De levensritmen

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 3) – december 1971

De levensritmen

We weten allemaal dat het leven van een mens in een bepaald ritme verloopt. Een 7-jaars‑ritme is daarbij veelal gebruikelijk. Dan zijn er de kritieke data van ongeveer 7 jaar, 14 jaar, 21 jaar enz. Het is ook mogelijk, dat iemand een 5‑jaars‑ritme heeft terwijl een enkele maal, maar niet zo vaak, een langer ritme voorkomt.
Deze ritmen zijn deels van lichamelijke, deels ook van geestelijke aard. Het is namelijk zo dat niet iedereen zich op dezelfde manier op de wereld kan oriënteren. Er zijn kinderen, die jaren nodig hebben, vaak tot het 3e of 4e jaar, voordat zij werkelijk een communicatiemogelijkheid in de wereld vinden. Er zijn echter ook kinderen, die reeds na 9 à 10 maanden met een enigszins begrijpelijke communicatie beginnen, die verder gaat dan de ouders.
De situatie waarin je je als geest bevindt, wordt ‑ zoals een vorige keer reeds duidelijk is gemaakt ‑ bepaald door het milieu, door de genen en daarnaast ook wel degelijk door de sympathische of niet sympathische omgeving. Want hier speelt het contact, dat je kunt leggen, een heel grote rol. Een geest met een betrekkelijk sterke herinnering aan een vorig bestaan zal heel vaak haar contactmogelijkheden zien verdwijnen, als het kind tussen de 3‑ en de 5‑jarige leeftijd deze restanten van geheugen weer gaat ‘acteren’ in fantasiespelletjes. Onderdrukken de ouders dat, dan ontstaat er een remming in de communicatie. De eerlijkheid van het contact met de buitenwereld valt weg. Het wordt een soort komedie, die zo vroeg ‑ want later is het bijna onvermijdelijk dat er een zekere mate van komedie bij komt ‑ het kind eigenlijk ertoe brengt zijn meest geheime gevoelens voor zich te houden, maar daarmee ook de eigen problematiek onoplosbaar maakt.
Gaan wij naar een tweede levenscyclus toe (van 7 tot ongeveer 14 jaar), dan is de oplossing van het probleem hoofdzakelijk afhankelijk van leren, dus het opdoen van ervaring. Gaan we weer verder. tot de volgende 7‑jaars‑cyclus (tot het 21e jaar), dan blijkt dat het probleem alleen kan worden opgelost door de eigen superioriteit te stellen. Je moet duidelijk maken wie je bent, dat je meetelt; dan alleen kun je een probleem de baas.
Loop je zo tegen de 28 jaar, dan is het bijna zeker dat je je problemen gaat oplossen door een vergelijk te vinden. Je gaat dus niet meer uit van het standpunt: “ik moet mijn zin hebben” of “ik moet leren wat er aan de hand is”, neen, “ik ga kijken of ik een overeenkomst kan vinden, een samenwerking, waardoor mijn probleem wat op de achtergrond raakt”.
Weer een paar jaar later blijkt dat het probleem a.h.w. vervaagt; het is dan te herleiden tot meer materiële zaken. Van werkelijk geestelijke problematiek zullen wij tussen de 28 en de 35 jaar over het algemeen weinig merken. Er zijn wel idealen, zoals stellingen, maar eigenlijk houden zij niet zo erg veel in omdat het ‘ik’ ondanks alle teleurstellingen rustig zijn eigen weg gaat. Het probleem, dat het leven biedt, is stoffelijk op te lossen.
Daarna krijgen wij de grote problemen voor de mens (dat begint meestal met 35 jaar, 42 jaar): het zoeken naar een verklaring. Je hebt niet meer genoeg aan de feiten; je wilt een samenhang kennen. En alle problemen komen direct of indirect neer op het beseffen van een samenhang.
Nog wat later zien wij bij velen een terugkeer naar religiositeit. Dat is ook begrijpelijk want je wordt dan geconfronteerd met de achtergronden van het leven omdat het in je ogen nu toch wel zo langzamerhand reeds voor een groot deel voorbij is.
In de latere levenscycli word je dan geconfronteerd met de angst voor de dood en naast de angst voor de dood ook heel vaak met het zoeken van een mogelijkheid om de dood te bereiken zonder dat je een te groot conflict in de wereld achterlaat. Dat is heel eigenaardig.
Zo’n ritme is dus persoonlijk. Je kunt nooit zeggen dat het precies 7 jaar is. Je kunt nooit zeggen: voor iedereen verloopt dat ritme volkomen gelijkmatig. Je bent er echter wel aan gebonden. Het is zelfs zo dat er bepaalde systemen bestaan waarmee wij proberen zo’n ritme of cyclus om te zetten, b.v.:
1e cyclus = zijn.
2e ” = willen zijn (besef erbij).
3e ” = uitgedrukt zijn.
4e ” = beheerst zijn.
5e ” = creatief zijn.
6e ” = het vervulde zijn.
7e ” = het onvervulde zijn.
En zo gaan we rustig verder. Dit is maar een systeem. Er bestaan vele andere aanduidingen daarvoor. Ik wil u niet al te veel daarop wijzen omdat ze bijkomstig zijn. Maar het is wel belangrijk dat wij begrijpen dat zo’n gestelde cyclus eigenlijk net zoveel te maken heeft met de geest als met de mens. Want de geest op aarde heeft een bepaald doel. Hij probeert te bereiken dat zijn hiaten zo mogelijk worden aangevuld. Dat er daarbij een grote variatie kan bestaan tussen wat stoffelijk schijnbaar is en wat geestelijk werkelijk is, daar behoef je je niet zo druk over te maken, dat kun je als mens meestal niet eens overzien. Waarmee je je echter wel moet bezighouden, is natuurlijk de vraag: In hoeverre betekent wat ik nu ben geestelijk iets voor mij? En dan kom je tot de meest verbluffende conclusies.
Het blijkt dat b.v. in de periode van religiositeit de mens, zich gebonden voelend aan een onontkoombaar lot, probeert de verantwoordelijkheid daarvoor ergens anders te plaatsen. Het is in deze periode dat de mensen duivel en God het scherpst formuleren
Ga je kijken naar b.v. de doodsaanvaarding die er bij velen is, dan komen wij tot de conclusie dat de dood eigenlijk helemaal niet een nieuwe fase van bestaan is. Het is eerder een afrekenen met de gebreken, die je in het heden hebt; het is een verzet tegen beperking. Alleen bij de geestelijk zeer bewusten (dat zijn er maar een paar) is het inderdaad een bewust afscheid nemen, een recapitulatie in de stof reeds van het stoffelijk bestaan, gevolgd door een dan meestal zeer geleidelijke en onopvallende overgang, waarna het leven onmiddellijk verder kan gaan. Alles wat de geest in deze periode in de stof doet, is waarnemen, begrijpen en voor zichzelf opslaan in een soort herinneringscentrum van waaruit hij later in de geest kan ageren en zijn wereld op een nieuwe wijze kan benaderen.
De ritmiek van de wereld waarop je leeft, is weer een andere, maar zij heeft invloed op je. Het is schijnbaar dwaasheid te beweren dat de mens wordt geregeerd door de sterren. Zelfs een goed astroloog zal altijd zeggen: De sterren dwingen niet, zij neigen slechts. Maar het is een feit waar wij niet onderuit kunnen komen.
De aarde kent haar eigen levensritme. Dit ritme is voor een groot gedeelte afleesbaar van en te definiëren door de inwerkingen van planeten. De astrologie werkt hiermee. Nu behoeven we geen overtuigd astroloog te zijn om aan te nemen dat er in dat ritme van de wereld werkelijk iets aan de gang is want wij zien bepaalde fasen in de wereldgeschiedenis steeds weer optreden. En dat betekent dat die fase van de wereld voor mij beheersend is (het milieu) op het ogenblik dat ik in die wereld leef.
Zo ontstaat er ook nog een probleem‑relatie, die door de gang door de tijd, door de eigen wisselingen van de aarde, wordt bepaald. Hierbij krijg je dan voor jezelf weer ‑ en dat is ook nog astrologie – de persoonlijke invloeden: de invloeden van de sterren. Deze maken binnen de bestaande omstandigheden bepaalde gedragsregels voor jezelf meer of minder aanvaardbaar. Daar blijft het eigenlijk bij.
Voor de geest zijn deze dingen eigenlijk van geen belang. Indien u handelt onder invloed van de een of andere ster, dan is deze invloed voor de geest wel registreerbaar maar voor u op aarde niet. De geest zal het misschien niet een ster noemen, maar hij zal gewoon zeggen: Er was een dwingende invloed in deze of gene richting er. daardoor was mijn reactie anders dan normaal. Voor de geest is het dus een kwestie van nagaan wat er eigenlijk aan de gang is. Maar voor de stof is het vaak: gedomineerd worden door dingen, die je niet kunt beseffen.
Het is b.v. heel waarschijnlijk dat in deze tijd 9 van de 10 mensen zich één beetje boos maken over milieuverontreiniging. Maar het is ook even zeker dat 9 van de 10 mensen er niets aan kunnen doen. Hier wordt de stemming bepaald door een verschijnsel. Gaan wij echter na hoe dat verschijnsel past in het ritme van de aarde, dan blijkt dat het, gezien de overgang van de ene periode naar de andere (de duidelijk bestaande strijd tussen de aflopende periode en de nieuwe invloed), bijna onvermijdelijk is. Er zijn nu eenmaal van die perioden, waarin de bestaande beschavingen ofwel totaal moeten veranderen dan wel zichzelf te gronde richten. Dus ook hier: een ritme.
Dan zijn er ook nog de organische ritmen. Ach, iedereen weet het: we zijn aan de maan gebonden. Niet dat het nu altijd precies 28 dagen en zoveel uur is, maar we hebben gemiddeld een 28‑dagen levensritme. In dit levensritme (daarover zijn vele lezingen gehouden) vind je perioden van optimale energie voor de daad en optimale energie voor het denken. Je vindt er ook dieptepunten. Ook deze ritmen hebben uiteraard invloed op je beleven en je mogelijkheden. De mens, die daarvan gebruik weet te maken, presteert het maximum zonder daardoor gelijktijdig bijzonder ontstemd te zijn of tegen zichzelf verdeeld te geraken. Degene die er geen rekening mee weet te houden, komt voortdurend bijna elke maand weer in een periode van enorme prikkelbaarheid, conflicten met de buitenwereld en vaak ongunstige resultaten daarvan. In het leven van de mens betekenen deze dingen heel wat. Voor de geest is het alleen maar een kwestie van: kan ik mijn besef doorzetten of niet.
De geest weet wat er aan de hand is, dat mag u niet vergeten. Hij kent uw lichaam zoals u uzelf alleen in het diepste onderbewustzijn kent. De geest weet daarom wat er aan de hand is. Hij weet evengoed als de beste medicus en de beste psycholoog op welke ogenblikken mannen in de overgangsjaren komen. Zij reageren wat anders dan vrouwen, dat is zeker, maar zij hebben dat ook. Daaruit kun je dan ook vele verschijnselen verklaren. De geest kan dit eveneens. Hij kan daardoor afstand nemen van het gebeuren. Want in het levensritme is de geest een tijdlang intens verbonden geweest met de stof. Dat is vooral in de eerste drie fasen, tot het 21e jaar. Dan is de stoffelijke beleving ook voor de geest praktisch suprême en wordt er betrekkelijk weinig afstand genomen. Vanaf dat ogenblik echter ontstaat er een zekere afstand tussen de waarneming uit de geest en de beleving in de stof.
Het is voor heel veel mensen misschien een prettige mededeling dat de geest niet alles precies zo zal ervaren en ondergaan als u dit nu op dit moment stoffelijk doet, maar u zit er dan maar mee. U zit met uw maandritmen, uw jaarritmen en u heeft nog vele andere ritmen, die allemaal in dit leven een rol spelen. De vraag is nu maar of u daaraan wat kunt doen. Het antwoord is: praktisch niets. Je kunt tijdelijk ingrijpen, maar dan verschuif je alleen het probleem van het ene vlak naar het andere. Je kunt wel leren een ritme te gebruiken.
Een gekend ritme geeft vooruit te kennen mogelijkheden. Deze maken het aanvaardbaar dat je je werkzaamheden zo indeelt dat je, net op het ogenblik dat er een maximum aan mogelijkheid is, bepaalde handelingen verricht. Het betekent ook dat je bepaalde problemen alleen aanpakt, indien volgens alle ritmen die tijd voor jou bijzonder gunstig is. De ritmiek, waarmee wij verder te maken krijgen, is ook nog van geestelijke aard. Ik geloof dat die ritmen wat minder bekend zijn. Ik zal er daarom wat meer woorden aan wijden dan aan het voorgaande.
De geest begint, als hij eenmaal beslag heeft gelegd op de vrucht (meestentijds in de 3e of 4e maand, als dit een definitief contact is geworden), zijn belangstelling te laten fluctueren.
Er is een periode (1e fase) dat je geestelijk bewust bent. In de 2e fase probeer je zoveel mogelijk je van de stoffelijke omgeving bewust te worden. Dan volgt de 3e fase automatisch, waarin je probeert kennis over te dragen. Wij hebben dat in de vorige les al enigszins aangeduid. Alleen dient men wel te beseffen dat de geest een dergelijk ritme ook verder volhoudt. Het is dus niet zo dat een mens, die is geboren, een geest heeft die in haar bewustzijn volledig en voortdurend alleen op dit lichaam en de ervaringen ervan geconcentreerd is. Bij vele mensen is er een ongeveer 3‑maandelijkse periode, waarin de geest zijn eigen waarnemingen doet. Dat zal dan meestal een tijd van ongeveer 48 uur zijn. Het kan ook veel korter zijn (één uur), het kan ook iets langer zijn, maar meestal niet langer dan een dag of vijf menselijke tijd.
In deze periode neemt de geest in zijn eigen wereld sterk bewust waar. De mens kan dit soms constateren aan een terugkerende periode van zeer intens droomleven. In andere gevallen heeft men uittredingsdromen, een gevoel dat men vliegt en dergelijke. Die hangen allemaal daarmee samen, zeker als ze regelmatig terugkeren. In deze tijd probeert de geest zijn eigen wereld en daardoor ook de opdracht, die hij bij de incarnatie heeft aanvaard, verder na te gaan. Het is logisch dat na een dergelijke periode de geest bepaalde stimuli gaat uitzenden naar de stof, die belangrijk kunnen zijn voor de verdere geestelijke vorming van het ‘ik’.
De situatie is dan voor een mens vaak onverklaarbaar, want hij heeft altijd een zekere terughoudendheid gehad en nu komt er ineens een stimulans en gaat hij regelrecht op de zaken af. Later zegt hij: Hoe kon ik zo brutaal zijn? Het is onbegrijpelijk! Dat is mijn aard niet. Maar daar zitten ervaringen en situaties aan gekoppeld, die voor de geest noodzakelijk zijn.
In andere gevallen zie je dat iemand in volle actie is. Hij neemt alles als vanzelfsprekend aan en ineens valt hij er bij neer. Plotseling is het afgebroken. Dan zijn er stoffelijk wel verklaringen voor te vinden, maar de houding die je aanneemt, wordt dan door de geest gestimuleerd. Dit ongeveer 3‑maandelijkse ritme speelt al een grote rol omstreeks de 6‑ à 7‑jarige leeftijd en blijft over het algemeen tot het einde van het leven bestaan.
De geest heeft daarnaast ook iets wat je een soort ‘sabbatsjaar’ zou kunnen noemen. Hij heeft regelmatig een periode (meestal om de 7 à 8 jaar, bij enkele levens kan het ook om de 2 à 3 jaar zijn, maar dat komt zelden voor en dan duurt het leven niet lang), waarin hij voortdurend geestelijk contact heeft en de mens redelijk heel weinig mogelijkheden heeft. In deze tijd is zijn stoffelijk besef van geestelijke waarden meestal afgeschermd. Het is een gevoel van geïsoleerd raken. Als je b.v. helderziend of helderhorend bent, is het net alsof de zaak opeens vaag wordt en onbetrouwbaar of misschien zelfs of er helemaal niets meer is.
Na dat jaar begint er een nieuwe fase. In die periode heeft de geest zich losgemaakt van zijn bemoeiing met de zintuiglijke werkingen en mogelijkheden van het lichaam en heeft hij geprobeerd zijn geestelijke contacten nader te beschouwen.
Een vreemd gevolg hiervan is dat kort na zo’n periode de mensen plotseling andere kennissen krijgen, ze vinden andere vrienden en hun interesse voor bepaald studiemateriaal kan zich opeens wijzigen. Je kunt dat als mens voor jezelf niet zo goed verklaren. Je noemt het dan maar een gevoel van gebondenheid, van eenzaamheid of van verveling en je laat het daar maar bij. Je zegt: Ach, misschien wordt het later beter, misschien ook niet. Dat het anders gaat worden, dat realiseer je je meestal pas als je dood bent.
Toch is ook dit ritme voor het leven van groot belang. Het is niet de gang van gebeurtenissen, die verandert, maar het is de beleving van de gebeurtenissen, die na zo’n periode van isolement een bijzonder sterke verandering ondergaat. Je staat ineens heel nieuw, heel anders tegenover het leven. En dan moet je eigenlijk de sleur doorbreken. De doorsnee‑mens kan dat niet. Hij blijft eenvoudig verder gaan met zijn eisen aan de mensheid, met zijn gevoelens t.a.v. de mensheid. Die geestelijke invloed wordt door heel velen dan ook verwerkt als een ziekelijkheid: daar moet ik maar overheen stappen.
Ik geloof, dat dat een gevaar is. Want indien je harmonisch kunt blijven met de geest en kunt zien welke veranderingen in feite noodzakelijk zijn, of als je alleen maar die noodzaak kunt aanvaarden, dan zul je veel harmonischer verder leven en daardoor ook veel meer energie hebben om de noodzakelijke dingen te doen. Ben je in verzet tegen zo’n situatie, dan wordt er zoveel energie aan besteed, dat je lusteloos wordt, niet snel reageert op stoffelijke noodzaken en omstandigheden, dat je geen initiatieven meer neemt. Enfin, noem het maar op. Het zal u dus duidelijk zijn dat zo’n ritme ook voor het stoffelijk beleven van groot belang is.
Er is nog een laatste punt dat wij in verband met de geest ook even moeten noemen.
De geest behoort meestal tot, wat men noemt, ‘een straal’. ‘Straal’ is een term. Men probeert daarmee aan te geven dat er in de bewustwording een aantal richtingen zijn welke verbonden zijn met grote entiteiten, grote krachten, en dat iemand die behoort tot zo’n kracht ( zo’n straal dus), alle invloeden die daarmee harmonisch zijn bijzonder sterk zal ervaren, terwijl andere invloeden voor hem in feite van minder belang zullen zijn. Voor de geest betekent alles, wat tot de eigen bewustwordingsgang behoort: contact. Je hebt dus gemakkelijker het gevoel van verbonden‑zijn. Dat geldt net zo goed voor geestelijke waarden als voor bepaalde stoffelijke waarden.
Wij vinden in de astrologie heel vaak de verklaring dat bepaalde stenen bij bepaalde zodiactekens behoren. Op zichzelf lijkt dat krankzinnig. Zoals wij ook kunnen berekenen dat iemand, die op een bepaalde datum is geboren, in een bepaalde periode een gunstige kleur heeft. Op zichzelf lijkt dat zinloos. Het wordt pas werkelijk zinvol, indien men zich realiseert dat dat wel eens zou kunnen samenhangen met de straal (de bewustwordingsgang), waartoe je behoort. Het houdt in dat alles, wat in overeenstemming is met deze kracht waartoe je behoort, op dat ogenblik niet alleen bepaalde belevingsmogelijkheden in zich bergt, maar ook veel grotere erkenningsmogelijkheden; dat je in die tijd krachten kunt onttrekken aan een harmonisch geheel; dat je daarnaast ook heel vaak innerlijk bijzonder belangrijke belevingen kunt hebben. Een inwijding kan voor een mens op aarde praktisch alleen gebeuren in de periode dat zijn eigen straal bijzonder actief is en er geen z.g. disharmonische aspecten zijn. Dit is heel curieus.
Ik wil u ook met nadruk hierop wijzen. Want waar de geest zijn verbondenheden en verwantschap op aarde het sterkst zal kunnen uitdrukken in een periode dat de invloed waartoe hij behoort, op aarde eveneens actief is, betekent het voor de mens dat in die periode de grootste harmonie tussen stof en geest mogelijk is.
Daarmee hebben we al veel gezegd over allerhande ritmen. Het is misschien goed toch nog even na te gaan wat er in het leven nog meer voor vreemde pulserende werkingen voorkomen.
Het lichaam zelf heeft natuurlijk ook bepaalde perioden. Perioden, die soms in jaren, in maanden, soms zelfs in dagen moeten worden geteld. Zelfs in uren kun je lichamelijke verschillen hebben. Er zijn mensen die de top van hun activiteit, en daarmee ook de top van hun prestatievermogen en denkvermogen, bereiken in de nacht; anderen in de vroege morgen, weer anderen in de middag. Niet iedereen zal dus lichamelijk op hetzelfde ogenblik dezelfde prestatie kunnen leveren bij een veronderstelde redelijke gelijkheid van vermogen. Maar als dat zo is, dan zijn de lichamelijke ritmen dus ook voor ons belangrijk voor de wijze waarop wij actief zijn en werken. In dit verband zou ik dan een aantal meer praktische zaken willen aanhalen.
Ouders en kinderen behoren lang niet altijd tot dezelfde straal. Is er sprake van een redelijk bewuste incarnatie, dan is er wel sprake van wat wij een basisharmonie noemen, echter niet van een volledige overeenkomst. Dit houdt in dat in een periode, waarin de straal van de ouders bijzonder sterk actief is, er een vervreemding van begrip ontstaat t.a.v. het kind. Omgekeerd zal bij het kind hetzelfde vervreemdend effect ook optreden, wanneer diens straal het sterkst actief is op aarde. Slechts in de periode dat beide stralen op ongeveer gelijke wijze op aarde actief zijn, krijgen wij het volledig harmonisch zijn waardoor dus de uitwisseling van gegevens en het wederkerig begrip tussen beide partijen groot is.
Je kunt je nu op de punten van overeenkomst baseren, maar je kunt je natuurlijk ook baseren op de verschillen in inzicht en op de misverstanden. De meeste mensen doen helaas het laatste. Indien je dat doet, zal er nooit sprake zijn van een reële binding tussen ouders en kind. Dan is er niet alleen sprake van de bekende liefde‑haat verhouding, maar dan valt de liefde weg en is er alleen nog maar haat, minachting en absoluut misverstand, zowel van de zijde van de ouders tegenover het kind als omgekeerd.
Ga je echter uit van de paar punten van begrip die je hebt en probeer je die voortdurend in je bewustzijn een belangrijke rol te laten spelen, dan zal er weliswaar minder contact zijn in een periode dat men zelf dominant is of dat het kind tijdelijk dominant is, maar men zal het geheel van het gebeuren in de volgende harmonische fase kunnen oplossen. Er ontstaat dan een begripscontact dat niet continu is, maar dat zich voortdurend hernieuwt. Wij krijgen dan de werkelijke ouder‑kind‑relatie, waarbij niet meer sprake is van bezitzucht of van een gevoel van verplichting van de ouders tegenover het kind en omgekeerd, maar waarbij sprake is van een steeds groter inzicht in elkaar en in elkaars wereld; en dat zou zeer belangrijk kunnen zijn.

Wij zien datzelfde effect vreemd genoeg ook in het ‑onderwijs. Een onderwijzer behoort tot een bepaalde straal (zeg, dat hij gemiddeld dertig leerlingen heeft), dan is,de kans dat 4 á 5 leerlingen tot zijn straal behoren betrekkelijk groot. Op het ogenblik, dat beider straal dominant is, krijgen wij een enorme feitenoverdracht. De kinderen zullen in die periode gelijktijdig ongezeglijk zijn, maar ook bijzonder intelligent. Kan de onderwijzer hun behoefte om eens een keer hun gehele bewustzijn te laten werken accepteren en staat hij niet dictatoriaal voor de klas, dan zullen de kinderen in die periode ‑ die een paar dagen maar is ‑ zoveel kunnen opnemen dat zij eigenlijk alle verliezen, die verder in het trimester rog zullen voorkomen, goed hebben gemaakt. De stof, welke in die periode is opgenomen, blijft bovendien bijzonder lang hangen en kan zelfs na 10 tot 20 jaar nog gemakkelijk worden gereproduceerd. De onderwijzer zou zich dus daarop moeten instellen.

Aan de andere kant heeft hij natuurlijk ook nog de andere kinderen. Daarom zou een onderwijzer eigenlijk bewust moeten zijn. Hij is dat helaas vaak niet, maar hij zou eigenlijk moeten functioneren op twee niveaus: In de eerste plaats op het sympatisch niveau om daarmee degenen, die tot dezelfde straal behoren een maximum aan mogelijkheden te geven en in de. tweede plaats op het harmonisch‑ niveau, waar de overdracht dus niet meer wordt gezocht in het voornamelijk uitdrukken van de eigen kennis, maar in het activeren van het vermogen tot kennisopname van de anderen. Indien de onderwijzer deze beide functies kan vervullen, kan hij met een grote klas nog betrekkelijk gemakkelijk uit de voeten. Hij heeft een redelijke mate van orde, hij krijgt goede resultaten en geraakt zelf niet uitgeput. Maar als hij alleen werkt, zoals weleens voorkomt, voor die paar kinderen die harmonisch zijn, zal er langzaam maar zeker een strijd ontstaan met de rest van de klas. Het resultaat is: de rest van de klas leert niets en het leren van de sympatischen wordt practisch onmogelijk gemaakt door een voortdurende disharmonie, die de overdracht stoort.

Kijk, als je daarmee rekening houdt, dan ga je inzien dat. deze ritmiek, dit behoren tot een bepaalde straal, dit behoren zelfs tot een bepaalde astrologische gang (dat is niet precies hetzelfde als het behoren tot hetzelfde sterrenbeeld) een grote invloed heeft. Mensen, die tot eenzelfde sterrenbeeld behoren volgens de geboortedatum, kunnen door verschuiving van de planeten in de horoscoop totaal andere typen zijn, die heel andere karaktereigenschappen en mogelijkheden.hebben. Maar degenen, die geheel gelijk zijn, kunnen óf elkaars grootste vijanden af elkaars beste vrienden worden. Iets anders is tussen hen niet mogelijk. Dat is heel vreemd. Die ‘situatie zal’ men overal terugvinden.

Zo kom ik tot een paar conclusies, die ik u nu maar eerst zal voorleggen;

  1. De ritmen van het leren bepalen onze mogelijkheden. Het gebruik van die mogelijkheden wordt, behalve in de drie eerste 7‑jaars‑ritmen, doorgaans bepaald door onze eigen instelling t.a.v. de anderen.
  2. Het kennen van de z.g. kleine levensritmen geeft ons een groot voordeel op de anderen omdat wij op het moment van de maximale energie juist de taak kunnen uitkiezen, waarvoor die energie werkelijk nodig is. Wij kunnen dan in perioden van mini­male energie volstaan met acties, die bijna werktuiglijk kunnen worden uitgevoerd.
  3. Onze harmonie met de wereld wordt in veel grotere mate dan algemeen wordt gedacht bepaald door de straal, waartoe wij behoren. Deze straal heeft lichamelijk niet zoveel betekenis, maar voor de overdracht van mentale waarden, van uitstralingswaarden, astrale‑ en mentale‑ of zelfs levenskrachtcontacten kan het behoren tot dezelfde straal bepalend zijn. Waar dit niet. het geval is, kan men hoogstens iets overdragen wat door de ander eerst verwerkt, dus vertaald moet worden. Wij krijgen de beste resultaten met degenen, die tot onze eigen straal behoren.
  4. Voor de geest zijn de stoffelijke gebeurtenissen niet van belang, maar wel de waarden, die hij daaraan qua ervaring en mogelijkheid geestelijk kan ontlenen. Hij zal echter trachten zijn wezen in de stof voortdurend en zo volledig mogelijk te laten domineren. Hij slaagt daarin echter alleen gedurende een bepaald ritme. De tijd, waarop de geest het lichaam geheel of gedeeltelijk domineert (als genoemd meestal o.m. het 3‑maandelijks ritme) betekent voor ons dat wij in deze periode (3‑maandelijks ritme) kunnen profiteren van onze geestelijke inhoud en achtergronden. Deze kunnen wel degelijk ertoe bijdragen dat wij ook onze stoffelijke mogelijkheden en verhoudingen juister beseffen en daarin ook juister verder kunnen werken. Proberen wij echter dergelijke invloeden opzij te schuiven als onbelangrijk of als perioden van een beetje zwakzinnigheid, zoals sommige mensen doen t.a.v. zichzelf, dan bereiken wij daarmee alleen dat wij disharmonisch zijn met onze eigen geest, dat wij ‑ gedomineerd door gewoontebeweging ‑ in feite niet volbrengen wat voor ons mogelijk en noodzakelijk is en daarentegen voor ons veel meer problemen oproepen dan wenselijk is.

Met deze paar conclusies heb ik over de ritmen het meeste wel gezegd. Wij moeten niet vergeten dat deze zaken in alle stoffelijke aspecten een rol spelen. Als ik denk aan b.v. een huwelijk, dan denkt u aan een stoffelijke band: aan hartstocht ambtelijk bezegeld, eventueel overgaand in andere gevoelens. Van ons standpunt kun je aan een huwelijk alleen denken, indien er a priori een zekere harmonie mogelijk is. Die harmonie kan weer op twee manieren bestaan. Je hebt huwelijken waarin de partners van dezelfde straal zijn. Hier is een mentale, zelfs geestelijke overdracht mogelijk waardoor zij een gezamenlijke achtergrond hebben. De uitingsbehoefte is hier betrekkelijk gering maar het contact bijzonder intens en blijft ook bestaan, als zij van elkaar verwijderd zijn. De tweede soort is de z.g. harmonische overdracht: de overdracht van de ene straal naar de andere. Hierbij is het erg belangrijk óf de bestrevingen van een echtpaar als zodanig een gemeenschappelijk doel hebben. Dan kan nl. ieder daaraan zijn eigen krachten en zijn eigen mogelijkheden bijdragen. Maar op het ogenblik dat ieder slechts zijn eigen doeleinden wenst na te streven, ontstaat er bijna onvermijdelijk een grote strijd. Daarbij kunnen materiële aspecten een binding blijven vormen, maar van een werkelijke eenheid is geen sprake. A1s de echtelieden van elkaar verwijderd zijn, is er ook geen binding, geen gevoel meer voor elkaar. Je weet niet wat de ander doet, je weet niet waar de ander is. Isolement. Dus ook in de huwelijksverhouding is het toch wel erg belangrijk om voor jezelf eens na te gaan op welke wijze het contact met de partner bestaat.
Is er sprake van een sympathisch contact, dan denk je a.h.w. met de ander mee zonder dat er iets gezegd behoeft te worden. Is er sprake van een harmonisch contact, dan is het heel erg belangrijk dat je duidelijk zegt, duidelijk maakt wat je op een gegeven ogenblik beweegt. Dan kun je niet verwachten dat de ander je troost voordat hij weet waarom je iets als leed of als zorg ervaart. Door je uitdrukkingen aan te passen aan datgene, wat je beseft omtrent de relatie die je duidelijk is geworden, kun je een huwelijk aanmerkelijk beter doen verlopen. Je kunt dus ook juister inzien waar mogelijkheden schuilen en waar niet.
Dan denk ik hierbij onwillekeurig ook aan de z.g. maatschappelijke verhouding. Het is u misschien wel eens opgevallen dat er mensen zijn die, voordat hun chef die zij eigenlijk maar half kennen, een bepaald besluit gaat nemen, eigenlijk al bezig zijn het uit te voeren; zo’n beetje op eigen initiatief iets veranderen. Mensen op dezelfde straal; sterke overdracht van impressies. Er zijn ook mensen, die elke beslissing als een slag in het gelaat voelen, die geneigd zijn om daar een alternatief tegenover te stellen. Voor deze mensen is er meestal een verschil van straal.
Indien je dus rekening houdt met je eigen levensritmen en probeert aan de hand van het verleden eens na te gaan hoe de relaties in je werkkring b.v. precies liggen, kun je van tevoren weten voor welke problemen je kunt worden gesteld, ook in je werkkring. Voorbereid zijn op de problemen betekent ze gemakkelijk kunnen oplossen. Het betekent ook: je niet laten overspoelen door allerhande onredelijke gevoelens en emoties; die zijn zowel zakelijk als meer geestelijk meestal eerder schadelijk dan nuttig.
De gehele maatschappij bestaat uit al deze typen. Typen, die wij dan astraal kunnen definiëren, zeker. Ze bestaat bovendien uit die typen, die ‑ hoe verschillend zij dan ook mogen zijn ‑ allen tot een en dezelfde straal of tot verschillende stralen kunnen behoren. Want het astrologisch teken zegt niets omtrent de straal waartoe je behoort. Dan is het voor een mens toch wel belangrijk om eens een beetje in al die levensritmen te duiken, zich eens af te vragen wat er ongeveer aan de hand is.
Het is helemaal niet. belangrijk dat u weet: ik behoor tot die straal en jij tot gene. Wel is belangrijk dat u weet: hebben wij een contact dat door een gelijke straal te vertalen valt of is dat contact niet aanwezig? Zo niet, wat is dan onze verhouding? Op welke wijze is voor ons een harmonie mogelijk? Door op deze manier. eerlijk de verhouding te ontleden en te zoeken naar een zo juist mogelijke aanpassing daaraan, bereikt u een maximum aan resultaten en doet u ook de voor de geest belangrijkste ervaringen op. Ik geloof dat u dit niet mag uitvlakken.
Vrienden, sociaal, in het gezin, in de werkkring, in geestelijke, religieuze verhoudingen, in uw contact met de geest, met de geestelijke meesters, spelen deze dingen een rol. U kunt ze ontkennen, u kunt hun uitwerking niet ontlopen. U kunt uw gedrag bepalen aan de hand van hetgeen u beseft en weet en u kunt de dingen maar eenvoudig laten gaan, zoals zij gaan. Het is uw eigen zaak. Niemand kan u in dat opzicht dwingen. Maar één ding is wel zeker: Degene, die werkt met de gegevens die hij zeeft en die voortdurend tracht aan te vullen tot een juister begrip voor zijn omgeving en tot grotere harmonische mogelijkheden met al wat er rond hem bestaat, zal hierdoor geestelijk en stoffelijk vele voordelen genieten. Hij zal vele problemen uit de weg kunnen gaan en zal ook heel veel vraagstukken kunnen oplossen, die schijnbaar onoplosbaar waren. Dit alles is niet even logisch, maar het is een waarheid, die door de ervaring voortdurend weer wordt bevestigd. Daarom meende ik dat het juist was hierop in deze les uw aandacht te vestigen.

Leren en begrijpen

Het gehele levensproces van de mens, gezien zijn grotendeels ook mentale activiteiten, hangt af van leren. Dat wil zeggen dat hij bepaalde feiten ‑ al dan niet persoonlijk geconstateerd ‑ vastlegt in zijn geheugen en dat hij bij elke voorkomende gelegenheid in staat is deze feiten wederom ter vergelijking aan te voeren en op grond daarvan conclusies te trekken.
Nu hebben wij echter de mogelijkheid om alleen te leren door repetitie, zoals het opdreunen van de tafels van vermenigvuldiging. Ofschoon men kan zeggen dat de mens het vermenigvuldigen opeen bepaalde wijze wel natuurlijk afgaat, blijkt toch dat heel veel kinderen de uitkomsten wel kennen maar dat zij niet begrijpen waarom het zo is. Voor hen is het eenvoudig een kwestie van tellen op handen en voeten.
Gaan we met de opvoeding verder, dan kunnen wij ons symbolisch rekenen voorstellen zoals stelkunde: algebra. Hierin gebruiken wij symbolen en maken.een berekening waarin wij pas later, op het laatste moment, de werkelijke waarden gaan invullen. Het blijkt dan dat wij op deze manier vaak veel eenvoudiger en sneller tot een conclusie kunnen komen. Zo is het nu ook met begrijpen.
Indien wij stellen dat het leren het verzamelen van feiten is, zo moeten wij stellen dat het begrijpen het vermogen is om met die feiten te werken, ook indien zij niet volledig bekend zijn. Iemand, die begrijpt, zal niet over de directe kennis van alle feiten beschikken maar door het begrip dat in hem aanwezig is, houdt hij bij eventuele vergelijking of berekening wel met alle feiten rekening; en dat is belangrijk.
Als wij ons richten tot b.v. een kind op school, dan kunnen wij beginnen hem te leren hoe letters als klanken uit te stoten, te lezen per letter, om van daaruit te komen tot het lettergreep‑lezen en tenslotte tot het combineren van de tekens tot een woord, dat in klanken wordt omgezet. Er bestaat ook een andere methode.
Deze methode is gebaseerd op het woord zelf. Het woord op zich is een complex geheel, een symbool, dat als zodanig wordt begrepen en vertaald in klanken. Nu lijkt het op het eerste gezicht alsof beide methoden gelijkwaardig zijn. Want ‑ zo zal men zeggen.‑ als je ‘Gestalt‑lezen’ hebt geleerd, waarbij het woord zelf dus als een complexe eenheid wordt beschouwd, dan leer je vaak sneller lezen. Dat is inderdaad waar. Daar staat echter tegenover dat woorden, die je nooit hebt gezien, heel moeilijk aan het begrip zijn toe te voegen. Heb je echter ‘letter‑lezen’ geleerd, dan kun je het woord vormen en in het vormen van het woord is het vaak mogelijk de zin daarvan te begrijpen.
Bij ‘Gestalt‑lezen’ is dit alleen mogelijk, indien de Gestalt (de vorm) ‘van het woord uiteen kan vallen in delen, die elk afzonderlijk gekend zijn. Zo geeft de eerste, schijnbaar veel moeizamere, methode betere resultaten dan de schijnbaar eenvoudige tweede methode.
In het gehele leven zullen wij soortgelijke zaken ontdekken. Het lijkt misschien gemakkelijker om productieprocessen als een geheel te benaderen. Dat kan zolang wij ons niet met de details zelf moeten bemoeien. Dat moeten anderen doen. Op het ogenblik echter dat wij de verschillende functies (b.v. de handvaardigheden) kennen, die in een productieproces geschieden, zijn wij in staat om elke fase te doorzien en zullen wij optredende fouten gemakkelijker kunnen verbeteren.
Wij zullen gemakkelijker kunnen constateren wat wel en wat niet juist is. Op deze wijze zou men het gehele proces van leren en begrijpen moe­ten benaderen.
Wat wij nodig hebben is een groot aantal primaire feiten, die wij dan maar moeten leren. Het secundaire proces, waarin die feiten tot complexe begrippen worden, moet zich in ons afspelen; het moet ons niet van buitenaf, worden toegevoegd.
Er bestaan op aarde heel wat methoden waarmee men probeert iemand snel en eenvoudig kennis bij te brengen. Men kan u b.v. een medisch handboek voorschotelen, waarin u alle kwalen zelf kunt herkennen. Maar als u niet voldoende op de hoogte bent van symptomatologie (het herkennen en juist interpreteren van symptomen), is het mogelijk een mooi klinkende ziekte voor uzelf uit te kiezen in het boek en u vervolgens in te beelden dat u het slachtoffer ervan bent. Uw oppervlakkige kennis wordt hier bijna kwalijk, omdat u niet in staat bent de bijkomstigheden juist te zien. De schijnbaar onbelangrijke dingen als symptomen, hun volgorde ‘van optreden, de tijd waarop zij verschijnen, dit alles blijkt belangrijker te zijn dan de kennis van de kwaal zelf. Indien wij de omschrijving van de kwaal niet kennen, zo zullen wij aan de hand van de symptomen de kwaal op de duur toch kunnen bepalen. Maar gaan wij uit van de kwaal als zodanig, dan wordt het vaak heel erg moeilijk om de symptomen juist te interpreteren, omdat wij dan niet zoeken naar de juiste indicaties, die hiervoor worden gegeven, maar eenvoudig het geheel aanpassen aan het voorop gestelde ziektebeeld. Dit voert zelfs in de medische praktijk vaak tot schromelijke vergissingen.
Belangrijk is ook dat u ergens de tijd voor neemt, zo vreemd het moge klinken. Als ik iets moet begrijpen, dan moet ik eerst de feiten, de punten, zo eenvoudig mogelijk in mij opnemen en ze verwerken. Ik kan natuurlijk proberen onmiddellijk een conclusie te trekken, maar het resultaat is er meestal naar. Ik heb dan dingen verwaarloosd, ik heb dingen op een verkeerde plaats geschoven en mijn eindconclusie verschilt van de werkelijkheid. Op het ogenblik echter dat ik bereid ben om in mij ‑ ook als dit een bijna onbewust of geheel onderbewust proces is ‑ alles zich eerst te doen rangschikken volgens mijn persoonlijkheidsinhoud, kom ik tot een eindconclusie die vanuit mijn persoonlijkheid en volgens de feiten juist is.
Ik meen dat er in de wereld tegenwoordig veel te veel nadruk wordt gelegd op kennis. Het proces van leren wordt beschouwd als een mogelijkheid om een zo groot mogelijke hoeveelheid feitenmateriaal te kennen terwijl men niet de delen, waaruit de feiten zijn opgebouwd en de invloeden die daarbij een rol spelen, op zichzelf belangrijk acht.
Nu is dit niet nieuws. Als ik denk aan het vroegere opdreunen van jaartallen of van woorden uit een vreemde taal, dan moet ik toegeven dat, zolang het onderwijs bestaat, deze foutieve benadering een feit is geweest. Maar een kind kan alleen leren volgens de inhoud, die het bezit. Indien ik een kind niet voldoende woordmateriaal geef, dan is het ook niet in staat tot de juiste formulering. Alle kennis, die ik dit kind bijbreng, zal, gezien de onjuiste formulering, tactisch van geen nut zijn. Ik zou het kind eerst moeten helpen een zodanige woordenschat (dus aangeleerde woordbetekenissen) in zich te verzamelen, dat een redelijke uitdrukking van dat wat zich in het kind afspeelt, mogelijk is.
In vele gevallen krijgen wij te maken met afwijkingen als woordblindheid. Men denkt dat dit een probleem is dat alleen bij een kind bestaat en voorkomt in het proces van het leren lezen. De praktijk wijst uit dat bij sommige mensen, die altijd heel goed hebben kunnen lezen, op een gegeven ogenblik ook woordblindheid optreedt, waardoor zij woorden plotseling verkeerd gaan lezen of ineens niet meer kunnen lezen of erover moeten nadenken voordat zij ze begrijpen.
Als je je afvraagt wat hier aan de hand is, dan kom je alweer tot de conclusie dat deze mensen geen voldoende begrip hebben. Hebben zij wel voldoende begrip, dan kunnen zij voor het woord, dat zij niet begrijpen, toch het logische begrip in de plaats stellen en blijft de verstaanbaarheid daarbij normaal. Het substitueren, dat wij in vele gevallen zien, kan vanuit begripsgronden juist zijn; leren kun je dit in feite niet. En wat is er in het leven belangrijker dan dat u op grond van de feiten onmiddellijk en snel kunt reageren. Maar dat kunt u niet langs overlegde processen; daar is altijd een deel onderbewustzijn mee bij betrokken. Daarom moet u ‑ als u iets wilt leren ‑ uitgaan van een aantal grondwaarden.
Als u b.v. een vreemde taal wilt leren, dan heeft u een gemiddelde woordenschat nodig van ongeveer 250 woorden. Met die 250 woorden kunt u dan proberen te spreken, te lezen. Het vreemde is dan dat die woordenschat zich als vanzelf uitbreidt. Maar als u die eerste woorden niet goed kent en niet goed begrijpt, zult u nooit verder komen. Dan blijft u altijd haperen. Dan moet u leren om die vreemde taal niet te vertalen. U moet leren haar te begrijpen.
Er zijn mensen, die instaat zijn in een vreemde taal te spreken terwijl zij niet in staat zijn datgene, wat zij hebben gezegd (en dat volledig juist was en hun mening goed weergaf) te vertalen in hun eigen taal. Zij denken dan. zoals dat heet, in de andere taal. Misschien zou je beter kunnen zeggen dat zij bepaalde delen van die taal hebben. begrepen en dat dit begrip in de plaats treedt voor een kennis, die het hen misschien ook mogelijk zou kunnen maken zich uit te drukken, maar met minder juistheid en minder vlotheid.
Deze dingen moeten wij op het gehele leven betrekken, niet alleen op de leerprocessen, zoals ze op scholen voorkomen.
U leeft. U doet ervaringen op: U kunt deze ervaringen aan de hand van uw relaties proberen te interpreteren. Zolang u daarbij uitgaat van de dingen, die u heeft geleerd. (de zaken, die u niet feitelijk heeft ondergaan), is het gevaar groot dat u een verkeerde interpretatie geeft. U kunt echter ook trachten op grond van uw emoties, uw gedachte‑ en reactieprocessen, te begrijpen wat zich in de ander afspeelt. Kunt u van dat standpunt uitgaan, dan blijkt heel vaak dat u, na het ontdekken van de eerste discrepanties in de persoonlijkheid, al heel snel de ander volledig juist kunt interpreteren; niet alleen begrijpend wat de andere persoon zegt of tot uitdrukking wil brengen, maar zelfs voorvoelend, a.h.w. vooruit wetend wat de verdere ontwikkelingen zijn. Begrip is niet gelimiteerd tot de beschikbare feiten.
Als u een kind begrijpt, dan zult u niet precies weten hoe het kind zelf bepaalde ontwikkelingen, gebeurtenissen, ervaringen zal formuleren, maar u zult wel begrijpen en dus weten op welke manier de verdere ontwikkeling, aan de hand van het geconstateerde, zich zal voltrekken. Ik geloof dat dit heel erg belangrijk is.
Op het ogenblik dat ik begrip heb, kan ik ook tot wijsheid komen. De beste omschrijving van wijsheid in deze zin, die ik kan geven, is: synthese, samenvoeging. Bij kennis hebben wij allerlei afzonderlijke gebieden. Wij kunnen vele dingen leren. Elk op zich vormen zij dan door de geleerde waarden een samenhang, maar wij kunnen deze niet overdragen naar een ander terrein. Als wij een begrip hebben, dan ligt er achter de uiterlijke waarde en betekenis nog iets anders verborgen. Iets wat.je zelf niet helemaal kunt uitdrukken. Iets waardoor je analogieën, overdrachtsmogelijkheden opvallen, die, gezien het geleerde, in feite niet aanwezig zijn. En wijsheid is niets anders dan met een minimum aan kennis (dus een minimum aan geleerde waarden) een maximum aan mogelijkheden onder één noemer samenbrengen. Een wijze is iemand, die alle begrippen en feiten samenvoegt en één eindconclusie bereikt, die voor allen inderdaad van kracht is.
Een mens die veel begrijpt, is iemand die weet waarom de zaken zo zijn, maar het niet kan uitdrukken, omdat hij de termen van de verschillende gebieden, die een rol spelen in zijn begrip, niet juist kan formuleren. Hij kan de zaak niet voldoende vereenvoudigen. Een mens, die kennis heeft, is blind en doof voor al datgene wat niet tot de hem ingepompte waarden behoort.
In de menselijke wereld hebben wij enorm veel te maken .met wetenschap. Wetenschap is iets wat op een leerproces berust. Iemand, die wetenschapsmens wil worden, moet vele dingen leren. Hij moet daarnaast proefondervindelijk bepaalde ervaringen opdoen; dat is onvermijdelijk. Wat hij dan heeft geleerd, is samengevoegd in een rooster dat hem a.h.w. is opgelegd van buitenaf.
Het. wonderlijke is nu dat iemand in zijn eigen wetenschap inderdaad grote resultaten kan behalen, een origineel denker genoemd mag worden etc. en toch niet in staat is in te zien op welke ogenblikken de conclusies, die hij in zijn tak van wetenschap bereikt, in feite een directe overdracht naar een andere tak van de wetenschap of een samenwerking daarmee noodzakelijk maken. Hier is dus een gebrek aan begrip. Maar de mens, die voldoende begrip heeft voor hetgeen hij doet, zal ontdekken: hier zit ergens een onvolledigheid: Hij zal deze onvolledigheid dan aanvoelen en misschien ten dele ook kunnen omschrijven. Zo hij dit niet probeert te doen in de termen van het door hem geleerde, duidt hij daarmee automatisch reeds aan waar een samenwerking noodzakelijk is. Ook in de wetenschap zou dus meer begrip en minder kennis misschien voordelig kunnen zijn.
Ook voor de geest geldt: Indien men op aarde kennis heeft, die niet met begrip gepaard gaat, hebben wij te maken met iets wat behoort tot de herseninhoud en niet of bijna niet wordt overgedragen naar de geest. Er is hier dus geen mogelijkheid om het op aarde gedane eventueel verder af te maken of verder te ontwikkelen in de sferen. Op het ogenblik echter dat begrip een rol gaat spelen, zijn innerlijke processen daarbij gemoeid, waarin emotie en vele andere zaken eveneens meespelen, waardoor niet de feiten (de kennispunten), maar eerder het geheel wordt overgedragen naar de geest. Dit geheel is dan in de geest weer ontleedbaar en wij kunnen het terugbrengen tot de verschillende punten en fragmenten, waaruit het is samengesteld. Wij nemen dus stoffelijke kennis door ons begrip mee naar een andere wereld en kunnen vanuit die wereld daarmee werken. Ik mag u hiervan een voorbeeld geven.
Er zijn z.g. geestelijke doktoren. Dit zijn over het algemeen personen, die op aarde de geneeskunde hebben beoefend. Als zij zijn overgegaan, blijven zij de belangstelling ervoor behouden en kunnen middels een medium, of soms ook langs andere weg, bepaalde zieken op aarde met hun raad en daad bijstaan. Kijkt men nu naar de voorschriften die zij geven, dan zijn die over het algemeen tamelijk ouderwets maar wel doelmatig. Gaan wij echter kijken naar de manier waarop zij de kwaal constateren, dan komen wij tot de conclusie dat zij in staat zijn om bij een primaire en secundaire reeks symptomen de werkelijk dominerende ziekte eruit te halen en deze zodanig te genezen, dat daarmee de overheersende reeks symptomen inderdaad in ernst afneemt en zo ook het andere deel van het ziektebeeld voor genezing vatbaar wordt.
Dit lijkt mij toch wel een opvallend beeld van de waarde, die begrip kan hebben. Uzelf heeft in het leven ongetwijfeld heel wat kennis opgedaan.
En als u deze bijeenkomsten bijwoont, dan zult u ook een redelijke mate van kennis opdoen. Het is een leerproces, zij het dat het door vele herhalingen etc. wordt gemaakt tot een voor u bijna moeiteloos proces in vele gevallen. Wat u heeft geleerd, kunt u dan misschien ook nog in praktijk brengen. Maar eerst indien u begrijpt wat de samenhang is, bereikt u er werkelijk iets mee. Dit is weer iets opvallends: De kennis die u opdoet, wordt eerst belangrijk indien zij tot begrip voert. Ik mag hier een lans breken voor de poging tot vereenvoudiging.
Ik weet dat elke formule; die wordt. vereenvoudigd, minder exact wordt. Maar die exactheid is niet zo belangrijk, als zij ons kan helpen de zaak te begrijpen. Als wij namelijk het begrip hebben, dan kunnen wij altijd weer komen tot de exacte waarden. Maar als wij het begrip niet hebben, zullen de exacte waarden ons vaak verblinden voor de mogelijke gevolgen, die daarin verborgen liggen. Vereenvoudiging helpt je om de basiswaarden te zien. Maar simplificatie moet logisch gebeuren. Ik zal proberen ook hiervan een voorbeeld te geven.
Ik kan stellen dat, als een hoeveelheid uranium in voldoende verdichting is gebracht en daarbij de massa een bepaalde inhoud overschrijdt, er automatisch atoomontbinding en daarmee explosie plaatsvindt. Ik kan dit natuurlijk nog verder uitwerken maar dan wordt het voor u moeilijker. Nu kan ik het vereenvoudigen en zeggen:
In elke niet‑stabiele atoom‑samenhang zal het aantal per massa plaatsvindende ontladingen bepalend zijn voor de stabiliteit van de massa als geheel.
Nu blijkt dat ik deze formule niet alleen kan gebruiken voor een atoombom of voor bepaalde radio‑actieve geneesmiddelen, ik kan de formule ook gebruiken voor het bepalen van de reactie van de zon en van de werking van de zonne‑atmosfeer. Ik kan haar daarnaast, vreemd genoeg, ook gebruiken voor het bepalen van een deel van de functies van het menselijk lichaam. Hier heb ik dus iets dat algemeen is. Maar dan kan ik ook de samenhang overzien van deze schijnbaar differente gebieden en zal ik dus ook de interrelatie tussen deze punten gemakkelijker begrijpen.
Als u wilt weten waarom een bepaalde manier van verval in het menselijk lichaam voorkomt, als een radio‑actieve straling met te grote intensiteit gedurende te lange tijd heeft ingewerkt, dan is het hanteren van deze formule voldoende omdat wij weten dat soortgelijke omzettings‑ en bindingsprocessen zich in feite afspelen in de rode bloedlichaampjes. Het wordt dus duidelijk: Indien de straling te groot is, zullen er teveel rode bloedlichaampjes worden verzameld en zal er anemie ontstaan, die tenslotte een onstuitbare pernicieuze anemie wordt, waardoor bovendien elk proces, waarin deze binding wordt gevormd, eveneens, wordt vernietigd. Wij krijgen dan mergkanker.
Ik geef u hier maar een heel bescheiden en op zich zeer onvolledig voorbeeld om duidelijk te maken waartoe begrip kan leiden. Begrip doet je de relatie zien. Waar je de relatie kent, is het ook mogelijk een dergelijke relatie te definiëren en in bepaalde gevallen te beheersen. Waar ik alleen de feiten ken, word ik door de feiten gedomineerd.
In de menselijke maatschappij zien wij een voortdurend gedomineerd worden door de omstandigheden. En dit terwijl steeds meer deskundigen proberen om de omstandigheden te bepalen en een leiden van die omstandigheden mogelijk te maken. Voor mij volgt hieruit de conclusie dat er teveel geleerde kennis en te weinig begrip is. Begrip, waarin de samenhang tussen b.v. de psychologische ontwikkelingen in de massa, de bestuurstechnieken en de wereldmarktverhoudingen duidelijk is en ook op welke wijze wij een dergelijk probleem kunnen en moeten benaderen. Als je de wereldmarkt niet kunt benaderen, kun je misschien de psychische instelling en daarmee de psychologische ontwikkeling van de massa in je eigen omgeving beïnvloeden. En dan kun je je eigen relatie t.a.v. de wereldmarkt wel degelijk wijzigen.
Deze zaken mogen u minder interessant voorkomen, maar vergeet u één ding a.u.b. niet: Als ik hier als voorbeeld atoom‑chemie neem of iets van de sociale ontwikkeling, dan kies ik een voorbeeld.
In de relatie tussen ouders en kinderen geldt precies hetzelfde. In het onderwijs, precies hetzelfde. Ten aanzien van religie geldt precies hetzelfde. Indien wij de zaak zover vereenvoudigen dat wij begrip.kunnen hebben voor vele verschillende verschijnselen op verschillende niveaus, zullen wij ook in staat zijn de samenwerking, de mogelijke samenvoeging en eventueel het voorkomen van een te sterk samengaan van de verschijnselen eveneens te beheersen. Leren is niets anders dan grondstoffen verzamelen. Eerst daar waar begrip is, kan werkelijk worden gewerkt.
Er zijn functies in het leven, waarvan je je wel eens afvraagt of de mensen eigenlijk wel voldoende inzicht hebben in de situatie. Nu denk ik hier aan het op het ogenblik in de wereld nogal zeer belangrijk geachte gebied van de seksualiteit. Men probeert de seksualiteit te benaderen en te verklaren, inderdaad. Men komt daarbij op bepaalde oerinstincten en men wijst op temperamenten, lichamelijke verhoudingen, hormonen. Maar er moet toch iets meer zijn.
Er is ‑ mogelijk gedirigeerd door stoffelijke omstandigheden – een psychische instelling. Er is sprake van iets wat zich in de mens afspeelt. Het voorstellingsvermogen maakt bij de seksualiteit van de mens vaak een zeer belangrijk deel van het proces uit. Zolang wij daarvoor geen begrip hebben, zullen wij het gehele proces ais zodanig niet begrijpen, niet redelijk kunnen benaderen en wij zullen er geen beheersing over kunnen verkrijgen. Wij moeten eerst begrip hebben.
Het begrip kunnen wij dan ook niet in gemeenplaatsen onderbrengen. Het is zo verleidelijk te zeggen dat seksualiteit alleen de voortdurende uitdrukking is van de strijd der seksen om de superioriteit. In feite is het net zo goed uit te drukken als een voortdurend in de praktijk tot uiting brengen van een onderlinge afhankelijkheid, die men mentaal probeert te ontkennen. Maar deze eenvoudige zinnen helpen mij niet om het wezen te begrijpen.
Er is begeerte. Begeerte is een normaal verschijnsel dat uit elk behoefte‑element wordt geboren. Begeerte wordt bij de mens altijd gekoppeld aan een voorstelling: een psychisch beeld. Dan kan ik dus stellen dat een lichamelijke behoefte plus een psychisch beeld aanleiding zijn tot een domineren van de wil. En dan wordt ineens begrijpelijk wat hartstocht is.
Het is een verliezen van je beheersing door een samenspel van fysieke en psychische factoren. Indien ik een van beide beheers, is het met de onbeheerstheid gedaan en dan kan overlegd en reëel worden gereageerd, ook op dit niveau. Ik geloof namelijk niet dat de mensen, die menen dat je seksualiteit tot een zuiver lichamelijke functie moet terugdringen, rekening hebben gehouden met de stabiliteit, die de mens psychisch heeft en die voor een groot gedeelte is gebaseerd op zijn relatiebeeld zoals hij dit t.a.v. de wereld in zichzelf ontwerpt. Vrije seks is heel goed zolang het op dierlijk niveau blijft. Op het ogenblik echter dat beelden, die men innerlijk heeft, daarbij een rol gaan spelen, ontstaan er frustraties. Frustraties, die aanmerkelijk groter kunnen zijn dan de zuiver lichamelijke, omdat het lichaam natuurlijk nog ontladingswegen kent, die voor de psyche over het algemeen niet bestaan. Realiseer je dat en je komt als vanzelf tot een geheel nieuwe benadering van dit tegenwoordig wat overtrokken probleemvlak van de moderne tijd.
Je kunt deze dingen niet reguleren door wetten, hoogstens door voorstellingen. Je kunt het behoefte‑element tijdelijk misschien langs chemische of andere weg variëren, maar je kunt het zeker niet voortdurend beheersen.
De conclusie is duidelijk. Zelfs hier is de voorstellingswereld van de mens de enige mogelijkheid om tot een beheersing te komen. Een beheersing is noodzakelijk wil men tot een gefundeerd en redelijk gebruik van mogelijkheden komen. Dat geldt voor wetenschap, voor seksualiteit: Dat geldt voor leren op school en voor de onderlinge verhouding tussen mensen in een tehuis voor ouden van dagen.
Daar, waar wij begrip hebben, ontstaat beheersbaarheid. Daar, waar wij alleen maar feiten leren en niet komen tot een innerlijk verbinden en doorzien van de feiten, het vinden van de essentie, die vele feiten samenvoegt tot een en hetzelfde verschijnsel, komen wij nergens. Eerst als wij die samenvoeging innerlijk tot stand kunnen brengen, kunnen wij van daaruit komen tot wijsheid; dat wil zeggen: de erkenning van de relatie met elk ander vlak, die voortdurend aanwezig is, maar op zodanige wijze dat wij deze tot uitdrukking kunnen brengen en daaraan ook menselijk logische, daadkrachtige en redelijke conclusies kunnen verbinden.
Ik meen dat hiermee dit gebied van leren en begrijpen wel voldoende is uitgewerkt.