De krachten der elementen

SVGZ – 30 oktober 1964

In de oude tijd kende men, zoals u zult weten, vijf elementen: water, vuur, aarde, lucht en ether. Men geloofde, dat deze elementen geregeerd werden door zeer bijzondere heersers. Wij zien dan ook overal verhalen over de Rijken van lucht, water, aard en vuurgeesten. Nu kunnen de werkelijke krachten van de elementen natuurlijk niet worden uitgedrukt door de liefelijke vormen van een aardmannetje, een libelachtig elfje, een gnoompje enz. Maar aan de andere kant: de aarde is bezield! Niet alleen de wereld van de mens, maar rond die mensenwereld  ook menige wel aardgebonden, maar voor mensen onzichtbare wereld, die velerlei entiteiten, machten en krachten bevat. Waar immers een macht, een potentie bestaat, kan ook altijd de potentie als kracht tot uiting komen.

De stimulansen, die de wereld ontvangt, zullen zeker ook niet voorbij gaan aan al datgene, wat met de aarde verbonden is. Daarom lijkt het mij goed, eens na te gaan, wat zo in die verhalen omtrent het ‘bezield’ zijn van deze elementen eigenlijk wel waar is . En ook lijkt het mij goed na te gaan, in hoeverre wij van eventuele bezielende entiteiten reacties kunnen verwachten, wanneer zij reageren – enkel op grond van kosmische ontwikkelingen alleen echter. Dit laatste voeg ik er bij, omdat wij anders ook rekening zouden moeten houden met reacties op de mens, op menselijke gedachten en dergelijke. Ofschoon deze waarden in feite wel bestaan, lijkt het mij voor het vormen van een juister begrip van mijn onderwerp beter, om allereerst eens te zien, wat de invloed kan zijn van een element – in de oude zin van het woord – op de wereld, wanneer het bezield is, zonder daarbij aan wisselwerkingen met andere delen van het zijn te veel aandacht te besteden.

Om te beginnen is de bewustzijnsvorm, die in een element bestaat, altijd verwant aan het wezen van dit element. Vergelijk: om in een menselijk lichaam te kunnen leven – als mens dus – moet de geest niet alleen maar aan bepaalde bewustzijnsnormen beantwoorden. Zij moet daarnaast wel degelijk reeds bepaalde menselijke eigenschappen, mogelijkheden tot beheersen van het menselijke voertuig, bezitten. Want de wijze, waarop je het menselijke voertuig kunt gebruiken en beheersen is immers, gezien vanuit de geest, bepalend voor dat wat je kunt zijn, kunt doen en bereiken.

Wanneer ik spreek over een luchtgeest, zo moet ik dus o.m. aannemen, dat het een geest zal zijn met een lichaam van zeer ijle vorm. Een werkelijk lichamelijke vastheid kunnen wij hier niet aannemen. Het element laat dit niet toe en is bovendien, gezien vanuit een menselijk standpunt, nogal wispelturig. De atmosfeer maakt nu eenmaal voor de mens nogal onbegrijpelijke en plotselinge bewegingen en veranderingen door. Mijn inzien moeten wij stellen dat soortgelijke invloeden en eigenschappen dus ook zullen moeten bestaan in de entiteit, die in het element lucht leeft.

De aarde is nogal stabiel. Alle veranderingen daarin zijn nogal traag. De aarde is behoudend en verteert haast alles, wat haar wordt toegevoegd, het omvormend tot een onverbrekelijk deel van zichzelf. Een aardgeest moet dus een conservatief, een behoudend karakter hebben.

Een watergeest daarentegen zal uit de aard der zaak een belichaming hebben, die heel wat vaster is dan die van een luchtgeest. Omdat water zich echter aan de andere kant zo gemakkelijk aanpast bij alle vormen daarbuiten, zullen wij hier zeker niet te maken hebben met een vaste vorm. Ik zou daarom hier willen zeggen: het aantal delen van deze materie, die door een daarin wonende entiteit bezield worden, is praktisch altijd gelijk, maar de vorm, waarin zij optreedt, kan aanmerkelijke verschillen vertonen, evenals de kracht, waarmee de buitenwereld tegemoet getreden wordt.

Voor vuur – de bekende salamanders – zien wij een verschijnsel, dat uitermate vluchtig is. Salamanders zijn a.h.w. een product van een samenkomen van een deel van de lucht met vaste materie. Wij kunnen dus wel aannemen, dat vorm ook hier zeer instabiel is en dat voor hen de karakteristiek van het wezen hoofdzakelijk gelegen zal zijn in het verschijnsel radiatie.

De entiteiten van de ether zijn geheel niet zichtbaar, want de ether is levenskracht. Ook deze levenskracht kan nog wel ergens bezield zijn. Wanneer ik zie, hoe een rassen- of soortgeest een bepaald ras of soort kan vormen en bezielen, terwijl dit zelf nog niet voldoende bewustzijn bezit om tot vorming over te gaan, zo moeten wij aannemen, dat hier dus de relatie van de levenskracht met het stoffelijke leven wel bepalend zal zijn en daarom de diversiteit van stoffelijke vormen overeen zal komen met de diversiteit van vorm en wezen in deze ‘levenskracht’.

De vormen zelf worden bepaald door datgene, wat zij voortbrengen. Maar wanneer wij een opsomming geven van alles, wat de elementairen e.d. kunnen zijn, zullen wij ons ook af moeten vragen, wat de invloed kan zijn, die bv. een kosmische storing op deze heeft. Ik wil daarbij niet spreken over de meer regelmatige invloeden als bv. de inwerking van zonnevlekken. Deze veroorzaken bepaalde afwijkingen, waarvoor vooral de lucht nogal gevoelig is en waarop ook vuur en water reageren. De aarde zelf is daarvoor in verhouding betrekkelijk ongevoelig. Ook de levensether trekt zich van zonnevlekken niet al teveel aan. Een kosmische invloed beroert echter alle elementen en beroert dus het gehele milieu.

Wanneer ik te maken krijg met een reinigende invloed uit de kosmos en en ik zie deze terecht komen bij een aardgeest, dan zal deze aardgeest nimmer het wezen van deze kracht kunnen begrijpen: hij is hiervoor veel te conservatief. Toch draagt hij – en de gehele aarde – werkingen en stoffen in zich, waarin deze werking van reinigend licht uit de kosmos werkzaam zal zijn. Van belang is hierbij, dat de aardgeest reeds geneigd zal zijn – krachtens de aarde, die hij bezielt – om reiniging te aanvaarden en zich te bevrijden van alle aan zijn wezen vreemde verbindingen door deze te herleiden tot organische stoffen en normaal in de natuur voorkomende mengingen van chemische elementen. Wij mogen dus wel aannemen, dat datgene wat wij in de natuur ontbindings- en vervalprocessen plegen te noemen, onder de inwerking van deze soort kosmische invloed versneld en verscherpt zal worden voortgezet, terwijl alles, wat niet door de aarde als deel van het ik kan worden opgenomen, in versterkte mate en hoger tempo zal worden uitgestoten naar een van de andere elementen.

Verder mogen wij aannemen, dat dergelijke activiteiten – een soort grote schoonmaak – op grote delen van de aarde, als gevolg een vernieuwing zal brengen, waarbij bv. voor de invloed die wij binnenkort krijgen, zou kunnen worden gesteld, dat – zo de andere elementen het product van groei niet neerslaan – de graanoogst buitengewoon overvloedig zou moeten zijn. Onder normale condities zal de opbrengst van een veld dus groter moeten zijn dan anders. De zaak is immers gereinigd, schadelijke elementen zijn in grotere mate opgenomen en verwerkt dan wel uitgestoten. Wij kunnen dan voor de aardgeest ook wel stellen: door zijn traagheid van reageren zal hij slechts in zijn contacten en samenwerkingen met andere elementaire entiteiten tot voor ons direct kenbare resultaten kunnen komen. Voor zichzelf zal hij over het algemeen alleen de mogelijkheid tot grotere of minder grote vruchtbaarheid scheppen.

Dan de vraag: hoe reageert de vuurgeest? Ik heb deze vuurgeest zo even op een van de laatste plaatsen gezet, omdat hij een zo eigenaardig wezen is: het vuur is het resultaat van een ver- binding. De vuurgeest zal zich dan ook zeer snel aan alle invloeden en mogelijkheden aan moeten passen. Uitstraling is een van zijn voornaamste eigenschappen en het in standhouden van de mogelijkheid tot uitstraling zal zijn voornaamste drijfveer zijn. Dit betekent, dat een reinigend licht een activeren betekent van alle vuurgeesten. Deze zal nu, daarbij zich ontdoende van alle smoor en smook, grijpen naar de directe en zo helder en stralend mogelijke verbinding. Hij zal dit evengoed doen in het binnenste van de aarde – waar immers ook gloed, een soort vuur, bestaat, als bij uitingen aan de oppervlakte van de aarde. De conclusie is duidelijk: in een dergelijke periode zullen wij, zoals ook onder bepaalde andere inwerkingen, die voor de vuurgeest stimulerend werken, een groot aantal branden zien, evenals vulkanische verschijnselen, waarin gloed een grote rol speelt, waarbij alle vuur zeer snel om zich heen zal grijpen. Dit vuur zal bovendien vaak veel minder gemakkelijk te stuiten zijn dan anders. Aan de andere kant zullen dergelijke branden minder rook en smook veroorzaken dan onder normale inwerking verwacht mag worden.

Dan kunnen wij hieruit zelfs conclusies trekken voor eventuele toekomstige ontwikkelingen. Maar allereerst zullen wij dezelfde inwerking vanuit de kosmos bezien in verband met de watergeesten.

De watergeest kent ook al weer de omzettingen – hoofdzakelijk van organische verbindingen – als een binnen het ik belangrijk proces. In het water vindt voortdurend een verwerking plaats van alle meer complexe verbindingen, die daarin terecht komen, terwijl bovendien uit de aarde in opgeloste vorm voortdurend scheikundige elementen worden opgenomen. Er is dus geen  sprake van “zuiver water” bij zijn belichaming, maar van een voortdurend variërende vermenging, die de eigenschappen van het als voertuig aanvaarde deel van het element beïnvloedt.

Het optreden van een reinigende invloed zal in de eerste plaats daarom betekenen, dat alle vreemde structuren in de wateren sneller worden ontbonden, omgezet en opgenomen dan normaal. Wat betreffende de waterverontreiniging gunstige resultaten zal hebben, zoals u wel zult beseffen. Daarnaast zien wij echter iets anders: alles wat niet kan worden omgezet en opgenomen, zal worden uitgestoten. Nu is het gelukkig geen badseizoen, wanneer de reinigende invloed optreedt, want aan de oppervlakte van het water zal meer dan normaal vuil drijven, dat voornamelijk bestaat uit structuren – chemische zowel als natuurlijke – die door het water niet of niet snel genoeg zullen kunnen worden ontbonden.

In de lucht zal het optreden van reiniging eveneens plaats vinden. Hier zou het in kunnen houden, dat de luchtgeest zich van te grote verontreiniging van zijn element terug trekt. Wij zien hier dan ook een eigenaardig resultaat: het vuur geeft minder rook. Maar de luchtgeest onttrekt zich onder de heersende invloed aan verontreinigingen. Dit is, gezien zijn wezen, praktisch zijn enige verweer. Wij zouden dus tijdens de reinigende invloed wel eens met abnormaal lange tijden van windstilte boven grote steden en industriecomplexen te maken kunnen krijgen, waardoor de vergiftiging van de atmosfeer voor de mensen daar wel buitengewoon goed merkbaar zal worden.

Wat de ether betreft kunnen wij constateren, dat hier reiniging inhoudt: de levenskracht uiten in, en herleiden tot zijn meer pure vormen. Het begrip reiniging betekent hier dan ook, dat alles, wat redelijk gezond is, door de levenskracht meer den normaal gestimuleerd zal worden, maar dat alle vormen, die niet zuiver zijn en geen voldoende levensvatbaarheid bezitten, juist meer dan normaal energie zullen ontberen.

Juist omdat het ons hier niet gaat om sprookjesfiguren, maar om levende entiteiten, is dit alles van belang. Zouden wij aan deze entiteiten een bewustzijn toeschrijven, dat overeenkomt met dat van een mens, dan zouden zij op invloeden als genoemde ook bewust reageren. Maar zoals reeds enigszins blijkt uit de inleidende punten, zal een aardgeest een veel lager gemiddeld bewustzijn bezitten dan bv. een vuur- of watergeest. Qua bewustzijn zou ik zelfs de watergeest nog iets onder de vuurgeest plaatsen, terwijl ik de luchtgeest beschouw als de meest bewuste. Een boven alle menselijk bewustzijn uitgaand vermogen en denken vinden wij echter bij de geesten, die de ether bezielen. Voor ons betekent dit, dat voor ons kenbare reacties op kosmische invloeden allereerst in de atmosfeer verwacht kunnen worden, terwijl de traagste, minst bewuste en meest dierlijke reactie daarop voor zal komen in de aarde. Ook dit alles heeft zijn betekenis. Bezieling is niet alleen maar een kwestie van leven en levensvormen. Een stuk steen kan wel degelijk leven en de mensen, die spreken van levende rots, hebben vaak meer gelijk dan zij wel beseffen. Te geloven aan bezielde bergen en plaatsen is niet zo dwaas, als het de zogenaamde nuchtere mensen wel voor pleegt te komen: een rots of plaats heeft vaak een eigen krachtveld, dat bepalend is voor de geaardheid ervan en de mogelijkheden tot het bestaan van elementairen daarin. Het is deze plaatselijk voorkomende kracht, die vooral het bestaan van de aardgeest mogelijk maakt, welke op zijn beurt door zijn bestaan en reageren het karakter van de plaats, rots e.d. helpt bepalen.

Wanneer een aardgeest op eigen gebied tot een hogere macht wordt, zal hij zich vaak associëren met andere elementalen. Wij zien dan bv. de berg, waarin een grote aardgeest of een aantal aardgeesten met een zeker bewustzijn leeft en nu de plantengroei gebruikt als een soort waarnemingsorgaan. Volgens de oude mythologie zou men dan kunnen zeggen, dat dryaden, hydraden en dergelijke beheerst worden door de vorst van het aardmannenrijk. Wat misschien weer erg sprookjesachtig klinkt, maar toch heus voorkomt. De berg kan hierdoor waarnemen naar buiten toe, iets wat anders niet of slechts zeer beperkt mogelijk is, want een aardgeest bezit nu eenmaal maar een zeer beperkt waarnemingsvermogen naar buiten toe. Zodra hij zich associeert met andere elementalen vergroot zich zijn wereld aanmerkelijk. Zijn bewustzijn wordt daarmede echter niet hoger van aard. Inboorlingen denken in dergelijke gevallen vaak, dat een berg, waarop steenregens en dergelijke verschijnselen voor plegen te komen, een soort God is. Maar vanuit menselijk standpunt gezien hebben wij, ondanks alle vertoon van macht, te maken met een lagere bewustzijnsvorm.

Conclusie: alle invloeden vanuit de kosmos, die de aardbezielende krachten – vaak aardgeesten genoemd – werkelijk aantasten en stimuleren, brengen geen overlegde reacties teweeg. De optredende reacties doen nog het meeste denken aan instinctreacties en schrikreacties bij dieren.

Van de aarde mogen wij dan ook in de komende tijden een aantal onlogische reacties verwachten. Er kan geen enkel logisch verband worden gelegd tussen het optreden van bepaal- de spanningen in de aarde, instortingen, aardverschuivingen, tremblers, en de kosmische invloed. Men zou hoogstens vergelijkend kunnen zeggen: de kosmische invloed is als een vlo, die, lopend op een hondenhuid, het dier tot krabben brengt. Dat hierbij ook de gevoeligheid voor andere storingen aanmerkelijk stijgt, is een nevenverschijnsel, dat voor de mens soms onaangenaam kan zijn, omdat de schrikreacties en instinctreacties daardoor vaak plaats zullen vinden op plekken, waar de mens door zijn bestaan, werken en denken een bijzondere prikkel schept. De aarde gaat reageren. Wij kunnen hierbij dus rekenen met het optreden en reageren van deze elementairen, welke – zich hiervan zelfs haast onbewust – de mensheid zullen helpen om haar denken te heroriënteren. Zij doen dit dus niet, omdat zij het denken van de mens willen vormen, maar doodeenvoudig omdat zij op bepaalde prikkels nu eenmaal reageren.

Als volgend punt dan de watergeesten.

De watergeest heeft een bewustzijn, dat aanmerkelijk hoger is dan dat van de aardgeest. Een snellere reactie en een snellere aanpassing aan een kosmische invloed kan van de watergeest dan ook worden verwacht.

Verder mogen wij er rekening mee houden, dat, juist door de meer fluïde vorm van zijn wezen, vaak naast de z.g. schrikreacties, ook vlucht op kan treden. Dit belooft ons bij het optreden van sommige kosmische invloeden – ik denk hierbij bv. aan een invloed, die op zal treden tussen 27 mei en 13 juni – eigenaardigheden in de getijden, zowel bij vloed als eb. Verder zeer lage waterstanden in sommige rivieren, terwijl daarnaast zeer hoge waterstanden voor kunnen komen in andere stromen, die tot hetzelfde vloedgebied behoren.

Er zal dus sprake zijn van een reeks tamelijk opvallende afwijkingen van de norm. Wij zeggen dan: natuurverschijnselen. Daarbij zal de watergeest minder reageren op de mens en de menselijke gedachte, dan de aardgeest pleegt te doen in een toestand van grotere gevoeligheid voor prikkels. Vooral ook, omdat de watergeest bepaalde prikkels kan ontwijken, zal hij slechts zelden met grote ferociteit trachten dergelijke prikkels ongedaan te maken. De stormen, stortvloeden e.d. zullen dan over het algemeen ook niet veroorzaakt en bepaald worden door de watergeesten zelf, maar zullen vooral voorkomen door een meestal tijdelijke samenwerking van de watergeesten met andere elementaire entiteiten. Daarbij moeten wij zeker ook rekening houden met bepaalde vuurgeesten die aanleiding kunnen zijn tot onderzeese vulkanische werkingen en met de luchtgeesten.

Over de watergeesten heb ik op het ogenblik verder niet veel meer te zeggen; wel moeten wij opletten, dat die watergeesten reageren op meer dan één invloed in de nabije toekomst. Er is onder de komende invloeden er één, die ik hardrood zou willen noemen. Hierbij zal in vele reacties niet alleen moed, maar ook strijdlust, agressiviteit een rol gaan, spelen. In dit geval neem ik aan, dat wij de agressie van water vooral zullen zien in de vorm, waarin het water terugkeert naar de aarde. Het gaat hier dus om de terugkeer van het verdampte element naar zijn op deze wereld meer zichtbare vorm. Onder de invloed van de genoemde kosmische werking zal het water in de atmosfeer zich meer dan normaal tot het oppervlak van de aarde aangetrokken zien.

Wij zullen daarom rekening moeten houden met de volgende punten:   Ook water dat voor de mens niet onmiddellijk zichtbaar is, kan onder dergelijke omstandigheden neerslag aantrekken. Hierbij spelen thermische invloeden geen allesbeslissende rol, maar speelt ook harmonisch contact een zeer grote rol. Wij zouden mogen verwachten dat daar, waar bv. onder de Sahara zich grote onderaardse waterlopen bevinden, in het komende jaar enkele malen buitengewoon hevige regenval op zal treden van een wat langere duur dan de daar normale buien. Daarnaast kunnen wij wel verwachten dat regen en stormvlagen nogal wat schade aan zullen richten, doordat zij zo plotseling optreden, dat zelfs de moderne waarschuwingssystemen dit niet kunnen aankondigen of voorzien. Kentekenend voor de invloeden goud, blauw, rood en ten dele ook wit – maar dit laatste slechts ten dele – zal verder zijn: snelle weeromslag, vooral betreffende neerslag en elektrische ontladingen. Naast dit alles zullen ook in de gematigde luchtstreken – en niet alleen dus als tot nu toe in de tropen – felle en kortstondige regenbuien optreden, welke vaak schade veroorzaken.

Waarmee wij toe zijn gekomen aan de vuurgeesten.

Een vuurgeest zal, door de vluchtigheid van zijn element, de vluchtigheid ook van zijn eigen vorm, zich verre houden van alle beheerste vuren. Dit klinkt misschien wat vreemd, maar ik stel het zo om te voorkomen, dat er vandaag of morgen iemand gaat denken, dat er een salamander in de ketel van de centrale verwarming zou voorkomen. Ik kan u verzekeren, dat zo iets een zeer grote uitzondering zou zijn, terwijl een dergelijke entiteit zeer snel weer zou vervluchtigen, verdwijnen. De vuurgeest zal voornamelijk kenbaar voorkomen in een spontane samenwerking met andere elementairen. Daar waar elektrische ladingen bestaan of ontstaan en voldoende zuurstof – lucht – aanwezig is, is de mogelijkheid voor vuur groot. Daarom is de mogelijkheid, dat hier een vuur-elementaal voor zal komen, eveneens zeer groot. De voorkeur geeft de vuur- geest daarbij aan gebieden en mogelijkheden, waar zijn ontwikkeling van voertuig explosief – dus zeer snel – kan geschieden, wat in overeenstemming is met de behoefte van dergelijke elementairen, om in zo kort mogelijke tijd een zo groot mogelijke straling en omzetting of voeding te bereiken.

Mijn conclusie is, dat onder de invloeden rood, blauw en waarschijnlijk op meer beheerste wijze ook onder wit, veel explosies op zullen treden: het explosieve element van conflagraties is voor de mens wel het meest treffende verschijnsel hiervan. Verder kan worden gesteld, dat er in deze perioden sprake zal zijn van branden, die zeer snel ontstaan, zich zeer snel uitbreiden, zeer grote hitte ontwikkelen en veelal ook weer betrekkelijk snel afgelopen zullen zijn. Dit geldt niet alleen voor bewoonde gebieden. U denkt hier aan stadsbranden e.d. Ik denk echter ook aan bosbranden, die zich bij het bestaan van genoemde invloeden wel zeer snel zouden kunnen uitbreiden en verplaatsen. Wij moeten er rekening mee houden, dat ook deze elementairen in de komende jaren wel zeer sterk zullen reageren. Wij zullen dus vuur en vooral explosieven en zeer brandbare dingen met meer dan normale zorg moeten behandelen.

Ten laatste dan de luchtgeesten.

De luchtgeest bezit een bewustzijn, dat aanmerkelijk hoger is dan dat van andere elementairen en elementalen. Er zijn onder deze luchtgeesten zelfs een aantal entiteiten, wier bewustzijn wij toch wel gelijk aan, of zelfs boven dat van de mensen mogen stellen. Wanneer de kosmische invloed hun functie zuiverend maakt, zal hun optreden niet alleen betrekking hebben op een mogelijk zuiveren van de lucht of een ontvluchten van alle luchtverontreiniging. Zij zullen op gelijksoortige wijze reageren op alle voor hen kenbare uitstralingen, die in de atmosfeer voorkomen. Dit laatste betekent, dat de wisselwerking tussen luchtgeest en het denken van de mensheid wel zeer sterk zal zijn, wanneer wij invloeden uit de kosmos aantreffen, die wij aan-  duiden als violet, blauw, geel en wit.

Wanneer dus trillingen optreden, die wij normalerwijze met deze kleuren aanduiden om hun verhouding te schetsen, zo mogen wij wel zeggen, dat er een beïnvloeding van de gedachten- wereld van de mens plaats vindt, doordat de sfeer gezuiverd wordt van onaanvaardbare uitstralingen en dat ook plaatsen, die dergelijke gedachte-uitstralingen plegen op te nemen, snel zullen worden gereinigd.

De luchtgeest zal zich dus ofwel terugtrekken van de mensheid en de door mensen bewoonde gebieden onder dergelijke inwerkingen, dan wel buitengewoon actief moeten zijn. Ik meen, dat de activiteit van de luchtgeest vooral t.a.v. de – vaak verder en hoger doordringende – gedachte-uitstralingen zeer groot kan worden, aldus alle ingrijpen in meer feitelijke luchtverontreinigingen ver overtreffende.

Ik voorzien dan ook, zelfs reeds in de zeer nabije toekomst, vele opvallende veranderingen van sfeer – het aanvoelen van de omgeving dus. Ik geloof, dat zich dit met golven tot zeker 1967 zal blijven herhalen. Stellen wij, dat het normale invloedsbereik en werk van de luchtgeesten 0 is, dan is het nu optredende minimum wel 25, terwijl de inwerking onder omstandigheden op kan lopen tot 135, wat dus meer dan een honderdvoudige versterking van de normale invloed van de luchtgeesten kan betekenen.

Nu komen wij aan het zogenaamde vijfde element, de ether.

De entiteiten, die uit de levenskracht zelf ontstaan, zullen hun activiteiten in het bijzonder richten op de vorm, die zij willen bezielen. Niet elke vorm zal voor een gelijke kosmische inwerking ook gelijkelijk ontvankelijk zijn. Het plantenleven kan bv. op een overmaat van energie bij voorbeeld reageren door bijzonder rijke vruchtvorming, maar ook met een doorschieten, waarbij dus een plant wel groot wordt, maar vrucht en zaadvorming in verminderende mate optreedt, dan wel achterwege blijft. De mogelijkheden zullen dus van soort tot soort anders liggen. Een pijl trekken op de mogelijkheden in het plantenleven is dus moeilijk, tenzij wij verder ook het optreden van andere elementalen en elementairen kunnen incalculeren.

Voor het dierenrijk ligt de zaak echter weer anders. Het dier, zelfs het insect, is veel minder afhankelijk van de omstandigheden rond het ik dan de plant en heeft mogelijkheden tot snelle reactie, verplaatsing enz. Ik geloof, dat hier de beïnvloeding door etherwezens, de heersers van de soort, wel bijzonder sterk zal zijn. Ik neem aan, dat binnen één en een half jaar een grote reeks lichte mutaties zullen ontstaan, d.w.z. vormen, die van de oorspronkelijke vorm enigszins verschillen. Een groot aantal van deze mutaties zal volgens mij ook genetisch vast zijn en dus bij voortplanting als eigenschap worden overgedragen op komende generaties.

Ik neem aan, dat die wijzigingen plaats zullen vinden tegen vaak verder heersende tendensen in: een overdraging van het kenbare verschijnsel veroorzaakt dit effect. Voor kwekers van bepaalde dieren zou uit dit alles wel eens nadeel voort kunnen komen. Wanneer men een bepaalde soort met veel moeite heeft gekweekt, als bv. een bepaald soort koe, paard, hond of konijn, is het mogelijk, dat het komende één en een half jaar in de nakomelingschap afwijkingen voor komen, waardoor zij, die meenden reeds een genetisch vast resultaat behaald te hebben, hun werk ongedaan zien geraken. De natuur zal namelijk trachten om vooral onder een reinigende inwerking, alle levensvormen, die niet in overeenstemming zijn met haar eigen vitaliteitsprincipe, weg te nemen. Onder een agressieve invloed zal juist het stimuleren van kentekenende verschillen op kunnen treden, waarbij dus de resultaten vooral bij kweekproducten, die op de een of andere manier excessief zijn, merkbaar zullen worden. Interessant zullen deze ontwikkelingen bij voorbeeld wel kunnen zijn bij pluimvee, waar de ontwikkeling snel is en vele soorten met grote afwijkingen werden gekweekt. Bij kleinere dieren wordt dit alles in ieder geval sneller merkbaar, bij grotere dieren is de tijd van dracht nu eenmaal langer, terwijl ook het bereiken van voortplantingsrijpheid langer duurt.

Wij moeten er verder mee rekenen, dat kosmische invloeden, die vitaliteit stimuleren, wel eens een bijzonder sterke uitwerking zouden kunnen hebben op kleine dieren, die in koloniën of zwermen leven. Ik verwacht dan ook in het komende jaar een meer dan normaal optreden van mieren, wespen, groei van bijenvolkeren. Daarnaast kan naar mijn mening verwacht worden, dat, ondanks alle tegenmaatregelen, bv. sprinkhanen in grote mate, en als werkelijke ernstige plagen zullen optreden in alle delen van de wereld. Dit zal altijd weer in de eerste plaats geschieden in vruchtbare streken nabij woestijngebieden en voor de mensen, ondanks de waarschijnlijk grote oogsten, tenminste zeer hinderlijk zijn. Wat uw eigen steek betreft, het zou ook wel eens een echt vlooienjaar kunnen worden, want vooral op insecten zal een dergelijke stimulans sterk inwerken en zowel aan het einde van deze zomer als in het begin van de volgende lente zijn kosmische invloeden van energie te verwachten.

Voor de mens ligt het in dit verband ietwat anders. De mens leeft niet zozeer als soort onder een entiteit; er zijn vele groepsentiteiten en elk groepje heeft eigenlijk reeds weer een geheel eigen benadering van het gebied der vitaliteit, een eigen contact met de ether. Daarom zal het moeilijk zijn voor de mens een algemene regel te geven. In groepen echter, waarin onredelijkheid van gedrag bestaat, is het echter wel waarschijnlijk, dat bij het optreden van golven van vitaliteit deze onredelijkheden vergroot worden, terwijl de gerichtheid van deze vitaliteit afwisselend nog meer stoffelijk, mentaal of geestelijk kan zijn. Ik meen, dat wij dit alles in het gedragspatroon van verschillende groepen af zullen kunnen lezen, naargelang de wijze, waarop de mens zich instelt en richt in de komende tijd – en dit in het verleden deed – zal hij de baten van kosmische invloeden ondergaan en daarbij steun ondervinden van entiteiten, die leven in de ether, of, aan de andere kant, zich gebracht zien tot allerhande onredelijke daden en stellingen, waar hij later zelf niets meer van begrijpt. Het laatste zal vooral geschieden, wanneer de mens zichzelf niet voldoende kent en dus ook niet in staat zal zijn, zijn eigen lichamelijke reacties en gedrag voldoende te erkennen, te beoordelen en te beheersen.

* Bedoelt u met deze “kleuren” een stoffelijke dan wel een onstoffelijke straling?

Ook in uw formulering is zij wel onstoffelijk. Ik meen echter, dat in wezen elke straling eigenlijk min of meer onstoffelijk is – of u moet gaan spreken van partikel stralingen, die echter ook voor de mens niet zonder meer kenbaar of zichtbaar plegen te zijn. Dergelijke stralingen worden bij bepaalde hardheid of frequentie door hun gevolgen wel kenbaar, maar zelfs dan zien wij de effecten, niet de stralingen.

De kleuren, die ik gebruikte als aanduiding, moet u zien binnen het verband van het volgende beeld:  Wit of helderwit is de aanduiding van een zeer breed stralingsbereik, dat qua invloed zeer veelomvattend pleegt te zijn en daarom ook alles overheersend pleegt op te treden.

Violet, blauw enz. zijn aanduidingen van hoge trillingen of stralingen van hoge frequentie, welke een beperkt stralingsbereik en gebied bezitten.

De laatste beperking geldt ook voor geel en groen en rood, welke dus qua frequentie veel lager liggen. In de enkele kleuren, zoals bv. rood, zullen wij onderscheid maken tussen verschillende “tinten” en spreken zo van hardrood, helderrood, donkerrood en soms zelfs van een zwartrood. Deze treden dan op binnen het stralingsbereik, dat wij rood noemden, maar omvatten slechts een deel van dit bereik. De benaming geeft dan weer hun onderlinge verhouding aan binnen dit gebied.

 * Wat is het werk van een luchtgeest?

Ik besprak dit reeds. Kenbaar wordt het bv. door een reinigende invloed, die van de luchtgeest uitgaat. Onttrekken de luchtgeesten zich aan een verontreiniging, dan zal de lucht- beweging vaak sterk dalen en treedt bv. smog op, die in feite niets anders is dan een plaatselijke en zeer grote vervuiling van de atmosfeer. Hun werk kan echter ook tot uiting komen in zeer grote en vaak zeer snelle luchtverplaatsingen, terwijl op meer geestelijk vlak men vaak als gevolg van het optreden van de betere – bewustere – luchtgeest een verandering van de sfeer zal ontdekken.

Misschien is dit moeilijk te omschrijven. Mij lijkt het volgende beeld een redelijke weergave: Na een onweer voelt men zich vaak, of opeens een druk van het Ik, werd weggenomen. Ook zal niemand ontkennen, dat ook in een stad, op bepaalde plaatsen en in zekere huizen een sfeer kan bestaan, die als een druk opeens op je valt. Stel, dat deze sfeer zonder kenbare redenen opeens verandert, zodat men opeens een gevoel van opluchting krijgt. Dan zal, vooral wanneer dit meer dan een enkele plaats betreft, dit vaak het werk zijn geweest van bepaalde luchtgeesten.

* Zullen de gevolgen van dit alles ook nog blijvend in het bewustzijn van de  mensheid merkbaar zijn?

Ja. Vergeet niet, dat de mens gevormd wordt door zijn omgeving, zodat ook zijn bewustzijn hiermee wel degelijk enige samenhang pleegt te vertonen.

Elementalen en elementaire entiteiten, zoals besproken, vormen – althans de laagste vier – de omgeving van de mens, terwijl de vijfde soort een bron van levenskracht voor hem vormt en vaak de geaardheid van deze levenskracht mede bepaalt. Alle veranderingen daarin werken dus op de mens en op het menselijke ras in en daarmee op het bewustzijn dat in de menselijke vorm verworven wordt.

Voor de bewustwording zijn deze invloeden dus inderdaad erg belangrijk. Een andere vraag is, of men zich van deze inwerkingen zo snel bewust zal zijn. Deze dingen zijn niet algemeen bekend en velen, die toch werkelijk verder wel goede spiritisten zijn enz., beginnen toch wel te twijfelen, wanneer je spreekt over elementalen en dergelijke geesten. Zij vinden dit alles zo kinderachtig en vragen of dit nu wel werkelijk waar, dit wel werkelijk noodzakelijk is. Deze en dergelijke mensen zullen dus, bewust of onbewust, de gevolgen van dergelijke invloed op een andere manier verklaren. Ik geloof dan ook niet, dat men – tenzij men regelmatig voorlichting hierover krijgt – kan zeggen: ik weet precies, wat deze elementairen doen. Alléén wanneer je die voorlichting wel ontvangt en erop gaat letten, zie je: hé, er is werkelijk zoiets aan de gang.

Ik kan u wel een voorbeeld noemen van iets, wat men in wezen toch wel weet, maar waar men steeds weer overheen pleegt te zien:

Hebt u wel eens opgemerkt, dat zodra een brand in een bepaalde buurt plaats vindt, er in de omgeving meestal meerdere volgen? Ga dit eens na. U zult verder ontdekken, dat dergelijke branden wanneer men ze aantekent op een landkaart, vaak vormen aannemen waarin  driehoek en hexagoon veel voorkomen. M.i. vormt dit wel een bewijs, dat hier vaak meer in het spel is dan een toevalsfactor alleen, daar anders dergelijke vormen niet regelmatig voor zouden kunnen komen. Het vreemde is echter, dat mensen, die dit alles toch heus wel weten, zoals brandweer, verzekeringen enz., dit wel eigenaardig plegen te vinden, maar nog niet tot de conclusie konden komen, dat er een samenhang moest zijn tussen dit alles, daar zij hiervoor geen stoffelijk bewijs konden vinden.

En toch zou ik zeggen: waar een bepaalde regelmaat aanwezig is, moet hiervoor een oorzaak zijn; het bestaan van de regelmaat is het bewijs voor het bestaan van de oorzaak.  De mensen zien hierover echter gevoegelijk weg, zodat ik niet meen, dat dergelijke invloeden zo gemakkelijk bewust beseft en aanvaard zullen worden door de mensen. Ik neem zelfs niet aan, dat men mijn onderwerp geheel au serieux zal willen nemen. En toch is geen woord van wat ik hier gezegd heb, onwaar.

* In hoeverre zijn dergelijke invloeden van permanente aard? Of zijn zij misschien  tijdelijk, zodat later weer een terugval volgt?

Normalerwijze zijn natuurgeesten gebonden in dezelfde cyclus als de aarde en de mensheid. Wat betekent, dat er een zekere synchroniciteit bestaat tussen de reactie van de natuurgeesten en het verdere gebeuren op aarde. Er is dus normalerwijze sprake van een regelmaat. Deze regelmaat en synchroniciteit kan verstoord worden door grote en langdurige onregelmatigheden in het menselijke denken. Emoties spelen hierbij vaak een zeer grote rol. Onregelmatigheden ontstaan ook – althans voor het menselijke bewustzijn – op het ogenblik dat een kosmische invloed ingrijpt, omdat de verschillende elementen met de hen bezielende entiteiten in verschillend tempo reageren en de synchroniciteit van ontwikkeling verstoord wordt.

Voor de mens geldt bovendien nog, dat hij de oorzaak van deze verschijnselen niet kent en daarvoor dus geen werkelijk hanteerbare verklaring heeft. Het effect is voor degene die het op aarde ondergaat, een permanente waarde van bewustzijn, de verschijnselen zijn echter tijdelijk en niet blijvend van aard.

Ik hoop dat men uit deze antwoorden beter heeft leren begrijpen, wanneer ik spreek van bepaalde invloeden op de mens en zijn wereld door natuurgeesten en elementairen.

Ik geloof niet, dat het juist is om als mens bang te zijn voor deze dingen. Het heeft overigens weinig zin, terwijl de schade, die zij u kunnen berokkenen, altijd weer beperkt is, tenzij uzelf de natuur bezielende entiteiten de gelegenheid geeft u te domineren. Angst en onevenwichtigheid kunnen zelfs een aardgeest met zijn gering bewustzijn doen domineren over alle overleg, over alle redelijke vermogens en alle ogenblikkelijke beslissingen en reacties doen beheersen of teniet doen. Zolang men zich realiseert, wat er aan de hand is, ook bewust blijft van eigen mens-zijn, geloof ik niet, dat de krachten der elementen op de mens een zo grote schadelijke invloed kunnen hebben, als men wel veronderstelt. Het was voor mij belangrijk, dat u heden zou beseffen, dat er naast het normale ritme van toeval en toevalligheden, ook nog een in de natuur verankerd reageren bestaat, waarbij wij zelfs kunnen zien, dat eerst de lucht, dan het water, dan het vuur – deze twee zijn onderling wel te verwisselen onder omstandigheden – en ten laatste pas de aarde zelf op bepaalde inwerkingen reageert.

Het is belangrijk, dat wij dit leren beseffen, omdat wij dan ook bij het voorkomen van buiten het normale vallende en niet door bv. zonnevlekken te verklaren stormen e.d. bijna zeker met voor omschreven werkingen te maken hebben, zodat het waarschijnlijk is dat ter plaatse of elders hierop stortvloeden en waterschade zullen volgen, terwijl daarna branden en vulkanische verschijnselen verwacht mogen worden, terwijl aan het einde van de reeks aardbevingen, verschuivingen enz. op zullen treden. Want indien wij dit weten en twee of meer van deze verschijnselen kort achtereenvolgend in een bepaalde streek op zien treden, kunnen wij met de beide anderen in ieder geval rekening houden.

Een mens, die weet, dat elementairen en elementalen in zijn wereld invloed hebben, zal niet zo snel verbaasd of angstig zijn bij bv. het optreden van bijzonder heftige stormen. Hij zal er rekening mee houden, dat de kracht van het water zeer groot kan zijn, maar dat een beheersing door het water eerst waarschijnlijk wordt, wanneer zijn angst groter wordt dan zelfbeheersing en rede. Zonder deze angst heeft men zeer grote mogelijkheden om voor zich de inwerking van dergelijke elementaire invloeden te overwinnen. Dankzij gevoeligheid voor dit alles kan de mens meester blijven van eigen leven en omstandigheden, ook wanneer schijnbare toevalligheden hem eigenlijk tegen eigen wil en wezen tot iets anders zouden willen drijven. De geestkracht, die men nodig heeft in deze gevallen, is gelukkig gemakkelijk te omschrijven. Ik definieer ze voor u, opdat, wanneer binnen de komende 16 tot 17 maanden in uw omgeving het toeval wat teveel op een onaangename wijze voor komt, u een verdedigingsmiddel kent tegen dergelijke invloeden en toevalligheden.  Onthoudt dit: zolang, het menselijke denken zich niet bezig houdt met angst en de dominerende invloed van de angst over het Ik, zullen elementair en elementaal de mens respecteren. De aanvallen zullen u vaak wel vlak voorbij gaan, maar treffen u niet.

Voorbeeld: u loopt in de storm. Dakpannen vliegen van de daken. U bent bang. U wordt getroffen. Maar bent u niet bang, dan vallen zij naast, voor en achter u en u heeft de mogelijkheid om te gaan schuilen. Er is vuur. U vreest het vuur, de rook. Dan is de kans groot, dat het vuur sneller is dan u en u afsnijdt van uw levensmogelijkheden, u van uw rede berooft. Nu bent u niet bang voor het vuur. Denk dan niet, dat u nu voor 100% onaantastbaar bent – ook al komt dit wel eens voor. Maar u zult wel in staat zijn uw reacties bewust aan te passen aan het vuur, dat u nu niet daadwerkelijk aanvalt en u het zo kunnen overwinnen. Ken dus voor de elementen geen angst, beschouw hen als wezens, waarin bestaande tendensen worden voortgezet volgens een vaste lijn. M.a.w., wanneer er in een straat pannen vallen, zullen zij door de gehele stad kunnen vallen, als er hier een slagregen is, zo zal deze wel, vroeger, later of op dezelfde tijd, ook elders optreden. Wapen u tegen de verschijnselen, maar tracht niet ze krampachtig te ontvluchten zonder te weten, of dit mogelijk is.

Dan: wanneer u, in plaats u door de vier lagere elementen te laten overheersen, een beroep doet op de kracht, die u in uzelf erkent, zult u daaruit het vermogen verkrijgen, niet alleen de elementen te domineren, maar zelfs delen van uw omgeving te domineren, ongeacht de elementaire invloeden. Hierdoor zult u uzelf zowel als anderen kunnen helpen waar dit noodzakelijk is.

Mijn laatste raad is misschien wel de eenvoudigste:   Geloof, dat alles bezield is, en erken, dat alles wat bezield is, onderdanig is aan dezelfde wet als u. Zolang u uzelf houdt aan de u ingeschapen wet, is al datgene wat rond u bestaat berekenbaar. Pas wanneer u afwijkt van uw eigen wezen en de daarin gelegen wetten, wordt uw omgeving onberekenbaar.

 Zo, dit was dan voor vandaag mijn onderwerp. Zoals ik reeds opmerkte, is het misschien wat anders dan u gewend bent. Ik hoop, dat het u toch heeft kunnen boeien, heeft kunnen interesseren. Of u er nu in gelooft of niet, ik raad u toch met deze laatste dingen eens een proef te nemen. Dan zult u, gelovig of niet, ontdekken, dat u, zolang u zich houdt aan de in u bestaande leefregel, door alles nog wel heen kunt komen. De stortvloed maakt u net niet verkouden. De stortvloed houdt even op, zodat je a.h.w. tussen de druppels door kunt gaan, wanneer het onvermijdelijk is dat u zich in de buitenlucht waagt. U zult bovenal dan ontdekken, dat je jezelf veel onnodig leed, veel onnodige ergernissen kunt besparen. Want een proef hiermee kunt u allen nemen. Denk er daarbij aan niet te zondigen tegen de wetten van uw eigen wezen. En die houden ook een redelijke reactie in.

BASISBEGRIPPEN VAN DE ESOTERIE

Nu weet ik niet, of u zich buitengewoon esoterisch voelt. Er zijn veel mensen die dit gevoel wel kennen. Zij zijn het dan meestal juist niet.

Nu is er hier over esoterie al heel veel gezegd. Ik zou daarom liever eenvoudig willen blijven en alleen zo eenvoudig mogelijk de basisbegrippen van de esoterie weergeven.

Dan begin je altijd weer met jezelf. Want het gehele leven speelt zich – althans voor jou – af rond je eigen wezen. De wereld rond mij is voor mij een onzekerheid. Dat, wat ik ín mijzelf ben, is echter een zekerheid, want daaruit leef ik. Indien ik mijzelf leer kennen, zoals ik ben op dit ogenblik, zal ik hierdoor de waarheid kunnen begrijpen in de wereld, die rond mij is.

Dat is dus eigenlijk de premisse van het esoterisch streven. Gelijktijdig is het de voorwaarde voor alle ontwikkeling van innerlijke krachten, gaven e.d.

Als je dit goed begrijpt, kun je dus zeggen: het begin van alle esoterie is een wisselwerking tussen de innerlijke erkenning en het uiterlijk gedrag.

Verder zal je natuurlijk met al dat esoterisch zijn en doen moeten begrijpen, dat er samenhangen bestaan. Dezen formuleer je dan ongeveer als volgt:   Dat wat ik ben, is deel van een groter geheel. Zo ik mijzelf erken, zal ik dus ook dit geheel erkennen. In de erkenning van dit geheel zal ik mijn plaats weten en daardoor datgene wat tot mij taak behoort, leren beseffen.

Het is niet mijn taak om alleen persoonlijk te leven en te presteren. Het is belangrijker, dat ik leer binnen het kader van het geheel, harmonisch mijn taak te vervullen.

Dat is eigenlijk wel eigenaardig: de meeste mensen denken, dat esoterisch streven zoiets is als opstijgen tot de verre geestelijke bergtoppen om vandaaruit over de mensheid weg te schouwen naar de eeuwige waarheid. Het spijt mij, maar dat is niet waar. Esoterie is juist gebaseerd op de erkenning van de innerlijke waarheid en die waarheid is nu eenmaal, dat je, zolang je mens bent, behoort tot de mensheid.

Het betekent, dat wat behoort tot de mensheid van vandaag, behoort tot de mensheid van alle eeuwen en dat je binnen die mensheid een taak hebt. Het houdt dus ook in, dat de esoterisch bewuste nooit een gezag ontleent aan zijn innerlijke erkenningen, maar alleen als gezag zal bezitten en erkennen datgene, wat hij werkelijk nodig heeft om zijn taak binnen de mensheid te vervullen.

Hieruit volgt verder nog, dat de esoterisch bewuste zich nooit zelf een taak stelt, maar dat voor hem zijn taak altijd weer zal voortvloeien uit de positie, waarin hij zich bevindt. Ook dit is wel leuk, want ik heb zo vaak de gedachte, dat men esoterisch wil zijn en denken en dan maar alles zonder meer wil transponeren naar een hoog geestelijk vlak. Daartegen zou ik nog geen bezwaren hebben, wanneer een dergelijk transponeren zou voortkomen uit een daadwerkelijk bestaan, uit het volle leven. Maar deze mensen transponeren meestal het begrip reeds naar een hoog geestelijk vlak, voor zij aan de stoffelijke praktijk hoeven te beginnen. Waarschijnlijk in de hoop zo wel van dit alles de hoog geestelijke baten, maar niet de stoffelijke lasten te moeten ontvangen of te moeten dragen.

U begrijpt wel, dat hier ergens iets verkeerd zit. Daarom meen ik als derde punt op deze avond het beste de formulering te kiezen die een omschrijving wil geven van ons werkelijke wezen:

Het Ik is een wezen, deel van een groter geheel, dat zich in verschillende voertuigen binnen alle werelden en sferen kenbaar kan maken. Het is in alle werelden en sferen, die binnen het Ik erkend worden, actief en zal in alle een functie en verplichting bezitten. M.a.w., wanneer je op aarde leeft, heb je op aarde verplichtingen. Als je je bovendien bewust bent van bijvoorbeeld Zomerland, dan mag je niet verwachten daar alleen maar uit te kunnen rusten. Dan moet je ook daar enig werk kunnen en willen doen. Hoe hoger je gaat, hoe meer werk je dus krijgt. Of, wanneer u dit eenvoudiger wilt horen: ware esoterie is een vergroting van activiteiten, die zich op steeds meer verschillende niveaus van bewustzijn gelijktijdig zullen gaan afspelen.

Nu wij dit alles zo eens beschouwen, komt naar ik meen, de zaak van het grootste belang steeds weer terug tot de wereld, waarin je leeft:  Ik stijg nooit uit boven de wereld, waarin ik mijzelf nu het meest continu bewust ben, maar ik verrijk de wereld, waarin ik leef, met mijn bewustzijn van andere werelden. Mijn wereld wordt dus wel groter, maar daarom nog niet anders. Als mijn wereld groter wordt, zullen echter mijn waarderingen binnen die wereld wel anders worden. Per slot van rekening zal iemand in een dorpje toch altijd nog anders over de dingen denken dan iemand, die de gehele wereld kent. Ik kan mij voorstellen, dat de een of andere astronaut, die de wereld als een soort super globe met wat wolkjes en stofjes rond heeft zien draaien, weer een geheel andere mening over en waardering voor de wereld heeft dan iemand, die alleen maar eens bovenop de Eifeltoren of onder aan de toren van Pisa heeft gestaan.

De gehele kwestie komt dus neer op het volgende: ons bewustzijn bepaalt onze verhouding tot onze wereld. Onze verhouding tot de wereld is altijd te formuleren in een taakvervulling plus een voor ons – dus niet voor allen gelijkelijk – bestaande wetmatigheid, die wij, voor onszelf in die wereld erkennen. Waaruit weer volgt dat degene, die meer bewust is, dus meer wetten en regels zal kennen. Onder ons gezegd en gezwegen, dus ook minder folkloristische gebruiken en antiquiteiten voor wetten en ethische regels zal houden. Want bij zeer vele mensen neemt het gebruik en de overlevering de plaats in van de erkende wet.

Als esotericus zal men verder altijd weer uitgaan van een bepaald standpunt. Wij noemen dit meestal geloof. Er zijn wel mensen, die stellen, dat je esoterisch bewust kunt worden vanuit een filosofie, maar dit geldt alleen, wanneer die filosofie toch weer geloofswaarden mede omvat. Anders gezegd: elke esoterische bewustwording gaat uit van een vast punt, dat in de mensheid verankerd is of bestaat en dit zal daarbij een aantal waarden bevatten, die niet onmiddellijk redelijk kenbaar en als verschijnsel onmiddellijk waarneembaar, of zelfs maar onmiddellijk aantoonbaar zijn. Ook dit is interessant, want het betekent, dat je dus vanuit elk geloof, zelfs vanuit een geloof, dat God uit schijnt te sluiten, kunt komen tot een esoterische bewustwording en de daarmee gepaard gaande belevingen.

Maar het houdt bovendien ook in, dat dus al deze waarden eigenlijk voor de mensheid alleen van belang zijn als een soort startblok – in olympische termen sprekende, voor bv. de 400 meter. Sommige mensen denken, dat de esoterische bewustwording een soort marathon is, maar ik geloof niet, dat het zo erg wordt. Als je zover bent, heb je de esoterie dus wel werkelijk teruggebracht tot je relatie met de wereld, want deze is bepalend, zowel voor geloof als innerlijke beleving.

Verder zal je, je meer bewust wordende, beseffen dat je relatie tot God alleen waarlijk tot uiting komt in de relatie die je kent met de wereld en dat je innerlijke erkenning van God tot uiting komt via je begrip voor die wereld.

Maar dan komt de bekende grote vraag: “Wat word ik er wijzer van?” Want vreemd genoeg zien wij zelfs bij mensen, die er niet aan zouden denken voor een dienst aan een ander een beloning te vragen, opeens allerhande wonderen en belevingen verwachten, zodra zij ook maar willen beginnen om esoterisch te streven. Zij willen resultaat zien. Het hoeft nu niet direct de 100.000 te zijn – wanneer zij alleen maar eens een paar geesten zouden mogen zien, zou het ook al genoeg zijn – maar er moet iets voor terug komen.

Wat is dan eigenlijk het resultaat van een esoterische bewustwording?

Wel, het begin is altijd weer een, door het begin van zelfkennis, bereiken van een harmonie met je wereld. Het is een steeds sterkere wisselwerking tussen jou en andere mensen, tussen jou en de situaties rond je. Daaruit vind je dus meer vrede, meer tijd, meer mogelijkheden en een steeds beter begrip. Naarmate je bewustzijn zich nu uitbreidt, worden bij deze normale kennis van eigen wereld steeds meer punten, die behoren tot een andere wereld, een andere sfeer dus, a.h.w. in je leven en reageren betrokken.

Om het maar weer in een formule te gieten: de uitbreiding van innerlijk bewustzijn is evenredig met de verwerving van begrip en daardoor ook van kennis en vermogen in de uitingen naar buiten toe. Dezen zijn altijd recht evenredig. Ja: recht evenredig.  Het is dus niet: ik word mij van een andere sfeer bewust en ben opeens 10 keer zo sterk. Neen, naarmate ik mij meer van die sfeer bewust word, word ik in gelijke mate ook sterker. Naarmate ik mij meer bewust word van een andere wereld, bv. die van de geest, zal mijn bewustzijn van mijn eigen wereld en van die andere wereld zich uitbreiden. Enz.

Als wij weten, dat elke sfeer een eigen leven en eigen mogelijkheden heeft en het bereiken van die sfeer door ons bewustzijn betekent dat wij over de mogelijkheden, vermogens, krachten en eigenschappen van die sfeer kunnen beschikken, wordt het ook duidelijk, dat onze begaafdheid in wezen steeds weer afhankelijk is van ons bewustzijn van de sferen.

Vele mensen denken, dat men hiervoor die sfeer moet kunnen zien. Een sfeer wordt echter door de mens nimmer gezien. Zij wordt altijd beleefd. De beleving kan soms binnen het Ik als vorm worden uitgedrukt en gelijkt dan een visuele impressie, maar een sfeer is in zich nimmer gebonden aan stoffelijk vormbewustzijn of de beperkingen van een stoffelijk denken. Elke kracht, die je ontleent aan een bepaalde sfeer, kan alleen gebruikt worden in overeenstemming met de wetten van die sfeer. Door de sfeer tot een deel van je bewuste, je actieve wereld te maken, wordt je gelijktijdig verplicht je ook te onderwerpen aan de in die sfeer geldende wetten, regels e.d.

Elk vergrijp hiertegen brengt dubbele gevolgen met zich: allereerst binnen de sfeer zelf, maar daarnaast als weerkaatsing of correctie binnen het Ik door het ingrijpen van de wetten van die sfeer ook in alle onderliggende werelden en sferen.

Hoe bewuster ik ben, hoe belangrijker het dus voor mij wordt geen fouten te maken in de hoogste werelden, waarin ik mij bewust ben. Het is beter een fout te maken in een stoffelijke wereld dan in een geestelijke wereld, want de uitwerking van een fout in een geestelijke wereld zal voor het Ik groter en veel omvattender zijn dan een fout in eigen wereld ooit zou kunnen worden.

Ten laatste nog het volgende:

Het zal duidelijk zijn, dat met het stijgen van het innerlijk bewustzijn en met het bereiken van meer sferen, begrippen als harmonie, samenwerking, de juistheid van onderling contact en een meer volledige uitwisseling van innerlijke waarden met elkander meer zal overheersen. Daarom mag voor de esotericus worden gezegd: met het groeien van het bewustzijn groeit ook het begrip van verwantschap met de schepping en daardoor ook de projectie van het eigen Ik in alles, wat er rond dat Ik bestaat.