De Leugen

20 september 1963

Dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, weet u reeds. Vandaag bespreken wij : De Leugen.

De leugen of bewuste onwaarheid maakt namelijk een groot deel uit van het menselijke leven. Onder mensen worden begrippen als waar en onwaar dan ook nooit objectief bezien. In vele gevallen bepaalt men waar en onwaar niet aan de hand van feiten, maar aan de hand van geloof, belangen, meningen. Wanneer wij over Jezus spreken en daarbij even buiten het kader van de in de evangeliën vastgelegde feiten komen, zijn er mensen, die al meteen uitroepen: dit kan niet waar zijn, want het staat niet geschreven. Gaan wij nog iets verder – op grond van eigen kennis en bekende, maar niet in evangeliën vastgelegde feiten – dan klinkt ons verontwaardigd in de oren: gelogen, sacrilège. De mogelijkheid, dat wij weten, waarover wij spreken, wordt kennelijk niet eens overwogen. Een dergelijke reactie verdient een nadere beschouwing: waarom immers zal een mens iets tot leugen verklaren, zelfs wanneer het op feiten berust.

Waarom zijn zovele mensen verontrust, wanneer de waarheid wordt gezegd en, omgekeerd, waarom verkiezen zovele mensen bewust of onbewust de leugen boven de waarheid?

Om dit te begrijpen, moeten wij ons herinneren, dat elke sterke of vaak herhaalde menselijke gedachte een astrale vorm kan doen ontstaan. Op deze wijze kunnen door de geslachten heen gelijkblijvende menselijke gedachten een soort moedermatrijs doen ontstaan, die alle menselijke impulsen tracht te richten volgens een algemeen geldend menselijk bewustzijn. Men zou dit een dwangwerking van een boven-bewustzijn kunnen noemen. De invloed, die van deze gedachtematrix uitgaat, zal niet gericht zijn op de erkenning van de waarheid, maar zich richten op het in stand houden van alle denkbeelden, die langere tijd krachtig bestaan hebben.

Wanneer u zich realiseert, hoezeer de mens door alle tijden, zich, om het leven aanvaardbaar te maken, heeft willen bedriegen omtrent zijn eigen wezen, mogelijkheden, positie, zal het u duidelijk zijn, dat de drang tot liegen in wezen compulsief is en de vervorming van de waarheid voor velen haast wel noodzakelijk is, omdat zij alleen zo deel kunnen hebben aan het bestaan zonder met de matrix – en zo met zichzelf – in strijd te komen.

Niet elke leugen is geheel onaanvaardbaar; er zijn nu eenmaal leugens, die zo zeer tot een formule zijn geworden, dat een ieder beseft, dat zij niet een feit weergeven. Daardoor verdienen zij eigenlijk de betiteling leugen niet meer, maar zijn zij eerder tot een conventie geworden.

Wanneer men u vertelt, dat het u elke dag beter gaat, dan weet u heus wel, dat dit niet feitelijk waar is. Wanneer men beleefd is tegenover u, zo beseft u heel goed, dat men dit niet meent, maar door de menselijke gebruiken zich genoopt voelt, zo te spreken.

Wij kunnen echter niet aanvaarden, dat men feiten, die op zich waar zijn, leugens noemt. Om een actueel voorbeeld te nemen: De reactie van sommige instanties en groepen op het toneelstuk “der Stellvertreter”. Hierin wordt gepoogd aan te tonen, dat het optreden van de kerkelijke autoriteiten tegenover Hitler niet juist was, terwijl de vraag wordt gesteld, of een consequenter en meer christelijk optreden tegenover de nazi’s niet de redding van vele joden betekent zou hebben. In het stuk wordt gesteld, dat zowel de paus als zijn belangrijke vertegenwoordigers hebben nagelaten fel en direct uit te komen voor hun meningen, nalieten te handelen, zoals zij volgens hun geloof verplicht waren.

In het stuk is er de gelovige eenling, die de daad stelt, terwijl zij, die dit in wezen hadden moeten doen, zich aan hun verplichtingen in wezen onttrokken. In bepaalde kringen noemt men dit stuk lasterlijk en onaanvaardbaar. Men stelt, dat deze paus, die toch een heilig man was, wordt belasterd. Toch wijst de geschiedenis uit, dat deze paus weliswaar met handigheidjes, diplomatie en heimelijke richtlijnen iets voor de joden heeft willen doen, maar heeft nagelaten openlijk en met geheel zijn gezag zijn standpunt openlijk vast te leggen. Zeker heeft hij nagelaten op voldoende wijze aan geheel de wereld duidelijk te maken, dat een ieder, die aan de vervolging van de joden deelnam, onchristelijk handelde en daarom door de christenen niet gediend, geholpen, gehoorzaamd of aanvaard diende te worden.

Degenen, die weigeren deze feiten onder ogen te zien en zich tegen elke openbaarmaking daarvan verzetten, gaan uit van het standpunt, dat de paus geen fouten mag maken. Zij stellen, dat een beschuldigen van de kerkelijke autoriteiten tevens een aanvallen van het geloof is.

Deze stelling treffen wij, eigenaardig genoeg, evenzeer of zelfs meer aan bij niet-katholieke christenen. Hun bezwaar is in feite te wijten aan het feit, dat, zoals het hier gesteld wordt, de Jodenmoord niet alleen maar de schuld is van Hitler, maar ook van de christenen. Men verzet zich tegen deze “aantijging” , omdat men zich in wezen schuldig gevoelt. Degenen, die zich zo heftig weren, begrijpen innerlijk – al zullen zij zichzelf dit nooit toe willen geven – dat de praktijk van het christendom is vastgelopen in formalisme en diplomatie. Zij zouden aan het volgende niet mogen voorbijzien: Ook Petrus heeft zijn Meester verraden, maar hij heeft dit openlijk bekend en betreurd. Hij was zwak, was een mens. Wij kunnen het hem, maar ook geen enkele paus, ja zelfs geheel de christenheid niet kwalijk nemen, dat zij soms zwak is en haar Meester verraadt. Maar laat zij dit dan toegeven. Maar neen, dit is niet aanvaardbaar. De waarheid moet vervalst of ontkend worden. Anders immers valt de zelfverheffing weg, waarop de mens zich maar al te vaak baseert, wanneer hij het gevoel wil hebben dicht bij zijn God te staan. Handhaving van eigen gevoel van waardigheid en belangrijkheid strijd met de werkelijkheid en zie, de compulsie tot ontkenning en leugen is reeds geboren.

Soortgelijke reacties en halve waarheden of leugens treft men in Nederland aan. Daar wordt op het ogenblik veel gesproken over lonen en prijzen. De feiten tonen aan, dat de geleide economie in Nederland op bijna alle fronten heeft gefaald. Een enkeling durft dit misschien te zeggen, maar men maakt hem belachelijk of zwijgt hem dood. Waarom? Men heeft nu eenmaal zijn geloof gesteld in de geleide economie en heeft het inkomen van het Nederlandse volk niet voor enkele, maar voor vele komende jaren reeds uitgegeven. Dat dit op een verantwoorde wijze is geschied kan men alleen zeggen, wanneer men aanneemt, dat men inderdaad ook in de toekomst er voortdurend in zal slagen alle economische ontwikkelingen te voorzien, te regelen en te beheersen, zodat men inderdaad de verhoudingen tussen lonen en prijzen geheel en blijvend in de hand kan houden. Dit betekent, dat bijna alles, wat door verschillende regeringen werd gedaan en besloten, alleen zin heeft, wanneer men steeds weer een crisis kan voorkomen en steeds weer de te sterke toppen der conjunctuur af zal kunnen vlakken.

De feiten van de laatste jaren bewijzen echter, dat dit niet mogelijk is. Ondanks alle beloften en fraaie berekeningen is de woningnood na bijna 20 jaren nog niet opgelost. Alle loonbeheersing blijkt slechts te voeren tot het haast overal betalen van zwarte lonen – in natura of in gelden. De arbeiders zijn in wezen niet tevreden met hun vakbonden, de werkgevers zijn niet tevreden met de resultaten van het gemeenschappelijk beraad. Meer en meer blijkt, dat zwakke en in wezen onrendabele productiemethoden en bedrijven ten koste van vooruitstrevende en rendabele bedrijven in stand worden gehouden. Men durft echter deze mislukkingen zelfs voor zich niet geheel te erkennen, en grijpt terug op herzieningen door een planbureau, dat een nieuwe en beter plan, een betere beheersing zal scheppen. Dat men daarin zal slagen is echter een illusie. Wanneer men u blijft zeggen, dat men zal slagen, zo stel ik, dat men beter weet. Het gestelde is dus een leugen. Een compulsieve leugen, want zou men de feiten toegeven, dan zou een ieder zich af gaan vragen, waarom men nog steeds op de oude weg door gaat, waarom men de moed niet heeft het met moeite opgebouwde af te breken, nu het nutteloos is.

En daarmede zouden velen hun aanzien en zelfs positie verliezen. Uit deze voorbeelden blijkt reeds, dat de leugen niet slechts een bevoordeling van het ik beoogt, maar in vele gevallen dient om eigen wereldbeeld, belangrijkheid, geloof, stellingen te kunnen handhaven. U zult wel beseffen dat deze neiging, de waarheid te vervalsen niet alleen op zal treden bij godsdienst, economie, politiek en wetenschap.

De belangrijkste vervalsingen van de waarheid vinden wij wel, wanneer de mens innerlijk in contact komt met God. De beleving van dit innerlijk contact is voor de mens een van de hoogste belevingen, het is een bevrijding als het ware. Te stellen, dat deze bevrijding, dit innerlijk contact met hoogste waarden bereikt werd, doordat hij tegen zijn geloof of de door hem gestelde regels inging, door misschien in feite buiten alle geloof en gestelde regels om werkzaam te zijn, is niet aanvaardbaar voor de mens, daar dit zou betekenen, dat hij geheel zijn leven moet veranderen.

De mens, die in een innerlijke flits zijn God ontmoet, zal dan ook vaak juist dit zien als een bewijs van zijn gelijk. Hij bouwt een vals beeld op, dat al zijn stellingen bevestigt, maar het hem gelijktijdig onmogelijk maakt dit moment van contact en verzadiging, dit ondergaan in het Grote Witte Licht, nogmaals te beleven. Dit is gevaarlijk. Want hier zal men zich van de leugen niet eens meer bewust kunnen zijn, zonder zichzelf geheel te verloochenen. Een leugen, die wij bewust spreken, kunnen wij nog ongedaan maken, maar een leugen, die wij onszelf als voornaamste of enige waarheid opleggen, zal ons op den duur zozeer gaan beheersen, dat wij blind worden voor de werkelijkheid.

In de oudheid zocht de mens zijn kennis van binnenuit. De Egyptenaren bv. beschikten niet over de instrumenten, kennis en mogelijkheden, om de hemel waar te nemen, driehoeksmetingen te verrichten enz. Toch waren zij klaarblijkelijk in staat de omtrek van de aarde met een opvallend grote precisie vast te tellen en de loop der planeten ver vooraf te bereken. Zelfs wisten zij de loop der sterren over haast onoverzienbare tijdperken te voorzien. Zij konden deze dingen erkennen en berekenen, omdat zij nog wisten, dat een harmonie met een innerlijke waarde ook weten brengt. Zij borduurden daarbij zeker ook voort op een erfdeel van vóór hen bestaande beschavingen als Atlantis, Mu, Lemuria. Deze beschavingen zochten de wijsheid eerst in de geest, om haar daarna in de werkelijkheid te beproeven. De wetenschapsmensen waren priesters, die, ingaande tot hun God, de wijsheid vonden, die later door lagere priesters, die wij wel wetenschapsmensen en onderzoekers kunnen noemen, werd omgezet in een hanteerbaar systeem en een voor de mensen verklaarbare duiding van verschijnselen.

In uw dagen heeft men de zaak omgedraaid: de mens zoekt niet meer uit het allerhoogste iets te ervaren, waardoor hij zijn wereld beter kan begrijpen en beheersen. Hij wil vanuit zichzelf en zijn wereld iets bewijzen. Omdat hij daarbij alleen op zichzelf pleegt af te gaan, ontbreekt het de moderne mens voortdurend het moment der verlichting. Wij hebben al eerder gewezen op het feit, dat de meeste grote ontdekkers en uitvinders in wezen geen werkelijk grote wetenschapsmensen waren. Daarvoor reageerden zij te veel volgens gevoelsgronden en gingen zij te veel intuïtief of zelf inspiratief te werk. De uitvindingen, die zij doen, hebben zelfs vaak kennelijk het uiterlijk van inspiratieve werkingen en blijken niet afhankelijk te zijn van “berekeningen”, ofschoon deze voor het omzetten van de uitvinding in hanteerbare werkelijkheid wel weer noodzakelijk blijken.

Archimedes ontdekt de wet van opwaartse druk van het water in overeenstemming met het verplaatste water, terwijl hij in het bad zit. Watt ontdekt de stoomkracht, wanneer hij zit te dromen bij een theepot. Zelfs Edison krijgt vaak zijn beste ideeën, wanneer hij fantaseert en met anderen praat. Associaties spelen kennelijk een grotere rol dan bewust weten. Om een werkelijke vernieuwing mogelijk te maken, zal de mens zich dan ook nimmer kunnen baseren op hetgeen hij bezit, doch zal hij zich altijd weer moeten richten op hetgeen hij langs schijnbaar onredelijke weg kan verkrijgen. De fantasie, de inspiratie zijn de werkelijke bronnen der vernieuwing, niet de vastgelegde regels. Maar dit zal men niet gaarne toegeven; haast zonder het te beseffen tracht men alles tot regels te herleiden, ook wanneer dit een directe ontkenning van feiten in zou houden.

Ook in de godsdienst blijkt niet het dogma, de vaste regel, de belangrijkste waarde te zijn.

Wanneer wij bv. de ontwikkeling van het joodse geloof volgen, zo blijkt dit zijn waarde en blijvende invloed vooral te danken aan voortdurende veranderingen. Richteren maken plaats voor koningen, vrijheid en slavernij wisselen elkaar af. Maar het geloof blijft sterk en levend, want door alles heen loopt als een rode draad het werk der profeten. De profeet is steeds weer een mens, die zijn boodschap, zijn inzichten, zijn raadgevingen put uit een innerlijke bron. Hij kan er dan misschien politiek mee bedrijven of zijn invloed gebruiken, om het lot van het volk te veranderen, maar de bron is kennelijk altijd weer een persoonlijke inspiratie. In wezen is er dan ook geen sprake van een geloof, dat steeds zichzelf gelijk blijft, maar van een geloof, dat steeds weer zich wijzigt en uitbreidt. Later zal men echter de nadruk leggen op de dogmatische eenheid en alle tegenstrijdigheden eenvoudig vergeten of weg verklaren. Men stelt dan, dat God de profeten gebruikte om een bestaande toestand te bevestigen, maar dit is werkelijk een leugen.

Er zijn voortdurend nieuwe stellingen, nieuwe geloofselementen toegevoegd. Zonder de profeten zou Israël nooit geworden zijn tot een van de machtigste koninkrijken rond de Middellandse Zee onder Salomo. En dit rijk zou niet gevallen zijn, wanneer men niet de invloed en macht der profeten had willen vervangen door de macht van de koning en de priesters.

De mens van heden vergist zich dan ook, wanneer hij meent, dat hij met zijn menselijke wetenschap en menselijke denkwijzen een werkelijke vernieuwing tot stand kan brengen. Hij perfectioneert dat, wat er reeds is. Maar wanneer er iemand komt met een werkelijk nieuw denkbeeld zal het lang duren, voor men werkelijk begrijpt, wat deze zegt. Einstein was een genie, dat zijn visioenen een mathematische ondergrond wist te geven, zelfs wanneer hij daarvoor soms een nieuwe vorm van mathematica uit moest vinden. Er zijn vele geleerden, die met zijn formules en stellingen werken. Is het dan niet eigenaardig, dat vooral vele van zijn latere stellingen en formules zelfs nu nog niet in hun ware betekenis kunnen worden beseft, en de basiswaarden, vanwaar Einstein uitging, slechts door enkelen op geheel de wereld kunnen worden begrepen? Het blijkt, dat mensen, die als zeer geleerd gelden, zich eenvoudig de waarden niet voor kunnen stellen, die bij Einstein een zo belangrijke rol speelden. Toch stellen zij, dat zij hem kunnen begrijpen, interpreteren en verbeteren. Is dit geen leugen? Wij veroordelen de leugen dan niet, om wat zij is, maar om wat zij veroorzaakt. Zij immers maakt in toenemende mate het onmogelijk, dat een werkelijke harmonie, een werkelijk begrip ontstaat tussen mens en mens, dat contacten mens – God en mens – geest mogelijk worden op een juiste en werkelijk geheel verantwoorde wijze.

Naast dit alles zullen wij ons even bezig moeten houden met de soorten en geaardheden van de leugen. Daarbij blijkt al snel, dat de gevaarlijkste leugen de leugen is, die een deel van de waarheid vertelt, deze aanvullende met onware gegevens of zelfs essentiële delen van de waarheid terzijde stellende. Zelfbedrog vloeit vaak uit dergelijke onvolledigheid voort: men schermt met woorden als Christusgeest, naastenliefde enz., stellende, dat dezen waardevol en mooi zijn, zodat men zich daaraan wijdt. Men vergeet echter daaraan toe te voegen dat men zelf nog niet zover is gekomen, dat men in staat is deze waarden ook in en vanuit zich te verwerkelijken. Het resultaat is duidelijk: men meent iets te zijn, wat men niet is, interpreteert goddelijke waarden op verkeerde wijze, stelt aan zich en aan de wereld steeds weer irreële eisen en begaat voortdurende vergissingen, die dan worden weg verklaard als Raadsbesluiten Gods enz.

Gevaarlijk wordt de halve waarheid ook, wanneer een mens bv, een deel van de waarheid heeft gevonden en nu stelt, dat dit de enige en alomvattende waarheid is. Een mens kan nu eenmaal de totale waarheid van de schepping niet bevatten, laat staan werkelijk bezitten. Zelfs de Hogere Geest is niet zonder meer in staat, de totale waarheid te omvatten. De mens, die sterk wil zijn, bedriegt echter zichzelf: hij weet wel degelijk, dat zijn halve waarheid niet alle dingen verklaart. Men zal zich zelfs realiseren, dat men steeds meer stellingen, theorieën en onwaarheden nodig heeft, om een éénmaal geconcipieerd deel van de waarheid als een ongewijzigde en alomvattende waarheid in stand te houden. Men wil eenvoudig niet beseffen, dat de gevonden waarheid slechts één enkel facet is van de werkelijkheid en tracht alle anderen zijn overtuiging op te dwingen, zonder er ook maar over na te denken, dat anderen misschien ook een deel van de waarheid, zij het een ander deel, gevonden hebben.

Stellingen en feiten zijn vaak schijnbaar, soms zelfs werkelijk, met elkaar strijdig. God is Liefde: Bij een aardbeving komen 2000 mensen om, negerkinderen worden door een bomaanslag gedood mensen sterven van de honger in Brazilië, mensen sterven van honger en uitputting in China. Mensen kunnen klaarblijkelijk ongestraft medemensen doden. Is dit alles in overeenstemming met het menselijk begrip van liefde? Is dit dan waarlijk een liefdevolle God? Alleen door vele gewrongen verklaringen en toevoegingen kan men deze stelling handhaven, tenzij men nog uitgaat van een andere definitie van God dan alleen liefdevol: “Wij kunnen de liefde van God niet begrijpen”. Mogelijk. Maar hoe weet men dan, dat het liefde is? Hoe kan men dan deze onbegrijpelijke liefde toch voor zijn medemensen interpreteren? Dat laatste doet men wel.

Het is zo gemakkelijk een wolkenpaleis op te bouwen en bv. te stellen: wij zijn esoterisch bewust, wij zenden goede gedachten uit, wij beheersen de Lichtende Kracht, wat wij doen is Lichtend en goed zonder meer. Daarom hoeven wij ons niet bezig te houden met de eenvoudige en minderwaardige aardse dingen. Men stelt al snel: het is niet onze taak de mest te ruimen, waarmede de wegen der mensen bevuild worden, want wij moeten met onze heldere en zuivere gedachten de geest van de mensheid reinigen. Wie zo spreekt, beliegt zichzelf en de mensheid.

En hij weet dit wel degelijk, ook al zal hij dit zelfs voor zich niet toegeven. Men weet wel degelijk, dat elke mens die zo handelt, stoffelijke noodzaken, mogelijkheden en verantwoordelijkheden eenvoudig terzijde schuift, omdat het nu eenmaal zo veel prettiger en gemakkelijker is deze dingen alleen maar geestelijk te doen en na te streven.

Een dergelijke mentaliteit beheerst een groot deel van de mensen op uw wereld. Zij bedriegen zichzelf, willen de feiten niet onder ogen zien en maken het zo voor zichzelf onmogelijk alles te zijn, wat zij zouden kunnen zijn, of zelfs maar eigen motieven eerlijk te beseffen. Toch heeft praktisch een ieder, die nu als mens leeft, vroegere incarnaties doorgemaakt. Uit deze vroegere levens is een noodzaak en een streven overgebleven, dat in dit leven zijn vervulling behoort te vinden. Uit het verleden is een reeks van noodzaken, zowel van stoffelijke belevingen als geestelijke erkenningen en ontwikkelingen, geboren. Maar deze belangrijke punten van het bestaan kan men alleen vinden, wanneer men allereerst begint zichzelf te erkennen en te aanvaarden, zoals men is. Men zal de feiten moeten aanvaarden, zowel omtrent zichzelf als omtrent al het andere en zal niet mogen trachten het onaangename of minder mooie weg te verklaren of tot iets moois te maken, zonder dat dit waarlijk zo is.

Dit alles betrof halve leugens. Er is echter ook nog een soort leugen, waarbij men bewust een zeer klein deel van de waarheid geeft, om een grote onwaarheid daardoor te kunnen bewijzen. De resultaten van dergelijke leugens zijn vaak paradoxaal. Stel, dat juist wanneer een vogel op een boom gaat zitten, de boom waarop zij neerstrijkt, omvalt. De vogel stelt nu: ik ben de oorzaak van dit vallen, want het gebeurde, toen ik hier ging zitten. Dus zou de boom er nog staan, wanneer ik niet was neergestreken. Dus ben ik machtiger en sterker dan een boom. Dit klinkt dwaas. Maar hoeveel mensen baseren hun leven niet op dergelijke verklaringen en stellingen? Kleine en misschien toevallige resultaten gebruiken zij om een in wezen geheel verkeerd beeld van eigen belangrijkheid en macht op te bouwen. Dergelijke vreemde vogels zullen volhouden, dat zij macht, wijsheid enz. bezitten, ook wanneer zij 1000 keren falen. Want, zo stellen zij, die ene keer is de boom dan toch maar omgevallen, toen ik er ging zitten. Op deze wijze zal alle geestelijk werk moeilijk of onmogelijk worden, men zal door dergelijke misvattingen niet in staat zijn van zijn werkelijke krachten en mogelijkheden in stof en geest een goed en rationeel gebruik te maken. Pas wanneer men beseft, hoe in het Ik drijfveren liggen, die niets te maken hebben met de huidige stoffelijke wereld, zelfs wanneer zij een verwerkelijking in de stoffelijke wereld vergen, zal men dit kunnen doen.

De mens dient allereerst te begrijpen, dat hij zijn ware wezen zal moeten leren vervullen zonder enige aarzeling. Hij zal moeten beseffen, dat hij alleen zo de ware innerlijke vrede kan vinden. Alleen dan zal men zijn geestelijke bewustwording gestaag en zonder belemmeringen voort kunnen zetten. Een vals beeld omtrent het ik belet dit. Eerst wanneer men uitgaat van het standpunt, dat alle dingen die onbewezen zijn, beproefd mogen worden, mits men zich daarbij nimmer op stellingen, maar alleen op innerlijk aanvoelen of op kenbare feiten beroept, zal men waar kunnen leven. Zo levende zal men ook eerder de in de mens gelegen geestelijke vermogen durven ontplooien. Dan zal men onder meer kunnen zien, wat gedachtekracht nu eigenlijk wel en wat zij niet kan doen. Dan zal blijken, wat wel en wat niet waarlijk edel of rein is. Door zijn ervaringen zal men leren beseffen, wat volgens het goddelijke scheppingsplan voor het ik wel en wat niet juist is.

Een groot deel van de menselijke moraal bv. berust op bewuste of onbewuste leugens. Degenen, die stellen, dat zij beter zijn of weten en daarom eisen, dat men hun opvattingen en regels voor alles zal doorvoeren, zijn in wezen mensen, die bang zijn. Er zijn meer mensen deugdzaam, omdat zij de hel of het oordeel van hun buren vrezen, of misschien zelfs de mislukking van hun opzet, dan er mensen zijn, die zich aan de regels houden, omdat zij deze innerlijk erkennen als deel van hun leven en wezen. Er zijn meer mensen, die ten onder gaan aan door de door hen tegenover anderen zo strikt en zonder pardon gehanteerde zedenregels en lessen, dan er mensen ten gronde gaan aan wat de wereld misschien hun zonden zal noemen. Misschien dat u dit onwaar noemt. Dan is dit in wezen weer een leugen, misschien ook gesproken om uzelf gerust te stellen. Want uw wereld is nu éénmaal gebouwd op vaak betrekkelijk willekeurige regels, waarvan uw niet af durft wijken, terwijl u uw zekerheid bedreigd weet, wanneer anderen dit zouden doen.

Zo is elke stelling, die een ongelijkheid tussen man en vrouw in geestelijk vermogen, besef, enz., tracht aan te tonen, in wezen een leugen, die meestal gehanteerd wordt om een bestaande situatie te handhaven. De vrouw, die haar eigen meerwaardigheid tracht te bewijzen, zal dit doen om aan dit bewijs meer rechten te kunnen ontlenen, dan zij reeds bezit. Niet, omdat zij daarmede ook nieuwe verplichtingen op zich wenst te nemen. De man, die op eigen meerwaardigheid wijst, is meestal vooral bang, dat hij zijn begrippen van rechten en bezit zal moeten afstaan, wanneer hij de vrouw als een vrij en gelijk wezen naast zich erkent.

Hoe zeer verbittert in uw maatschappij het kleurlingenprobleem niet velen. Toch is elke stelling van gelijkheid of ongelijkheid, die alleen op uiterlijke vormen en kleuren is gebaseerd, een leugen, een zelfmisleiding enz. Het erge hierbij is, dat bv. de blanke stelt, dat hij recht heeft de zwarten te onderdrukken en als mensen van mindere kwaliteit te beschouwen. Iemand, die slaven houdt en eerlijk toegeeft, dat hij dit ten onrechte doet, maar in het belang van eigen welvaart, kan ik desnoods nog respecteren. Maar iemand, die stelt, dat het zijn God gegeven recht is, anderen als slaven uit te buiten – ook wanneer dit onder het mom gaat van economisch aan hem gebonden vrije werkkrachten – vind ik een verachtelijk mens. Iemand, die stelt, dat het Gods wil is, dat iemand armoede lijdt, ontgaat hiermee zijn eigen aansprakelijkheden. Zou hij stellen, dat het niet de wil Gods is, dan zou hij zich genoopt voelen, de noden der armen te zeer ten koste van zichzelf te stelpen en zich daarmede te veel zorgen en last op de hals halen, nietwaar?

Uit het geheel van voorbeelden en stellingen wordt u nu misschien wel duidelijk, wat de onwaarheid, wat de leugen in wezen voor de mensen betekent: het is een middel, dat de mens bewust of onbewust hanteert, om zich af te kunnen wenden van de kosmische wetten, zich te vervreemden van een bestaande werkelijkheid en zo voor zich een misschien schijnbaar aannemelijke wereld te scheppen, die in wezen een voortdurend conflict met de bestaande werkelijkheden zal betekenen en daarmede een steeds intenser conflict en intenser lijden veroorzaakt. Het resultaat is slechts een steeds groeiende verwarring en disharmonie. Juist dit laatste maakt het zo belangrijk, dat men in deze dagen een onderscheid leert maken tussen leugen en werkelijkheid. Vergeef mij, wanneer ik heilige huisjes beschadig in een poging u duidelijk te maken, hoezeer de onwaarheid voor u deel van uw leven is geworden. Wanneer u bv. zegt, dat alles goed is, zoals het is, dan liegt u. Wanneer u stelt, dat u in uw land op het ogenblik waarlijk vrij bent, liegt u. Wanneer u stelt, dat voor welvaart en geluk van het volk al het noodzakelijke wordt gedaan of zal worden gedaan, liegt u. Wanneer u stelt, dat de christenen tegemoet komen aan de verplichtingen, die hun geloof hen in wezen oplegt, liegt u. Want deze dingen – en vele anderen, die men gaarne stelt – zijn niet waar.

Men zegt bv. alles te doen voor het welzijn van het volk. Maar wie bestrijdt de verontreiniging van wateren bij de bron? De industrie? Wie verbiedt het overmatig uitstoten van dampen en giftig koolstofmonoxide door voertuigen, industrieën en zelfs gemeentelijke werken in de grote steden? Wie bestrijdt dit alles werkelijk doelmatig? Ook verbiedt men niet het openlijk schenken van ongezonde dranken, het verkopen van voor de gezondheid schadelijke genotsmiddelen.

Misschien stelt u nu, dat men deze dingen niet zo maar verbieden kan, dat dit deel is van uw vrijheid. Maar als er een vrijheid is, waarom dan bekeuringen, wanneer u – zonder anderen te hinderen of te schaden – tegen verkeersregels zondigt? Waarom dan een vastgelegd loon, waaraan u gebonden bent en een vastgestelde prijs voor bepaalde producten, of u dit nu wenst of niet? Klaarblijkelijk zijn vrijheid, bescherming enz. begrippen, die gehanteerd worden, naargelang het uitkomt met bepaalde belangen. En dus zijn de motiveringen onjuist, vaak bewust onjuist. Leugens dus. Zo kan ik nog lange tijd verder gaan.

U liegt steeds weer in uw leven. Niet, omdat u dit zelf wenst, maar omdat u steeds weer daartoe gedreven wordt door de u beheersende moedermatrix, die astraal ontstond uit het werken en denken van ongetelde geslachten. Tot op zekere hoogte wordt haast iedere mens hierdoor beheerst. De drang, die van deze moedermatrix uitgaat, kan niet zonder meer worden afgewezen of gebroken. Wanneer een dergelijke astrale matrix gebroken moet worden – zoals in elke tijd van werkelijke vernieuwing voor de mensheid steeds weer zal dienen te geschieden – kan dit alleen door de invloeden te bestrijden met overdrijvingen. Je kunt een leugen niet bestrijden, door er zonder meer de waarheid tegenover te stellen, vooral niet, wanneer die leugen de wereld beheerst. Maar je kunt die leugen wel dwingen zichzelf tegen te spreken. Eerst wanneer zij zichzelf in de ogen van velen ontwaard heeft, zal de eenvoudige waarheid een mogelijkheid hebben om te zegevieren.

Wanneer de mensheid van deze dagen zich regels, wetten en begrippen heeft geschapen, die onjuist zijn en niet passen in de ontwikkeling van de mens en de menselijke geest, niet in overeenstemming zijnde met de werkelijkheid van deze wereld en de werkelijkheden van de Goddelijke Kracht en het Goddelijk Scheppingsplan, zal men deze wetten, regels en opvattingen moeten breken door een voortdurende overdrijving van hun waarde en betekenis. Indien zedigheid, een op zichzelf waardig en goed iets, op verkeerde wijze wordt gebruikt en bezien, zal elke voorstelling daarvan desnoods gebroken worden, door dat uit de verkeerde opvattingen de mens tot praktische zedeloosheid komt.

Een verkeerde opvatting van de taak van de godsdienst en de waarde van godsdienstigheid zal tot gevolg hebben, dat er overdrijvingen ontstaan, die het geheel in wezen belachelijk en onaanvaardbaar maken, zodat alle oprechtheid teloor gaat en een ieder in zich gaat beseffen, dat hij geen gelovige is, die zijn God benadert, maar een geadministreerd lid van een vereniging, die op de leden rekent, om een voldoende invloed op alle andere mensen uit te kunnen oefenen en zo allen dwingen zich naar de regels en inzichten van deze vereniging te schikken.

Zo zullen alle dingen, die in deze dagen onwaar zijn, uiteindelijk zichzelf kunnen breken. Politiek leeft van halve waarheden, maar daardoor wordt zij tot steeds grotere en onzinniger stellingen en beloften gedwongen, zodat men op den duur niet meer in de waarde van politiek en politici zal willen geloven. Nu blijven de uiterlijkheden nog gehandhaafd. Maar er zal een tijd komen, dat zelfs dit niet meer goed mogelijk is. Reeds nu gaat het hier en daar duidelijk in die richting.

Toch is dit alles op zich nog niet voldoende. Want de matrix bepaalt niet in de eerste plaats het werkelijke leven, maar de opvattingen en reacties, die het uiterlijke levenspatroon en de gehanteerde menselijke standaard vormen. Dit uiterlijke levenspatroon schept echter weer de beperkingen voor de geestelijke mogelijkheden die de mens in het leven vindt. Het innerlijk leven wordt namelijk sterk beperkt door alles, wat men naar buiten toe als goed wil aanvaarden, als goed wil voorstellen. Wanneer men tegen de uiterlijk aanvaarde waarden ingaat zal men, zelfs indien men daarbij beantwoordt aan de noodzakelijke waarden van eigen leven, het gevoel hebben, dat men fout heeft gehandeld. Juist daarom is het noodzakelijk, dat de uiterlijke waarden breken en zullen chaos en verwarring moeten bestaan. Om de waarde van een profeet te bewijzen, zal men valse profeten eerst moeten vernietigen.

Om de werkelijke inhoud en betekenis van Gods Licht te kunnen bewijzen, zal men eerst de duisternis moeten bewijzen van datgene, wat de mensen “hun Licht” noemen. Om de goddelijke Liefde in waarheid te bewijzen, zal men eerst moeten bewijzen, hoeveel de menselijke liefdeloosheid in wezen veroorzaakt. Deze bewijzen zullen in de komende tijd geleverd worden.

Ik weet wel, dat het voor u niet aangenaam is steeds te moeten horen, dat er meer verwarringen zullen komen. Het is ook niet aangenaam te moeten constateren, dat uw toch zo eerlijk gemeend idealisme in vele gevallen niet meer dan zelfbedrog is, dat uw verering voor bepaalde personen, denkbeelden, instellingen in wezen vaak niets meer of minder is dan een ontvluchten aan een werkelijkheid, die u ergens in uzelf toch wel kent. Het kan echter niet anders. Het is vaak onaangenaam om met de waarheid over jezelf geconfronteerd te worden; toch zal men in de spiegel van het werkelijke leven moeten zien, ook al heeft men deze tot op heden verhuld met gordijnen, die men filosofische waarheden pleegt te noemen, maar die in feite leugens zijn. De verdoezeling der werkelijke feiten, die daarbij vaak een grote rol speelt, is voor u veel gevaarlijker dan de directe en lompe leugen.

U vraagt zich nu waarschijnlijk af, waarheen dit alles dan wel voeren moet. Zoals ik zo-even reeds opmerkte, schiep de mens in de oudheid de inspiratieve wetenschap, welker erkenningen dan later in een bruikbare werkelijkheid werden omgezet. Men zocht eerst een innerlijke erkenning, een innerlijk weten en schatte deze hoger dan alle menselijke logica en bewijzen. Eerst wanneer men een dergelijke innerlijke overtuiging had gebracht, wilde men haar ook naar buiten toe uiten. Alleen wanneer kennelijk geen bewijs te leveren was van de waarheid van de stelling, ja integendeel de conclusies en uitwerkingen voortdurend onjuist bleken, stapte men daarvan af. De waardering was dus voornamelijk voor iets, wat men tegenwoordig wel dagdroom, fantasie, irreële gedachten zal noemen. Toch wist men zo de omtrek van de aarde te meten en technische wonderen tot stand te brengen, die de moderne mens de ouden zelfs met al zijn werktuigen en hulpmiddelen alleen met de grootste moeite misschien zou kunnen nadoen.

Ook de waarden van denken en kunst waren anders. Wat is bv. het beste beeld van Zadkine, vergeleken bij het ivoren en gouden beeld van de zeegod, dat eens de glorie van Griekenland was? Wat zijn uw wolkenkrabbers, vergeleken bij de ziggurats van Babylon en uw grote gebouwen en paleizen, vergeleken met de scheppingen van de grote steden als Angkor.  Toch waren die mensen van de oudheid volgens uw denkwijze eigenlijk maar eenvoudig, bijgelovig en was hun cultuur, indien men het diepste denken van de hedendaagse mens mag geloven, maar een vernisje over een barbarendom, dat niet vergeleken kan worden bij uw beschaafde, wijze en gevorderde beschavingen. Wanneer je de oude wereld en haar bereikingen wil vergelijken met het heden, doet menige moderne mens, of je voorstelt een zon te vergelijken met een vuurvlieg. In de oudheid kende de mens de innerlijke waarheid, die alle uiterlijke waarheid bepaalt. Daardoor werd de leugen, de waan, die de mens zich zo nu en dan nu eenmaal schijnt te moeten scheppen, voortdurend aangetast.

Zo konden de mensen, uitgaande van iets, dat inderdaad wel een grof bijgeloof genoemd mag worden, soms in zeer korte tijd stijgen tot een waar begrip van eeuwigheid. Juist omdat de innerlijke waarheid, en niet een uiterlijke maatstaf bepalend was, kon een boerenknaap, die, verstandelijk gezien, nog niet goed genoeg was om de klei te wassen waaruit de schrijftabletten werden gevormd, tot een priester worden, wiens verlichte ideeën vele duizenden het leven redden. Men eiste van hem geen diploma’s, maar erkende zijn waarde, omdat men besefte, dat hij met het innerlijke Licht werkte. Omdat hij zich dus niet liet bedriegen door de leugen van de uiterlijke belangen en menselijke redelijkheid.

Driekwart van uw zogenaamde logica is immers niet veel meer dan een onbewuste leugen, gebaseerd op stellingen, die noch bewijsbaar, noch praktisch houdbaar blijken. Ga nu eens, hiervan uit. Dan is 3/4 van uw zekerheden niets anders dan een reeks van illusies, die door gebrek aan inzicht, materiaal en mogelijkheden, of de weigering de waarheid onder ogen te zien, nog niet ontmaskerd kunnen worden. De bereikingen van uw tijd betekenen in de meeste gevallen slechts, dat de mensen zich eens temeer tot slaaf maken van het werk van hun eigen handen.

Het is natuurlijk niet leuk dit te moeten aanhoren. Tegenstanders zullen dan ook al snel stellen: deze man zwamt, hij liegt. Want dat is voor hen het eenvoudigste. Wanneer de waarheid wordt gesproken in deze dagen, is de kans groot, dat zij voor leugen wordt uitgemaakt. Wanneer een leugen of een waarheid niet strookt met hetgeen men voorop heeft gezet, met wat men wenst of gelooft, deugen zij niet. Toch zal de leugen, zal de onware stelling, zich niet kunnen handhaven.

De reden hiervan is, dat de leugen zich alleen kan voeden en in standhouden met de leugen. Een enkel ogenblik van waarheid is in staat om denkwijzen en leugens van ongetelde eeuwen hun samenhang te doen verliezen en te verbrijzelen. Soms begint iets dergelijks wel op te treden en zet zich niet door, door de enorme tegenstand, die een waarheid steeds weer zal ondervinden, wanneer zij een leugen tracht aan te tasten. Want indien zoiets te vaak zou gebeuren of te sterk door zou klinken in de mensheid, zou de matrix in de astrale wereld haar samenhang verliezen, en uiteenvallen, ongeacht de enorme kracht en energie, die zij bezit.

U begrijpt wel dat een kracht als deze, die semi-sentiment is, alles zal doen om eigen wezen instand te houden en te versterken, terwijl er ook wel geestelijke krachten zijn, die deze instandhouding begeren; zij willen geen wereld in het hiernamaals, waarin zij moeten streven, maar menen nog steeds een hemel te kunnen vinden, waarin men na één enkel menselijk leven voor eeuwig gelukzalig zal kunnen rusten. Daarnaast zijn er geesten, die menen in het leven de rechtvaardigen geweest te zijn. Dezen wensen geen bevrijding voor anderen, die minder moeite hebben gedaan, om volgens de onwerkelijke regels, die mensen daarvoor stellen, te leven.

Dergelijke geesten zijn niet gelukkig, maar wensen voor alle anderen een nog droever lot, een eeuwige hel. Want waarom zouden zij anders zo deugdzaam hebben geleefd, nietwaar? Ook hierbij speelt de genoemde astrale kracht een vaak zeer belangrijke en bepalende rol.

De nu bestaande astrale matrix zal echter vernietigd worden. Reeds nu is zij aangetast door de chaotische invloeden, die een benadering van de werkelijkheid mogelijk maken. Het innerlijk leven, de persoonlijke maatstaven, geheel het persoonlijk leven en beleven van de doorsnee mens wordt steeds sterker van de uiterlijkheden los gemaakt. In wezen bestaat uw wereld uit een façade van uiterlijkheden en conventies, die een ieder nog zegt te erkennen als de waarheid, maar waarachter elke mens aan zich en aan zijn wereld twijfelt en naar nieuwe hem meer bevredigende waarden zoekt. Dit is hoopgevend: de leugen is uitgehold. Zij bestrijdt op het ogenblik de waarheid op een wijze, waardoor zij in feite ook zichzelf bestrijdt. De leugen kan niet langer meer bouwen op een onbeperkte bevestiging uit de krachtbron van een zeer beperkt en van persoonlijk denken en handelen afgeleid menselijk bewustzijn.

De mensheid is tegen zichzelf verdeeld. De maatstaven, die zij zich en het leven aanlegt, veranderen telkens weer. De eerlijkheid van gisteren lijkt tegenwoordig een sprookje, maar in wezen was deze eerlijkheid er gisteren niet. Zij was echter een meer overheersend gedragspatroon en kwam zo uiterlijk meer tot haar recht. Vroeger stal men bv. eigenlijk alleen, wanneer niemand het zag, terwijl men het tegenwoordig openlijk en schaamteloos per traktaat doet. Vroeger voegde men, om de mensen te bedriegen, wat krijt bij het meel. Tegenwoordig adverteert men met krijt “het beste” meel. En de mensen kopen het. Het verschil tussen die goede oude tijd en heden ligt niet in de eerlijkheid of oneerlijkheid, zedigheid of onzedigheid, maar in de wijze, waarop men deze dingen tot uiting brengt. Eens was seks een heimelijk iets, waarop de macht van de vrouw gebaseerd was, nu is het een verkoopelement, dat invloed heeft bij voedingsmiddelen, auto’s, films en wat al niet. Volgens een absolute maatstaf is er geen werkelijk verschil. De ouderen, die spreken over de zondigheid van de hedendaagse jeugd, zijn waarschijnlijk vergeten, hoe er vroeger – meer heimelijk overigens – gezondigd werd.

Vroeger was de leugen sterker dan nu: men ziet op het ogenblik de noodzaak niet meer zo in, zijn werkelijke wezen en doen geheel te verhullen, men ziet geen zin meer in valse romantiek, in stiekem in het klein bedriegen en zondigen, wanneer men dit uiteindelijk ook in het groot en steeds meer openlijk kan doen. Toegeven doet men dit echter nog niet, zodat de leugen nog schijnt te zegevieren. Maar de mensen zullen gaan begrijpen, dat zij bedrogen worden. Zij beginnen ook in te zien, dat alles, wat hen als recht en fatsoen wordt gepredikt, door anderen aan hen wordt opgelegd om hen beter te binden en gelijktijdig zelf beter uit de band te kunnen springen.

De mensheid gaat langzaam begrijpen, dat veel van hetgeen, men hen als het heiligste, het belangrijkste, ja, als eeuwig zaligmakende waarheid heeft voorgehouden, in feite alleen maar ten dienste van machtsbewustzijn stond. Bovenal zal men gaan beseffen, dat de mensen, die in feite slechts weinig van belang bezitten of kunnen bieden, deze dingen over het algemeen zullen omgeven met onwaarheden en bijkomstigheden, tot het geheel belangrijk lijkt.

De functie van de leugen in deze dagen is belangrijker dan men denkt: juist de toename van leugen en bedrog dwingen de mensen steeds meer de onwaarheid van het zogenaamde redelijke menselijke leven te beseffen. Gelijktijdig worden steeds meer mensen gedwongen om, uit eigenbelang of zelfs uit zelfbehoud, tegen de onwaarheden op te treden. Zo dwingt de leugen de mensheid haar wijze van denken te wijzigen. Zo zullen de waarden van de matrix op de mensen en daarmede haar invloed, voortdurend verzwakken. De samenhang tussen alle wetten en regels, die eens de wereld een zo perfect plan schenen te geven, wordt zó gebrekkig en zwak, dat op den duur de regels elkaar niet meer in stand houden, maar bestrijden, en daarmede hun ware onvolkomenheid steeds duidelijker prijs geven, ja soms zelfs hun bedrieglijkheid duidelijk zullen openbaren.

Nog een laatste punt: Beweer nu niet, dat ik een aanval op uw wereld en haar waarden heb gedaan. Want ik heb alleen feiten genoemd. Ik deed dit met de nodige felheid, omdat de mens alleen zo er toe komt, er naar te luisteren. Want een van de meest gevaarlijke leugens onder de mensen is wel hun gewoonte om, wanneer je hen iets voorhoudt te stellen: ja, dit- is goed en waar, om vervolgens zonder meer over te gaan tot de oude, op onwaarheden gebaseerde, orde van de dag.

Kom rustig in opstand tegen mijn woorden, maar realiseer u dan ook, hoeveel daarvan niet een verontwaardiging over mijn woorden zelf is, maar over de aantasting van dingen, waarop u uw leven baseert. Bedenk verder, dat u zich op vele waarden niet baseert, omdat u er zeker van bent of meent hiermede iets te kunnen bereiken, maar omdat het u een idee van zekerheid en rust geeft, die, wanneer u er even verder over nadenkt, toch in feite nooit deel van uw leven hebben uitgemaakt. Roep daarom, wanneer dergelijke woorden gesproken worden, niet onmiddellijk: onverdraagzaamheid, leugen, maar vraag u af, of hetgeen gesteld wordt misschien een aanleiding kan zijn om de leugens in uw eigen leven te ontdekken. Want de vraag is steeds weer, of u op dergelijke wijze niet geconfronteerd wordt met feiten, die u liever niet zo duidelijk had beseft of gezien.

Wanneer u meent, dat ik gelijk heb, dient u zich eens af te vragen, of er ergens in u niet een innerlijke werkelijkheid is, iets wat voor u in wezen meer betekent dan al het andere. Dit betekent nog niet, dat u nu onmiddellijk uw leven moet gaan veranderen. Dit geldt alleen, wanneer uw wijze van leven direct tegen de eisen van uw innerlijk bewustzijn ingaat. Leer uw inspiraties en ideeën, de bronnen die vloeien vanuit het werkelijke ik, te gebruiken. Hierdoor kunt u leven met de waarheid van deze wereld en resultaten bereiken, die niet alleen een illusie zijn op papier, maar feitelijke krachten, die zo sterk kunnen zijn, dat zij doden tot leven kunnen roepen, zieken gezond maken en stenen tot brood. In uw ware ik schuilen krachten, waarmee u niet alleen sommige dingen in de wereld, maar waar nodig u ook uzelf mee kunt veranderen. Vermijd in uzelf alle zelfbedrog, elke bewuste leugen, opdat u waarlijk deel van de werkelijkheid kunt zijn en deel kunt hebben aan de vernieuwingen van deze dagen.  Indien u vragen hebt, kunt u dezen nu stellen.

  • U zei, dat zedelijkheid nog enig nut heeft. Na uw betoog verwondert mij dit.

Ik sprak in deze zin over zedigheid, niet over zedelijkheid. Ik wil echter opmerken, dat werkelijke onzedelijkheid strijdig is met de menselijke behoeften. In zich moet de mens in feite het gevoel hebben, dat hij juist handelt. Zolang dit het geval is en zijn daden niet zinloos of zonder reden plaats vinden, zal hij vanuit eigen standpunt zedelijk verantwoord handelen. De mens handelt eerst waarlijk onzedelijk, wanneer hij alle beperkingen overboord gooit – dus ook de beperkingen, die hij voor zich als noodzakelijk erkent – om zichzelf daardoor te bevredigen of te bevoordelen.

Het ergste daarbij is, dat de meeste mensen vooral zondigen tegen beperkingen, die zij innerlijk wel als noodzakelijk beschouwen, maar voor zich niet willen erkennen.

  • Wanneer ik zeg: “hij leert niet, hij is een stommerd”, is dat dan ook een leugen?

Wanneer u aan de hand van feiten zegt: hij leert niet goed op school, is dit waar.  Zegt u: hij kan niet goed leren op school, dan spreekt u een vermoeden uit, dat door de feiten schijnbaar bevestigd kan worden. Zegt u: “hij is een stommerd”, dan geeft u een oordeel en spreekt u waarschijnlijk een onwaarheid uit, een onbewuste leugen. Want geen enkele mens is eigenlijk werkelijk helemaal dom. Dom is eenvoudig een relatieve vaststelling. Wanneer dus dergelijke beoordelingen niet als mening, maar als absoluut feit worden gesteld, kunnen wij er wel zeker van zijn, dat zij tenminste gedeeltelijk onwaar zijn. Juist daardoor is het geven van een oordeel, dat verder gaat dan de gekende feiten – en dit wordt gegeven als altijd en blijvend geldig – vaak gevaarlijk. Ook een algemeen geldende opvatting, een algemeen onderschreven oordeel houd nog niet in, dat het gestelde ook juist zal zijn. “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld worde” is ook in deze zin waar en van kracht. Een opinie geeft onze houding tegenover iets of iemand weer en is dus aanvaardbaar. Op het ogenblik, dat wij onze opinie echter stellen als absoluut en zonder enige twijfel geheel juist, maken wij het onszelf zeer moeilijk, ons oordeel te herzien en scheppen zo een op prestige gebaseerde vervalsing van de werkelijkheid, die in toenemende mate ons oordeel zal vertroebelen en ons van de werkelijkheid zal verwijderen.

  • Hoe kunnen wij dan ooit een waarheid kennen? Je weet niet, wat waarheid is.

U kunt een waarheid in uzelf erkennen, zelfs wanneer u deze niet volledig uit kunt drukken. Dan zegt u: “dit is een waarheid, die nu voor mij volledig bestaat”. Oordeel echter niet over anderen, opdat gij uw eigen bewustzijn niet vervalst op een wijze, waarbij alle beoordelen u onmogelijk kan worden. Dit betekent dus, dat u elk oordeel van anderen zowel als elk oordeel, wat u zichzelf vormt over anderen, met een heel grote schep zout dient te nemen. Zeg maar tot uzelf: mogelijk is het wel, maar helemaal zeker ben ik er niet van.

  • U spreekt voortdurend over waarheid en werkelijkheid, zelfs over innerlijke werkelijkheid. Het zou misschien goed zijn dezen eens te definiëren. Want wij zijn geneigd over de werkelijkheid te spreken als de zijnsvorm van de waarheid.

Waarheid is datgene, wat uit zichzelf en zonder onze interpretatie bestaat. Voor ons kan de waarheid, door gebrek aan overzicht, schijnbaar veranderlijk zijn, doch in wezen is zij dit niet. Werkelijkheid is altijd: onze realisatie van het Zijn, ofwel ons persoonlijk ondergaan van de waarheid.

Maar de grootste waarheid, de enige onveranderlijke waarheid, is God. Het ondergaan van God nu schept een innerlijke werkelijkheid, waarbij het geestelijke wezen geheel betrokken is, maar waarbij het stoffelijke wezen – dat God niet in een daarvoor kenbare of vatbare vorm kan bevatten – van uitgesloten is. Alleen door middel van impulsen, intuïtie en inspiratie zal deze innerlijke werkelijkheid enigszins in de materiële werkelijkheid gerealiseerd kunnen worden.

  • Hoe kun je nu weten, wat de innerlijke werkelijkheid, wat de waarheid is?

Dat vormt een heel hoofdstuk op zichzelf. Maar ik zal proberen het kort samen te vatten.

Wat waarheid is, weet je alleen wanneer je geen oordeel velt, maar wel voortdurend waarneemt en alleen op deze waarnemingen je eigen reacties bepaalt. Dan is dus de verhouding tussen wat buiten je ligt en wat in jezelf bestaat op grond van deze ervaring zonder oordelen, waarheid. Het is heel moeilijk, om niet te oordelen. Maar het is toch mogelijk het leven zonder oordeel – en dus zonder vooroordeel – gade te slaan, zo ontstaat een persoonlijke waarheid, die meestal aan de grote waarheid, de eeuwige werkelijkheid dus ook, gelieerd is.

Hoe beleef ik een innerlijke werkelijkheid? Op het ogenblik dat ik geen enkele beperking of innerlijke maatstaf aanleg, noch aan het Al, noch aan mijzelf, en gelijktijdig innerlijk streef dit onbeperkte in mijzelf aan te voelen – dus tracht het onbeperkte in mij te beleven – zal hieruit voor mij altijd weer een gevoelde en daarom ook kenbare beperking geboren worden.

Deze breng ik dan tot uitdrukking in een gedachte, een gezegde, of een daad, die echter geen samenhang hebben met mijn andere gedachten en daden of woorden. Het is dus iets, wat buiten het eigenlijk patroon valt, maar daarbij zeker kan worden aangepast, waarbij het patroon van mijn leven ook kan worden aangepast.

Op deze wijze komt men dus uit een wereld, die zonder gevormde gedachten is – de mensen zouden zeggen een gevoelswereld, maar zij omvat iets meer dan dit – tot een erkenning, die mentaal beseft kan worden. Vanuit een mentaal besef van mogelijkheid of noodzaak kan men dan weer tot de actie komen, die de mens bewijst, dat dit alles in zijn eigen wereld eveneens zin van bestaan heeft. Dit is natuurlijk zeer verkort en daardoor misschien ook wat vereenvoudigd en onvolledig. Het antwoord bevat echter de hoofdpunten, die belangrijk zijn voor het erkennen van een innerlijke werkelijkheid en geven tevens de benadering van de waarheid aan.

Degenen, die dit alles willen omschrijven, maar daarbij terugschrikken voor een confrontatie met een – vanuit ons bewustzijn gezien – Niets, stellen, dat men om de waarheid te vinden en de werkelijkheid te beleven, een geloof noodzakelijk is. Daarbij vergeten zij echter, dat een geloof, dat te nauw omschreven is, altijd een beperking van de werkelijkheid zal betekenen en in feite daarom de mens vaak onvolledige of zelfs onware – leugenachtige – ervaringen in het ik geeft.

De mens ontmoet het zuivere Licht alleen. Wanneer hij echter een bepaald geloof heeft, zal hij geneigd zijn om dit te vertalen met: “Ik heb Jezus gezien”. Hij geeft misschien zelfs details en heeft toch in wezen niets gezien, maar alleen een kracht ondergaan, waarvan hij wezen en grootorde niet eens kent. Hij associeert dan verder Jezus met alles, wat hij omtrent deze kracht meent te weten, beroept zich op alles, wat hij omtrent Jezus wezen en leer meent te weten en komt zo tot handelingen en gedachten, die in wezen strijdig zijn met de ontvangen impulsen.

Daarmee zal men dus wel voorzichtig moeten zijn. Een geloof is alleen dan, wanneer het onbeperkt is en zich niet bezig houdt met middelen en wegen, doch alleen met aanvaarding, hierbij waardevol. Zelfs dan geldt nog, dat wij dit geloof niet bewust mogen gaan testen, doch alleen door te handelen naar ons geloof ons zelf bewijzen, dat het voor ons juist is.

  • Als de mens gelooft aan een: “maak je geen zorgen voor de dag van morgen”, kan hij dus zonder een cent op zak de deur uitgaan, en kijken, of God dit waar maakt.

Dat mag u niet doen: u gaat kijken, of God deze woorden waar maakt. Daardoor maakt u het Hem onmogelijk deze woorden aan u waar te maken, zonder u van de werkelijkheid te vervreemden. Maar wanneer u innerlijk zeker bent, dat God met u gaat en u zou toevallig zonder één cent de deur uitgaan, terwijl u eerste klasse naar de USA moet reizen, dan komt u er.

Wij moeten dus niet God op de proef stellen, maar geloven aan Zijn macht en werking in ons leven. Wanneer ik u er aan herinneren mag: Jezus heeft altijd geleerd, dat men alles achter moest laten. Hij heeft niet gezegd: maar denk dan wel aan vrouw en kinderen, of: blijf voor vader en moeder zorgen. Hij geeft te kennen: laat alles achter, geef uw bezit aan de armen en volg mij.

Ik meen, dat daarin de essentie ligt van hetgeen de mens met zijn benadering van geloof vergeet: het geloof, dat waar is, is grenzeloos en kent dus geen verdere verplichtingen, beperkingen, behoeften of noodzaken. God zorgt. Wanneer je zo bent, zul je ontdekken, dat je toch wel tijd overhoudt voor de vrouw en de kinderen, voor vader en moeder en heus alles hebt, wat werkelijk noodzakelijk is. Je zult dan heus niet doodarm zijn. Maar zodra je gaat zeggen: “zou het wel waar zijn”, is deze werking weg. Wanneer men stelt: ik zal alles aan de armen geven, maar voor vijf dagen geld of kost voor mijzelf houden, dan heeft men reeds getwijfeld.

Dan heeft men in wezen gezegd: “God kan het misschien toch niet, maar ik hoop maar, dat Hij het toch kan”. Door deze onzekerheid heeft u de werkingen uit het Grote beperkt.

De werkingen, de inwerkingen, die u geestelijk bereikten en stoffelijke werkelijkheid zouden kunnen worden, zijn er dus niet meer volledig. Wanneer u werkelijk gelooft, kunt u uit stenen brood maken, wanneer u werkelijk brood nodig hebt voor uzelf of een ander en geen andere mogelijkheid bestaat.

Om dit te doen, moet u echter zeker zijn, dat God u dit geven zal. Men mag dus wel degelijk gebruik maken van de goddelijke krachten, de mogelijkheden, die deze voor ons bevat. Maar niet om Hem op de proef te stellen. Dit is juist de grote moeilijkheid: je moet deze zekerheid eerst bereiken, alle eigen zorgen, vrezen en belangen van je afstellen, voor je deze krachten daadwerkelijk en volledig kunt gebruiken in de wereld der mensen.

Daarmede heeft u tevens – om even op mijn onderwerp terug te komen, – u onttrokken aan de werking van de astrale matrix, die de mens beperkt. Want dan hebt u afstand gedaan van alle menselijke beperkingen, alle voorbehoud, alle menselijke redelijkheid. Mensen menen, dat zij niet over water kunnen lopen. Wanneer u een water moet oversteken en geen andere weg bestaat, kunt u over water lopen, zolang u dit gelooft tenminste. Maar zelfs op het ogenblik, dat u zich afvraagt: kan ik eigenlijk wel op water lopen, zult u zinken. Dit is juist de grote moeilijkheid voor de mensen van heden. Daarom zal de mens van heden moeten breken met zeer vele dingen, die voor hem doodgewoon zijn, voor hij deel kan hebben aan de vele werkingen en gaven – die ook voor en in hem bestaan, maar die hij, juist door zijn beperkingen en voorbehoud, door zijn behoefte te bepalen, wat zal zijn, zekerheid te scheppen – niet kan gebruiken.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

  • Esoterie door, Chinees boeddhistische gastspreker. 

Wanneer een mens het Licht der Waarheid begeert, zo luistert hij in zichzelf. Wanneer een mens de heerschappij begeert, zo delft hij in de wereld.

Wij kunnen de wereld, waarin wij bestaan, nimmer ontkennen. Maar het is ons voortdurend mogelijk de wereld, die in ons leeft, te stellen als bepalende waarde voor alles, wat buiten ons leeft.

De krachten van Licht zijn de krachten der werkelijkheid, die gelden voor de mensen van deze golf der bewustwording.

Het betekent de voltooiing van een kringloop van vele geboorten en ongetwijfeld ook de oplossing van vele problemen.

Wie deze vernieuwing in zichzelf ervaart, beëindigt de heilige cirkel. Wie echter de vernieuwing van deze tijden afwijst, dwingt zichzelf tot een volledige nieuwe cirkelgang en zal al hetgeen wat was voor zich moeten herhalen.

Het is voor de mensen van deze tijd en voor alle geesten, die dicht voor incarnatie staan of nog als mens in deze golf van bewustzijn als mens zullen leven, van het allerhoogste belang, dat zij dus de Lichtende Kracht in zichzelf verwezenlijken.

Deze Lichtkracht is niet een al bepalende of alomvattende, zij is de richtlijn om te ontsnappen aan de stofgebondenheid en als bewust wezen deel te nemen aan de verdere ontwikkeling van het Al.

Daarbij zal een ieder, die op aarde leeft, ontdekken, dat hij een eigen taak krijgt. Deze taak lijkt vaak onredelijk en in vele gevallen zien wij haar als een ons door het noodlot opgelegde ellende.

Besef, dat de vreugdige vervulling van uw taak en de vreugdige volbrenging van de noodzakelijkheden voor u de enige weg vormen, om de Krachten des Licht in uzelf te kennen.

Zoek niet in uzelf naar hetgeen ondergaat en vervalt. Want zo gij verder gaat dan noodzakelijk, zo zeg ik u: “De paleizen, die gij bouwt in uw geest worden tot ruïnen, waarin zij dwalen, die de grond hunner vaderen niet vonden om in te rusten”.

Maar indien gij gaat tot het punt, waarop de bestemming in uzelf bereikt is en daar weet te rusten, verder de taken vervullende u gegeven, zo zult gij erkennen: Ik bouw in mijzelf paleizen van Licht, paleizen, waarin ik wonen en rusten kan, omdat de aarde heeft afgedaan en een nieuwe kringloop van hoger belang en bewustzijn mij begint.

Laat u niet bedriegen door de uiterlijke schijn. In deze wereld is niets, zoals het lijkt. Zelfs ik niet.

Als niets is, zoals het schijnt, zo zult gij op niets mogen betrouwen buiten datgene, wat gij in uzelf als waar hebt erkend. Aanvaard deze waarheid, leef haar en draag haar uit. Maak haar tot een vervulling van alles, wat u tot nu toe aan de aarde bindt, tot de vervulling van alles, wat u in leven en werken schijnt te ketenen aan een beperktheid van zijn.

De krachten der grote bewustwording, werkzaam rond deze wereld, zullen binnenkort een nieuwe fase van hun grote werkzaamheid voor allen beginnen. Zij zullen de mens in staat stellen voor zich een punt van Licht en werkelijkheid te vinden.

Maar onthoudt, dat dit u slechts eenmaal gegeven wordt. Aanvaardt gij het, behoudt gij het?

Het is uw bezit en uw vrijdom. Indien gij het voorbij laat gaan, verwacht niet, dat het terugkeert. Verwacht dan slechts, dat gij een nieuwe en zware taak zult krijgen, waarin eens op een andere wijze het Licht u weer beroeren kan.

Zo zeg ik tot u: wees behoedzaam in deze dagen, wanneer in u beelden rijzen, wanneer in u een flits van gedachten of weten is. Behoedt deze tederlijk. Want zie: daarin zult gij gevonden hebben een waarheid, die zich feitelijk bewijst en waaruit gij een kringloop van levens kunt vervullen.

Wanneer deze tijd aanbreekt, zal men u nogmaals hierop wijzen. Bereid u echter voor: de werkingen zijn reeds begonnen en sommigen zullen reeds eerste flitsen van Licht ervaren hebben. Enkele maanden zal dit verschijnsel duren, daarna begint de volgende fase voor de mensheid en zal dit geestelijk werk worden gestaakt.

Ik wens u allen toe,dat gij buiten alle schijn om, er in zult slagen, uw punt van innerlijke waarheid te vinden en dit om te zetten in uw eigen wereld, opdat wij allen bewuster en sterker verder kunnen gaan in de nieuwe kringloop, waarin wij toch hopen, bewuster en vrijer de Hooglichtende Kracht te mogen dienen.

  • Afsluiting:

Ik moet nog een ogenblik de gelegenheid scheppen, bepaalde trillingen te doen afflauwen.

Ik kan u mede delen, dat de spreker, die u zo-even hoorde, behoort tot het boeddhisme en daarin eens werd beschouwd als een van de Chinese boeddha’s. Wat hij zegt, is volkomen duidelijk. Ik heb daarop niets aan te vullen. Wel wil ik u er op wijzen, dat deze spreker een geheel eigen kracht en sfeer met zich bracht. Indien u daarmede harmonisch bent, zo zou ik u willen raden, u in de komende dagen eens in te stellen op het grote Licht, het grote Niet, waarin alleen het verblindende Licht de mens voedt en brengt tot nieuwe bewustzijnsvormen. Want de weg, die hij is gegaan, en de waarde, die hij vertegenwoordigt, kent men wel als de Kroon, de Kroon van Licht, die bij de mens wordt de duizendbladige Lotus, maar in de kosmos is dit de voleinding van alle menselijke gang door het leven.

Ik meen nu dit lichaam zonder verdere schade of gevaren vrij te kunnen geven.