De leringen van het christendom

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 27

15 juli 1956

Wij weten allen, dat het christendom in de kerkse en religieuze vormen, waarin het op het ogenblik bestaat, aanmerkelijk is afgeweken van de oorspronkelijke leringen, die Jezus de mensen heeft gegeven. Onze groep tracht deze oude leringen van Jezus in de praktijk te brengen. Wij menen echter, dat het daarvoor niet noodzakelijk is te komen tot een vergoddelijking van Jezus, of te komen tot een strikte, streng omschreven geloofsvorm.

De weg, die Jezus heeft getoond, is de weg, die ook door vele anderen – hetzij op enigszins andere wijze – is gewezen. Het is de weg, die niet naar buiten voert de wereld in, maar naar binnen, tot in de kern van het eigen wezen. Zoals Jezus ons leert, dat het Koninkrijk Gods in ons leeft, zo leren ook anderen ons, dat de waarheid ligt in de ontzegging Van de wereld buiten ons.

Nu kan men daarover van velerlei mening zijn. Ik geloof, dat het voornaamste is, dat wij allen leren om de wereld te aanvaarden als een deel van ons zelf. Onze groep, onze Orde, heeft zich dan ook als slagzin de verdraagzaamheid genomen. Verdraagzaamheid, omdat deze het begin is van de naastenliefde.

Helaas wordt ook het woord verdraagzaamheid de laatste tijd meer en meer gebruikt en misbruikt. Binnenkort zal het misschien, evenzeer als naastenliefde dit reeds lang heeft moeten ondergaan haar eigen waarde teruggebracht moeten zien tot nul. Wij echter zullen toch trachten de oude betekenis van de begrippen naastenliefde en verdraagzaamheid in onze kring te handhaven..

Wanneer wij zo samen zijn, kunnen wij putten uit velerlei bron. Degenen onder U, die langere tijd deze kringen bezoeken en kennis hebben gemaakt met onze wijze van werken, weten dan ook, dat wij geen onderscheid maken tussen de christelijke beschouwing van een christen en de beschouwingen daaromtrent, inzake de waarden van het christendom door buitenstaanders, die van uit hun eigen standpunt de goddelijke Waarheid zoeken. Ook in deze bijeenkomst zult U ongetwijfeld sprekers ontmoeten, die niet christen zijn, althans niet in de gebruikelijke zin van het woord. Wat ons bindt, is een band, die verder gaat dan een geloof of een paar dogmatische stellingen. Wat óns bindt, is de levende kracht, die wij zien als het levengevend en in standhoudend principe, dat alle dingen gelijkelijk door desemt en doorademt.

We zullen trachten weer een bepaald deel van Jezus leer te belichten, hoofdzakelijk aan de hand van minder bekende citaten en verhandelingen, die hij hoofdzakelijk met zijn leerlingen sprekende, deze wereld heeft nagelaten. Jezus heeft met zijn leerlingen zeer veel gesproken. Vandaar dat hij tot de wereld buiten in gelijkenissen sprak; maar tot zijn leerlingen in een taal, die zij hadden leren verstaan.

Eens heeft men hem gevraagd: “Heer, indien de Vader goed is en almachtig, hoe kan dan het kwaad in de wereld zijn?” Jezus gaf daarop het volgende antwoord:

“Gij zijt, zoals de Vader U geschapen heeft. En in U leven alle waarden, die Hij eens in ons allen heeft ingelegd. Ik, die ouder ben dan gij, die bewust reeds leefde, lang voor het volk der Joden het eerst in Abraham als zaad in de schoot der aarde werd gelegd, ik zeg U: Er is goed noch kwaad voor God. Maar de mens, die zijn weg kiest, de ziel, die zoekt op te gaan tot God, zal de eigen weg bepalen als goed; verwerpende al hetgeen in de wereld voor hemzelf onmogelijk is.”

Dit begin leidt dan een paar dagen later tot de gelijkenis omtrent de dwaze en de wijze maagden. “Het gaat er niet om,” zo zegt Jezus, “je voor te bereiden op de komst van het glorierijke, van het wonderbaarlijke. Het gaat er om, dat je te allen tijde klaar bent om het te ontvangen.”

Dit komt verder tot uiting, wanneer enkele begrippen worden besproken, die later in verschillende kerken onder de naam van “genade” steeds sterker op de voorgrond kwamen. Hij leerde o.a. aan Simon en Johannes n.l. het volgende:

“In het leven is er een voortdurende kracht, die te allen tijde bereikbaar is voor degene, die de Vader in zich heeft gevonden. Maar indien gij nog niet zo ver gekomen zijt, houdt U bereid. Want op sommige ogenblikken openbaart Hij  Zich. En wie dan bereid is, zal de volheid van Zijn kracht in eigen wezen gevoelen en kunnen doordringen tot de kern van het bestaan. Zo vindt men het Koninkrijk Gods en gewint men de eeuwigheid, die ons beloofd is in den beginne.”

Het leven, dat rond, ons is, onverschillig in welke wereld of sfeer wij vertoeven, kent voortdurend aspecten van goed en kwaad. Wij kunnen niet zeggen: “Nu is er tijd om te rusten; nu sluimert het kwaad.”, Of: “Thans is het tijd om te waken? want ziet, het scheppend licht ontwaakt in ons.” Wij kunnen slechts dit gehele leven aanvaarden met zijn goed, met zijn kwaad. Voor onszelf voortdurend kiezend, zeggen de: “Dit verwerp ik.” Niet omdat het kwaad is vanuit een goddelijk standpunt. Maar omdat het niet past voor mij, die licht en bewustzijn wenst te ontvangen vanuit het goddelijk Vermogen. Heel de wereld is voor ons een strijdperk geworden. Wij menen belaagd te worden door de wereld buiten ons, wij voelen ons bedreigd door de problemen en vragen, die uit ons eigen wezen opwellen.

Wij zijn dan ook geneigd te denken aan de waarschuwing van Jezus omtrent de duivel, die rondgaat als een leeuw, briesend en zoekende, wie hij zal verslinden.

Misschien is het goed, dat wij ook de mening van Jezus hieromtrent een ogenblik beschouwen. De duivel, de demon, verklaart hij aan zijn leerlingen als te zijn: “De kracht, die ons het bewustzijn van den Vader ontneemt. Een kracht, die sluimert in ons en zo zij in ons spreekt echo’s wakker roept in heel de schepping.” Het kwaad is wel een bestaande macht, maar wij, persoonlijk, moeten dit kwaad a.h.w. in ons dragen; dan eerst zal het van buiten af op ons toetreden.

Er bestaat geen onrecht. Wij menen onrecht te ervaren, omdat wij geen inzicht hebben in ons eigen wezen en onze eigen handelingen. Wij menen, dat het kwaad ons verleidt, terwijl wij in werkelijkheid door ons bewustzijn van het kwaad de mogelijkheid tot verwerkelijking daarvan wekken in de wereld rond ons.

Het is misschien goed, wanneer wij ons dit realiseren: Dat wij weten, dat wij zelf onze weg kiezen. Dit werd misschien het duidelijkst gezegd tegen Judas, toen hij zijn Meester vroeg: “Heer, is het dan niet tijd om de troon te betreden, die de profeten U voorspeld hebben.” Waarop Jezus zegde:

“Mijn troon, Judas, heb ik reeds genomen. En ik zetel reeds als rechter over het land. Niet de troon, die gebouwd is uit porfier en albast, niet een troonzaal uit edel hout en wonderbaarlijk gesmede metalen is, wat mij verheft boven de mens. Mijn geest heeft mij een troonzaal gebouwd en mijn bewustzijn van den Vader is mij tot troon geworden.” Zou dat alleen voor Jezus gelden?

Jezus beroept zich niet op erfelijke waarden. Hij beroept zich niet op dogmatische stellingen. Kortom hij beroept zich niet op de wereld. Hij definieert: “Ik heb in mij de Vader gevonden en dat is mijn troon.”

Van daaruit kan Jezus ook oordelen. Het wezen der dingen doorgrondende door zijn eenheid met de scheppende Kracht kan hij zeggen: Dit is goed en dat is kwaad; kan hij een oordeel uit spreken, indien hij wil. Zijn troon is een rechterszetel. Maar gelijktijdig oordeelt hij niet, want hij weet voor zichzelf in de volheid van zijn bestaan: “Mijn eigen geest is het, die de beperkingen van mijn troon bouwt.”

Het is geen zetel, die de wereld overziet, het is geen macht, die het Al omvaamt. Het is de geest, het bewustzijn en de bewuste uiting, die op aarde leeft, die bepaalt, in hoeverre de eenheid van de Vader zal worden geuit op stoffelijk niveau.

Voor Jezus is er dan ook wel kwaad, maar geen kwaad, dat tot veroordelen noopt. Hij schrijft de zonden der Farizeeërs in het zand en wist ze uit. Hij zegt tot de overspelige vrouw: “Ga heen en zondig niet meer.” Datzelfde herhaalt hij duizend keer. Dat herhaalt hij, wanneer hij mensen geneest. Dat herhaalt hij, wanneer ze tot hem komen met hun problemen en vragen. Dat zegt hij hun in zijn predicaties, bewijst het hun met zijn gelijkenissen: Men heeft geen recht om te oordelen, maar men moet zich onthouden van de zonde.

Wonderlijk genoeg heeft geen der leerlingen gevraagd: “Wat is zonde?” Dit werd voorbehouden aan de Griek Alexander, die dit probleem voorlegde aan de apostel Johannes, kort voordat hij verdween uit het gezelschap der leerlingen. Zijn vraag: “Wat is dan zonde?” werd door Johannes als volgt beantwoord:

“Zonde is datgene, dat ons wordt opgelegd door ons begeren, doch waarvan wij weten, dat het niet in overeenstemming is met ons streven en bewustzijn.” Ligt hier. dan niet een deel van de christelijke leer voor ons open?

Het gaat er niet om te oordelen. Het gaat er niet om macht te bezitten. Er bestaat geen enkele reden om te verwerpen of op te dwingen. Vrij is de mens, omdat hij vrijelijk in contact staat met zijn God. Maar gelijktijdig is het bewustzijn, dat hij in zich draagt, de keten, die hij met zich mee sleept.

De eenvoudigen van geest zijn werkelijk zalig. Hun is het Koninkrijk der Hemelen. Want de eenvoudige ziet geen zonde. En wie geen zonde ziet, zondigt niet. Maar de bewuste, die zich een oordeel heeft gevormd omtrent de wereld, die zich een doel heeft gesteld, dat misschien ver weg ligt in kosmisch onbereikbare gebieden, deze zal voortdurend moeten streven volgens zijn eigen bewustzijn.

Hoe meer wij in de wereld trachten onze eigen instelling te uiten, de goedheid, die wij tegenover onszelf toch allen te allen tijde bezitten, hoe sterker de wereld ook een bevestiging wordt van leven en streven, “Zalig zijn de barmhartigen.” Zo kunnen wij verder gaan.

Jezus leer is er geen, die goed en kwaad als haast demonische machten tegenover elkaar stelt in een fatale worsteling, die mensen breekt en werelden vernietigt. Jezus leer is er één van de strijd in onszelf. Van goed en kwaad, die geen goed en kwaad zijn in de werkelijke zin des woords binnen de kern, die God heeft geschapen als het reële leven. Goed en kwaad zijn de waarden uit de mens geboren, zoals het streven uit de mens geboren wordt.

Zijn leer zegt ons: “Verwerkelijk je doel.” Niet slechts in jezelf, maar in de wereld en de mensen.” Want, om met een laatste citaat te sluiten toen Jezus terugkeerde, nadat hij gestorven was, vroeg men hem aan het meer van Tiberias: “Heer, welke weg moeten wij gaan? Waar vinden wij de waarheid?” Toen zegde Jezus?”

“Zoals ik één ben met de Vader en vóór U treed, zo zijn alle dingen een met de Vader. En zo gij spreekt tot al, wat rond U is, zo spreekt gij tot de Vader. Eer de wereld en de mens. Eer het levende en het onbegrepene. Indien gij aan al het zijnde geeft, wat gij Uzelf zoudt willen schenken, zo eert gij de Vader, erkent gij Zijn wezen en bereikt gij de vrede, die is het Koninkrijk Gods.”

Ik geloof, dat dit laatste citaat een voldoende afronding is om ons onderwerp van deze dag scherp tot uiting te doen komen. De basis van het christendom is niet gelegen in de verheerlijking van Jezus. Zij is niet gelegen in de dogmatische stellingen, zelfs niet in de tien geboden. Zij is gelegen in een bewustzijn van kosmische eenheid, die elk wezen bindt met al het geschapene en God doet spreken tot een ieder uit al, wat hem omringt.

Wie zo leeft, kan zich christen noemen. Maar ik neem aan, dat hij zelfs deze naam zal verwerpen, omdat hij geen “christen” wil zijn, maar slechts “een kind Gods.”

Omtrent het onderwerp goed en kwaad, dood en zonde, is er zeer veel nagedacht en zeer vele wijsgeren, profeten en leraren hebben hun mening hierover gezegd. Ik wil dan ook het woord gaan overgeven aan een spreker, die vanuit een geheel ander standpunt de gelijke waarden voor U zal kunnen belichten.

o-o-o-o-o

Na deze beschouwingen vanuit zuiver christelijk standpunt zou ik gaarne ook mijn steentje bijdragen tot verdere definitie van de houding, die men in de wereld dient aan te nemen.

Wij kunnen natuurlijk zeggen, dat goed en kwaad nu eenmaal de waarden zijn, waarmede wij onze wereld meten. Doch wijsgeren en denkers tot zelfs Descartes toe hebben daar over wel enigszins anders gedacht.

Wij horen bv. voornoemde denker zeggen, dat de begrippen van goed en kwaad de lijnen zijn, waarmede de mens zich zelf tekent in de buitenwereld. Wij horen anderen weer spreken over goed en kwaad als de essentie van het menselijk zijn.

Een God aannemen betekent, dat je zo ver grijpt en zo hoog. Je verzinken in de waarden, die vanuit het Goddelijke bestaan, lijkt me op zijn minst genomen een verwaandheid. Je kunt nu eenmaal niet grijpen boven je eigen denkvermogen. Je eigen bewustzijn zal altijd bepalend zijn voor wat je ziet in de wereld en wat je erkent. Vandaar dat goed en kwaad voor ons eigenlijk tot een heel ander probleem worden. Een probleem, dat ik voor U zal trachten te illustreren met enkele niet nader omschreven citaten, die ik zo voor U aan elkaar zal rijen.

Het lijkt mij niet noodzakelijk hier een hele parade van wijsgeren en denkers in voortdurende citaten te gaan opvoeren. Per slot van rekening we zitten hier niet in een school voor filosofie, nietwaar, we zijn alleen samen om zo eens over het een en ander na te denken. Wanneer we de citaten aan elkaar voegen, krijgen we een heel aardig beeld, zelfs wanneer wij God buiten beschouwing laten.

Let wel, ik zeg niet, dat ik God verwerp. Ik geloof heel graag, dat er een God is. Dat neem ik direct aan. Maar God is voor mij te ver weg. Het staat mij te hoog. En omdat het mij te hoog staat, wil ik – liever zoals men het in Uw wereld zegt – met twee voeten op de grond blijven staan.

Wat is goed en kwaad? Goed en kwaad zijn twee waarden, die we kennen. Dat wordt heel aardig als volgt gezegd: “Hij, die spreekt over goed, moet het kwade kennen; en men kan het kwaad niet bedrijven, zonder te weten wat goed is. Zo is de kennis van goed en kwaad een weergave van de eigen persoonlijkheid. En wie met deze maatstaf de wereld wil meten, zal ontdekken, dat zijn eigen wezen te klein is om als maatstaf aan al het zijnde aan te leggen.”

Logisch. Wanneer wij een oordeel gaan vellen over wat edel is en slecht, wat goed is en wat kwaad, dan lopen we vast. Dat spelen we niet klaar. We zijn er niet groot genoeg voor.

Een ander drukt het nog beter uit. Die zegt ons: Wanneer er al een God in de hemelen is, tot mij heeft Hij niet gesproken. Zijn stem heb ik niet gehoord en Zijn schreden zijn niet nader gekomen tot mij. Indien een God nu Zich niet aan mij toont en kenbaar maakt, hoe kan ik dan aannemen, dat Hij van mij een belangstelling of een verering eist? Het is voor mij niet noodzakelijk, dat ik mij met God bezighoud. Maar zo Hij al bestaat, zal Hij Zich zeker tevreden gevoelen? wanneer ik mij bezighoud met de Schepping, waarin Hij Zich dan wel aan mij heeft geopenbaard.

Ik wil het bestaan van God desnoods loochenen. Wat maakt het uit? En voor God zal het niet veel verschil uitmaken, of een deel van Zijn schepselen nu “ja” of “neen” tegen Hem zegt.

Maar wat wel iets uitmaakt, en voor mijzelf en voor alles wat er bestaat of het nu geboren is uit een blinde kracht of uit een denkend vermogen is de wijze, waarop ik mijn wereld aanvaard, de wijze, waarop ik in de wereld leef.

En hoe leef ik het beste in de wereld? Door mijzelf te zijn, zonder enige uitzondering. Door mijzelf te openbaren en mijzelf te uiten Want indien ik eerlijk mijzelf ben, zo zal ik ook eerlijk het beste, dat in mijzelf is, op de voorgrond brengen. Dit is een eigenschap, die wij, die ons mensen noemen, allen gemeen hebben, n.l. de verwaandheid, die ons het minder acceptabele in ons wezen voortdurend doet onderdrukken.”

Dit laatste klinkt misschien een klein beetje als een sneer, maar eigenlijk heeft de mens, die dit schrijft, gelijk. Het gaat er ons toch niet om, of er een God is of niet. Het gaat er ons toch in het geheel niet om, wat er eigenlijk voor kosmische krachten bij ons rond spoken. Waar hebben wij mee te maken in het leven? Met onszelf en verder niets.

En nu geloof ik, dat er in het christendom een grote waarheid zit, wanneer wij zeggen (of horen zeggen), dat men daar beweert “dat een mens zelf tot rechter wordt over zichzelf.” Dat het de mens is, die bepaalt, in hoeverre hij tot God nadert of van God zich verwijdert. Let wel, ik zeg niet, dat die God er behoeft te zijn. Maar de stelling is logisch en redelijk.

We leven temidden van de natuur. De natuur spreekt tot ons. De natuur doet ons dingen erkennen. De natuur leert ons bepaal de waarderingen. Indien wij ons daaraan voor onszelf niet vast houden en menen, dat wij onszelf kunnen verheffen boven de natuur dat we voor onszelf wetten kunnen scheppen, die royaler en ruimer zijn dan de regels, die we onze omgeving aanleggen, zijn we fout.

Het principe van de schepping is voor mij rechtvaardigheid. Dat klinkt misschien erg dwaas. Maar ik ben het volledig eens met de denker, die en dat is al een hele tijd geleden eens schreef; “Een schimmenspel is heel de wereld. Doch wie de schimmen oordeelt in hun vreemd gebroken lijn, zal niet zichzelf moeten zien als werkelijkheid van drie dimensies, bewegend tussen schimmen, maar als schim met schimmen steeds gepaard en spelend aan de wand.”

We mogen niet zeggen, dat we iets anders zijn dan de wereld rond ons. Wij zijn gelijk. Dat is het enige, wat we zeker weten. Wanneer we een dier zien, dan weten we, dat er iets van het dier in ons steekt. De mens bewijst dat in zijn eigen spraakgebruik: hij vergelijkt zijn medemensen – zichzelf meestal minder – met ossen, ezels, varkens, kippen, enz. Hij heeft dus wel een zeker bewustzijn ervoor, dat er overeenkomsten bestaan tussen het geschapene en dat ik.

En waarom zouden we ons alleen bezig houden met de nadruk te leggen op de verschillen? Laten we zoeken, waar er een overeenkomst ligt tussen ons en de wereld rond ons. Dan hebben we iets, waardoor we weten hoe we moeten leven.

Per slot van rekening: Voel je je verwant aan een kip, dan ga je geen kippensoep eten. Voel je, dat een plant in zijn leven dezelfde vreugde heeft aan de zon als jijzelf, dan zul je toch niet zo wreed zijn dat ding eenvoudig maar om te hakken, omdat het je toevallig in de weg staat. Er moet wel degelijk een heel grote reden zijn, voor je zoiets doet.

Leef met de wereld en niet tegenover de wereld. Dat is mijn overtuiging. Ik geloof, dat wie met de wereld leeft en zijn leven met de wereld deelt, trachtende die wereld te begrijpen, zichzelf in die wereld te zien en omgekeerd zichzelf ook te handhaven juist dank zij hetgeen hij uit die wereld leert ik geloof, dat die, of dat nu is als christen of als mens of als geest, het beste deel heeft verkozen. Want die leeft logisch, redelijk en vóór alles ook zonder de ellendige verwaandheid, waarvan alweer een bekend schrijver eens zegde:

“De mens beroept zich op zijn geest als onderscheid tussen het ik en het dier. Doch in werkelijkheid is het slechts zijn verwaandheid, die hem onderscheidt van de monstruositeiten, die hem omringen.” En ik moet het daar volledig mee eens zijn. Het is onze verwaandheid, ons menen meer te zijn en iets bijzonders te zijn, dat ons verleidt tot alle dwaasheden, waardoor we in strijd komen met de wereld. Met de wetten, die de omgeving regeren en dus uiteindelijk ook met de kosmos.

En nemen we nu aan, dat de Wetgever van de kosmos God heet, dan brengen we onszelf in strijd met God, niet omdat we slecht of goed zijn, maar omdat we in onze stomme verwaandheid menen ons te kunnen onttrekken aan de regels, die Hij ons heeft opgelegd.

Hier hebt U mijn betoog en mijn mening. Maar er zijn er meer, want de volgende spreker zal het ongetwijfeld weer anders vertellen. U moet het mij niet kwalijk nemen. Ik heb getracht het zo zuiver mogelijk te stellen. Het gaat om ons. Maar op het ogenblik, dat wij ons van de schepping verwijderen, verwijderen we ons ook van ons eigen wezen. Dan leven we in een waan-toestand en nu ja, dan halen we stommiteiten uit. Laten we hopen, dat het voor U zeker vandaag niet het geval zal zijn.

o-o-o-o-o

Het schijnt, dat de rij niet compleet is, wanneer ik ontbreek. En dit is niet een verwaandheid, zoals mijn voorganger misschien zal denken, maar een vaststelling van een feit.

Wanneer wij de oude voorstelling van Yang en Yin zien, dan zien wij hoe goed en kwaad elkaar aanvullen tot de perfecte cirkel van het leven. Maar wij zien ook, hoe zij in hun scheiding beide het levensprincipe zijn.

Goed en kwaad zijn de tegenstellingen, waarin het leven eerst tot aanzijn komt. Geen bewustzijn in de kosmos zonder de tegenstelling. Geen realisatie van waarden, geen mogelijkheid tot bewustwording, tot denken, tot plichtsvervulling, wanneer goed en kwaad niet gezamenlijk bevruchtend werken op de grote cirkel, die symbool wordt van het leven.

Het is moeilijk voor ons om de grens tussen beide principes te overschrijden. Want de grens tussen goed en kwaad is niet slechts een denkbeeldige, ze is werkelijk en reëel. Er bestaat in ons een bewustzijn omtrent onze plicht, omtrent de juiste wijze van gedragen, omtrent de juiste vorm van leven. Dit is deel van ons zijn en óns wezen. Ons bewustzijn kan zich daaraan niet onttrekken.

Voor ons bestaat de mogelijkheid om te leven in elk der beide levenswaarden of zij nu goed of kwaad worden genoemd en in beide volledig en gelukkig en levend te zijn. Maar wanneer wij aan de grens komen, moeten wij al onze meningen achter laten, moeten wij al onze verworven kennis terzijde stellen en opnieuw beginnen. Een dergelijke verloochening van waarden en waardigheid kan slechts een wijze zich getroosten. Een wijze echter zal inzien, dat het niet belangrijk is, of wij leven in goed of in kwaad, of Yang of Yin het drijvend principe van het leven wordt, indien wij slechts onszelf kunnen zijn in volledige eenheid met het leven, dat rond ons is en dat zowel Yang als Yin in zich bevat.

Waarom moeten wij dan als mensen het goede kiezen? Waarom zoeken onze filosofen voortdurend naar de juiste uitdrukking van Tao? Waarom streeft een hele wereld voortdurend naar een verbetering, een lichter en reëler zijn? Omdat ons wezen geen afstand doende van wat in het ik leeft een bepaalde bewustwording heeft gekozen. Wij kiezen een weg en die weg moeten wij gaan. Maar wanneer wij die weg verlaten, dan staan wij arm als kinderen, die pas in de wereld komen en zullen opnieuw moeten leren; leren de taal van onze nieuwe wereld en de methode om ons daarin te bewegen. We zullen ons ook daar weer goederen verwerven en trachten kinderen voort te brengen, opdat zo wijzelf tijdelijk die wereld verlaten niet de eenzaamheid van het onbegrepene ons noodlot zij.

Wanneer ge iets kunt volgen van deze gedachtegangen, dan kunt ge misschien ook begrijpen, waarom het voor ons belangrijk is, dat wij voortleven in een richting, die wijzelf aanvaarden. Wij mogen ons eigen leven niet vernietigen. Wij mogen de krachten niet vernietigen, die in ons bestaan. Eerst door voortdurend op te bouwen en aan te vullen kan er een ogenblik komen, dat wij niet meer zijn iets, dat leeft binnen het licht of het duister, maar geworden zijn tot licht of duister zelve.

Wanneer wij met ons bewustzijn een deel van het totaal zijnde omvamen en kunnen uitdrukken, dan komt misschien het ogenblik, dat goed en kwaad identiek worden. Dan komt misschien het ogenblik, dat wij onszelf zullen zijn. Tot op dat ogenblik moeten wij goed en kwaad weten te scheiden. Het passende en het niet passende. Slechts door deze scheiding te maken kunnen wij immers de weg volgen, die het ons mogelijk maakt steeds verder te streven in begrip en grootheid, totdat wij waardig zijn te treden tot in de hof van de Hemelse Keizer.

Daarom het onderscheid. Niet als een oordeel over de medemens. Wanneer wij oordelen over een medemens, is dit uit stoffelijke en volkomen traditionele beweegredenen. Wanneer bv. de beul een slachtoffer onthoofdt en hem een som geld afneemt om met de eerste slag het hoofd van de romp te scheiden, dan is dit gebruik en usance. Het maakt weinig uit in het begrip van goed en kwaad van de beul en het kan misschien voor het slachtoffer iets goeds betekenen. Het zou dus dwaasheid zijn om deze dingen te verloochenen of te spreken over misbruiken en onrechtvaardigheid. Maar wij kunnen wel spreken over voor ons niet aanvaardbare werkelijkheden, die niet passen in ons eigen besef en voor ons een vernedering betekenen en een verliezen van ons aangezicht, zodat wij het licht niet durven aanschouwen, de weg des lichts niet durven volgen.

Ik hoop, mijne vrienden, dat ik deze mijn mening niet heb uitgedrukt in voor U te onbegrepen of onbevattelijke begrippen. Ik meen, dat goed en kwaad bestaan, omdat zij noodzakelijk zijn, wil er een leven mogelijk zijn. Ik meen, dat wij ons geheel moeten bekennen met geheel ons wezen tot de kracht, waarin het verlangen het grootste is. En dat wij dan te allen tijde verder moeten streven in die richting, opdat wij hetzij in Yang of Yin komen tot een volledige bewustwording van alle waarden en zo tot een vervulling van onze eigen levenscyclus.

Naastenliefde is een logisch resultaat van het streven naar het goede, een kenteken van het lichte, dat de vormende wereld draagt. Haat is het logisch principe, dat voortvloeit uit het duister en de chaos geboren doet worden. Maar wie nu lief heeft en dan haat, of dan haat en nu lief heeft is een dwaas. Want wie vuur en water samenbrengt, ziet het vuur vervluchtigen, doven en ondergaan en het water zich in damp sissend onttrekken aan zijne handen of verontreinigd achterblijven als een schamele rest, die niet meer dienen kan als drank des levens.

Laten wij dus goed en kwaad in ons leven niet mengen. Hoe wij zijn, wat wij zijn, maakt niet uit. Maar wanneer gij zo als ik gekozen hebt de weg des lichts te gaan, bedenk dan, dat liefde de volledige uitdrukking is van de lichtende kracht, zodra zij onpersoonlijk wordt en dus niet blijft het hartstochtelijk tegendeel van de hartstochtelijke haat. Hartstocht is te allen tijde kracht der duisternis. Emotie op zichzelf, zonder bijzondere gerichtheid, beleefd in de wereld, is te allen tijde licht.

Ik hoop, dat gij hieruit ook mijn mening voldoende hebt kunnen zien. Ik geef het woord over aan een volgende spreker.

o-o-o-o-o

Ik heb een heleboel filosofieën aangehoord, want ik was de hele morgen hier aanwezig. Ik moet zeggen, sommigen geef ik meer gelijk, anderen wat minder. Per slot van rekening geloof ik, dat je een lijn in je leven moet hebben.

En nu kunnen wij die lijn in het leven natuurlijk ook vinden in, wat U een dogma noemt. Maar is het nu zo erg, dat ik geloof, dat Jezus God is? Maakt het nu werkelijk iets uit, wanneer daardoor mijn eigen weg en leven beter wordt? Maakt het nu wat uit, of ik zeg, dat wanneer het regent de engeltjes huilen, of dat de regenwolken leeg vallen? Maakt het iets uit, of ik de zon een gloeiende massa of een levengevende God noem? Ik geloof niet, dat die dingen in werkelijkheid verschil voor ons uitmaken. Want met de anderen ben ik het eens, dat de kern van het leven van binnen zit. Die zit in je wezen en nergens anders. En omdat het zo is, geloof ik, dat we verstandig doen om ons uiterlijk leven aan te passen aan bepaalde regels.

Je hebt zo van die dingen, waar veel mensen zich tegen verzetten. Dan zeggen ze: “We moeten niets hebben van dat burgerlijk fatsoen. We zijn geen bourgeois.” Nu, ik ben wel een bourgeois geweest en ik ben het nog. Niet dat ik meen, dat de fatsoensregels boven alles gaan. Neen. Maar ik meen, dat ze noodzakelijk zijn voor ons. Want het is wel goed om te spreken over het uiten van je wezen in de wereld en het beleven van die wereld, Maar dan moet er toch iets bestaan om die band tussen die wereld en jezelf te vormen.

Kijk eens, dat vind ik nu zo mooi in het christendom. Als je je werkelijk met het christendom bezighoudt, dan kom je tot de conclusie, dat dat hele christendom eigenlijk niets anders is dan een periode om met de wereld in contact te zijn. Jazeker, met God ook, maar toch ook met die wereld. Kijk maar eens, wat Jezus allemaal zo mooi vindt: gevangenen bevrijden, de gewonden verplegen, bedroefden troosten, enz. Dat is wel degelijk het vaststellen van een verhouding tussen jezelf en je omgeving.

Nu ja, dat is misschien erg burgerlijk. Ofschoon degenen, die – in mijn tijd tenminste – mij burgerlijk noemden, op hun eigen manier nog veel burgerlijker waren. Ze gebruikten andere woorden en ze hadden andere zeden, maar ze hielden zich er veel strenger aan vast dan wij.

Dat kun je hen niet kwalijk nemen. De mens heeft een hou vast nodig om een contact te vinden met die wereld rond hem. Wanneer je je aan geen enkele regel houdt, hoe wil je dan met die wereld samenleven? Je moet leven in die wereld. En of dat nu gebeurt in een van de lichtere sferen, of bij U op aarde of in het duister, je zult je moeten aanpassen bij die wereld. Je zult een overeenstemming moeten vinden tussen wat er in jouw wezen leeft en wat er in die wereld bestaat. Dat doe je noodzakelijkerwijze door je eigen waardering van die wereld.

Ik zal je vertellen? in mijn tijd was er een dominee en die vond ik werkelijk een heilige. Die vond ik werkelijk iemand, die de zaligheid met zekerheid kon verwachten….. Ik heb hem kort geleden gezien. Ze hebben hem pas opgehaald uit een – laten we zeggen – lagere verdieping. Dat had ik nu nooit gedacht.

Maar ik vond in die mens iets terug in zijn manier van spreken en leven van wat voor mij begerenswaardig en groot was. Ik zag niet, dat de zelfzucht die man zich zo deed gedragen. Dat is de reden ook, waardoor hij kelderde. Dat kan je hem niet kwalijk nemen. Hij heeft misschien ook niet beter geweten, maar nu weet hij wel degelijk beter.

Kijk, ik op mijn beurt werd misschien door veel mensen gezien als een onverschillige bonk, die ook wel naar de kerk ging. Goed, daar ben ik het mee eens. Het aantal keren, dat ik een knoop in het kerkenzakje heb gegooid, is ook niet te tellen. Maar ik geloofde toch in iets. Ik geloofde in dat hogere ideaal, dat me daar werd voorgehouden. Als ze spraken over de dood en de duivel….nou ja, daar maakte ik me niet zo druk over. Ik had ellende genoeg in mijn leven gehad. Maar als ze mij spraken over die edele dingen, en ze vertelden mij, hoe Jezus de wereld lief had, hoe hij die mensen genas, dan zei ik: “He, kon ik dat nu ook maar doen.” En eigenaardig genoeg schijnt dat voor een bewustwording en dus ook voor een geestelijke vooruitgang belangrijker te zijn dan wat anders. Het gaat er niet om, wat je lijkt tegenover de wereld en de mensen, maar wat je bent. En dat wat we zijn, vrienden, dat is heus niet, wat de wereld ons noemt.

Het hele leven bestaat uit het vinden van een evenwicht tussen ons eigen ikje en de belangen daarin en die wereld buiten ons. Baseren we dat op wat naastenliefde heet, dan doen we niets anders dan aan die wereld dezelfde rechten toekennen en daar dezelfde verlangens en begeerten voor hebben, die we voor onszelf hebben. Daardoor zijn we den met die wereld. Daardoor leven we in die wereld en haar bestaan. En of dat nu Yang of Yin heet, dat interesseert me geen steek. De naam van die wereld doet er immers niets toe. Als ik maar door één te zijn met die wereld, de kern van die wereld, de geest van die wereld kan begrijpen. Waar zou het anders om gaan, waar leef je anders voor?

Of je nu meent, dat je moet leven in de vrije uiting der gedachten, zoals menige kunstenaar bv., of dat je meent, dat je moet leven volgens de stramme regels van voorschriften, zoals sommige ambtenaren doen, ach, dat maakt eigenlijk niets uit. Je hebt een manier van leven gekozen, voor jezelf. Best. Zolang je manier van leven voor die wereld iets betekent, dan beteken jezelf iets voor die wereld. Zolang jezelf iets voor die wereld betekent, iets bent voor je medemensen, dan heb je deel aan het leven van die wereld, van die medemensen en dan vind je daarin wel de kracht om verder te gaan.

Het lijkt mij een beetje verwaand om te zeggen: “Er is geen God; ik weet niet of Hij er is; ik geloof er niet in.” Dus aannemen, dat er niets bestaand kan zijn of behoeft te worden aangenomen, wanneer je het zelf niet begrijpen kan. Nou, ik hou mezelf niet voor zo knap. Ik weet, dat ik op velerlei gebied nu nog een stommeling ben.

Ik geloof heel graag in een God. En ik geloof heel graag, dat er hoge sferen zijn, dat er Meesters en leraren zijn, en wat nog meer. Maar laten we nu eens eerlijk zijn. Wat kan ik doen met al die dingen, waarvan ik weet, dat ze misschien bestaan, of waar ik in geloof, als ik niet begin met de dingen, waarvan ik weet dat ze er zijn, te gebruiken om me een beetje waardig te maken aan wat ik zie als een einddoel.

Er zijn mensen, die zitten te smeken om inwijding en die wachten tot er iemand komt om ze die geheimen in te gieten. Met een lepel bij voorkeur. Wanneer het per glas ging, zouden ze het nog gemakkelijker vinden. Maar denk je, dat die mensen beginnen om hun gedachten van wat die inwijding betekent, alvast uit te leven? Dat zijn er maar een paar hoor. Negen van de tien menen, dat het gedaan wordt aan je. Dat is nu juist de beroerdigheid. Zelf doen. Dat gaat van binnenuit.

En daarom zou ik dan mijn mening over goed en kwaad kort willen weergeven met te zeggen: “Het goede is alles, waar ik “ja” tegen durf te zeggen, zonder mijzelf lelijk aan te kijken. Kwaad is al hetgeen, dat ikzelf zou verwerpen, als een ander het zou doen.”

Op deze manier weet ik dus, welke kant ik uit wil. Dan kan ik een onderscheid maken tussen de handelingen, die voor mij bruikbaar zijn om in deze wereld wat verder te komen en de dingen, die absoluut in strijd zijn met alles, wat ik nastreef. Ik houd mij aan het goede en op deze manier bereid ik mij geestelijk voor op hogere mogelijkheden en openbaringen. Maar ik leef in de wereld en in die wereld zal ik vinden, wat noodzakelijk is. En het gekke is, dat ik voor mij geloof, dat wanneer je zo leeft, je veel dichter bij God, bij het Koninkrijk Gods bent, dan iedereen, die zo….”vroom” is. (U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik even pauzeer, maar er zijn woorden, die ik in een wijdingsdienst niet kan gebruiken.)

Het gaat er per slot van rekening toch wel om wie wij zijn, nietwaar. Maar dan alleen in verhouding tot de wereld. Hoe beter wij de wereld maken, hoe beter wijzelf zijn. En aangezien wij die wereld zo moeilijk kunnen bereiken, moeten wij eerst zelf goed zijn om die wereld een eindje beter te maken. Is die wereld een beetje beter geworden, dan worden we vanzelf weer gedreven om ons weer een eindje te verheffen, worden we weer een beetje beter…. en zo gaat de hele zaak omhoog.

Misschien komen we op die manier dan op het punt, waar de één zegt: Er is God; de ander zegt: de cirkelgang, waar goed en kwaad zich aaneensluiten en het leven is afgelopen. Hindert niet. Toekomstmuziek. Wat is vandaag de dag noodzakelijk?

Vandaag aan de dag is het noodzakelijk, dat wij mens en geest tezamen zeggen: We weten, waar we aan toe zijn en wij kiezen de weg, die we menen, dat voor ons past. En voor de rest, basta.

En nu hoop ik, dat jullie mijn poging om netjes te vertellen, wat ik denk, niet willen noemen onder gebral of redeloos gepraat. Ik dacht, dat ik duidelijk was. Als je mij dus een beetje vaag vindt, neem dan maar als verontschuldiging, dat ikzelf tenminste weet, waar ik het over gehad heb.

En schaam je heus niet om te lachen. Want geloof mij, van een keer echt lachen met goede bedoeling, gaat veel meer wijding uit dan van een vroom gezicht, waarachter je de hele wereld zit te pesten.

Zondag is een rustdag, zeggen ze. Nou, een rustdag in zo verre, dat je een keer de zorgen en de problemen, die je hebt, van je afzet en daarvoor probeert om eens echt prettig te leven….zonder je eigen geweten op de tenen te trappen, natuurlijk.

Zo gaat dat met alle dingen. Je kunt de dingen stram en strak gaan uitleggen en dan kom je niet verder. Je kunt ook overal zo’n klein beetje de hand mee lichten en dan kon je bekocht uit. Maar als je begrijpt, dat het er om gaat, om alles wat goed in jou is, in die wereld te brengen en uit die wereld al het goede te puren, wat ze je geeft, ik denk…. dat we dan weinig last meer zullen hebben van goed en kwaad als punten, waarover we vechten. Dan weten we wel, dat het leven goed is, de moeite waard om geleefd te worden, juist omdat we zo nu en dan eens klappen krijgen, of dat het eens lastig is.

Nu, geniet maar verder van je dag en trek je niet te veel aan van wat ik heb gezegd. Maar als je denkt, dat ik gelijk heb, breng het dan in de praktijk. Daar hebben we veel meer aan dan aan alle denken en overpeinzen.

o-o-o-o-o

PLICHT

Een woord dat stram is, dat klinkt als ratelende trommen. Plicht, het lijkt een menigte, die in drommen opgaat met een stram gezicht, omdat zij worden, voortgedreven door de gesels van de plicht.

Plicht. Het zijn omfloerste trommen, die ratelen, ter vreugde rouw. Plicht. Een woord van onbegrepen waarde, waaraan men in zijn onbegrip blijft trouw tot aan het einde van de tijd.

Plicht! Maar is plicht dan ’n onbegrepen kracht, iets, dat je wordt opgelegd?

Of is de plicht een werk’lijkheid, een in jezelf begrepen recht?

Is plicht misschien een waar begrip van de wegen, die je moet gaan? Is plicht een aanvoelen van je plaats en je taak in het bestaan?

Is plicht misschien een Hooglied, dat je de ziele juicht, omdat je in je wezen en je zijn door ‘t doen der plicht jezelf overtuigt van ‘t goede van ‘t bestaan?

Is plicht een zang der werk’lijkheid temidden van de waan, die al te vaak wordt plicht genoemd, geroemd als werk’lijkheid?

Terwijl zij slechts het eigen ik, met and’rer wezen onderdrukt, zodat het vliegen op, verlicht tot hoger sfeer, U niet gelukt en gij in plicht moet ondergaan; tot ‘t leven wordt een stompe, droeve gang, die durend ongetelde jaren lang en bitterder maakt steeds weer ‘t bestaan.

Plicht, dat is een vreugdelied van ‘t waar begrepen leven.

De plicht, dat is ‘t besef van wat het leven je kan geven en wat je zelf aan ‘t leven geven moet.

De plicht, dat is het levensbloed, van al wat tot bewustzijn voert, van al wat uit de ziele roert, van al wat werk’lijkheid ons is.

Zo spreek niet met een stroef gezicht over “droeve taak en plicht.” Wordt plicht niet uit Uzelf geboren, niet door Uw wezen stil aanvaard, zodat ze één is van de voren, geploegd door eigen wezen, eigen aard, aangevend ‘t zaad van het toekomstig nieuw gebeuren?

Verwerp “de plicht” en laat U niet in kolken verder sleuren, die zuigend U ten onder in materie en in stof terwijl ge zingt “de plicht” Uw lof U stil doen ondergaan.

Plicht is de vrucht van kennis in het ik.. Alle and’re vorm van plicht is waan.

Ik geloof, dat ik daarmede de plicht voldoende heb getekend. Ik zou er alleen dit bij willen zeggen: Wanneer we dat woord “plicht” zo nadrukkelijk gebruiken, dan moeten we één ding niet vergeten. Plicht betekent een beseffen van de weg, die je moet gaan en jezelf dan ook dwingen om die weg te volgen.

Wanneer U weet, dat iets goed is, dan is het Uw plicht dat na te streven. Weet U, dat bepaalde tendensen en trekken in Uw wezen kwaad zijn, dan is het juist door deze kennis Uw plicht ze te veranderen en te maken tot iets, wat aanvaardbaar en goed is; Plicht wil alleen maar zeggen: bewustzijn in de praktijk omzetten.

Het woord plicht wordt gebruikt voor vaderland, voor volk en vorst, kortom voor alle termen, die men in de gemeenschap nog wel eens gebruikt als ideaal of hoger doel. Een dergelijke plicht kan er nooit voor U bestaan. Een dergelijke plicht bestaat slechts werkelijk voor U wanneer ze ook in Uw wezen deze waarden als werkelijke, hogere waarden heeft gevonden. Als we op die manier onze plichten bepalen, vrienden, dan zullen we ontdekken, dat we soms met de wereld in strijd zijn, maar nooit met onszelf; en dat we de kracht hebben om onze plicht te volbrengen, omdat ze niet vreemd is maar uit onszelf geboren.