De kosmische wetten

14 december 1954

U heeft zowat gehoord over de wet van evenwichtigheid, geloof ik?

De wet van eenheid, de wet van aanklinkende harmonieën, en de lichtende kracht.  (Zie tekst – De Mens – 16 november 1954   Esoterie & Filosofie)

Zoals u weet, is de kwestie: de kosmische wetten, een natuurkundige kwestie, waarbij eigenlijk natuurkundige wetten herleid worden tot in hoogste waarden. M.a.w. alle wetten komen gelijkelijk op alle strata van leven voor. Onverschillig waar je leeft, welke wereld, micro of macro kosmos, die wet, die blijft bestaan. Wanneer wij het hier nog niet hebben gehad over de wet van evenwichtigheid, dan wil ik daar nog graag eerst wat over zeggen. De wet van evenwichtigheid zegt n.l. dit: Op het moment, dat ergens of ter enigerlei tijd iemand zich verheft boven het standpunt, waarop hij zelf zich geestelijk bevindt, zal hij afdalen tot een gelijkelijk diep standpunt ter andere zijde, om zodanig zijn eigen evenwichtigheid voor eigen sfeer in stand te houden. Op zichzelf dus een betrekkelijk eenvoudig iets. Dat is de kwestie van de wip, weet u wel. Zit je aan de ene kant, dan ga je naar beneden, zit je aan de andere kant, dan ga je naar boven. En omgekeerd, maar een volledig evenwicht is er nooit te bereiken. Dat is voor ons erg belangrijk, wanneer we natuurlijk verder gaan met de volgende wetten zo dadelijk. Want wanneer wij die wet van evenwichtigheden hebben, dan vertelt ze ons eigenlijk dit: Dat we voor elke periode van geluk een periode van tegenslag moeten hebben. Dat van elke periode van geestelijke verheffing boven ons zelf we komen te staan tegenover een andere periode, die vaak een verlaging betekent, schijnbaar van ons totale zijn.

Dat komt alleen maar, omdat we ons zelf moeten handhaven op het plan, waarop we op het ogenblik staan. En dat is nu erg belangrijk, want er is een kosmische wet, die zegt dit: Al wat is, beweegt; al wat beweegt, beweegt zich in een bepaalde baan. Niets kan voortdurend en volledig van zijn eigen baan afwijken. Zijn dat nu kosmische wetten? Het klinkt zo heel nuchtertjes en heel gewoontjes. Maar als wij dat nu eens vergelijken bij het vorige, dan komen wij tot de conclusie, dat het eigenlijk zo gek nog niet is. Die evenwichtigheid wordt uitgedrukt in elke bewustwording, in elke beweging. Wanneer dus de aarde bv. een verandering zal ondergaan van eigen baan, of van de stand van de aardas, dan zal te gegevener tijd zij terug moeten keren tot de oorspronkelijke stand. Wanneer zij dat niet doet, zal zij toch steeds die stand moeten blijven benaderen, een overschrijden naar de andere kant toe. Dat gaat niet anders. Wanneer uiteindelijk de aarde op het eind van haar baan komt, dan zal zij voor het moment, dat haar baan eindigt, dus dat haar beweging ophoudt, terug moeten hebben gevonden het oorspronkelijke plan van haar baan, waarmee ze begonnen is. Dat gaat zelfs zo ver, dat zij uit de zon is voortgekomen tot de zon moet terugkeren, op dezelfde wijze als zij daar uit voortkwam.

Het zijn heel leuke dingen. Voor ons zelf is dat heel erg belangrijk, wanneer wij ons eigen leven gaan bezien. Want per slot van rekening, wij leggen ook een bepaalde baan af. Ja, je mag het bekijken, zoals je wilt, maar ons leven is eigenlijk een gaan door de tijd, dus een beweging en die beweging wordt bepaald met een zekere snelheid. We kunnen niet willekeurig sneller gaan en we kunnen ook niet willekeurig langzamer gaan. We moeten onze eigen bewegingskracht volledig en continu blijven handhaven door de hel periode van zijn heen, maar verder die baan is bepaald, we kunnen die baan op heel veel manieren beleven, maar we zullen altijd diezelfde baan af moeten lopen. En komt u mij nu eens niet aandragen met; Ja, maar dan is alles voorbestemd, want dat zit weer een beetje anders. Dat zal ik u dadelijk verklaren. Laten wij eerst eens terug keren tot die baan. Ik ben uitgetreden uit het Goddelijke, of geuit uit het Goddelijke, wat misschien beter is, want voordat ik geuit werd, was ik niet. Dus ik ben uit het Goddelijke voortgekomen en ik heb daar mede een bepaald moment, een bepaalde versnelling gekregen. Ik moet een bepaalde gang ter geestelijke bewustwording gaan. Nu zegt mij de logica en tevens ook de filosofie, dat, wanneer ik ontsnap aan het Goddelijke, ik mij nooit buiten het Goddelijke kan bewegen. Ik mag dus zeggen, dat ik blijf cirkelen in de invloedssfeer van het Goddelijke, zoals bv. een planeet in de invloedssfeer van de zon.

Nu, wanneer wij zo ten opzichte van het Goddelijke zijn, dan volgt daaruit, dat wij, zolang onze eigen snelheid plus ons eigen bewust zijn ons blijven drijven, wij voortdurend dezelfde cirkelgang door zullen maken. Wij hebben nu eenmaal een bepaalde snelheid en met die snelheid blijven wij ons regelmatig rond het Goddelijke bewegen zonder het Goddelijke te benaderen, zonder ver van het Goddelijke te kunnen vlieden. Hoe wij zelve deze baan beleven, of die baan nu cirkelvormig of elliptisch is, dat zijn weer andere dingen. Dat kan onder omstandigheden wat anders liggen voor elke persoonlijkheid. Maar die beweging blijft gehandhaafd. En deze beweging op zichzelf betekent voor ons het beleven. Dus het beleven blijft zich voor ons herhalen. We kunnen niet zeggen, nu gaan we naar een hogere sfeer en zijn wij overal van af. Nee, we kunnen alleen maar zeggen: We leggen onze baan af en we moeten minstens één keer die cirkel gemaakt hebben. We moeten haar dus van het begin tot het einde, dat identiek is met het nieuwe begin, gaan. Zijn wij daar aangekomen, dan kunnen wij de weg terugnemen in het Goddelijke, want dat is onze baan. We kunnen ook wederom nogmaals diezelfde kringloop doormaken. En dat staat in direct verband met reïncarnatie. Wij reïncarneren steeds, omdat wij een bepaalde cyclus afgesloten hebbende van ons bestaan, niet in staat waren na een totaal van zijnsvormen, bewust of onbewust, beroerd te hebben, we beleven het allemaal op onze eigen wijze.

Per slot van rekening een te fel licht kan verblinden, maakt duisternis. Iemand, die in de buitenste duisternis is en iemand, die in de hoogste hemelen verkeert, die kunnen op een gegeven moment in precies dezelfde situatie zijn ten opzichte van het Goddelijke. Mijn persoonlijke ervaren alleen is anders. En zo gaan wij dan weer een nieuwe cirkel doormaken en dan komen wij terug op aarde, dan maken wij weer die hele loop door. Buitenste duisternis als hoogste licht en al die dingen. Dat is eigenlijk begrijpelijk. Blijft altijd zo, je moet niet denken, dat het een nieuwe waarheid is, hoor. Die hadden ze bij de vroeg Boeddhisten, dus lang voordat uw Gautama Boeddha, die de laatste Boeddhistische lering heeft verkondigd, hadden ze dat ook al. En als je dat heel ver terug gaat zoeken, dan vindt je verder in de symboliek van vele tekens, het zonnerad bv. is ook nog een symbool ervan. Ik zeg expres niet Swastika, omdat dat ding tegenwoordig niet zo erg geliefd meer is. maar het is eigenlijk precies hetzelfde.

Nu gaan wij van dit standpunt de zaak eens bekijken en dan komen wij tot de grote vraag: Hoe zitten wij er persoonlijk voor, want wij bewegen ons in een bepaalde baan? Ja, natuurlijk! Wij bewegen ons in een bepaalde baan en daar kunnen wij niets aan doen, maar waar wij wel wat aan kunnen doen, dat is de wijze, waarop wij het landschap, waardoor wij ons bewegen, het leven of de tijd, herkennen en erkennen hoe wij die zaak opnemen en bekijken. Want hebben wij inderdaad de vaststelling gemaakt, nu nader ik het eind van mijn cyclus, kunnen wij ons tot het Goddelijke wenden en in het Goddelijke terugkeren. Maar begrijpen wij dat niet, bevatten wij dat niet, dan moeten wij weer verder gaan, dan gaan wij steeds maar door dezelfde gang. Nu is hier dus de vrije wil door verknoopt onmiddellijk doordat ons persoonlijk ervaren beslissend is voor de wijze, waarop de baan beëindigd wordt, al is ook het punt, waarop zij beëindigd wordt, vastgelegd.

Het aantal keren, dat wij een rondwenteling rond het Goddelijke maken, voordat wij terugkeren, is niet vast gelegd, slechts onze baan en de versnelling in onze baan. En als wij dat nu eens met die wet van evenwichtigheid gaan vergelijken, dan blijkt daar weer uit, dat de ervaringen, die wij opdoen in ons leven, heel erg belangrijk zijn. En dat de veelheid van ervaring en daar bedoel ik niet mee alleen de oppervlakkige, maar de werkelijk in jezelf verwerkte ervaring, bepalend is voor de wij ze, waarop je tot een geestelijke bewustwording komt. Nu bestaat er gelukkig nog een andere wet, omdat het anders wel heel erg eentonig gaat worden, hé, met die vaste banen. En die zegt: Voor ons (dat is een bijwetje, hoor), dat zijn allemaal van die bijwetjes van de wet van evenwichtigheid, die ik op het ogenblik zit te verklaren, die zegt dit: Waar een bewustzijn is, bepaalt het bewust zijn de toestand, waarin de weg van het bewustzijn wordt ondergaan en ervaren. M.a.w. we kunnen door dezelfde situatie heengaan en er reuze lol hebben, een ogenblikje later kunnen we in een toestand komen en dat is precies hetzelfde. Dan zitten we te huilen en te grienen, omdat we het gewoon niet uit kunnen houden, weet U wel?

Dat komt natuurlijk, omdat wij, nu ja, geen maat weten te houden. We weten niet in hoeverre wij de dingen in ons moeten door laten dringen en hoever wij ze moeten voorbij laten gaan. U kent het bekende voorbeeld wel van die Chinese martelingen wel, als ze je zo onder je voetzolen kietelen, moet je ontzettend lachen, daar kun je niet tegen, dat kietelt zo erg. Nu ja, dat is op zichzelf wel een keertje leuk, maar daar deden ze het met veertje, zo lang, dat de persoon in kwestie van louter uitputting stierf aan zijn gelach, dus die was er ellendig aan toe. En een ander, die het niet doormaakte, er misschien alleen maar een grap inziet, een lolletje. En zo gaat het eigenlijk met het leven bij ons. Alle omstandigheden die ons tegemoet treden, die zijn aan ons oordeel onderworpen. Hoe willen wij dit ervaren, hoe willen wij dat door leven? Willen wij daar ernst van maken, willen wij er diepe ernst van maken, of willen wij er alleen maar een beetje over lachen, er alleen maar even mee spelen? Naarmate wij dat doen, bepalen wij de wijze, waarop de gebeurtenissen in ons zelf worden verwerkt. De wijze? waarop wij ons de gebeurtenissen in ons zelve verwerken op zijn beurt, betekent voor ons het levens de ervaring. En hierin zijn wij volkomen vrij. De weg is vastgelegd; de wijze, waarop wij ze ervaren, niet. Ja, verkondig dat nu niet overal, natuurlijk, want dan zeggen de mensen natuurlijk: Ja, er is toch een predestinatie. En die is er niet. Wel een vastgelegde levensweg, dus een beperking van je eigen mogelijkheden, maar die liggen in je eigen wezen, doordat jij op deze wijze in relatie staat met het Goddelijke, niet op een andere manier.

Maar de ervaringen zijn volkomen vrij, de verwerking ervan is ook volkomen vrij. Zover duidelijk, ja? Gaan we weer op een hoofdwet aan hoor! U zegt dit: Al is één, maar één is Al. Zo kan één het Al in zich scheppen, zoals het Al in zich de één schiep. Dat is al een heel oud ding hoor. Expres geef ik het op de wijze, zoals het al eens een keer hier op aarde uitgedrukt is.

Kunt u dit begrijpen, of moet ik het nader uitleggen? Het klinkt een beetje als een raadsel spreukje voor sommigen van u. Het is heel eenvoudig. Kijk eens; uit het ene wordt het Al geboren en het blijft toch het ene. M.a.w. het Goddelijke schept het totaal der dingen uit Zichzelf, maar blijft het Goddelijke, omdat alle dingen dus heel zijn van het Goddelijke kan in het bewustzijn van elk der dingen het Al, dus Al het zijnde, worden verwezenlijkt, begrepen verwezenlijkt. Simpel, hé? Het is eigenlijk heel erg simpeltjes, als je het zo hoort. Je moet er alleen maar op komen, om het op zo’n gesleutelde manier uit te drukken, hé? Ik vind het eigenlijk een slecht woord, hé, versleuteld, gecodeerd zou beter zijn. En dan klinkt het in deze verhouding eigenlijk weer zo raar. Nu betekent dat voor ons, dat wetje, dat wij dus in ons zelf het hele Al kunnen bevatten. Niet feitelijk, maar in voorstelling. En aan deze uiteenzetting zit verknoopt het feit, Oosters overigens, dat Al een voorstelling van God is. Een gedachte bv. Zo krijgt het Goddelijke in zich de gedachte, waar wij deel van uit maken, op het moment, dat wij van deze gedachte bewust worden, denken wij haar ook en herscheppen in onszelf het hele Al, worden dus een soort kleine Godheid. En dan kan in ons wezen, een van de wezens, die wij door ons bewustzijn in ons zelf gecreëerd hebben, wederom aan het denken gaan en aan ons gelijk worden en zo verder. Ja, was dat niet Blookers cacao met die verpleegster? (Ja). Weet U wel, het wordt een steeds kleiner verpleegstertje en op het laatst weet je niet meer, waar het blijft. Zo gaat het hier ook. He? (Droste). Droste. Nu ja, ik moet eerlijk zeggen, ik heb in zo’n tijd geen cacao meer gedronken, daar ben ik precies niet meer van op de hoogte, maar de dames weten het precies, dat zie je direct, hé? Huisvrouw. Dat is het huisvrouwelijke, dat naar voren komt. Nu, zo is het eigenlijk ook bij ons. Er bestaat dus een oneindigheid van mogelijkheden. Elke keer kan er een nieuwe bewustwording plaats vinden en elke keer kan er een nieuwe schepping plaats vinden. Maar het eigenaardige is dit: In de veelheid van de Goden, want ieder, die in zichzelf een wereld schept, wordt tot God voor die wereld, nietwaar? Blijft er toch maar één schepping.

Elke schepping is dus niets anders dan een totaal weergeven van de scheppingsgedachte van het Goddelijke. Is erg troostend voor ons, we kunnen nooit boven het Goddelijke uitkomen, maar we kunnen binnen de beperktheid van ons eigen zijn het Goddelijke volledig bereiken en herleven. Dat houdt ook tevens in, dat het totale scheppingsproces gecontinueerd is, terwijl voor elke persoonlijkheid maar een werkelijk scheppingsmoment bestaat. Elke nieuwe schepping kan een totale verschijning van evolutie te zien geven. Maar dat doet er niets aan af of toe, want de schepping is een concept, dat in zichzelf volledig en volmaakt is en geen verdere wording toelaat. De wording ligt in het feit, dat schepselen binnen dit concept zich bewust worden van de schepping en het bewustzijn in zichzelf gaan samenstellen tot een hernieuwde schepping, dus scheppers worden. Maar ze kunnen alleen de gedachte herkennen, die hun God reeds voor hen geschapen heeft. Nu en dan krijg je hieruit de conclusie; het is voor ons onmogelijk om te bepalen, welke God de enige en grote God is.

Punt twee is al net zo logisch. Hoe wij ook spreken over God, er is één ding onveranderlijk en dit ene in het Al is voor ons het kennen van het Goddelijke door zijn Schepping, want de gedachte, waarin het Goddelijke zich uit, blijft zichzelf gelijk. Zo is God nooit kenbaar als persoonlijkheid of als Creator, maar alleen in de uiting van Zijn Wezen. Ook logisch, hé? Want wanneer wij nu in ons bestaan te worstelen hebben met voortdurend al die verschijnselen en we zitten maar steeds te zoeken naar onze God, dan begaan we heel vaak de fout, dat we God willen zien als de uiteindelijke Godheid. We gaan er zo maar eventjes op af en zeggen: Nu, dat is nu God. Als we dat gaan doen, dan halen wij de grote stommiteit uit, dat we het onbepaalbare gaan bepalen, terwijl wij het bepaalbare onbepaald laten. Want de Schepping, het totaal der verschijnselen is in ons als totaal der wetten etc. een concept, dat in gedachten beleefd kan worden, en waartoe u uiteindelijk kunt reiken. Maar het Goddelijke niet. Dat kun je juist niet krijgen. Wij moeten dus in ons leven wel heel erg verstandig blijven, waar we ook zitten, in welke sfeer of op welke wereld. We moeten steeds streven naar het kennen der verschijnselen. Niet de wetenschap, hoor. Maar dat kennen ervan. Kennen is iets anders dan het alleen maar geleerd hebben. Het is een zeker samenspel van gevoelswaarden plus ervaring, die het kennen eigenlijk in ons schept. We beleven die toestand, we kunnen ze volledig herleven en kunnen ze in elk klein detail volledig en juist uitdrukken. Daar komt het eigenlijk op neer. Zolang als wij uit de verschijnselen nu maar datgene puren, komt het niet op de hoeveelheid aan, maar op het feit, dat wij de verschijnselen zelf volledig leren kennen.

Dat wij elke gedachte, die er aan vast zit, elk verschijnseltje dat bijkomstig schijnt maar wat er altijd samen mee optreedt allemaal gaan zien als een geheel, als een beeld. En zolang als je dat nu maar als een beeld ziet, ben je klaar. Went heb je dit beeld dan, ken je dit en kun je het dus herscheppen in jezelf. Als ik dat nu weer ga verkoppelen met de voorgaande wetten, die wij hebben besproken, wordt het begrijpelijk, wanneer wij zeggen: de microkosmos spiegelt de macrokosmos. Of wel de kleine wereld, de kleine schepper is het volledig evenbeeld van de grote Schepper, maar daar aan tegenover gesteld. En dat is weer heel begrijpelijk. Wij kijken uit onszelf naar de Schepping en moeten dit beeld in ons zelf herscheppen. Maar dan kijken wij naar God toe en nemen dus uit precies het tegenovergestelde standpunt waar dan het Goddelijke; De Schepping is een gedachte. Laten wij die gedachte nu eens nemen als middelstuk op een grote tafel, weet u wel? Met zo’n plechtig diner of zoiets. Dan zit daar God en hier zitten wij. Wij zitten samen naar het zelfde stuk te kijken. Dat stuk draait misschien een keertje, er zit nog beweging in. U kunt het aan alle kant en zien. Maar God kijkt dan van die kant uit en ik van deze kant. Wanneer God het gaat reproduceren, dan zal zijn links en rechts dus het tegenovergestelde zijn van mijn links en rechts. Zo is de spiegeling het logisch resultaat van deze dingen. Het evenwicht, dat in mijzelf bestaat en dat voortdurend verstoord wordt doet mij voortdurend andere details van het middelstuk opmerken. Doet mij steeds meer datgene, wat het Goddelijke beschouwt, ook beschouwen. Het ene moment, ja, dan kijk ik naar de vaas, dan ben ik erg laag bij de grond.

Het volgende moment kijk ik naar de bloemen en de blaadjes, dan ben ik hoog. Ik ben echter niet in staat om voortdurend slechts een vlak te bezien en toch mij bewust te worden van hetgeen mij getoond wordt. Want zolang als ik, laten wij aannemen, het is een soort grammofoon, waar dat stuk op staat, dat ding, dat draait steeds, beneden ga zitten kijken, dan zie ik een reep van die vaas. Dan weet ik niet eens, dat er een vaas is. Ik weet alleen maar, dat er een stuk klei is met een bepaald patroon erin.

Dat patroon houdt op een onbegrijpelijke manier ergens op. Ik kan het erg leuk vinden, erg aardig, maar kan er eigenlijk niets aan vast knopen, kop noch staart. Ga ik alleen boven kijken, alleen naar die bloesem, ja, dan krijg ik wel een voorstelling van bloemen, maar ik heb geen idee, hoe dat allemaal bij elkaar past, waarom dit zo is. Pas wanneer ik her hele stuk, heb gezien, boven en beneden, zie ik de verhoudingen. Dan kom ik tot de conclusie, dat de bloemen juist op die manier geplaatst zijn, omdat zij zo het juiste, het mooie, het harmonische geheel vormen met de vaas, die er onder staat. Nietwaar?

Wanneer wij nu op die geestelijke wip zitten en het ene moment ver boven ons eigen kunnen uitstijgen en in ons bewustzijn plotseling grote waarde ervaren en het, volgende moment stevig, maar dan ook zo stevig de grond in gedrukt worden, dat het ons pijn doet, dan doen wij eigenlijk niets dan een zigzagbeweging maken, dat betekent dus, dat wij het totale beeld der schepping aftasten. Wij gaan naar het hoogst bereik bare punt; wij gaan naar het diepst bereikbare punt. In het begin is die uitslag betrekkelijk klein. Dan zie je wel de schijn. Je ziet de rand van de vaas en een klein stukje er onder en de steeltjes er boven, Maar hoe verder je nu naar boven gaat, hoe verder je ook naar beneden moet gaan, want er is een gemiddelde waarde. Die gemiddelde lijn zullen wij zeggen, is die van het Goddelijke. Wij moeten gelijkelijk naar boven en naar beneden toe, willen wij het totaal kunnen verwerken. Kunnen wij het verwerken, dan pas kunnen wij het in ons verwerkelijken. Dan kunnen wij het tot werkelijkheid maken. Zo zijn we dan voortdurend bezig om die schepping in ons zelf te volbrengen. Maar we snappen er eigenlijk niet veel van. En omdat we het niet snappen, nu ja, dan geloven wij het vaak wel. De wet van harmonie waar u het over heeft gehad, zou je dan in dit tafelbeeld als volgt kunnen gebruiken. Naast je aan tafel zit iemand, die zit er zelf ook naar te kijken en merkt een aantal details op. Doordat je daar samen over spreekt, schep je in jezelf zuiverder en reëler die waarden, dan je alleen zou kunnen doen. Want alleen zou je al die details met ineens zien, er over weg kijken Maar doordat je samen kijkt, zie je er meer van. Nu, ik geloof, dat dat wetje ook wel duidelijk is, hé? Dan kan het volmaakte nooit zonder het onvolmaakte zijn. Neen. De volmaakte uiting bestaat op zichzelf uit de volmaakte uiting en haar tegendeel, want alleen zo kan zij geuit worden. Dus hoe genialer aan de ene kant je denkvermogen, hoe groter de afgronden, waarin dit denkvermogen terecht zal komen. En hoe onsmakelijker de voorstellingen, die tegenover het geniale komen te staan Hoe groter geest etc. begrijpt u?

Hoe beter een mens leeft, hoe groter zijn moeilijkheden zullen worden op een gegeven moment, omdat het slechte dan ook voor hem meer invloed heeft. Nu zegt men natuurlijk wel met een ernstig gezicht: Ja, aber dem Reinen ist alles rein. Maar dan vergeet men er vaak bij, dat de werkelijke reinheid, die op aarde zo hoog verheerlijkt wordt, vaak identiek kan worden gesteld met onwetendheid. Het onwetende kan natuurlijk het schone en vredige peil van het gemiddelde geheel handhaven. Het kan zichzelf gelijk blijven. Maar of je nu de ervaringen naar boven of naar beneden toe zoekt, je zult ten alle tijde het tegendeel moeten betreden. Neem nu maar de bekende voorstelling van de hel en het leven hier. Wanneer het leven hier zo goed is, dat je er helemaal in op gaat en dus de totale vreugde van het zijn hier mee maakt, wordt datzelfde volgens de bekende voorstelling je in de hel tot kwelling.

Omgekeerd, wat je hier als lijden op aarde hebt gekend, zie je later in de juiste verhouding en het wordt je tot hemel. Dat is een wet van rechtvaardigheid, die zich heus niet alleen uit in de sferen, maar die zich op aarde evenzeer kenbaar maakt. Gaat u zelf maar na. U hoeft mij niet te geloven, hoor, gaat u het maar rustig zelf na. Op een gegeven moment ben je buitengewoon goed en edel. Dan heb je in je een scheppende kracht, dan herken je alle dingen op de juiste manier en je weet ze juist te zeggen. Het volgende moment dan sta je te modderen. Dan weet je niet meer waar je aan toe bent.

Dan zeggen ze allemaal: Is dat nou die vent, 1 of 1? Is dat nou die vrouw? Dat had ik daar toch niet van gedacht. Als ze dat zo zeggen, denk dan maar rustig bij jezelf, vliegen jullie op, hoor. Want als jullie een beetje beter zouden zijn, dan zouden jullie vanzelf ook wel wat meer met die slechte dingen zitten. Dat is nu weer het eigenaardige; juist doordat je voortdurend die tegendelen kent, kom je tot een juister begrip. Ook van anderen. Wanneer je in jezelf het hoog geestelijke en het diep stoffelijke bv. als tegenstelling kent, dan kun je dat in andere mensen veel beter begrijpen. Omdat je die persoonlijkheden beter kunt begrijpen, kun je hun beeld beter in je bevatten en wordt je scheppend voor het beeld van die persoonlijkheid in je eigen wereld.  Nu is er nog een wet en die wet vind ik ook wel erg belangrijk. Dat is die wet, die zegt, dat in de kern van alle dingen het volmaakte evenwicht heerst en dat het volmaakte evenwicht uit die kern verplaatst, de vernietiging van het totaal van het zijn ten gevolge heeft.

Dat de kern aller dingen de volle vrede en evenwichtigheid is. Maar dat, zodra de vrede en evenwichtigheid uit die kern der dingen verplaatst wordt, een totale vernietiging van de wereld, waaruit het voort kwam, of die daaruit voortkwam, het resultaat is.

Ik bedoel dus, het is in zich zelf ook weer logisch.  Het is helemaal geen onmogelijk iets wat ik hier zit te vertellen; het is heel begrijpelijk. Op het moment, dat u ongelukkig bent, kunt u nog gelukkig zijn. Maar op het moment, dat u niet meer ongelukkig zult kunnen zijn, zult u ook geen geluk meer kennen. Dan bent u tot het middelpunt gekomen.

Maar wanneer het totaal van uw leven ophoudt, houdt ook het totaal van uw levensuiting als zodanig op. Dan bent u dus eigenlijk niet meer. Zeker niet de persoon die u waart. Maar u bent niet meer. Zielkundig bent u dood. Stoffelijk kunt u misschien nog verder bestaan. Dat is voor ons natuurlijk ook weer erg belangrijk, wanneer we dat gaan bekijken, want wij hebben allemaal in ons zelf een kernpunt. Wij hebben allen ergens een puntje, een moment, waar wij vrede vinden. Voor de een ligt dat hoog geestelijk, voor de ander ligt dat wat anders, in de stof. Maar iedereen heeft zijn eigen vluchthaven. En wanneer wij die vlucht haven kennen, weten wij ook meteen, waar het middelpunt van ons zijn zich bevindt. De kleine mensen zeggen: wij gaan dat verplaatsen. Het bevalt ons niet. Die willen proberen om dit moment van vrede en van zekerheid in een andere waardering te stellen.

Nu moet u goed onthouden: je kunt wel de entourage veranderen, maar het punt zelf nooit. Zolang je een vluchthaven in jezelf hebt en elke mens heeft die. Alleen de een gebruikt hem niet en de ander wel, dan kun je daar rust en je vrede in. vinden, maar je kunt nooit proberen iets anders er als vervanging naast te stellen. Dat gaat niet. Er bestaat dus wel een wet van compensatie, hoor. Maar het is onmogelijk om voor het eigen zijn en het eigen middelpunt van zijn een compensatie te vinden door een ander punt er naast te stellen, dat gaat niet. Je kunt de waarde zelf veranderen. Ik neem nu bv. iemand leest graag. Nu zijn er geen boeken meer ter beschikking. Maar dat lezen was voor hem een vlucht uit de werkelijkheid, de vlucht tot zich zelf. Dan kun je daar voor in de plaats stellen een muziekstuk. Daar kan die mens misschien dezelfde rust in vinden. Of een gesprek, een film, een toneelstuk. Desnoods zelfs een natuur tafereel. Maar de waarde blijft gelijk. Voor deze mens is en blijft het rustpunt, een volledige vlucht uit de werkelijkheid, geen ander. Terwijl soms anderen juist in hun vlucht voor de werkelijkheid wel heel erg reëel worden. Dan gooien zij alles overboord en houden alleen nog maar stoffelijke waarden over.

Die leven zij dan, ten koste van alles, zo veel mogelijk en zo volledig mogelijk, uit. Kijk, die stoffelijke waarden kun je veranderen, maar je kunt nooit de intensiteit veranderen. Dus zoals ik zei, wij kunnen dat standpunt in ons zelf nooit en te nimmer verplaatsen en het blijft ook op het plan, waarop het geuit werd. Of dit nu ligt in het stoffelijke of het geestelijke, je kunt het nooit veranderen. Je kunt niet met het stoffelijke vluchtpunt in het geestelijke overgaan.

Je kunt wel de entourage, de waarden zelf gelijk latend, veranderen door een vervanging er voor te stellen, die in het eigen bewustzijn als gelijkwaardig op kan treden. Het is erg belangrijk, dat u dit onthoudt, want anders dan zou je in de verleiding komen om te zeggen: Ja, ik heb nu wel bepaalde stoffelijke dingen, waar ik volledig mijn rust in vind, maar dat wil ik nu geestelijk gaan vinden. Vergist u zich niet, hoor. Want dan vernietigd u de persoonlijkheid, die u op dit ogenblik bent. U wordt een ander. Of wat heel wat waarschijnlijker is, u wordt niemand. U gaat helemaal teloor. Daar moet je erg voorzichtig mee zijn met die dingen. Wilt u dus uw eigen vluchtpunt, uw eigen vlucht haven gebruiken en daaruit toch iets putten, dan moet u zeggen: Dit is het kernpunt van heel mijn zijn. Dat weet je allemaal, hoor, als je je maar de moeite getroost om even te kijken achter de uiterlijkheden. Er zijn er bv. die zeggen: Ik vind mijn vluchthaven in de liefde tot iemand of van iemand. Maar als je het op de keper gaat beschouwen, is het vaak heel iets anders. Bij de een ligt de vlucht in het geven, bij de ander in het ontvangen. Voor de een is het dus het bezit, voor de ander is het de rijkdom. Dat zijn zo van die dingen, die kun je gemakkelijk uit elkaar gaan pluizen. Of dat nu op emotioneel of op stoffelijk vlak ligt, dat is voor iedereen anders, weet je dus: dit is de kern van mijn zijn.

Dan weet je voor je zelf ook: alle geestelijke waarden, die hier bovenuit gaan, moeten in zich zelf diepten bevatten, die er onder liggen. En omgekeerd. Ik moet voor mijn persoonlijkheid uit dit standpunt en geen enkel ander leven. Dit is de kern van mijn bestaan. Ga ik dit verplaatsen, dan word ik geestelijk gedood. U kunt dit altijd beoordelen, wanneer u eerlijk bent tegenover uzelf. Maar ik geef toe, dat er voor een mens niets moeilijker is, en ook vaak voor een geest, dan juist eerlijk te zijn tegenover jezelf. U ziet, het vlecht zo aardig allemaal samen, het loopt ergens allemaal op een punt uit.

  • Maar moeten wij dan niet trachten van bepaalde gebondenheden los te komen?

Ja. Wanneer het een absolute binding is, waarbij dus de beleving ondergeschikt wordt gemaakt aan de uiterlijke omstandigheden, wanneer niet het persoonlijk leven op de voorgrond staat, maar andere factoren buiten het ik, dan moet men zich er los van maken. Maar uiteindelijk betekent elk van deze punten voor zichzelf ook reeds een zekere gebondenheid, n.l. een gebondenheid aan een in het wezen zelf levende impuls.  Je hebt in jezelf iets. Dat is voor jou de vlucht, waarin je de vrede vindt. En de vrede hebben wij allemaal op een gegeven moment nodig. Het is geen mens, die voortdurend de spanningen van het leven uit kan houden, wanneer niet een moment van ontspanning mogelijk is. Die ontspanning kan voor de een geestelijk liggen en voor de ander stoffelijk. Dat doet niet ter zake. Wanneer die spanning echter alleen opgeheven kan worden, doordat wij een uiterlijke omstandigheid beleven, die wij associëren met de vrede, die wij zelve door de beleving ervaren, dan wordt het gevaarlijk. Want zolang als wij in ons zelf de eigen toestand emotioneel of geestelijk zien als de vrede, kunnen wij haar altijd en ten alle tijde voor ons zelf realiseren.

Maar op het moment, dat wij haar binden aan een plaats, aan een persoon etc, dan gaat dat niet meer. Dan hebben wij dus een foutieve binding gemaakt, waar door wij ons zelf in het komen tot vrede en vrijheid belemmeren. Wij kunnen wel, in volledige vrijheid een gezamenlijk rustpunt vinden met een ander persoon. Maar wij mogen nooit het rustpunt met die persoon vereenzelvigen. Juist doordat wij vrij zijn tegenover elkaar en in elkaar dit toch vinden, komt een grote geestelijke eenheid tot uiting. Dat kun je in menig huwelijk bv. zien.

Daardoor wordt eigenlijk de eenheid geuit. De rest is allemaal bijkomstig. Op het moment, dat het buiten dit om onmogelijk wordt ben je zo geketend aan die ander, dat je niet meer los kunt komen. Dat is gevaarlijk. Ik zou dus iedereen de raad willen geven, wanneer je dat kernpunt benadert of zoekt of, wanneer je merkt, dat je voor je vrede van een bepaalde persoon afhankelijk wordt, in plaats van een bepaalde toestand in jezelf, aan bepaal de plaatsen of omstandigheden gebonden wordt, wees dan voorzichtig. Je kunt die dingen natuurlijk gebruiken om de toestand in je zelf op te wekken. Maar op het moment, dat je de toestand in jezelf gaat verwarren met dingen buiten jezelf, maak je jezelf tot slaaf van factoren, die je niet meer beheersen kunt. En hier aan zijn vele mensen geestelijk ten gronde gegaan, omdat zij de buitenwereld met hun innerlijk verwarden. Juist in deze verwarring krijg je dan vaak de poging om dat hele ik, dat hele rustpunt in het ik, dat voor het leven noodzakelijk is, dan maar ergens anders neer te zetten. Want zij realiseren zich niet, dat zij het ook kunnen verweven zonder de relaties, die zij in de buitenwereld daarmee geschapen hebben. Dan gaan zij proberen om dat hele wezen te verwringen en wat krijgen we dan? Een foutieve persoonlijkheid. Een persoonlijkheid, die in meerdere met elkaar strijdige delen uiteen valt, daardoor zichzelf voortdurend bestrijdt, zichzelf bereiking en voleinding onmogelijk maakt en voor zichzelf nooit meer een rustpunt kan vinden, omdat de verschillende waarden elk voor zich een verschillend rustpunt begeren, die voor de persoonlijkheid zelf nooit een rustpunt een oplossing in zich kunnen betekenen.

  • Hoe kan zo’n mens geholpen worden?

Zo’n mens is heel moeilijk te helpen. Het enige, wat je voor zo’n mens zou kunnen doen, is die mens te doen realiseren, hoever hij van zijn eigen persoonlijkheid verwijderd is. En dat is een kwestie, daar komt heus wel vakwerk bij.

  • Ja, maar die gespletenheid is het schizofrene. Maar in die gespletenheid is het juist erg moeilijk om ze dat aan het verstand trachten te brengen. Want steeds andere facetten worden er naar voren gedraaid. Ik ben het n.l. volmaakt eens met de duidelijke beelden, die u naar voor brengt. Maar hieruit komen zoveel facetten voort en dat is buitengewoon lastig.

Maar dat is heel begrijpelijk. Want de mens in zichzelf zoekt de vrede en wil die vrede projecteren in een bepaald punt, omdat hij zijn eigen punt van vrede niet meer realiseren kan.

En het enige, wat je nog kunt gebruiken hierbij…… Nu ja, ik ga eigenlijk even van de wetten af, hoor. Nu kom ik een klein beetje in de psychiatrie terecht, hé? Maar zolang we niet in een psychiatrische inrichting terecht komen, wat geeft het dan eigenlijk nog. Wanneer een persoonlijkheid gespleten is en in de veelheid der getoonde facetten ons steeds weer blijkt, dat een vlucht van bepaalde begrippen optreedt, weten wij dat in de begrippen van waaruit gevlucht wordt, van waaruit men dus eigenlijk weg is gegaan, de werkelijke kern van eigen vrede zit. Niet alleen van eigen problemen, maar van eigen vrede. Die zijn vaak identiek. Kan men de mens dan de omstandigheid, die de vrede geeft, zonder de daarmee geassocieerde omstandigheden doen beleven, dan zal een terugkeer naar het normale het resultaat hiervan zijn, want dan kan de toestand van ontspanning weer terug worden gevonden in het normale en kan de zelfstandige beleving weer verder gaan. Maar er komt een bepaald moment, waar dit niet meer te bereiken. is. Dan krijgen we dus de schizofrenie, die niet meer herstelbaar is a.h.w. de persoonlijkheid, die verwoest is. Dan is het gehele voorstellingsvermogen zodanig vernietigd, dat dit in het totale zenuwstelsel in de hersenwerking en de vaste invloeden heeft geschapen a.h.w. gewoonten heeft gevormd. Wanneer dit gebeurd is, kan het innerlijke standpunt niet meer gevonden worden. Want het geestelijk rustpunt, dat vaak lichamelijk werd geprojecteerd, is met dit lichaam niet meer te verwerkelijken. En omgekeerd. Het lichamelijk bewustzijn en het rustpunt daarvan niet meer identiek zijn met hetgeen geestelijk als bevredigend wordt ervaren. In een dergelijk geval krijgen wij bv. te maken met een mens die zeer heftig genegenheid vraagt, maar elke afwijking van de belangstelling voor het persoonlijke dan onmiddellijk tot aanleiding neemt om hetgeen waar hij dan toch voor denkt te gevoelen onmiddellijk te vernietigen. Dit is een van de eigenaardige verschijnselen, die men  krijgt. Er zijn er natuurlijk veel meer. Maar dan komen wij helemaal in een dokterspraatje terecht. En dat is niet de bedoeling vandaag. Maar ik geloof toch wel, dat wij het zover aardig met elkaar eens kunnen zijn.

 Nu wij hebben nu zo erg veel over die wetten zitten praten, vindt u eigenlijk zelf niet, dat het, wat dit betreft voldoende is? Want als u dit in een maand verwerkt heeft, neem ik de hoed, die ik niet heb, heel plechtig voor u af. U moet niet vergeten, met al deze dingen ligt het als volgt: Wij kunnen een veelheid van begrippen voor u begrijpelijk uitdrukken Maar dat betekent nog niet, dat u de consequenties daarvan volledig in uzelf kunt verwerkelijken. Al die wetten die wij hier bespreken, zijn voor u alleen waardevol, wanneer u ze op uw eigen leven leert toepassen. Dat is hetzelfde als met een leek, die kan het hele burgerlijk wetboek lezen en dan begrijpt hij er nog geen steek van. Dan is hij alleen door de vele ambtelijke stijlbloempjes nog meer verward, dan hij voordien was. Maar op het moment, dat die mens met bepaalde gevallen te maken krijgt en daarop het wetboek toe gaat passen, dan gaat hij door dringen achter de terminologie en voor zich zelf die waarden beleren. En dan krijg je iemand, die net zo gehaaid is of vaak nog gehaaider dan een advocaat. Die komen ook voor, hoor. Maar die kennen dan ook maar een bepaald aspect. Als u dat aspect van deze wetten, dat op het ogenblik voor u belangrijk is, volledig weet te realiseren, dan is het wat mij betreft, meer dan voldoende. Dan ben ik erven overtuigd, dat u niet alleen de wet der harmonie voor uzelf tot een werkelijkheid maakt, maar dat u zich uitend in de wet van evenwichtigheid komt tot vervulling van de kosmische scheppingswet, waardoor u in uzelf schept en wordende van geschapene tot mede schepper, komt tot de realisatie van de Algeest in zijn uiting. Het was een erg interessant betoog, vind ik zelf, hoor. Ik hoop, dat u het met mij eens bent.

  • Mag ik misschien nog even iets vragen? I.v.m. de wet van evenwichtigheid zou ik graag hebben, dat u iets zei over de wet van de wroeging, die een stuwing betekent naar het Goddelijke.

De wroeging, die een stuwing betekent naar het Goddelijke? Neen. Dat is eigenlijk helemaal niet waar. De wroeging is geen stuwing naar het Goddelijke, dat heeft de mens ervan gemaakt. De wroeging in zichzelf is een vernietiging van innerlijke waarden en kan als zodanig eerder worden gezien als een soort geestelijk masochisme dan als een werkelijk positieve waarde in het leven. Kijk eens, wanneer wij een fout erkennen is het logisch, dat wij voortaan trachten haar te vermijden. Wanneer de gevolgen daarvan voor ons onaangenaam zijn, zullen wij trachten om die gevolgen tegen te gaan. Dat is een logische handeling, die uit de wet tot zelf behoud voortspruit, die sterk verknoopt is met de wet der evenwichtigheden. Op het moment, dat wij wroeging gaan ervaren over iets, wat wij gedaan hebben, komen wij op een heel ander standpunt terecht. Op dat moment gaan wij, ongeacht wat wij kunnen doen of niet kunnen doen, ons voortdurend met de vroegere daad bezig houden en ons zelf kwellen, omdat wij die daad gesteld hebben, die in ons eigen wezen en persoonlijkheid, als onherstelbaar vast staat en gebeurd is. (Neen, dat was niet de bedoeling). Ja, maar dat is wroeging. Wroeging is het berouw over een daad, die in zich zelf niet meer herstelbaar is. En dat is toch zeker niet positief, neen. Het inzicht. Het inzicht op zich is meestal geen wroeging. Degene, die werkelijk inzicht heeft, zal geen berouw hebben. Dat klinkt u misschien erg vreemd, hé? Maar het is waar. Degene, die inzicht heeft in het gebeuren zelf kan, een berouw hebben, omdat hij de noodzakelijkheid van de daad zelf ziet. Hij had n.l. het inzicht nog niet en heeft dus geen berouw er over, maar is blij, dat hij het inzicht heeft verworven. Hij gebruikt deze daad, die in zich negatief was als een positieve bouwsteen voor zijn bewustwording.

  • Maar wij doen toch dingen in ons leven, waar wij spijt over hebben?

Dat is nog heel iets anders. Spijt is het erkennen van een persoonlijk nadeel, dat uit een daad is voortgevloeid. Maar op zichzelf zou ook spijt hebben er over als berouw mij betrekkelijk onzinnig lijken,  want, laten wij het nu eens even redelijk stellen, je hebt iets gedaan. Je wist, dat het fout was. Goed. Dan heb je er geen berouw over, maar dan zul je alleen zo stoïcijns mogelijk de gevolgen ervan dragen, want je weet dat. Je weet, dit heb ik gedaan, de consequenties moet ik dragen. Dat is logisch. Gaan zeggen: ik heb er spijt over, zou kunnen zijn, eigenlijk had ik dit eerder moeten bedenken, de consequenties zijn zwaarder, dan ik gedacht had, de daad is de consequentie niet waard geweest. Zo kunt u spijt hebben en dat is dan alleen een vaststellen, volgende keer zal ik verstandiger zijn. Want op het moment, dat het berouw wordt, had ik het maar niet gedaan, wordt het nutteloos. Op het moment dat het wroeging wordt, dat u er voortdurend over na gaat zitten denken, over gaat zitten klagen, betekent het alleen maar een voortdurende geestelijke zelfkwelling, die geen enkel redelijk nut afwerpt en geen enkele bate meebrengt voor u zelf of voor anderen, geestelijk of lichamelijk. Dat is ook esoterie. U moet een ding onthouden, tenzij er iemand wat te vragen heeft?

  • Mag ik misschien nog een vraag die ligt me n.l. allang op de lippen? Als ik mij een zekere voorstelling maak, kan ik dan aannemen, dat … ja …. Ik zit n.l. met het volgende, enige keren terug is hier door gekomen een Lama, die zegt, ja. Kom eens naast mij zitten, dat heb ik getracht en ik vlei mijzelf, dat dat tot op zekere hoogte gelukt is. Nu kunnen wij wel zeggen; ja, dat is fictie. Dat is lastig terrein en dat is natuurlijk mogelijk. Maar het is een erg domme vraag. Kunt u mij eigenlijk een middeltje aan de hand doen, waaraan ik kan onderkennen, of dat nu enige grond van realiteit heeft of niet? U voelt misschien beter aan, wat ik zeggen wil.

U vraagt mij a.h.w. de controle op de persoonlijke beleving om deze werkelijkheid in deze gedeelde realiteit, door de mens held gedeelde realiteit vast te kunnen stellen? (Ja) En dat is op zichzelf niet zo erg moeilijk, wanneer u u n.l. de moeite getroost bij elke beleven op deze wijze een ogenblik in uw meditatie en concentratie u te concentreren op de omgeving zelf. U zult dan enkele gegevens ontdekken, die u persoonlijk niet bekend waren, dingen die u zelfs eigenaardig of vreemd voorkomen op dat moment. Wanneer u deze momenten nu er uit licht, u gaat ze als stoffelijke waarden, dus niet wat u verder geestelijk meemaakt erbij, maar de zuiver stoffelijke dingen, laten we een voorbeeld nemen. U ziet een gargouille van een kerk of zoiets dergelijks. Legt u zo sterk mogelijk voor uzelf vast, dan gaat u na, of dit bestaan kan.

Blijkt het dat het volledig overeenstemt, met hetgeen door anderen als bestaan of gelijkelijk bestaand werd vastgesteld, kunt u ervan overtuigd zijn, dat uw beleven ook juist was. Want moge zij dan geestelijk en niet stoffelijk zijn geweest, zij droeg in zich het stempel van uw eigen realiteit, zowel als van de geestelijke realiteit.

  • Ik ben op dat punt een beetje hyperkritisch, want mijn beroep ligt die kant op. Maar het is zo, dat ik toch wel voor mijzelf, om het alledaags uit te drukken, het doel had, dat het contact er was. Die gevoelens met de beperkingen, die uzelf zegt, dus de realiteit van je beelden toetsen, of het niet te fantastisch wordt e.d.

Natuurlijk, u moet er dus rekening mee houden, dat de geestelijke beleving niet tot vlucht wordt. Dat kun je door het controleren van enkele elementen er in over het algemeen gemakkelijk voorkomen.

Natuurlijk moogt u hyperkritisch zijn. Zegt uw gevoelswereld u vaak niet veel meer, dan uw redelijke waarneming? (Ongetwijfeld). Want als wij daarover spreken, meen ik toch, als u mij de persoonlijke noot niet kwalijk neemt, hoor. Het is nu de tijd, dat wij wat vrijer kunnen spreken. Dat weet u wel, zo tegen Kerstmis en Nieuwjaar, dan zeggen wij eens wat meer dan anders. Het is u toch wel opgevallen, dat wat u z.g. intuïtief vast stelde en wat u soms later redelijk herzien hebt, aan de hand van de theorie, toch later bevestigd werd als intuïtief juist. U heeft zelfs heel vaak mee gemaakt, dat u zuiver op uw gevoelens afgaande en volledig onorthodox handelend in sommige gevallen, resultaten bereikte, die anders niet zo gemakkelijk te bereiken waren? (Ja, dat is wel zo). Ik meen dus, dat u hiermede in de wereld van uw eigen realiteit reeds de betrouwbaarheid van uw gevoelens voor een groot gedeelte bewezen hebt. En dat het dus zeer onvriendelijk zou zijn deze elementen van uw eigen persoonlijkheid, die bewezen hebben betrouwbaar te zijn in vele gevallen nu plotseling ter zijde te schuiven en nu plotseling het reële bewijs zondermeer te vragen. Maar zelfs dat is te leveren.

  • Ja, dat ben ik wel met u eens. Maar ik ben altijd enigszins angstig om dergelijke dingen zo maar zonder meer te aanvaarden. Waarom, dat weet ik zelf niet.

Zal ik het u zeggen? (Het is het grote struikelblok voor mij). Weet. u, waarom dit het grote struikelblok is? Uw hele leven, want u heeft heel wat verschillende fasen door gemaakt, is uw struikelblok altijd weer geweest, dat u het waarom niet kon vinden. En dat zoeken naar het waarom heeft u uiteindelijk hier terecht gebracht, waar u op het ogenblik bent. Zowel in uw beroep als in uw, enfin, uw hele bewustzijn, uw hele wording, zelfs uw liefhebberijen, die berusten daarop (Ja). Toch is dat waarom gemakkelijk te beantwoorden. Aan de ene kant bent u in uw hart mysticus. En zeer sterk. Aan de andere kant wilt u graag zijn de nuchtere werkelijkheidsmens.

Deze tweestrijdigheid kunt u niet verenigen, omdat u het mysticisme als zodanig wilt verwerpen: het is niet nuchter en redelijk genoeg, terwijl u aan de andere kant met de werkelijkheid en haar nuchtere betogen geen genoegen kunt nemen. En dit is de hele reden van de tweestrijdigheid in uw eigen wezen. Maar weet u, wat het leukste is? U zegt: dat waarom is voor mij een struikelblok. Maar u weet het wel.

  • Eigenlijk weet ik het wel, ja. (Maar u wilt het niet weten). Misschien wel, ja. Maar niet willen, is niet kunnen en niet kunnen, is niet durven. Ik durf het misschien niet.

Ja. En waarom niet? Weet u dat ook? Omdat het een groot deel van uw leven op losse schroeven zou zetten, mijn waarde vriend. Veel van hetgeen u als bereiking hoogacht in u zelf, wordt daardoor in een volledig ander daglicht gesteld. En dat kunt u voorlopig waarschijnlijk nog niet verwerken. Maar dat is ook niet nodig. Dat komt van zelf wel. Komt het niet hier, dan komt het later. U heeft de tijd, hoor. (Ik heb de eeuwigheid voor mij). Beter gezegd: in u, dat is nog veel juister. Zo. Dat was even een afwijking van het zeer kosmische naar het zeer beperkte toe. (En toch het kosmische), Inderdaad. Omdat wij niet uit de kosmos los kunnen komen, waar wij in en uit de kosmos leven. Nu ben ik toch helemaal van mijn chapiter afgeraakt, dus zal ik maar zeggen: zijn er nog meer problemen of vragen? Uit de behandelde onderwerpen gerezen natuurlijk in de eerste plaats.

  • Elk goed willen in de mens is toch een zoeken naar de waarheid. De motieven, die de oorzaak zijn van de daden kunnen daarom heel zuiver zijn en door andere mensen verkeerd beoordeeld worden.

Dat ben ik volledig met u eens. Alleen zou ik de definitie goedwillend mens als te vaag terzijde willen schuiven.

  • Het zoeken naar de waarheid vind ik al goedwillend.

Nu, ik ken veel mensen, die kwaadwillend naar de waarheid streven. En ik geloof zelfs, dat er hier in Nederland een waarheid is, die in een heel kwaad boekje staat. Goed en kwaad, goedwillend en kwaadwillend, dat is eigenlijk een uitdrukking, die in zich zelf zo beperkt is, omdat elke goedwillende mens noodzakelijker wijze ook kwaadwillend moet zijn. Daar hebben wij net over gesproken. Laten wij zeggen een zoekend mens, dat lijkt mij de volledig juiste formule. Een zoekend mens zal, ongeacht hoe zijn omgeving of anderen reageren op zijn daden, wanneer het een zuiver zoeken is, niet alleen het toegeven aan het ik zonder meer, goed handelen ten opzichte van zichzelf. Trek je dus maar niet te veel aan van wat de buren zeggen. En houdt er rekening mee, dat het niet het verwijt van de buren is, wat je treft. Dat mag je niet raken. Daar heb je niets mee te maken. Alleen de ontwrichting, die je in het leven van je buren teweeg zou kunnen brengen, betekent wel verantwoording. Doe je dat wel, dan zul je er de consequenties van moeten ondergaan. En het is de vraag, of je die graag wilt aanvaarden. (Juist ja). U ziet dus, die dingen liggen allemaal heel anders, dan men normaler wijze denkt. Maar daarvoor gaan wij dan ook hier een klein beetje boven het gemiddelde uit. Want per slot van rekening, indien wij ditzelfde zouden zeggen in een zaal, ben ik bang, dat wij heel wat verwoestingen teweeg zouden brengen, zo hier en daar. Want men grijpt over het algemeen zeer gaarne het argument, zonder dat men de bedoeling en tendens, die er achter schuilt, mede verwerkt. Het is in zekere zin erg gevaarlijk, want ik zeg nu eigenlijk tegen u: Leef maar, zoals je goeddunkt en dat zou door velen wel eens identiek kunnen worden geacht met leef er nu maar op los, maar dat is niet waar. Want je moet voor jezelf elke handeling verantwoord vinden. Je moet voor je zelf elke lering kunnen verantwoorden. Je moet bereid zijn om van elke daad, die je stelt, de consequentie te ondergaan.

Als je dat nu maar hebt, dan ben je er. Het is erg lastig, hoor. Als u zo leeft, dat u ook aan de consequenties van elke daad denkt, dan, onder ons gezegd en gezwegen, bent u een veel braver en veel netter mens dan de meeste mensen, die zichzelf erg netjes vinden. (Vertelt u eens iets). Ja, dat is wel aardig, vertelt u eens iets. Dan herinner ik mij altijd zoiets, dat in mijn jeugdjaren werd verteld: Er was eens een mannetje van 88 jaren, dat smookte uit zijn pijpken en had geheel geen haren. Toch dacht  dat manneke wel aan de verleden tijd en leefde in zijn jeugd weer, dus in de eeuwigheid. Een aardig vertelseltje? Laat ik dan nog even daarover praten. Wij leven vaak met onze herinnering in tijden, die eigenlijk vergeten zijn. Hoe komt dat? Wel, wij zoeken het verleden, omdat wij daarin waarden beleefden, die wij denken nu niet meer te kunnen beleven, want de doorsnee mens bindt bepaalde emoties en bepaalde belevingen en bepaalde perioden van bestaan aan leeftijd, omgeving en zekere welstand. Op zich zelf een dwaasheid.

Het is heus niet zo, dat het geld, dat je hebt, de leeftijd, waarop je bent, uitmaakt, hoe je van binnen de zaak beleeft. Zo is een mens, die oud wordt en terug grijpt naar zijn jeugdherinneringen een mens, die de tijd negeert en zichzelf erbij. Die schept net als het mannetje in het rijmpje voor zich zelf een soort eeuwigheid. Hij komt in een wereld van voortdurend een, twee of meer belevingen en een bepaalde periode van zijn bestaan. Maar in die continuering ontkent dat mannetje, dat het vandaag aan de dag leeft. Als zodanig leeft het voor niets, omdat het leeft in een herinnering. Want de herinnering is het beleefde. Daar kunnen wij wel de consequenties uit gaan trekken, wanneer wij een nieuw standpunt, een nieuw gezichtspunt in gaan nemen, dat een overzicht over het algehele resultaat kan betekenen. Dat heb je op aarde in doorsnee niet, zeker als je wat ouder bent, want dan gebruik je het hoogstens om het ongunstig te vergelijken met de moderne tijd. De afstand vermooit de dingen, dus wordt je nog naar ontevredener met wat er vandaag is. Eigenlijk zonder reden. Dat is toch wat je zo vaak hoort: in onze tijd was dat anders en in onze tijd was dat beter. Dat is toch ongeveer hetzelfde? Ja. Die mensen vergeten, dat zij op dit ogenblik leven. Weet u, in 1880, toen zeiden ze ook al: die jeugd, die jeugd, waar moet dat naar toe. Dat gaat vandaag nog precies hetzelfde, hoor. Maar dat komt eigenlijk door dat vreemde herinneringsvermogen van de mens: de mens heeft n.l. het vermogen om zich alleen dat te herinneren, wat hij zich wil herinneren. Hij laat alle onaangename bijkomstigheden weg. Zo wordt Papa, als hij tegenover zijn zoontje zit, plotseling overtuigd, dat hij toch zo’n brave jongen was. Hij vergeet het aantal keren, dat hij met een gescheurde broek of met gestolen appels is thuis gekomen en ook de keer dat moeder zich een beroerte schrok, omdat er een paar kikkers uit zijn zak kwam. Dat bestaat niet meer voor hem. Maar hij weet nog wel, dat hij altijd goede cijfers had op school en elk vijfje wordt al gauw een zeventje. Hij is er heilig van overtuigd dat het zo was. De mens herinnert zich n.l. niet alleen, wat er gebeurd is, maar herinnert zich, wat hij wilde, het er gebeurd zou zijn. Vandaar dat je die treurige dingen krijgt. Toen Rembrandt voor het eerst de lichtdonker techniek gebruikte, zeiden ze ook; die jeugd, die jeugd; Hoe kun je nu op die onzinnige manier iets uitbeelden? Die nieuwlichterij! En toen Vondel voor het eerst begon te dichten, weet u wat ze tegen hem zeiden: mans hou je nou maar bij je kousen. Jij hebt geen verstand van de schoontaal. En toen ze Gijsbrecht op zouden voeren, is er bijna nog een schandaal geweest. Maar dat weet u waarschijnlijk nog beter dan ik. Het was bijna een schandaal geweest, omdat het niet netjes genoeg was en toen hebben ze de zaak gered door heel veel machinerieën ten tonele te voeren. Zo gaat het altijd, hoor. Laten wij ons daar maar geen zorgen over maken, Tenslotte geloof ik niet, dat zoals wij hier bij elkaar zitten, dat er veel behoefte bestaat om in het verleden te leven. Er zijn er wel eens een paar, die terug dromen, maar….. Laten wij het maar zo zeggen; vandaag aan de dag is goed genoeg voor je, wanneer je de moed hebt om vandaag aan de dag, dat te leven, wat je voelt, dat je bent. Als je het daar maar nu bij houdt, dan gaat het goed.