De kracht die in de mens zelf schuilt

10 januari 1958

 Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u natuurlijk er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Mijn onderwerp voor vandaag is: De kracht die in de mens zelf schuilt.

Wanneer wij leven, dan is in ons innerlijk een Krachtbron, zo groot, dat wij daaruit meer kunnen ontnemen dan alle centrales op de hele wereld op een ogenblik zouden kunnen afgeven of leveren. Men beseft dit meestal niet, omdat onze eigen Kracht zozeer verborgen is. Zij wordt door duizenden concepten geremd als maatschappelijke noodzaak, van menselijke beperking, en ook heel vaak door het onvermogen om deze Kracht in ons zelf te wekken.

Er bestaat daarover een aardig verhaal, een soort vergelijking, die al betrekkelijk oud is.

Er was eens een mens die kort nadat hij geboren was, getroffen werd door wat men tegenwoordig Engelse ziekte, rachitis noemt. Zo was hij zwak, tenger en teer en kon hij zich niet voortbewegen zonder de hulp van krukken. Dit nu is voor een mens een ontzettend gebeuren. Zo besloot hij een weg te zoeken ter genezing. Hij trok naar bedevaartsoorden toe en bad intens, maar hij had geen vertrouwen genoeg. Zo werd hij niet genezen en daardoor ging hij meer verbitterd dan hij was gekomen huiswaarts. Hij besloot toen vele artsen te raadplegen. De een na de ander moest zeggen: “volgens onze wetenschap is hier niets aan te doen”; het was dan ook in de oude tijd.

Toen kwam er een ogenblik, dat deze mens zei: “wanneer ergens op deze wereld een weg is, dan wil ik die vinden.” Hij nam zijn kruk en ging de lange landwegen af, van Frankrijk naar het zuiden. Hij trok naar Indië en smeekte de heilige mannen aan de boorden van de Ganges om hem te helpen. Hij trok naar het noorden en consulteerde de grote wijzen van China en de beroemde geneesheren. Kortom, hij zwierf de gehele bekende wereld door. Op zijn terugweg, in de buurt van de Kaukasus, trof hij een medereiziger, die hem een ogenblik ontlastte van zijn bagage. Eigenlijk vond hij dat nog niet eens zo prettig. “Want”, zo dacht hij bij zichzelf, “is het niet genoeg, dat ik gebrekkig ben, moet hij daar de aandacht nog op vestigen?”

De ander zei niets en ging naast hem voort. Toen vroeg hij hem: “Waarom loop jij eigenlijk met krukken?” “Dat kun je toch wel zien”, antwoordde de man verbitterd. “Je ziet toch wel, dat mijn benen niet kunnen. Je ziet toch wel, dat ik helemaal geen mogelijkheid heb om zonder krukken verder te gaan?” De man naast hem, die een eenvoudige boer was, keek verbaasd naar hem en zei: “Maar je bent toch gezond? Je hebt toch gewone benen?” “Dat kan haast niet”, zei de ander.

“Ik ben van arts tot arts gegaan. Ik heb iedereen geconsulteerd en niemand heeft mij kunnen helpen.” De boer zei niets en toen zij gerust hadden, had hij de krukken weggenomen en een eind verder langs de weg geplaatst. “Zo”, zei hij, “loop nu maar eens.” Na duizenden betuigingen, dat hij het niet kon, stond eindelijk aarzelend en wankelend de gebrekkige op. Het liep tegen de avond. En u weet, in de bergen wordt het dan fel koud en gevaarlijk. Zie, hij liep, en toen hij eenmaal liep, nam de boer de krukken en liep voor hem uit. Zo boos was de gebrekkige daarover, over deze gevoelloosheid en spot, dat hij steeds harder begon te lopen, zodat de boer op een drafje moest gaan, uiteindelijk zelfs hijgend voor de gebrekkige uitliep.

Toen dat zo een tijd was doorgegaan en zij in de buurt van een van de kleine bergforten waren gekomen, waarin men in die buurten leeft, bleef de boer staan. Onmiddellijk begon de gebrekkige hem te overladen met verwijten. “Wat ben jij voor een gevoelloos mens? Mij, die niet kan, neem je de krukken weg!” “Kun je niet?” vroeg de boer. “Jij hebt daarnet ruim 15 km hard gelopen, zelfs zo hard, dat ik buiten adem ben.” “Ja, maar je neemt toch een kreupele de krukken niet weg?” “Je was toch niet kreupel? Je dacht het alleen maar.”

Toen pas realiseerde zich de gebrekkige, dat hij door zijn lange zoeken en tochten zichzelf had genezen. Want, of hij wilde of niet, die verslapte spieren had hij moeten bewegen. Hij was sterk geworden door de voortdurende buitenlucht. Sterker zelfs dan menig gewoon mens, maar hij wist het niet. Daarom had hij met krukken gelopen, verbitterd in een wereld, waarin hij blij rechtop had kunnen gaan. Een gezonde mens temidden van andere mensen.

Dit verhaaltje klinkt misschien een beetje vreemd. Gelooft u mij, dat is het zeker niet.

Wanneer u leeft, dan spreekt u over esoterie, over Hoge Krachten en gaven, die u begeert; u hebt gezocht, elke keer weer. U hebt misschien duizend stellingen op hun waarde beproefd, vele honderden oefeningen gedaan, kortom, u hebt steeds weer – net als deze mens – gezocht naar een wijze, naar een arts, naar een wonder misschien, zonder u te realiseren, wat ondertussen met uzelf gebeurde. Daarom mag ik misschien, juist sprekende in de eerste plaats over de Krachten die in de mens leven, u hieraan herinneren. Menigeen gaat geestelijk en stoffelijk op krukken, omdat hij zich niet bewust is van zijn werkelijke toestand.

In iedere mens leeft Kracht en Licht. Meer Kracht en Licht dan deze wereld kent, of kennen kan.  In elke mens leeft een ziel, waaruit de overvloed van Goddelijke Kracht door kan dringen tot in zijn wezen. Maar de mens aarzelt en weigert dit te aanvaarden en zegt, dat hij zo zwak is en zo onwetend en misschien zelfs, dat hij zo slecht is. Natuurlijk is dat dwaasheid. U kunt, indien u slechts geloven kunt in uw eigen gezondheid, geestelijk en stoffelijk. Er is geen scheiding tussen u en de anderen, die u bewondert.

Misschien bent u, zoals die ene mens die het altijd maar weer had over de apostelen. Hij leeft in uw eigen tijd en wanneer men hem sprak over het christendom dan zei hij: “Ach, hoe zou ik christen kunnen zijn? Die anderen, die apostelen, die bij Jezus waren dag in en dag uit, die hadden het goed. Die hoorden het woord van de Meester, die zagen Zijn wonderen. Voor hen was het gemakkelijk Hem te aanvaarden en te volgen. Maar wat moeten wij, die hier zitten in een wereld, die van christendom nog alleen naar een schijnvorming heeft overgehouden? Moet ik mij vastklampen aan een evangelie, waarvan je niet eens weet precies, door wie en waar het geschreven is?”

Zo ging deze mens over en ging door het Rijk van de Geest, zoekende naar een hemelpoort, of naar een hel, waarin hij vagelijk in zichzelf geloofde. Hij kwam aan de hemelpoort. Dat, wat je verwacht, bestaat in de Geest, omdat je eraan denkt. Daar stond de grote Petrus, die hem vroeg: “En heb je gedaan, wat de Meester jou heeft geleerd? Heb je geleefd volgens de geboden van God?” “Neen, want…” en hij begon het hele verhaal weer te vertellen. Toen begon die oude Petrus een beetje te lachen. Petrus, die, onder ons gezegd, een hogere Geest was, die onder deze gedaante probeerde deze mens van zijn waan te bevrijden.

“Zie een keer om en zie naar de wereld.” Hij liet hem zien, hoe er mensen leven, die wel degelijk Jezus leer in de praktijk brengen. Hij liet hem zien, hoe de ware leer van Jezus in veel verschillende vormen bewaard is gebleven. Hij liet hem zien, hoe er nog dagelijks wonderen gebeuren. Toen zei hij, en zijn stem klonk misschien een beetje treurig: “In de hemel kun je niet binnengaan, omdat je geen voleinding hebt kunnen bereiken, omdat je bewust blind was voor al het goede, en je bewust alles verwierp, wat leven was. Je bent er aan voorbij gegaan. Je hebt je geconcentreerd op het kwaad. Daarom leek de wereld je duister. Je benijdt de apostelen? De apostelen hadden minder getuigenissen dan jij. Je benijdde de eerste christenen? Zij hadden minder mogelijkheid om te leven als christenen en minder grondslag. Keer terug tot de wereld.”

De mens incarneerde opnieuw. Hij wist niet, hoeveel tijd er was heengegaan tussen zijn ogenblik van geestelijk ontwaken en zijn insluimeren, dat gepaard ging met een stoffelijke geboorte. Toen leefde hij weer. Hij zag al het goede, wat er op de wereld is. Hij zag al het Licht, dat er nog steeds bestaat, ook wanneer er duister schijnt te zijn. Hij zag, hoe wonderlijk soms de wegen zijn van een Kosmische Kracht, die ingrijpt door de gewoonste middelen om het allerergste te vermijden en de mens toch nog de mogelijkheid te geven zich zijn menszijn waardig te tonen. Toen hij weer overging, was er geen hemelpoort, geen Petrus, maar er was Licht. Hij had het Licht leren kennen op de wereld, daarom kon hij het aanvaarden.

En daarin sprak hem een stem, die als zijn eigen was. “Dit is het geheim van de Schepping. Wanneer er duister is, is er Licht. Wie nu naar het Licht ziet, zal in het Licht opgaan. Wie het duister zoekt, zal zich verbergen in de duisternis, omdat het Licht hem tot leed wordt.”

Hoeveel mensen, die zoeken naar geestelijke inhoud, zijn niet even dwaas. Deze mens begeerde te zijn een van de apostelen. Zij vragen voortdurend om een nog betere getuigenis, om een nog zuiverder weten, om een nog groter inzicht. En wanneer het hen getoond wordt, gaan zij er aan voorbij. Zij begeren in feite niet te aanvaarden. Zij willen zichzelf zijn, slechts hun eigen beeld van Licht in de wereld weerkaatst zien. Maar Gods Licht is niet het Licht van één wezen, het is het Licht van een Kosmische Harmonie, die zich openbaart. Het is daarom, dat dit Licht op de wereld zo vaak niet gezien wordt. U zoekt immers naar de innerlijke waarheid?

Zoek dan in de eerste plaats naar het Licht en ga aan het duister voorbij. Want Licht is de weg, die de mens moet gaan. Licht in tweeërlei betekenis. Licht, omdat het Goddelijk Licht in hem leeft en slechts daarin en daardoor een werkelijk bewustzijn kan ontwaken. Maar ook “licht”, omdat altijd het Goddelijk Licht rond je is en zo de weg niet zwaar kan wezen, wanneer je maar ziet naar al het wonderschone, wat de Schepper je voortdurend als hulp en steun terzijde stelt.

Het leven is niet moeilijk, wanneer je de waarheid van een innerlijke Kracht beseft. De kracht, die in de eerste plaats ligt in ons vermogen om het Goddelijk Licht overal te erkennen, zelfs in zijn schamelheid van een stoffelijke openbaring, temidden van een overbevolkt land, van een te drukke maatschappij, van een voortdurend in krijgsangst gedompelde wereld. Licht en duister zullen altijd samen gaan. Zonder elkaar hebben zij geen aanschijn en wezen. Maar ons is de weg van het Licht gegeven. Het is onze taak om dat te zoeken.

Wanneer wij denken aan Licht en Kracht, vergeten wij heel vaak de Harmonie. Toch is Harmonie – esoterisch gezien – het meest belangrijke. Slechts wanneer je innerlijk, je eigen wezen, tot een één-klank wordt met de Goddelijke Kracht en het Goddelijk Licht, dan kun je werkelijk bestaan, dan kun je leren de waarheid van de dingen te doorgronden. Wanneer je die harmonie wilt winnen, kun je ze nooit afdwingen. Daarom een kleine vergelijking, die u duidelijk maakt, hoe men deze harmonie in zichzelf moet zoeken en vinden.

Er was eens een jonge mens die een viool kreeg. Een oude viool, die ergens gemaakt werd in het zuiden van Zwitserland door een meester, en die zong met volle klank. Maar die jonge man wilde er meer van beleven dan alleen maar de zoete klank van de beroering zonder meer. Hij wilde zijn ziel in tonen omzetten en de wereld ingooien, opdat zij zou terugkeren als een juichende symfonie. Zo zocht hij een orkest om in te spelen… Hij speelde met velen. Er was geen solist. De rijke zang ging verloren in een gezamenlijk streven en pogen, waarin hij zich niet geheel aan kon passen. Men zei hem: “Hier is je plaats niet.” Hij trok verder op de straten en speelde, om wat brood, voor de boeren. Een lichte dans, een dromerige, melodie. Het gaf hem geen vrede. Hij speelde met de kleine orkesten in de rookholen, waar de wereld zich vermaakt, een jachtige syncopische muziek. De mensen vonden het schoon, maar zijn ziel dreigde te sterven en hij ging verder. Eindelijk kwam hij in een kleine vallei, waarin alles rustig was en zoet.

Een bergbeek ruiste langzaam verder naar beneden. Bergen beschutten de groenheid van een wordende zomer voor de kilte van een noordelijke wind. Toen hij daar lag en hoorde hoe de insecten reeds zoemden, hoorde hoe de beek klaterde, de vogels zongen in het woud, greep hij zijn viool en speelde mee. Hij wist niet hoe, maar het was alsof hij een lied speelde van drijvende wolken, van velden, die gebaad worden in de zon en waar schaduw toch weer schaduw achtervolgt. De vogels zongen mee. De bergbeek onderstreepte met zijn geruis het ritme.

Toen was deze mens gelukkig. Hij liep verder en speelde op zijn viool, toen hij plotseling een tweede viool hoorde, die hem antwoord scheen te geven. Krachtiger en krachtiger kwam het antwoord, nu met vele stemmen. Voor het eerst in zijn leven kende hij een samenspel, dat hem volmaakt leek. Voor het eerst meende hij zich aan te kunnen passen aan het grote geheel van de Schepping. Eerst later, toen het lied verklonken was, begreep hij: hij had gespeeld voor de echo.

De echo had geantwoord met zijn eigen wezen; zich aanpassend aan die echo, had hij zichzelf geopenbaard, veelvuldig, tot het klonk door alle bergen heen. Toen wist hij voor het eerst, wat harmonie betekent. Niet zingen met je ziel alleen. Neen, het wil zeggen: zingen met de wereldziel, met je ziel daarin opgaan.

Die jongeman, die speelde op alle grote concertpodia van de hele wereld, is kort geleden aan onze wereld toegevoegd. Als hij speelde, werd het stil. Dan was het, alsof het hele orkest met de solist samensmolt tot beelden van vreemde schoonheid. Beelden van een grootse kracht, die verder ligt dan de wereld zelf. Niemand heeft geweten, wat zijn geheim was. Toch was het zo eenvoudig. Hij vond zichzelf in alle dingen. Daarom sprak hij in zichzelf in alle dingen. Zo weerkaatste hij iets van de oneindigheid, die hij in zijn ziel voelde.

Zijn lied is uitgegaan naar Hoge Sferen. Hij heeft het gehoord en begrepen en gemaakt tot een akkoord, dat meeklinkt in de Oneindigheid. Het is als een vage klank doorgedrongen tot in de duisternis. Velen, die ontvlucht waren in de modderige onzinnigheid van een verworpen Licht, ontwaakten, voelden iets van die schoonheid en klommen op een reeks van tonen naar een wereld van Licht. De viool ligt in andere handen. Velen vergeten reeds nu zijn naam op aarde.

Maar krachtiger dan die viool zingt een ziel, die de Harmonie met de Oneindigheid heeft gevonden. Een ziel, die geleerd heeft, dat niet jezelf zijn, harmonie betekent, maar jezelf in de kern van je eigen wezen erkennen in alle dingen.

Wanneer u streeft – geestelijk of stoffelijk – moet u zoeken naar een weerklank van uw eigen wezen in de wereld. U moet a.h.w. leren te spelen met de echo, die de wereld u toewerpt, het beeld, dat zij u toont van uzelf. U moet leren dat in harmonie te brengen met uw ideaal en uw verlangen. U moet leren meer nog in overeenstemming te zijn met al de Lichtende gedachten, die een ogenblik in u kunnen oprijzen. U zult misschien niet spelen op een concertpodium. U zult op een andere wijze uw lot vervullen. Soms met een paar woorden op de juiste plaats, soms met een enkele handeling of daad, die in zijn harmonie de uitdrukking is van een Kracht, groter dan die van een mens. Dan zult u uit die Kracht, de ware esoterische Kracht geboren zien worden. Niet een verzonken zijn in jezelf, totdat de wereld niet meer is, maar een zo verzonken zijn in je zelf, dat de wereld tot je spreekt en dat daarin leeft de Kracht, waaruit je zelf bestaat.

Dat is het geheim, vrienden, van de Kosmische Harmonie. Zo het u duidelijk is geworden, zou ik u willen zeggen: zoek deze Harmonie, geloof aan de Kracht in uzelf en weet omtrent het Licht, dat rond u is . Dan zult u weten, wat de kern van alle dingen is. Vreugde van het volmaakte Zijn, de luister van een voltooide Tempel, waarin de Schepper Zelf, de grote Bouwheer, Zijn wezen heeft gesteld voor alle tijd, voor alle schepselen, als kenteken van Zijn Wezen voor Zich en voor al, wat Hem erkennen wil en uit Hem is geboren.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Enkele spreuken

Helaas heb ik lange tijd niet het genoegen gehad het woord tot uw licht en waar gezicht te mogen richten. Ook nu is, helaas, mij de tijd zeer kort bemeten. Maar misschien mag ik een kort ogenblik nog uw aandacht vragen voor enkele kleine en onbetekenende spreuken. Het zijn wijsheden, die niet alleen uit mijn eigen volk, maar in de gehele wereld geboren werden en die ik in beeld tracht te brengen, opdat u ze nog eens zult overdenken.

“De wind zal mij breken”, sprak de boom. “Ik zal de boom breken”, sprak de wind. “Ik ben de meester”, zei de zon. De boom groeide, ondanks alle geweld.

Dit is een spreuk, die in sommige wouden van zuidelijk Azië gebruikt wordt. De zon is de meester.  Het grote licht bepaalt, waar de wind gaat en hoe de boom zal groeien. Ook wanneer ieder anders er anders over denkt.

“Ik heb veel gezien”, zei de oude vrouw”. Zij meende, dat haar wijsheid de enige was. Dit nu was haar dwaasheid. Wie denkt, dat zijn eigen weten meer is dan dat van anderen, vergeet van anderen te leren, wat hij nog niet weet. Daarom gaat de betekenis van zijn weten immers verloren.

“Ik weeg het zilver, de schaal van het recht”, sprak de rechter. Hij verwierf rijkdom en verloor zijn hoofd.

Wanneer de mens de waarden van het leven probeert af te meten aan de stoffelijke baten alleen, verliest hij daarmee het enige vermogen, dat voor hem waarde heeft: het werkelijk deelhebben aan het leven zelf.

De boer sprak: “Wanneer de Goden mij zegenen en de sprinkhanen mij niet plagen, zal ik een rijke oogst hebben.” De stadsmens zei tot hem: “Ik koop uw oogst” en bood een lage prijs. De boer sloeg toe, want hij wist het. Moge de stadsmens in de Goden vertrouwen, de boer weet, waar de sprinkhanen zwermen.

Dit is eigenlijk een deel van een klein verhaal, maar het heeft ook zijn eigen betekenis. Wanneer u tracht u te begeven op het terrein, dat u niet kent, en meent wijzer te zijn dan zij, die daarop daadwerkelijk werkzaam zijn, zo zult gij ongetwijfeld de schade moeten ondergaan van hetgeen u verkeerdelijk hebt volbracht, verkeerdelijk op u hebt genomen.

Zoals de wijze eens sprak: “Wie grijpt naar de maan, staat niet meer op de aarde en zo betekent hij voor maan noch voor aarde iets. Wie in het niets staat, leeft niet meer.”

Voor de mens op aarde lijkt mij het meest belangrijke, in vele opzichten althans, dat hij niet vergeet, wie en wat hij is. Dat hij niet vergeet uit te gaan vanuit zijn eigen weten en zich te baseren op zijn eigen mogelijkheden. Zo zijn er vele punten, die enigszins dwaas zijn in de ogen van een oosterling. Om enkele van deze dwaze punten voor u aan te stippen: Hoe kan een celibatair priester oordelen over de merites van een huwelijk? Hoe kan een geleerde, die zich met atomen bezig houdt, spreken over de waarde van de filosofie? Hoe kan een arts, die zich met het lichaam bezig houdt, krachtens zijn beroep spreken over de ziel?

Dit is de ziekte van velen. Zij spreken over veel dingen en zwijgen slechts over dat, wat zij werkelijk weten. Mijn volk had hiervoor een zeer aardige uitdrukking: “De tongen, die de waarheid spreken, spreken zelden.” Wanneer men slechts op aarde waar zou spreken, zou er een grote stilte heersen…

Ik geloof, dat het goed zou zijn om ook dit te onthouden: “Wie spreekt zonder denken zal veel moeten denken om het gesprokene enigszins in waarde te doen afnemen.”

Op deze wereld wordt te veel gesproken. Niet alleen door de groten maar ook door de kleinen. In de veelheid van hun spreken verliezen zij het enige, wat waarde heeft: hun eigen kracht tot doen.

Men zegt bij ons:  “Eén daad is meer waard dan duizend woorden. Een daad, die bewust wordt uitgevoerd is meer waard dan duizend leerstellingen. Niet hij, die spreekt, niet hij, die weet, doch hij, die uit zijn weten handelt, is het ware zout der aarde, het ware Licht van de wereld.”

Moge dan ook Jezus gezegd hebben: “Ziet de leliën des velds. Zij spinnen niet, zij zaaien niet en toch zijn zij beter gekleed dan Salomo in al zijn heerlijkheid”, zo heeft Hij m.i. daarmee slechts willen zeggen: “Slechts dat, wat uit God groeit, is groter dan dat, wat zelf moet streven”. Misschien had men er beter aan toe kunnen voegen: “Doch wie weet omtrent zijn onvolmaaktheid en niet de grote Krachten wil aanvaarden in plaats van zijn bescheidene kracht, zorge voor zichzelf.”

Nu nog een kleine variatie op moderne termen. Daarvoor ben ik in de leer gegaan bij onze zeer welbespraakte en ongetwijfeld zeer gevatte vriend Henri.

Laat hij, die belasting betaalt, tevreden zijn, want hij heeft in ieder geval de middelen om te betalen gehad…

Laat hij, die lijdt, dankbaar zijn, want wie lijden kent als zodanig, moet vreugde gekend hebben…

Laat hij, die ziek is, dankbaar zijn, want hij weet, wat gezondheid is… Laat wie gezond is, achten hij die ziek is, wetend, dat hijzelf niet sterker of beter is. Dit geldt zowel voor stof als geest.

Dan de term, die ik volledig van Henri overneem, die mij treft als een uitdrukking van prima westerse filosofie:  “Als je in een auto rijdt, moet je niet klagen, dat je autobelasting moet betalen.” Wie de mogelijkheid is gegeven stoffelijk of geestelijk vooruit te komen, – beter dan anderen – , mag zich er niet over beklagen, dat een dergelijke weg ook lasten met zich brengt.

Dan, het is misschien erg onverdraagzaam van mij om dit hier voor de Orde der Verdraagzamen te citeren, maar ook treffend in zijn waarheid:  “Zij, die spreken over verdraagzaamheid, vergeten soms, dat door zelfbeheersing de verdraagzaamheid in het “ik” bevorderd wordt en het schijnbare nadeel in een groot voordeel kan overgaan.”

Met deze kleine spreuken heb ik u alleen te kennen willen geven, dat ik in komende dagen, met wat langere tijd misschien, met meer eigen beschouwingen weer hoop uw gast te mogen zijn.