De Levenstempel

image_pdf

19 juni 1956

Ik wil spreken over de Levenstempel. Ik weet niet of velen uwer daarover gehoord hebben, maar ik meen dat sommigen toch wel weten wat ik daarmee bedoel.

Een dichter heeft het eens zo beschreven:

“Wanneer ik diep in mijzelf keer en doordring door de nevelen van mijn gedachten, dan zie ik een grote vlakte van levenservaringen, die ik nog moet doorkruisen. In het midden daarvan rijst een heuvel. Een heuvel, die rotsig en grillig omhooggaande gekroond wordt door een wit albasten licht. Wanneer ik nader toeschouw, zie ik ranke zuilen omhooggaan en zie ik zelfs onder de koepel een altaar staan, waarop een eeuwig vuur brandt. Dit vuur is het vuur van mijn leven, het vuur van mijn bestaan, van mijn gedachten. Hieruit leef ik en zonder dit kan ik niet bestaan.”

Het is dichterlijk en het werd betrokken op het innerlijk.  Maar, er heeft vroeger werkelijk een tempel bestaan, die de ‘tempel des levens’ heette. En de traditie heeft deze voortgezet, zodat ook heden ten dage nog op de aarde hier en daar nog een tempel is, waarin men het levensvuur bewaakt, waarin men het levensvuur eert en waarin men tracht krachten te putten uit het kosmisch vuur, dat ook in ons allen brandt.

Wanneer ik moet beginnen bij het begin, moet ik ook teruggrijpen tot een ver verleden. Tot de dagen, dat de stad van Atlantis, omringd door haar purperen grachten, haar witte schittering, heerste over een wereld van ontwakende mensheid. Er waren niet veel bergen op de Atlantische eilanden. Maar er waren er toch enkele. En één daarvan, die steeds weer met zijn top door de wolken verborgen werd, huisvestte het ‘Klooster van het leven’. In dit klooster woonden magiërs, die in voortdurend contact met Hogere Machten probeerden de geheimen van het leven te ontraadselen, de kracht van het leven in zich te versterken en te geven.

Menigeen maakte daarheen een bedevaart, om van een grote ziekte ontslagen te worden.

Anderen gingen daarheen om troost voor hun lijden te vinden, of misschien hun leed te zien omkeren, zodat het uiteindelijk blijdschap werd. Maar ver boven het klooster, door de profanen nooit betreden, lag een tempel, gehouwen uit levende rots. Daarin brandde een vulkanisch vuur, dat nooit doofde. Deze tempel nu noemde men de ‘tempel des levens’, omdat het leven van de aarde zelve, uitademend uit onbekende afgrond, hier voortdurend de mensheid toonde: de continuïteit van alle bestaan. Priesters kwamen en priesters gingen, men veranderde van rite en van inzicht, men deed uitvindingen …… de vlam brandde voort.

In deze tempel was een tafel van zuiver goud. In het geheimzinnige Atlantische bloemenschrift was daarin een spreuk gegraveerd: “Eeuwig is het leven en eeuwig is het leven in ons. Uit de eeuwigheid komt het bewustzijn en het bewustzijn wordt ons tot eeuwigheid.” En daarmee is eigenlijk de grondslag gelegd van elke tempel des levens.

Zolang we niet weten dat ze bestaat, zolang we haar niet kunnen betreden, heeft ze ons weinig te zeggen. Maar hoe meer we doordringen tot haar nabijheid, hoe meer wij de levende vlam zien, hoe verder wij ook komen in het begrijpen van de kosmos.

Mediterende priesters, starend in de vlam, die uit vulkanische krachten omhoog kroop, soms bedwelmd door eigenaardige nevelen, die met hun verdovende rook trance- en hypnotische toestanden teweegbrachten, zonden hun ziel uit naar werelden, die heel wat verder liggen dan de Uwe. Zij drongen door in de sferen der Ouden en ze leerden de Geest begrijpen, die leiding gaf aan de mensheid. Alleen door de beschouwing van het vuur, de beschouwing van het eeuwige.

Zo lang er in ons leven is – en dan behoeven we niet te bepalen in welke sfeer of toestand – is er in ons ook zo’n tempel, is er in ons ook een bron van het Grote Geheim. En de meesten onzer zondigen – evenals de Atlantiërs hebben gedaan – niet door onwetendheid, maar door gebrek aan moed. Ze durven het vulkanisch geheim van het leven niet te aanvaarden. Ze aarzelen wanneer ze zien hoe uit ongekende diepten de eeuwige vlam opstijgt en – rondspelende in de meest verschillende figuren – het leven maakt tot een geheimzinnig spel van ongekende machten.

Met Atlantis is het zo gegaan: Er waren vorsten. En vorsten mochten deze tempel betreden krachtens hun priesterschap. Maar deze vorsten zeiden: “Wanneer wij tezamen komen op deze heuveltop en de vlam grijpt uit, zo zullen alle rijken zonder vorsten zijn. Wij moeten een andere tempel des levens maken.”

Ze schiepen een tempel vol vruchtbaarheidssymbolen en -riten. Ze graveerden hun wetten en overeenkomsten op gouden tafelen in het aloude schrift en hingen deze aan de grote pilaar, die in zijn gulden flonkering het symbool was van de levensvlam. Eén ding vergaten ze: de flonkering van het goud was misschien overweldigend, maar ze bezat niet het leven, dat de vlam had. De overleveringen hebben de gedachten aan deze tempel over de gehele aarde gedragen. Men heeft getracht tempels op te richten op kunstmatige of werkelijke heuvels en bergen. Zo, dat het vuur van de bliksem hen regelmatig beroerde, dat het vuur uit de atmosfeer neer zou dalen en zo een beeld zou zijn van het eeuwigdurende, dat men ook in elke mens vermoedde.

Later heeft men in de Himalaya in het diepst van de berg vele gangen uitgehold en in het midden daarvan een tempel gemaakt binnen in de grot. Daar brandt een vlam. Een vlam van aardgassen, die al lange tijd wordt gevoed met kunstmatige middelen. Maar zo te zien een geheimzinnige vlam, die suizend uit een rotsspleet omhoogkomt in het midden van een zaal, die, omringd door stalagmieten, een geheimzinnige witte duisternis schept, waar uit het flakkerend vuur steeds weer nieuwe schaduwen geboren worden.

De gedachtegang, die voor ons misschien belangrijker is dan de tempel zelf is deze: Eén is alle leven. Eén en ondeelbaar. Want in de ene tempel van het leven die waarheid is, de ene Kracht, waarbinnen alle leven bevat is, God, waarvan de tempel het symbool is, bestaan wij allen en zijn wij allen te allen tijde vergaderd. Waarheen wij ook vluchten, hoe ons leven ons voert, dáár zullen we terugkeren. Daar hebben we ons rustpunt.

Die gedachtegang wil ik een ogenblik verder met u uitbreiden. Uitbreiden om u aan te tonen hoe ook de dichter gelijk had, toen hij de tempel des levens zag als “gelegen in de vlakte der ervaring, die – binnen ons eigen wezen besloten – uitdrukking geeft aan ons vermogen tot leven en ervaren, tot bestaan.” Al hetgeen rond ons is, noemen wij waan. Niet omdat het niet bestaat, omdat de beelden die wij daarvan kennen, niet werkelijk zijn. Maar binnen die waan is toch één ding, dat te allen tijde gelijk blijft: het leven zelve. Als eerste waarheid kunnen we dus stellen: Het leven is zichzelf. Het is heilig en onvernietigbaar.

Maar als tweede punt vinden wij dat het leven in ons intenser wordt, naarmate we meer en meer bewust zijn. De krachten des levens door ons meer en meer uitingsmogelijkheden vinden, naarmate we de moed hebben de consequenties van het leven sterker te aanvaarden. De tempel die in ons ligt, is de tempel, die door onszelf wordt gebouwd. Het leven is er altijd, zoals eens de vlam der vulkaan uit de bergkrochten kwam, zonder dat er een tempel was, die haar omringde. Maar wij moeten ons leven bewust worden. En we mogen dat niet zien als iets voor onszelf. Iets, dat zelfstandig bestaat. De fout die we maken, is heel vaak dat we gaan zoeken naar de kracht van het leven zelve en deze willen zien als God. Zeker, het omringt ons overal.

Wij gaan als het ware in het vuur der eeuwige vlam. Maar we ervaren het toch niet. Alle vuur dat we kennen, alle licht, dat voor ons tevoorschijn springt, moet uit een bron komen.

Een bron die verborgen is en onkenbaar. Onkenbaar, zoals eens de bron van het heilig vuur was in deze tempel. Want men dacht dat de aarde geladen was met vuur. Maar men wist het niet zeker. Men wist slechts dat deze vlam een verschijning was, een bestaansteken van een grotere macht.

Welaan vrienden, mijn tweede punt is dit: In ons leeft God. Maar God zelf kunnen wij niet zien.

Hij openbaart Zich in ons leven. En het leven zelf is ons tot bewijs, dat Hij leeft en bestaat. Ook wanneer wij Zijn Wezen niet kennen.

En dan het derde punt: De tempel des levens in Atlantis mocht alleen betreden worden door priesters met hogere wijding. Het leven is zo heilig, dat geen dwaas, geen oningewijde, mag nader treden tot het grote geheim.

Ook bij ons is het precies gelijk. Ook bij ons ligt de tempel ver van ons. We staan in ons leven, we zien de heilige vlam branden. Maar dat neemt niet weg dat er nog een lange reis te gaan is, voordat we moeizaam de heuvel kunnen beklauteren, de berg misschien bestijgen, waarop de tempel van ons wezen is gebouwd. Gebouwd zijn we uit de materie. Al ons wezen, buiten het leven zelve, kunnen we terugbrengen tot stoffelijke krachten. Al ons bestaan kunnen we omschrijven. En altijd weer is het begrensd. Dit is de berg, waarop de tempel staat. De tempel zelve omhult het geheim en werd gebouwd uit datgene, wat men in de materie wist te maken.

In vele gevallen werden deze tempels gemaakt uit levende rots. Wij maken onze tempel ook zelf. Wij bouwen haar uit de levende materie, uit de ervaringen die ons voortdurend beroeren, uit gedachten, die in ons leven. Zo is mijn derde punt: Wij moeten onszelf uit gedachten en weten een tempel bouwen, waarin ons leven veilig behoed is. Niet omdat het leven teloor zou kunnen gaan. Maar omdat slechts zo voor ons de heiligheid van het leven, ja, de Bron van het leven zelf, tot uitdrukking wordt gebracht.

Het is een oud verhaal. De les is oud. Ouder zelfs dan de mensheid. Want lang voordat men hier op een berg een tempel bouwde rond een vulkanisch vuur, waren er andere tempels, vreemd van vorm, waarin elektriciteit – onttrokken aan de atmosfeer, onttrokken aan het licht van een vreemde zon – een voortdurende werveling van hoog geladen krachten tot stand bracht, een levende storm der elektriciteit, die zich voortdurend ontlaadde op een enkele plaats in het centrum van die tempel.

Maar de gedachte is gelijk gebleven. Gedachten gaan door alle eeuwen, door alle werelden. Wij moeten voor onszelf trachten te bouwen. Een tempel te bouwen, zeker. Maar in de eerste plaats ook onszelf waardig tonen eens de tempel van onze gedachten, waarin het leven schuilt, te betreden zonder aarzeling en in verrukking het leven beschouwende, de raadselen zich te zien oplossen, de waarheid te zien in plaats van de waan, die ons omgeeft.

Wat de les is? Och, de les is eenvoudig…. en moeilijk tegelijk: Wij kunnen het leven niet kennen buiten ons. Al wat wij buiten ons zien, is symbool. Symbool van het leven, symbool van een God. Maar het werkelijke leven, de werkelijke God, vinden we slechts in onszelf. Alle beleving, alle streven, zijn – of we ons daarvan bewust zijn of niet of we dit willen of niet – alleen de middelen, waarmede wij steeds weer streven naar de heilige rust van de levenstempel, die in ons woont, de levende Kracht, die de kern is van ons bestaan. En deze Kracht noemen wij God.

God, die wij niet kennen. Maar God, waarvan wij zeker zijn dat Hij bestaat.

Een eenvoudige les. Een simpele les. Maar geloof mij, een les die de basis is van alle bewustwording. Ik kan met u gaan spreken over de esoterische betekenis van een piramide. En ik kan gaan herhalen wat we gezegd hebben over het paradijs. Ik kan U tekenen hoe de oneindigheid der sterren omarmd wordt door een herder, die bollen van levend vuur vóór zich drijft, alsof het een kudde schapen is. Maar welk beeld ik ook kies, welke uitlegging ik ooit zal geven, ze zijn allen gebaseerd op het éne: de levende kracht in ons, de vlam van het zijn, de vlam van het bestaan. Zonder deze kunnen wij niet leven, zijn we niet. Met deze leven wij. Maar haar benaderend en erkennend eerst, leven we bewust.

Bewustzijn is onze weg tot God. Alle andere wegen die wij kiezen, zijn voor ons zo moeilijk te gaan, dat we falen. Maar wanneer we dit beeld voor ogen houden: de tempel, die klaarligt, die wacht op het ogenblik, dat we haar zullen betreden om ons met haar plechtstatige glans te omvangen en te wijden tot kern van het leven zelve, die kunnen we voor ogen houden. Die vergeten we niet. En elke schrede die we doen, elke ervaring, elke bewustwording, zullen we doen wijzen naar ditzelfde doel. Dat is de richting, die we nodig hebben voor elke esoterische scholing.

Zo vrienden, dat was een korte inleiding. U heeft wel gemerkt dat we met verschillende onderwerpen voortdurend in dezelfde richting gaan. En misschien ook reeds, dat we trachten om in het begin van deze avond in de eerste plaats de sfeer te geven, die noodzakelijk is. Dit is gebeurd.

Een volgende keer zal ik of een ander, weer met u spreken over onderwerpen van gelijke geaardheid. Beschouw ze niet als verhaal. Beschouw ze als richtlijnen voor uw eigen leven, want dat zijn ze. Of we spreken over de wereldlotus die opbloeit of over het levensvuur dat in de tempel woont, één Kracht is de kern van alle dingen. Die Kracht is ons doel. Die Kracht is ons vermogen. Zonder die Kracht vermogen wij niets.

  • U hebt het de vorige keer gehad over twee werelden: De levende geest, die als het ware sterft wanneer zij in de stof incarneert, en de stoffelijke wereld, die – zodra de vergeestelijkte waarde bereikt of benaderd moet worden – sterft en wegvalt. Dat is wel duidelijk. Maar dan volgt: twee werelden, die elkaar elimineren door in een perfecte harmonie uit het gescheiden wezen het harmonisch ‘niets’ te scheppen. Nu kan ik niet zien dat het twee gelijke krachten zijn, die tegengesteld zijn.

Ik zou zeggen: het is nogal betrekkelijk eenvoudig wanneer u de kneep eenmaal doorheeft. Dus deze: Uit mijn geestelijk verlangen naar beleving wordt mijn stoffelijke wereld geboren. En deze stoffelijke wereld ervaar ik tot ik – der ervaring zat, als het ware gerijpt voor een nieuwe fase van geestelijk bestaan – deze wereld achter mij laat. Maar telkens probeer ik mijn vorige wereld te vergeten – of ben ik haast gedwongen haar te vergeten – in de nieuwheid van mijn pas ontstane vorm. De geest weet nog wel veel omtrent de wereld en beschouwt haar tot op zekere hoogte als een irreëel iets. Zij gelooft aan die wereld, zij zal daarin handelen, zoals gij in uw wereld ongetwijfeld u soms tot de geest wendt of een gebed uitspreekt, maar de realiteit ligt toch in stoffelijke vormen en waarden. Zo zijn beide krachten elkaar binnen ons en ons bewustzijn tegengesteld. Eerst op het ogenblik dat wij ons geestelijk vermogen volledig uiten in de stof, lossen we alle bekende waarden van stof en geest gelijkelijk op en onttrekken daardoor ons wezen en onze wereld aan elke kenbaarheid binnen één der gebieden.

Zodat uit de harmonie van deze twee werelden een heilig niets geboren wordt, waarin de ‘grote wereld’ of misschien de Goddelijke waarheid, voor ons tot enige ondeelbare werkelijkheid wordt.

  • Er is hier eens gezegd, dat je in de ene sfeer de zaken anders beleeft dan in een andere sfeer, namelijk het omgekeerde. Dat begrijp ik nog niet helemaal goed. Waarom moet dat beslist omgekeerd zijn? Ik kan mij voorstellen dat wat je in de ene sfeer goed ziet, je in de volgende sfeer dat minder goed noemt: omdat je iets beters hebt leren kennen. Maar daarom hoeft dat vorige, dat je eerst goed vond, toch niet slecht te zijn geworden of wat je eerst goed vond, hoeft toch niet kwaad geworden te zijn?

Ja, dat ben ik met u eens. Maar het gehele probleem kan het eenvoudigst even symbolisch worden voorgesteld. Zeggen wij dat de kracht des levens een lens is, waardoor wij vanuit ons eigen standpunt ons bewustzijn projecteren.

Kunt u zich dat voorstellen? Dan krijgen wij dus een gebied, omgrensd door twee lijnen, die kruisend door de lens vallende de omgekeerde waarden buiten scheppen. Ook duidelijk? Dit spiegelprincipe nu – zo vreemd als het u klinkt – speelt zich inderdaad tussen sfeer en sfeer af.

Want op het ogenblik dat ik in de geest leef, ervaar ik krachtens mijn wezen dingen als aangenaam, die ik mij vroeger stoffelijk als zeer slecht heb voorgesteld.

Voorbeeld: armoede. Arm zijn is op aarde voor de meeste mensen een vloek. Arm zijn is voor de geest de grootste rijkdom. Want de geest die niet belast is met alle begeerten, alle zorgen, alle verlangens en plichten, die met rijkdom gepaard gaan, is vrij om zichzelf te zijn en zichzelf te uiten. Zij is ongebonden en daardoor sterker in licht en kracht en bewustzijn. Omgekeerd: de aarde acht rijkdom hoog. De geest daarentegen weet dat hoe meer zij bezit, hoe groter haar plichten zijn en hoe sterker haar beperkingen: Zij acht dus rijkdom kwaad.

Iets anders: De aarde acht het erkennen van bezit goed. De geest – accepterende dat dit op aarde zo is – meent juist, dat alle erkenning van bezit een vervreemding van het leven en de ervaringsmogelijkheid zelf is. Zodat hoe minder men bezit, hoe groter men zal zijn in vrijheid, in beleving en bewustzijn. De aarde gelooft aan banden, de geest aan vrijheid. En zo zou ik voort kunnen gaan. Wat ik dus in de geest ervaar, is in zijn waarderingen tegengesteld aan uw wereld.

En wanneer ik tot de wereld moet komen spreken, zoals ik dit op het ogenblik doe, dan blijft voor mij nog steeds de moeilijkheid mij steeds weer in te stellen op uw gedachten, uw begeren, uw waardering der dingen. Misschien dat u nu kunt begrijpen, hoe deze spiegeling in de sferen tot stand komt.

  • Mag ik even interrumperen? Dat begrijp ik wel in een verhouding tussen een zuiver geestelijke en een zuiver stoffelijke sfeer. Maar nu, wanneer u nu twee zuiver geestelijke sferen met elkaar zou vergelijken?

Uitstekend, ik zal u een voorbeeld geven. Ik heb te maken met de Zomerlandsfeer en de Lichtsfeer. Is die vergelijking acceptabel? (Ja). Zomerland vindt zijn ware vreugde, de uitdrukking van zijn wezen, in een vormenrijkdom, die opbloeit tot volmaaktheid en harmonie. In de Lichtsfeer is elke vorm een binding van licht en daardoor een onderdrukking van leven.

Ziet u dat wederom de waarden omgekeerd zijn?

Omgekeerd: de Lichtsfeer vindt in het vloeiende leven de grootste bewustwording. Want – zo zegt men daar – eerst door het voortdurend wisselen van de impulsen rond mij, realiseer ik mij wat ik zelf ben.

Breng dit principe aan een geest die in Zomerland leeft, en hij zal noch zichzelf noch zijn wereld menen te kunnen kennen, omdat zijn voorstellingsvermogen nog steeds behept is met de eigenaardigheid zichzelf als een definitieve persoonlijkheid te zien in plaats van als deel van een grote kracht, dat een eigen bewustzijn bezit. Heb ik duidelijk gemaakt dat die spiegeling ook tussen sferen bestaat?

  • Gaat dat nu steeds door in steeds hoger komende sferen?

Zover wij kunnen nagaan, ja. Wij zien steeds dat de lagere sfeer de tegendelen kent van de hogere sfeer. Ook weer een voorbeeld, dat misschien op een wat ander terrein ligt: ik neem nu als hoogste sfeer een lichte sfeer, een zomerlandssfeer bijvoorbeeld en daarnaast een spiegelsfeer van niet al te slechte kwaliteit. Dan vind ik in beide vorm, inderdaad. Maar is in Zomerland de vorm een vreugde door zijn harmonie, zijn schoonheid, in de spiegelsfeer is zij door haar voortdurende verwording en verval plus de gebondenheid, die daaraan bestaat, een vloek. De wisseling der waarden in Zomerland is steeds een vergroting van vreugde, omdat het een vergroting van bewustzijn, van schoonheid, van kosmisch begrip betekent. Elke wisseling van waarde in de spiegelsfeer betekent een vermindering van hetgeen er persoonlijk wordt gewaardeerd. Elke continuïteit in een spiegelsfeer is aangenaam, omdat zij u behoedt voor de stagnatie waarin u het volle leed van uw eigen toestand moet ervaren. In Zomerland is het een vreugde te rusten en dus uzelf gelijk te blijven binnen uw omgeving.

Ik geloof, dat ik met deze voorbeelden u duidelijk aantoon, dat er inderdaad een voortdurende spiegeling bestaat. Zover wij dit kunnen nagaan, gaat dit tot de hoogste sferen. Ik zou daarvoor niet volledig kunnen instaan waar de hoogste sferen ook voor ons nog onbegrijpelijk zijn. Zouden wij ze kunnen betreden, we zouden ze toch niet verstaan. Maar voor al de ons bekende sferen – en dat gaat inderdaad ettelijke trappen hoger dan vormwereld en klankwereld – moet ik bevestigen dat dit inderdaad volledig waar is. Is het duidelijk nu?

  • Mag ik vragen, wat is de Klankwereld?

De klankwereld kan ik u het best omschrijven als een lagere wereld in het licht, staande boven Zomerland, waarin het totaal niet meer in vormen wordt uitgedrukt maar in trillingen en het best vergeleken kunnen worden met klank. Omdat hier nog sprake is van hogere trillingen Licht, die niet volledig worden beleefd en gedefinieerd, met daarnaast lagere trillingen, die voor ons verstaanbaar zijn, zoals de klank. Wij moeten niet denken aan woorden, maar aan zeer complete harmonieën, die binnen ons wezen voortdurend wisselende beelden en toestanden oproepen, waardoor wij een inzicht krijgen van zeer vele dingen die voordien voor ons verborgen waren.

  • Wat is de zwarte mis?

De zwarte mis is een zwart-magisch ritueel. Zij werd het eerst in de Reinpaltz gecelebreerd door de arts van een klooster, later onder andere ook in Echternach. Vandaar is het zwart-magisch gebruik overgegaan naar vele landen. Het is geboren uit de perversie van een deel van de Katholieke geestelijkheid. Om de duivel te dienen werd de mis van achteren naar voren gelezen, waarbij alle woorden van elk gebed ook weer van achteren naar voren werden genoemd. Dus bijvoorbeeld het Pater Noster zou uitgedrukt worden als Noster Pater, zoals u begrijpt. Daarbij werd dit over het algemeen gecelebreerd, terwijl alle gewaden omgekeerd werden gedragen, terwijl zwarte kaarsen in de kandelaar brandden, in plaats van een hostie levend vlees werd geconsacreerd, in plaats van wijn zich in de kelk bloed bevond en in vele gevallen in plaats van een altaarsteen het volledig ontklede lichaam van een maagd werd gebruikt, waarbij men in sommige gevallen daaraan als offer aan Satan haar het levende hart uitrukte. Het is dus een ritueel, dat buitengewoon weerzinwekkend was. De gebeden der gemeente bestonden in vele gevallen uit zeer zinnelijke handelingen in plaats van woorden. De zogenaamde Rozenkransgebeden bestonden uit wisselende paringen, kortom allerhand weerzinwekkende taferelen speelden zich daarbij af. De aanbidding van de ‘grote bok’ werd vaak gesymboliseerd door het kussen van een niet nader te noemen deel van het lichaam van de celebrant. Men beweert – ik kan het niet met zekerheid bevestigen – dat vaak helse verschijningen op het altaar neerhurkten gedurende een dergelijke mis. Wel ben ik ervan overtuigd, dat de magische en suggestieve invloed van een dergelijke mis met verkeerd gezongen gezangen daarbij van een zodanige werking is, dat zij inderdaad alle duistere krachten in de mens wekt en waarschijnlijk ook in de geest rond hem.

  • Waarom deed men dat?

 Ik zei u reeds, het is een kwestie van perversie.

  • Verwording?

Ja, inderdaad van innerlijke verwording. Wanneer namelijk een mens op een gegeven ogenblik zichzelf tracht te stellen boven al hetgeen hij als goed erkent en zijn handelingen niet meer volbrengt ter wille van het goede, doch integendeel, al het goede tot slachtoffer van zijn eigen wens tot zelfverhoging en machtsbereik maakt, dan begrijpt u wel dat er rare dingen gebeuren. Nu zou ik u eraan willen herinneren dat in de vroege middeleeuwen kloosters een buitengewone macht hadden. Zij waren in vele opzichten sterker, machtiger en ook rijker dan de normale vorsten. Het resultaat was dus dat velen dezer broeders, paters, een leven leidden dat – behalve in het seksuele – een rijke overdaad kende aan alle lusten en vreugden. Het is geen wonder dat daarna de zonde kwam: dat wil zeggen het verloochenen van eigen belofte tot kuisheid. Om dit geheim te houden, gebeurde dit meestal met vrouwen, die een dergelijke belofte hadden afgelegd. Ook kloosterlingen dus. Dit moest nu op enigerlei wijze als het ware goedgekeurd worden, wilde er geen groot schuldbesef ontstaan.

Zo trachtte men in het begin met drogredenen deze handelingen te verklaren. Die drogredenen echter waren niet voldoende. Men zag in elke gebeurtenis een straf van God en kwam zo tot het stellingnemen tegen God, waar men hetgeen men eenmaal aan beleven bezat, niet wenste prijs te geven. Zo kwam men eerst tot zwart-magische praktijken en uiteindelijk begon men dan ook de oude heidense gebruiken weer in te voeren. Deze bestonden oorspronkelijk daarin, dat men een zegen tot vervloeking kan maken, wanneer men haar in omgekeerde volgorde uitspreekt.

Later gebruikte men praktijken, waardoor predikers en priesters tot jettatores, tot mensen met het: boze oog werden. Hieruit groeide langzaam maar zeker een magische richting, die – uiterlijk heilig zijnde – zich binnen eigen muren overgaf aan allerhand liederlijke gebruiken en gewoonten.

Het pogen om dit te handhaven tegen de betere delen der maatschappij in, leidde tot een greep naar de macht, die men niet meer van God kon verwachten. Het logische gevolg was dus het aanroepen van de duivel, om zo eigen kracht boven het goede in stand te houden, eigen leven en gebruiken zeker te stellen.

  • Ik wilde vragen: wat verstaat u onder ‘levende rots’?

 Onder levende rots versta ik: rots, die niet gescheiden is van de aarde. Een gehouwen steen wordt dode rots. Maar zolang de steen in de vorm wordt gehouwen, zonder dat zij gescheiden is van het totaal van het gesteente, waaruit zij voortkomt, heet zij levend, omdat zij daarmee in verbinding staat en dus doorpulst wordt door dezelfde levenskrachten, die de gehele rots vervullen.

  • Ik wilde nog iets vragen over de duivel. Is het inderdaad een macht, die bestaat of is dat een macht die wij ons denken?

 De duivel, zoals de mensheid die opvat, is het totaal van menselijk bewust zondigen en menselijk bewust verkeerd begeren, samengevat in de gestalte van een denkbeeldige figuur, waaruit al dit begeren, al deze levenskracht – dus verkeerdelijk gericht – zich kan ontladen op elke willekeurige figuur.

Maar daarnaast bestaan inderdaad in de geest en in de sferen de zogenaamde duisterlingen. Zij zijn wezens, die in plaats van het principe der vorming aan te hangen, het principe der chaos nastreven. Elk voor zich zijn zij in onze ogen demonen of duivels. Zij zijn eigenlijk niet ‘de’ duivel, maar een vertegenwoordiger van de macht, die wijzelf scheppen, wanneer wij ook zondigen tegen ons eigen bewustzijn. Vandaar dat zij in vele gevallen aan de slechte krachten, die uit ons geboren worden, leidinggeven, terwijl omgekeerd hun invloed op ons leven over het algemeen voor ons lijden, nadeel, smart betekenen.

Dat is te verklaren wanneer u zich realiseert, dat elke uiting geheel in tegenstelling is. Vandaar dat er nooit een eenzijdig tot God streven kan zijn. Er moet altijd een tweeledige weg zijn waarbij een deel van God weg streeft – dus vermindert in bewustzijn omtrent God en zichzelf – terwijl een ander deel tot God streeft en tot het bewustzijn van zichzelf. Hieruit zijn twee levensrichtingen te distilleren, die elk hun eigen doel hebben. Over het algemeen gesproken, kunnen wij zeggen dat ons gaan tot God in deze vorm voor ons de juiste vorm is, en dus: het goede. Voor een geest echter, die het Goddelijke niet meer kan aanvaarden om de eenvoudige reden, dat hij van daar uitgeworpen of uitgedreven is, zal moeten gaan tot het punt, waar zijn eigen bewustzijn verblust, zodat hij aan de uiterste grenzen der duisternis tot hernieuwd bewustzijn ontwakend – zijnde hetzelfde leven met een nieuwe persoonlijkheid – zijn reis terug kan beginnen. Het is een kringloop.

Wanneer wij op onze weg dus iemand ontmoeten, wiens totale levensbestreving tegengericht is aan de onze, dan noemen wij deze ‘duivel of demon’. Ofschoon het totaal van hetgeen er op aarde hieronder wordt verstaan in de eerste plaats uit de mens zelf voortkomt en pas door sympathieke invloeden of sympathische invloeden de tegenstrevers tot ons brengt, die dan hun eigen invloeden mede doen gelden in de krachten, door ons geschapen.

  • Over kringloop, die de mens moet doormaken

Dat is iets wat we niet kunnen zeggen, omdat degene, die in de volmaaktheid opgaat, deel wordt van God. En wij weten niet of God zijn delen wederom uitzendt. Maar wanneer Hij de kracht, waaruit wij thans bestaan, weer zou uitzenden – in negatieve vorm, volgens ons huidig streven – dan zullen wij dit niet zijn. Dan zijn het nieuwe persoonlijkheden. Maar omtrent de krachten durven wij dat niet te zeggen. Dat weten wij niet.

  • Dus zoals u daar zo vertelt, dan zal er – volgens menselijke berekening dan – nooit een punt komen waarop alle krachten naar God gericht zijn?

 Neen. Dat kan niet komen. Op het ogenblik dat alle punten naar God gericht zijn, valt het Al terug tot God, dat wil zeggen, dan verdwijnt de kenbare wereld, de schepping en alle geuite kracht.

  • Dus die wordt in stand gehouden door tegenstellingen?

Inderdaad. Gods uiting is de uitbreiding van Zijn totale Wezen, dat wij in de tegenstellingen ervaren, nietwaar?

  • Dus zoals iemand innerlijk denkt, die krachten trekt hij naar zich toe.

Inderdaad. Want het innerlijk leven van de mens beroert direct de levende Kracht, waarover mijn voorganger ook heeft gesproken. En deze levende Kracht brengt hem in directe verbinding met al het geschapene. Wat dus in u leeft, zult gij uitstralen naar anderen.

Degenen, wier levensbestrevingen aan u tegengesteld zijn, worden afgestoten, waar dit voor hen immers schadelijk of slecht is. Degenen echter, die met u gelijkgezind zijn, zullen – indien uw kracht groot genoeg is – tot u aangetrokken worden, waar zij menen met uw kracht samen hun doel eerder en beter te bereiken.

  • Een bundeling van krachten dus.

Inderdaad. Ik hoop dat u het niet neemt als een kritiek, maar ik zou de opmerking willen maken, dat wij op het ogenblik in een reeks vragen meer esoterische problemen hebben behandeld – naast enkele magische – dan anders over het algemeen in een hele lezing. Ik weet niet of het u is opgevallen. En degenen die daar gevoelig voor zijn, zou ik er ook op willen wijzen dat de sfeer op het ogenblik zeker niet slechter – integendeel, iets beter zelfs – is geworden.

  • Het vraaggesprek is altijd veel levendiger dan als je enkel maar een rede aanhoort.

Inderdaad. Ofschoon levendigheid op zichzelf weinig zegt. Belangrijk is het, dat u op het ogenblik zelf in actie bent gekomen en met ons samen één doel toestreeft in plaats van toe te zien hoe wij ons streven naar een bepaald doel uiteenzetten. En dit verschil maakt onze mogelijkheid tot eenheid groter.

  • Die zwarte mis, waar we het daar straks over hadden, die werd toch tussen 1500 en l600 ook nog uitgevoerd. En ik dacht rondom 1700 ook nog.

Oh, indien u dat interesseert, ze wordt heden ten dage nog wel gecelebreerd.

De eerste zwarte mis werd opgedragen in het klooster in Anderstein in de Rheinpfaltz door Benedictus, de abt van het klooster in bijzijn van 3 monniken, op het lichaam van een horige maagd van het klooster. En dat was, als ik mij niet vergis, in (laten we de huidige rekening aanhouden) het jaar 927, 10 Maart geloof ik. Het wordt precies middernacht gecelebreerd, dus eigenlijk tussen 9 en 10 Maart in. Dat was het begin. Vóór die tijd bestonden dergelijke gebruiken wel, maar hoofdzakelijk in het Oosten.

  • Dus die datum precies had ook met de maan te maken?

Antwoord: Inderdaad, het heeft ook met de maan te maken. Want de zwarte mis is gebaseerd op de maancyclus, de 28-dagen telling.

  • En de alchemisten deden er toch aan mee?

Sommigen, niet allen. Kijkt u eens, je had twee soorten van alchemisten. De alchemisten, die zochten naar het ware goud en alchemisten, die zochten naar het stoffelijke goud. En deze twee richtingen gebruikten precies dezelfde terminologie. Het is zelfs wel eens voorgekomen – belachelijk genoeg – dat een alchemist die het stoffelijke goud wilde maken, de formule gebruikte van een ingewijde, die als alchemist zocht naar het ware goud ofwel de ware bewustwording. Dus wij mogen niet zeggen ‘de’ alchemisten, maar wij kunnen inderdaad vaststellen dat alchemisten, astrologen en dergelijken, deelnamen aan deze missen.

Het is misschien interessant erbij te vermelden dat enkele Christenen, die slaaf waren gevallen in de buurt van het huidige Turkije, ontsnapten en het eerst de vervloekingsgebruiken meebrachten naar Europa. Dat waren Duitsers uit Oost-Friesland. En dezen hebben daar in dat klooster waarschijnlijk de eerste stoot gegeven door hun vertellingen over de magiërs en de duivelspriesters, die er in die buurten waren. U ziet, het zit allemaal logisch in elkaar. Er zijn altijd logische verbanden. Het is een verplaatsen van het demonisme uit het Oosten, waarin de meeste religies stervend of rustend zijn, naar de jonge zich ontwikkelende – vooral politiek zich ontwikkelende – godsdienst van het Christendom. Een logische conclusie.

U moet altijd dit onthouden: Al wat jong is, kent ‘Sturm und Drang’. En Sturm und Drang bestaat uit mengeling van goed en kwaad, waarbij het goede beter is dan later ooit geboren wordt, maar het kwade ook diepere afgronden kent.

Dat geldt voor onszelf ook. In de periode dat men niet rijp is, zal men soms zwaar zondigen en aan de andere kant met een idealisme en een volledige overgave naar het goede streven, zoals men dit later haast niet meer bereikt.

Later kennen wij een gelijkmatige toestand en een gelijkmatige ontwikkeling. Vandaar dat dergelijke magische gebruiken met een zuiver demonische inslag over het algemeen slechts dan voorkomen, wanneer bijzondere ontwikkelingen op religieus en politiek gebied een verjonging voor een deel van de mensheid betekenen. Het is niet zonder reden bijvoorbeeld, dat de grote heksenrage ontstaat in de periode dat de hervorming in alle landen langzaam tot een feit wordt.

Ook daar is weer een associatie tussen te vinden. Waaruit we dan de les kunnen trekken – dat is dan niet magisch, maar esoterisch – dat alle vernieuwing zich spiegelt in het duister van de afgrond. En alle verbetering zweeft boven de ondergang. Het oude is vastheid …….

  • Men zou dus kunnen formuleren, dat het nieuwe uit het oude geboren wordt.

Inderdaad. Dat is waar. Maar het nieuwe moet – om werkelijk nieuw te zijn – het oude verlaten en verliest daarmee zijn basis. Dat is het belangrijke punt. En dat zal voor u ook gelden. Wanneer u in de esoterie verder gaat, dan komt er een ogenblik dat u al uw oude opvattingen terzijde moet stellen. Dat u voor uzelf geheel nieuwe levensvormen moet zoeken. Dan moet u in de praktijk gaan brengen wat u geleerd hebt. En het oude achter u laten zonder te weten waarheen het nieuwe u voert. Dat is een logische consequentie.

  • En dan komt er weer strijd.

Voor wie naar bewustzijn streeft, ja. Voor degene, die – zoals vele mensen – leeft, omdat hij leven moet, neen.

  • Maar wel iemand, die probeert te leven? …….. Naar het goede toe?

Naar het goede toe te leven, inderdaad. Met deze aanvulling kan ik hiermee akkoord gaan.

  • Dan maakt het oude je ook niets meer.

Inderdaad. Het oude gaat voorbij. Maar ongetwijfeld zullen sommigen u weten hoe moeilijk het is afstand te doen van het oude, zelfs wanneer het nieuwe reeds daaruit geboren is.

  • Vraag, handelend over de mogelijkheid van bescherming tegen zwarte magie (tegen vervloeking).

Oh, inderdaad: Zuiverheid van harte. Het klinkt nogal simpel. Maar een mens, die zich van geen kwaad bewust is, kan door het kwaad niet benaderd worden. En dus is hij beschermd tegen elke vervloeking. De werking van vervloeking, zoals de magiërs die gebruiken, is dan ook vaak van suggestieve aard wanneer het handelt om werkelijke vervloekingsformules.

De magie komt pas in het spel wanneer men kleine wijzigingen gebruikt in normale zegeningsformules.

Ik kan u wel een voorbeeld geven waarbij ik – dat zeg ik u meteen – niet volledig de juiste woordvolgorde gebruik. Een zegening luidde zo: “Dat gij krachtens de godin der vruchtbaarheid gezegend, moge zijn en uw leven vol zijn van haar kracht, liefde en vreugde.” Dit wordt tot een vervloekingsformule gemaakt: “Dat de godin der vruchtbaarheid niet in u moge zijn, zodat gij niet moge zijn …. enzovoort.” Het woord “niet” kon in de oorspronkelijke taal tot een kleine letter worden teruggebracht en was bij het uitspreken der formule praktisch onmerkbaar. Door de uitstraling van krachten, die met het uitspreken der formule op deze wijze in de mens opkwamen, werd dan bijvoorbeeld onvruchtbaarheid gebracht en ook andere soorten van kwaad. Het gebruik berust dus – zoals met alle formules – weer in de eerste plaats op het wekken van krachten in het ik. In de tweede plaats vaak op verandering van intonatie. Degenen, die met het Oosten bekend zijn, weten dat de magie daar de dodende klank kent.

Men gelooft zelfs dat er magiërs zijn die een bepaalde fluittoon weten uit te stoten, die eenieder die ze hoort – binnen een bepaalde afstand door deze klanken dus wordt getroffen – onmiddellijk ontzield doen neerstorten. Dit is niet zo dwaas als het lijkt. Want klanken zijn trillingen. En de trillingen hebben hun werking binnen het lichaam. Mits deze liggen op de juiste frequenties – en dan komt het vaak meer op de boventonen aan dan op de door u gehoorde klank – dan zullen hierdoor in het lichaam bepaalde veranderingen tot stand worden gebracht en zou zelfs het veroorzaken van een hartcollaps door een bepaalde reeks van supersonische trillingen absoluut verklaarbaar zijn

  • Waartegen dus geen bescherming mogelijk is?

Behalve die der onwetendheid alweer. Want wat is de reactie? Die supersonische trillingen brengen Uw gehele evenwicht aan het wankelen en – bij voortduring – doet het het ineenstorten, nietwaar? Maar op het ogenblik dat ik volledig harmonisch ben, heb ik meer weerstand tegen de klank, dan de magiër die ze gebruikt. Zo zal de magiër eerder tot slachtoffer van zijn eigen klanken vallen, dan dat mijn krachten zo volledig verstoord zijn, dat ik het slachtoffer word.

  • U zegt: volledig harmonisch.

 Inderdaad. Deze uitdrukking gebruik ik.

  • Ja, maar dat is natuurlijk nogal wat. Volledig harmonisch.

 Misschien. Maar vaak is men in de eenvoud van zijn simpele denken volledig harmonisch, waar de wijze de harmonie niet vinden kan door het vele van zijn weten.

  • Hoe ongecompliceerder hoe harmonischer je kan zijn.

Inderdaad. Kijkt u eens, er is een ogenblik, dat wij door onze onwetendheid een harmonie in ons zelf dragen, die ons direct verbindt met het Goddelijke. Wij zijn dan onaantastbaar. Maar er komt een ogenblik dat we gaan twijfelen. Deze twijfel betekent een kleine vermindering van harmonie. Maar zij wordt pas gevaarlijk op het ogenblik dat wij van onze twijfel komen tot een oordeel dat ligt boven ons eigen vermogen. Wij scheppen dan in onszelf valse waarderingen en zijn vanaf dat ogenblik gehouden voort te gaan met oordelen; wij kunnen niet anders. Elk oordeel dat wij uitspreken, is een vermindering van de harmonische krachten in onszelf. En zo komen wij uiteindelijk in de toestand van twijfels, die leidt tot een zogenaamd dogmatisch weten. In deze toestand zijn we absoluut disharmonisch, omdat wij door ons dogmatisch oordeel over alle dingen ons vervreemden van alle dingen behalve onszelf.

Daarna echter komt een periode, dat we aan onze dogma’s gaan twijfelen. En deze twijfel worden heviger en heviger, tot wij op den duur twijfelen aan alles, zelfs aan onszelf. En in deze toestand zoeken wij onze toevlucht dan in factoren, die buiten ons wezen liggen. Hierdoor herstellen wij deel na deel de harmonie met de omwereld, met de Goddelijke kracht in alle uitingen en streven zo – via twijfel die uit het weten geboren wordt – langzaam maar zeker weer de harmonie en de eenheid aan, die dán wordt geuit in een overtuiging, die zuiver persoonlijk, maar niet meer te schokken is.

U ziet, het is een hele ontwikkelingsgang. Vandaar dat u waarschijnlijk vele twijfels zult kennen, zoals u hier samen bent. Maar in deze twijfels, zult u steeds meer een beroep moeten doen op de krachten buiten U, omdat in u geen zekerheid meer te vinden schijnt. En in elk beroep op de kracht buiten u, elke intense verbinding met krachten en waarden buiten u, vergroot ge uw eigen wezen en dus ook de kracht, die in u is en de harmonie tussen uw wezen en de kosmos.

  • Dus we zouden het zo kunnen formuleren, dat een mens, die door de grote vertwijfeling heen gaat, als een gelouterd mens terugkomt bij zichzelf.

Inderdaad. Dat is de menselijke wijze van uitdrukken. Maar wij kunnen het anders zeggen. We zouden kunnen zeggen: Elke vertwijfeling leidt uiteindelijk tot een twijfel aan het zelf – dus het ik – en doet geboren worden een band met de kosmos, waar het ik niet voldoende is voor het bewustzijn dat in ons leeft. En hieruit vinden wij – wat u loutering noemt – de eenheid met God weer, die ons door ons persoonlijk bestaan verloren was gegaan. U ziet, ik formuleer anders, maar dat ligt aan ons verschil van wereld.

  • Dus dit is een weg, die ieder wezen – van ongecompliceerd tot gecompliceerd – moet gaan om tot bewustzijn te komen.

Nee, het is geen weg die ieder wezen moet gaan. Maar het treurige is, dat de meeste wezens, die wij op aarde ontmoeten op het ogenblik reeds de weg van ongecompliceerdheid tot gecompliceerdheid zijn gegaan, zodat ons bestreven er niet op gericht is om de eenvoud tot het meer ingewikkelde te brengen, maar om degenen, die het leven voor zichzelf zo gecompliceerd construeren, via hun eigen ingewikkelde constructies terug te leiden tot een eenvoudig aanvaarden van het leven.

  • Dus het is een weg terug ten goede.

Inderdaad. Maar niet de weg van Erich Maria Remarque. Het is een weg terug, die heel veel eigenaardige problemen met zich meebrengt. Problemen van materiële en psychische aard, van morele en sociale geaardheid, kortom met problemen op elk gebied. En toch zult u al die problemen voor uzelf moeten oplossen op de juiste wijze, wilt u de eenvoud weer terugvinden.

  • Dus worden als een kind.

Inderdaad. Zoals de dichter zei: “Op het ogenblik dat de mens de zon kan begroeten met een lied, als een vogel die ontwaakt, zal zijn licht geen zon maar God zijn.” Daarom worden als een kind. Terugkeren tot de eenvoud van het leven.

—————————————–

“De dwaas kent zijn rijkdom niet, de wijze schat zijn rijkdom niet, doch de eenvoudige is rijk en geniet zijn rijkdom zonder haar te kennen.”

Het is mij natuurlijk weer een ware eer voor u te mogen spreken. En wanneer ik binnen deze kring een onderwerp moet nemen, zou ik gaarne beginnen met een oud gezegde: “De dwaas kent zijn rijkdom niet, de wijze schat zijn rijkdom niet, doch de eenvoudige is rijk en geniet zijn rijkdom zonder haar te kennen.” Want in deze ene zinsnede zijn enkele beelden verweven, die wij belangrijk kunnen noemen voor onze bijeenkomst.

De dwaas kent zijn rijkdom niet. De mensheid heeft de gewoonte om alleen te schouwen naar datgene, wat hij niet bezit. Wanneer zij haar armoede heeft vastgesteld, vergeet ze haar rijkdom en haar rekeningen komen steeds meer met een nadelig saldo uit. Wij kunnen niet zeggen dat dit een kwestie van onbewustzijn is.

Want indien zij wensen, kunnen deze mensen wel degelijk berekenen wat zij aan goeds bezitten.

Maar zij achten het niet de moeite waard. En hierin ligt een fout. Daarom zijn zij ook dwazen.

Wie in zijn leven de eenzijdigheid nastreeft, zal juist door deze eenzijdigheid een verkeerd beeld krijgen van zijn eigen leven, van de wereld en van Zijn.

Een verkeerd beeld van jezelf hebben, is treurig. Want je zult nooit in staat zijn jezelf te begrijpen. Een verkeerd beeld van de wereld hebben is erger. Want je komt tot een misschatting van alle waarden en zo van misgreep tot misgreep. Maar de eenzijdigheid van streven houden voor grote waarheid is het ergste wat een mens kan overkomen. Want wie eenzijdig streeft, zonder de tegenzijde te kennen, zal nooit begrijpen waarheen hij gaat en zal zich dus nooit een doel kunnen nemen, waarheen hij werkelijk – maar dan ook intens – kan streven.

Het gaat de eenzijdig georiënteerde mens als een mens, die zonder kompas in een grote vlakte staat. Hij meent rechtuit te gaan, maar loopt in cirkels. En zo vermoeit hij zichzelf zonder te ervaren. Zo gaat hij verder, om met wanhoop te ontdekken dat hij niet uit zijn eenzaamheid wordt verlost, maar gebonden blijft binnen de nauwe kring van zijn eigen meningen en interesses.

De wijze acht zijn rijkdom niet. Hij meent dat wijsheid meer waard is dan bezit, dan al datgene, wat wij kunnen verwerven. Wijsheid is ongetwijfeld een groot en hoog goed. Maar wie omentwille der wijsheid het leven vergeet, zal geen gelegenheid hebben om zijn wijsheid te toetsen aan de praktijk. En wat is wijsheid waard, wanneer zij niet praktisch kan worden getoetst en verwerkt in het eigen systeem van het leven? Niets.

Wanneer een mens weet dat hij goud en diamanten moet maken uit het pulver van een steen, dan is hij niet rijk. Maar wanneer hij deze kennis bezit en inderdaad goud en diamanten puurt, zo schept hij schoonheid en rijkdom. En vervullende door zijn kennis het leven, vervult hij niet slechts zijn eigen lot, maar dat van vele anderen op de juiste wijze.

Want de wijsgeer, de wijze, heeft een grote gave. Hij kent namelijk het leven. En wie het leven kent en begrijpt, is in staat om dit leven goed te voeren. Meer nog, anderen te helpen dit leven op de juiste wijze in te richten. En komt zo’n mens, zo’n wijsgeer tot een juiste plaats in de wereld, die – zou ik ooit ter wereld moeten komen – ik nooit voor een andere zou willen ruilen.

De plaats van een mens, die – bewust van eigen leven – gelukkig is door zijn eigen leven en zich rijk weet in zijn vermogen om anderen te helpen om tot beter en gelukkiger leven te komen.

De wijze, die dit misacht, die meent dat de wijsheid het doel is en niet slechts het middel om te komen tot het ware leven, is in de misachting zijner rijkdom armer dan de dwaas. Maar degene, die zijn rijkdom aanvaardt als deel van zijn leven, zonder zich daarop te verheffen, zonder daarvan afhankelijk te zijn, is de rijkste en de gelukkigste. Want indien ik vele wijsheden heb en ik meen mijzelf daarop te kunnen verheffen boven anderen, zo schep ik een grens tussen mij en de mensheid, tussen mij en het leven. Wanneer ik mij verhef op weten of rang of stand of op bezit, zo neem ik een scherpe scheidslijn tussen mijzelf en de mensen, die misschien even waardevol zijn op hunne wijze, als ik op de mijne. Daardoor verarm je. Men noemt menigeen een zot of een dwaas, wanneer hij deze scheiding niet stelt, wanneer hij deze grenslijn niet trekt. Wanneer hij meent dat hij de waarde van de mensen moet bepalen aan de hand van hun aanvaarding van zijn religieuze inzichten, zijn opvattingen omtrent mores en zeden ofwel zijn rijkdom – ze zijn slechts evenwaardig, wanneer ze even rijk zijn. Dat is dwaasheid. Een dergelijk iemand zal ongetwijfeld zichzelf wijs achten en zeer geacht worden door de maatschappij. Maar gelukkig kan hij niet zijn. Maar één, die deze rijkdommen bezit en ze met gulle hand uitdeelt, omdat hij weet dat alle anderen toch precies als hij, mensen zijn, die vindt grotere schatten dan wijsheid of bezit alleen kunnen geven. Hij verwerft zich dankbaarheid, vriendschap en genegenheid. En juist deze goederen zijn de grootste, die wij kunnen bezitten.

U ziet, mijne vrienden, dat ik in mijn begin grote waarden heb vastgelegd. Echter….. het is mijn begin. Want mijn these moet mij verder voeren.

Wat is het juiste wat ik kan doen, om goed te leven? Oh, zeker, de wijze heeft het neergeschreven: “Ik volg de wet van mijn hart en de gebruiken mijner vaderen en zo leef ik volgens Tao en ben daarin geborgen.” Maar wat is voor mij Tao? Wat is voor mij het bewustzijn van het grote? Wat is voor mij de wet?

Voor mij: de wet mijner vaderen. Ikzelf selecteer. Ik ben hetzelve, die mijzelf een wereldbeeld bouw, mijzelf een taak opleg. De wereld kan mij nooit zeggen hoe ik moet gaan. Want wie over de wereld gaat – zoals eens de dichter Tso Kwan neerschreef – en huilt met alle wolven (ik vertaal in het gelijksoortig Nederlands beeld) is een dwaas die niets bezit, zelfs geen persoonlijkheid, doch slechts een veelheid van gebruiken, die wisselt naarmate de volkeren wisselen. Hij blijft in alle volkeren gelijk nietswaardig.

Om wat waard te zijn, moet ik uit mijzelf een wet geboren doen worden. En die wet moet ik baseren op hetgeen in mij leeft. Wat leeft nu in de mens, wat leeft in een geest?

Ongetwijfeld bezitten wij een weinig rijkdom. Wij hebben wat bezit, dat ons dierbaar is. Wij beschikken over enkele gaven, die wij weten te waarderen. Wij kennen wat wijsheden. En wij hebben soms in ons een bewustzijn van een hogere sfeer of een betere toestand. Hoe kunnen wij daaruit een wet vormen?

Ik kan u niet zeggen: Verwerp alle wet, die uit de mensen geboren is. Want zolang ikzelf een mens ben, zullen de wetten der mensheid mij veel vertellen. Zij tonen mij hoe mijn medemensen zijn. En wil ik aan de wetten der mensen de mensheid kennen, dan is het weer simpel: De mens verbiedt zijn medemens wat hij in zichzelf het sterkst begeert, maar het minst durft vervullen.

Hierbij geef ik aan dat de angsten van mijn medemensen mijn maatschappij heeft geschapen. Deze beperkingen zijn gebaseerd op het feit, dat zij deze begeerten kennen en de vervulling daarvan voor hun eigen ik schadelijk of nadelig achten, zowel in zichzelf als bij anderen. Heb ik dit vastgesteld, dan weet ik voor mijzelf wel degelijk in hoeverre ik deze wetten moet en kan aanvaarden of moet verwerpen.

Zo zoek ik ook in de gebruiken van mijn voorvaderen. Ik weet, in uw land spreekt men van ‘de goede, oude tijd’. Bij ons spreekt men van het ‘eerwaardig voorgeslacht’. Maar wij bedoelen beiden hetzelfde. Wij achten de gebruiken der oudheid hoog, omdat zij uit de oudheid stammen.

Indien wij echter ons zouden afvragen: “Hoe zouden wij zijn en handelen indien wij in deze oude periode, deze oude tijd, zouden leven?”, dan zien wij dat vele dingen, die wij nu om wille van hun ouderdom hoogachten, voor ons nadelig zouden zijn, niet aanvaardbaar, dwaas en onzinnig. Zo verwerpen wij ook deze. Maar om tot ons zelf en tot bewustzijn van onszelf te komen, om onze eigen wet en richting te vinden, moeten wij wel veel verwerpen. Maar wij mogen niet beginnen uit onszelf een wet te stellen zonder eerst getoetst te hebben wat het voorgeslacht ons heeft nagelaten, wat de omgeving ons biedt en aandoet. Dan komt de derde fase. Ik ga mij afvragen: Wat is mijn behoeven en mijn begeren? En wat is mijn geestelijk inzicht en mijn wens? Dan vind ik in mijzelf bepaalde waarden, die ik hoger schat dan al het andere. Bij mijn volk bijvoorbeeld het aanzien dat men heeft in de gemeenschap.

Bij velen in Uw wereld, de sfeer van het Westen, ‘eer’. Men zegt toch bij u wel: “Eer verloren, al verloren”?

Welaan, wanneer u zoiets in u voelt, dan moet dit in u levende, verenigd worden met de wetten, die u buiten u hebt erkend in uw maatschappij en uw voorvaderen. En dan hebt ge hier een gedragslijn die klaarligt voor u, op grond van uw eigen wereld en eigen toestand. Eerst wanneer gij deze hebt vastgesteld, gaat gij binnen uzelf navragen: “Hoe verlang ik eigenlijk het leven?”

En dit verlangen gebruikt gij om het keurslijf van Wetten, dat gij hebt gesorteerd, voor uzelf aan te vullen. Gij vervolmaakt het tot het een eenheid wordt. En dan zijt gij, zoals de wijze zeide: “gewapend met de Wetten uwer deugd, bereid de vreugden van het leven te aanvaarden, gesterkt om zo de smarten van het leven te verslaan”.

Nu zullen uw eigen inzichten steeds gewijzigd kunnen worden. Maar de wetten van de maatschappij, de wetten van uw voorouders blijven gelijk.

Gij zult dus altijd een basis hebben, waarop gij uw eigen stoffelijk en geestelijk gedrag kunt baseren. En deze aanvulling van wetten, die wisselt, geeft u voldoende vrijheid om uw persoonlijkheid juist en volledig in het leven neer te leggen.

Ge begrijpt, mijne vrienden, dat op deze wijze leven betekent: de grootste rijkdom van de geest vergaren. Want de geest zelve kent geen stoffelijke omstandigheden en condities. Zij kent slechts de herinnering van een fase, dat ook zij op aarde leefde. Zij kan zich de stof immers niet indenken? Ook niet wanneer ze nu geïncarneerd is. Wij moeten dus op grond van onze eigen wereld een basis vinden, waaruit de hogere kracht die in ons leeft, voor zich een beeld van die wereld kan vormen en zich in die wereld kan uiten op een voor het gehele wezen aanvaardbare wijze.

Ongetwijfeld zijn mijn woorden niet zuiver en duidelijk genoeg. Maar waar in mij de hoop leeft dat u mij hebt verstaan, zou ik u gaarne willen verzoeken mij kenbaar te maken of ergens een onduidelijkheid, een onklaarheid is blijven hangen.

Nu heb ik dan voor u opgebouwd het beeld van een mens, die zijn wereld kent, zijn wereld op een bepaalde omschreven wijze aanvaardt. Nu komt echter voor ons een volgend probleem: Heb ik nu binnen de vormen der wereld en normen die ik daarin ken, een richtlijn gevonden, zo moet ik zonder eenzijdigheid, want deze is een groot gevaar, gaan streven naar geestelijke bewustwording. Hoe kan ik dat bereiken?

Oh, ik weet dat uw wijsheid ook daarop een antwoord kan geven. Maar daar de woorden mij zo vloeiend komen deze avond, zou ik het antwoord gaarne zelve geven. Wij beginnen natuurlijk met onze eigen richting van leven uit te voeren en in de praktijk te brengen. Wij vergelijken echter de voordelen van onze leefwijze en de voordelen van de leefwijze van anderen. Wij komen dan wel tot een beoordeling dat dit voor ons beter is. Maar wij zien dat er voordelen zijn in de wijze waarop een ander leeft. Wij verwerpen niet absoluut. Omdat wij het goede in de ander zien, zullen wij tegenover het kwaad, dat wij van hen evenzeer erkennen, wat milder staan. En in de mildheid, waarmee wij het kwaad erkennen, zullen wij ook de moed kunnen baren, om in onszelf evenzeer de nadelen van onze leefwijze te zien. En voor onszelf en voor anderen.

Wij kunnen ons niet geheel van oordelen onthouden. Wel zegt uw leer: “Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld worde.” Maar in de praktijk moeten wij een oordeel uitspreken, omdat wij zonder oordeel niet tot handelen komen. En handelen onze uitdrukkingswijze is binnen het leven. Wij moeten dus ons oordeel trachten te beperken, zodat wij nooit veroordelen, doch oordelende al hetgeen wij erkennen, op onszelf leren betrekken.

Hebben wij deze leefwijze gevolgd, dan komen er ogenblikken, dat wij uit het falen of slagen van anderen lessen leren omtrent de geestelijke wetten, die wij onszelf hebben gesteld na alle erkenning. En wij zien hoe deze langzaam gewijzigd worden en aangepast aan het geheel rond ons. Hoe wij trachten de fouten van anderen te compenseren door ons eigen streven en leven.

Hoe wij anderzijds niet te verlegen of te trots zijn om mede te genieten in de voordelen en vreugden, die de leefwijze van een ander ons bieden kan. Wij hervormen langzaam maar zeker ons beeld van de wereld en daarmede ook iets van de begrenzing, die wij voor onszelf in den beginne hebben erkend.

Zo komen wij tot een steeds rijker en rijper uitleven van onze eigen ideeën en gedachten. Het wordt ons steeds gemakkelijker om onze innerlijke krachten en waarden metterdaad om te zetten in stoffelijke – voor u of bij ons, geestelijk, in onze sfeer – grijpbare realiteiten. En hiermede scheppen wij het grootste wat wij kunnen: een mogelijkheid om dat, wat in ons leeft als waarheid, te toetsen tegenover de wereld die buiten ons staat. Dat kan men nooit met een denkbeeld doen, alleen met een praktisch bewijs, met een praktische proeve. En zo wordt mijn begripsvermogen en voor de wereld en voor mijzelf vergroot.

Ik word mij dus meer bewust van de krachten, die in mij schuilen, van de fouten, die ik ongetwijfeld bezit. In dit bewustzijn leer ik mijzelf veredelen, opdat ik waardiger word op te gaan in hogere, lichtende krachten.

Ook tot zover zal mijn betoog u – gezien uw vleiend oordeel van zo-even – wel duidelijk zijn.

Nu echter komt een derde punt, dat problematisch schijnt. Want: Wat heb ik aan wijsheid, wanneer ik op deze wijze leef? Wel, een wijsheid kan ik nooit gebruiken als een wet, nooit als een richtlijn. Maar wijsheid moet voor mij een middel zijn om de wereld rond mij te leren kennen.

Verder ook een middel om steeds verder afstand te nemen van mijn eigen persoonlijkheid, en mijzelf steeds kritischer en scherper te beschouwen door de ogen van hetgeen ik geleerd heb. (Wanneer mijn beeld wat mank gaat, vergeef mij.)

Maar kunnen wij zolang wij onszelf zijn, een beeld van ons eigen wezen verwerven? Neen, nietwaar? De wijze nu leert zoveel omtrent de wereld buiten zich, dat hij daardoor zijn totale voorstellingsvermogen in die wereld buiten hem kan verplaatsen. Dáár eenmaal bewust zijnde van die buitenwereld, kan hij zich bewust worden van al hetgeen die buitenwereld waarneemt, dus ook van zichzelf.

Het wordt mij mogelijk een objectief beeld te verwerven van mijn eigen leven, streven, van mijn handelen en mijn wetten. En in deze poging tot zelferkenning kom ik tot een vergelijking tussen mijzelf en het Al. Dan lijkt het mij of ik zeer onvolledig ben. Want wie de ware wijsheid bezit,

komt ongetwijfeld tot een besef van eigen nietigheid en menige wijze tracht dan grootheid te bereiken. Maar wie met één zandkorrel materiaal een heilige berg wil bouwen, hij heeft een Sisyphus-arbeid, een arbeid, die niet volbracht kan worden. Hij vult een vat der Danaïden en gaat door de duizend hellen der pijnen. Hij kan niet volbrengen.

Maar wie een berg ziet die begeerlijk is, zichzelf weet een korrel zand der eeuwigheid te zijn, hij tracht met de winden die blazen, zich voort te wentelen tot hij aan de voet van die berg rust en weet er deel van te zijn. Zijn bewustzijn verplaatsend zal hij niet meer zeggen: “Ik, zandkorrel”, maar “Ik, berg” en zo heersen in de eenheid van het vele, waar hij de veelheid van eigen weten slechts een onbetekende nietigheid acht.

——————————————————

HET SCHONE WOORD

Bewustwording en dankbaarheid.

Dan mag ik misschien een ogenblik met u mediteren over het feit dat bewustwording van het Goddelijke een dankbaarheid voor het leven betekent. Want zolang de wereld voor ons duister is en al hetgeen binnen ons leeft het licht is van eigen weten en denken, dan voelen wij ons zo verlaten en zo bedreigd. Van buitenaf schijnen ons allerhande krachten te bestormen. Onder ons gaapt de hel. Rond ons strijden de krachten van de afgrond en bedreigen ons wezen.

Dan kennen we geen dankbaarheid en bewustzijn. Strijdende om onszelf te zijn alleen, doorproeven we alle bitterheid, die er in het leven te vinden is. Maar dan, te midden van het lijden, neergeslagen tot we als kreupel voortkruipen langs het pad, dat ons is aangewezen, komt in ons een bewustzijn van de hogere krachten.

Eerst langzaam, dan meer en meer, zien we de onbelangrijkheid van het heden. Wij zien hoe ons lijden uiteindelijk een groot gedeelte zelfzucht was. Wij zien hoe de demonische machten buiten ons bestaan uit de vrezen, die wij in ons hart hebben gekoesterd en geen werkelijkheid zijn. De hel, die zo-even nog onder ons gaapte, beschouwen wij hernieuwd en wij zien daarin een bewijs, dat er boven ons een hemel is. In de hel spiegelt zich de hemel en in de hemel de hel.

Dan leven we. En levende zien we hoe groot de gave is van bewustwording, van bewustzijn, ons gegeven. Eerst hebben wij in onze eenvoud misschien de enkeling bedankt, die met een woord, een gebaar, een daad, ons wat steunde op – wat wij meenden – ons bedreigd en moeilijk pad te zijn. En nu begrijpen we meer. We zien rond ons de lichtende golven van kosmische krachten aanspoelen.

We voelen hoe een liefdekracht, voortdurend doorpriemend ons hele wezen, tot sterk bewustzijn in ons doet ontwaken het edele, het wonderbaarlijk lichte, tot een juichende vreugde uit ons uitbarst en de hele wereld is geworden tot één zee van licht, tot alle sfeer voor ons gezamenlijk is geworden één loflied, dat gezongen wordt aan de lichtende Kracht en Schepper. En dan weten we de betekenis van dankbaarheid.

Dankbaar zijn, zozeer, dat wij al wat wij geloven en denken, al wat wij aannemen, terzijde willen zetten voor dit éne licht. Dankbaar zijn, zozeer, dat niets meer betekenis heeft, behalve de golf van levende Kracht zelf, die tot je komt als een bode van het Allerhoogste. Dan daalt er stilte in je hart. Dan is je ziel gerust. En de stormachtige tocht van de geest door wereld en sfeer houdt. Je bent eenzaam te midden van het Licht in stil gepeinzen. Niet meer de korte vreugden die je op aarde hebt gekend, betekenen wat.

Er is stilte. En de stilte wordt groter en groter, tot de hele wereld, de hele kosmos is geworden tot één torenende kathedraal, waarin je ziel knielt voor het hoogaltaar van het Goddelijk Licht, en spreekt. Spreekt met alle kracht, met alle bewustzijn en weten: “Heer, ik dank U voor het leven. Niet mijn, maar Uw wil geschiede mij te allen tijde. Opdat Uw wezen vervuld worde in het mijne en mijn wezen moge opgaan in Uw Licht, eeuwig en altijd.”

Want waar wij gaan, hoe wij gaan, betekent niets. Onze weg zal altijd omringd zijn met zorgen en pijn, tot de bewustwording ons toont hoe de Goddelijke Kracht ons sterkte kan geven. De sterkte brengt ons tot aanvaarding van het leven, tot een verdragen van al hetgeen rond ons is.

En zo vinden wij de harmonie met de kosmos, waaruit het weten ontbloeit, dat ons dankbaarder doet zijn dan ooit. Dankbaarheid in ons wezen voor het leven. Dankbaarheid aan God, zelfs omdat we mogen lijden, is één der tekenen van bewustwording. Het is een teken van aanvaarding. Aanvaarding van de Goddelijke Kracht, aanvaarding van je leven en bestaan. Het is een zegel, dat je plaatst op het verbond tussen jezelf en God. Het is de uitdrukking van de eenheid, die door alle tijden heeft bestaan tussen de Goddelijke Kracht en hetgeen je je wezen noemt.

In deze twee woorden: bewustwording en dankbaarheid, zie ik de wordingsgang van de mensheid neergelegd, zie ik de bewustwording van de geest uitgedrukt. Want de dankbaarheid moet wel voortvloeien uit de bewustwording. De bewustwording moet wel leiden tot dankbaarheid. Omdat het leven zo groot is, zo schoon en zo wonderlijk.

Moge het u gegeven zijn die dankbaarheid in uw hart te kennen. Dan zult gij, met uwe God gaande, uw weg voleinden in vrede en volbrengen hetgeen, waarvoor gij eens van God zijt uitgegaan.

image_pdf