De levensboom

De levensboom en de menselijke bewustwording

De Levensboom kent u waarschijnlijk. Het is een voorstelling, die zeer oud schijnt te zijn. We treffen haar tenminste in een gewijzigde voorstelling aan in Egypte. Er zijn verhalen, dat Mozes deze indertijd uit Egypte zou hebben meegebracht en die voorstelling zo bij de kabbalisten van die tijd zou hebben geïntroduceerd. Ik meen echter, dat de vorm, die voor ons de meest belangrijke is, het doodgewone schema is.

Als u n.l. deze Levensboom bekijkt, dan ziet u bovenaan een driehoek en beneden een driehoek, welke door lijnen zijn verbonden, waarop nog enkele punten uitkomen. Maar nu is er één vreemd ding: we vinden in het midden ook een punt; en dat wordt Tiphèreth genoemd. Deze letter of genius, of hoe u haar noemen wilt, is eigenlijk de top van een tweede driehoek. die beneden zit. Als u zo’n voorstelling eens te pakken kunt krijgen, dan lijkt het me voor u aardig om dit te bezien en te bestuderen en dan op de volgende punten te letten:

We hebben boven de Kroon. Boven die Kroon hebben we Ain, Ainsof, enz. het onbekende Niet. Kether is het onkenbare, de Kroon, een uiting van God, Die als licht kenbaar is, maar Die Zich verder aan het menselijk kennen onttrekt.

Deze valt uiteen in 2 verschillende hoofdwaarden, waarvan de één mannelijk wordt genoemd (het verstand), de ander vrouwelijk (de wijsheid). Zij vormen een soort drie-eenheid; en uit die drie-eenheid zien we dan de lijnen lopen. Er loopt een kolom naar beneden voor het verstand en er loopt een andere naar beneden voor de wijsheid. Vaak is er ook een middellijn geprojecteerd. Maar naar de door mij genoemde Tiphèreth lopen dan 2 lijnen, die haar a.h.w. direct verbinden met verstand en wijsheid Nu noemt men Tiphèreth ook wel eens de naastenliefde, de kosmische liefde, de begrijpende liefde in openbaring. Dat is begrijpelijk, want waar verstand en wijsheid tezamen komen als goddelijke waarden, produceren zij hun kind, en dat kind is dan het liefhebbende begrip of het begrijpend liefhebben.

Nu zult u zeggen: Daar hebben we weinig aan. Ongetwijfeld, U hebt er niet veel aan, maar voor de bewustwording geeft deze hele geschiedenis een aardig houvast; en het is juist daarop dat ik vanavond in de eerste plaats wil wijzen.

We hebben dan een driehoek, die eigenlijk de chaos, de aarde aangeeft. Deze aarde ontplooit zich ook weer in een tweevoudige tegenstelling, eveneens mannelijk en vrouwelijk genaamd. Men zou kunnen zeggen, dat het benedendeel eigenlijk de stoffelijke wereld is: de materie. Ook wij leven, wanneer wij in de stof zijn en vaak nog lang daarna, in een voorstellingswereld, die we die der materie mogen noemen. Die materie is de basis. Als zij er niet is, dan is al het andere zinloos. Men is altijd geneigd te zeggen: We zoeken het hoogste, we zoeken het hoger op. Maar juist als men de Levensboom bekijkt, dan valt het op dat het geheel alleen maar is afgerond, indien de drie laagste factoren ook aanwezig zijn. Dat is interessant, want een even grote driehoek zien wij naar boven gaan. De materie zelf geeft ons het zijn, het verstandelijk begrip en de wijsheid, die dus een zekere mate van gevoelsmatige interpretatie inhoudt.

Daarboven vinden wij dan weer de bekende Tiphèreth (de naastenliefde) en als deze tot actie komt, dan is zij boven het materiële even ver verheven als de materie zelf a.h.w. naar beneden ligt. Het zijn 2 congruente driehoeken. Juist getekend vormen zij een vierkant, dat door de lijn, die tussen begrip en wijsheid ligt, in hun laagste vorm wordt gedeeld. De menselijke wereld kan niet bestaan zonder materie. Ja, zelfs de geestelijke wereld kan dat niet. Zij is een noodzakelijk bestanddeel van alle bewustzijn en alle bewustwording. Maar op het ogenblik, dat de naastenliefde in het geding komt, ontstaat er boven het werkelijk materiële vlak een nieuwe wereld. Een wereld, die net zo groot en net zo omvattend is als de materiële bestaansvorm zelf. Hier zou men al kunnen zeggen: zo boven, zo beneden. Maar men kan nog wat verder gaan. Wanneer u n.l. de bovenste driehoek opzoekt, dan ziet u dat ook deze even groot is en dat zij het evenbeeld is van de driehoek, die beneden is ontstaan tussen naastenliefde, verstand en wijsheid. Nu zal ik u met deze schemata niet al te lang vermoeien, want dan komen we terecht in heel veel getheoretiseer en gefilosofeer. Belangrijk is voor mij het volgende:

Op het ogenblik, dat het bewustzijn zich boven eigen bestaansfixatie in de stof verheft en dus de naastenliefde of de kosmische liefde wordt erkend, ontstaat er ‑ maar voor de mens en voor de geest bereikbaar en in zichzelf hanteerbaar ‑ een waarde, die volledig congruent is met de hoogste waarde in het geuite Al. Het is niet voor niets dat men Tiphèreth wel eens heeft willen zien als de directe uiting van de zon. Men heeft haar zelfs gemaakt tot de directe uiting van de Christus. Het is alsof we naast het kosmisch licht met zijn onbekende bronnen een kenbaar licht stellen, dat voor ons aanvaardbaar is.

U leeft in deze wereld niet krachtens de feiten; dat weet u allemaal en daarover behoeven we niet lang te praten. U leeft krachtens de voorstelling. Op het ogenblik, dat de naastenliefde perfect wordt begrepen, zal de voorstelling van de wereld congruent zijn met de wereld zelf. Anders gezegd: u zult dus uw innerlijk leven, uw gedachteleven, uw ervaring van de buitenwereld volledig evenredig zien aan het werkelijk bestaande. Maya, de schijnwereld, de waanwereld, valt weg. Er is geen verhulling meer, er is alleen nog openbaring. Als men die openbaring ontvangt, dan is en blijft men natuurlijk mens, maar men heeft typisch genoeg een directe verbinding met de hoogste kracht. De naastenliefde is de lagere weergave van de goddelijke liefde. Op deze manier heeft men dus eigenlijk bereikt, dat er een directe verbinding met het Goddelijke voor het “ik” kan bestaan.

Nu weet ik wel, dat een kabbalist hier ongetwijfeld zal uitroepen: Ja, maar de lijnen, die de punten verbinden en die machtige engelen of geesten voorstellen, zijn op zichzelf ook wegen! Ik geloof, dat die stelling maar ten dele juist is. De verbinding is n.l. niet zozeer een weg, zij is het aangeven van een bestaande toestand, die moet worden gerealiseerd. Elke kracht, die daar wordt uitgebeeld (de drie en de zeven), is op zichzelf te zien als een entiteit, die de mens lering kan geven, waarin hij bewustwording kan vinden, maar dan gespecialiseerd op een bepaald terrein. De wegen daartussen zijn alleen een persoonlijke realisatie van mogelijkheden.

Die persoonlijke realisatie van mogelijkheden is voor ons het meest belangrijke, dat begrijpt u wel. Want bewustwording is ten slotte veel belangrijker dan een schema. En al hebben we ook tienduizend Sephiroth, ze kunnen voor ons niets betekenen of niets doen, tenzij ze voor ons levend en werkelijk zijn. Daarom kunnen we dat schema het best gebruiken, indien we het al willen gebruiken, om daarmee de eigen ontwikkeling van de mens tot uitdrukking te brengen. Beneden het materiële zijn ligt de chaos. Uit de chaos is de vorm tot stand gekomen: de wereld van fixatie. Het is in deze wereld dat je wordt geboren. Je kunt wel denken dat er veel kan worden veranderd, maar dat is niet wezenlijk waar. De wereld, waarin je bestaat, is gefixeerd. Je kunt je wereld niet veranderen; maar dat is ook het enige. Zodra je je dit begint te realiseren, zul je ook inzien dat er heel veel mogelijkheden zijn om dat “ik” te wijzigen. We hebben bv. een weg van verstand. Als wij de weg van verstand gaan, dan kunnen wij tot een begrip komen en dus tot beheersing van de materie. Die beheersing is normaal.

Als u in een auto stapt, dan geeft u het bewijs van beheersing der materie. U heeft ijzer, staal, mangaan en nog wat verwerkt. U heeft plastic gebruikt en leer. Maar u heeft aan de aard van deze dingen niets kunnen veranderen. Wanneer u ophoudt een vormende en onderhoudende invloed te zijn, dan is de zaak al gauw voorbij. Laat een auto gewoon maar eens een jaar buiten staan zonder zorg. Wat is ervan over? Wat vage vormen, maar het grootste gedeelte is al roest en verval. De elementaire delen bestaan nog, de vorm gaat teniet. Het verstand geeft dus wel de mogelijkheid tot beheersing, maar die is eigenlijk alleen voor het “ik” aanwezig. U kunt b.v. nooit zeggen: Ik zal de wereld als geheel veranderen. U kunt wel zeggen: Ik ga iets maken, waardoor ik in de wereld tijdelijk iets kan uitschakelen. En dat is natuurlijk heel iets anders. Het verstand geeft dus beheersing. Maar dan hebben we ook de wijsheid. Het verstand probeert alles redelijk te overleggen en het gaat uit van wat het zelf wil. Het is dus eigenlijk erg egocentrisch.

De wijsheid probeert de geaardheid te doorgronden van het andere; en door de erkenning van de geaardheid het andere ook weer aan zich dienstbaar te maken. Een aardig voorbeeld hiervan is misschien:

We hebben een uitvinder en een kweker. De uitvinder probeert een vorm van kunsthars te vinden, die zo hard en zo bruikbaar is, dat ze voor elk doeleinde kan worden bestemd, waarvoor men tot nu toe bv. staal, nikkelstaal of titanium heeft gebruikt. De teler denkt anders. Die zegt: Ik heb een paard nodig, dat bestand moet zijn tegen bepaalde ziekten en tegen bepaalde vormen van uitputting. Het mag bv. niet te veel dorst hebben. Ik heb een paard nodig, dat voor een mens een goed kameraad is. Ik moet de eigenschappen dus selecteren. En hij gaat dus met zijn begrip combineren, totdat hij het ideale paard heeft gefokt. Nu doet men dat tegenwoordig helaas weinig met paarden, meer met honden. Het is jammer, dat de mensen dan de uiterlijkheid zoeken en niet de werkelijke eigenschappen die des honds zouden moeten zijn. Eigenlijk een gebrek aan wijsheid. Ik geef u deze beelden om te laten zien waar het verschil ligt.

Nu kan ik echter ook de dingen liefhebben. Dan zal ik aan de ene kant veel minder praktisch zijn dan het verstand of de wijsheid, maar aan de andere kant aanvaard ik het voor wat het is door deze liefde. De wijsheid wil gebruik maken van bestaande eigenschappen, het verstand wil eigenschappen scheppen, die bruikbaar zijn, de liefde wil aanvaarden en begrijpen zonder te veranderen. Zo ziet u dus alweer dat we in de bewustwording zelfs heel laag bij de grond (daar behoeft u geen bovennatuurlijke krachten bij te betrekken) 3 verschillende benaderingsmogelijkheden hebben. De vraag is alleen: Welke beheersing wordt er gewonnen?

Nu geeft de Levensboom hiervan een aardig idee. Want, zo zegt hij, vanuit de materie tot het verstand en de wijsheid dat is één punt. Maar gaan we vandaar naar de liefde toe, dan moeten we hoger zijn. Daar, waar n.l. een werkelijke liefde (dus geen persoonlijke bezitzucht of ervaringzucht) bestaat, daar is een eenheid, een identificatie mogelijk. En op het gevaar af dat iemand zegt: Maar dat heeft niets meer te maken met de Levensboom, zou ik toch willen zeggen: Het magisch element, dat wij wel degelijk in de Kabbala vinden, ligt eigenlijk in de middenweg; en het magisch bereiken begint bij Tiphèreth. Je behoeft dus niet naar Binah te gaan, helemaal naar boven, het is betrekkelijk dichtbij. Wanneer wij begrip hebben voor de dingen en ons ermee één voelen, dan kunnen wij hun wezen erkennen en hun wezen organiseren, want dat is ook een belangrijk punt.

Verder kunnen we veranderingen aanbrengen, zolang die niet het wezen der dingen aantasten. We kunnen dus alleen door onze aanvaarding een meer ideale toestand produceren. En dan hebben we hiermee dus een eerste punt afgemaakt. De bewustwording kan beginnen bij het verstand of bij de wijsheid. Maar zodra zij in een kortere termijn een bereiking tot stand wil brengen dan zal zij de kosmische, de naastenliefde, die onpersoonlijke liefde a.h.w. moeten vinden, waardoor én verstand én wijsheid voor het menselijk leven pas volle zin krijgen.

Nu is bewustwording ook nog iets anders. Bewustwording wil zeggen: realisatie van de wereld, waarin men leeft. Het is niet alleen maar een aantal vaagheden in zichzelf opbouwen. Nee, het is wel degelijk het concrete dat er bestaat beseffen en zijn eigen houding daarin bepalen, zijn eigen weg zoeken. Door die dingen te kennen worden zo deel van uzelf. De materialist zal ‑ of hij nu uitgaat van verstand of van wijsheid ‑ altijd een wereld leren kennen, die overeenkomt met zijn eigen wezen. Wanneer hij verstand en wijsheid beide bezit, dan is hij in staat om de verschijnselen van zijn wereld, de drijfveren ervan a.h.w. werkelijk te verstaan en te kennen. Zijn bewustzijn omvat zijn eigen wereld. Gaat hij hoger op, dan begrijpt hij niet alleen meer zijn eigen wereld, maar ook de hogere betekenis ervan. Ik zou zeggen: Wanneer u de benedenste driehoek hebt, dan ziet u alles eigenlijk alleen binnen de tijd. U ziet het dus als een ogenblikkelijke bestaanswaarde. Komt u in de tweede driehoek (dus verstand, wijsheid, naastenliefde), dan ziet u de betekenis van dat alles buiten de tijd om. U ziet het als een eeuwige waarde.

Ik geloof, dat het wel erg interessant is om daarmee te beginnen, want we hebben dan een mogelijkheid gekregen op onze wereld niet alleen in onszelf te bevatten (dus het bewustzijn tot uitdrukking te brengen), maar bovendien ons bewustzijn te vergroten door de eeuwige waarden en de consequenties, die eraan vastzitten, ook te kennen. Dan zijn we nog maar aan het begin, want nu begint de weg naar boven. Daarboven vinden we dan wederom de goddelijke Uiting, de directe weergave eigenlijk van het Volmaakte. We kennen dat in de Kabbala ook; bv. de volmaakte mens, de Rode Adam, de oervorm van de mens, die in zichzelf dezelfde krachten draagt als de wereld. Nu kunt u zeggen: Die Levensboom is dus niet alleen maar het beeld van het bestaan van de wereld; zij is ook het beeld van de mens. En daarbij stuiten we op precies dezelfde moeilijkheden, die we zo-even hebben gezien.

We kunnen komen tot een begrip van een eeuwige waarde van onze wereld, maar we kunnen niet komen tot een volledig begrip en kennen van het totaal Eeuwige. Dat is voor een enkeling misschien weggelegd; en zelfs hij zal niet kunnen doordringen tot achter het verblindende licht van de Kroon. Hij zal die Kroon kennen, weten waar zij bestaat, maar hij zal niet precies weten wat ze is, want dat is ook het onkenbare. Maar in onszelf kunnen we ook komen tot een begrip van onze wereld. En dat is erg belangrijk. Zolang je niet weet wat je wereld eigenlijk is (bv. door gebrek aan belangstelling, ik kan me dat zo voorstellen) en je niet precies kunt werken met de krachten, die er in je wereld bestaan, is je bewustzijn beperkt. Je bent voor jezelf een wereld op zichzelf; en in die wereld moet leven zijn. Die wereld moet handelen, ten goede of ten kwade, naar handelen moet ze. Ze moet actief zijn. Ze moet werken.

Ook hier hebben wij te maken met het ego, de stoffelijke basis, dat wat je als mens ziet als je persoonlijkheid en wederom met de benadering via verstand en via het begrip. Twee verschillende dingen. Eventueel hebben wij een benadering via het gevoel. Om onze wereld te kennen hebben we zowel verstand als begrip nodig. O, u behoeft er geen diploma’s voor te halen. Zo erg is het niet. Het verstand is het doodgewone nuchtere verstand, waardoor men een verschil van waarde kan constateren en fouten voorkomen, zoals bv. een mens aan te spreken als een dier of een dier misschien meer te achten dan vele mensen. Deze dingen bestaan wel, maar ze zijn een vertekening van de werkelijkheid. Je moet de werkelijkheid van je leven, de waarden in je leven eerst kunnen stellen. Eerst als je dat gedaan hebt en dus geheel bewust bent van je wezen, van je mogelijkheden, van je actie in het bestaan, kun je verdergaan.

Zou in de meer kosmische stelling van de Levensboom nog een direct opgaan van uit Malkuth tot Tiphèreth denkbaar zijn (dus vanuit het laagste punt tot dat punt van liefde), bij de mensheid bestaat dat niet. We kunnen wel een weg volgen, waarbij dat wat we emotie noemen (de innerlijke ervaring) belangrijk en actief is maar we kunnen het in onszelf pas bereiken, als het is gebaseerd op het bestaande bewustzijn. Dus van uit het verstand en het begrip moeten wij komen tot de naastenliefde die in feite een aanvaarding is en in zekere mate ook een verloochening van onszelf.

Nu is het eigenaardige, dat als u dat in de materie bereikt, u voor uzelf de kroon der schepping bent; niet meer als een verwaandheid, maar u bent voor uzelf eenvoudig het bepalende element geworden. De wereld zegt u ongetwijfeld wat u moet zijn door uw affiniteit met die wereld. Maar u beslist. U bent degene, die het voor het zeggen heeft. Het is de fase van inwijding, die menigeen begeert.

Zoudt u ook hier verder willen gaan, dan staan we weer voor een eigenaardig verschijnsel. U zoudt die parallel zo graag zonder meer willen doorvoeren en zeggen: Nu ja, zoals het in de kosmos is, zo is het overal. U kunt via het verstand opklimmen, totdat u vlakbij de Kroon bent gekomen, dus bij de dichtstbijzijnde entiteit daar. U kunt dan hetzelfde doen via de wijsheid. U bent klaar. Maar dat is niet waar. U kunt inderdaad klimmen, maar als wezen dat bewustzijn zoekt, bent u niet in staat die tocht helemaal ononderbroken te volbrengen. Er komt dus een ogenblik dat men verstandelijk een ontwikkeling heeft, die verdergaat dan begrip. Zelfs indien u de naastenliefde volledig in praktijk brengt, bent u onevenwichtig. Het is nodig dat verstand en begrip eerst gelijk worden ontwikkeld, want in de mens is kennis noodzakelijk; en die kennis is zowel de omschrijving, de manipulatie a.h.w., het verstandelijk deel, als ook het besef van achtergrond en van samenhang: de wijsheid. Een mens, die voor zichzelf geen wijsheid heeft, bereikt niets. Hij mag verder geestelijk nog zo hoog schijnen te staan, alles valt weer terug in de primitiviteit van een gefixeerd geheel. De schijn brengt hem misschien tot aan de Kroon, maar in feite is hij geketend aan de verstijving, die net boven de chaos ligt. Daarom zou men uit de Levensboom ook nog kunnen leren dat actie, uitwisseling, maar vooral gelijkmatigheid van ontwikkeling voor de mens van belang is. De neiging tot eenzijdigheid bestaat bij ons allen, in de geest zowel als in de stof. Wij willen graag alle dingen weten, maar als wij geen wijsheid hebben, zal ons weten ons ten verderf voeren.

We kunnen er niets mee doen. We weten er geen raad meer mee en worden er hoogstens een klein beetje mataglap van. Als we begrip hebben voor alle dingen en we hebben niet de kennis, die nodig is om dat begrip te hanteren, dan zal ons begrip voor de dingen zelf ons al doen breken. Met al dat begrip kunnen we de zaak niet meer verwerken. We hebben er zelf geen beheersing meer over, we hebben alleen maar begrip.

En dan kunnen we zeggen, dat we iedereen kunnen begrijpen: Eichmann en Ben Goerion of Johnson en de gouverneur van Alabama. Dat klinkt allemaal mooi, maar zolang dat begrip ons niet voert tot een erkenning van noodzakelijke actie hebben we niets. Ons bewustzijn wordt.n.l. gefixeerd door onze actie; niet door ons bestaan er door de realisatie alleen. Ik mag u hier misschien een aardige vergelijking geven:

Stel, dat u uitgehongerd bent. Gaat u dan eens heerlijk zitten kijken naar een pot met soep of naar een berg gebakken vlees of vruchten, wat u wilt. Kijkt u nu maar goed. Zal uw honger daarom minder worden? Nee, die wordt eerder meer. Pas als u het voedsel tot u neemt, dus in uzelf verwerkt, houdt die toestand van honger op. Op dezelfde manier kunt u zeggen: als je begrip hebt en je hebt wijsheid en verstand; dus je hebt die drie dingen bij elkaar, dan zeg je niet alleen: ik begrijp hoe het is, maar je zegt ook: ik weet hoe ik moet zijn. De naastenliefde of de kosmische liefde stelt ons steeds in staat ‑ en dat is haar belangrijkheid in het “ik” ‑ om op ons vlak van actie vooruit te lopen. Wij gaan dus verder dan de bewuste, normale activiteit zou gaan. Wij komen tot een emotionele erkenning, die eventuele tekorten in actie of fouten aanvult. De bewustwording wordt dus door de naastenliefde, de kosmische liefde, in het “ik” aanmerkelijk versneld. Maar ook zij kan niet alleen zaligmakend zijn. Zij kan de mens niet brengen tot een bereiking zonder meer.

Dan komen we nu aan het volgende stukje. Ik praat nu zo leuk over die Levensboom, een heel oud symbool, dat reeds in Egypte heeft bestaan en waarschijnlijk voordien. Hoe komt de mens aan dit symbool? Want om een dergelijke structuur uit te denken moet er ook sprake zijn van bewustzijn. Het verstand alleen kan zo’n constructie niet verwerkelijken, zeker niet magisch verwerkelijken. En begrip alleen geeft niet de mogelijkheid om een dergelijke eenvoudige, bijna mathematische en toch buitengewoon juiste uitdrukking aan het menselijk leven te geven. Ik geloof, dat we daarom een ogenblik moeten teruggrijpen naar de oorsprong.

U heeft allen wel eens gehoord, dat in het verre verleden alle volkeren hun eigen goden hadden en dat er voor die tijd een periode moet zijn geweest, waarin de geesten van rassen en volkeren zelf op de wereld actieve factoren waren om de toen nog niet volledig vrij handelende en denkende mensen (aankomende mensen, beter gezegd) te leren wat zij moesten zijn en doen. Zelfs nu nog ligt er in een rassengeest het gedragspatroon van een ras als hoofdnorm opgesloten.

Stel nu eens, dat er in dat verre verleden iemand is geweest, die heeft gezien hoe al deze rassengeesten, plaatselijke goden en wat dies meer zij, konden worden herleid tot een tiental functies. Drie daarvan waren verborgen functies; dingen, die alleen in de priesterschap eventueel worden erkend en overdacht. Zeven daarvan waren algemeen kenbare en op aarde direct geuite functies. Men heeft toen gezegd: Dit zijn grote krachten. En oorspronkelijk zal men hier wel hebben gesproken van de werkelijke goden. Later heeft men dat in een hemelse hiërarchie ingebouwd. In de Tuin der Granaatappelen bv. (een kabbalistisch boek) treffen wij een hele hiërarchie aan, waarin deze krachten zelfs als Sephiroth worden aangesproken en als zodanig een plaats krijgen tussen de engelen.

Die plaats is echter niet zo belangrijk en de naam ook niet. Belang is het begrip voor deze samenstelling. Degene, die die hiërarchie voor het eerst heeft ontworpen, moet een begrip hebben gehad van de mensheid, zeggende: Ze ligt in zeven verschillende grondwaarden, die elk voor zich een aangezicht van de mensheid aangeven plus drie eeuwige waarden, die voor de mens altijd gelijk blijven. Hij moet dus ook hebben gezegd: Dit is het beeld van de totale mens, zodra ik hem buiten de tijd zet.

Misschien veronderstel ik hier een beetje te veel een filosofische achtergrond van volgens u toch primitieve stammen. Maar deze primitieve mensen hadden dus grondslagen, die op het ogenblik wel eens worden vergeten. Zo was een van de stelregels in die tijd heel eenvoudig uitgedrukt:

Wij kennen al het onzichtbare aan de hand van het zichtbare. Het ongeuite treedt voor ons in verschijning door de erkenning van het geuite.

Daarmee wordt dus een parallel getrokken met de grondwaarden van het ego als mens en als geest; uit dat wat ik als mens ben, ken ik mijzelf als geest; maar uit dat wat ik bewust als geest ben, ken ik mijzelf als deel van God.

Hier is een denkwijze dus wel de bron van het geheel geworden, die op het ogenblik een klein beetje wordt verwaarloosd. Maar alles bij elkaar genomen is die denkwijze nog helemaal niet zo vreemd. De dingen, die zichtbaar zijn, geven aan wat er onzichtbaar bestaat. Dat is vandaag de dag nog zo. Door uw gedrag openbaart u uw gedachten of een deel daarvan. Misschien dat men uw daden niet juist interpreteert en zich daardoor vergist omtrent de achtergronden, dat is mogelijk. Maar de actie van de mens, de vorm van een plant of van een dier geeft aan wat daarachter aan geestelijke waarden is verborgen. Het is dus zaak die dingen te leren interpreteren.

In de oude tijd waren ze helemaal niet zo erg gesteld op die allerhoogste geestelijke bewustwording, die heel abstracte dingen, waarmee tegenwoordig bijna iedereen pleegt te schermen. Nee, men zei: Indien het zo is, dat wij uit het kenbare het onkenbare kunnen distilleren, laat ons dan beginnen met het kenbare te beseffen.

Hier komt dus eigenlijk ‑ men zou haast zeggen ‑ de duvel om de hoek kijken. Want de Levensboom leert ons, als we de oudste interpretaties daarvan volgen, dat wij onze eigen wereld moeten beseffen, dat wij die wereld verstandelijk moeten kunnen omschrijven, dat wij door onze wijsheid in staat moeten zijn de samenhang tussen het beschrevene te zien en zodra wij het patroon van de wereld hebben, dan hebben wij de omschrijving van ons innerlijk.

Als wij daarbij dan van het persoonlijke (dus het voor ons gefixeerde punt) komen tot het onpersoonlijk streven (wat we later dus God noemen of Tiphèreth of Christus‑figuur of de zonnekracht, de zonneziel), dan zijn wij daarmee gekomen tot een in ons bestaande volledige tegenstelling tussen de feiten en de innerlijke waarde, maar verder zijn zij volledig gelijk. Zij spiegelen elkaar a.h.w.; en hoe belangrijk dat is, kunt u pas begrijpen, wanneer u beseft hoezeer wij eigenlijk altijd de wereld vertekenen. Toon mij een mens, die een dwaas inzicht heeft omtrent zijn geestelijk wezen en zijn geestelijke mogelijkheden en ik zal u onmiddellijk zeggen dat hij zichzelf en zijn wereld niet kent. Dat klinkt erg wijs, maar het is waar. U kunt niet boven uzelf uitstijgen. U kunt slechts uzelf zijn.

Die oude mensen, die allereerste denkers, waren natuurlijk anders dan de moderne filosofen. Zij waren krachtens hun wezen priesters en magiërs; en wij zien ze overal optreden als wonderdoeners. Zij stichten godsdiensten. Zij beoefenen wetenschappen. Zij bezweren geesten en weet ik wat nog meer. Toch, ondanks dit verschil, moeten we teruggrijpen naar die oude mensen om te begrijpen wat de Levensboom te vertellen heeft. Hij zegt n.l. uit die oudheid tot ons: Alleen datgene, wat is erkend en beleefd, heeft voor ons blijvende waarde. Krachtens dat, wat in mij erkend en beleefd is en geestelijk in mij eveneens is gefixeerd, heb ik macht over al het erkende.

Zij waren magiërs. Zij dachten niet alleen in de zin van een structuur, waarlangs wij tot God streven, zij dachten aan een structuur krachtens welke wij God kunnen openbaren. Voor hen was het hier dus niet de kwestie van een streven langs vele paden naar het hoogste doel. Nee, het was voor hen een wisselwerking. In mijzelf moet ik dit alles waarmaken. En ik maak het waar door de macht, die ik uitoefen.

Macht is tegenwoordig vaak een lelijk woord, omdat macht door de meesten wordt geassocieerd met machtsmisbruik. Maar de macht, waarover die ouden dachten, was de macht om het leven te begrijpen; om onvruchtbare grond vruchtbaar te maken; om zieke mensen te genezen; en van zieke zielen gezonde zielen te maken. Hun denken was niet zozeer het voorkomen van alle lijden, het scheppen van een soort Utopia, hun denkbeeld was het voeren van een strijd in deze wereld; maar dan zo, dat zij voortdurend betere resultaten zou geven. En daarmee staan wij er wat vreemd tegenover, wanneer ons eigen bewustzijn in het geding komt, want wij hebben ons bewustzijn altijd gezien als iets, wat we alleen door een voortdurend grotere lijdzaamheid en onderwerping kunnen bevorderen. Dat is echter maar heel beperkt waar. Deze oude voorstelling van de Levensboom zegt ons:

Indien wij willen doordringen tot het bewustzijn van het onkenbare, tot het Goddelijke in ons, dat de directe krachtbron is voor alle werelderkenning, ervaring en uitdrukking, dan moeten wij eerst onszelf kennen en beheersen. Ons streven mag niet alleen maar zijn een fictief en theoretisch verdergaan. Het moet zijn: een voortdurend proberen onszelf en de wereld op de proef stellen en het bereiken van een genegenheid voor die wereld, waardoor wij haar ook buiten het tijdselement kunnen zien. Ik zou haast zeggen: Oorzaak en gevolg in hun geheel gaan beseffen en zo vanuit onszelf worden tot een begrip, dat meer omvat dan de wereld alleen.

Nu zult u zeggen: wat voor een begrip? Nu, dat kan ik u ook wel even aan het einde van deze inleiding vertellen.

In de oudste gedachten is er altijd sprake van een eerste mens, één mens. Er is sprake van een gebeuren, waardoor van alles nog maar één of een paar over is. Denk maar aan de ark van onze goede vriend Noé, die het eerste veetransport ter wereld heeft volbracht.

Deze gedachtegang is te herleiden tot het denkbeeld, dat alles een oervorm moet hebben. Er moet iets zijn dat een bepaalde vorm heeft, voordat die kan worden nagemaakt. Er moet één pottenbakker zijn, die voor het eerst een urn maakt van een bepaalde vorm; en dan zullen de anderen die kunnen namaken. Zo moet er voor al wat er bestaat een oervorm zijn, een grondgestalte, die door God of, zo u wilt, door Zijn hogere engelen is gecreëerd; en uit die grondgestalte ontstaat dan de veelheid op aarde: kleine variaties op één en hetzelfde thema. Kijk, dit grondthema voor de mens is uitgedrukt in de Levensboom. Maar we zouden een soortgelijke Levensboom voor het plantenleven kunnen opzetten; en we zouden dat kunnen doen voor bepaalde dierlijke ontwikkelingen, voor planeten, voor sterren en sterrennevels. Dat zou altijd ongeveer juist zijn. Hun denkbeeld n.l. in het verleden was de oervorm, waarvan je deel bent, maar gelijktijdig kopie. Misschien kan ik het het best zo uitdrukken:

Wanneer ik voor het eerst een vorm bedenk (het geeft niet wat, een gebruiksvoorwerp b.v.) en ik neem daarop octrooi, dan is dat octrooi deel van alle verder zo gevormde voorwerpen. God heeft a.h.w. octrooi op alle wezens door die oervorm. In die oervorm, echter zit de goddelijke waarde volledig concreet verwerkt. De mens is dus door dit stempel van de oervorm deel ervan; maar hij is gelijktijdig, indien hij zich de eenheid met die oervorm realiseert, de oervorm zelf.

Hier zien we dus iets van de sympathische magie: dingen, die volledig aan elkaar gelijk zijn, zijn identiek, zijn dezelfde persoonlijkheid. Met dit denken wordt de macht, die in de mens bestaat ‑ dus de goddelijke macht zoals die in de oervorm is vastgelegd: de verhouding van de bewuste mens tot God ‑ de goddelijke wet, zoals die in de totale mens is gemanifesteerd. Voor ons bewustzijn is het misschien wel aardig om daarover eens na te denken.

Dit is het begin van de Levensboom geweest, zeker, maar het is meer dan dit, het is een poging om de totale mensheid te zien. Dan kunt u zeggen, zoals bv. de theosofen, dat elk van de zeven z.g. lagere Sephiroth voor een bepaald ras staat. Ik geloof niet, dat dat helemaal juist is. Het staat wel voor een bepaalde ontwikkeling. Onze bewustwording is pas dan volledig en juist, indien er een evenredige ontwikkeling van alle capaciteiten in ons plaatsvindt. Daarbij is de waarde volgens menselijk oordeel van geen belang, wel de intensiteit, waarmee voor ons de wereld wordt erkend, beschreven en bepaald, evenals het “ik” door deze groei van de in ons bestaande factoren.

Zo kan men dus zeggen: De levensboom is niet alleen de weergave van een kosmische of een menselijke structuur, zij is a.h.w. de handleiding met tekening voor ons eigen leven en denken; en daarmee kunnen wij dus al datgene bereiken wat ons gelijk maakt aan de oervorm, aan het goddelijk beeld dat ons de macht geeft, die in dat goddelijk beeld ligt; maar dan als bewuste waarde.

En ten laatste maakt het het voor ons mogelijk tijdsbelangen uit te schakelen door een begrip van de eeuwigheid en van al hetgeen wij kennen in stof en geest.