De levende God

image_pdf

8 december 1967

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik, zoals gebruikelijk is, er op wijzen, dat wij, sprekers van de Orde, niet onfeilbaar en niet alwetend zijn. Hetgeen wordt besproken dient u dus zelf en met enige kritiek te beschouwen; wij hopen, dat u, uit hetgeen er besproken wordt, dan ook zelf uw conclusies zult willen trekken. Ons onderwerp voor heden draagt, zoals u bekend zal zijn, de titel: De levende God

In wezen een wat vreemde titel: leven immers is ontwikkeling, verandering. Leven is kortom alles, behalve stilstand of eeuwigheid. Zouden wij ons met de eeuwige God, waarin zovelen geloven, bezig willen houden, dan zouden wij een andere titel moeten kiezen. Dan zouden wij ook kunnen reizen ver buiten die ruimte en tijd om dan te constateren, dat er daar iets moet zijn. Uit welke these men dan, zoals gebruikelijk is, vele andere thesen zou kunnen gaan afleiden. Maar in een tijd, waarin velen hebben verkondigd dat God dood is, lijken mij dergelijke stellingen minder op zijn plaats. Wij doen er m.i. dan ook beter aan eens na te gaan, wat de term “levende God” ons te zeggen heeft.

Daarbij dienen wij ons allereerst te realiseren, dat God lange tijd in de menselijke historie een wat eigenaardig wezen is geweest – volgens de menselijke voorstelling althans. Deze God gaf regels en wetten, maar maakte uitzonderingen voor hooggeplaatsten. Wanneer het gezag een mens verdoemde, dan stond deze God onmiddellijk klaar om daaraan zijn zegel te hechten.

Werd iemand heilig verklaard op aarde, dan nam men maar al te graag aan, dat God aan dergelijke beslissingen onmiddellijk zou gehoorzamen, door de persoon in kwestie onmiddellijk in de hemel op te nemen. Deze God bevestigde a.h.w. volgens de geldende opvattingen alle verklaringen die z.g. gezaghebbende personen op aarde in Zijn Naam hadden uitgekiend.

Naarmate de mens echter kwam tot een meer zelfstandig denken en door kon dringen tot meer geheimen van de natuur, werd een dergelijk beeld van een godheid steeds minder acceptabel. Hierbij speelt het optreden van kerkelijke autoriteiten in het verleden mede een rol. Uiteindelijk is het nog niet zolang geleden, dat een kerk Galilei dwong zijn stellingen te herzien, omdat zij, kerkelijk gezien, niet aanvaardbaar waren, terwijl men ook andere denkers en zoekers zelfs ter dood veroordeelde of deed martelen als afvalligen, omdat zij dorsten zoeken in richtingen, die niet strookten met hetgeen de kerkelijke autoriteiten aanvaardbaar achtten.

Tegenwoordig krijgt een steeds groter deel van de mensen een onderricht, waarbij men kennis maakt met de vaststellingen van de wetenschap en velen weten t.e.m. iets – vaak verkeerd begrepen, maar toch iets – van de ontdekkingen, die de wetenschap de laatste tijd heeft gedaan. Men is daarom niet meer zo geneigd een absoluut gezag over eigen denken en handelen, uitgeoefend daar mensen in de naam van een God, die wetenschappelijk nog steeds niet aantoonbaar is, te aanvaarden. In deze zin kunnen wij met recht zeggen, dat God dood is. De wetgever, de absolute autocraat met zijn dependances op aarde, geleid door dominees, pastoors en dergelijke autoriteiten, is ter ziele.

Maar daarmede is de gehele kwestie van God, zelfs maar als kenbare factor in het leven nog niet uit de weg geruimd. Zo blijft er voor de mens een mystieke beleving mogelijk, waarin hij God meent te ontmoeten.

In het menselijk ik kan men krachten erkennen en ontmoeten die men wel niet verstandelijk en wetenschappelijk kan omschrijven, maar die daarom voor het ik nog niet minder waar zijn.

Haast iedere mens kent, al is het maar één of twee maal in een geheel leven die ogenblikken van algehele rust, van algeheel geluk in zichzelf, waarvan de gelovige slechts kan zeggen: dit was een contact met God. De mens blijkt vaak krachten, reserves, inzichten te bezitten, waarvoor geen redelijke verklaring met de nu bestaande middelen mogelijk is. De mens komt tot erkenningen die onredelijk schijnen, maar door de feiten steeds weer bevestigd worden.

Het zijn deze verschijnselen, deze innerlijke toestanden, die ik wil samenvatten in het begrip: De levende God.

God is voor de doorsnee mens van deze tijd niet meer in de eerste plaats een wet, een gezag. Je kunt hem ook moeilijk classificeren als een verschijnsel. God is een levensvoorwaarde, die ergens in ons doordringt en het ons eenvoudig onmogelijk maakt in ons leven te volstaan met de uiterlijk kenbare feiten alleen. God bestaat voor ons nog steeds. Maar Hij is nu de kracht, die zich boven alle redelijke en emotionele argumenten zal uiten en in ons gevoelens wekt, die weinig of niets meer gemeen hebben met het door dressuur gevormde geweten, doch eerder ons er toe brengt alles uit te drukken in gevoelens van harmonie en disharmonie. De uiting van deze God is voor ons in de eerste plaats wel het erkennen van waarden en mogelijkheden in de wereld rond ons, in andere materiële wezens of waarden, op een wijze, die niet rationeel verantwoord kan worden.

Misschien vormt zich bij u nu de vraag, of dit alles nu wel werkelijk iets met God te maken heeft. Indien wij precies zouden kunnen omschrijven, wat God in wezen is, zouden wij u misschien ook in begrijpelijke termen kunnen vertellen, in hoeverre deze mogelijkheden en eigenschappen van het ik of binnen het ik nu werkelijk een deel van God zijn of niet. Maar wie van ons is vermetel genoeg om te stellen, dat hij God kent? Wij weten misschien innerlijk, dat er een God is en kunnen aan die God vele eigenschappen toekennen of toeschrijven, maar een dergelijke toekenning van eigenschappen is en blijft menselijk. Een werkelijke openbaring van de werkelijke God zouden wij niet eens kunnen begrijpen, omdat het menselijk kenvermogen en uitdrukkingsvermogen, zoals ook deze waarden in de meeste sferen, eenvoudig te kort zullen schieten, zelfs maar om te kunnen constateren. Wij hebben eenvoudig niet voldoende diepgang, voldoende geestelijke dimensie, voldoende begrip ook om maar iets van de ware goddelijke persoonlijkheid of kracht – wat dit ook moge zijn – juist aan te kunnen voelen, laat staan dat wij dit wezen, zijn werkingen enz., zouden kunnen definiëren, of deze kracht naar wezen en waarde zouden kunnen rangschikken.

Uitgaande van mijn innerlijke gevoelens, mijn wijze van werelderkenning, kan ik echter stellen, dat er iets is. Dit iets omschrijf ik niet als een God of een Eerste Oorzaak, primaire kracht of iets anders. Ik stel eenvoudig, zonder verdere bepaling: Volgens mijn innerlijk gevoelen is er iets. Stel ik, dat er voor mij iets is, waaruit voor mij al het andere voortkomt, dan moet ik ook aannemen dat de eigenschappen van dit eerste iets in zekere zin in alle daaruit ontstaande dingen tegenwoordig zal moeten zijn. In de genetica zullen wij niet alleen bij het volgen van een stamboom met verbazing vaststellen, hoeveel mensen wel familie van elkander zijn, maar wij zullen ook erkennen, dat hoofdeigenschappen reeds kenbaar waren aan het begin van de stamboom. Vele plachten lang bij allen in meerdere of mindere mate voor te komen, terwijl zij kennelijk ook in volgende generaties nog zo vaak en zo veel meespreken, dat de waarde en eigenschappen van de familie daardoor nog steeds enigszins bepaald worden. Bepaalde genetische eigenschappen lijken soms meerdere generaties lang niet meer te bestaan, tot wij opeens de eigenschap zien terugkeren en moeten toegeven dat zij slechts onderdrukt, maar niet uitgewist was, zodat door alle geslachten heen hetzelfde beginsel in de geslachten werkzaam blijkt te zijn.

De Eerste Kracht zal volgens mij op gelijksoortige wijze in alles, wat wij schepping noemen – of niet – zolang er iets bestaat, aanwezig zijn. Indien ik bereid ben het geheel van deze eigenschappen God te noemen, dan kan ik stellen, dat God in mij leeft, hetzij geuit, hetzij onderdrukt. Gaat men de geestelijke waarden en achtergronden na, dan blijkt, dat die God als kosmische waarde niet in zijn geheel voor mij aanvaardbaar of kenbaar in mij aanwezig is, maar dat er wel een deel van deze kracht – of eigenschappen – in mij bestaan. Waarmede mijn eerste conclusie u wel duidelijk zal worden: De levende God in ons is in feite geen levend wezen. Hij is ook geen kracht. Onze levende God is voor ons het eigen begrip voor iets, wat in ons bestaat – en wat waarschijnlijk daarnaast ook overal elders voor ons aanwezig lijkt te zijn. De mysticus dringt door achter de schermen van de eigen persoonlijkheid. Hij ontmoet zichzelf, wordt onder gedompeld in reeksen van vormloze angsten, om langzaam maar onverbiddelijk te herrijzen in een nieuwe aanvaarding van het zijn, in een voor hem nieuwe wereld, een voor hem nieuw Licht. Wat dat Licht is, weet hij niet. Wel heeft hij echter het gevoel of besef door dit Licht gekoesterd te worden. Hij verliest iets van zijn eigen persoonlijkheid, zoals hij deze vroeger besefte en uitte. Men zegt daarom wel: Hij wordt wedergeboren in het Licht of wordt bevrijd, of verlost.

Maar is deze verlosser, deze bevrijder iets, wat buiten het ik van de mens bestaat? Volgens mij is het, zover het voor de mens belangrijk is, ‘Iets’, wat in de mens zelf moet voorkomen.

Ik zou daarom als tweede stelling willen zeggen: Ofschoon de levende God onze interpretatie is, onze beleving ook, van iets onbepaalbaar, zijn de eigenschappen daarvan via de mystiek voldoende duidelijk geworden, om t.e.m. te constateren, dat de levende God voor ons, zodra wij Hem innerlijk erkennen, Hem ondergaan, een factor wordt, die het eigen wezen of althans de betekenis daarvan voor eigen ik, zowel als de omringende wereld, verandert. De levende God in de mens blijkt een progressieve factor te zijn: naarmate ik deze God meer beleef, betekent Hij meer voor mij, maar zal ik ook meer veranderen. Dat men daarbij wel eens afwijkt van hetgeen op de wereld der mensen normaal heet, hoeft ons niet te verbazen.

Wat de wereld normaal noemt, is over het algemeen een soort laagste gemiddelde, aangepast aan de noodzaak, door regels, die alleen in de noodzaak zelfs hun rechtvaardiging nog zouden kunnen vinden voor de laagst ontwikkelden. Indien alle mensen op aarde normaal waren, was het menselijke ras niet veel meer dan een ras van aangeklede apen. Het begrip normaal blijkt in wezen slechts een maatstaf te zijn die men hanteert voor allen, ofschoon zij ver beneden de werkelijke mogelijkheid van de meeste mensen ligt. De mens, die de in zijn ik erkende mogelijkheden geheel gebruikt, is tenminste a-normaal. Baseert hij daarbij zijn gedrag en werken op de innerlijk besefte waarheden alleen, dan zal hij in de meeste gevallen als abnormaal, worden beschouwd.

Ik meen echter, dat de levende God voor elk ik kenbaar wordt als verschijnsel. Wat betekent dan die levende God in mij? Hij is een bron van kracht. Tenminste, dat zal eenieder stellen, die ook maar iets daarvan ervaren heeft. Maar is deze kracht nu de eigen kracht, waarvan de mens zich bewust wordt, is het een kracht, die het Ik gegeven wordt, omdat die Godheid innerlijk werd ontmoet en erkend, of is er nog sprake van iets anders? Wie nagaat, wat er alzo in de mens plaats kan vinden, zal mij moeten toegeven, dat het volgende tenminste waarschijnlijk is.

Ik stel dan ook: De kracht, die wij aan de levende God in ons ontlenen, is in feite vooral de kracht, die in ons vrijkomt, door het bereiken van een innerlijke harmonie of evenwichtigheid.

Deze wordt door de innerlijke confrontatie met het Licht, met God, bereikt of verworven.

Volgens mij is er geen sprake van een verandering van potentie of kracht in eigen wezen, maar van een totaal andere gerichtheid van het geheel der in het ik aanwezige potentie en kracht. Door deze gerichtheid verandert de relatie tussen ik en Al.

In de tweede plaats wil ik stellen, dat vele mystici, die de God in hen, de levende God, gevonden hadden, opeens wonderdoeners bleken te zijn. En daarmede bedoel ik niet een soort goochelaars, die misschien ook nog eens een keer een paar mensen weten te genezen, maar mensen, voor wie de natuur anders is geworden. Deze mensen zien, waar anderen niet zien, en leren de kunst te bevelen, waar anderen slechts willoos kunnen ondergaan.

Men kan dit, zoals zij zelf doen, toeschrijven aan het erkennen van een innerlijke godheid.

Zeker is, dat er in het leven een geheel nieuwe relatie tussen ik en Al ontstaat. Is het, gezien dit alles, zo vreemd dat ik meen te mogen stellen: de Levende God openbaart zich door zijn schepselen en wel middels het vermogen, dat, krachtens het besef van deze levende God in hen, ontstaat.

Velen van degenen die het tot zover met mij eens zijn, zouden nu op willen merken: Maar met mystiek alleen zijn wij er niet; wij moeten leren. Inderdaad. Wij moeten leren. Maar wat?

Indien het om de levende God, zoals deze ook in ons bestaat, moet gaan, is toch wel duidelijk dat wij daarover niet veel van anderen kunnen leren, behalve dan gehele reeksen van theorieën, waaraan wij bij nader inzien weinig hebben, indien het er om gaat werkelijk iets te bereiken. Wij moeten eerder trachten te leren, wat er in onszelf mogelijk is. Hiermede, kunnen wij het kennen, het leren, dat overal steeds weer op de voorgrond wordt geschoven, in dit verband herleiden tot de zelfkennis, het zelfbesef en het zelfvertrouwen.

Naarmate ik de goddelijke krachten of onbekende krachten in mij meer leer kennen, zal mijn vertrouwen in eigen ik groter worden, zal mijn bewustzijn omtrent de krachten van dit ik groter worden, zodat ik wederom kan stellen: De juiste kennis van een levende God openbaart zich in het vermogen tot handelen. Een stelling, die menigeen onaangenaam zal zijn, daar het innerlijk contact met God niet alleen in vroomheid, maar ook in vermogen en kunde tot uiting zal komen.

Hier wil ik de draad van mijn betoog een ogenblik onderbreken…….. De opeenvolging van argumenten en stellingen zou anders te vermoeiend en daardoor ook moeilijk te volgen zijn.

In de eerste plaats beseft u wel, dat mijn stelling: Dat de levende God voor de mens, zodra hij Hem beseft, kracht, vermogen, beheersing, zelfvertrouwen betekent, en inhoudt dat zeer vele mensen, waaronder ook velen, die zichzelf als geestelijk zeer ver gevorderd beschouwen volgens de kenbare feiten, die God nog niet ontmoet hebben. Voor velen, die beweren, Gods woord te spreken of te handelen in naam van God, blijkt de levende God eveneens een onbegrepen geheim te zijn gebleven. Anders zouden zij immers veel meer doen en betekenen dan zij betekenen en doen.

Dit verborgen blijven van de godheid is, naar ik meen, voor een zeer groot deel te wijten aan de algemeen voorkomende gewoonte, de godheid te projecteren. De mens projecteert zichzelf, met eigen begrippen van waarheid en waardigheid, en noemt deze dan God. Door dit projecteren schuift hij tevens een groot deel van zijn verantwoordelijkheden en het merendeel van zijn geestelijke mogelijkheden af, onttrekt deze aan eigen beheersing en gebruik, door ze uitsluitend aan die buiten hem bestaande God toe te schrijven. Zo iemand gaat a.h.w. de zelfgeschapen of geprojecteerde God aansprakelijk stellen voor veel van hetgeen hij zelf is en doet. Maar zodra dit plaats vindt, zal het ik God niet meer werkelijk kunnen ontmoeten.

Zoals ik reeds stelde, kan men de levende God slechts ontmoeten door zichzelf in waarheid te leren kennen. Men kan hetzelfde niet waarmaken door eenvoudig en zonder meer maar iets te poneren. Een van de grote fouten, die volgens mij in de moderne tijd steeds weer gemaakt wordt, is wel het feit, dat men ook nu nog steeds God wil zien als iets, wat buiten de mens bestaat. Voor de een is dit een reden, om het bestaan van een god zonder meer te verwerpen, voor anderen is het een reden om alles aan God toe te schrijven en te wijten, zodat zij bidden om de dingen te verkrijgen, die zij zich in wezen door eigen streven en pogen zouden moeten en kunnen verwerven.

Ik beweer, dat een waarlijk levende God niet voor de mens kan bestaan, wanneer deze alleen of hoofdzakelijk buiten die mens gezocht moet worden. Om een god althans enigszins te kunnen begrijpen, zal deze God ergens deel van de mens, deels t.e.m. menselijk, moeten zijn.

Wat men zo erkent, zal niet de gehele godheid zijn, niet het geheel van het onbekende omvatten. Maar wat ik van de godheid kan beseffen of mogelijk zelfs begrijpen, zal ik alleen in mijzelf kunnen ontdekken, begrijpen, beseffen. Zodra ik God buiten mijzelf stel, wordt alles wat ik omtrent die God stel een fantasie, daar ik geen enkele controle, geen enkel in mij levend voorbehoud meer ken. Dan wordt God een soort vorst, met kroon, troon, zwaard en scepter. Dan maakt men van God in feite niets anders dan een ledig beeld, waarop men zich gaat beroepen bij gebrek aan zelfvertrouwen of erkennen van de waarheid.

Maar deze God buiten het Ik zal de mens ook op een andere wijze beïnvloeden. Degenen die God buiten zich verwacht, zal in veel mindere mate geneigd zijn vanuit zichzelf naar buiten toe te reageren. Zo iemand zal reageren op het beeld van God. Hij verwacht, dat deze God het geheel van de wereld buiten het Ik regeert en redigeert. Er is dan geen behoefte meer aan een eigen bereiken, maar slechts aan een nederige, maar vooral gezapige onderwerping aan “de wil Gods.”

In deze dagen blijkt wel, dat de wil en de macht van die God in het verleden volgens de officiële godsdiensten toch wel verkeerd worden of werden geïnterpreteerd. Al zal men de oude stellingen niet zonder meer terugnemen als kennelijk onwaar, zo worden er toch, juist in de kerkelijke kringen, in deze tijd vele dingen gedaan en gezegd, die t.e.m. donder, bliksem en het verschijnen van enkele baarlijke duivels ten gevolge zouden moeten hebben, indien de maatstaven van nog slechts 200 jaren geleden ook maar enige werkelijke inhoud hadden.

Er gebeurt niets. God doet niets. Deze God buiten de mens doet niets, zelfs indien de mens op de wereld een geweld ontketent, dat meer dan demonisch is. God doet niets, wat de mens ook doet. Hij grijpt niet op een voor de mens kenbare wijze in, zelfs bij het grofste onrecht, moord in concentratiekampen enz. Toch wordt van de gelovige gevergd, dat hij die God erkent als een wezen buiten hem, dat hij erkent, dat die God alwetend, rechtvaardig en liefdevol is enz. Het is duidelijk, dat een mens, die nadenkt, dergelijke stellingen niet meer kan aanvaarden, dergelijke beweringen eenvoudig niet meer kan verwerken. Een dergelijke God mag de mens dan geboden geven en eisen aan de mens stellen, maar hij zal voor die mens sterven door het ontbreken van enige werkelijke openbaring, die voor de mens van heden onmiddellijk als zodanig kenbaar is.

Men stelt dan natuurlijk, dat God wel inwerkt en ingrijpt, maar dat dit alles voor de mens niet kenbaar wordt, omdat dit alles buiten de menselijke sfeer om zou geschieden! Misschien kan God inderdaad menselijke bouwsels en ontdekkingen uiteen laten vallen, alleen door Zijn wil. Maar waarom blijkt dan steeds weer, dat de mens een fout in zijn berekeningen heeft gemaakt, zodat de mens steeds weer en met voor alle mensen geldende bewijzen kan stellen: Dit was mijn eigen fout en niet het ingrijpen van God? God kan misschien delen van de aarde teisteren met regen, rampen en aardbevingen. Maar de mens kent het mechanisme, waaruit die dingen ontstaan, kan nagaan, hoe zij tot stand kwamen. De mens die denkt, zal in de eerste plaats spreken over seismische trillingen of bewegingen in de hogere luchtlagen en temperatuurverschillen. Hij zal, zij het achteraf, alle voortekenen erkennen die de ramp enz. reeds lange tijd tevoren voorspelden. Zelfs indien God daarin direct de hand gehad zou hebben, zo kan men toch wel stellen dat de mens van heden over te veel redelijke, bewezen uitleggingen van verschijnselen beschikt om daarin, zoals in de middeleeuwen, de hand van God nog te erkennen.

Een besef van een levende God zal daarom van binnenuit moeten komen. Maar dit houdt ook in, dat de mens zelf, zover als deze erkenning reikt, zelf de uitvoerder zal moeten zijn van hetgeen die God wil. Naar ik meen is dit het godsdienstige dilemma van deze tijd. Aan de ene kant wil men geloven aan een god, iets buiten het ik, dat alle zorgen van je wegneemt en alle schade zal vergoeden, zolang je alleen maar braaf bent. Ook de mens van heden wenst nog te vluchten in de geborgenheid van een soort kosmische hen, waarin men eigen kuikenachtig onvermogen en schuwheid voor de feiten kan verbergen onder zachte veren, en in heerlijke warmte zich kan onttrekken aan het boze dezer aarde. Velen zijn, meestal tijdelijk, zelfs bereid daarvoor hun redelijk denken terzijde te stellen. Maar aan het einde van hun gang ontdekken ook zij steeds weer: Die God is er niet.

Wanneer ik vanuit mijzelf licht en warmte kan produceren of zich doen uiten, zodat ik hierdoor beschermd word en richting in mijn leven kan vinden, sta ik dichter bij de werkelijke God dan allen, die zich onderwerpen en weigeren te denken over de feiten van het leven. Steeds weer blijken er mensen en groepen te zijn, die rekenen op een bescherming van buitenaf. Maar steeds ook weer blijkt, dat ofwel hun angsten vergeefs en dwaas waren, dan wel dat de bescherming waarop zij rekenden faalde wanneer het erop aan kwam. Van binnenuit kan men echter krachten wekken, waardoor men wel degelijk veiligheid verwerft waar anderen dreigen te falen, zekerheid vinden, waar anderen geen weg meer zien. Het feit, dat de mens over reserves beschikt, over mogelijkheden en gaven, die alleen door een streven van binnenuit tot ontwikkeling schijnen te komen, staat wel vast naar ik meen.

Daarom kunnen wij ons nu de vraag stellen: Wat zijn de waarden in onszelf, die bij het ontdekken van de levende God en de daaruit voortvloeiende vermogens een rol kunnen spelen?

Bezie nu de mens. Wat blijkt hierbij? In de mens bestaan punten, die de een misschien zenuwknooppunten en organen noemt, maar die de ander m.i. juister omschrijft als geestelijke organen of chakra’s. Elk chakra wordt omschreven als bestaande uit een aantal bladen, het geheel doet in de voorstellingen denken aan een bloem en wordt dan ook wel lotus genoemd.

Laat men de voorstelling terzijde en gaat men na, wat deze geestelijke zintuigen of organen in feite voor de mens betekenen, dan zal men tot de erkenning komen, dat zij zowel krachten kunnen ontvangen als krachten en waarden van het ik daarbuiten kunnen uitdrukken. Verder blijkt, dat de chakra een reeks van klankwaarden in zich bergt of althans op bepaalde reeksen van klanken reageert. Elk zogenaamd blad blijkt een dergelijke klankwaarde te hebben, dit gaat bij de mens over het algemeen van de vierbladige lotus tot de 72-bladige. Er is nog een 144-bladige lotus, waarin, zoals men pleegt te stellen, de ware kosmische klank mede verborgen is, maar deze blijft volgens mij voor de mens wel buiten beschouwing.

Wanneer een mens van een chakra gebruik maakt of invloed op anderen wil uitoefenen, zal hij bewust of onbewust klanken gebruiken, die volgens de bestaande schemata op deze organen inwerken. Het eigenaardige hierbij is wel, dat de mens niet alleen de inwerking van een dergelijke stimulans via het chakra ondergaat, maar dat uit ditzelfde chakra op – zeg hetzelfde moment – onverklaarbare wijze ook een kracht wordt voortgebracht, waardoor hij op zijn beurt anderen beïnvloedt. Vele mensen weten dit alles niet. Maar ook voor hen is het bestaan van onzichtbare inwerking van mens op mens, een uitwisseling van impulsen en gedachten zonder zichtbare overbrenging kenbaar en denkbaar. De feiten maken het onmogelijk zich aan een dergelijke vaststelling op eerlijke wijze te onttrekken. Vreemd is hierbij verder, dat in de bijbel God wordt voorgesteld als “het woord”. In het begin is er een geheimzinnig “woord” waaraan alle macht in de kosmos kennelijk ontleend wordt. Het is niet onmogelijk, dat de aanleiding tot deze vorm van godsomschrijving te danken is aan dezelfde geheimleer, waaruit wij later de papyri van Toth zien ontstaan. Niemand heeft dit woord ooit gehoord. Toch blijken er in elke mens waarden te zijn, die met klanken omschreven kunnen worden, zonder dat dezen ook een in de gekende taal zinrijke betekenis hebben. Het blijkt, dat men daaraan bepaalde krachten kan ontlenen enz. Er blijken voor elke mens klankwaarden, stemmingswaarden of oerwaarden te zijn, waardoor hij haast zonder het te beseffen voor zich het redelijk onmogelijke mogelijk weet te maken. Eigenaardig is hierbij verder, dat dit niet alleen voor het eigen ik geldt, maar dat het gebruik van deze dingen ook in anderen kenbare resultaten – die soms het redelijke ver te boven gaan – tot stand kunnen brengen.

Misschien lijkt u dit alles wat theoretisch. Nemen wij als voorbeeld iets zo gewoons als een voetbalwedstrijd. Daar zien wij steeds weer, dat het publiek sterk partij kiest voor een van de elftallen. Een dergelijk elftal speelt misschien onverwacht slecht. Wanneer de mensen nu niet mismoedig worden en zo teleurstelling uitstralen, maar blijven doorgaan met een enthousiast – niet noodzakelijk ook luidruchtig – denken: “Je kunt beter, doe het dan ook beter”, zo blijkt, dat na enige tijd onder deze pressie een dergelijk elftal inderdaad steeds beter gaat spelen. Daarnaast ziet men vaak, dat het toeval, dat eerst tegen dit elftal scheen te werken, nu opeens mee schijnt te spelen in gunstige zin. Misschien gelooft u mij niet. Vraag het dan eens aan iemand, die zelf gevoetbald heeft in de grote stadions. Zo iemand zal u zeggen, dat hij tijdens het spel van de menigte wel niet veel bemerkt, maar dat de sfeer in het stadion wel degelijk bepalend kan zijn voor zijn spel.

Hier wordt de kracht kenbaar, die van een mens uit kan gaan. Nu is dit slechts een voorbeeld van krachten in de massa, krachten die slechts deels, onbewust en toevallig, worden gebruikt, maar een bewust mens kan via de chakra’s veel sterkere krachten en ook andere aard van kracht projecteren. De bron van die kracht zijn wij zelf. Maar wel blijkt steeds weer, dat de kracht, die wij uit kunnen stralen, veel meer presteren kan, dan wijzelf met alleen onze dierlijk-menselijke vermogens. Een mens kan niet eenvoudigweg met een hand een rennend paard tegen houden. Iemand, die bewust gebruik weet te maken van de kracht in zijn chakra’s blijkt echter in staat niet slechts één, maar desnoods 100 paarden tegen te houden en dit dan nog, zonder dat dit een kenbaar grote inspanning veroorzaakt voor degenen, die dit tot stand brengt.

Misschien hebt u van dergelijke dingen nog nooit gehoord en acht u mijn voorbeeld te ongeloofwaardig. Denk dan eens aan poltergeistverschijnselen. Men weet dat jonge mensen hierbij voor de gebeurtenissen vaak zelf oorzakelijk zijn. Zij geven kennelijk een soort uitstraling af, ectoplasma ook, waarmede zij zonder lichamelijk ingrijpen vele dingen tot stand weten te brengen. Nu is tijdens laboratoriumproeven bewezen, dat de opgewekte kracht aanmerkelijk groter is dan de lichaamskracht van de betrokkene. Bij een dergelijke proef verplaatste een jongen van 10 jaar een piano, welke normaal nauwelijks door twee man getild kon worden, met een zo grote kracht, dat zij tegen de muur aanvloog en deze beschadigde, dit als gevolg van een uitbarsting van ergernis bij het kind. Waar komt een dergelijke, toch kennelijk grote kracht vandaan? Uit het jongetje, dat lichamelijk nog niet in staat zou zijn geweest het instrument enkele centimeters te verplaatsen.

De vraag is dus hoe een dergelijke, onstoffelijke kracht in dit kind kan bestaan en door dit kind kan worden geprojecteerd. Het antwoord is betrekkelijk eenvoudig. Deze kan alleen in het kind bestaan, wanneer er meer is dan zuiver materiële kracht in het lichaam van een mens. De projectie kwam voort uit ergernis, als een emotie, die een ingrijpen kennelijk wenselijk maakte. Daarbij moet opgemerkt worden, dat het kind kennelijk deze kracht niet bewust gebruikte en richtte. Ook in het dagelijkse leven blijkt steeds weer, dat aantrekking en afstoting spanningen veroorzaken en veel grotere krachten kunnen ontketenen, dan op grond van het uiterlijke wezen van de betrokkenen en hun stoffelijke energie ooit denkbaar zou zijn.

Telkens weer blijken mensen over vreemde reserves aan kracht te beschikken en dingen mogelijk te maken, waarvan men later dan niet meer weet hoe zij tot stand hadden kunnen komen. Mijn conclusie is, naar ik meen, aanvaardbaar. In de mens is iets dat onder omstandigheden, waarbij aantrekking of harmonie en afstoting of disharmonie een grote rol spelen, een veel sterkere inwerking op de wereld rond die mens kan hebben, dan hij volgens eigen wezen en krachten meent te kunnen verwachten.

Is het nu zo eigenaardig, wanneer ik stel, dat juist dergelijke onbegrijpelijke, onredelijke feiten voor mij de manifestatie zijn van de levende God?

Hoe kan ik mij een God op andere wijze voorstellen dan als een grote macht. Wanneer ik denk aan “God, denk ik haast automatisch ook aan “Schepper”, zelfs wanneer ik zeer wel besef, dat ik het wezen en de krachten van iets, wat “Schepper” is, niet waarlijk kan bepalen of omschrijven.

Wanneer ik zie, wat er via een enkel chakra soms tot stand kan worden gebracht, wanneer ik constateer, dat er mensen zijn, die – al gebeurt dit niet volgens de rationalisatie daarvan door hen gegeven – in staat zijn zelfs honderden mensen achter elkander te genezen, is het bestaan voor mij bewezen: Er is een levende God. En hierbij denk ik dan niet, zoals u nu veronderstelt, alleen aan de genezende predikers. Er zijn anderen, die hetzelfde kunnen en doen, vaak zelfs beter en blijvender. Om u een voorbeeld te geven van iemand die ook in Nederland heeft gewerkt, een zekere Edwards.

Deze man bracht – indien ik mij niet vergis – binnen 3 dagen en in drie zittingen, rond 500 genezingen tot stand van meer blijvende aard, terwijl daarnaast nog een aantal genezingen gedeeltelijk tot stand kwam, terwijl bij andere genezingen na enige tijd een terugval plaats vond. Dat is toch heel wat. Kan die mens het zelf? Menselijk gezien niet. Zijn er dan misschien geesten, die dit voor hem doen? Het zou mooi zijn, wanneer dit waar was. Maar waar haalt hij die geesten vandaan? Kan die mens dit onmiddellijk tot stand brengen van een genezing – vergeet niet dat daarbij gevallen waren van mensen, die in jaren niet gelopen hadden en na een behandeling van hooguit twee minuten weg konden lopen – aan een geest toe schrijven?

Maar er zijn zoveel geesten, die zich met het lichamelijke welzijn van de mens bezighouden. Dan zouden er veel meer punten moeten zijn, waarop dergelijke wonderbaarlijke genezingen tot stand worden gebracht, nietwaar? Maar dit is niet het geval. Wat gebeurt er in feite? De man domineert inderdaad een zaal, een grotere gemeenschap. Hij zal, door de heersende spanning en de suggestieve factoren, ongetwijfeld ook van de aanwezigen, een zekere kracht uit doen gaan. Suggestie zal eveneens het hare bijdragen tot de behaalde resultaten. Maar dit alles wordt dan toch maar door deze ene man gewekt. En deze kracht kan in vele gevallen ogenblikkelijk genezen, zelfs daar, waar de medische wetenschap langere tijd hulpeloos bleek.

Dit benadert toch wel de wonderen, waarvan men ons in evangeliën en Oudheid vaak spreekt. Dergelijke dingen zijn voor mij de kenbare uiting van de levende God in de mens. God is voor mij niet de persoonlijkheid, de schrijver van allerhande heilige boeken. Trouwens, indien dit het geval zou zijn, zou ik hieraan toe moeten voegen, dat God zo nu en dan maar een zeer matig of zelfs slecht auteur blijkt te zijn, volgens de menselijke normen. Ik geloof aan God als een kracht, die schuilt in de mens en zelfs, wanneer hij nog niet geheel beseft wordt, zich vaak vanuit die mens, zonder dat deze het hoe of waarom beseffen kan of kan nagaan, openbaart. Ik weet nu toevallig – en op aarde zijn er ook mensen, die dit geleerd hebben, en kunnen bewijzen – dat dergelijke krachten altijd gewekt worden in, en uitgaan van de chakra.

Ik weet, dat hierbij bepaalde krachten rond de ruggengraat een rol kunnen spelen. Ik weet, dat begrippen van harmonie en communicatie bij dit alles evenzeer een rol spelen. Ik weet, dat deze krachten allen kunnen worden uitgedrukt in klanken en dat klanken op hun beurt deze krachten kunnen wekken. Ik weet, dat er een levende, een voortdurend mede veranderende kracht in de mens bestaat, die groter is dan de kenbare mens zelf, een kracht, die niet van het wezen van de mens uit, dan wel vanuit zijn geloof of zijn plaats in de maatschappij alleen uit verklaard kunnen worden. Het is deze actieve kracht, die ik de levende God wil noemen, omdat zij m.i. de enige kenbare uiting is van het bovennatuurlijke of goddelijke, die in deze dagen voortdurend en voor de mens kenbaar tot uiting pleegt te komen.

Ik mag dan verder gaan met enkele stellingen. Ik stel: De Levende God in mij is voor mij het besef van harmonie, hoe ik dit ook tot uiting breng of welke voorstelling ik daaraan ook zal verbinden. De zo gewekte innerlijke krachten moeten m.i. aangesproken worden als deel van de Goddelijke Kracht of liever nog als de Levende God, mits de uitwerking van die krachten ook kenbaar wordt in mijn eigen wereld. Een God, waarin ik geloof, zonder dat die God zich ooit voor mij kenbaar maakt, kan mogelijk ergens wel bestaan, maar zal voor mij in mijn leven en ervaren altijd een drogbeeld blijven. Een God, die ik in mij beleef, ook al noem ik Hem geen God, welke mij vermogens geeft, waarmede ik iets kenbaar kan volbrengen en presteren, wat mijn eigen normaal kennen en kunnen te boven gaat, is voor mij een Levende God.

Ik stel: Een ieder, die in zichzelf de levende God vindt, onverschillig op welke wijze, gedurende welke tijd of hoelang, zal uit deze ontmoeting, deze erkenning alleen reeds volgens mij een kracht kunnen putten, waardoor hij verandert t.a.v. zijn omgeving en voor die omgeving verandert in zijn vermogens.

Ik stel: Het innerlijk contact met de levende kracht, zoals zij zich in ons manifesteert, houdt een totale verandering van ons wezen en onze mogelijkheden in en als zodanig vormt zij een scheppende functie in onszelf, die plaats vindt in overeenstemming met ons bereikt bewustzijn plus ons willen.

Conclusie: De levende God is voor ons geen kracht die buiten ons bestaat of ontstaat en ondanks ons handelt, maar een kracht, die wij alleen in onszelf kunnen beseffen en die zich voor ons kenbaar alleen in en vanuit ons eigen ik kan uiten, en wel in overeenstemming met ons wezen, ons willen. Deze kracht doet ons daarbij echter steeds weer uitgaan boven onze eigen mogelijkheden.

Misschien denkt u nu, dat dit alles toch op hetzelfde neerkomt, dat ik steeds maar in herhalingen verval, maar in de theologie – overigens een van de grootste pseudowetenschappen, waarmede de mensen zich bezighouden – vinden wij zoveel spitsvondige omschrijvingen, zoveel definities, die niet bewezen zijn, maar die gebruikt zouden kunnen worden om het door mij gestelde aan te vallen, dat ik mijn stelling wel in elke denkbare variaties moet stipuleren om een tegenargument, dat onduidelijkheid of strijdigheid in zichzelf zou stellen, te voren reeds te frustreren. Ik wil om deze zelfde redenen nog enkele aanvullende opmerkingen maken.

Men stelt vaak dat iets de Wil van God is, omdat hij iets toelaat, en men stelt, dat God toelaat, ook al wil Hij niet vanuit zich, hetgeen Hij toelaat. Ik wil dat alles graag geloven, maar een God, die zo maar alles toelaat en, indien wij eerlijk zijn, er weinig of niets aan doet, zover het de mensheid en haar gedrag betreft, ondanks Zijn wetten, kan voor mij niet gelijktijdig een God zijn, Die voortdurend bezig is allen te beschermen en zelfs zijn hand beschermend uitstrekt naar de mussen op het dak, “zodat er geen veertje zal vallen zonder zijn Wil en goedkeuring”. Dit staat in het evangelie. Maar ergens klopt er iets niet. De god – die men ons predikt – waarvan men wenst, dat wij zijn macht en bestaan in deze wereld plus zijn delegatie van macht aan mensen in deze wereld nog steeds zouden aanvaarden, kan niet de god zijn, die nergens kenbaar ingrijpt en ten hoogste naar beneden kijkt of er door de gelovigen wel voldoende halleluja wordt groepen… .

Wanneer God zich waarlijk bezig zou houden met zijn schepping en met de mens, mogen wij toch wel stellen, dat zijn aanwezigheid en actie ook voor de mens kenbaar zal zijn. Daarom zou ik de vele theologen, die mijn argument over de levende God zouden willen aanvechten, de vraag willen stellen: “Waar heeft uw God kenbaar, bewijsbaar, ook voor de mens in deze tijd, zich ooit geopenbaard volgens de regels, die gij omtrent Zijn Wezen als juist pleegt te stellen?” En degenen, die stellen, dat het juist Gods Liefde en Goedertierenheid is, waardoor Hij ons in staat stelt zo vele fouten te begaan op aarde – een van de meest geliefde verklaringen voor het afwezig blijven van een goddelijke ingrijpen, in bepaalde kringen – zo wil ik dezen vragen: Hoe komt het dan, dat deze God in het verleden, door ons niet bewijsbaar en controleerbaar, volgens u wonderen deed en vandaag aan de dag niet meer? Hoe kunt u een God rechtvaardig noemen, die ons wel alle wreedheden zonder meer laat volbrengen en ons niet via tekenen waarschuwt, maar ons – alweer volgens u – wel later een zware rekening met interest zal presenteren voor alle fouten, die wij – mede door het afwezig zijn van een kenbaar ingrijpen zijnerzijds – vaak te goeder trouw hebben gemaakt? Is dit dan uw God van Liefde en Rechtvaardigheid?

Aan degenen, die integendeel stellen, dat er geen God is, dat God dood is, zou ik de vraag willen stellen: “Wat is er dan in het leven nog de moeite waard?” U zegt in het goede te geloven, al is God dan ook dood of heeft hij nooit bestaan.

Maar wat is dan nog waarlijk het goede? In wezen bestaat er dan niets goeds op aarde buiten hetgeen ik zelf goed noem. Maak u dan vrij van uw tradities en zoek vanuit uzelf te stellen, wat waarlijk goed is, maar besef tevens, dat u een dergelijke relatieve waarde niet aan anderen op kunt dringen, zonder daarbij die anderen een soortgelijk recht toe te kennen, wanneer het u betreft.

Kort en goed: uw denkbeelden van het goede zijn dan niets anders dan het recht van de sterkste, uitgeoefend achter een manteltje van mooie woorden. Maar misschien wilt u zich hier beroepen op uw innerlijke gevoelens, de idealen die in u leven. Ik wil deze aanvaarden, wanneer u mij duidelijk kunt maken, waar die vandaan komen. Als er dan geen machten zijn, hoger en sterker dan uw uiterlijke ik, lijkt het mij maar wartaal, wanneer u zich op “hogere waarden” beroept. Dan is het waanzin, zelfoverschatting, wanneer u anderen uw denkbeelden en idealen tracht op te leggen.

Op deze wijze zou ik willen argumenteren. Ik zou willen zeggen: De god, zoals die door de religies wordt gesteld, is een droom, die voortdurend wordt tegengesproken door de feiten. Naarmate de mens meer van de verschijnselen in het leven begint te begrijpen, zal een dergelijke god minder aanvaardbaar worden. Degenen, die stellen dat God dood is, verwerpen daarmede, naar ik meen, ook alle reden tot menselijkheid. Degene, die stelt dat hij zich op een bepaalde wijze moet gedragen, omdat hij alleen zo het gevoel heeft, dat hij menswaardig leeft, kan voor zich gelijk hebben, maar het feit dat hij van anderen eist, dat zij hetzelfde als juist zullen aanvaarden, heeft, wanneer er geen God is, geen enkele achtergrond. De idealist zonder een God of hogere waarde dan het mens-zijn zelf op de achtergrond, ontaardt voor mij in een dwingeland, die anderen zijn zienswijze op wil leggen, om toch vooral gelijk te krijgen en eigen wandaden voor zich wegpraat met een beroep op de noodzaak ook voor anderen een menswaardig bestaan te verzekeren – volgens zijn normen wel te verstaan. Als je niet in een God gelooft, moet je een ander ook maar het recht geven op eigen wijze zalig te worden, zolang hij u niet schaadt. Waarom je verder nog druk maken, wanneer met de dood toch alles is afgelopen? Als er echter iets is, wat ook vandaag in de wereld nog voortdurend actief blijkt te zijn, iets, wat niet verklaarbaar is, maar wel door verschijnselen voortdurend merkbaar is, noem dit dan rustig een levende God, een levende Kracht en besef, dat dit voor ons de kracht moet zijn, die uit onszelf voortkomt.

Er zijn mensen, die wel in een God geloven, maar hun systeem daarbij op een wat vreemde wijze plegen te behandelen. Zo zijn er mensen, die schermen met de levensboom, die volgens hun beelden maar al te vaak lijkt op een armtierige kerstboom met engelennamen, in plaats van balloons – en stellen: Dit alles ligt buiten mij, dit zijn de wegen, die ik moet gaan om bewust te worden. Dezen zou ik de vraag willen stellen, of het niet wat dwaas is deze waarden buiten jezelf als werkelijkheid te veronderstellen, terwijl er niemand is, die ooit het bestaan heeft kunnen aantonen, niemand die de herinnering aan iets dergelijks bezit, ook al zegt hij ingewijde te zijn of blijkt hij buitengewoon begaafd te zijn. Stel echter, dat de levensboom een innerlijke waarde is, een symbool van waarden en wegen, die in het ik bestaan. Dan blijkt vreemd genoeg, dat de levensboom veel overeenstemming heeft met de oude voorstellingen en tradities in verband met de chakra’s en de levensstromen van de mens.

Er zijn natuurlijk verschillen. De boom des levens is opgebouwd op grond van een getallenleer en stelling omtrent geestelijke hiërarchie in de kabbala, terwijl de leer van de chakra kan worden teruggevoerd op een ander pantheon en de Hindoe mythos. De omschreven feiten blijven echter praktisch gelijk, terwijl de in beide systemen genoemde eigenschappen eveneens gelijk blijken te zijn. Eigenaardig is hierbij, dat de eigenschappen van de hoogste triade in de levensboom alle eigenschappen en mogelijkheden omvatten, die worden toegeschreven aan een kruinchakra in volle ontwikkeling. Even vreemd is ook, dat het laagste, meest niet eens genoemde deel van de levensboom, de z.g. spiegelende triade, in de beschreven werking overeen blijkt te komen met de reeks van levenskrachten, die, volgens de leer, door het laagste chakra wordt opgenomen, maar tevens in wisselwerking daardoor worden uitgedrukt.

U vindt dit alles misschien een vreemd toeval. Maar ik stel, dat men reeds lang heeft geweten, dat de werkelijke levensboom in de mens ligt en niet daarbuiten.

Sprekend uit mijn ervaringen in de wereld van de geest stel ik, dat onze hemel of hel gevormd worden door ons besef van ons eigen Ik en de daaruit voortkomende voorstelling van de wereld. Sprekende vanuit het bestaan van de geest kan ik zeggen, dat men de kosmos als het ware in zichzelf bouwt. Maar wij veranderen en met ons, ons Al. Wij ontwikkelen ons voortdurend tot iets anders. In ons is een kracht, die deze ontwikkelingen niet slechts stimuleert en afdwingt, maar zich kennelijk ook alleen daarin voor ons kan openbaren. Deze innerlijke kracht of stuwing blijkt verder, zeker in de werelden van de geest, beslissend voor alles, wat wij naar buiten toe kunnen zijn en beseffen. Deze kracht bepaalt in zekere zin onze resultaten.

Mag ik dit dan de Levende God noemen? Er zal meer kunnen zijn dan die Levende God, dat besef ik zeer wel. Veel meer zelfs. Maar mijn betoog voor heden wil in de eerste plaats de nadruk leggen op alles, wat voor ons belangrijk is, wat voor ons waarheid, mogelijkheid en kracht inhoudt. En dan zeg ik: dit is hetgeen door mij werd omschreven. Alles wat er van God al dan niet kan bestaan, blijft voor ons lege these, theorie, onbewezen. Maar de Levende God in ons is een persoonlijke werkelijkheid, een ontmoeting met het Hogere op een wijze, die ons een beseffen toelaat. Dit, en niets anders, is de bron, waaruit wij krachten putten. Dit is het geheimzinnige “woord”, maar dan in onszelf, iets waaruit wij eigen wezen kunnen activeren en openen voor de werkelijkheid buiten ons, tot wij de volledigheid van onze mogelijkheden en vermogens hebben leren openbaren. Ik meen, dat wij in de bereiking en zelfvervulling, welke op andere dan zuiver stoffelijke noodzaken is gebaseerd, de Levende God in ons wezen openbaren. De mens, die leert deze Levende God in zich te erkennen in plaats van God te verwerpen of te leven met iets, wat mij vaak meer op een theoretisch opgebouwde sprookjeswereld lijkt, zal volgens mij zijn eigen bekwaamheden en krachten leren activeren. Hij zal volgens mij ontdekken, hoe sterk de z.g. ongeziene krachten ook van hemzelf kunnen uitgaan, door hemzelf kunnen worden gericht en bepaald. Zo iemand zal ook beleven in zichzelf, dat steeds grotere en nieuwe harmonieën mogelijk zijn, innerlijk en t.a.v. de buitenwereld. De mens, die deze dingen ondergaat en nog durft blijven beweren dat God dood is, is volgens mij een dwaas, die ter wille van een woord, dat hem niet bevalt, een waarheid verwerpt. Degene die ondanks alle innerlijk erkennen en beleven zich wil blijven baseren op uiterlijke vormen en leringen, is volgens mij een dwaas, die uit angst, dat anderen hem zullen bespotten, onwaarheden dient en zijn mogelijkheden vergooit. Degene, die alles, ondanks innerlijk erkennen, aan een God wil toekennen die alleen buiten hem bestaat, lijkt mij eens te meer een dwaas, omdat hij, naar ik meen, eigen innerlijke werkelijkheid verwerpt uit angst voor de ledige dreigingen van anderen, die vaak zelf niet in waarheid kunnen werken en geloven, maar toch voorgeven het leergezag en geestelijke macht over hem te bezitten.

Mijn eindstelling herhaalt nogmaals, weer op andere wijze, hetgeen ik heb getracht u duidelijk te maken: De levende God is de directe kracht in onszelf, die voor ons onze verbondenheid met kosmos en totaliteit uitmaakt. Dit is de uitdrukking van alle gemeenschappelijk bewustzijn in ons wezen zowel als de uitdrukking van ons eigen werkelijk vermogen en bewustzijn. Deze levende God is voor ons de uitdrukking van alle in ons levende factoren, waarbij bewustzijn mede een rol speelt. Als zodanig is de levende God voor ons de mogelijkheid om tot een beheersing van eigen leven te komen, een juiste erkenning te bereiken van het levende rond ons en een harmonie met al het zijnde, waarvoor besef in ons kan bestaan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen.

  • Welke oorzaak bepaalt, dat de levende God actief wordt in een persoon? Waarom is hij meer actief in de een dan in de ander?

De oorzaak van het actief worden van deze levende God voor het ik ligt m.i. in de harmonie die men met deze kracht bereikt. Waarom zou een dergelijke kracht voor een ieder gelijkelijk actief moeten zijn? Uw vraag doet het voorkomen, dat het iets bijzonders zou zijn, dat de een meer van een dergelijke kracht ervaart dan een ander. Maar ik meen, dat wij toch wel mogen stellen, dat de ene mens in zich meer bewust en harmonisch kan leven dan de ander. De levende God in ons is altijd aanwezig, maar manifesteert zich op een voor ons kenbare wijze eerst, door de innerlijke erkenning van Zijn Wezen. Deze erkenning hoeft niet rationeel uitgedrukt te worden, maar zal feitelijk plaats moeten vinden en tenminste voor het ik een gevoel van verbondenheid met het Hogere – hoe dit ook verder wordt geformuleerd of omschreven – tot een beleving maken.

Een mens, die van buiten uit naar dit doel werkt, bv. via de ratio, zal in de meeste gevallen dit gevoel eerst zeer laat of misschien zelfs niet ervaren. De mens, die in zich ervaart en de verklaring daarvoor dan later wel eens wil gaan zoeken, zal in vele gevallen deze God reeds feitelijk in zich beleven en de actie van die God ook in eigen mogelijkheden reeds lang beseffen, voor hij ook maar enige theoretische achtergrond heeft verkregen, waardoor een formuleren en definiëren hem mogelijk zouden worden.

De factoren, die voor de mens de levende God tot een in zijn leven actieve factor maken zijn volgens mij: Zelferkenning, aanvaarding van het leven en de kosmos, ook zonder rationalisatie daarvan, een aanvaarden van de innerlijk erkende krachten en mogelijkheden als directe uitingsnoodzaak, zonder dat men daarbij allereerst een verklaring voor hetgeen men gaat uiten of de logische mogelijkheid tot die uiting gaat zoeken.

Kortom, de levende God wordt in de mens actiever, naarmate de mens meer leert zijn geloof en aanvoelen sneller en vollediger vanuit zich waar te maken, zonder zich daarbij te bekommeren omtrent eventuele oorzaak en gevolgtrekkingen die daarmede redelijk verbonden zouden moeten zijn, over begrippen als mogelijk of onmogelijk, of zich zelfs maar af te vragen of het aangevoelde nu behoort tot zijn kunnen of niet. De mens, die niet zo reageert en zichzelf beperkingen oplegt door twijfel t.a.v. eigen vermogen of de aanvaardbaarheid van hetgeen hij innerlijk als juist ervaart, zal nimmer de Levende God in hem geheel kennen. Voor hem blijft dit begrip hoogstens een wat vage waarde, die in eigen wezen rondwaart, maar geen feitelijke verwezenlijking van het innerlijk als juist ervarene schijnt te gedogen.

  • Begrijp ik hieruit goed, dat dus een brutaal mens uit zijn wijze van leven meer van de Levende God kan ervaren dan een niet brutaal mens?

Dat is afhankelijk van de betekenis, waarin u het woord brutaal gebruikt. Het is afgeleid van “bruut”, wat in feite “hard” betekent. Brutaal zou dus kunnen worden vertaald als “optreden met hardheid”. Ik meen dat je daardoor echter de levende God zeker niet nader tot jezelf brengt, dat je meer van deze kracht in jezelf bewust zou worden. Vermoedelijk beschouwt u echter het woord op een wat andere wijze en zou ik dus zij die brutaal zijn moeten vertalen met “zij, die meer durven”. Dan is uw veronderstelling juist. De vorm van eenvoudig reageren, die men wel eens “brutaliteit” noemt, vooral wanneer de anderen zich hierdoor voordelen verwerven, die men eigenlijk voor zich begeert, heeft ook in de praktijk al vele mensen de mogelijkheid gegeven het volgens anderen onmogelijke te bereiken en waar te maken.

Datgene, wat u brutaliteit noemt in de zin van uw vraag, is immers niet werkelijk hard zijn, maar eenvoudig een mogelijkheid zien, deze nemen en dan maar afwachten, wat men er van terecht brengt. Ik geloof dat een dergelijke reactie op de innerlijke waarden de mens inderdaad dichter bij de waarde, die ik levende God noemde, brengt. Maar dan moet de brutaliteit toch gepaard gaan met een gevoel van nederigheid. Je moet bereid zijn alles te proberen, maar gelijktijdig beseffen, dat je het niet alleen aan kunt, zodat je je op het hogere beroepen gaat. Dit is volgens mij noodzakelijk om de geestelijke krachten te wekken, die wij op aarde toch wel als de voornaamste uiting van de levende God ontmoeten.

  • Kan er een conflict ontstaan tussen de Levende God in verschillende personen?

Neen, niet tussen de levende God, in verschillende personen. Wel tussen personen, die elk op eigen wijze de Levende God in zich ervaren en misschien ook tot uiting brengen, maar daarbij niet bereid zijn te aanvaarden, dat hun beleving en kunnen niet een algemeen geldende wet op aarde kan uitdrukken, maar slechts een zuiver persoonlijke reactie en erkenning omvat. Het zal u overigens wel duidelijk zijn, dat juist hierdoor het contact met de Levende God gedood wordt.

Wanneer ik God in mijzelf beleef, zo kan dit voor mij een volledige waarheid openbaren.

Anderen kunnen ook een soortgelijke beleving ondergaan, maar de uitleg, de, rationalisatie van het innerlijk ervarene echter zal verschillen. Stelt men mij, dat de rationalisatie, die men zichzelf geeft voor de meeromvattende innerlijke werking, die men ondergaat, dan zal men trachten anderen, maar ook eigen ik, daarvan te overtuigen. Alle waarden in het ik of in anderen – en hun stellingen – die niet met die rationalisatie stroken, zal men dan verwerpen onder het motto, dat dit duivelen moeten zijn, demonische werkingen zijn enz. Hierdoor dwingt men zichzelf tot een beperking van alle innerlijke beleving en werking volgens de gegeven rationalisatie, waarbij steeds minder van de werkelijke waarden van het Ik tot uiting zullen komen.

De god in ons verandert met ons, past zich a.h.w. steeds weer aan onze nieuwe toestanden en ervaringen aan, terwijl de gegeven rationalisatie steeds gelijk zal blijven en zo dus steeds meer alle mogelijkheden tot contact met het innerlijke doet wegvallen. God leeft dan niet meer in je. De formule, de rationalisatie, in al zijn verstarring, is dan voor het Ik het aanvaarde Al geworden, terwijl de werkelijkheid van eigen wezen en wereld in steeds sterkere mate wordt verworpen. Dit effect zou wel eens de juiste verklaring kunnen zijn voor het afwezig zijn van alle kentekenen van het werken van de levende God binnen het kader van grote organisaties en bij de geestelijke leidslieden, die zich steunen op dogma’s.

  • Waar ligt onze ware identiteit? In deze levende God, in ons ik of waakbewustzijn?

In het waakbewustzijn ligt zij volgens mij in ieder geval niet. Want hetgeen men in het waakbewustzijn omtrent eigen Ik gemeenlijk stelt of vermoedt, is een zo verdraaide voorstelling van de werkelijkheid, dat een dergelijke zelferkenning ten hoogste als een vorm van geestelijk schijn goud kan worden aangesproken. Datgene, wat in het ik in feite wordt ervaren en het bestaan grotendeels bepaalt, blijkt voor een zeer groot deel mede tot het onbewuste te behoren. De uiting geeft vaak, in tegenstelling tot het verstandelijk besefte, wel de werkelijke persoonlijkheid weer.

Ik meen dan ook, dat, zover het het ik betreft, gezegd mag worden – zolang je op aarde leeft – dat het – zoal niet het werkelijke ego – toch voor de erkenning daarvan zeer belangrijk is. Het omvat herinneringen zelfs van vroegere incarnaties, besef van eigen relatie tot ongeziene krachten zowel als kenbare wereld, bepaalt eigen gedrag en daarmede eigen noodzaken zowel geestelijk als t.a.v. de eigen wereld. Daar identiteit het gehele ik omvat, volgens mij, zou het onbewuste dus daarvoor nog het eerst bepalende en meest belangrijke zijn. De levende God in ons is weliswaar de bron van alle uitingen en mogelijkheden, maar is, zover wij dit vanuit ons standpunt kunnen overzien, onpersoonlijk. De Levende God openbaart zich in ons immers volgens ons wezen.

Voor ons is het eigen wezen daarom belangrijk, daar alleen door de erkenning daarvan en het gebruiken daarvan, de Levende God, in ons en door ons vanuit ons ook voor anderen, kenbaar kan worden. De identiteit zou ik dan ook zoeken in dat deel van de persoonlijkheid, dat vaak als het onbewuste wordt omschreven.

  • Wanneer men zichzelf herkent, leert men de God in zich kennen. Wat moet ik verstaan onder “mijzelf erkennen”?

Erkennen is iets anders dan herkennen. Door mij wordt in een dergelijk verband steeds het woord erkennen gebruikt. Wanneer er een ‘h’ bij is gekomen, is dit het gevolg van een spreekfout. Het zal u duidelijk zijn, dat elke mens omtrent zichzelf een grote reeks illusies koestert. Naarmate hij meer naar een innerlijk besef, een innerlijke waarheid streeft, zal hij een deel van die illusies verliezen, vaak ze daarbij voorlopig verruilende voor andere. Er komt echter een ogenblik dat hij geconfronteerd wordt met iets in zich, dat door hem niet meer als deel van eigen Ik wordt herkend. Hier telt de ‘h’; herkennen. Hij zal dit deel van het ik vaak aanspreken als God of Daimon. Op den duur zal hij echter beseffen, dat dit hem vreemde in feite zijn ware wezen is, een spiegelbeeld a.h.w. van het eigen ik. Zodra deze erkenning plaats vindt, zal de illusiereeks omtrent het ego wegvallen en zullen de nu erkende eigenschappen van dit ik bepalend worden voor eigen actie, streven en de harmonieën, die het ik nastreeft.

Waar nu de waarheid een rol gaat spelen en de bewuste beschouwing dus niet meer grotendeels op illusies is gebaseerd, zal men de goddelijke waarden in het eigen ik beseffen en ook kunnen bereiken en richten.

  • U merkte zo even op dat God en het ware ik zich voornamelijk uiten in het onbewuste. Maar daarin kunnen zogenaamde compensatorische werkingen optreden…..

U hebt mij verkeerd begrepen. Ik sprak van het onbewuste. Daarbij stelde ik, dat de aanvaarding van de God in ons hoofdzakelijk in het onbewuste plaats kan en zal vinden. In de eerste plaats wordt dit dus conditioneel gesteld en niet als absolute waarde. Onderbewust en onbewust zijn verschillende dingen. Het onderbewustzijn is een psychologisch gestelde waarde die zelfs in de psychologie niet geheel aantoonbaar en bewijsbaar is volgens de daaraan toegeschreven mogelijkheden en eigenschappen.

Anders gezegd: Het is een werkhypothese in de psychologie. Ik sprak van het onbewuste. U vertaalde dit als het onderbewuste, wat dus reeds een groot verschil betekent. Het onbewuste is, dat geef ik toe, een waarde, die in ons onderbewust bestaat – d.w.z. niet geheel rationeel erkend wordt. De aanvullende en conditionerende waarde, die men in de term onderbewustzijn veronderstelt, zijn misschien ook in het onbewuste aanwezig, maar vormen hiervan toch slechts een te verwaarlozen klein deel. U zult toegeven, dat de ratio bij het denken niet slechts de omschrijving is van het kenbare, maar gelijktijdig de verwerping van al het niet kenbare of beredeneerbare. De menselijke ratio is dan ook een beperking van het menselijk kennen en zijn, aan de hand van de voor de mens kenbare en klaarblijkelijke processen en mogelijkheden zoals die in de eigen wereld denkbaar zijn.

Dit betekent, dat de ratio tevens een beperking inhoudt van de levende God in ons, zodat de mens, die deze kracht rationeel zou willen uiten, alleen reeds door dit beroep op de rede daarbij zeer sterk belemmerd zou worden. En harmonie, die de mens op de ratio opbouwt, is zodanig onvolkomen, zelfs t.a.v. het geheel van het eigen wezen, dat zij schijn blijft en geen bereikbare werkelijkheid inhoudt. Daarom is het onbewuste voor ons de feitelijke bron van de levende God en kan de ratio slechts een rationalisatie geven van de zo in ons wezen erkende feiten of mogelijkheden, maar zal zij nimmer de rationele omschrijving zijn of de sleutel worden tot het innerlijke.

Datgene, wat door de psychiatrie wordt vastgesteld, is de afwijking van de stoffelijke norm, en haar oorzaken. Wat door de psychologie in haar beste vorm wordt vastgesteld, zou iets van de werkingen van de God in ons weer kunnen geven, maar beschikt niet over de termen, om juist dit tot uitdrukking te brengen.

  • Edwards genas in enkele minuten. De geest kwam hierbij niet te pas? Welke invloed heeft de wereld van de geest op de wereld van de stof?

Ik stelde niet dat geesten daarbij niet te pas komen, maar dat de genezingen niet door de geest zelf en zonder meer tot stand worden gebracht, zoals Edwards verkeerdelijk veronderstelt. De wereld van de geest kan een richtende invloed hebben op de wereld van de stof en de daarin werkzame energieën. Zij kan echter niet voldoende krachten, gelijkwaardig aan die van de stof en voor inwerking op de stof noodzakelijk, zonder meer vanuit eigen wereld op die van de stofmens richten. De geest, die aan deze beperking wil ontkomen, zal moeten afdalen tot in de astrale wereld, waarin zij zeer beperkte mogelijkheden heeft, maar wel krachtdadig op kan treden, dan wel vanuit de eigen wereld richting kunnen geven aan in de wereld aanwezige krachten, met dien verstande, dat haar overzicht en daarmede ook haar mogelijkheden dus veel groter zijn in dit geval, maar zij niet in staat zal zijn alle benodigde krachten zelf te genereren.

  • Krijgen wij allen aan het begin van ons leven dezelfde hoeveelheid van de Goddelijke Kracht, van de Levende God?

Neen. Er is geen sprake van een beperkte hoeveelheid. De Kracht Gods, die in ons werkzaam kan zijn, is afhankelijk van hetgeen wijzelf daarvan kunnen omvatten. Door onze groei kunnen wij dus meer van het goddelijke omvatten en zal meer van de Levende God in ons kenbaar kunnen worden. Wanneer ik spreek van groei moet u hierbij niet alleen denken aan hoeveelheid, maar ook, zelfs eerder, aan de intensiteit van Goddelijke Kracht, die door ons verdragen kan worden, zonder dat wij hierdoor als persoonlijkheid ten gronde zouden kunnen gaan.

Indien ik stel, volgens mijn geloof, dat God oneindig is en dat Hij voortdurend de geest van de mens vervult, dit in de mate, waarin de mens in staat is de Goddelijke Krachten in zich te ontvangen, zo kan men stellen, dat dit misschien van de Godheid afhankelijk kan zijn. Ik antwoord daarop echter dat het in ieder geval zeker van de mens afhankelijk is. God kan misschien beslissen, dat Hij voortaan anders zal werken. Maar zolang de volgens mijn beste weten nu geldende regels de mens niet innerlijk groeit, sterker en groter wordt, zal er niet meer van de Godheid in hem tot uiting kunnen komen zonder dat dit zijn ondergang als mens betekent. De mens lijkt mij evenals de geest in deze een zodanige vrijheid van eigen beslissing te bezitten, dat ik geneigd ben om te stellen, dat de vrije wil van de mens – of geest – in dit geval een van de beslissende factoren is.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Slotrede.

Ik wil nu deze bijeenkomst gaan besluiten met een korte slotrede. Ik wil u iets gaan zeggen over de Levende God, zoals Hij voor mij bestaat.

De Levende God is voor mij het ruisen van mijn bloed door mijn aderen en mijn hart, dat pompt. Hij is voor mij als de ademhaling, onontbeerlijk, maar vaak niet beseft.

Hij is voor mij alles wat ik zie, denk, en de tastzin, de samenvatting van alle genietingen van het bestaan, maar ook de samenvatting van alle lasten in het bestaan, zoals ik die ooit kon of zal ervaren.

De levende God voor mij is de mogelijkheid moeilijkheden te overwinnen, maar gelijktijdig de moeilijkheid mijzelf te overwinnen en eigen denken achter te stellen bij Zijn Kracht. Zoals hij voor mij ook de erkenning is, waarin ik vreugden beleef die niet meer vergeleken kunnen worden met de betekenis die eenzelfde verschijnsel heeft voor anderen.

Voor mij is die God datgene, wat ik meer kan zijn dan ik ooit zelfs zou durven proberen te zijn zonder het besef van die Kracht in mij.

De levende God is voor mij iets als een geloof dat geen vorm heeft, maar mij voortdurend met feiten duidelijk maakt, dat ik meer kan zijn, meer kan doen, meer kan beseffen.

Een vage omschrijving, uit de aard der zaak, maar je kunt op gelijk wijze spreken over licht, wanneer je de bron daarvan niet kent. Je kunt dan ten hoogste zeggen: Het laat mij zien.

De levende God in mij maakt mij bewust van vele dingen, zowel van uw wereld als van mijn eigen wereld, van mijzelf en van andere werelden, die u niet kent. Hij is a.h.w. datgene wat mij doet zien en beleven, dat wat in mij gevoelens op doet wellen die ik niet geheel kan verklaren, en impulsen in mij doet ontstaat die mij tegen alle rede en besef duidelijk maken wat hier bereikt kan worden, of dat iets op een zekere wijze zal geschieden. Dan maak ik dit vaak zelf waar. Soms weet ik echter, dat ik alleen iets erkend heb van een werkelijkheid buiten mij, die ik niet geheel kan beseffen, maar die eens kenbaar worden zal.

De levende God is voor mij de totaliteit van mijn zijn, de inhoud van mijn bestaan. Ik kan die God niet omschrijven, durf hem geen naam te geven. Het woord, dat ik in mijzelf gebruik voor Hem, durf ik niet uitspreken of neerschrijven, zodat anderen het kennen kunnen.

Want ik weet niet, of het waarheid is of niet. Wel weet ik, dat het in mij uitdrukking is van Levende Kracht. De Levende God is voor mij de vervulling van alle symbolen die ik lees, de wet die ik in mijn wezen erken en de reden dat ik het wezen van anderen aanvaard. Voor mij is de levende God kortom het proces van leven zelf, waarin ik steeds weer omvat wordt door oneindigheid en deze toch in mijzelf als wezen en kracht mag ervaren.

image_pdf