De kracht van het leven, die ons allen in stand houdt

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 24

24 juni 1956

Nu heeft men daarvoor zeer vele verschillende benamingen. Men spreekt over God, men spreekt over Algeest, over kosmische kracht, over het natuurlijk levensvermogen, over stralende krachten, enz.

De grote denkers van vele volkeren hebben zich voortdurend bemoeid met de vraag: Vanwaar? Vanwaar zou deze kracht komen? En om een waardige inleiding te vinden, die ik met eigen woorden ongetwijfeld niet geven kan, zou ik U enkele gezegden willen weergeven voornamelijk van filosofen uit het Oosten:

“Het leven is een stortvloed, die door de oceaan der ruimte gaat, met zich spoelend alle stof. En wij  – delen in de storm – leven.”

Je kunt het leven niet beperken. Je kunt het niet nauwkeurig gaan begrenzen en zeggen: “Dit is leven en dat is dood.” De denker voelt dit aan. Hij weet, dat er slechts één ding is, dat niet kan leven: het ledige. Maar zoekende in zijn geest en uitgaande in zijn gedachten vindt hij voortdurend leven, zelfs daar waar het menselijk oog ledigheid meent te bespeuren.

Toch kan hij zich het leven niet onbegrensd voorstellen. En zo zie hij het leven als een stortvloed, als een reeks achter elkaar aanzwellende golven, die in de gehele ruimte voortdurend leven baren; meer en minder, minder en meer.

Ik kan deze gedachtegang zo goed volgen, vooral omdat vele gedachten hierdoor verklaard worden. Want schrijft niet een dichter:

“Ik heb het leven gezocht en het leven gevonden in stenen en planten, in mens en dier. Waar ik ook ga en waar ik moet leven, de levende krachten, zij zijn altijd hier.”

Er is geen plaats, waar wij komen, waarin het leven niet bestaat. Toch moet er een grens zijn. Er moet ergens een punt zijn, waarbuiten leven niet mogelijk is. En zo is de uitdrukking: waar wij zijn en leven gecombineerd met het woord hier voor ons de enige beperking en ook de enig mogelijke realisatie van leven en levende kracht.

Een mysticus drukt het weer wat anders uit. Hij zegt:

“De levende kracht bestaat in en rond ons. En wij kunnen niet bestaan daar, waar de Werkelijkheid heerst. Levende Kracht is een gedachte, geboren uit een wezen, dat wij niet kennen. Waar de gedachte heerst, bestaan wij. Waar de gedachte verblust, houdt het leven op.”

Misschien zou ik dit wat te pessimistisch kunnen noemen: “Waar de gedachte ophoudt, houdt het leven op.” Maar zolang er een gedachte is, zal de scherpzinnige en spitsvondige mens en dus ook ongetwijfeld U onmiddellijk reageren op deze uit spraak:

“Waar de gedachte is, moet leven zijn. Want de gedachte is een uiting van het bewustzijn. En bewustzijn kennen wij niet anders dan “leven”. Maar indien wij producten van die gedachten zijn, geldt voor óns leven, wat deze mysticus zegt.”

Gelukkig heeft hij later verschillende uiteenzettingen gegeven, die zijn eerste inzicht verduidelijken en het ons mogelijk maken zijn gedachtegang te volgen en te begrijpen:

“Het Goddelijke, de werkelijke, levende Kracht, de Waarheid, kan nooit leven zijn in de zin, waarin wij dit menen te kennen. Indien leven “bestaan” is, dan moeten wij zeggen: Alles leeft te allen tijde, want onze Schepper leeft te allen tijde. Maar indien wij zeggen: Leven is het vermogen tot bewustwording, tot voortbeweging, het “zijn” in werkelijke vorm temidden van een wereld, dan moeten wij aannemen, dat uit de Schepper misschien voortgekomen het wegvallen der wereld ons het leven onmogelijk maakt.”

Hij is gelukkig nog verder gegaan. Want in een van zijn latere lezingen, die hij tegen zijn leerlingen hield, vinden wij de volgende zinsnede:

“Wanneer wij, echter zeggen leven, moeten wij wel begrijpen, dat dit slechts een beperking is door ons eigen bewustzijn. Dat wat ik weet van het leven, bepaalt voor mij het leven. Nu heb ik mijn geest uitgezonden en ik weet, dat er vele mogelijkheden van leven bestaan, die gij mijne leerlingen U nog niet kunt voorstellen. Toch is er een grens aan al dit leven. En alle leven kent een eigen wereld. Daarom zeg ik U: Aan de grens van alle leven staat de Waarheid. Vóórdien is de Waarheid niet te vinden. “

Gij ziet, deze wijsgeer probeert ons duidelijk te maken, dat het leven niet mag worden gezien als iets behorend bij één wereld; maar aan de andere kant ook tevens probeert aan te tonen, dat ergens een grens moet zijn. En waar hij het leven een “begoocheling noemt, moet hij noodgedwongen ook aannemen dat eerst, waar de grens van het leven wordt bereikt, de Waarheid ontstaat. Want daar is niet meer de levende Kracht, die zeker voor óns het bewustzijn de wording heeft medegebracht, maar ook de wording van onze wereld, die een beperking van ons we zen betekent. En blijft alleen indien wij mogen aannemen al thans, dat. dit mogelijk is het zuivere bewustzijn, voortbestaande in een vorm, die niet meer vergelijkbaar is met hetgeen wij leven noemen.

Het is redelijk aan te nemen, dat dergelijke denkers slechts een deel van de werkelijkheid kunnen benaderen. Een enkel ogenblik echter zien wij soms het opvlammen van een inspiratief vuur, dat verder dreigt te gaan dan ons eigen begripsvermogen toe staat te volgen. Dan wordt het zeer moeilijk te begrijpen, wat bedoeld wordt. Echter Uw bewustzijn en vermogen tot begrip menende te erkennen, waag ik het toch U ook van deze geïnspireerde regelen enkele aan U voor te leggen:

“De levende Kracht is kracht des levens. Maar in het leven zelve néémt zij leven, waar zij haar kracht uit het leven zelve put. Zo is het leven de dood, en de dood het leven. Eerst wie het leven verliest, zal in de dood de waarheid winnen. Wie echter in de dood de waarheid wint, baart het zich het leven.”

Het klinkt raadselachtig in onze oren. Maar indien wij en ongetwijfeld bent U mij hier reeds vooruit gelopen in Uw gedachten verklaren, dat dood niet kan worden gezien als uitblussing van “zijn”, maar wel van de bewustzijnsnormen en vormen, die tot het leven behoren, dan krijgt deze regel pas werkelijk zin.

Indien het leven alleen het leven ware, zo zou het voortgang zijn van voortdurende gebeurtenissen zonder één werkelijke realisatie. Dan zou het leven een amorf vervloeien de massa zijn en nooit gekristalliseerd worden tot de doorzichtige, zuivere, door wetten bepaalde waarheid. Vandaar dat de dood noodzakelijk is, wil het leven betekenis hebben. En de levende kracht zou dus waar zij uit bewustzijn voortspruit haar vermogens tot leven geven moeten vinden in de dood. Immers, vindt de dood de waarheid wat zelfs voor ons kleinen en onbewusten een onloochenbaar feit is dan mogen wij aannemen, dat dit tot op de hoogste trap zo is.

Hoe gaat het nu ons? Stervende leren wij onszelf erkennen. En uit de erkenning van onszelf en onze onvolmaaktheid komt de drang tot een hernieuwd bestaan en leven, tot een daadwerkelijk reëel deelhebben aan het leven, uit ons op. De periode van rust gaat voorbij en wij zoeken sterker en sterker de realisaties te vinden van hetgeen in ons leeft, maar nog niet werd uitgedrukt in ons wezen, toen wij door de dood werden gekust.

Wanneer gij hier samen zijt, dan kunnen wij zeggen, dat de grondslagen van Uw leven niet uit het leven zelve voortkomen, maar uit de dood, die aan Uw leven vooraf ging. In de tijd, dat gij niet op deze wereld waart, werd bepaald, hoe gij zoudt streven, leven en zijn in de tijd, dat ge op deze wereld vrijwillig incarneert.

Nemen wij dit beeld en dragen het over op hogere waarheid. Stellen wij, dat op het ogenblik, dat alle schepping ophoudt te bestaan, de volheid van realisaties dier schepping eens tot werkelijkheid wordt binnen het Goddelijke. De levende Kracht bestaat nog wel, maar zij is tijdelijk tot stilstand gekomen. Zij beweegt zich niet meer en uit zich niet meer. Zo leeft zij binnen het Goddelijke voort, maar is dood ten aanzien van alle besef en bewustzijn.

Nu echter komt een ogenblik, dat elke realisatie is vast gelegd en het vernuft van het Goddelijke ongetwijfeld in Zijn oneindig wezen nieuwe facetten vindt, die ter aanvulling van het beeld noodzakelijk zijn om schoner en edeler schepping, bewuster realisatie van Zijn wezen mogelijk te maken. En het denkbeeld van een schepping, de gedachte, stuwt Zijn kracht voort en wij zien de levensgolven wederom door de ruimte gaan of die nu in of buiten God ligt. En in dat leven wordt een nieuwe wereld geboren. De levende Kracht heeft uit de stilstand het vermogen gebaard om zich hernieuwd voort te beleven.

Hoe wonderbaarlijk is het leven, wanneer wij dit beschouwen. Soms lijkt het ons wreed en verscheurend, als de bergleeuw, die aansluipend een ogenblik plotseling met felle sprong zijn slachtoffers neerslaat. Want zo treft ons soms het leven. Soms heimelijk, haast giftig, als de slang, die rustig tongelend wacht. Niet op de mens, die voorbij zal gaan, maar verstoord door zijn schreden, haar giftige tanden in zijn vlees doet zinken, in angst en wraak en haat lijden baart, waardoor de mens het leven tot dood, tot stilstand komt.

Het leven is zo wonderbaarlijk en wie onzer zal het geheel begrijpen? Wonderbaarlijker moet dan nog de Kracht zijn, die het leven zelve baart en voortbrengt: de levende Kracht, de adem van de kosmos.

Een dichter in mijn land meende eens als volgt te kunnen omschrijven: “De hemelse Keizer lacht en in Zijn adem betreden zielen de wereld.”

God lacht. God heeft vreugde. Een treurige God of een haatdragende God zal niet scheppen. Want uit treurnis komt verwerping van leven en uit haat drang tot vernietiging, die zeker niet doet scheppen. Er moet een scheppende God zijn. En Zijn lach, de vreugde van God in de ervaring van Zijn wezen, moet de levende Kracht zijn, die de schepping beroert. Dat is de adem van Zijn wezen. De Kracht, die uitgaat door de vreugde, die Hij ervaart in eigen bestaan. En hieruit zijn wij geboren.

Het leven is dan ook raadselachtig, juist door deze Kracht, die wij beleven en niet begrijpen. Een dichter in de Pendsjab om schreef het eens als volgt:

“Het leven is als een zonsondergang, vol van wondere kleuren, fel en schoon, de adem benemend, een dichtwerk vol van rijke contrasten. Maar vóór men zich in de vreugde van kleur en licht heeft verzonken, komt de duisternis. En snel, zeer snel, is het wonder ogenblik, dat dag en nacht begrenst, voorbij. En in het duister blijft ons slechts de zang der cicaden.”

Leven is eigenlijk maar een kort ogenblik tussen twee fasen van bestaan. Voor ons kunnen wij nooit zeggen, dat leven lang is, of dat het groots is. Wij kunnen ook niet zeggen, dat wij het begrijpen. Wie de tropen kent, zal mij bevestigen, dat in enkele minuten de zon verdwenen is. Zó is het licht, zo is het duister. Dat ene ogenblik daartussen, die korte minuten, zijn doordrenkt met een vreemde geheimzinnigheid, met plotselinge veranderingen, waarin heel de wereld ademloos wacht.

Vóórdien is er het leven van een ieder, die de komende koel te reeds voelt en zich verheugt op de koele avond. Daarna het drukke gerumoer van de nachtdieren, die nu de schemer hun een veilige berging heeft beloofd plotseling losbreken en in ‘t eerste duister hun liederen zingen, brutaal hun rooftochten maken. Maar het ogenblik daartussen is geheimzinnig. De wereld van de dag is al gestorven, de wereld van de nacht nog niet aangebroken.

En zo stel ik mij voor, dat wij ons eigen leven moeten zien. De levende Kracht is dag en nacht tegelijk. Maar ons leven is het ogenblik, dat deze Kracht noch als dag noch als nacht tot uiting komt. Het is de periode, dat God niet licht en niet duister is. En daarin menen wij dan plotseling zelve te zijn, maar wij kunnen de rijkdom van ons leven niet bevatten.

Daarom is het goed, dat de nacht komt. Levend en verzonken in wat men duisternis noemt dit vreemde licht van zichzelf leven wij en overdenken wij, zoals een mens, rustend na de dag taak, droomt wonderlijke en vreemde dromen. Ontwakend weet hij, wat de dag, van gisteren betekende, wat hij aan táák heeft meegebracht, wat hij ook aan beloften heeft ingehouden.

In de morgen komt weer een verandering: de sluimering van het duister wordt verbroken en wij leven. Maar wij leven in een dag, in een wereld, die ons niet de persoonlijkheid laat, die wij op aarde denken te bezitten.

Het is zo duidelijk, als wij de vergelijking willen zien. Wanneer een mens op aarde overgaat, dan rust hij. Hij herleeft zijn eigen leven. Hij wordt geconfronteerd met alle waarden, die in zijn wezen bestaan dit in werelden van meer of minder licht of duister. Maar hij rust, hij droomt. Er is geen taak en geen plicht, geen angst en geen haat en geen liefde, behalve wat in hem zelve woont.

Maar langzaam aan ontwaakt de buitenwereld. Hij wordt plotseling geschokt, alsof het licht van de dag zijn ogen heeft beroerd, die ondanks dat zij gesloten zijn het lichaam mededelen: “Het is tijd; tijd om te leven, tijd om op te staan.”

Zo wordt je in de geest beroerd door de begeerte om te werken. Maar je wereld is vloeiend. Er is geen vaste wet en vorm. Je leeft door de invloeden, die rond je bestaan. Je dwaalt vaak van de hoogste kracht tot de laagste. En overal tracht je het werk te doen, dat in je is gelegd. Je bent voertuig en werktuig van de levende Kracht, van de goddelijke Wil.

Maar wanneer de avond komt, dan denk je na over al, wat je gedaan hebt. En je wilt je eigen wezen beter zien uitgedrukt en schoner. Je weet, dat het niet genoeg is. Je weet ook, dat je zo niet beter kunt.

En dan leef je. Dan droom je over wat zou moeten zijn. En die droom noemt men leven op aarde, of de rustpause tussen twee sferen, die in werkelijkheid een koortsig zoeken, een wanhopig werken betekent. En dan weer: rust, een hernieuwd ontwaken.

Wij weten niet, hoe vaak in ons leven dag en nacht elkaar afwisselen. Wij weten wel, dat de levenskracht in dag en nacht beide is. Dat het leven zelve, dat wij menen te kennen, slechts de korte overgangsperiode is. De overgangsperiode, waarin de stuwende kracht der beweging noch de dwingende kracht der rust ons beroert. Het korte ogenblik, dat wij vrij zijn. Vrij om ons eigen lot te scheppen en de voortzetting van ons eigen leven te definiëren en verder te bepalen.

Misschien faal ik, wanneer ik met deze onderwerpen in wijdingskringen de bijeenkomst open. Maar wat kan uiteindelijk meer wijding geven dan het beschouwen van het grootste raadsel en het kostbaarste geheim: het leven en de levende Kracht. Of het ons uit een God is geboren of uit een Niets, dat kunnen we alleen maar door ons geloof bepalen. Maar altijd is dit leven gewijd aan bewustwording.

Laten wij dan de levende Kracht beschouwen, mijne vrienden, ik smeek U hierom nederig, want ik zou niet willen falen in Uw ogen als de kern van ons bestaan, de kern van alle denken, en als de grootste wijding, die ons wordt gegeven. Want het leven is de veredeling van ons wezen al het andere slechts de uitdrukking daarvan.

o-o-o-o-o

Wanneer wij het Oosters betoog horen, dan treft ons altijd achter de mystiek een opvallend realisme. Hoe schoon en hoe hoog ook de denkbeelden mogen zijn, die worden verkondigd, wij bemerken steeds weer, dat zij worden benaderd vanuit een reëel standpunt. Zelfs de dichter omschrijft in het dichtwerk realiteiten, die een ieder daaruit zal kennen.

Men verwijt het Oosten wel eens, dat het in mysticisme ondergaat. Men zegt wel eens van het Westen, dat het zo reëel, zo zakelijk en zo nuchter is. Sta mij toe, als tweede spreker van deze bijeenkomst, Uw aandacht te richten op dit Westen en U aan te tonen, dat het zeker wat mystiek, wat dichterlijkheid betreft het Oosten kan benaderen. En daar, waar het gaat om de realiteit, het reëel zien van al deze waarden, dit Oosten verre achter staat.

Als Westerling (oud Westerling, hoe moet ik dat zeggen) ben ik geneigd mij hierop te verheffen. Want het Oosten zelf heeft ons eens gezegd: “De gedachte, die verder grijpt dan de werkelijkheid en haar weet te verliezen, verheft degene, die haar schept tot boven alle goden.” En zonder voor mijzelf of voor U een zodanige verheffing in aanspraak te nemen, geloof ik toch, dat wij in ons hart als Westerlingen een buitengewone mogelijkheid hebben, juist om op onze wijze ook het Goddelijke en de levenskracht te beleven.

Ik zou U verschillende denkers kunnen aanhalen. Maar; Wat zoudt U denken van de bekende theoloog (en daarbij ook ziener) Thomas van Aquino. Zegt deze niet in zijn meditaties:

“O wonderlijk leven uit God mij geboren, ik zie U en ik kan U niet vatten of begrijpen. Maar wanneer ik opschouw, zie ik mijn God en Heer. En zie, mijn hart verheft zich tot Hem en spreekt. En Zijn antwoord is het leven in mij.”

Dat is niet meer realistisch. Een mens kan niet zich tot God verheffen en spreken, wanneer het leven eerst dan van God tot hem komt. En toch is dat voor Aquino de werkelijkheid.

Er is een wisselwerking tussen het Goddelijke en de mens. Beide bestaan door elkaar. En terwijl het beeld van God eerst door de mens tot aanzijn kan komen, komt de mens tot aanzijn door God. Hij verwart alle tijd, alle werkelijkheid. Er is geen sprake van bewuste en redelijke realisaties, maar van innerlijk beleven.

“Ik ben; ik moet altijd geweest zijn, anders kan ik mij dat niet voorstellen,” zo schijnt hij te denken. “Ik weet immers, dat ik ben. Waarom mij af te vragen, wanneer dat leven is begonnen? Ik ben. Ik verhef mij tot God. En in God krijg ik de kracht om te leven.”

Ik zou vele van die voorbeelden kunnen aanhalen. Een vroeg Nederlands dichter schrijft het op zijne wijze neer:

“Gij kindeke, zo klein en koud, hoe zijt Gij toch onmeet’lijk oud en vol van vreemde dingen. Wanneer de engelen U zingen het wiegelied, o kindelijn, hoe kunt Gij dan zo oud, zo wijs, zo vol van krachten zijn.”

Dat is een betrekkelijk simpel Kerste liedje. En dat Kerste liedje, mijne vrienden, draagt weer iets van het irreële denken van de Westerling in zich. Het Kind is oud en wijs, ouder zelfs dan de engelen, die een liedje er voor zingen. Het is onmetelijk groot, het is onmetelijk machtig in het voorstellingsvermogen van de dichter, toch is het koud, en klein.

De tegenstellingen kentekenen m.i. ons Westers begrip voor de krachten des levens en de waarden, die daarin optreden.

We kunnen het leven niet zien als oneindige golven, waar in we worden voortgespoeld. Dan zouden we moeten vergeten, dat we zelf bestaan. Dat kunnen we niet. Voor ons is dat geen mogelijkheid, geen realiteit. Wij beleven immers, wij zijn. En vanuit dit zijn gaan wij het leven pas ervaren. En kan er een “zijn” zijn zonder beweging, zonder bewustwording? Neen. Dus hebben wij altijd geleefd, ook voordat wij het leven bezaten. Zo kunnen wij ons voorstellen, dat een kind oud is, dat de Almacht in de teerste en meest kwetsbare, menselijke vorm op aarde vertoeft. Zo kunnen wij begrijpen, wat Jezus betekende als Verlosser en komt men er toe Hem te vereren, als ware Hij God zelve. Dat is niet zo vreemd.

O, er is geen realisme bij. Het Oosten zou ongetwijfeld een dergelijke verklaring pas durven accepteren, wanneer de machten van Jezus redelijk waren bepaald t.o.v. Zijn Vader. En over een onbevlekte ontvangenis in deze zin, waarin de Christenheid gelooft, daarover zou waarschijnlijk een Oosterling niet lang na denken. Of hij neemt het als een mysterie aan en dan wordt het een mysteriegodsdienst, waarbij hij zich bewust van alle denken onthoudt. Ofwel hij ontleedt en hij ontrafelt en verwerpt al het geen, wat voor hem niet acceptabel is. Ook de mysticus doet dat,

De Westerling niet. De Westerling aanvaardt en rationaliseert zijn eigen aanvaarding. Vandaar dat ook het Westen ons het leven omschrijft op wonderbaarlijke wijze. Wat zoudt ge bv. zeggen van een uitlating van de dichter Milton. (Ik vertaal het uit het Engels, waarin het oorspronkelijk wordt weergegeven):

“Tere, flakkerende vlam, die ik steeds behoed, gij zijt mijn leven. Maar vanwaar zijt gij gekomen? Welk een vonk heeft Uw vuur uiteindelijk doen ontbranden? Waarheen gaat gij, kleine vlam? Zult gij doven? Ik weet niet, wat U voedt. Machtigen strijden om Uw bestaan. Ik weet slechts, dat gij mijn leven zijt. En ik toon U trots aan de mensheid, opdat zij licht moge zijn voor wie duisternis kent.”

Irreëel denken tot en met, mijne vrienden. Maar een schone gedachte. Een vonk we weten niet van waar ontsteekt iets…. in het Niets. En daaruit bloeit het leven op. Hoe kan men het dichterlijker en schoner zeggen?

De Levenskracht kan niet alleen maar een natuurkracht zijn. Dat aanvaardt de Westerling niet. Zij moet persoonlijk en gericht zijn. Och, als we het beeld zouden willen uitbreiden, krijgen we de typische Westerse sagenwereld ook weer. Dan zien we de lange, vreemde gang vol met brandende lampen en kaarsen. En een geheimzinnige Kracht, die gaat en ze aansteekt, een voor een. En dan leeft er een mens, zolang als een kaars brandt, zolang een lamp niet dooft..

Dichterlijk, niet realistisch. Achter de voorstellingen een ervaren van geheimen, dat niet kan warden uitgedrukt in woorden. Dat niet omschreven kan worden. Dat niet rationeel kan worden uitgedrukt. Iets, dat zo ver van je af staat, dat je het niet tot deel van je leven maakt, maar het alleen maar diep in je hart behoedt.

We merken in de uitspraak, die ik U citeerde van Milton, een zekere christelijke ondergrond. Niet waar, hij kan zijn licht niet onder de korenmaat stellen. Hij wil zijn leven niet voor zich behouden althans, zo dicht hij. Hij wil het zo stellen, dat het licht geeft aan de mensheid.

Ook weer zo’n mysticisme. Wanneer er één golf van leven is, hoe kunnen wij dan met ons leven licht zijn voor het leven van anderen? Dat zou dwaasheid zijn, mijne vrienden. Werkelijke dwaasheid. Want dan zou alles gelijkelijk licht en gelijkelijk leven zijn.

Het Oosten aanvaardt dat. Het Oosten zegt, dat alles leeft. De rotsen leven, de bomen leven, de rivieren, de zeeën, de luchten, alles leeft. En waar alles leven bezit, is het hele bestaan een spel van zoeken naar evenwicht en overeenkomsten tussen de verschillende levende krachten. Maar zeker niet een licht geven van het ene leven aan het andere. Dat kan de Oosterling zich niet voorstellen.

De Westerling wel. Hij stelt zich de verschillende differensen voor binnen het Goddelijke en voelt zich als iets persoonlijk en uitgelezen. Zoals hij ook zijn leven zo graag beperkt ziet tot één persoonlijkheid en één bestaan. Ja waarlijk, wij in het Westen, wij kennen poëtischer gedachten dan het Oosten, ook wanneer wij ze nuchterder uitdrukken.

Ik weet niet, of U gehoord heeft van een uitspraak, die Edison eens heeft gedaan. Hij zat in zijn kamer met zijn assistenten tezamen aan tafel, zoals dat gebruikelijk was. Toen werd hem ook gevraagd: “Wat zou leven eigenlijk zijn?” Het gebeurde kort na de ontdekking van het gebruik, de aanwending, van elektriciteit op verschillende gebieden. Toen gaf Edison een verbluffend antwoord, waarin deze wetenschapsmens zich plotseling toont naast al zijn praktisch denken, en werken als een mysticus van de eerste rang.

“Het leven? Op het ogenblik, dat ik het leven ontraadsel, zal ik sterven. En daarom zal ik alles in de natuur onderzoeken. Maar het leven is mij heilig.”

Begrijpelijk. Op het ogenblik, dat mechanisch het leven wordt ontcijferd, dat men er toe komt om dat leven te definiëren, vast te leggen in een kracht, heeft het leven immers geen waarde. Wanneer je het leven verklaart, wanneer het wonder weg is, wat blijft er dan nog anders over dan een droge, dorre wereld van nuchtere feiten? En juist deze mens, die men “de tovenaar” noemt, deze tovenaar tovert, omdat zijn leven voor hem zo iets bijzonders is. Zo bijzonder, dat elke minuut, moet worden volgepropt met onderzoek en experiment en denken. En hij realiseert zich dit.

Ik geloof niet, dat er veel figuren te vinden zijn, meer westers dan deze Edison. En dat zijn leven wel het summum is van wat het Westen ziet als de ontwikkeling van de self made man. En zijn leven is gebaseerd op een innig, haast kinderlijk, intens ervaren van het leven. Al zijn verklaringen, al zijn onderzoekingen zijn gebaseerd, op het ene, onaantastbare raadsel van de levenskracht.

Is het een wonder, dat onze God in het Westen zo vaag wordt? In het Oosten heeft Hij een gezicht. Meer – Hij heeft een gestalte en vele gestalten; In het Oosten is Hij vaak onderverdeeld in vele krachten. Simpel en eenvoudig. De gebieden van Zijn wereld zijn ingedeeld. En we weten precies, wie in de derde en wie in de zevende hel terecht komt. En evengoed kunnen wij vaststellen, op welke wijze je het best de hemelen kunt bereiken. Enigszins anders dan het Westen dat doet. O, het Westen kent ook wel dergelijke gedachtegangen. Maar zij zijn steeds weer gebaseerd op waarden, waarvan men kan aanvoelen en zelf redelijk en logisch kan aantonen, dat zij foutief zijn. Maar de Westerling gelóóft. En zijn geloof beheerst hem meer dan de Oosterling.

De levende Kracht is voor ons in het Westen! God. Zeker ook het Grote Raadsel. Maar een raadsel, dat we zelfs niet durven te definiëren als golvende door de ruimte. Wat we alleen nog maar willen zien als mens. Een mens, die uit eindelijk dat weten we allen onbewust een even groot raadsel is voor ons als wij voor hem zullen zijn.

Ik hoop, dat U mijn commentaar op onze vorige spreker mij niet euvel zult duiden. Ik vond het prettig om een ogenblikje – laat ik zeggen – mijn eigen oorsprong, mijn eigen denkwijze ook wel enigszins, te verdedigen. Men verwart vaak esoterie en mysticisme met vaagheid. Vooral, wanneer zij uit het Oosten komen.

Om niet te zeggen: verdwaasdheid. Ik protesteer daar een beetje tegen. Ik zie deze waarden als meer reëel en meer realistisch dan de doorsnee gedachtegang, die wij in het Westen kennen. Maar ik wil het Westen dit voorgeven:

Juist door zijn vermogen tot geloven, zijn vermogen tot zichzelf overtuigen, waar geen redelijke overtuiging mogelijk is, zal het Westen misschien eens de bakermat worden der wijsheid, die het Oosten zo lang is geweest.

o-o-o-o-o

Mens-zijn

Mens-zijn, wonderlijk woord, dat al ons leven omschrijft, omdat in het mens-zijn het leven zelf, ja, Gods wezen omsloten blijft.

Mens-zijn is weten, begrijpen en zien, beschouwen jezelf en het Al. ’t Is nog weten wat was, reeds zien, wat nog komt, belevingen zonder tal.

Mens-zijn is déél van de goddelijke Kracht, van vermogen en eeuwigheid. Mens-zijn is overwinningsvreugd telkenmale na zware strijd.

Mens-zijn is leven van sfeer tot sfeer,  verantwoordelijk voor veel in ’t bestaan. En juist daardoor ontsnappen ook meer en meer aan verdraaiing van waarheid en waan.

Mens-zijn is zijn als het beeld van je God met een wereld, die leeft in je hart. Mens-zijn, geboren voor het bestaan, ontwaakt uit vormen en stof, geest geworden met gaven en vreugd en zo zingende altijd weer lof aan de Kracht, die het Al geschapen heeft.

Mens-zijn wil zeggen; een wezen zijn dat bewust aan de wereld zich geeft. Het geeft zijn gedachten,  zijn daden, zijn kracht, zijn gebeden, zijn klachten en leed,

Een mens is een wezen,  dat – na leven zo lang – uiteind’lijk beleefd heeft …. En wéét.