden doorloopt. Hoe dichter je bij de naaf blijft, hoe meer je van de waarheid weet te vatten. Hoe minder een hellewereld greep op je heeft, hoe langer de fase zal zijn tussen twee incarnaties.

Zo, dit is in ieder geval een begin. Wanneer u op deze wijze begint te denken moet u zich wel realiseren dat dat een heel kunstig iets is. Er waren monniken die konden zo’n voorstelling – en die is erg ingewikkeld – met een eenvoudige rietpen tekenen op een stuk perkament. Soms zelfs op een stukje hout en dat deden ze in enkele uren. Het is een kunstwerk zo ingewikkeld, dat wanneer hier een tekenaar dat zou moeten doen hij daar ongetwijfeld maanden mee bezig zou zijn, tenzij hij net als deze monniken eerst elk detail afzonderlijk en volledig geoefend had. Zo’n monnik was onze vriend.

Wanneer je bezig bent met de wenteling van het rad, dan hou je je ook bezig met de verhouding tussen de illusie en de werkelijkheid. En de verhouding tussen illusie en werkelijkheid ga je weer uitdrukken in de termen van de reïncarnatiecyclus.

Nu hadden de Tibetanen in die tijd een wat andere visie dan vele anderen en ook wij. Ze namen namelijk aan dat het best mogelijk was, dat als je niet uitkeek, je in een hond terechtkwam. Ik kan me trouwens mensen voorstellen die zich daarin thuis zouden voelen want die blaffen nu ook al. Of je kon in een zwijn terecht komen bij wijze van spreken. Of in een vogel, maar ook in een mens.

Een van de meest belangrijke dingen in hun “denken” was te zorgen dat er een menselijke incarnatiemogelijkheid bestond. Als illustratie het verhaal over een ingewijde die samen met een vriend als kluizenaar leefde, de één op de ene berg en de ander op een andere berg. Op een gegeven ogenblik komt de kluizenaar van die ene bergtop naar beneden, ziet een vrouw, vraagt niets, maar verkracht haar. Nou, iedereen wilde weten waarom die heilige man dat had gedaan. “Wel,” zei hij, “mijn broeder was de laatste ‘tijd wankelmoedig. En om dat een klein beetje goed te maken moest hij een directe menselijke incarnatiemogelijkheid hebben, omdat anders de kans groot was dat hij ergens in een dier terecht was gekomen. En iemand, die zo ver gevorderd is in de kunst van de benadering van het hogere kun je dat eigenlijk niet aandoen. Daarom heb ik dat gedaan.”

Het wonderlijke is dat iedereen dat niet alleen onmiddellijk aanvaard heeft in die buurt, maar dat toen het kind geboren werd het, voor het iets anders kon doen als schreien, al aangesproken werd als een Rinpoche. Dat is een eretitel zoals u misschien weet.

U ziet dat ik in ieder geval de zaak even heb nagekeken en er zo hier en daar over gepraat

Wat is het kenmerk bij reïncarnatie? Ik heb daar met onze gast over gesproken en zal u eerst vertellen hoe men daarover dacht en geloofde. Daarna zoals hij er nu over schijnt te denken, dit voor zover ik het kon nagaan. Die hoge omes praten veel, maar vaak over je hoofd weg. En dat is bij mij ook gebeurd.

Elke incarnatie is een aanvulling van de voorgaande. Daarom kan geen enkele incarnatie gelijk zijn aan de vorige. Wanneer een mens een leven heeft volbracht dan keert hij terug tot zijn werkelijke persoonlijkheid.

In die werkelijke persoonlijkheid liggen alle vorige incarnaties opgeslagen, maar de laatste incarnaties vragen op dat moment nog de aandacht. Zeker de allerlaatste. Dat betekent dat je enorm getroffen en geraakt wordt door al hetgeen er in een zeer nabij verleden is gebeurd.

In dat verwerkingsproces zul je naar evenwicht moeten zoeken en dat evenwicht zoeken is een kwestie van zelfbeproeving. Maar het kan ook een kwestie zijn van lijden waar je niet onderuit kunt komen.

Een aantal hellewerelden ligt in deze situatie aan jezelf. Volgens het geloof van deze mensen dus niet in jezelf. Ze bestaan in concreto maar kunnen je alleen beroeren, je kunt er alleen door gevangen worden wanneer ze in jezelf leven. Daar komt het op neer.

Op het ogenblik dat je in zo’n wereld bent onderga je de vernederingen, de ellende. Je wordt met alles geconfronteerd wat je anderen hebt aangedaan, maar ook met alles wat je voor jezelf niet zou kunnen aanvaarden. Heb je een bepaalde fase afgewerkt dan blijf je volgens dat geloof niet in diezelfde hel. Je gaat naar de volgende tot het ogenblik, dat je alles aanvaard hebt wat je bent.

Dat ogenblik van aanvaarding brengt ons tot de Zomerlandstatus. Een situatie waarin de herinneringen – meestal vooral uit het laatste leven – een grote rol spelen en waarin je de contacten weer op gaat nemen met anderen. In de hellewerelden ben je eigenlijk voortdurend geïsoleerd geweest. Het enige wat je daar ontmoet zijn de persoonlijkheden die je kwellen en je bedreigen.

Verder komend ga je naar een wereld toe waarin je jezelf als in een soort spiegel ziet, men zegt dan: “Het eeuwige spiegelt zich in de tijd.” Het komt er dan wel op neer, dat je je realiseert wat je allemaal geweest bent. Misschien een mot of een meeuw of mees. Daar­na b.v. een keer koning van Utopia of zoiets. Alle dingen die je vroeger hebt gehad komen terug, maar niet meer zoals men zich dat voorstelt als een achtereenvolgend beeld. Je kunt het beter vergelij­ken met de bekende doorkijkplaten.

Er zijn platen b.v. van het menselijk lichaam waarbij je met het geraamte begint en elke plaat die er overheen komt laat je zien wat er verder bij zit. Als het zenuwstelsel, de organen, de spieren. Noem maar op. Op die manier wordt leven over leven gelegd waardoor je het totale ik‑beeld te zien krijgt. Je kunt de fasen ervan beseffen. Je hebt er ook wel kennis van; maar het enige wat je eigenlijk blijft behouden als werkelijk belangrijk is het totaalbeeld.

Met dat totaalbeeld ga je dan – wat men noemt – de hemelwerelden in. Anders gezegd: het is de confrontatie met het licht. Om dat licht te kunnen verdragen moet je het in een grote mate kunnen absorberen. Lukt dat niet, dan ga je proberen in de schaduw te komen en dan trek je vanzelf van de ene hemel naar de andere, terwijl je weer langzaam naar beneden komt. Op het ogenblik dat je incarnatie aanstaande is ontstaat er een periode – en die kan lopen van een paar honderd jaar tot misschien een paar dagen – waarbij je in een soort nevel zit te wachten.

Nog steeds volgens hun denken: wanner je in die nevel loopt dan, is er een ogenblik, dat je net als je een straat binnen komt met daarin allerlei gebouwen er bij één van die gebouwen een deur open staat, waardoor je naar binnen kunt gaan. Sommige gebouwen lijken op paleizen, andere op krotten. Je moet kiezen omdat je het gevoel krijgt: ik kan niet lang meer op straat blijven. Ik moet ergens naar binnen gaan.

Dit is de z.g. keuze. Hier kies je je volgende incarnatie. De deur die je binnen gaat betekent gelijktijdig het lichaam waaraan je gebonden bent.

Dat is dus de cyclus zoals men zich die daar voorstelde. U begrijpt dat ik onze gast gevraagd heb of hij dat nu op dit ogenblik nog gelooft. Er zitten veel dingen bij die ik mij niet te binnen kan brengen, zoals b.v. over dat straatje met al die mooie gebouwen. Vooral als ze dan ook nog vertellen: soms zie je een heel mooi paleis. Maar ga je daarbinnen dan word je wel als een kalf geboren. Volgens mij zou dat paleis dan eerder op een stal moeten lijken. Je weet het niet.

Dus: ik vroeg: “Hoe ziet u het nu?” Hij antwoordde:

“Ik begrijp nu pas hoeveel overgeleverde werkelijkheid achter de symbolen van al die oude verhalen zitten. Incarnatie is een aanvulling. Een voortdurende aanvulling en dat stak daar ook in. Dat je daar hemel‑ en hellewerelden tussen hebt, ach; elke mens moet tenslotte zichzelf leren aanvaarden voordat hij in het licht komt.”

Dat is ook wel een aardige vergelijking. Maar wanneer ik in het licht ben dan komt er toch altijd het ogenblik waarop ik constateer, dat ik niet verder in het licht kan opgaan.

Onze gast: “Dan buigt mijn baan weer terug. Dus dat is waar.”

Ik vroeg hem: “Wat denkt u van het bekende verhaal dat de incarnatie bepaald wordt door de verdienste van het vorige leven?”

Antwoord: “Vergeet dat maar. Men zegt wel: wie vandaag een paria is zal misschien morgen een Brahmaan zijn, maar over het algemeen is het eerder de Brahmaan die paria wordt, dan de paria die Brahmaan wordt.”

Ik vroeg: “Hoe bedoelt u dat?”

Antwoord: “Ik ben ook weleens beneden geweest. (Hij bedoelde kennelijk in de dalen van de Ganges of van de Indus). Daar hadden ze dat geloof. Maar je wordt niet meer en je wordt niet minder, maar je gaat iets doen. Elk leven probeer je iets. Je brengt iets voort. Soms is dat een verandering in medemensen. Soms vervul je een taak. Je geeft les in de wetenschap of je geeft lering. In een ander geval ben je een last die een ander moet leren dragen. Maar je hebt altijd een taak. En die taak kun je alleen maar vervullen van uit hetgeen je bent in die incarnatie. En dat is dan meteen je handicap.”

Het is natuurlijk gemakkelijk genoeg om voor iedereen goed te zijn als je een paar miljoen hebt of tegenwoordig een paar miljard. Maar het is heel erg moeilijk om goed voor anderen te zijn als je zelf alleen maar een paar korsten brood te eten hebt.

Is dit goed zijn voor anderen je taak dan zul je dat toch waar moeten maken. En wel met de middelen die je hebt. Daarbij gaat het niet om hetgeen je aan die ander geeft maar om datgene wat je in belangrijkheid, gezien vanuit jezelve, kunt geven om anderen gelukkiger of beter te maken.

Ik zei: “Dat klopt dan aardig.”

Gast: “Dat is inderdaad waar. Het is zelfs zo dat mensen heel vaak niet begrijpen wat hun werkelijke taak is. Soms willen ze vooruitlopen op de afwikkeling van zaken uit vorige incarnaties. Dan hebben ze een drang en zeggen ze: ik ga dit scheppen of ik ga dat doen. Maar dat is hun taak niet. Want je taak is datgene, wat je nu moet doen, voordat je verder kunt gaan.”

Daarna ben ik zo vrij geweest om te vragen: “Wat denkt u dan eigenlijk van al die theorieën over inwijdingen en zo?”

“Ach,” zei hij, “het hele bestaan in zichzelf is een inwijding. Maar wanneer de jager uitgaat en ik geef hem wel scherpere ogen, maar geen boog waarmee hij een pijl juister en verder kan schieten, kan hij dan meer wild neerleggen?”

Nou, om eerlijk te zijn vond ik het bijna een Zen vraag. Ik heb erover nagedacht en zei: “Nou, dat zal dan misschien iets meer zijn, maar niet veel.”

“Juist,” zei hij. “Wanneer je in de stof leeft kun je geestelijk allerhande ontwikkelingen doormaken, maar dan moet je niet denken dat je daardoor ineens ook een veel groter bereik krijgt. Je blijft beperkt aan je eigen taak En het is die taak, die bepalend is voor je toestand na de dood. Het is de vervulling van die taak, de juistheid van die vervulling en de volledigheid van die vervulling waardoor wordt uitgemaakt in hoeverre je licht zult kunnen opnemen. Hoelang je in het licht kunt leven en hoe bewust je daarin kunt zijn. En daarna zul je weer teruggaan.”

Mijn vraag: “Blijft dat zo?”

U vindt het misschien vervelend, maar als ik denk aan teruggaan naar deze aarde en de idee krijg van nog een aantal eindeloze incarnaties, wel, dan kan ik zeggen misschien is van Agt mij gespaard, maar God weet wat er morgen komt. Vandaar: gaat dat zo door?

Gast: “Neen. Want een taak moet je eerst leren oplossen in de materie. Je komt vanuit een bewustwording. Zodra je die bewustwording waar moet maken kom je terecht in de materie. Maar wanneer je in de materie alle taken die mogelijk zijn volgens het besef dat je in het begin had voltooid hebt, kan er geen taak meer vervuld worden op aarde. Dan moet je wel vanuit een geestelijke wereld gaan werken. Want daar heb je weer andere middelen en mogelijkheden en kun je weer allerlei werkzaamheden gaven verrichten die tot op dat ogenblik voor jou niet eens denkbaar waren. Maar volgens mij is dan zo’n taakvervulling vanuit de geest ook wel degelijk “werken” en als zodanig een vorm van incarneren. De kringloop blijft bestaan maar je bent dichter bij de naaf van het rad gekomen.”

Nou dat vond ik ook wel interessant en ik vroeg hem hoe vaak iemand incarneert.

Antwoord. “Als ik dat wist voor elke mens, dan wist ik wat elke mens waard is in de totale kosmos. En dat weet ik niet. Maar we kunnen er misschien toch wel een gissing van maken.

Kijk, de zeer belangrijke geesten die misschien nog één taakvervulling nodig hebben of die misschien een geestelijke taak omzetten in een stoffelijke manifestatie, komen pas na duizenden jaren weer.

Mensen die heel behoorlijk bewust zijn geworden, die doen dat eens in de 1000 jaren, 1200 – 1400 jaar soms minimaal 700 jaar. En dat zijn mensen die al heel wat bereikt hebben. Ga je nog een stap verder dan krijg je diegenen die op het punt staan die geestelijke inwijding te vinden. Die schat ik dan op gemiddeld 300 tot 350 jaar, daartussen zal het liggen.”

Vraag: “En de anderen dan?”

Gast: “Er zijn mensen die doen zo weinig bewustzijn op, dat voor hen reïncarnatie gewoon een vluggertje is. Dat is: hup eruit, ellende in de geest, hup vluchten voor het licht en gelijk weer verder. Er zijn er bij die dat binnen heel korte termijn kunnen doen.”

Vraag: “Wat noemt u een heel korte termijn?”

Antwoord: “Gemiddeld tussen de 1 en de 50 jaar.” Het zal je gegeven zijn, elke 50 jaar terug op aarde.

Natuurlijk blijven er vragen over zoals “Hoe komt het dan dat er mensen zijn die na een jaar geïncarneerd zijn? Is dat altijd omdat ze een taak niet vervuld hebben?”

Gast: “Ja, dat is iemand die een taak niet vervuld heeft. Maar wanneer een redelijk bewuste geest ontdekt dat in dit leven, door welke reden dan ook, buiten zijn eigen ingrijpen om, die taak niet volledig kan worden afgemaakt, dan kan hij een vergelijkbare incarnatie zonder het doorlopen van het rad onmiddellijk laten volgen op zijn dood.”

Als u dat allemaal zo hoort krijgt u dan ook niet het idee, dat het wel heel erg mooi in elkaar zit, maar dat hij het eigenlijk niet precies weet? Nou dat idee kreeg ik ook. En toch moet ik zeggen, dat het een spreker is, die weet waar hij het over heeft.

Ik vroeg hem: ” Wat ziet u dan eigenlijk als werkelijkheid?”

Antwoord: “Nou kijk, al die incarnaties bestaan wel. Het is allemaal mogelijk. Maar waar we mee te maken hebben is niet de kringloop van het bewustzijn. Dat denkt een mens. Die denkt: ik ben mijn bewustzijn. Maar je bent meer. In feite is het de kringloop van het zichzelf herscheppende licht.”

Hiermede kwam hij op een terrein, waar ik even met mijn geestelijke oren klapperend heb bedacht: ik hoop dat hij het jullie dadelijk duidelijk kan uitleggen. Mijn eigen visie? Ik weet dat ik vroeger geleefd heb. Natuurlijk. Ik kan ook wel een aantal levens thuisbrengen. Er zijn de gekste relaties bij.

Weet u waarom ik b.v. door dit medium doorkom? Ik ben dat nagegaan. Ik ben heel lang geleden geboren in Azië. Ik was een meisje van een nogal lage kaste van de boerenstand. Op een dag kwam er een soort monnik voorbij met wat mensen bij zich. Iedereen wilde mij wegjagen en toen ben ik hem gewoon aan gaan kijken. Ik vond het zo’n eigenaardige man. En toen greep hij ergens in een nap die hij bij zich had en gaf mij een koekje van een combinatie van kaneel, maanzaad en suiker. U ziet, ik kan het nog precies terugvinden. Degene die het mij gaf is nou het medium. Dus kennelijk is hij niet zo hard vooruitgegaan, nietwaar? Kennelijk, maar misschien zat er weer wat anders achter. Wie zal het zeggen?

Ik ben op het ogenblik in de geest. Ik kom door en ik mag inlei­dertje spelen. Dat bewijst, dat ik in ieder geval van goeden wille ben, maar als ik naar de gedachtenreacties van sommige van toehoorders of toehoorsters kijk, dan krijg ik het idee dat ik ook nog heel wat te leren heb. Dat zal wel waar zijn.

Maar zo sterk kunnen die samenhangen spelen. Je ziet mensen elkaar ontmoeten b.v. omdat de één de ander wat geleerd heeft. Je ziet mensen elkaar ontmoeten, of geest en mens, in een relatie komen – en dat weet ik zeker want dat kan ik zelf nagaan – gewoon omdat er ergens in een vorig bestaan een relatie is geweest. Een relatie dus waarbij de één op elke manier dan ook het leven van de ander beïnvloed heeft.

Als je het zo bekijkt dan hoef je onze gast niet te geloven in die zich voortdurende voortzettende keten van levens en tekens maar dan is het toch wel interessant om na te gaan wat er eigenlijk gebeurt.

Wij worden in elk leven – of we dat weten of niet, willen of niet – invloeden in het leven van anderen. En dan blijkt later dat die invloeden de banden zijn die een rol spelen bij onze volgende incarnaties. Maar die invloeden zullen ook een rol spelen bij datgene wat wij vanuit de geest kunnen doen, in de contacten die wij vanuit de geest kunnen vinden.

Ik heb een leermeester in de sferen ontmoet. Een zeer bewuste geest overigens, waar ik vroeger nog eens een schaaltje rode rijst mee heb gedeeld. En eigenlijk is de enige band die ik terug kan vinden toevallig dezelfde incarnatie die op dit werk betrekking heeft, dat ik hem iets gegeven heb. En als u wist wat ik voor die rijst terugkrijg, wel, dan wordt het ruimschoots betaald.

En zo gaat het bij u ook. U zult in uw leven altijd weer moeten betalen voor datgene wat anderen u gegeven hebben. Maar u zult ook steeds weer verkrijgen door datgene wat u anderen gegeven hebt. Het is een voortdurende balans. En ik denk dat die balans op zichzelf ons steeds meer verwant maakt met de gehele kosmos.

Wanneer ik probeer uit te rekenen met hoeveel mensen ik verwant ben, dan moet dat miljoenen zijn. Dit ene wezen, dat hier nu zit te praten door een ander wezen, waar het ook nog een keer mee verbonden is geweest, dat heeft dus miljoenen contacten. En dat is trouwens nog maar een klein beetje. Het is één schepje zand op het strand bij wijze van spreken. Maar door die contacten worden mijn eigen moge­lijkheden groter en zal ook de taak die ik heb steeds meer een vertegenwoordiger worden van alles wat ik betekend heb, Ik geloof dat daar de grote rol in ligt.

Je kunt heel vaak niet waar maken wat je zou willen. Zijn er hier dames bij die vroeger dachten: ik ben vast een ontvoerde dochter van een koning? Hebben de boze zigeuners gedaan. Neen, zo romantisch bent u misschien niet meer.

En er zijn misschien ook nog wel heren die het gevoel hebben, dat ze toch eigenlijk van een veel hogere afkomst zijn. Dat ze veel meer zouden moeten kunnen en zouden moeten doen – geestelijk of anderszins – dan ze eigenlijk nu op dit ogenblik hebben aan mogelijkheden. Ik denk dat dat de illusie is die ons voortjaagt. Je wilt steeds meer.

In die incarnaties wordt onze taak steeds zwaarder doordat we meer relaties hebben. Maar zo’n taak kunnen we vaak alleen uitvoeren wanneer we terecht komen in een vorm van leven die we – op het moment dat we hem hebben – voor onszelf onaanvaardbaar vinden.

Je droomt ervan om koning van Spanje te worden. Er zijn zelfs nu nog mensen die daarvan dromen. Dus waarom niet. En dan denk je: Ik heb het gehaald. En dan blijkt dat je geboren wordt als een misvormde en ben je een hofnar. Maar als hofnar kun je misschien veel meer doen dan je als koning ooit had kunnen doen.

Soms ben je alleen maar een onbetekenend iemand op de achtergrond. Maar daardoor geef je anderen de mogelijkheid om iets te bereiken. En soms ben je alleen maar een beproeving in het leven van een ander.

Het kan zijn dat je gewoon iemand voor een probleem stelt. En de oplossing van dat probleem is dan datgene, waaraan jij eigenlijk hebt bijgedragen. Dat is dan jouw taak. Maar het is natuurlijk niet leuk als je voor een ander alleen maar een probleem vormt. Dat vind je voor jezelf niet leuk. Maar het is in je relatie met die ander juist een waarmaken van de verbinding die er bestaat.

Dat wat ik nu zeg is allemaal van mij uit, hoor. Het wordt trouwens al met een diepe zucht onderstreept. Ze wisten het al. Maar ik zal toch mijn inleiding stijlvol moeten maken.

Ik heb geprobeerd om al die verbindingen en banden een beetje te herleiden en dan kom ik tot een krankzinnige reeks conclusies. U moet er zelf maar eens over nadenken of ze voor u aanvaardbaar lijken.

U hebt vroeger weleens een ereboog gezien, neem ik aan. Daar is misschien wel een latwerk voor, maar de ereboog wordt gemaakt van allerlei takken groen die met bloemen in elkaar gevlochten zijn. Wanneer wij in ons contact met anderen licht betekenen dan is dat net zo’n tak. We vlechten voor onszelf een soort ereboog van levend licht van datgene wat we tot stand hebben gebracht. En nu is het wonderlijke dit: Omdat wij die poort opbouwen uit het positieve licht – dus het grote licht – kunnen we door die poort gaande in een wereld komen, waarin dat grote licht duidelijker kenbaar is.

Onze poorten van inwijding zijn in feite poorten, die we door onze eigen relaties hebben opgebouwd. Raar hé? Ik heb nog zo’n conclusie.

Het blijkt dat alle normen en beperkingen die er plegen te bestaan eigenlijk helemaal geen zin hebben. Ze hebben alleen zin voor onszelf en voor zover ze betrekking hebben, op de relaties die wij hebben met elkaar; mens met mens, mens met geest en al het andere. Maar, een grote betekenis zit er eigenlijk niet in.

Maar in onszelf dragen we wel de wetten waaraan we moeten beantwoorden. En nu is weer het vreemde, dat die weten niet worden gebaseerd op hetgeen je op aarde b.v. zou willen of in de geest, maar op de mogelijkheden, die je hebt geschapen. De wet die ons leven regeert is in feite de balans tussen datgene wat we van anderen verkregen hebben en wat wij aan anderen gegeven hebben. Een rare situatie.

Dan de laatste conclusie. Ik heb me toen ook afgevraagd: als je dood gaat – het is maar een vraag natuurlijk – wat is dan de betekenis van dit alles? En toen kwam ik tot de conclusie, dat een wezen dat op aarde hoe dan ook zijn eigen taak vervuld heeft, in die taak a.h.w. een soort lift heeft. Het is een soort afscherming. Het tilt je a.h.w. boven al het duister uit. En daar, waar je gefaald hebt in die taak is het juist het gewicht daarvan wat op je drukt. Dat brengt je naar beneden toe.

De resultante van hetgeen je voor anderen betekend hebt en datgene wat je had moeten betekenen is de factor die bepaalt in hoever je in het licht zit of in het duister.

Dan is volgens mij het haast onvermijdelijk dat je dat gaat enten op die theorie van het rad. En dan zeg ik: ja, het rad is eigenlijk alleen maar de symbolische uitdrukking van deze taakvervulling.

De vraag blijft dan over: wie heeft de taak gesteld? Het enige antwoord wat ik daarop kan vinden is – misschien vreemd – dat de taak is de eis die wij aan onszelve stellen door aan onszelve een verplichting toe te kennen, waardoor we menen te ontkomen aan de tekorten die we bij onszelf veronderstellen.

Wanneer je dit allemaal bij elkaar pakt is dit misschien toch een praatje waarin ik een paar dingen heb gezegd, waar u eens even over na moet denken. Want misschien is het voor uw eigen leven zoals u nu bent op aarde, maar ook voor de betekenis van mogelijke inwijding, van nieuwe ontdekkingen, heel erg belangrijk dat u beseft, dat elke stap verder wordt opgebouwd uit het licht, dat u in uzelve weet samen te voegen. Het is uw eigen licht, dat u in staat stelt lichtere werelden te bereiken. Het is uw eigen duister, dat u afsluit van werelden waarin u misschien graag zou vertoeven.

Deze conclusie lijkt me heus wel belangrijk, omdat je je toch weleens af zult vragen: waar faal ik en waar slaag ik? Wanneer u kijkt naar die maatstaf, diep in uzelf en daar een antwoord op hebt dan zal het best meevallen. Als u voorbijkomt – ik heb nu met u gesproken nietwaar – misschien dat er dan draadje licht is en misschien kan ik dan een lift krijgen van u. Wie zal het zeggen.

Het wordt tijd om te gaan. Na ongeveer een kwartier zal de gastspreker wel tot beschikking zijn. Ik hoop dat hij alles wat ik aan tekorten heb gedemonstreerd onmiddellijk zal overklassen door de volle betekenis van hetgeen hij u daarover te vertellen heeft.

De Gastspreker

Ik zal beginnen met mij voor te stellen. Mijn laatste naam was Parlo Prang Sen (?)

Mijn zoeken heeft mij gebracht in de buitenste cirkel van licht en het is daarover, dat. ik u deze avond enkele dingen wil zeggen. Elke mens heeft in zich licht. Dit licht is oerkracht. Het is de kracht van de werkelijke bron van al het bestaande.

Omdat wij ons in deze kracht bewegen, moeten wij zoeken naar die plaats, waar de helderheid van ons eigen licht gelijk is aan die van het kosmisch licht.

Wanneer je in jezelf weinig licht hebt, dan is er altijd weer het licht om je heen.

Wanneer je het licht om je heen in je opneemt dan ga je je bewegen. In die beweging verplaats je je zoekende naar het licht wat bij je hoort. Maar je gaat steeds verder, want steeds wanneer je rust neemt je licht op.

Soms kun je je afsluiten. Je blijft dan lange tijd op één en dezelfde plaats zonder te beseffen wat licht is. Maar zodra je even aarzelt en niet alleen aan jezelf denkt dan komt dat licht van buiten het licht versterken dat in je woont en je beweegt

Nu is deze beweging symbolisch voor te stellen als een cirkel. Je beweegt. Je neemt licht op. Je beweegt, maar telkenmale wanneer je werkt, wanneer je leeft, gebruik je ook iets van het licht. En daardoor blijft het een cirkel.

Er komt een ogenblik dat in je iets wordt opengebroken. Je wordt gevoelig. Je ziet kleuren die er niet zijn. Ziet de aura van mensen. Je dringt door achter de sluier; wanneer je mens bent. Je ontplooit je en als met duizenden fijne haren die aanvoelen wat er om je heen is, erken je meer en meer wat er rond je is.

Dan komt het ogenblik – in de geest zo goed als soms in de stof – dat je meer licht opneemt dan je kunt weggeven, kunt omzetten. Dan moet je dichter bij het licht komen omdat daar alleen de plaats is waar het licht zo fel is als het licht wat in jezelf woont.

Zo kom je weer in een nieuwe kringloop. Altijd door tot je weer een punt bereikt waarop je meer licht omvat en een nieuwe plaats gaat zoeken. Zo ga je verder totdat je de binnenste kringloop van het licht bereikt

Als mens ben ik gelukkig geweest, omdat ik de buitenste kringloop van licht heb mogen bereiken en heb mogen beleven. Als geest heb ik geleerd dichter naar de binnenste kringloop te gaan.

In de binnenste kringloop ben je jezelf. Je bent zo licht als een ik maar kan zijn. Je drijft in een eindeloze tij van licht en er is niets meer wat je op kunt nemen totdat je leert iets van jezelf te vergeten.

Nirwana is de binnenste kringloop. Maar er is meer dan dat. Want vanuit de hemel van rust kom je in de stormvloed van de scheppende actie. De kern van licht schept in zich een beeld, houdt de waan in stand van het geraamte van de werkelijkheid, maar is gelijktijdig zichzelve en al het mogelijke. Om daarvan deel te worden wil zeggen: als ”ik” verdwijnen en als besef in het geheel ondergaan en volledig leven tegelijk.

U zoekt naar de cirkel van licht. Soms betreedt u ze voor een ogenblik. U gebruikt de kracht weer en blijft aan de grens. De kunst om die grens te overschrijden is de stilte in jezelf. Niet de afzondering van de wereld of de diepte van een meditatie. Die dienen om de kracht op te nemen die je verbruiken moet. De stilte vinden in jezelf is de scheiding vinden die je maakt tussen je daden en je ontvankelijkheid voor het hogere.

U behoort tot een ras dat weinig kon begrijpen van het land waar ik geleefd heb. U vond onze duiveldansen pittoresk en onze kloosters wonderlijke en onbegrijpelijke samenlevingen.

Wanneer wij een duivelsdans dansten beeldden wij de strijd uit tussen de krachten die uw energie, uw licht uit u willen puren, zodat u verder van de bron af komt en de kracht van het licht zelf dat u voedt, zodat u dichter tot de bron komt. En onze kloosters waren misschien wonderlijk in uw ogen. Maar je hebt een stad nodig om de schuilplaats te vormen voor drie wijzen om hun mensen rond zich te kunnen betrekken in hun gedachten zonder hun licht te verliezen. Daarom zal veel van hetgeen ik u zeg, in een taal die niet de mijne is of is geweest, in beelden die u vreemd zijn, niet begrepen worden.

Wanneer het duister is en ik neem één lamp dan verlicht ze de gehele kamer of verdrijft ze het duister in een brede kring. Eén kleine lamp kan een dagreis ver soms een baken zijn voor de reiziger. Toch spreekt de reiziger niet de taal van de lamp. Ik wil een lamp zijn; baken voor de reiziger. Of licht dat het duistere kenbaar maakt. Daarom kom ik.

Licht vang je niet in woorden. Een lamp die straalt moet licht stralen. Als een mug zoemt bij een lamp dan is haar zang en haar dodendans een verklanking van het licht dat zelf niet spreken kan.

U zoekt licht. U wilt binnengaan in de cirkel van licht. Ik geef u een baken. De woorden zijn alleen maar de bekleding en niet het licht.

U wilt zoeken. Denk niet aan wat je wilt bereiken. Denk aan wat je zoekt. Kijk naar het licht. Het zegt niets over de weg. Het zegt waar het doel ligt.

Doel! Niet de weg. Wie het doel zoekt en het weet te vinden hoeft de weg niet te kennen. De weg komt vanzelf. Je kunt niet tot het doel gaan zonder de weg. Kijk naar het doel … en de weg wordt gevonden. Kijk naar de weg … en het doel wordt uit het oog verloren.

U zoekt. Ik kan niet meer geven dan mijn licht. U wilt meer. Kijk naar het licht en als de weg meer is komt er meer. Maar het woord is niet de weg. Het Licht is de weg. En de kracht, én het weten én het doel, niet het andere.

Wie het licht ziet en gaat – geleid door het licht al is het maar één vlam van één vetlamp – hij vindt meer licht. Hij vindt vrede. Wie vrede geeft, geeft licht. Wie licht geeft, geeft een doel. Tijd is de illusie. Alleen illusie. Verandering van vorm die schaduwspel is.

De droom vergaat soms, naar één licht blijft en dat licht is het enige belangrijke op de weg. Licht!! Licht is het verdrijven van duister. En licht is het doel. De weg is onbelangrijk. Kijk niet naar de weg maar naar het licht, dan toont de weg zichzelf. Maar kijkt u naar de weg dan is het licht weg. Het doel is verloren.

Leven is vooral geduld. Het leven is kunnen dragen. Wie een zware last naar een doel brengt ziet daar dat de last licht is. Lichtender en sterker dan je ooit had gedacht.

Tijd is illusie. Licht is het werkelijke. Waar is uw licht?

Niet alleen licht geven maar ook licht drinken. Niet alleen in het duister anderen tot licht brengen maar ook licht drinken opdat je niet anderen uit het duister haalt maar het duister verdrijft. Dat is de cirkelgang van licht. Licht kun je delen, maar woorden zijn de bouwwerken van illusie. Niet wat je wilt, maar wat je bent en het licht dat je kunt aanvaarden bepalen de weg die je gaat. Vergeet dat niet.

Leerlingen komen buigend voor de meester en zeggen: “Eerbiedwaardige, los ons probleem op.” Ze zijn als lastdieren die zeggen: “Neem mijn last af opdat ik een andere mag dragen.” Problemen zijn illusie. Uw last gebouwd uit uw gedachten. Uw problemen verdwijnen voor licht en licht is om u heen.

Het felste, het hoogste licht is om u heen. Drink dat licht. Bouw geen werken van gedachten. Laat uw kennis een ogenblik vergeten zijn en drink het licht!

Hoe lichtender u bent, hoe meer licht u in uzelf opneemt, hoe eerder uw reis er één zal zijn tot in de buitenste cirkel van licht. Hoe verder u doordringt in de buitenste cirkel van licht, hoe sneller u zult leren licht te geven, licht te ontvangen. En licht ontvangende te gaan tot de binnenste cirkel, waar ge voor het eerst en voor het laatst naar waarheid zult weten wat ge zijt. Waar ge, prijsgevende de waan van het ik, de werkelijkheid zult vinden van het leven.

Dit zijn woorden. Woorden zijn alleen de schaal waarin het licht brandt. Richt u niet op de schaal, maar op het licht en verzadig u daarmee.

Wat meer moet ik zeggen? Ik heb getracht u mijn licht te geven, het doel te doen ervaren en u hebt het opgenomen. Vindt uw doel in vrijheid.

Ik heb woorden gebouwd. Woorden zijn illusie. Vergeet de woorden, tenzij u ze nodig hebt om u het licht te herinneren wat de enige werkelijkheid is.