De lange weg

image_pdf

31 januari 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. U wordt geacht zelfstandig na te denken over al, wat gebracht wordt. Als onderwerp van vandaag koos ik, het had een filmtitel kunnen zijn: De lange weg.

Wanneer wij spreken, zoals een vorige maal, over kosmisch bewustzijn, zo spreken wij over de uiteindelijke bereiking, die voor de stofmens mogelijk is. Het is echter zeer moeilijk een begrip van dit einddoel en de huidige mogelijkheden te vormen, wanneer wij niet beseffen, hoe lang de weg is geweest, die de mens heeft moeten afleggen, om zelfs maar tot het huidig gemiddeld peil van bewustzijn te komen. Laat ons dan allereerst zien, wat de oervorm van de mens is: Een wezen, dat leeft met zijn instincten, gedreven door grotere krachten over de wereld trekkend, paart men, vormt men gemeenschappen. Deze mens is zeer gevoelig voor de krachten van de natuur. Voor hem is het, of alles tot hem spreekt. Onbewust is hij waarschijnlijk de meest overtuigde en praktische pantheïst, die er maar kan bestaan.

Langzaam ontwaakt de mens. Het grote wonder van die dagen is de mens, die voor het eerst zijn wil ontdekt. Hij komt los van het gedreven worden door invloeden en omstandigheden alleen. Ofschoon zijn instincten nog steeds de overhand hebben, is hij deze toch ten dele meester geworden en zo meester van zichzelf, althans in sommige opzichten. Al zoekende maakt de mens zich steeds meer vrij van een gebondenheid aan zijn omgeving. Hij leert de eerste wapens op een meer redelijke manier gebruiken, komt tot samenwerking met anderen en kan zo de verschrikkelijke dieren, die in deze tijd op aarde leven, ontwijken, afweren en zelfs soms verslaan. De mens wordt stoutmoediger en begrijpt, dat wil, samenwerking en saamhorigheid voor hem de machtigste wapens op aarde zijn. Hierdoor komt voor het eerst geheel bewust het begrip van de eigen gemeenschap op de voorgrond.

Het vuur is nog steeds een demon, die men vreest in de bossen. Het zal nog even duren, voor men dit vuur als een heiligdom binnen durft te voeren in de holen en grotten, waarin men zich verschuilt. Toch valt de mens reeds in groepen de grote dieren aan: De sabeltijger wordt aangevallen met steenlawines. De grote en gevaarlijke wilde runderen van die dagen worden opgejaagd. Men ontdekt, dat men een goede buit kan hebben, wanneer men hen zo opjaagt, dat zij te pletter vallen in ravijnen. De jachtgemeenschap vormt de gemeenschapszin verder.

Zo ontstaat de stam. Zodra de stam er is, begint de mens zich weer te isoleren van andere mensen. Tot op dit ogenblik is een mens een mens geweest, een welkom jachtgenoot. Nu echter moet de mens behoren tot eigen stam. Is dit niet het geval, dan is hij een vijand of tenminste een vreemdeling, die als potentiële vijand behandeld dient te worden, tot het tegendeel is gebleken.

Wij moeten niet te licht over deze ontwikkelingen denken, want ook daarin ligt reeds de voorafschaduwing van het heden. De verdeeldheid van groepen – al zijn dit dan geen stammen meer – is in deze dagen al even intens en, zij het op andere wijze, voor de enkeling al even gevaarlijk. De samenwerking van de mensen stelt hen in deze dagen misschien in staat om de kracht van de atomen zelf te harnassen, een juk op te leggen en te beheersen, zoals eens de verre voorouders sabeltijger, wolhuid-rhinoceros e.d. meester werden. In deze gemeenschapsperiode, deze tijd van de eerste stammen, ontwaakt bij de mensen ook een eerste begrip van het bovennatuurlijke, van een god. De natuur echter spreekt tot hen.

Is het een wonder, dat de natuur steeds meer de – nu bewust – aanbeden godheid wordt? Nog vele, vele eeuwen later, ja, zelfs 100.000 jaren later zullen wij zien, dat de mensen het vuur aanbidden en de natuurverschijnselen god noemen. Alleen zullen deze nakomelingen ook zon en sterren aanbidden. Wij weten allen, dat zelfs nu nog stammen op aarde bestaan, die heilige bomen, heilige wouden, bronnen, rivieren enz. kennen. Nog spreekt de natuur tot de mensen, maar haar stemmen worden langzaamaan zachter. De mens begint zichzelf een godsdienst te creëren die meer menselijke waarden bevat, komt tot rituelen, leert vuur en water te beheersen. De eerste bevloeiing van landbouwvelden vond reeds plaats in de buurt van de Gobiwoestijn rond 60.000 jaren geleden. Het duurt lang voor dit meer algemeen wordt en van een werkelijke landbouw kan worden gesproken, maar dan leert de mens ook woningen en steden bouwen.

In het begin bouwt de mens na, wat hij rond zich in de natuur ziet. Zijn bouwsels zijn zwak en onregelmatig. Dan echter ontdekt hij ook hier systeem en vaste vormen. Van de oervormen zijn er nu nog enkele over: de bijenkorfachtige hutten van vele primitieven, van riet, leem en tichelsteen e.d. zijn in wezen een overblijfsel van een architectonische vorm, die eens algemeen bestond. De paalwoningen, die nu nog in vele primitieve gebieden voorkomen en, naar ik hoor, in Nederland weer in de mode schijnen te komen voor grote magazijnen en raadhuizen, vieren lange tijd bij alle water hoogtij. “Steden” van de oudheid, die boven het water werden gebouwd, zijn nu niet meer bekend, maar in Zwitserland bevond zich een op deze wijze gebouwd dorp met de – voor die tijd enorme – som van rond 6000 inwoners.

De mens gaat steeds verder. Langzaamaan leert hij steeds meer meester te zijn over zijn omgeving, langzaamaan definieert hij steeds duidelijker zijn God en de verhouding tussen de mens en zijn God. Toch wordt de mens in wezen nog steeds door de natuur beheerst en geregeerd. Daarom zijn de oude goden steeds goden vol willekeur. Hun God is steeds een toornige en na-ijverige God – wanneer wij het willen uitdrukken in meer bijbels termen. Al deze goden moeten gekocht worden. Een begrip van werkelijke liefde bestaat tussen de mensen niet en wordt daarom niet gezien als mogelijke relatie tussen mens en God. Wat de mensen in deze tijden liefde noemen, is immers alleen bezitsvreugde en bezitszucht.

Langzaam maar zeker groeit onder de mensen een wederzijds respect, dat, eerst een belangengemeenschap aangenamer makende, later uit zal groeien tot vriendschap. Om echter begrippen als liefde en vriendschap te vinden op een minder zelfzuchtige basis zullen wij echter toch verder moeten gaan tot rond 10.000 jaren geleden. Dan zien wij ook de eerste grote filosofen verrijzen buiten de gemeenschap van Atlantis in het verleden, die echter dan reeds ten dele is ondergaan en waarvan wij alleen maar kunnen hopen, dat haar ontwikkeling geen voorbeeld is voor de ontwikkelingen van de huidige Atlantische gemeenschap.

Wij zien de mens steeds weer worstelen met begrippen als eeuwigheid. Naarmate hij meer afstand neemt van de krachten van de natuur en de wonderlijke magie van het leven, zoekt hij verder in zichzelf. Daarin vindt hij een synthese van natuurlijke krachten en mogelijkheden die hem a.h.w. aangeboren zijn. Deze zijn hem zo eigen, dat hij daarover niet verder nadenkt, ja, deze waarden niet eens beseft, ofschoon hij er toch gebruik van maakt, om andere waarden te ontdekken. Zijn ontdekkingen kristalliseren in de thesen van een godenwereld. Plotseling gaapt Hades voor zijn voeten en torent boven hem uit een Olympus, bevolkt met Goden, heroën en uitverkorenen. Een interessant beeld.

Indien wij echter nagaan, hoe lang het duurt, voor de mens van een dierlijk instinctwezen tot een zuiver door eigen wil, voorstellingen en begrippen beheerst wezen wordt, wanneer wij nagaan, hoe lang het duurt voor de mens ook van zijn pantheïstische beleving van een bezield Al komt tot een godenleer en meer reële erkenning van zijn eigen innerlijke mogelijkheden, ja, van eigen voortbestaan na de dood, zo zullen wij geneigd zijn, ons af te vragen hoe lang het dan niet zal duren voor de grote mens – als naar voren tredende in bv. Pythagoras of Aristoteles – kan komen tot een waarlijk kosmisch bewustzijn. Het is een zeer lange weg, die men heeft af te leggen, zouden de waarden van de tijd gelijk blijven, dan zouden nog vele 10.000-den jaren moeten verlopen, voor wij daaraan zelfs maar durven denken, er blijkt echter iets anders: Naarmate de mens bewuster wordt, versnelt zich het tempo van zijn realisaties van eigen kunnen, zijn begrip voor de wereld en zelfs de waarde – ofschoon niet het gebruik – van zijn innerlijke vermogens. Wanneer de eerste priesters in de boven-Nijldelta hun eerste scholen van magie en inwijding, hun eerste kloosters stichten, doet hun denken en streven ons nog wat kinderlijk aan. Hun oude rituelen – op zichzelf wel waardevol  lijken ons speels en zinneloos toe. Toch blijkt hun ontwikkeling nu steeds sneller te gaan.

Wij zien al snel, hoe zij, achter het masker van een veelgodendom een ééngodendom, een monotheïstische denkwijze, ontwikkelen. Hun goden zijn de kinderen, de schepselen van de ene grote kracht, de ene ware God. De definitie van de Al-scheppende macht door middel van zijn kinderen, de goden, is iets, wat wij overigens overal steeds weer terug zullen vinden, al zal men in deze dagen spreken van één God en zijn engelen, heiligen enz.. Chronos, de tijd, wordt tot de Vader, die zijn eigen kinderen wil verslinden. Brahman is de onzichtbare en werkelijke kracht achter Brahma, de scheppende godheid enz. enz.. Voor het eerst denkt de mens aan geestelijke waarden en tracht deze in beheerste stoffelijke mogelijkheden om te zetten. Nog geen 10.000 jaren later beheerst hij zijn omgeving op een opvallend gemakkelijke wijze.

De mens dringt door in de geheimen van de natuur, maakt machines, die hem dienen. Hij is niet meer verwonderd als eens, maar gaat met een zekere arrogantie door het leven en voelt zich de meester van alle dingen. Eens was men verbaasd, wanneer de mens zijn meesterschap over een klein deel van de materie kon bewijzen en maakte daarvan een magisch geheim. Nu is men haast verbaasd, dat de stormen nog de euvele moed hebben om niet te gehoorzamen aan een menselijke bevel. In de laatste tijd hebben wij binnen de mensheid veranderingen gezien, die haast ontstellend groot zijn binnen een dergelijk klein tijdsbestek. Tussen de filosofieën van een Cato en een Spinoza ligt een betrekkelijk korte tijd. Maar wanneer wij deze beiden vergelijken, zo roepen wij onwillekeurig uit: Welk een verschil van begrip, van inzichten. Wat een onmetelijke afstand moet de mens in de geest tussen deze beiden reeds hebben afgelegd. Groot is deze afstand zeker, al zal niemand in termen van groei van de mensheid een juiste bepaling daarvan kunnen geven, voor duizenden jaren voorbij zijn, indien de ontwikkeling gelijk blijft.

Er zijn echter gebieden, waarop de afstand gemakkelijker te berekenen was. Laat ons niet vergeten, dat de dokter uit Spinoza’s tijd in wezen nog een magiër was. Een astroloog ook vaak. Naast hem stond de chirurgijn-barbier. Een eeuw later is de arts nog steeds iemand, die voor de meeste van zijn successen afhankelijk is van het eigen werken van de natuur. Maar opeens, in een periode van rond 30 jaren, blijkt de mens te leren, hoe hij waarlijk ziekten moet genezen. Hij erkent voor het eerst waarlijk de oorzaken en leert deze bestrijden. Al zijn er vele gebieden op dit terrein, die nog niet beheerst worden, zo bezit men toch op het ogenblik ruim 400 antibiotica, waarvan 14 à 15 wel buitengewoon nuttig zijn en waarmee men vele, eens fatale infectieziekten eenvoudig bestrijden kan met grote zekerheid. Men beschikt over een kennis van het menselijke lichaam, die weliswaar buiten het geestelijk terrein valt, maar mechanisch de perfectie langzaamaan benadert: Men weet zelfs, welke cellen in de hersenen bepaalde indrukken opvangen en weergeven.

Dit alles bereikt men in een zo korte tijd, dat wij de conclusie wel mogen trekken, dat de ontwikkelingen steeds sneller gaan. De lange weg is als een helling, waarop de mens voorzichtig en langzaam eens is begonnen, naar beneden te klauteren om, naarmate hij aan zelfvertrouwen won, zijn vaart steeds meer te vergroten. Voert deze weg naar beneden? Is het een vlucht in het onbekende? Wanneer wij niet rekening houden met geestelijke waarden, kunnen wij terecht beweren dat er sprake is van een vlucht in het onbekende of, misschien zelfs van een vlucht in de afgrond. Vanuit geestelijk standpunt echter zien wij een andere ontwikkeling, omdat wij ons hierbij voornamelijk zullen baseren op geestelijke waarden. Ook deze gaan een lange weg, zij het, dat deze veel meer verborgen is dan de meer openlijke sociale en wetenschappelijk technische ontwikkelingen van de mens.

De eerste geheimen van de geest werden ontdekt in Atlantis, het land dat vergeten is, het land van welks beschaving weinig of niets meer is overgebleven buiten enkele symbolen, motieven en enkele verborgen boeken, die geen mensenoog meer aanschouwt. Dan is er een hele tijd niets, waarna het begrip van de ene God komt en het gevoel van verbondenheid met deze ene God. Er ontstaat een begrip voor de innerlijke waarden van de mens, zijn innerlijke mogelijkheden, zijn geestelijk wezen. Er ontstaat langzaamaan een begrip voor de samenhang tussen waarden van eigen bestaan en kosmische toestanden. Meer dan 5000 jaren geleden worden er reeds leringen verkondigd, die wijzen op een kosmisch bewustzijn in de verkondigers en wel op precies dezelfde basis en wijze, waarop dit vandaag de dag aan de orde komt. Wat is er in de tussentijd gebeurd?

Terwijl de ontwikkeling van de materie zich steeds versnelde, is de geestelijke ontwikkeling afgebogen in de richting van de filosofie. Een filosofie, die vaak niets meer te maken had met de innerlijke openbaring maar eerder een naarstig zoeken naar feiten was, gevolgd door het daarop bouwen van torenhoge stellingen. Een filosofie, die maar al te vaak vertroebelt al, wat zij aan waarden in zich heeft en achter zich weet. Dan komt de tijd dat de groten, die ook nu weer op aarde werkzaam zijn en als stichters of hoofden van de grote godsdiensten worden beschouwd, hun werk gaan doen. Dit betekent een ommekeer: De innerlijke mens wordt verkondigd. En vreemd genoeg zien wij daarmee gepaard gaande, overal, ook buiten de directe invloedssfeer van deze groten, een opleving van het oude natuurgeloof. Onvermoede veerkracht schijnt opeens het oude te bezielen.

In de tijd, dat Rome Engeland bezet, worden de magiërs, priesters en barden van dit land steeds meer in het nauw gedreven. Zij verliezen hun invloed. Het ziet er dan ook een tijdlang naar uit, dat zij en hun goden van hun plaats zullen verdreven en overwoekerd door de vreemde goden ondanks hun verbeten strijd. Hun tempelplaatsen worden haast niet meer bezocht, hun scholen worden gestaakt of hebben een ander karakter gekregen. Dan, opeens, is er een vreemde tijd, waarin het oude vol kracht zich herstelt. Opeens zijn er weer wonderen in de wouden van Brittannië en Germanië. Schijnbaar vergeten rituelen en plechtigheden vinden weer plaats in het zuiden van Frankrijk. Opnieuw is de natuurverering sterk in het noorden van Spanje; kan in geheel Europa van een herleven van de natuurgodsdiensten worden gesproken.

800 jaren daarna zoekt men kennis, theoretiseert men en groeit de macht en invloed van de christelijke godsdienst allerwege. De dogmatische en steeds meer ook politiek belangrijke godsdienst wordt machtig. In de kloosters – openlijk durft men dit niet meer te doen – blijft de oude kennis gehandhaafd en onderwijst men deze, zij het dat dit onder het mom van “klassieke studies” pleegt te geschieden. Op kleine eilanden en aan eenzame kusten – hoofdzakelijk rond de middellandse zee – wordt de oude kennis hernieuwd onderwezen. Daarna ontstaan in Roemenië, Polen en het zuiden van Rusland opnieuw magische scholen, soms wit, soms zwart. De Arabische invloeden in Spanje dragen zorg voor het herleven van oude Arabische en Joodse wijsheden. In bijna alle gevallen is het onderricht vergezeld van regels, die ten doel hebben de oude vermogens van de mens opnieuw te ontwikkelen en de mens opnieuw in nauwere band met de natuur te doen leven.

Uit dit alles ontstaat langzaam maar zeker een systeem. Een systeem dat zeer veel omvatten kan. Wij vinden binnen het kader daarvan dan ook niet alleen de magiërs en ingewijden, maar daarnaast de kabbalisten, astrologen en astronomen, heksen en tovenaars – zoals zij door de kerk worden genoemd – met daarachter geheime groepen, die niet zo gemakkelijk erkend kunnen worden, soms vermomd als christelijke riddergemeenschappen, soms ook vermomd als studie-genootschappen, vakbonden of zelfs als bepaalde industrieën. Terwijl de uiterlijke organisatie van het geestelijk leven van de mens steeds verder voortgaat en een groot deel van de werkelijke geloofswaarden en geestelijke wetenschappen teloor schijnen te gaan in machtsstrijd en komediespel, groeien in Frankrijk, Engeland, Duitsland, Polen, Griekenland, de nieuwe denkers op. Hun leringen worden steeds weer opnieuw samengevoegd en omvatten de waarden van een ver verleden in bijna geheel onvervormde vorm. Wanneer u hoort spreken van het “rozenkruis”, zo denkt u onwillekeurig daarbij aan een christelijke mystiek. Maar het erfdeel van het rozenkruis is ouder dan dit en kan voor een deel worden herleid tot stellingen uit de tijd van 1700 tot 1600 v. Chr. U hoort misschien van de “maçons”. Het begin van de eigenlijke vrijmetselarij kunnen wij in Frankrijk vinden rond 1600, zich vooral in 1700 tot 1800 uitbreidende, en verder vorm krijgende. Maar het erfdeel van deze groepen ligt veel verder terug, in de mysteriën van Griekenland en Egypte, zelfs in de verborgen leringen en mysteriën van Indië. Ik zou voort kunnen gaan. Zelfs betrekkelijk nieuwe richtingen als theosofie en antroposofie zijn in vele gevallen te herleiden tot zeer oude kennis. De theosofie berust op de zeer oude kennis van het oosten, al werd deze aangepast aan de denk- en spreekwijzen van het westen. Wij vinden steeds meer mensen, die zoeken naar een andere inhoud en uitdrukking van het leven, zelfs in het christendom. Mensen zoeken in het christelijk geloof de waarden van de oorspronkelijke mystiek en kennis terug te vinden. Hen treffen wij nu meestal aan in groepen als de “Church of Christ Scientist.” Al deze groepen, vandaag bestaande, blijken de inwijdingen van de oudheid te overbruggen, die eens diep geheim waren. Hoe snel echter hebben deze groepen zich niet ontwikkelt? Na een periode, waarin de geheimleer, de geestelijke lering, alleen in het geheim kon voortbestaan, wordt zij op het ogenblik overal weer in het openbaar gebracht. Ik geef toe, dat daarbij veel vervlakking van waarden voorkomt en dat heel wat van de werkelijke geheimen teloor gaat, tenzij men misschien tot de binnenste cirkels van deze groepen weet door te dringen.

Maar: het is er en heeft steeds meer invloed op de mensheid. Het klinkt misschien ketters in de oren van velen, wanneer ik zeg dat het streven naar de oecumene, zoals dit op het ogenblik weer sterk opleeft, niet alleen teruggrijpt op de tijden van voor de reformatie, maar in wezen op een oudere broederschapsgedachte, die wij vooral in de loges vertegenwoordigd vinden.

Voorbeelden te over: De poging om tot een nieuwe definitie van dogma’s te komen binnen de kerk van Rome is ten dele mede te danken aan de invloed van bepaalde stellingen van de antroposofie en enkele stellingen van de rozenkruisers. Men denkt daarover niet na, maar hoe snel is dit alles niet ontstaan. In 1800 alles nog geestelijk gebonden, star als een bevroren rivier. Een mensheid, die vol zelfgenoegzaamheid voortging. Nu barst het ijs aan alle kanten, nu komt opeens overal alles in beweging. Er is weer leven, dit is zeer belangrijk.

Wij kunnen ons natuurlijk ook af gaan vragen, wat er nu, na de lange weg, die reeds door de mensheid is afgelegd, al zo is blijven bestaan van de verstarde waarden enz.. Daarbij treffen wij vele toestanden aan, die zeker niet juist zijn. Een voorbeeld hiervan is het feit, dat juist de zeer ouden een veel te grote zeggenschap hebben in het bestel en bestaan op uw wereld. Wij zien, dat oude morele opvattingen een gezonde ontwikkeling van de wereld op het ogenblik afremmen. Wij zien, dat gebruiken, die officieel erkend worden, eerlijkheid, eerwaardig enz. heten, in wezen een vorm van huichelarij zijn. Zelfs godsdienstigheid moet in vele gevallen worden onderscheiden van geloof. Maar er is geen stilstand meer. Er zit beweging in de zaak.

De mens is op weg naar kosmisch bewustzijn. Hoe lang dit zal duren? Wanneer de mens het kosmische bewustzijn vanuit het huidige standpunt als gemiddelde waarde van mens-zijn moet gaan bereiken zou dit, indien de maatstaf in tijd kon worden uitgedrukt, tenminste 10 tot 15.000 jaren vergen. Gezien binnen het kader van de versnelling van ontwikkeling, dat door de gehele geschiedenis van de mensheid kenbaar is en ook geestelijk een steeds groeiend momentum betekent, kunnen wij deze termijn beperken tot misschien 1000 jaren. Houden wij geen rekening met het gemiddelde, maar met de pioniers, die wij steeds weer treffen binnen de massa, dan kan worden gesteld, dat het kosmische bewustzijn in deze jaren reeds, ontstaat bij velen en na rond 300 jaren de ervaringen en kennis daarvan reeds velen als redelijk normaal zal voorkomen.

Nu vraagt u waarschijnlijk, waarheen ik met dit alles nu eigenlijk wil gaan. “Want het is wel interessant, maar wat hebben wij er aan?” Wel, wij weten nu dus, dat de loop van de gebeurtenissen zich steeds versnelt. Wij weten verder, dat dit ook geldt voor de processen van bewustwording. Maar is de mens nu op die lange weg wel zoveel veranderd? Uiterlijk is er natuurlijk wel een groot verschil tussen de mens van zeg, 100.000 jaren geleden en de mens van heden. Maar zijn de reacties van de moderne mens nu zoveel zuiverder, overlegder en logischer dan in het verleden? Is de behoudzucht van de mens minder geworden en, vooral: is de mens meer dan vroeger bereid zijn eigen belangen en zelfs de relatie met zijn “god” als uitverkorene te laten schieten voor een meer algemeen werken en streven? Op het ogenblik ziet het daar nog niet naar uit. Wat zal dan het resultaat zijn van het conflict, dat op deze wijze moet ontstaan tussen de betrekkelijke traagheid van de mensheid als zodanig en de ontwikkelingen in en rond de mens, die steeds sneller worden? In het begin zal dit alles ons zeker doen denken aan iemand, die zo snel naar beneden loopt, dat hij zijn vaart niet meer in kan houden en doodsbenauwd wordt. Dat is de mensheid van vandaag dan ook wel over het algemeen.

De mensheid is doodsbenauwd voor een crisis of een oorlog, de mens is dan wel van zichzelf, dan wel van zijn buren bang. Verder zullen wij zien, dat iemand, die zijn snelheid op de weg bergaf niet meer beheerst, over het algemeen ook vreemde en onbeheerste gebaren zal maken. Hij gedraagt zich verder niet als iemand, die direct weet, waar hij naar toe wil. Hij is eerder als iemand, die bij de genade Gods de weg neemt, die toevallig voor zijn voeten ligt en alleen nog maar kan hopen, dat hij niet zal vallen. Ik meen, dat dit beeld op de mensheid van vandaag wel degelijk van toepassing is. U wordt door gebeurtenissen gedreven en gejaagd. Of u weet wat u wilt of niet, steeds weer ontstaan er ontwikkelingen, waar u nolens volens met mee moet. Dan kunt u soms datgene, wat u nog af wilde maken, niet meer afmaken. U wordt geconfronteerd met een geheel nieuwe situatie, u ontdekt opeens, dat u veel armer of rijker bent, dan u tevoren dacht. U weet eigenlijk in deze tijd zelf maar zelden, waar u nu eigenlijk aan toe bent.

Dit betekent, dat een ieder krampachtig vecht voor zichzelf, zonder de begeerde resultaten ook maar geheel te bereiken. De een vecht voor zijn gemoedsrust, de ander voor zijn bezit, de derde voor zijn geloof. Gezien de onmogelijkheid, alles geheel af te maken, of het begeerde geheel te bereiken, is volgens mij in deze dagen dan ook een steeds grotere felheid haast onvermijdelijk. De kosmische invloeden kunnen wij hierbij overigens rustig buiten beschouwing laten, want in de geschiedenis van de mensheid zijn deze ook steeds voor gekomen, zodat wij mogen aannemen, dat het algehele patroon van de menselijke ontwikkelingen bruikbaar is om een beeld te verkrijgen van alle werkelijke mogelijkheden en waarden van deze tijd.

Dan is de eerste en misschien niet onbelangrijke conclusie, die ik wil trekken, deze: De doorsnee mens in deze dagen zal onbeheerst zijn. Niet, dat hij geen wil bezit, maar hij heeft zo weinig blijvend doelbewustzijn, dat hij zijn wil slechts zelden zal kunnen gebruiken om langere tijd een werkelijk reëel doel na te streven. Wat de mens van heden doet, is over het algemeen steeds wisselende luchtkastelen nastreven, terwijl zijn voeten treden op een pad, dat hij zelfs niet kent.

In de tweede plaats kunnen wij dan concluderen, dat de mens aanmerkelijk sneller zal moeten gaan reageren en zich aanpassen dan tot nu toe, wil hij in staat zijn het tempo van de ontwikkelingen althans enigszins bij kunnen houden. Dit betekent, dat hij sneller tot een totale omstelling zal moeten komen dan vanuit het nu als normaal geldende standpunt denkbaar is.

Een derde conclusie moet dan luiden, dat de mens, die niet in staat is dit tempo bij de houden – ongeacht of hij jong dan wel oud is – tot vallen komt, wat voor sommigen direct de dood zal gaan betekenen, voor anderen in ieder geval zal betekenen, dat zij uitgeschakeld worden uit het werkelijke leven. Ook dit is een voor u interessant punt, vooral omdat u dit – indien u maar op de wereld en uw omgeving let – met de dag meer zult zien gebeuren. Dan kunnen wij verder nog uit al het voorgaande afleiden, dat, waar de regels die vandaag gelden, niet geheel juist zijn en geen regels zijn te stellen, die in de toekomst geheel en zonder voorbehoud juist zullen zijn. Het enige, wat gehanteerd kan worden als maatstaf kan zijn, eigen innerlijk en innerlijk pad.

Wij kunnen ons uiterlijk gedrag aanpassen aan de tijd, waarin wij moeten leven en zelfs aan de behoeften van een komende tijd. Maar een zekerheid omtrent de werkelijke vereisten bezit men, zeker als mens, niet voldoende. Op het ogenblik echter, dat wij naar de oude waarden grijpen, die over vele duizenden jaren zijn overgeleverd, daarbij steeds weer alle leringen en openbaringen niet ziende als eenmalig, maar als een aandeel in een continuïteit van ontwikkelingen, zo zullen wij m.i. in staat zijn, een innerlijke gesteldheid te bereiken, die ons een juist reageren steeds weer mogelijk maakt, zelfs wanneer, materieel gezien, de zaken nog onbeheerd voortsnellen en een materieel doel nog steeds niet gemakkelijk te kiezen zal zijn.

Ten laatste zou ik hieraan nog de conclusie willen verbinden, dat de mens in deze dagen ongetwijfeld langs de geestelijke weg over energieën kan gaan beschikken, die hij steeds meer nodig heeft. Hij zal dit, naar ik meen, ook steeds meer gaan beseffen. Maar eerst wanneer hij deze geestelijke energie in de plaats kan stellen van zijn materiele energie binnen het kader van deze voor hem zo razendsnel voortspoedende tijd, zal hij het gebeuren van deze tijd kunnen gaan beseffen en beheersen.

Het is dus noodzakelijk het geestelijk beeld voorop te stellen en vanuit dit geestelijk beeld te werken. Dan alleen is een redelijke beheersing van de omstandigheden en zelfs het vinden van een juist doel of een juiste taak – zoals men het vaak liever zegt – mogelijk. U ziet dus, dat wij uit de lange weg van de mensheid toch wel veel kunnen leren. Overigens leren wij daaruit niet alleen veel, trekken wij daaruit niet alleen maar conclusies omtrent het heden, maar op grond daarvan kunnen wij ons zelfs een redelijk beeld maken van alles, wat zal gaan geschieden.

Indien wij dus verleden evenals het heden met al zijn problemen terzijde stellen en eens naar de toekomst zien, zullen wij uit het heden een grote reeks feiten kunnen trekken, die ook in de toekomst de situatie zullen bepalen en aangeven, welke ontwikkelingen onvermijdelijk waar moeten worden. Ook al zal men daarom nog niet kunnen zeggen in welk jaar, op welke dag en welk uur dit nu zal geschieden. In de verre oudheid leerde de mens, die zijn wil had gevonden, dat hij alleen in samenwerking met anderen, in gemeenschap, de hem dreigende gevaren overmeesteren kon. Dientengevolge, zal de behoefte aan meer verbondenheid en het ontstaan van steeds grotere en sterkere groeperingen op aarde voorlopig wel onvermijdelijk zijn.

In de tweede plaats leerde de mens in het verleden, dat zachtheid op een bepaald ogenblik een gevaar kan betekenen voor de gehele stam. Dat men vroeger ouden van dagen, kinderen en minderwaardigen eenvoudig achterliet en aan de dood prijs gaf, mag in de ogen van de hedendaagse mens misschien onverantwoordelijk en onmenselijke zijn, maar het was de enige wijze om de leden, die nog wel tot de stam bleven behoren, enige zekerheid te verschaffen en er zorg voor te dragen, dat in de groep alleen mensen leefden, die waarlijk iets bij konden dragen tot grotere zekerheid, veiligheid, groter gemak ook van het geheel. Ik meen, dat ook de moderne tijd zal moeten ontdekken, dat een zekere hardheid onvermijdelijk is, ja, dat hardheid zelfs belangrijker is, vooral eerlijke hardheid, dan alle goede wil zonder dit.

Dan zien wij verder, dat voor vele stammen het gebied, waarin zij leven, bepaalt, hoe groot de stam zal zijn, hoeveel zwakkeren of nog niet volwaardigen eventueel uitgestoten moeten worden. Ik meen, dat ook voor de mensen van heden dit begrip van aanpassing zal moeten gaan overheersen: Men kan niet onbeperkt de natuur aanpassen aan de mens, zonder de mens daarbij zijn mens-zijn en menselijkheid te doen verliezen. Er komt een ogenblik, waarop men zich in aantal en bezigheid zal moeten gaan beperken, om, op deze wijze optimale mogelijkheden te verkrijgen voor degenen, die op aarde leven. Ik meen, dat ook hier, zeker in de komende tijd het een en ander zal worden gedaan, al zal men niet openlijk durven uitkomen voor dit denkbeeld.

Verder ontdekken wij, dat de mensen in de oudheid met hun primitieve geloof niet zoveel verder kwamen, tot zij sjamanen kregen. Deze priester-tovenaars en wonderdokters – hoe dwaas hun stellingen en handelingen ook geweest mogen zijn – waren degenen, die de eerste wetenschap tot stand brachten en zo een vernieuwing van hun wereld bevorderden.

De wereld van heden is nu ook aan een periode, waarin sjamanen nodig zijn, toe, en heeft deze in wezen dan ook reeds. Zonder er verder ook maar iets kwaads mee te bedoelen, wijs ik hier op de dieptepsychologen, die, hoe wetenschappelijk hun benadering ook moge zijn, in feite werken met het onbekende, zich daarop beroepen op grond van onbewezen stellingen en zo de magiërs en sjamanen van deze tijd schijnen te worden. Zoals bij de stam zal er altijd voor een groep een geestelijk middelpunt moeten zijn, dat meer is dan alleen maar een belofte voor een hiernamaals, of een verre toekomst dan wel een beroep op een ver verleden. Een dergelijk centrum moet iets kennen, dat nu, onmiddellijk, werkzaam is. Het nabije verleden leert wel, dat het onmogelijk is een blijvend resultaat binnen deze bepalingen op politiek of economisch vlak te krijgen. Of je nu Ivar Kreuger heet of Adolf Hitler, het blijkt altijd weer gevaarlijk op een dergelijke basis het middelpunt te worden, omdat door de veelheid van invloeden, die je niet kunt overzien het niet mogelijk lijkt een evenwicht te behouden.

Er zal een wetenschap moeten ontstaan, die meer geestelijk is. Daarom durf ik wel te veronderstellen, dat paranormale begaafdheden, paranormale vermogens, parapsychologie en verdere vormen van psychologie – ofschoon de benaming niet juist is, want men kent en bestudeert niet de psyche, maar hoofdzakelijk de mentale delen van de patiënt – een zeer belangrijke plaats in zullen gaan nemen in de maatschappij van morgen. Wat het geloof betreft blijkt, dat elke formulering voldoet, mits zij tot een werkelijk geloven voert en niet verzandt in riten en gebruiken. Ook dit is interessant. Er is dus geen sprake van een bepaalde godsdienst of leer, die noodzakelijkerwijze in de toekomst zal overwinnen. Het belangrijkste blijkt steeds weer de intensiteit van geloof, die binnen een bepaald systeem bereikt wordt. Zolang deze bestaat is de eerste de beste primitieve vorm van godsdienstigheid, zoals groene magie of voodoo, even levensvatbaar en belangrijk als de grootste wereldkerk met de meest uitgebreide theologie.

Het gaat hier immers niet zozeer om de stellingen als om het stimuleren van de niet redelijke waarden van de mens, waardoor hij zich bewust kan worden van zijn innerlijke wereld.

Ik meen, dat wij in de toekomst binnen en buiten de kerken steeds meer groeperingen zullen zien, die een intens geloof, een zo bewust mogelijk geestelijk leven en vooral zo veel mogelijk onmiddellijk resultaten op dit terrein na zullen streven. Wat meer is: Ik ben er zelfs van overtuigd, dat het uiteindelijk deze groepen zullen zijn, die het lot van de mensheid zullen bepalen na de eerste 20 of 30 jaren.

Wat is bij de ontwikkelingen in het verleden kentekenend geweest? Wanneer wij de gehele lange weg overzien, zo is er steeds weer de lichtende gestalte van de priestervorst, de godheid enz., de brenger van openbaringen, de profeten, de Verlosser enz.. Altijd weer treden zij op in perioden van crisis. Altijd weer blijkt hun werkelijke betekenis en leer eerst 100-den jaren nadat zij uit het stoffelijke leven zijn heengegaan. Altijd weer blijkt hun leer dan ook vervormd te worden en blijft de werkelijke leer slechts binnen een beperkte kring bekend, welke dan later weer in staat zijn nieuwe profeten voort te brengen dan wel een eerste steun en gevolg te vormen voor de nieuwe lichtbrengers.

De ervaringen van het verleden doen stellen, dat wij ook in deze dagen moeten rekenen op profeten, gezondenen. Een van hen hebben wij reeds op aarde gezien: De nieuwe Wereldleraar. Er zullen er echter meer moeten komen. Een periode in het verleden kende vaak achtereenvolgens een gehele hiërarchie van profeten. Gezien de versnelling van deze tijd zou dit moeten worden: Een steeds zich verdubbelend aantal profeten. (dus voor 1, 2, voor 2, 4 enz.).

De huidige wijze van leven en denken, de huidige situatie belooft in een zeer nabije toekomst een toenemende reeks van profetieën, nieuwe bewustwordingen en geïnspireerde leringen omtrent de werkelijkheid. Dit zal de mensheid nog niet onmiddellijk tot het kosmische bewustzijn of zelfs maar in de richting daarvan brengen. Velen van hen zullen in deze dagen immers nog te zeer geneigd zijn de ontvangen waarden om te vormen naar eigen beeld en gelijkenis, zoals de mens met alle dingen pleegt te doen, tot God toe.

Ook hier komt de vraag, of dan niet de aantallen ware gelovigen, de werkelijke volgelingen, die er toch ook altijd zijn geweest, ook niet veel sneller zullen toenemen dan in het verleden.

Ik meen, dat dit inderdaad het geval zal zijn, maar dat de uiting daarvan – de zendingsactiviteit daarvan – meer verborgen is. Op grond daarvan neem ik aan, dat de leringen van de nieuwe Wereldleraar over ongeveer 100 jaren op aarde wel algemeen bekend zullen zijn.

Vroeger nam dit – bij kleinere aantallen dan nu – van 800 tot rond 300 jaren. Het is interessant op basis van deze lange weg een extrapolatie te maken. Het geeft ons enig inzicht van de richting, waarin wij gaan en de verschijnselen, die daarbij op zullen treden.

Het ijs is gebroken, de verstarring, die in de jaren tussen de Franse revolutie en de eerste wereldoorlog de mensen een beetje stil heeft doen staan in hun mogelijkheden en ontwikkelingen op geestelijk terrein, is voorbij. De snelle ontwikkeling op elk terrein belooft ons vele botsingen. Ik zei het reeds: Het ijs gaat barsten. Wat nu nog vijandig en gevaarlijk schijnt, zal echter zo dadelijk smelten en in de loop van het water worden opgenomen.

Ja. Vandaag mogen wij terugzien naar het verleden en vooruitzien naar de toekomst. Niet zonder enige trots kunnen wij vaststellen, dat de mens meer en meer een peil van geestelijke rijpheid benadert. Niet zonder vreugde kunnen wij constateren, dat de tijd, die hij nog nodig heeft voor een kosmisch bewustzijn een normaal deel van zijn bestaan kan zijn, steeds korter schijnt te worden. Kan de mens dan op dit snelle pad niet struikelen? Zeker. Juist door de tomeloze vaart, waarmee de mens in deze dagen zich pleegt voort te bewegen op elk terrein, zijn de gevaren niet uitgesloten, zijn struikelen en vallen niet uitgesloten. Enerzijds door al te grote voorzichtigheid, anderzijds door een te groot zelfvertrouwen en een daaruit voortkomende roekeloosheid zal er heel veel kapot gaan. Dit is niet te vermijden.

Maar wanneer het niet al te erg wordt, ligt er een gulden wereld voor u. Het is daarom, dat ik dit onderwerp heb willen behandelen, het kan u duidelijk maken, waarom wij tot u steeds weer zeggen: dit is een periode, die wordt afgesloten, er begint een nieuwe tijd. Dat is natuurlijk niet al te letterlijk op te vatten. Maar de tijd stormt voort en daarmee uw eigen ontwikkeling, uw bewustwording, uw stoffelijke mogelijkheden en problemen. Ook wilde ik duidelijk maken, dat er altijd weer een periode van afrekening is, een tijd, waarin het tempo verandert, een ogenblik, waarop je een ogenblik misschien zelfs de kans krijgt om wat te rusten, voor je weer verder voort moet gaan. Ik meen, dat de mensheid op haar pad is aangekomen bij een klein plateau, waarop zij weer even zal kunnen verpozen, misschien 20 of 30, misschien ook 50 jaar, maar meer in geen geval. De laatste pauze, die de mensheid kende was ternauwernood 200 jaren.

Dus in de nabije toekomst, na een periode van toenemende verwarring een onverwacht snelle stabilisatie. Herzieningen, die niet zozeer het uiterlijke patroon van leven aan zullen tasten, als u nu misschien vermoed, maar wel de innerlijke mens op een geheel nieuwe wijze oriënterend en tegenover het leven doen staan. Er komt rust. Zeker. Een tijd van rust, waarin de mens op kan bouwen. Dit is noodzakelijk, want te veel moet herzien of vervangen worden. Tot nu toe heeft men te veel ballast van het verleden meegesleept en deze moet terzijde worden gesteld.

Er zijn ook vele nieuwe waarden die men nog niet voldoende heeft bezien, die men nog niet voldoende heeft uitgebuit. Een periode van ondergang en opbouw is noodzakelijk en gedurende deze tijd ligt op de achtergrond rust, stabilisatie. Ook in deze maanden hebben wij iets te maken met een dergelijk verschijnsel. Het lijkt wel of de tijd een ogenblik pauzeert en wankelt, voor zij de volgende pas zet.

Maar … het nieuwe is er nog niet, van het oude kan men nog geen afstand doen. Dit brengt conflicten. Het kan niet anders of men zal, met het rustpunt in het vooruitzicht, weer op hol slaan, de mensheid zal dit doen en de geest met haar, omdat de geest wil trachten te helpen en te steunen, waar zij maar kan. Na twee à drie maanden van de huidige verwarring en rust neemt het tempo van leven weer onmogelijk snel toe, vrienden. Maar alleen, omdat een groter rustpunt nabij is.

Van zeg rond augustus van dit jaar tot bijna einde 67, waarschijnlijk oktober, een ongelofelijke versnelling, een veelheid van gebeurtenissen in een tempo dat een mens haast niet kan verwerken en bijhouden.

Wat vandaag niet deugt, is morgen God en wat morgen God is, wordt overmorgen in de goot getrapt.

Zelfzucht en ongelofelijke daden van naastenliefde gaan hand in hand.

Revolutie en opstand gaan hand in hand met blijken van mensenliefde, die in de geschiedenis haast zonder voorbeeld zijn.

Massahysterie wisselt af met berekening en koel verstand.

Werkelijk inzicht wordt afgewisseld met waan en dreigingen met dodelijk geweld worden afgewisseld met pogingen, om geweld eindelijk voorgoed van deze wereld te bannen.

Zo zijn de komende jaren. Allen tezamen echter zijn zij, hoe belangrijk de komende dagen ook in uw ogen mogen zijn, niet meer dan 1 of 2 schreden op de weg voor de mensheid als geheel, gevolgd door een kort ogenblik van rust.

Wij zijn geneigd om te denken: Nu zijn wij eindelijk bijna aan het doel. Maar wat de mens doet is niet alleen een afdalen. Zeker, het dal is niet zo ver meer verwijderd. Een dal, dat een soort Armageddon is, een dal waarin – meer in de geest dan in de stof – de skeletten van de oudheid op zullen staan en slag zullen leveren tegen de vernieuwing en de levenden.

Maar de levenden zullen winnen. Want met hen is het leven, is de nieuwe geest, is begrip, waardoor de mensen uiteindelijk in staat zijn het oude, dat de mensen zo lang beheerst heeft, over boord te gooien. Dan begint de moeizame tocht naar boven: Zoals eens de mens de wil had, maar zijn instincten nog niet meester kon zijn, zal de nieuwe mens een doelbewustzijn bezitten, maar daarmee heeft hij nog niet de beheersing verworven, waardoor hij dit doel met uitsluiting van al het andere na zal kunnen streven. Dan gaat het pad bergop. En dat betekent, dat de schreden steeds moeizamer en langzamer worden. De ongeremde, de tomeloze vaart verandert dan in een traagheid. Traagheid in vergelijk tot de stormen van de laatste tijden en de ongelofelijk snelle ontwikkelingen. Daardoor zal de volgende periode tenminste 2000 jaren vergen.

Stoffelijk zal er traagheid zijn. Maar het geestelijk begrip, dat in deze moeilijke jaren voor de mensheid wordt gewonnen, zal m.i. uiteindelijk voorkomen, dat er 100.000-den jaren voorbij moeten gaan, voor de mensheid als geheel tenminste een gloren van het kosmisch bewustzijn zal kunnen bezitten, enkele duizenden jaren slechts zal deze periode van streven vergen, meer niet. Dan is de lange weg voor het ras van heden, voor de mensheid van nu, naar ik meen ten einde. Dan ontmoet de mens, zoals Dante zijn Beatrijs op de hemelse vlakte in zijn Comaedia, de waarheid. Voor het eerst. De waarheid omtrent het leven, de waarheid ook omtrent zichzelf. Daarmee komt het nederige bewustzijn van eigen falen, maar ook de behoefte om werkelijk te leren. Dan, in de rust, die dan volgt, een grote rust, die misschien wel enkele duizenden jaren zal duren, zal de mensheid als geheel wel rijp worden, om waarlijk de hemelse velden, waarlijk het Colosseum te betreden. Dan zal hij binnen kunnen treden in een wereld, die waarlijk kosmisch is en niet beperkt blijft tot 1 kleine planeet, 1 klein volk, land, een kleine groep.

De lange weg van deze mensheid is, althans in stoffelijk opzicht, bijna ten einde. Na de vele duizenden jaren van het gekende verleden blijven nu misschien nog een paar duizend jaren over, meer niet. Voor u lijkt dit misschien onmetelijk lang. Maar hoe lang is de tocht niet, die ook u heeft gemaakt met de mensheid, om hier te komen, hier, vandaag, met al uw verborgen gedachten en wensen, met uw geheimen en onevenwichtigheden, uw onbeheerstheden, maar ook met uw eerste begrip voor nieuw licht, uw eerste honger naar nieuwe rijken van de geest. Wie weet vindt u hier ook een eerste inzicht van uw werkelijke doel en uw werkelijke taak.

Vragen.

  • Komen uit dierengroepen geen nieuwe primitieve mensen meer voort, zoals in menige theorie wordt gesteld?

Dit geschiedt wel maar deze primitieve mensenrassen kunnen onder de omstandigheden niet meer zo snel aanwassen. En dieren incarneren steeds minder, al is het alleen maar, omdat de mens als gevaarlijkste roofdier in deze wereld, steeds minder daarvoor geschikte dieren overlaat. Naarmate de mens wijzer wordt, zal de grens tussen mens en dier ook groter worden, en dit zal eveneens deze incarnaties steeds meer af gaan remmen, geen absolute stilstand, maar toch wel een zeer sterke vertraging dus. De grote gang van een uit het dier gekomen mensheid zal nu eerst kunnen beginnen, nadat dit ras, deze mensheid zijn laatste schreden als mens op deze planeet heeft gezet en zijn bevrijding van te grote stoffelijke gebondenheden voor zich heeft gewonnen.

De theosofen zouden zeggen: Het 5e wortelras spoedt ten einde. Verhoudingsgewijs wordt het aantal dieren, dat als menselijke vorm incarneert, steeds minder. Er komen steeds meer wezens in menselijke vorm. Gelijktijdig neemt ook het aantal groepsincarnaties vanuit het verleden toe. Vandaar dat het aantal mensen op aarde een top heeft bereikt, die zover mij bekend is, te voren op deze wereld nog nooit bereikt is. Het aantal idioten, dat als mens kan incarneren is dus in verhouding steeds minder, terwijl deze mensen in eerste incarnatie niet in staat zullen zijn de werkelijke ontwikkelingen van het geheel van de mensheid bij te houden.

Zij worden a.h.w. een klasse of groep apart. Wanneer wij het op de keper beschouwen, zullen wij misschien zelfs kunnen zeggen, dat deze het zullen zijn, die de basis vormen voor het komende ras, hoe vreemd dit ook moge klinken. Want na maximaal 10.000 jaren is de bestaansmogelijkheid voorbij voor allen, die behoren tot dit wortelras.

Wij staan reeds nu aan het begin van een volgende cyclus. Nog daalt de mensheid af. Daardoor kan zij, zij het steeds minder, dieren nog opnemen in menselijke incarnatievormen. Maar wanneer men begint te stijgen naar meer geestelijke waarden, is dat geheel onmogelijk geworden. Eventueel kan een sub-ras ontstaan, dat t.a.v. de verdere mensen minderwaardig is. Maar van een versmelting is dan geen sprake meer.

Een dier, dat als mens moet incarneren, zal daartoe een hiaat moeten overspringen. Wordt de afstand van mens tot dier groter, dan zal dit niet meer mogelijk zijn. Wel kan een nieuwe, tussenliggende vorm ontstaan, maar van een als dier onmiddellijk overgaan tot de mensheid is dan geen sprake meer.

  • Is het de mens, die zelf de verschijnselen oproept? Wanneer er een crisis is, zien wij altijd weer van die rare verschijnselen, waarvoor de mens zelf toch aansprakelijk is?

Ik meen, dat men dit iets anders moet zien: Naarmate het begripsvermogen van de mens groter wordt, zullen de verschijnselen, die voor de mens als wonder gelden, van steeds hogere orde moeten zijn. M.a.w. wat vandaag een wonderlijk toeval is, was gisteren nog een mirakel, daardoor zal inderdaad het bijzondere verschijnsel steeds meer van goddelijke oorsprong zijn, of door de mens georigineerd worden. De nadruk zal in de eerste honderd jaren wel liggen op de door de mens zelf veroorzaakte verschijnselen. De kosmische krachten en invloeden zullen echter ook werkzaam zijn. Dit is niet te loochenen. Ook in het verleden maakten deze invloeden deel uit van de menselijke ontwikkeling. De mens is geneigd om alle daaruit voortkomende verschijnselen te zien als deel van eigen werken en streven, daarbij vergetende, dat deze invloeden het klimaat bepalen, waarin hij leeft, de mogelijkheden, die voor hem bestaan.

Het bewustzijn, dat men zich binnen dit klimaat verwerft, is geheel de zaak van de mens. De kosmische invloeden kunnen bijdragen aan een versnellen van de ontwikkelingen, al is het de mens zelf, die dit tempo bij zal moeten houden dan wel vallen. Daarom is niet de mens zelf geheel voor alle wonderlijke verschijnselen aansprakelijk te achten, ofschoon in deze dagen de verschijnselen steeds meer zullen vallen onder de voor de mens mogelijke krachten en de door de mens te bereiken harmonieën. Steeds minder zullen daarom deze verschijnselen voor de mensen een openbaring van de boven hen liggende krachten schijnen te zijn.

In de toekomst zal de mens inderdaad steeds meer kunnen beheersen, zelfs voor hij een kosmisch bewustzijn bereikt. In dit laatste geval echter is er op zijn mogelijkheden toch een kennelijke uitzondering: Moeder Aarde, waarop hij leeft. De aarde reageert op haar kinderen en laat zich door hen niet beheersen, voor zij in bewustzijn aan haar gelijk gaan komen. Wel antwoordt zij op alle uitstralingen en stemmingen van de mens. Wanneer haar kinderen onredelijk zijn, is moeder aarde dat ook. Dat heeft u in de laatste tijd reeds kunnen ervaren en in de toekomst zult u daarvan nog wel meer voorbeelden zien.

  • Dat beeld van afdalen vind ik niet zo mooi.

Ik nam dit beeld om duidelijk te maken, waarom de ontwikkeling zich versnelt. Het heeft dus niets te maken met het geestelijk peil of bereiken van de mens, maar slechts met een cyclische gang binnen de voortgaande bewustwording. Wij kunnen het echter ook anders stellen. Er is nu een golf van geestelijk bewustzijn, zo stel ik. Is de top bereikt, dan kan men in de geestelijke richting niet meer verder. Het besef wordt nu omgezet in materiële kennis en beheersing. Heeft men echter alles materieel verwerkelijkt, dan heeft men zijn grootste materiële bereiking gehad en komt niet verder meer. Men gaat dan dus weer verder op geestelijk terrein. Dit wil zeggen, dat er dus perioden kunnen ontstaan, die misschien voor u identiek en stijgend schijnen te zijn, maar in wezen tegengesteld gericht zijn, omdat de ene toestand voortkomt uit een verder voortgezet materieel streven, terwijl de andere situatie ontstaat door een vanuit de stof terug streven naar het geestelijke. De gelijkheid van toestand heeft dan tegengestelde resultaten.

Ik nam een voorbeeld van dalen en stijgen, omdat de mens vanuit zijn hoofdzakelijk materieel gericht streven gaat komen tot een meer geestelijk streven, waarin een herhaling van toestanden in het verleden niet onmogelijk is. Het kan zelfs zijn, alsof de geschiedenis een tijdlang in omgekeerde volgorde gaat lopen, de resultaten zijn echter kennelijk anders, omdat er nu sprake is van een geestelijk streven en zo in een stijgen de mensen misschien steeds langzamer vooruitkomen, maar tevens een juister overzicht gewinnen van de wereld, waarin zij leefden en leven, zo een beheersing bereikende, waarbij zij niet de slaaf, maar de werkelijke meesters van de materie worden. Heeft men de top weer bereikt, dan is het heel waarschijnlijk, dat daarachter weer een dal ligt. Het streven in de materie zal dan in ieder geval niet meer op een menselijk vlak liggen.

Ik hoop hiermee mijn voorbeeld gerechtvaardigd te hebben. Uiteindelijk zal een toestand ontstaan, waarin de mens niet meer de noodzaak kent om, als stofmens, engel, geleidegeest of wat dan ook, deel te hebben aan het leven door een persoonlijk streven. Hij is dan deel van de eeuwigheid en behoort slechts tot het totaal van de goddelijke uitingen, zonder daarin zichzelf nog te willen uiten.


  • Volgens u zou dus de taak van het 5e wortelras binnen 10.000 jaren beëindigd zijn?

Als mens. Als geest kan men, ofschoon men het mens-zijn ontgroeide, toch nog vele taken vinden en een nieuwe, even lange weg aanvaarden. Dit geschiedt dan echter gemeenlijk in geestelijke toestand en heeft met menselijke wortelrassen alleen mogelijk nog te komen door de geestelijke hulp, leiding en bijstand, die men geeft. Er zal dan sprake zijn van mogelijkheden en taken in een grootorde, die voor de mens eenvoudig nog niet denkbaar zijn. Slechts een enkeling zal misschien iets daarvan kunnen laten doorschemeren omdat hij, neerdalende tot de mensheid, in zich reeds de grote eenheid bereikt heeft, waardoor hij het peil van dit wortelras reeds overschreden heeft. Aan de stofperiode ontwassen treedt zo iemand, ook al leeft of manifesteert hij zich in de stof, reeds binnen in de grote geestelijke werkelijkheid, waarin nu zijn klimmen begint. Ik hoop, dat dit alles duidelijk is en eveneens hoop ik, dat u nu niet zult zeggen: Hoe vervelend was dit onderwerp. Soms heb ik de indruk, dat dit het geval is. Maar als een mens verdwaald is of zelfs maar dreigt te verdwalen, mag je hem toch wel een kaart onder zijn neus duwen in de hoop, dat hij de weg vindt? Wat ik stelde omtrent vroegere, huidige en toekomstige ontwikkelingen geldt voor u en is daarom voor u belangrijk.

Esoterische beschouwing.

Dit deel van onze bijeenkomst is bestemd voor meer esoterische beschouwingen. In het eerste onderwerp is nu een toespeling gemaakt op de vele cyclische verschijnselen, die de mens beïnvloeden, de cycli, die de wereld ook als geheel doormaakt.

Wanneer wij deze verschijnselen nader gaan ontleden, wordt het al snel aanleiding tot de vraag, of wij nu eigenlijk zelf leven dan wel geleefd worden: Regelmatig zijn er perioden, waarin wij energiek zijn en tijden, waarop wij lusteloos zijn. Er zijn ogenblikken, waarop wij buitengewoon sterk zijn en waarlijk veel tot stand kunnen brengen, maar daar tegenover staan tijden, dat wij ons machteloos gevoelen. Er zijn tijden, dat alles tegenvalt en tijden, waarin alles ons meevalt. Indien je je eigen leven nagaat, kun je zien, dat dit alles vaste perioden betreft.

Wat ons innerlijk leven betreft, kunnen wij daarvan natuurlijk minder op aan, want elke mens zal op zijn eigen wijze alle uiterlijke tendensen verwerken. Toch vinden wij ook hier de terugslag van deze cycli. In tijden van lusteloosheid kan men bv. wel aannemen, dat men gezapig, saai, verveeld is, maar geestelijk zal dit vaak evenzeer gelden. Perioden van energie blijken ook geestelijk voor de meesten merkbaar: Men heeft meer ervaring, verwerkt deze intenser en juister. Daarom lijkt het mij goed, juist deze verschijnselen en de problemen, die voor de mens daaruit voort schijnen te komen, eens te bezien.

Allereerst zullen wij dan trachten een antwoord te vinden op de vraag, of deze stoffelijk optredende cycli nu bepalend zijn voor de werkingen en mogelijkheden van de geest of niet. Voor de doorsnee mens kunnen wij wel stellen, dat zijn geestelijk leven mede door deze verschijnselen wordt beheerst, zodat zelfs zijn vermogen om tot zichzelf door te dringen en in zich waarheid te vinden, vaak afhankelijk schijnt te zijn van de periode, waarin men zich stoffelijk bevindt. Naarmate men echter in de geest bewuster wordt, blijkt de cyclus minder invloed te hebben. De geest vindt een kracht, waardoor zij in zich kan blijven schouwen, wanneer de stof een negatieve periode doormaakt en zal zelfs ontdekken, dat in het ik krachtreserves schuilen, die men zowel voor geestelijk werk als stoffelijke noodzaken kan gebruiken.

De geest kan dus optreden als reserve en zo de tekorten van de stof opheffen. Zij kan optreden als krachtbron, maar kan zich ook onafhankelijk van uiterlijke omstandigheden inzicht verschaffen. Want het geestelijk inzicht, dat wij verworven hebben kan worden aangepast aan de stoffelijke behoeften en mogelijkheden. Het blijkt, dat men daardoor de cyclische verschijnselen, wat het eigen ik betreft, grotendeels ongedaan kan maken. Hoe minder wij in onszelf bewust zijn geworden, hoe gemakkelijker men dus door de cyclus in beleven en mogelijkheden gedomineerd zal worden. Blijvend is die toestand echter niet: Naarmate de geest bewuster is, zal de cyclus minder invloed hebben en zal eigen bewustzijn meer direct eigen leven en beleven gaan bepalen.

Een tweede vraag, die voor mij in dit onderwerp is gelegen luidt: Zijn wij dan wel helemaal vrij?

Het antwoord daarop vind ik bij een oude meester, die stelt: Elke mens geniet een vrijheid in overeenstemming met zijn vermogen, van die vrijheid een waardig en goed gebruik te maken.

D.w.z. dat ons eigen streven en geestelijk bewustzijn onze vrijheid bepaalt. Pas wanneer wij fit en bewust genoeg zijn om zelf een vaste koers te varen, zelf naar onze God te streven en zelf innerlijk de waarheid te zoeken en te vinden, zijn wij vrij.

Conclusie: Er bestaat geen voorbeschikking of voorbestemd zijn, maar de innerlijke bewustwording is bepalend voor het al dan niet optreden daarvan in uw eigen leven. Want waar u zelf niet in staat bent de juiste harmonie te vinden, de juiste invloed te ervaren, het juiste inzicht te gewinnen, zullen omstandigheden, die u niet kunt regeren, u daartoe brengen of dwingen.

Weigert u van de zo gegeven mogelijkheid gebruik te maken, dan zullen deze buiten uw beheersing liggende omstandigheden zich herhalen.

De derde vraag doet u, in dit verband, misschien wat vreemd aan. Toch wordt zij juist in deze context vaak gesteld: Als God dan liefde is, waarom laat hij dan zoveel wreedheid toe?

Waarom is God zo onbenaderbaar? Het antwoord vinden wij in onszelf: Hoe dieper wij doordringen in eigen wezen, hoe dieper wij ook de verbondenheid van alle wezens gaan begrijpen. Hoe sterker ook ons begrip wordt voor de noodzaak, die eenheid uit te drukken en voor de vaste plaats, die wij zelf binnen het geheel van de schepping als deel van deze eenheid innemen.

Wij zijn ergens in de kosmos vastgelegd. Wij zijn deel van de Goddelijke Gedachten, al weten wij niet precies hoe. Pas wanneer wij dit voor onszelf waar hebben gemaakt, zijn wij waarlijk en geheel onszelf. God gaat niet uit van menselijke maatstaven, maar van de grote eenheid, het beeld, dat Hij heeft geschapen. Wij echter gaan uit van de onvolmaaktheid, waarin wij onszelf beseffen. Wat wij als wreedheid zien, is vaak niet veel meer dan een waarschuwing aan de kinderen: Niet meer snoepen, anders word je misselijk. Onze protesten luiden dan: wij willen snoepen. Neem dus de mogelijkheid daarvan weg, ook al berust deze in ons en niet alleen in uw wil. Indien dit geweigerd wordt, vinden wij God vreemd en wreed, onbenaderbaar. Wanneer wij spreken van de heerszucht van onze God, zo is zijn dwang op ons niet veel meer dan het verbod aan kinderen: Je mag niet van de stoep af. Waag het niet de straat over te steken. Dat is te gevaarlijk, daarvoor ben je nog niet oud en wijs genoeg.

De gebruikelijke tegenvraag op dit punt luidt dan: Hoe kan God dan oorlogen toelaten en concentratiekampen? Dat is toch niet de schuld van hen, die daaronder lijden?

Allereerst moeten wij dan beseffen, dat ons menselijk leven voor God maar een stip is op de lijn van ons werkeloze wezen, die weer deel uitmaakt van de grote tekening van de schepping, voor hem is dit dus niet zo belangrijk. Wanneer wij niet juist leven of incarneren in een wereld, die toevallig van concentratiekampen en oorlogen gebruik wenst te maken, zo laat hij ons daaraan deel nemen of daaronder lijden, omdat alleen zo een continuïteit van beleven en beantwoorden aan ons werkelijk doel mogelijk is.

Kan de mens deze goddelijke continuïteit innerlijk verwezenlijken, dan wordt hij slechts zijdelings of niet betrokken in oorlog enz.. Op het ogenblik dat hij innerlijk niet in staat hiertoe is, komen echter de invloeden van buiten in volle kracht op hem af, zodat de verwerkelijking van het goddelijke scheppingsplan wordt doorgezet. Waaruit blijkt, dat ook deze vragen toch wel met de innerlijke mens en het innerlijke pad samenhangen.

Zolang wij een pad volgen, waarbij wij aan ons ware en grote ik getrouw blijven, zal God niet wreed schijnen. Wij worden niet betrokken in wrede of onaangename zaken en kunnen ongestoord verder leven. Op het ogenblik, dat wij echter afwijken van dat, wat wij werkelijk zouden moeten zijn, of de werkelijke noodzaken en werkingen in ons ik over het hoofd zien, begint het gegooi in de glazen.

Vaak roept hier iemand uit: Maar ik heb nu al jarenlang ellende gehad. Waar is dat voor nodig?

Het antwoord stelt men meestal niet zo zeer op prijs: Dit was noodzakelijk om u er toe te brengen uzelf juister aan te passen aan het doel, waarvoor u geschapen werd. Eenvoudig genoeg, maar lastig om steeds weer aan te moeten denken.

Een andere vraag binnen dit kader luidt: Waarom is er zoveel lijden in de wereld en vooral; waarom zegt men ons, dat wij door dit lijden bewust worden?

Nu zal ik de stelling, die in het laatste deel van de vraag verscholen ligt, niet graag altijd bevestigen. Ik geloof, dat er veel onnodig lijden op de wereld is. Waar dit lijden uit voortkomt? Alweer uit het – vaak met de beste bedoelingen – niet beantwoorden aan je eigen bestemming in het leven. Het niet erkennen van eigen werkelijkheid en eigen werkelijke noodzaken of behoeften is de oorzaak.

Tussen haakjes: Wanneer je dus alle lijden kunt zien als een gevolg van eigen verkeerdelijk denken, leven en streven, lijkt het mij onjuist God hiervan een verwijt te maken. Wanneer men zich aan een kachel brandt, is het immers niet de schuld van de kachel, maar eigen stommiteit. Je blijft je echter branden tot je leert inzien, waarom het zo dom is een brandende kachel beet te pakken. De mens kan dit overigens meestal niet aanvaarden. Daarom zegt hij, dat het lijden voor zijn bewustwording onvermijdelijk en noodzakelijk is dan wel dat hij daarvoor in de hemel uitvoerig zal worden beloond. Daarin zoekt hij dan zijn troost.

Ik zou daarom willen zeggen: Het lijden is een noodzaak, die wij zelf scheppen door ons onbewustzijn. Ons lijden wordt minder, naarmate wij een hoger bewustzijn bereiken. Hoe groter de innerlijke rust, die wij kunnen vinden, hoe geringer het gevaar wordt, dat “de wereld ons nog lijden oplegt”.

Willen wij als mens of geest echter een doel met alle geweld bereiken en is dit niet geheel in overeenstemming met onze werkelijke persoonlijkheid, dan moeten wij wel lijden. Een mens, die sneller wil stijgen – innerlijk – dan normaal is, dan door een natuurlijke groei naar het ware ik wordt toegestaan en dus de korte en steile weg neemt in plaats van de wat bredere en gemakkelijkere, maar veel langere slingerweg, zal eveneens moeten lijden, omdat hij eenvoudig nog niet bestand is tegen de inspanning van een voortdurend geestelijk klimmen en alle vermoeienissen, die daaruit voort plegen te komen.

Waaruit blijkt, dat het wel degelijk te maken heeft met innerlijk bewustzijn, maar dat de natuurlijke innerlijke groei gebonden is aan een bepaald tempo. Verder is het bereiken van een te hoog bewustzijn ook wel eens pijnlijk: Wij kunnen immers het bereikte bewustzijn nimmer tot uitdrukking brengen, zonder daarvoor geschikte voertuigen. Dan mogen wij ook niet verwachten, hogere innerlijke erkenningen uit te kunnen drukken in een wereld, waarin de waarde van die erkenning nog niet kenbaar of uitdrukbaar is.

Conclusie: Wanneer wij in het leven gelukkig willen zijn, zullen wij een innerlijke bewustwording na moeten streven in overeenstemming met onze geestelijke en andere middelen, zoals zij nu bestaan. Wij mogen aan het leven of onszelf geen andere eisen stellen. Stellen wij onszelf echter eisen, zij het geestelijk of lichamelijk, die niet in overeenstemming zijn met onze ogenblikkelijke mogelijkheden en harmonie, dan zullen wij al wat wij bereiken, met zwaar en bitter lijden moeten betalen.

Nog een laatste vraag, die in dit verband wordt gesteld: Wanneer ik in mijzelf keer en daarin iets leer, hoeveel is daarvan dan van blijvende waarde?

Het antwoord is moeilijk te geven: Een mens zal altijd trachten zijn innerlijk bewustzijn en ervaren om te zetten in woorden en waarden en zelfs vele symbolen passen niet bij de geestelijke werkelijkheid. Het is ongeveer hetzelfde, wanneer men een toespraak van een goeroe uit Pakistan wil vertalen met een boekje van Urdu met 500 woorden en in 3 dagen.

Op dezelfde wijze sta je ervoor wanneer je een geestelijke waarheid in stoffelijke termen wilt vertalen. Vele voorstellingen, die voor de mensen dus met innerlijke bewustwording gepaard plegen te gaan, zijn dus onjuist. De geest kent echter de werkelijke inhoud en heeft dus de menselijke redeneringen en symbolen niet van node. De geest zal altijd een juist beeld van het innerlijk bereikte hebben, de stof slechts zeer zelden. Het resultaat is, dat een groot deel van al, wat u innerlijk bereikt denkt te hebben, achter blijft op aarde, wanneer men over gaat.

Maar datgene wat men werkelijk innerlijk bereikt heeft, is eeuwig, onvernietigbaar en tot deel van uw wezen geworden.

Eigenaardig, zoals de eenheid van alle dingen blijkt juist uit het innerlijke pad en het geestelijk leven. Zon en maan bepalen op aarde uw levensritmen. De doorsnee mens kent tijden, dat hij tot innerlijke beschouwingen geneigd is en tijden, dat een meer uiterlijk streven aangenaam en nuttig lijkt te zijn. Een verstandig mens zal daarvan gebruik maken en innerlijk zoeken in de tijden, dat uiterlijke mogelijkheden toch beperkt zijn. De tijd, dat eigen mogelijkheden en energie meer naar buiten gericht zijn, zal men dan gebruiken om aan te vullen, wat men eventueel te kort deed in de periode van beschouwelijkheid.

Het is, ook voor het bereiken van resultaten met geestelijk streven, vooral voor de minder bewusten, belangrijk van de mogelijkheden gebruik te maken, die hen door invloeden van buitenaf a.h.w. geboden worden. Gebruik uw levenskracht in tijden, dat deze sterk werkt in eigen leven, kies voor beschouwelijke werken eerder tijden uit, dat de maan krachtig werkzaam is in eigen leven. Wanneer de maan u tegenwerkt, maar wel invloed uitoefent op u, kunt u innerlijk stijgen ondanks de maan. Wanneer de zon u, hoe gunstig ook, beïnvloedt, zult u minder kans hebben op een juist innerlijk werken, zodat het behalen van resultaten veel meer kracht en tijd zal vergen. Hou u daar maar eens een keer bezig. Het is wel niet zo mooi gezegd, zo zoetelijk, maar het is tenminste praktisch en juist.

 

 

image_pdf