De kosmische God

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

De kosmische God

God, dat hebben wij gezien, is eigenlijk de weerspiegeling van degenen die hem vereren. Dat is altijd weer de geïdealiseerde of almachtige vorm.

Wij hebben daarnaast te maken met een kosmos die de mens niet kan overzien. In die kosmos bestaat een leven. Wij hebben al eerder gesproken over de wijze waarop je je dat eventueel zou kunnen voorstellen. Maar een besef, dat in staat is het geheel van alle sterren, alle planeten te omvatten, moet zo enorm veel data kunnen verwerken dat de grootste supercomputer niet in staat zou zijn om dat ook maar enigszins te kopiëren. De vraag is wanneer wij denken aan een kosmische God, wat is hij? Niets. Dat heb ik al gezegd. De kosmische God is gelijktijdig een voortdurende aanwezigheid.

Het is heel aardig te zeggen: God woont in u. Dat is ook wel waar. U bent een stukje van de totale kracht. Maar de kosmische God is meer dan dat. Hij omvat natuurlijk alle tijd, alle ruimtelijke mogelijkheden. Daarnaast omvat hij ook alle geestelijke mogelijkheden en dat zijn er nogal wat.

Deze God spreekt in ons. Hoe kan deze God zich kenbaar maken? Alleen in termen die binnen ons eigen denkkader vallen, d.w.z. in referenties aan vorm, aan tijd en aan de emoties die we op aarde kennen.

Wat is die God werkelijk? Als wij heel diep in onszelf doordringen dan komt er een ogenblik dat wij loskomen van alles. Er is zelfs geen besef meer geloof ik van het bestaan als een persoonlijk iets. Er is een beleving maar die is onbeschrijfbaar, alomvattend. Hierin ontstaat dan een beeld van je zelf, van wat je zelf bent.

Dan refereer je toch even aan die oude wijsheid, de Tafel van Thoth zoals men zegt zo beneden zo boven, zo boven zo beneden. Dat wat aan intentie bestaat in de kosmische God moet zich op ons vlak en binnen ons niveau van bestaan in ons weerspiegelen.

Ons bewustzijn kan niet verder gaan dan dat wat ons denkvermogen toelaat. Maar tevens zijn we in staat dingen aan te voelen en tot onlogische conclusies te komen. Een dergelijke niet logische conclusie kan wel degelijk zinvol zijn, omdat die in ons bestaan een waarde uitdrukt.

Een kosmische God zal zich niet bezighouden met bv. voorschriften. Er zijn grenzen van mogelijkheden per soort, per bestaansvorm, per bestaanswereld uit de aard der zaak. Maar die grenzen zijn eerder gelegen in datgene wat zich in zo’n wereld beweegt dan in een werkelijkheid. Daarom kunnen we zeggen: Alle dingen zijn goed zolang ze mogelijk zijn, mits wij deze innerlijk als goed erkennen. En dan komt de grote vraag: Wat voel ik werkelijk in mijzelf? Niet aan de hand van het zgn. geweten (het geweten is een samenvoeging van dressuur en sociale druk) maar echt aan de hand van het innerlijk weten, het niet redelijk besef dat in ons opwelt.

Dan blijkt dat wij daardoor onze eigen functie bepalen.

Als wij kijken naar de kosmos, dan zien we heus wel een ster nova worden. Dan denkt de mens: een destructie. Maar is dat wel een destructie? Is het niet een soort hergeboorte voor een stukje van de ruimte waarin de omstandigheden zich wijzigen en de mogelijkheden veranderen? Wij zijn niet in staat om dat te beoordelen. Maar de God, die in de kosmos bestaat, beoordeelt evenmin, laat staan dat hij veroordeelt. Hij is.

In het zijnde constateert hij. Dit constateren is ook weer geen tijdsgebeuren maar een totaliteit, een waarde die niet bestaat uit één leven, maar die bestaat uit alle fasen van het leven van het allereerste begin tot wat wij zien als de voltooiing? Het opgaan in het geheel met overi­gens toch een behoud van een zekere ik-heid.

Dan moeten wij zeggen dat God, zoals hij wordt gezien door vele volkeren, eigenlijk niet veel verschilt van de kosmische God. Met dien verstande dat landen en volkeren het beeld van hun God zo hebben ontworpen dat het hen daardoor mogelijk wordt te zijn wat zij in het geheel van wat wij ontwikkeling noemen datgene konden zijn wat zij moesten zijn.

Waarom ben ik, zo’n complex wezen? Vraagt de mens zich af. Ik zou het graag anders zien. Maar daarbij houdt hij zich niet aan zijn innerlijke wereld. Hij houdt zich aan opgelegde beelden, aan normen die de wereld heeft vastgelegd. Is dat belangrijk?

Hij is wat hij moet zijn. Hij moet komen tot een vrede met zichzelf. Dat is een eerste vereiste. Daarvoor kunnen wij een beroep doen op datgene wat men een innerlijk weten of een onlogische erkenning van zichzelf kan noemen.

Wat ik ben, maak ik waar. Niet alleen in een leven maar door alle levens heen. Ik ben een bepaalde functie die daardoor het geheel zijn eigen kwaliteit, zijn eigen structuur verleent, want zo zie ik er vanuit de Godheid uit.

Dan mag ik rustig zeggen: Als God in Frankrijk houdt van overvloed en in sommige gevallen een beetje herinnert aan Rabelais in zijn conceptie van datgene wat nog net toelaatbaar is, wanneer in bepaalde perioden in Frankrijk het verschil tussen de biechtstoel en de slaapkamer hoofdzakelijk lag in de manier waarop je haar betrad, dan zeg je: Die God was een uitdrukking van een volksaard. Die volksaard kwam echter weer tot stand door een incarnatievoorkeur. Dus een bewustwordingsnoodzaak die velen ertoe bracht om juist in dat milieu op de een of andere manier te gaan leven.

Er is een continuïteit. En als er morgen een andere wereld ontstaat met totaal andere beelden van God, van werkelijkheid, van andere technieken en u komt daarin terecht, dan is dat omdat het deel is van hetgeen u bent, van wat uw werkelijkheid is. Uw Godsbeeld zal dan een uitdrukking zijn van uw onvermogen om uw eigen totaliteit te aanvaarden zoals ze is. Dat laatste zal ik iets verduidelijken.

Een Godsbeeld, zoals ik al heb gezegd, wordt gemaakt aan de hand van een gemeenschappelijke factor. De aard van een volk bijvoorbeeld. De goden van de Noormannen waren allen prima vechtersbazen. Natuurlijk want de Noormannen waren vechtersbazen. Goden van vrede hebben we ook wel gekend, vooral bij de volkeren van de Zuidzee-eilanden. Zij hadden wel demonen die wreed waren, maar de eigenlijke God was toch wel heel vriendelijk en goed. Zelfs de indianen, de jagers, kenden een Manitoe die hield van jagen, die hield van dieren, van de natuur, die deel was van de natuur en die het hen gelijktijdig mogelijk maakte zichzelf in hun functie als jager, strijder enz. te aanvaarden.

Dus het beeld dat wij zullen hebben van die God wordt weer door de gemeenschap bepaald. Maar als wij innerlijk zoeken naar God, dan ontmoe­ten wij alleen onszelf. Niet omdat er geen God is (er is een kosmische God die in alle dingen aanwezig is), maar om de doodeenvoudige reden dat wij niet verder kunnen gaan dan de grens van ons totale wezen. Wat daarna overblijft is niet meer te omschrijven, niet meer uit te druk­ken, het is hoogstens – en dan zeg ik het met aarzeling – een emotie.

Dus moeten wij zoeken naar de God in ons.

De God in ons is gelijktijdig die kosmische God. Wij zoeken niet naar iets wat ons regeert, iets wat ons beheerst, iets wat ons bezighoudt met allerlei bepalingen. O zeker, er zijn vanuit de totale God gezien kleine persoonlijkheden. Voor u zijn het goden die bv. de aarde of de zon beheersen. Zij hebben ook hun eigen grenzen en zullen daardoor hun geaardheid weer als een soort wet uitdrukken in alle schepselen. Een mens is een schepsel zoals er zovelen zijn in de kosmos dat net die grens overschrijdt. Het is niet meer gebonden aan het besef van degenen die hen moeten beschermen of geleiden of die zijn wordingsgang op de één of andere manier willen beïnvloeden.

Er staat in de bijbel dat toen God zei dat hij de mens ging scheppen, de zonen des hemels in opstand kwamen, omdat die mens meer zou zijn dan zij. Misschien niet méér, maar niet gebonden aan hun grenzen. Daar ligt nu het hele raadsel van de werkelijke Godheid achter alle dingen van het onzichtbare, het onkenbare. Het leeft in ons en het maakt het ons mogelijk verder te gaan dan alle geestelijke wordingsinvloeden die mede bij ons zijn, worden betrokken. Maar wij kunnen die God alleen in onszelf ontmoeten. Regels kunnen we daarvoor niet geven, want regels bestaan niet, zeker niet in dit verband. Maar al wat gebeurt is zinvol. Dat hebben wij u al eens eerder gezegd. Al wat u innerlijk ervaart, bepaalt voor uw bewustwording de zinrijkheid van al wat er rond u geschiedt.

Datgene wat u innerlijk voelt, dit niet rationele innerlijke weten is als het kompas dat uw koers kan bepalen door alle werelden en alle levens heen. Als u afwijkt van de weg, dan zegt het kompas: Er is een afwijking. Het innerlijke weten in zijn diepste vorm zegt u waar het juist is en waar het niet juist is. Er is geen andere werkelijke maatstaf voor een mens die de vervulling van het totaal van zijn mens-zijn ooit hoopt te bereiken.

Nu ik dit allemaal heb gezegd, denkt u waarschijnlijk: Waar blijven we dan met orde, met recht, waar blijven we met de waarheid van het geloof. Het antwoord is: Ze bestaan niet. Orde is een uiterlijkheid. Recht is een ideaal iets wat niet reëel is, een droombeeld. Als wij zeggen: godsdienst of religie, dan zeggen wij in feite onderwerping waardoor wij ons bevrijden van de noodzaak tot innerlijke erkenning. Niet dat deze dingen op zichzelf te verwerpen zijn. Natuurlijk in een maatschappij is orde nodig. Niet omdat de orde werkelijk zinrijk is, maar omdat zij voor de gemeenschap zinrijk is. Recht is absoluut niet een reële waarde, maar ze is in het onderlinge verkeer tussen mensen noodzakelijk omdat alleen door een afmeting van rechten een soort overeenkomst en zelfs samenwerking mogelijk is. Al heeft godsdienst op zichzelf geen zin buiten dit innerlijk weten dat, als je het uitdrukt, toch weer een vorm van geloof wordt, want het is niet omschrijfbaar. Maar als ik zeg: De godsdienst is op zichzelf zinloos dan heb ik gelijk in die zin dat zij persoonlijk waardeloos is. Maar ze is een innerlijke beleving, een doordringen tot de kern, tot je werkelijke ik en al datgene wat daarin bestaat. De kracht die zich daaruit en openbaart is iets wat niet iedereen kan bereiken.

Het is natuurlijk dwaas om een kind dat nog niet eens rijp is voor de kleuterklas een werk te geven van Lessing, Goethe Shakespeare of van wie u maar wilt. Op dezelfde manier zijn er mensen die een godsdienst nodig hebben. Maar zij moeten beseffen dat hun waarheid geen totale waarheid is, dat het slechts een vermomming is die uitdrukt hoe onvolwassen ze zijn.

Als God in je leeft, dan ben je aan niets gebonden. Ik heb in deze reeks lezingen meermalen gebruik gemaakt van voorbeelden uit bijbel en evangeliën. Mag ik u eraan herinneren dat Jezus zich niets aantrok van de wetgeleerden dus van zijn godsdienst. Hij tolereerde haar maar ging zijn eigen weg. Waarom? Omdat hij in zich iets had gevonden dat voor hem meer waar en vollediger was dan ooit alle regels en alle twistgesprekken van wetgeleerden tezamen zouden kunnen betekenen.

Dan zeggen de mensen: Ja, maar hij was Jezus. Was hij geen mens? Of hij was mens en God. Ik weet het. Hij was mens. Datgene wat in hem leefde, leefde ook in andere mensen.

Denk eens aan Johannes de Doper. Deze ging in tegen het geloof van die tijd, tegen het gezag van de tempel. Of wat dat betreft, ofschoon ik hem niet op prijs stel, denk eens aan Paulus die niet alleen zijn eigen godsdienst achter zich liet, maar die terwijl hij toch een Romeins burger was gelijktijdig de hand lichtte met alles wat aan godsbegrip en rechtvaardigheidsbegrip in Rome bestond.

Degenen die zeggen dat een godsdienst nodig is om een sociale orde te handhaven, hebben misschien wel gelijk. En degenen die zeggen dat voor velen godsdienst opium is, hebben ook gelijk, want je kunt in een roes komen waardoor je de noodzaak om jezelf te erkennen, te beleven, door te dringen tot de kern van je wezen zoals je bent, kunt ontwijken. Daarvoor heb je dan de Heer, Allah, Mohammed, de Boeddha of wie je ook maar wilt. Het stikt van die begrippen, die je doof en dood kunnen maken voor hetgeen jezelf bent. Maar de kosmische God leeft ook in u.

Wij zijn deel van een kosmisch geheel. Wanneer wij terugkeren tot de kern van ons wezen, dan wordt ons daar onze waarheid, ons deel van de waarheid uit het geheel geopenbaard. Dan vinden wij daarin ook de richting, datgene wat we wel en niet kunnen doen, wel en niet moeten doen. Dan zijn wij niet meer gekweld door zondebesef. Dan zijn wij niet meer beladen met schuldgevoelens die geen zin hebben. Dan voelen we: dit is voor ons de juiste weg. En dan kunnen we veel frustraties kwijtraken. Niet omdat de dingen opeens wel kunnen die eerst niet konden, maar omdat we aanvoelen wat belangrijk en wat onbelangrijk is. De meeste frustraties komen voort uit droombeelden die in de werkelijkheid voor het leven eigenlijk onbelangrijk zijn. Wat te denken van een meisje dat zenuwziek wordt, omdat ze een rockstar heeft gezien en ze dacht dat hij naar haar keek. Achteraf blijkt dat hij haar niet eens heeft gezien.

Zo gaat het met God ook. Mensen worden godsdienstwaanzinnig omdat ze verlangen dat die God doet wat zij willen. Als hij het niet doet, dan zeggen ze; Je bent een…

In jezelf is de bron van waarheid. Niet omdat je zelf de waarheid bent, maar omdat je deel bent van een werkelijkheid die ook in jouw wezen spreekt en die je de waarheid doet beseffen van jouw weg, jouw wezen, jouw mogelijkheden.

De kosmische God houdt zich niet bezig met de vraag of een mens lijdt of niet. Heeft u zich niet een keer afgevraagd, terwijl u bezig was door slootwater te waden, of er niet veel pantoffeldiertjes en andere kleine diertjes zouden moeten lijden omdat ze verslonden werden? Zo onbelangrijk is het kleine gebeuren dat eigenlijk alleen maar een deel uitdrukking is van een onvermijdelijke werkelijkheid die op zich harmonisch, goed en totaal schijnt te zijn.

Zeg niet; God moet de harten week maken van Reagan, Brezjnev, desnoods van een nieuwe Lubbers. Daar trekt hij zich niets van aan. Dat heeft geen betekenis. Voor u in een tijdelijke vorm, maar als u diep in uzelf keert, dan vindt u daar wat u moet zijn, wat u moet doen. En als u daaraan gevolg geeft, als u de juiste koers inslaat en aanhoudt, dan zult u zien dat geen Reagan, geen Brezjnev, geen Lubbers of wie dan ook daar ook maar iets aan kan veranderen. Daar kan geen Paus wat aan veranderen en geen godloochenaar. Voor ons is de kosmische God de hoogst mogelijke beleving van een totale werkelijkheid waarvan we in onze huidige vorm op aarde, in wereld en sferen slechts een tijdelijke of een gedeeltelijke werkelijkheid zijn.

Als wij die waarheid niet in ons dragen, als die kosmische God ook niet in ons tegenwoordig zou zijn dan zouden we ons kunnen beklagen. Dan zouden we kunnen zeggen: Het is zinloos. Wij begrijpen het niet. Maar wij hebben diep in ons de mogelijkheid om te begrijpen, om te zeggen: Zo en niet anders. Dat is mijn weg. Waarom zouden wij het dan niet doen?

De kosmische God is niet iets dat buiten ons leeft. O ja, hij is buiten ons ook, natuurlijk. Maar wat voor ons daarvan belangrijk is, leeft in de kern van ons wezen. En dit aanvaardend, dit zoekend te beleven, betekent alle belangrijkheden tijdelijk overboord zetten. Niet je afvragend: heb ik verkeerd gedaan of heb ik goed gedaan? Niet je afvragen; Hoe zal het morgen gaan of hoe is het gisteren geweest? Maar afdalen in een zo diepe rust, dat er niets meer overblijft buiten een soort kloppen van een onbekend hart en daaruit opnemend wat zich later kristalliseert als een denkbeeld, als een beseffen, een niet omschrijfbaar kennen van bestemming en richting. Een voltooiing die in de vorm niet mogelijk is en die toch gelijktijdig je wezen beheerst.

Ik heb dit ter sprake gebracht, omdat wij bij het laatste Wessac-feest een verwarrende overdaad van stralingen hebben geconstateerd en beleefd. Zoals u zijn ook wij nog in de tijd, al is onze tijd niet de uwe. Wij proberen te lezen wat erin staat. De entiteiten verklaren het zo: voor de gehele wereld betekent het dat het volgend jaar nog een onrustig jaar zal zijn. Er komen allerlei vreemde gebeurtenissen en nieuwe openbaringen. Er zullen natuurlijk ook nog een paar rampen gebeuren. Er zal een nieuwe figuur opstaan. Wij weten nog niet precies hoe of wie maar het schijnt dat er een nieuwe gedachtengang op aarde zal worden gelanceerd. Dan zeggen wij: Het is toch mooi dat wij dat mogen beleven

Je probeert je voor een ogenblik daarin te verzinken. Dan is het net alsof die veelheid en de warreling van kleuren, de schijn van verwarring wegsmelt tot er eindelijk alleen iets overblijft van wit licht. Ik zou eerder zeggen een verblinding die toch ergens in de bron van die dingen de hoofdrol speelt.

In dat beleven, dat voor een aantal van onze broeders (niet alleen voor mij) zich heeft afgespeeld, probeer je dan te beseffen wat de zin is van je leven, van je werken, van wat je bent en misschien ook van wat je wilt of wat je probeert te vermijden. En dan dwingt iets je eigenlijk om te zeggen: Mensen, al datgene wat het Wessac-feest buiten je manifesteert (dat is een realiteit niet alleen een geestelijke, het is ook een stoffelijke) is niets anders dan datgene wat je ook in jezelf draagt en wat wij dan beschouwen als de mogelijkheden voor een gehele wereld en voor een bepaalde periode. Wij zouden dat zeker, als het voor ons persoonlijk geldt, in onszelf kunnen terugvinden.

Dan wil ik toch nog eens spreken over die kosmische God. Niet om te vertellen wat hij wel en wat hij niet is, maar om duidelijk te maken waar hij is. Om duidelijk te maken hoe onbelangrijk alle andere dingen zijn.

Ze gebeuren en kunnen hun zin en betekenis hebben op een tijdelijk vlak, zeker. Ze dragen bij tot de vorming van hetgeen wij zijn. Maar wij zijn allen in de kosmische Godheid een zeer bepaalde lijn, een zeer bepaalde uiting. Als wij die herkennen, als wij in ons die richting voelen, dan behoeft dat geen logica te zijn. Ze behoeft zelfs geen mystiek te zijn, het is alleen maar een zekerheid, een vertrouwen dat het mogelijk maakt om alle tijden en alle gebeurtenissen te doorlopen zonder daarbij jezelf te verliezen en slaaf te worden van je angsten of gebonden te zijn aan je begeerten.

Begeerten en angsten spelen een rol op elk afzonderlijk niveau, maar in werkelijkheid zijn ze slechts de uitingen van onevenwichtigheid. Als wij de juistheid in ons erkennen, dan valt dat weg. 0, het gebeuren zal wel hetzelfde blijven. Dat is niet zo belangrijk. Maar ons beleven ervan is dan tevens weer het beleven van de Godheid.

Ik wil eindigen met een paar korte beelden die u misschien herkent.

Wanneer de zon schijnt en alles in bloei staat dan verzucht de mens: Ach, mijn God, wat is uw wereld schoon! Dan komt de regen die nodig is om die bloei in stand te houden, om de groei mogelijk te maken. De mens kijkt naar de hemel. Hij kijkt naar de neerslag en verzucht: Mijn God, is dat nu nodig? Hij wil niet beseffen dat die twee tezamen horen dat zonder de kaalheid van de winter, de weelde van de lente en de rijkdom van de zomer ze niet mogelijk zouden zijn. Zo is op aarde nu eenmaal de kringloop. Je kunt geen deel daarvan afzonderen zonder het gelijktijdig van zijn waarde en betekenis te beroven.

In ons leven is het precies hetzelfde. Alle dingen die wij beleven, die wij doormaken, de goede en de kwade tijden, de werelden van licht waarin we een ogenblik werkelijk gelukzalig zijn om misschien de duistere werelden die we angstig doorlijden eerder doorlopen, zijn deel van een cyclus, van datgene wat wij zijn.

Het leven op aarde is gebonden aan een cyclus die door de zon en de jaargetijden wordt bepaald. Ons leven is een cyclus die wordt bepaald door de innerlijke waarden en de openbaringen daarvan waarmee wij worden geconfronteerd. Laten wij daarom nooit werkelijk mistroostig zijn, want ik herhaal wat ik in het begin heb gezegd. Alles is zinvol, niet voor de wereld maar voor ons. Niets is een blijvende schuld zolang wij onszelf waarmaken zoals wij diep in ons beseffen te moeten zijn. Niets is een verdienste zolang wij onszelf waarmaken zoals wij in ons voelen, moeten zijn.

Terugkeren tot de kosmische God, zoals hij zich aan ons openbaart, is het vinden van de werkelijke vrijheid. Ze is ook het vinden van de werkelijke richting, van je werkelijke noodzaak. Ze is daarnaast het voortdurend toch weer proeven van een vervulling die niet logisch of redelijk is, die emotioneel eenmaal niet omschreven kan worden, maar die in ons de kracht betekent waaruit wij steeds verder kunnen leven en steeds verder kunnen gaan.

Ook hier geldt: ik ben zeker niet alwetend en onfeilbaar. Maar wat ik u heb voorgelegd is gebaseerd op zeer persoonlijke ervaringen die naar ik later heb begrepen door anderen zijn gedeeld.

Denk daar eens over na. Probeer vrij te worden door in uzelf de kosmische God te vinden voor zover hij voor u vatbaar en bevatbaar is en te leven vanuit de juistheid die daardoor in u als een zekerheid en richting voortdurend bestaat.

Monoloog

Als u het goed vindt dan houd ik alleen maar een kleine monoloog.

Dat wil niet zeggen dat ik lieg, al heb ik vroeger veel gelogen; maar de laatste tijd lieg ik niet meer. Dus als het een monoloog is, dan is het geen leugen maar een alleenspraak.

Ik heb de laatste tijd nogal wat werk gehad in de zogezegd rommelige buurten van deze aarde. Als je dan als geest naar beneden kijkt denk je: wat is het hier eigenlijk een rotzooitje. Je probeert de mensen daar dan uit te halen. Soms haal je een heel stel dat je dan weer naar het licht brengt. Dan ga je daarover nadenken. Zo dacht ik op een gegeven ogenblik ook: ik zou er een roman over kunnen schrijven De Voddenrapers van het Paradijs.

De hele wereld is een klein beetje, zullen we zeggen, getikt. De mensen zeggen waarschijnlijk, lichtelijk aangeslagen.

Er is een atoomreactor die toevallig een ongeluk heeft veroorzaakt dat een beetje verder is doorgedrongen. Het zou nooit zover zijn doorgedrongen als het ergens anders was gebeurd. Per slot van rekening; er zijn dergelijke ongelukken de laatste tijd ook gebeurd bv. in Duitsland. Dat is niet zo erg geworden, maar de besmetting was net zo erg. Er zijn nog een paar van die ongelukken gebeurd o.a. in de Ver. Staten. Dan is er ook nog eentje in Zuid-Amerika bijna poef gegaan. Daar hoor je niets van. Dus is het kennelijk niet de reactor die telt of het gevaar, maar waar het ontstaat. En dat vind ik altijd amusant.

De mensen meten kennelijk de waarde niet af aan de werkelijkheid maar aan het gebruik dat zij ervan kunnen maken. Als de mensen ergens gebruik van maken, dan lijkt mij dat soms een tamelijk roomse kwestie, want het wordt bijna altijd een misbruik.

Ik vraag mij wel eens af; waarom? Waarom zijn de feiten op zichzelf niet voldoende? Waarschijnlijk omdat feiten zelden stroken met de dromen. De meeste mensen dromen. Degenen die niet dromen zijn bang dat ze anderen uit de droom helpen. Vandaar dat er dus een dromerige sfeer heerst, die soms door de werkelijkheid wreed wordt verstoord. Maar is de mens eigenlijk niet iemand, als je hem op de keper beschouwt, die zegt dat de wereld tegen hem is omdat hij voortdurend over zijn eigen schenen struikelt. De mens die zegt dat de wereld hem niet recht in het gelaat kan kijken omdat hij zelf scheel is. De mens ziet alles in de wereld. De wereld is slecht. Maar wie heeft haar zo gemaakt? Vraag ik dan.

Ik heb eens een keer afhaaldienst gedaan. U moet mij niet kwalijk nemen als ik u verveel. Het is een kleine omloop voor mij, een vakantiebezigheid en voor u een tijdvulling. In ieder geval; ik haalde een zeer christelijke figuur af. Toen hij in de geest kwam begon hij dan ook onmiddellijk een zeer christelijk figuur te slaan door ons te verwijten dat wij niet christelijk waren. Ik vermoed dat de man in zijn achterhoofd had dat het mogelijk zou zijn om een nieuwe Maranathazending op te zetten in Zomerland. Daarom brulde hij ons toe. Ik ben een zondaar. Ik zeg, Nou, als je dat bent, dan hoor je hier niet thuis. Toen was hij nijdig. Hij had het toen over Gods genade die hem hier had geplaatst. Degenen die hem hadden afgehaald keken elkaar eens aan en zeiden: Hé, Joh, tellen wij niet mee? Toen zei hij: Ja, maar je hebt het op Gods bevel gedaan. Wij zeiden: Dat is mogelijk maar we zijn wel zijn vertegenwoordigers en jij behoeft ons niet de les te lezen. Ja, zei hij toen, God heeft mij daartoe geroepen.

Enfin, hij leeft nu in Zomerland. Hij heeft een lange tijd zijn stem verheven als een roepende in de woestijn. De enigen die hem hebben gehoord dat waren de ezels. Nu is hij langzaam maar zeker bekeerd. Zijn zoeklicht is gedoofd. Zijn dwaallicht is eveneens al veel minder frequent geworden. Hij houdt zich op het ogenblik bezig met wat hij noemt Kosmische wijsheid.

Nu geloof ik dat iemand die begint met een vlo te determineren inderdaad een begin heeft gemaakt met de ontleding van het heelal, Want zijn kosmische wijsheid doet mij meer aan een vlo denken dan aan het heelal. Maar goed, dat is een kwestie. De man komt in ieder geval verder. Alleen zijn studieobject. Hij is er zo springerig van.

Dan denk je zo bij jezelf: Wat moet je nu denken van de mensen op aarde? Denk ik aan mijzelf terug, dan heb ik natuurlijk geen al te gunstige mening meer. Denk ik aan u, dan wil ik de twijfel nog wel laten gelden. En denk ik aan de rest, dan denk ik: God, wat is er toch veel veranderd. Vroeger bedrogen de mensen een ander, tegenwoordig doen ze het zichzelf. Waarom eigenlijk? Dan probeer je te definiëren.

De godsdienst. Neem me niet kwalijk dat ik daarover begin. Op aarde zijn er zoveel mensen die daarvan de mond vol hebben, de hoofden soms ook nog wel de harten dat mankeert nog wel eens. Het is gek. Hoe luider en harder ze preken, hoe harder de harten zijn waaruit het moet voortkomen. Maar goed.

De godsdienst is in feite niets anders dan een spiegel waarin die mens zichzelf als droombeeld bewondert en anderen predikt dat zij hem moeten respecteren, omdat zijn weerkaatsing zo schoon is.

De politiek vind ik ook zoiets. Politiek is in feite de eerlijk verantwoorde leugen tot kunst verheven.

Dan zie ik het zakenleven. Dat is gewoon geregistreerde diefstal bevorderd door voortdurend bedrog. De mensen zeggen mij dan. Wat ben je weer hatelijk. Maar zo is dat. De één staat te vertellen dat zijn waspoeder beter wast dan de waspoeder van een ander, dan wordt die ander nijdig en zegt dat de zijne biologisch zuiver is. Waarop de ander tot de conclusie komt dat je biologisch zuiver wit kunt zijn. En zo zwepen ze elkaar op. Maar als je dan kijkt wat erin zit, dan blijkt dat ze in de ene de fosfaat eruit halen en in de andere schadelijke producten erin doen. Eigenlijk is het dus oplichterij. Ze zijn niet eerlijk.

Die dingen zijn levensgevaarlijk, je mag de mensen daar niet aan blootstellen. Dat mag alleen op het naaktstrand. In heel Holland hebben ze naaktstrand, weet u dat? Het ligt vlak bij een atoomreactor. De mensen komen daar stralend maar niet gezond vandaan,

Dan hebben we rekening te houden met de energiebehoefte van onze groeiende economie. Die is noodzakelijk vanwege de werkgelegenheid. Wij kunnen het de ondernemen en de werkloze niet aandoen dat wij dit risico niet nemen al zullen wij het natuurlijk zo klein mogelijk houden.

Bovendien, bij ons gebeurt zoiets niet.

Dat doet me denken aan die man. Zijn vrouw komt laat thuis. “Ik ben in de stad opgehouden. Ik heb boodschappen gedaan,” zegt ze “Kind ” zegt hij ” leuk dat je er bent. Heb je het gehoord? Zij hiernaast heeft een minnaar. Dat zag hij wel, maar als ze hem hadden opgezet, dan hadden ze hem aan de muur gehangen vanwege het mooie gewei.”

Ik vind het allemaal zo krankzinnig. Waarom bv., neem me niet kwalijk dat ik het zeg, zijn er nog zoveel mensen die spreken over een innerlijke liefde waarbij blijkt dat de bepaling daarvan onder de gordel ligt. Dat heeft toch niets met elkaar te maken, zou ik zeggen. Het één kan een uiting zijn van het ander of omgekeerd. Niet dat ik er in mijn tijd last van heb gehad. Maar dat kwam vanwege mijn bochtfiguur. Degenen die mij op mijn rug wilden kloppen, grepen boven m’n hoofd en degenen die op mijn borst wilden kloppens zeiden. Het lijkt wel een kapoen. Toch probeerde ik steeds er als de kippen bij te zijn. Maar ik ben nooit een goede haan geworden. Dat is de ellende. En omdat ik daar geen geluk had, ben ik de handel in gegaan. Ik denkt dat het tegenwoordig nog steeds zo is.

De mensen die in hun persoonlijk leven weinig geluk hebben, gaan de handel in of ze worden lid van de kerk. En als ze dan met het onderwijs ook niet veel verder zijn gekomen althans in de praktijk, dan gaan ze in de politiek, de administratie of iets dergelijks. Ik neem het hen niet kwalijk.

Heb ik niet op tenen getrapt? Ik heb opgemerkt dat mensen geestelijke tenen hebben die veel langer zijn dan normale. Dat is heel eigenaardig. Als je tegen iemand zegt: Je bent gek, dan denkt hij: iemand, die dat zegt, zal zelf wel gek zijn. Daar trekt hij zich niets van aan. Maar zeg je nu. De vent, die jij vereert, is gek, dan kun je hem veel last bezorgen. Hij staat op zijn tenen. Waarom eigenlijk? Ik denkt dat de hele mensheid eigenlijk voortdurend zoekt naar een voorbeeld dat in de werkelijkheid niet te vinden is. Ik denk dat ze daardoor vergeten zijn zichzelf te zijn.

Er zijn natuurlijk dingen die je niet kunt navolgen. Er is een tijd geweest dat heel veel vrouwen graag een Bardot lip hadden Er is zelfs een tijd geweest dat ze een Chevalier lip wilden hebben. Waarom eigenlijk? Misschien omdat ze dachten dat daarin de charme of het succes van de ander in lag. Maar ik ben wel blij dat er veel dames zijn die niet zodanig verzot zijn geraakt op Betty Boop, anders had je een hup hupfiguur gehad die nog steeds stond te blaten.

De mensen zoeken iets, maar wat? Ik wil niet zeggen dat ik daar al achter ben, maar kennelijk zijn zo niet tevreden met zichzelf. Daarom zoeken ze iets om zich daarmee te vereenzelvigen zodat ze van zichzelf kunnen denken dat ze meer zijn dan ze weten dat ze in feiten zijn. En omdat ze de feiten dan vergeten, denken ze dat ze meer zijn. Op grond van hun meer zijn, nemen ze aan dat ze gelijk zijn aan datgene waarmee ze zich hebben vereenzelvigd.

Ik heb mensen meegemaakt, die omdat ze op een bepaald gebied veel wisten, dachten dat ze op elk gebied gelijk hadden. Ik ken ook mensen die weten dat ze op geen enkel terrein gelijk hebben, maar, die volhouden dat ze het wel hebben, omdat ze bang zijn dat anderen er anders achter komen dat ze het niet zijn. Hebben jullie die meegekregen? Is het niet goed gegaan Als ik dan dat zooitje zo zit te bekijken, dan denk ik: Mensenkinderen, als ik nu bedenk dat ik eens nog erger was dan de meesten van jullie, dan komt mij dat uitermate ongeloofwaardig voor. Zo zal het u ook vergaan later.

Dan zijn er van die dingen waarvan ik zeg: Hoe is dat eigenlijk mogelijk? Bijvoorbeeld, er zal wel over gesproken zijn. Wij hebben het Wessac-feest gehad. Ik heb dat tegen iemand een keer gezegd. Hij zei: Welke zak bedoel je?

Daar zie je dan het hele geval bij elkaar komen. Wat er voor staat, kan er best mee door. Maar wat erachter staat dat is slecht ge­sorteerd. Wat daarachter staat daarvan denk je nou, dat is toch eigen­lijk een mandje uitschot. Dan heb je opzij nog de tribunes. Daar zit alle afval. Je denkt: moeten die bij elkaar dat produceren? Dan kijk je en je ziet dat als ze bij elkaar komen het toch gaat. Daarom ben ik tot een paar conclusies gekomen

In de eerste plaats omdat de mensen elkaars fouten onbewust zo goed compenseren, blijven ze mensen anders zou het allemaal beestenboel zijn.

In de tweede plaats: Waar vele onvermogens in harmonie zijn, ontstaat een vermogen.

In de derde plaats: Daar waar innerlijke harmonie bestaat, is er niets dat deze kan aantasten.

Dan zeggen de mensen: Henri wordt filosofisch. Maar ja, hoe zal ik filosofisch geworden zijn? Je moet maar een tijdje te maken hebben met moslims die mekaar doodschieten, met ayatollahs die al draaiende anderen naar het front sturen en dat soort dingen. Dan voel je je niet zo happy. En dan moet je ze daar maar uithalen.

Kort voordat ik met vakantie ging (nu ja, vakantie, in ieder geval mijn baantje tijdelijk aan anderen heb overgelaten) heb ik er een stel kinderen uitgehaald. De jongste was 11 jaar. Hij kon nog niet eens het A, B, C zeggen, maar schieten kon hij als de beste. Nu ja, goed, het zijn onschuldige zielen die krijg je er gemakkelijk uit. Dan heb je er ook van die verbetenen onder. Kan ik nog teruggaan om mee te werken aan de zegepraal van het ware geloof? Antwoord bij ons: Kom dan maar eerst mee, dan kun je het eerst zoeken. Wat moet je er anders mee aan?

Als je dat dan allemaal ziet en je ziet hoeveel goeds daar toch nog in zit, hoeveel mensen zich toch nog voor elkaar opofferen, hoeveel mensen met hun volkomen verkeerde benadering verder toch zo eerlijk mogelijk proberen alles voor een ander te zijn of te doen, dan zeg je: Mensenkinderen, hoe is het mogelijk!

Ik heb wel eens gedacht: een mens is net als een diamant. Hij is een flonkerende steen als die geslepen wordt. Hij lijkt niet veel als hij niet geslepen is maar als je kijkt waar je hem moet zoeken, dan is het in de derrie van de oertijd.

De mens kan soms verbluffend lichtend zijn wanneer hij vrij komt. Dat is heel gek. Aan de andere kant, als je ziet waar hij vandaan komt, bah. Ik heb kortgeleden kennis gemaakt met een parfumeur uit de buurt van Grasse. Ik dacht eerst dat het een gewas was. Hij vertelde mij dat een paar van de beste parfums worden gemaakt uit enkele van de meest verschrikkelijke stanken op de juiste manier met elkaar gemengd. Dus als een mens lekker ruikt, dan stinkt hij eigenlijke maar wel op de juiste manier gemengd.

Ik denk misschien is de mensheid wel hetzelfde. Als je het alle­maal afzonderlijk bekijkt, dan zit er een heel sterk luchtje aan. Maar zie je het allemaal bij elkaar, denk je, het zijn toch allemaal he­melse geuren. Misschien ben ik ook wel een zot. Een geliefkoosde uit­drukking van het medium door mij onmiddellijk voor mij persoonlijk overge­nomen. Want is het niet heerlijk om een dwaas te zijn? Een dwaas is ie­mand die kan lachen omdat hij weet dat het beter is om niet te huilen. Een dwaas is iemand, die blijft geloven, wanneer een ander zegt: Zie je dan het tegendeel niet bewezen. Een dwaas is iemand, die gelukkig kan zijn omdat hij in het geheel van alle verwarring toch een lijn, een lei­ding en een eenheid voelt. Zo’n dwaas, zo’n zot wil ik graag zijn.

Ze hebben mij eens gezegd (toen leefde ik nog op aarde): Zeg eens rotschooier, zag ik jou de kerk in gaan? Dat had ik inderdaad gedaan. Het was een vast handelsmerk van mij, Even kijken wat het overheersende geloof was. Was het katholiek, hups, de kerk in. Was het protestants zorgen dat je’s zondags erbij zat en dan hard meezingen. In dit geval was het een katholiek dorp. Dus ik zeg: Ja, ik kom net uit de kerk. Dan heb je geen tijd gehad om te verkopen. Neen, zei ik. De ander vond dat ook belangrijk. Dan is kerkelijk zijn dus je bijjat (bij verdienste). Ik heb ze de grootste rotzooi verkocht joh. Is dat eigenlijk niet een demonstratie van dwaasheid! Maar misschien is het ook een wijsheid.

Wij leren anderen dat hij wel een beetje gelijk heeft en dan ben je bereid de grootste rotzooi op de koop toe te nemen. Gaat dat niet altijd zo in het leven? Als je doodgaat, denk je in het begin: wat een rotzooi heb ik mij in de handen laten stoppen. Ach, ik heb het eigenlijk niet nodig ook, maar ik heb het eigenlijk gekocht omdat ik het goed bedoelde. Verrek, ik heb het ook nog goed bedoeld. Ik heb het van mezelf niet willen geloven, maar het is zo. Dan behoef ik ook niet bang te zijn dat het verkeerd gaat. Als je dan zover bent hallelujah Dat hallelujah komt er dan niet bij, maar dat schijnt er op aarde bij te horen.

Ik heb eens een gemeente meegemaakt. Het was een van de weinige keren dat ik wat verder de richting van de Betuwe was doorgetrokken. Ik naar de kerk toe. Daar zat de dominee. Hij zei: De Heer is met ons, hallelujah. En zo geloven wij, hallelujah, dat het morgen mooi weer zal zijn, hallelujah. Die mensen geloofden per interruptie. Dat was erg leuk.

Als je het zo bekijkt, zijn wij ook zo.

Wij zijn voortdurend bezig te zeggen; God is goed maar…. En dat blijven wij maar herhalen totdat we tot de conclusie komen dat het niets uithaalt, maar wij blijven erbij. God is goed. Een tijdje blijven wij daarmee bezig. Ineens komt er een stem van boven. Ja, hij is goed maar niet gek. En dan zit je weer in de puree. Ten slotte zeg je: Wat kan het mij schelen of God goed is of niet. God is. Ik heb met hem te maken, dus laat mij nu maar vasthouden aan het begrip dat ik heb van God. En voordat je het weet, praat je niet meer over God, maar je leeft hem wel.

Wat zijn we gek hé. Ik heb er nu zoveel afgehaald en ik heb in mijn tijd ook nog wel wat meegemaakt, maar het vreemde is dat er mensen zijn die léven God. Die praten daar nooit over. De meerderheid echter bestaat uit mensen die daar veel over praten, maar die hem niet leven. Ik vraag mij weleens af hoe dat komt. Misschien omdat, als je God te veel je mond uit laat komen, hij je hart verlaat. Het zou kunnen.

Ik denk dat de mens soms naar de barbier zou moeten gaan met zijn woorden om alle overtollige stoppels eruit te laten scheren. Als ik het laat doen, dan komt er niets uit. Dus dat kan ik niet doen. Toch lijkt mij dat goed.

Je zou eens de overbodigheden moeten afschaffen. Gewoon al die dingen die niet belangrijk zijn, niet meer zeggen. De dingen, waarvan je voelt dat zo belangrijk zijn, doen en dan maar zien wat ervan komt. Ik denkt dat als wij zo verder leven, wij op eer gegeven ogenblik gaan begrijpen waarom we zijn wat we zijn. Als je mij dat vroeger had verteld, dan had ik gezegd, Omdat mijn vader mij op mijn hoofd heeft laten vallen. Ik ben trouwens nog steeds op mijn hoofd gevallen. Op het ogenblik zeg ik: Als dat niet was gebeurd, dan had ik het nu niet verder kunnen redden. Nu ben ik een aardig eind verder gekomen. Ik denkt dat het zo gaat met alle dingen.

Teleurstellingen bestaan in feite uit de ontmanteling van onze dromen en, als wij ze aanvaarden, uit de bewustwording van onze mogelijkheden. O, ik begin ernstig te worden. Dat zijn ze van mij niet gewend. Laat mij dan maar besluiten. Ik wil niet al te lang aan het woord blijven. Ik heb een medium dat mij zo nu en dan opzoekt en dan wil ik toch niet hebben dat hij mijn tijd komt verspillen door voortduren te zeuren over het feit dat ik veel te lang aan het woord blijf. Niet dat ik het niet graag doe, maar ik hoor het niet graag, zoals de meeste mensen.

Ik denk, als ik helemaal eerlijk ben, dat een mens die leert om zichzelf, om zijn teleurstelling, om zijn tekortkoming te lachten, die gewoon doet wat hij voelt dat goed is om gedaan te worden, eens zal beseffen wie hij is en daarmee kan begrijpen wat hij werkelijk moet zijn.

Ik heb het gevoel dat iemand, die voortdurend bezig is met de vraag of het goed of kwaad is wat hij doet op een gegeven ogenblik zozeer tegen zichzelf verdeeld is dat hij met zichzelf blijft doorkletsen en zelfs de trompet van het Laatste Oordeel niet zal kunnen horen.

Een mens moet niet in dialoog zijn met zichzelf maar in dialoog met al wat hij leven kan. En als hij daaruit zichzelf leert kennen en het andere aanvaarden, dan heeft hij volgens mij een van de hoogste trappen van menselijk bewustzijn tenminste benaderd. Dat was het.

Hebben jullie effe pech dat ik vakantie heb. Bovendien heb ik toch nog een paar dingen gezegd waar je eens over moet nadenken, tenminste als je wilt denken. Maar redeneer daar dan niet te veel over met jezelf. Zeg maar rustig het is onzin of hij heeft gelijk. Vind je dat ik gelijk heb, praat er niet over, maar probeer een beetje daarnaar te leven. Vind je dat ik gek ben, ga rustig voort met je eigen vorm van dwaasheid.