De kosmische eenheidsgedachte

image_pdf

21 september 1956

Misschien dat ik nu en dan voor u zo nu en dan wat te zacht spreek, maar dan mag u mij wel daaraan herinneren. Want deze avond mag ik, na een lange tijd, eindelijk weer eens tot u spreken. Het onderwerp dat men mij heeft opgedragen… ach, de kosmische eenheidsgedachte… kan men zo moeilijk onder woorden brengen. Wanneer ik hier zo met u samen zit, dan komt in mij altijd weer de gedachte aan een reeks kinderen, die niet meer weten bij welk land en bij welk gezin zij behoren.

Onze werelden zijn soms zo wreed en zo vreemd. Wij zouden elkaar zo graag helpen, maar het lijkt ons alsof er een muur staat tussen ons en de anderen. Je bent in je wereldje opgesloten, als in een grote glazen kooi, die een cel wordt. Vaag hoor je van buiten geluiden, maar je bent geen werkelijk deel van de dingen daar en soms kan je niet doen wat je zou willen. Je kunt soms zelfs je beste bedoelingen niet uiten. Kijk, wanneer ik dan zo de mens, en ook de geest, in afzondering zie, zo in hun zorgen en in hun ongeluk, dan is er iets in mij dat uit wil grijpen naar dergelijke wezens. Dan zou ik willen zeggen: “Denk toch goed na, die muur die daar staat, die cel die het je onmogelijk maakt de mensheid te bereiken, die bestaat alleen maar in je eigen gedachten”. Een mens smeekt soms zijn God om te helpen en dan gebeurt het niet, en dan zegt hij: “Waar is God?” Ook alweer zo. Je zou ze op willen nemen en sussen als een klein kind dat angstig in de nacht wakker wordt en het zeggen: “Zoek nu maar, God is er wel, maar je moet er ook op letten, wanneer God er is, je moet niet denken dat jij als kind kunt begrijpen wat de Grootmeesters van het Al doen.” Je moet toch goed bedenken mens: God is zo groot. Om God te horen moet je opletten en luisteren, want je moet leren de klanken van God te begrijpen.

Het is allemaal dat arme bewustzijn wat deze ongelukkige toestanden op zijn rekening heeft. Stel u zich nu eens voor, allemaal zoals u hier bent, dat u in staat zou zijn met uw hart en ziel uit te grijpen naar een mens die ongelukkig is. Stel u eens voor, hoe u die mens zou kunnen dragen, dragen door zijn duisternis van leed, totdat hij weer gelukkig is en het leven aandurft. Stel het u voor! Als u het zich voorstelt, wat krijg je dan een mooi, en heerlijk gevoel van binnen. Te kunnen helpen. Een ander zijn leed en zorgen te mogen dragen voor een kort ogenblik. Kijk, dat gevoel dat u van binnen krijgt, dat is nu eigenlijk onze kosmische eenheid. Dit is ook God. Want God heeft ons geschapen in liefde, niet uit haat. Hij heeft zichzelf bevestigd in zijn Schepping. Niet zichzelf vervloekt en verworpen daarin. God, die draagt ons allemaal, alsof wij kleine kinderen waren, maar wij begrijpen het niet. Wij protesteren. Wij kunnen nog niet begrijpen hoe de Goddelijke Liefde ons draagt, wanneer wij, arme kleine wezens, zelf nog teveel aan ons ikje hangen.

Wanneer wij niet dat ogenblik van onszelf prijsgeven en verloochenen kunnen.

Wanneer wij liefde geven, geestelijke liefde, onpersoonlijk gegeven aan de Alziel in alle dingen, en we richten die tot mens, dier en plant, tot arme dolende geesten, tot Lichtende sferen, dan realiseren wij ons pas hoe zeer die grote kracht in ons werkzaam is. Weet u, ik heb het u wel meer gezegd: Ik zou u allen met uw zorgen en problemen aan mijn hart willen drukken en mee willen nemen naar een wereld waar het Licht is en stil…. Een wereld waarin je vrede vindt… maar ik mag dat niet, ik kan het niet. Ik kan het niet omdat jullie, mijn vrienden, zoals ook wij allen hier uit de geest tegenwoordig, nog niet hebben geleerd één te zijn met onze Schepper, met God. Van ons uit bestaat dit nog niet. O, soms voel ik het. En er zijn er met mij die het in hun wezen door voelen klinken, totdat je wezen siddert als een kerkklok, die aangeslagen wordt door de klepel, om de mensen ter kerke te roepen. Je zou heel de wereld willen aantrekken en willen zeggen: “Zie, wanneer je nu maar weet dat er geen grenzen zijn, dat er geen scheiding is. Dat alles goed is, omdat God goed is.” Je zou één eenheid willen smeden uit de wereld. Een eenheid van mensen die gezamenlijk zorgen en leed dragen, die gezamenlijk hun vreugde kennen en die in deze eenheid de kracht vinden om meer en meer de bekrompenheid van een te sterk persoonlijk denken ter zijde te laten.

Maar hoe kan een kerkklok de mensen ter kerke brengen? Zij kan roepen, en meer niet. Ik kan u mijn kracht geven, en dat doe ik. Ik kan mijn hele bestaan aan u wijden en dat doe ik. Ik kan u liefhebben, omdat u deel bent van de Schepping en dat doe ik. Maar ik kan u alleen maar roepen en u helpen, maar u zult zelf de eenheid moeten vinden, uzelf…….

Ik kan alleen maar roepen en leiden. Ik kan u helpen. Ik kan tranen storten, wanneer u droevig bent, en samen met u lachen wanneer u vrede voelt in uw hart, maar meer kan ik niet. Alleen God, de grote, goede Meester, onze Schepper, of indien u dit van een oude man wat te sentimenteel vindt: De Algeest, de oorzaak van alle dingen, Die alleen is het die ons helpen en dragen kan… .

Wanneer ik Kracht heb om u te geven, dan is zij van God. Wanneer mijn tranen een verlichting van uw lijden kunnen betekenen, dan is dat Gods liefde, dan is het dat Wezen, die Algeest. Wanneer wij leven, de vlam van ons leven in ons opflakkert, schijnt neer te gaan en wij in het sterven herboren worden, dan is het de kracht van God in ons die dit doet. Wij zijn één met Hem… onverbrekelijk… deel van Hem met al onze dagen, met al onze daden, met al onze gedachten… . Dat is kosmische eenheid.

Hoe vinden wij daarvoor dan uitdrukking? Uitdrukking van deze wonderlijke kracht die in ons leeft? Ach, denk niet dat ik u een vrome preek wil houden. Maar elk vogeltje zingt zoals het gebekt is. En zo spreek ik uit wat in mij leeft. Jezus heeft ons een leer gegeven: “Heb uw naaste lief gelijk uzelf…” Door de vijandschap tegen de mensen terzijde te gooien, door te zoeken naar onze naaste, door de band te vinden met de Schepping rond ons, door te begrijpen hoe wij één zijn met deze wondere keten van Lichtende werelden, die uit het Allerhoogste komende, gaan tot ver beneden uw wereld … kunt u misschien begrijpen: Hier in deze vind ik mijzelf? Dichters zeggen het soms, zoals er een zei:

“Ik keek naar de wolken

en ik dreef over het land

en gaf er met de regen de vruchtbaarheid…”

Er heeft er een gezegd:

“Ik aanschouwde de heg en plotseling was ik grens

tussen akkers en weg.

En het was goed te zijn in de zon…”

Dit zijn dichterlijke dingen. Zo dichterlijk dat een gewone mens dit haast niet kan begrijpen. Toch zouden wij zo één moeten zijn met onze naasten. Zo zouden wij de eenheid moeten zoeken. Niet slechts medelijden hebben met een ander, maar wenen omdat u weet waarom de ander weent. Niet in uzelf lijden omdat een ander lijdt, maar het lijden van de ander in jezelf voelen. Niet vrolijk zijn, omdat een ander vrolijk is, maar diens vreugde voelen als een stuwende kracht uit je eigen wezen opwellend.

Ach, hoe moet ik, een simpel mens, simpele geest, u duidelijk maken wat onze Meester daarmee bedoelde? “Heb uw naaste lief.” Zeker, in mijzelf voel ik dat. Ik ben één met u, één omdat ik niet anders meer kan. Eén, omdat God in mij leeft, en ik in u leef. En daarom blijf ik nu, nadat ik nu mijn eigen bewustzijn heb verkregen, in uw wereld, en werk ik in uw wereld, en strijd ik voor u, waar voor mijzelf al deze strijd doelloos is. Toch is dat geen volmaakte naastenliefde, want ik denk nog wel eens aan mijzelf, denk nog wel eens aan mijn parochianen terug, en ben ik toch nog wel eens geneigd om mijzelf zo heel voorzichtig zo een klein goedkeurend klopje te geven… zo van: “Dat heb je toch nog niet zo slecht gedaan…” Och, dat hindert niet, klop jezelf maar eens rustig op de rug wanneer je wat goed doet. Waardeer jezelf maar wanneer een ander het niet doet. Dat is helemaal niet erg. Maar vergeet niet dat je de ander evenveel moet waarderen als jezelf. Als u dat begrijpt, wanneer u dat leert te doen,  vrienden, en dan is er ook geen Orde der Verdraagzamen meer nodig. Dan is in ons allen: God! God in zijn geuite schepping, één geworden met ons. Wat kan er mooier, wat kan er gelukkiger en beter zijn?

O, ik weet het. Wanneer ik zo praat, dan denkt men wel eens: “Het is een beetje vroom gebazel”. Dat hebben ze vroeger ook wel gezegd, kleine knapen en zo… . Dan zeiden zij: “Onze pastoor is een goeie… maar hij is doof”. En daar bedoelden zij mee: Dom. Och, ik was een goeie, omdat ik veel door de vingers zag. En ik was dom, omdat zij dachten dat ik ze niet door had. Maar wees nu eens eerlijk: Komen wij eigenlijk zo niet veel beter met elkaar uit, wanneer wij wat door de vingers kijken? Weet rustig dat er kwaad is op de wereld, maar doe net alsof je het niet weet. Zoek naar het goede, en naar het Lichtende.

Dan zal je God vinden in de plaatsen waar je Hem helemaal niet verwacht. Ik mag niet lang meer spreken, maar één ding zou ik nog graag willen zeggen. Ik heb God eens gevonden in een dronken stroper. Een dronkenman, de schrik van heel de buurt.

Toen ik naar hem toeging, toen wilde ik hem eigenlijk de verwijten geven die je als herder nu eenmaal aan dergelijke dolende schapen niet mag onthouden. Toen zei deze mens tegen mij: “Pastoor, je bent een goed mens, maar begrijp je dan niet, als ik nu drink of niet, dat ik altijd mijn eigen leed, mijn eigen vreugde draag? Daarom kom ik niet bij jou in je kerk. Ik heb niks tegen jou, pastoor, maar waarom zou ik mij zo druk maken?” Toen antwoordde ik: “Ja, maar wil je Onze Lieve Heer dan helemaal in de steek laten?” Toen vond ik God in die stroper, want toen zei hij mij: “God? God, meneer pastoor, God is overal, in de bomen en in de wolken, in het konijntje dat ik strik, en in het glaasje bier dat ik drink…” Misschien dacht hij mij daarmee schaakmat te zetten en zei hij maar wat. Maar hij had gelijk, groot gelijk, veel meer dan ik. God is overal, als je Hem maar vinden kunt. Daarom is het niet zo moeilijk de kosmische eenheid te vinden. Het is alleen maar moeilijk jezelf zo ver te vergeten, dat je ze kunt aanvaarden. Als het op dat aanvaarden aankomt, dan wil ik u graag helpen. Heel graag.

Maar ik ben niet alleen. Er zijn er beter dan ik. Zij zijn soms aan een kruis gestorven. Zij werden uitgeworpen door de gemeenschap, omdat zij God vonden in alle dingen. Deze grote geesten staan ook klaar om je te helpen. Eén met jou in God. Daarom is het niet onbereikbaar, ook niet voor jezelf, maar omdat het je soms zo moeilijk gaat, hebben wij deze avond dan alles gedaan om een ogenblikje, althans iets van Gods kracht, iets van Gods liefde door te laten dringen tot deze wereld.

Wanneer ik zeg: “deze wereld”, dan zeg ik dat niet enkel tot u, mensen, maar tot al die anderen, die er toch ook bij horen. Natuurlijk onze Ordeleden, maar ook die armen die nauw uit het duister kunnen ontsnappen, die een houvast zoeken. Voor allemaal, voor onszelf en voor jullie. Voor de duistere geest en de grote Lichtende Krachten, die heden met ons zijn, zoeken wij naar eenheid met de Schepper, en met de Schepper, opdat wij één mogen zijn in God, onze Vader.

Nu ga ik u als spreker verlaten. Ik zou u graag, volgens oud gebruik, mijn goedwillendheid uit willen drukken in de naam van de Schepper, van Jezus en van mijzelf. En daarom,  duldt dit van mij: “Benedicamus te, in nomine Patri, et Filii, et Spiritus, Sanctus. Amen”. Moge de Kracht van de Vader en het Licht van zijn Zoon met u zijn.

Deel twee: Zelfde spreker, zelfde onderwerp maar 10 jaar later.

9 december 1966

Het is een tijd geleden, dat ik met u heb kunnen spreken. Er is eigenlijk ook zo ontzettend veel werk te doen. Ik heb vroeger wel eens gemeend, dat een pastoor een druk leven had. Ik moet nu echter toegeven, dat ik dan ook wel een zeer overdreven opvatting had van hetgeen ik presteerde.

Lieve vrienden. Jullie wereld staat op het ogenblik vlak voor een kentering. Vele dingen gaan veranderen. En wij willen helpen om van die verandering er een te maken, die goed is. Een mens moet elke dag een ietsje blijer, een ietsje gelukkiger kunnen zijn. En ik doe alles, wat ik maar kan, om deze stelling voor zoveel mogelijk mensen ook wat meer waar te maken.

Ik heb in het verleden heel veel gepreekt. Ja. Ik zou misschien vandaag ook wat moeten preken.

Maar als je preekt, luisteren de mensen zo slecht. Ik kan het ze niet eens kwalijk nemen overigens. Want ik hoor aan mijn kant nog wel eens een enkele keer een flard van een preek.

En al luisterende naar deze holle woorden en pseudo-populaire betogen heb ik soms het gevoel, dat ik zou moeten uitroepen: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij ons verlaten…” Want van God is daarin weinig te vinden. God is Liefde. U weet het allen. Ik heb u van ganser harte lief.

Niet omdat jullie mensen zijn, maar omdat wij samen Gods Mens vormen.

Wij moeten allen weten, wat liefde is. Liefde, die geen grenzen kent! Zolang wij nog een grens stellen van mijn en dijn, met de nadruk op het mijn meestal, weten wij niet werkelijk, wat liefde is. Zolang wij nog denken aan ons eigen voordeel, ons eigen recht, en niet aan de armoede, de last, de ellende van anderen, hebben wij niet waarlijk lief. Zolang wij nog tussen onszelf en de mensheid, tussen onszelf er het leven, tussen onszelf en God muren opbouwen van vooroordeel, weten wij niet wat liefde is.

Ik heb het u al gezegd. Ik zou haast gaan preken. Ik wil het niet doen, maar het is zo tragisch om te zien, hoezeer de mensheid vanuit zichzelf het geluk verlaat, verwerpt, hoe de mens, die gebonden kon zijn met de oneindigheid, die God zou kunnen beleven en alle sferen, zich opsluit in een kooitje van zelfgerechtigheid. En daarom, juist daarom, ben ik ook heden weer hier.

Want ik wil geen grenzen zien tussen u en mij, tussen uw wereld en mijn wereld, tussen ons en God. Ik wens geen voorbehoud en vooroordeel tussen u en uw bestaan, of ten aanzien van mij en mijn wereld. Jezus heeft op aarde geleefd en is op aarde gestorven, omdat het beter was te sterven in zijn liefde voor God en de mens, dan om koning of keizer te zijn van de gehele wereld. Jezus liet zich kruisigen, liet zich geselen, liet zich beledigen en achtervolgen, mishandelen – ofschoon Hij het had kunnen voorkomen – omdat het beter is het slachtoffer te zijn van de gehele wereld, dan om te falen in liefde tegenover die wereld.

Wij falen steeds…. O, ik ook, ik ook. Niet zo lang geleden heb ik een moderne mis gehoord, waarbij een vreemde groep lang gelokte jongelieden op jammerende gitaren iets voortbrachten, wat dan de begeleiding moest zijn voor het misoffer, dat voor mij een van de schoonste riten is, die er bestaan. Maar het is mijn fout, dat ik dit niet zonder meer kan aanvaarden. En ik weet het en probeer te aanvaarden. En zo, vrienden, zult ook u moeten trachten te aanvaarden, wat er in het leven aan voor het ik vreemde dingen voorkomen. Het is niet genoeg, dat ik jullie toeroep: “Mensen, ik houd van jullie!” Heus. Ik heb jullie lief met geheel mijn hart, met geheel mijn wezen. Maar ik moet allereerst jullie aanvaarden, zoals jullie zijn.

En dan moeten jullie ook antwoord leren geven. Want er moet een antwoord zijn. En dat antwoord kun je alleen geven, wanneer je beseft, dat één zijn met God, één zijn in God, waarlijk liefhebben wat God schept, betekent: Voor een keer eens niet alleen aan jezelf denken.

Het is misschien een zware eis, wanneer je het zo stelt. Maar geloof mij, ik vertel ook nog wel grappen met mijn collega’s. Want jezelf offeren door het geheel te beleven betekent niet, dat er steeds droefheid en dodelijke ernst moet heersen.

Wij zijn in uw ogen waarschijnlijk “hogere geesten”. En toch zijn wij niet bang voor een beetje plezier. Want het leven met God is, ook na de dood, niet alleen maar een hemel, waarin je voortdurend “Halleluja” zingt. Je zingt er ook de “Klokke Roeland” of “Vlaanderen de Leeuw”.

Je zingt gewone mensenliedjes met vreugde in je hart, omdat je daarmede God meer eert dan met een plechtig en vervelend Halleluja, omdat je daarin God eerst waarlijk erkent en eert, doordat je er gelukkig in bent.

Ik ken zelfs – voor u hoge – collega’s, die heel wat verder gaan, dan ik hierin, die vertellen zelfs grapjes, die ik hier niet zou durven doorvertellen… Misschien is dat nog een oud vooroordeel van mij. Ik geef het graag toe. Waar het mij om gaat is dit. De hoogste werelden zijn niet bang voor de vreugde, voor het divertissement. Het is geen glorieuze feeërie, geen statige optocht vol ernstige heiligen in ons hiernamaals. Het is leven, leven zoals geleefd wordt bij u. Een leven, waarin hetzelfde telt, wat ook bij u telt. Wij zijn niet bang voor de vreugden van de wereld. Zoals Jezus ook niet bang was voor een glaasje wijn. Zoals Jezus ook kon lachen en dollen met zijn leerlingen. Zoals Jezus ook heus niet kuis de ogen afwendde, wanneer er iets leuks voorbijkwam.

Trouwens, dat doet menige pastoor ook niet. En hier spreek ik uit ervaring.

Maar vrienden, wanneer wij samen kunnen lachen om die dingen, wanneer wij elkaar erkennen, jullie mij als geest uit het Licht en u mij ook als mens, wanneer wij die Jezus zelf leren erkennen als Lichtende geest, maar ook als mens, wat is er dan nog om ons tegen te houden. Wat, vrienden, kan ons dan nog beletten om, met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met ons totale wezen te zeggen: God, ik houd van U, ik houd van de wereld, ik houd van de mensen.

God, laat uw kracht er een van vrede en geluk zijn… Wanneer wij elkaar kunnen erkennen, wanneer wij elkaar kunnen aanvaarden, dan is het toch niet belangrijk, hoe u leeft en hoe ik leef? Dan is het toch niet meer van belang of u bij een bepaalde kerk behoort, bij een genootschap, een loge, of u in de politiek principe a of b leert? Dan is het alleen maar belangrijk, dat wij er zijn. Wij leven, wat ook de schijnbare verschillen zijn, wij leven samen, wij bestaan samen. Wij zijn zo verbonden, dat wij daarvoor geen uitdrukking kunnen vinden.

Daarom zeg je dan maar: Ach, mensen, ik heb jullie zo lief. Maar dat is niet genoeg. Er is meer dan dat zelfs. Er is God, de levende tintelende Godheid, de Kracht, die door je heen spoelt, het Licht, dat om je heen wolkt. En dat alles, dat bent u, dat ben ik. Wij zijn samen één in God.

Eén zijn in God is nu ons doel. En als u niet gelooft in een God – och, dat leert u dan wel beter –  zo gelooft u toch misschien wel in de mens. U gelooft toch wel in iets, iets, wat waarde heeft?

Laat ons in dat, wat waarde heeft, dan één zijn. Laat ons onze gedachten eenvoudig aaneensmeden tot een keten, die zegt: “Leven, ik heb je lief; wereld, ik heb je lief; mensheid, ik heb je lief. Ik wil God kennen en aanvaarden. Opdat God moge spreken en werken in deze wereld, daarvoor wil ik dit moment bestaan.”

 Als u iets voelt van hetgeen ik trachtte u te zeggen, probeer het dan  ook te gevoelen. Probeer u te herinneren, dat wij allen één zijn!

En dat, vrienden, is weer alles. Ik ontmoet u misschien nog wel eens. En wie weet? Misschien vinden wij een band, die wat verder gaat dan de norm. Misschien vinden wij een band, die ons misschien ook zonder de tussenkomst van een medium, het bewuste verbonden zijn mogelijk maakt en laat beleven. Zo. Dat was dan mijn predikatie.

image_pdf