De lichtende godheid

Wij spreken erg veel over het Licht, het goddelijke Licht. Dit kan nooit een licht zijn in de zin waarin wij licht beschouwen. Ik zal proberen u duidelijk te maken hoe wij aan die voorstelling zijn gekomen, wat er eigenlijk achter schuilgaat en wat de werking kan zijn van die kracht in de mensen. Om te beginnen moet u zich voorstellen: de oertijd. Rond de aarde hangt een nevelig wolkendek: er valt ontzettend veel regen. Op een gegeven ogenblik regent het een lange tijd achtereen. Ineens scheuren de wolken en voor het eerst komt de zon tevoorschijn. Een licht, dat de mensen nog nooit zo hebben gezien, een verblindend licht. De aarde dampt, de nevel komt weer op en verbergt de zon weer. Maar de zon keert terug, steeds sterker. Het is duidelijk, dat dit een verschijnsel is dat een overweldigende indruk maakt.

Dan komt de eerste Godheid van licht. Al heel snel beseft men. Je kunt niet in de zon kijken. De zon, die grote lichtende Godheid is te ver weg. Men begint een eenvoudiger Godheid te vereren: de maan. De maan wordt langzamerhand de godin van de vruchtbaarheid: Isis, Astarte. De lichtende Godheid blijft toch het grote geheim. Zonaanbidders komen steeds meer voor. Zon, vuur en licht worden heilige waarden. Neem Mozes die de berg opgaat, boven op de Sinaï. Maar het is een vulkanische berg, laten wij dat niet vergeten. Een berg die in beweging is, waarin het gerommel uit de diepte van de aarde een rol speelt, waaruit gassen opstijgen die mogelijk de man hebben bedwelmd. Daar ontvangt hij dan de Tafels der Wet. Ga dan verder en denk aan alle inwijdingsdiensten die er zijn geweest. Allemaal hebben ze op de een of andere manier de zon als het belangrijkste der dingen beschouwd, want licht is datgene waardoor je ziet. Licht is leven. Licht is soms een heerlijke, soms een verschrikkelijke werkelijkheid. Dezelfde zon die kan doden met haar stralen is het volgend ogenblik (dat heeft u pas weer een paar dagen kunnen ondervinden) een zegen die de mensen doet zingen. Het zoeken naar licht, de verheerlijking van het licht hangt dus samen met de ervaringen van de mensheid als geheel. Het is een soort erfelijke kwaliteit. De behoefte aan zon en zonlicht is zelfs groter naarmate men woont in landen waar de zon minder schijnt. Als u dit begrijpt, dan begrijpt u ook dat vooral in de noordelijke landen de zon zo belangrijk is. God is licht. God is een uitstraling. Al heel snel spreekt men over het goddelijke Licht. En de Heer zelve wordt afgebeeld met een aureool van stralen als de zon: wordt een embleem van de Drievuldigheid een soort zon waarin de Driehoek staat en misschien daarbinnen nog het Alziend Oog.

Wat is dan eigenlijk die lichtende Godheid van ons? Het verblindende, zeker. Want we kunnen niet in de zon kijken. Maar het is ook nog iets anders: het is het levengevende, het is datgene waaraan we ons gebonden voelen. Het is iets waardoor we het gevoel hebben te leven. Iets wat ons soms doet lijden, maar dat we niet kunnen missen omdat we zonder dat helemaal niet zouden leven. Gelijktijdig is het een kracht die ver weg is en die ons toch altijd weet te vinden, die dichtbij is. Als het licht van de zon alom tegenwoordig schijnt te zijn, zou het in de schaduw zijn rol weten mee te spelen. Daarom past het beeld van licht zo goed bij God. Daarom is onze Godheid altijd verborgen achter een gordijn van licht. Daarom is zijn hemel een lichtende wereld ergens bij de zon. Daarom, is de hel een krocht in het diepst van de aarde waar in de christelijke tijd misschien het vuur een rol speelt als een veroordeling van waarschijnlijk de vuuraanbidders, maar waar oorspronkelijk slechts een schemering heerst, een ellendige duisternis waarin je bijna niets kunt zien en het leven traag en moeizaam is.

Wij komen nu voor dit licht te staan. Maar wat is dit licht? Het is zeker niet iets als het zonlicht. Het wekt geen reflexen op. Het is een straling, een uitstraling. Maar wat voor een? Wij kunnen wel zeggen: het is in zekere zin als de zon, want alle kleuren van licht die we ons kunnen voorstellen (alle Heren van Wijsheid, alle Heren van Stralen) zijn met hun waarde vertegenwoordigd in dat ene Licht. Het is de component van het allerhoogst bereikbare. Het is de samenvoeging van het gekende en het onge­kende tot een waarde die we niet helemaal kunnen beseffen. Een uitstraling dus. Maar hoe komen we dan tot de stelling van de uitstraling? Want ook dat moet worden verklaard. Je kunt niet eenvoudig zeggen: het is geen licht, maar een uitstraling. Het goddelijke Licht kan in ons doordringen. Er zijn ogenblikken, dat je in een mystieke vervreemding van de werkelijkheid leeft in een wereld zo licht, dat je eigenlijk niet meer weet waar je bent en wie je bent. Het is een vervulling van kracht. Soms is er een kracht in je die ineens al je faculteiten van beseffen en van leven schijnt te vertienvoudigen in energieën vermogen in ons. Nu, dat kan geen licht zijn.

Een mens heeft een eigen uitstraling, dat weten we allemaal. De meesten van ons zijn er toch wel van op de hoogte dat een magnetiseur door zijn eigen uitstraling iets kan doen voor een patiënt. Maar dat wat in ons gebeurt in dat mystieke ogenblik, in die strijd die we misschien voeren tussen de ver­schillende delen van onszelf, daar komt dan die kracht. Daar is ineens dat besef. Daar is het wegvallen der sluiers voor de ogen. Je kunt eindelijk een ogenblik iets zien of beseffen wat je nog nooit gezien hebt. Het is duidelijk, als dat in ons gebeurt, dan moet het een uitstraling zijn. Maar die uitstraling is kennelijk niet tot onszelf beperkt. Zo goed als elk levend, wezen een uitstraling heeft (een aura), zo goed kunnen we ook de werking van die kracht zien in alle dingen. Er zijn plaatsen waar de mensen zich beter voelen en de kracht proberen uit te stralen. En juist daar bloeien de rozen zo schoon als nergens anders. Er zijn plaatsen waar de mensen in een soort roes, een soort dans van waanzin het licht in zichzelf wekken, zich losmaken van alle werkelijkheid en alle wereld, totdat ze in die duizeling alleen nog maar een ding overhouden: die uitstraling.

Ik meen, dat dit voldoende is om te verklaren waarom ik het goddelijk Licht een uitstraling noem. Maar als we er alleen naar kijken, is het net als de zon. Wij kunnen de zon zelf niet zien door de stralen die ze zendt. Soms echter, bij een zonsverduistering b.v., willen we de zon toch wel graag zien en dan nemen we een glas met roet bestreken. En dan zien we daar flauw de stralen toch doorheen, maar we zien ook de zon zelf. Op deze manier moet je dan proberen naar God te kijken, naar die lichtende Werkelijkheid. Wat is die kracht die alles uitstraalt? In het begin blijkt dat je niet voldoende hebt aan de gewone filters. Je kunt het niet alleen met de rede doen. Je kunt ook niet je gevoelens zo sterk laden dat ze je afschermen. Maar dan ontdek je dat er iets is dat wel die afscherming geeft. Namelijk, eerst het verzamelen van het licht. Je kunt het licht gebruiken om dat voor een deel af te buigen. Op het ogenblik dat je daarin slaagt, kun je iets verder zien in die nevel van licht, kun je iets zien van het wezen dat er achter is.

Niet alleen ingewijden op aarde, maar ook velen in de geest hebben deze pogingen gewaagd. Zij hebben geprobeerd de lichtende Godheid te aanschouwen. Te zeggen dat er iemand ooit geheel in geslaagd is, dat is overdreven. Er bestaan vele verhalen over. Verhalen, die misschien nogal eens afwijken omdat ieder toch weer iets anders meent te zien, iets anders meent te beleven. Als ik echter in dit onderwerp u iets duidelijk moet maken over de lichtende Godheid, dan kan ik niet slechts spreken vanuit mijzelf, dat zou vertekenend werken. Maar ik kan wel proberen al die ervaringen – voor zover ze mij ter kennis zijn gekomen ‑ samen te vatten. Want uit datgene wat door zo velen is gezien, moet toch een beeld te distilleren zijn van de werkelijkheid.

God is in de eerste plaats als een werveling. Het lijkt alsof er een voortdurende beweging is die je op jezelf niet kunt toepassen: je kunt die ook niet werkelijk constateren. Het is een draaikolk van duister waarin steeds weer parelmoerachtige kleuren verschuiven. God is soms een uitbarsting. Het is alsof uit het onbekende duister opeens met een enorme energie a.h.w. een regen van gloeiende bestanddelen omhoog komt die zich dan ontbindt in verschillende kleuren en dan stralen worden. God is een wezen. Want het is duidelijk te zien dat deze uitbarstingen, maar ook de andere stralingen, de wervelingen voor zover we ze kunnen constateren, rekening houden met degenen die in de buurt zijn. Ik citeer hier iemand, die de poging meermalen heeft gewaagd. Degene die sprak over de werveling van duister waarin steeds weer parelmoerachtige kleuren schitteren. Hij zei letterlijk dit:

“Wanneer ik daar ben en schouw, dan is het alsof de kleuren zich zo richten, dat ze mij niet kunnen verblinden. Er is tussen mij en het lichtende altijd een klein beetje duisternis. Er is een reactie op mijn wezen. Maar op het punt van weggaan lijkt het mij alsof er een blauw‑zilveren gloed naar mij uitgaat en mij een ogenblik zachtjes omhult. En dan kan ik niets zien en keer ik terug naar mijn eigen wereld.”.

Een verklaring, natuurlijk. Een persoonlijke ervaring. Maar als je het geheim van de lichtende Godheid ontsluiert, de werkelijkheid van het goddelijk Licht probeert te definiëren dan moet je wel op de verklaringen afgaan, want je hebt geen andere bron. Achter al die beschrijvingen moet een werkelijkheid liggen. Als ik ze allemaal samenvat en probeer op mijn manier een geheel ervan te maken, dan kom ik ongeveer tot het volgende: God is een beweging in het Niets. Hoe die beweging is waaruit ze bestaat, kunnen wij niet zien. Maar vanuit zich wekt ze een reactie die verband houdt met het geheel van het geschapene. Het is deze reactie die we steeds weer zien. Het is deze invloed die we ondergaan. Als wij nu proberen om die invloeden te zien, dan blijkt dat ze begint als een verblindend licht. Iets wat bijna niet te aanschouwen is, tenzij het je vermijdt en je een ogenblik de, mogelijkheid geeft om toch nog te zien. Zodra het echter in onze kenbare wereld komt, valt het uiteen. Het wordt dan een gordijn van magnesiumwit licht dat zich al snel ontleedt in vele kleuren. In die kleuren zien we de gestalten van degenen die die kleuren regeren. Wij zien hoe zij uitgaan en de zielen van zeer vele levende wezens (heus niet alleen van mensen) a.h.w. betrekken in hun spel en speciaal stimuleren door hun eigenschappen. Het goddelijk Licht, ja. Maar wat is God? Het onbekende, natuurlijk. Maar als ik met het onbekende te maken heb, dan kan ik het misschien toch nog wel bepalen aan de hand van de uitwerking die ik ervan zie. Het bewustzijn leid ik af uit het feit, dat zodra het witte licht zichzelf ontbindt in verschillende kleuren en stralen het zeer definitieve eigenschappen vertoont, maar ook dat die eigenschappen bijna precognitief zijn. Het is alsof ze van tevoren weten waar ze nodig zijn, alsof ze van tevoren het gebeuren al hebben bepaald en daardoor op het juiste ogenblik en op de juiste plaatsen hun werking vertonen.

Onwillekeurig denk ik dan aan het Wessac-feest. Zeker, het Wessac-feest is een rite met een magisch karakter. Het is een feest van een aantal geesten die hoog gestegen zijn en heel veel mensen die iets meer weten dan een ander. Ook daar zien we de uitstorting van het Licht: meestal is het niet eens zilverwit, vaak is het eerder goudkleurig. Daarnaast zien we hetzelfde verschijnsel: het bijna parelmoerachtige glanzen van de omgeving waarin dan stralen van een andere kleur en soms vreemde spiralen en werkingen te zien zijn. De bewusten en ingewijden lezen de taal ervan. Ze weten wat er in de komende tijd aan kosmische invloeden op de aarde komt afstormen, wat de straling betekent en waarheen ze de mensheid kan voeren, maar ook wat de mogelijkheden zijn voor de geest. Dan moeten we toch zeggen: als dat alles van tevoren zo te bepalen is, dan hebben we niet alleen maar met een dode invloed te maken. God is een bewustzijn. Het goddelijk Licht is dan ook niet alleen een verschijnsel, maar een bewust gemanipuleerde uiting van het onbekende. En als je daar eenmaal aan begint, kom je als vanzelf verder. Dan ga je zeggen: als ik die kracht van de lichtende Godheid probeer te ontleden, moet ik tot een aantal conclusies komen die op mijn eigen wereld direct van kracht zijn.

Als ik u zeg dat we binnenkort weer een invloed krijgen van felrood licht (overigens nogal lichtend), dan zegt u dat niets, tenzij u de methode kent waarmee we dat uitdrukken. Het is een wat strijdvaardige maar tevens toch ook wat ridderlijke, wat edelmoedige periode. Het is een tijd van veel vuur, veel branden, maar gelijktijdig toch ook weer van menselijk mededogen: het opvlammen van menselijke gevoelens. Als ik zo’n eigenschap zie en ik merk hoe die lang van tevoren is aangekondigd, dan neem ik aan, dat er een wil is die op bepaalde ogenblikken iets stimuleert.

Ga ik nu kijken bij de Witte Broederschap of bij andere broederschappen, want er zijn er meer, dan blijkt dat geen van hen in staat is te bepalen welk licht er zal schijnen. Zij weten wat er zal schijnen, zij weten wat je ermee kunt doen, maar ze weten niet hoe ze het moeten veroorzaken. De bron is onbekend, onberoerbaar, niet te beïnvloeden. De werkingen zijn bekend en de uitwerkingen kunnen worden gebruikt door een vrije wil. Let wel, niet al­leen maar voor een bepaalde schepping, maar voor de mogelijkheid te werken met de krachten die je krijgt en wel volgens de geaardheid van die krachten en binnen de perken welke die krachten mogelijk maken. Dan is God niet alleen een lichtend Wezen, maar een Wezen dat voortdurend zijn invloed doet gelden door alle sferen heen tot op uw eigen aarde toe. Laten we dan nog even verder kijken. Wat hebben we dan te maken met al die kleuren die bijna permanent zichtbaar zijn? Een regenboogachtige ontleding van dit verblindende licht. Als we goed kijken, dan zien we daar Heren in. Wij zien dat ze een eigen persoonlijkheid bezitten, dat ze een richting van bewustwording schijnen te beheersen. Wij zien dat mensen a.h.w. een lange tijd gebonden zijn in al hun bewustwordingsmogelijkheden juist aan datgene wat in hun eigen kleur, hun eigenstraal tot uiting komt. Die stralen zijn dus wegen die ergens tot een bereiking voeren. Wat die bereiking is, dat weten we niet precies. Ik ga weer verder kijken en zie dan dat er soms samenvoegingen van licht voorkomen. Ook daar zie ik Heren. Ik denk aan bv. de drie Heren van Wijsheid.

Wat doen dergelijke krachten? Het blijkt dat zij mogelijkheden scheppen. Het is dus niet alleen een bepalende invloed vanuit het Goddelijke. Neen, er is daarbij een soort mogelijkheid. Door de Heren van Wijsheid is het zelfs mogelijk om je gebondenheid aan één straal zodanig los te, maken dat je gelijktijdig de ontwikkelingen van een andere straal in je kunt opnemen. Maar daar heb je dan wel een van de Heren van Wijsheid bij nodig. Hoe kan dat? Dat kan alleen, als er een kracht is die deze mogelijkheid wenst. Het is niet alleen maar een zuiver natuurlijk product.

In de geschiedenis terugkijkend ontdek ik bovendien nog iets anders. De werking van deze Heren van Wijsheid is niet in elke periode dezelfde. Soms is de werkelijke sleutel tot voortgaan en tot vrij worden van je eigen nauwe gebondenheid aan een kleur juist gelegen in de mystiek, een volgend ogenblik in de magie, een volgend ogenblik in de wetenschap. Eeuw na eeuw wisselt het en verandert het. Dat moet ook zijn betekenis hebben. Het is alsof er wordt gezorgd voor een volledigheid. Dan kun je zeggen: de lichtende Godheid is de volledigheid van het Zijn voor zover wij dit kunnen overzien. Dan zoek ik nog verder. Je wilt nu eenmaal alles weten, zelfs over onderwerpen waarvan je eigenlijk niets kunt afweten. Ik ga de weg van inwijding. Zelf heb ik dat gedaan. Het is een krankzinnige weg. Je gaat op weg naar het licht. En als je het licht hebt bereikt, blijkt dat je terug moet naar het duister. Je gaat door het duister, je gaat door de diepte van alle vernederingen heen, je komt weer omhoog en je ontdekt dat je iets verder bent gekomen. Je begint weer aan dezelfde kringloop, totdat je eindelijk in staat bent om licht te zijn in het duister en de waarde van het duister in jezelf nog te beheersen in het Licht. Dat is een deel van de inwijdingsprocedure.

Kijk, als dat nu het geval is, dan moet ik zeggen: het licht is een alomvattende waarde. Als het een alomvattende waarde is, dan betekent het dat niet alleen alle mogelijkheden erin schuilen, maar dat ik ook alle mogelijkheden eruit kan halen. Want het is natuurlijk heel aardig om afstandelijk en filosofisch te redeneren over het goddelijk Licht dat in de verre verte als een verblindend scherm het grote geheim van de schepping voor ons verhult. Maar wat hebben we eraan? Dat is precies hetzelfde als te zeggen: daar staat een poppenkast, naar er wordt niet gespeeld. Wij moeten het anders benaderen. We moeten zeggen: wat kunnen wij ermee doen? Dan blijkt dat de lichtende Godheid in het geheel van zijn uitstralingen ons toch allerlei mogelijkheden geeft. Die mogelijkheden zou ik ook even willen opsommen, al is het maar om u een ander beeld te geven van de betekenis. Voor een mens betekent iets het meest, als hij er iets mee kan doen. Als je je instelt op bv. het blauwe licht (niet je eigen straal, maar gewoon die sfeer van bezinning, van meditatief ondergaan), dan blijkt plotseling dat er een weten is dat niet rationeel is: het is een intuïtief erkennen. Je kunt het ook geen inspiratie noemen, want een bepaalde bron weet je er niet van. Het is niet het gewone weten, maar het is vooral een vermogen tot combineren. Als wij ons richten op de blauwe schemerige rust, die in het Goddelijke bestaat, dan vinden wij in ons ineens de mogelijkheid de schijnbaar strijdige elementen van ons leven, maar ook de krachten in ons bestaan tot een synthese te brengen, wij brengen er één beheersbare, werkzame eenheid uit voort.

Dan kunnen wij ons ook gaan richten op wat men het “gouden licht” of de levenskracht noemt. Er zijn vele vormen van levenskracht. Er zijn zelfs stoffelijke. Maar als ik mij bezighoud met juist deze afschaduwing van een goddelijke Werkelijkheid, dan lijkt het alsof ik daarin groei. Wie zich werkelijk daarmee bezighoudt ziet zichzelf groeien totdat het even lijkt alsof hij als een reus uittorent boven een Madurodam-achtige wereld en rond kijkend constateert waar wegen lopen en waar mogelijkheden zijn. Gelijktijdig heeft hij ook de macht om een gebouw overeind te zetten of om het omver te gooien, om mensen te vertrappen of te redden. Dat is iets krankzinnigs.

Als je die kracht dan verder nagaat, blijkt dat je met dat licht niet alleen levenskracht kunt uitstralen, maar dat je daarmee ook krach­ten kunt scheppen die bv. op astraal gebied een perfect schild zijn tegen elke illusie, die op je komt afstormen en tegen vele werkelijkheden. Datzelfde licht blijkt een soort ladder te zijn langs welke je verschillende sferen kunt betreden, wanneer je wilt uittreden. En misschien het belangrijkst van alles: het is a.h.w. een vrede in jezelf die je juist helpt om meer actief te zijn dan je anders ooit bent. Dan zien we ook het zilver, de zilveren gloed. O, het zilver is zo dierbaar. Het is in zijn blauwachtige gloed soms een zwaard dat je kunt hanteren tegen een vijandig beeld. Soms is het alleen maar een glans waarin je even kunt wegdromen en een ogenblik later is het een intuïtieve reactie waardoor je de kracht van je doet uitstromen zonder je zelfs maar bezig te houden met de vraag: hoe of waar? Als we het zuiver zien, dan blijkt dat wij te maken hebben met een verheldering van ons wezen. Wij behoeven er niet over na te denken. Er is geen rede, zelfs geen aanvoelen voor nodig. Wij beseffen eenvoudig zonder te weten hoe en we reageren zonder te beseffen op welke manier. Wij zenden magische kracht van ons uit. Wij genezen op afstand. Wij roepen stemmen het verleden op of we kijken vooruit in de toekomst. Het is alsof we plotseling bevrijd zijn van allerlei kluisters van de materie, en in de sferen van de begrenzingen die onze wereld ons pleegt te stellen. Dan hebben we daar die vreemde gloed die misschien groenachtig aandoet: ze ligt tussen groen en goud in. Wanneer we daarmee bezig zijn, dan zien we plotseling hoe we in onszelf de rationalisatie, de verklaring vinden voor het onbegrijpelijke. Wij vinden de woorden en de termen die voor ons het symbool worden van het onbegrijpbare, het onhanteerbare. Met die termen zijn we plotseling in staat de krachten in ons te organiseren, die anders ongebruikt zouden blijven. Het dit onbegrepen innerlijke weten alleen zijn we in staat om hele werelden te betreden en tot hele werelden te spreken.

We zijn in staat om alle talen tegelijk te verstaan en te spreken. We zijn in staat uit de verste verte van het onbekende iets af te lezen van de klanken en van de zinderingen van de sterren in hun wervelende gang in het centrum van het Melkwegstelsel. We kunnen het nog vertalen ook. We kunnen er een melodie van maken. Wij kunnen kleuren samenvoegen en een beeld geven van het ongewetene. Wij vinden symbolen en we weten niet eens waarom of hoe. Dan zoeken we later natuurlijk daarvoor een verklaring. We gaan erover lezen en gaan kijken wat men er vroeger over heeft gezegd. We weten een heel mooi verhaal te vertellen, maar de werkelijkheid omschrijven we niet meer. Die werkelijkheid bestond alleen maar in ons, deel van deze kracht. Ik noem nu maar een paar van de elementen, er zijn er zoveel meer. Het licht van de lichtende Godheid is de kracht van die Godheid die ons bereikt. De Godheid zelf blijft ergens verborgen. In zijn snelste benadering kan de mens of de geest niet veel meer zien dan een soort draaikolk van het onbegrepene waarin een enkele glans soms voor een ogenblik definieerbaar wordt.

Maar het Licht zelf is bruikbaar. Het Licht is een kracht waarmee we kunnen werken. Het Licht is een kracht waaruit we ons ladders kunnen bouwen naar hogere werelden. Het is een fakkel waarmee we het duister kunnen verdrijven in de diepste duisternis of in de diepte van ons eigen hart. Het is de verklaring waarin de eeuwige wetten, de kosmische wetten zelf plotseling begrijpelijk worden. Het is gelijktijdig de onthulling van onszelf voor wat we zijn. Het Licht is onze weg, ons middel. Maar het Licht kan niet bestaan zonder de bron ervan. Het is de bron die ons de mogelijkheden geeft. Het is de bron waarop we antwoorden of we willen of niet. Daarom mogen we zeggen: De lichtende Godheid is een niet geheel te begrijpen werkelijkheid die in uitstralingen ons voortdurend beroert.

Het licht van God is een uitstraling die we niet kunnen definiëren omdat ze ons begrip te boven gaat, die we niet in banden van frequentie uiteen kunnen zetten omdat het soms een heel gamma is van allerlei frequenties in een enkele kleurmogelijkheid. Maar wij weten dat we ons daarop kunnen afstemmen, dat wij daardoor kracht kunnen ontvangen, dat wij van daaruit kunnen werken. Dat we dan niets nodig hebben van wetenschappelijke omschrijvingen, van morele waarderingen of iets anders, want datgene wat in ons is, is voldoende. Het is het enige. De lichtende Godheid is waarschijnlijk de stem van de waarheid die in ons spreekt. De lichtende Godheid is die trilling waarin het leven zichzelf hervindt. En voor zover ik het kan nagaan, is zo ook voor ons een soort geleidestraal. Een baken waarop het kompas van ons wezen kan worden afgesteld op de pool aan het einde van de tijd en zo ons de reis mogelijk wordt gemaakt naar de vervulling van datgene wat onze bestemming is, wat ons de werkelijke vervulling en de werkelijke vrede geeft. Het is duidelijk, dat men over een onderwerp als dit niet zoveel actueels kan zeggen. Als ik heb geprobeerd om het hier en daar te doen, dan is het vooral omdat ik meen dat een filosofisch concept of een theologische opbouw weinig zin heeft, als je daarmee niet iets kunt doen.

Als je zegt: God is met u, dan moet je het kunnen bewijzen. Als je zegt: de kracht zal op u neerdalen, dan moet die kracht niet alleen komen, dan moet ze ook kenbaar worden: er moet iets gebeuren. Ik stel, dat die lichtende Godheid in ons een gebeuren is, niet definieerbaar en met geen enkele filosofische benadering voldoende te verklaren. Niet te vatten in de rede. Zelfs in het geloof vaak eerder een vage wolk in de verte dan iets begrijpelijks, maar ze is er. Ze is er die bron van Kracht. Ze is er die uitstraling. Daarom meen ik dat ik deze inleiding tevens mag beëindigen met een toespitsen tot de volgende conclusies: datgene wat wij het goddelijke Licht noemen is een straling die het geheel van de schepping om vat en waarin wij alle eigenschappen en mogelijkheden, die binnen de schepping te erkennen zijn, kunnen terugvinden. Wij kunnen ons wezen afstemmen op delen van dit Licht of deze Straling. Hierdoor zullen in onszelf bepaalde mogelijkheden en capaciteiten worden gewekt die zonder dit niet aanwezig zouden zijn. Wij kunnen de bron niet kennen, maar wij weten dat al datgene wat wij innerlijk goed achten kan voortkomen uit deze bron en dat de straling eveneens kan worden gebruikt voor al datgene wat wij misschien verwerpelijk of kwaad noemen. De lichtende Godheid stelt geen criteria die een mens kan begrijpen, maar ze schept een mogelijkheid waarin elke mens kan leven.

Uit de volledige uitstorting van deze Kracht die voortdurend plaatsvindt, kunnen wij soms (zoals op het Wessac-feest gebeurt maar ook onder andere omstandigheden) een deel van die Kracht voor onszelf meer beleefbaar en kenbaar maken. Het is in deze procedure dat wij kunnen leren op welke wijze wij ons het best kunnen waarmaken en welke geestelijke en andere mogelijkheden voor ons op dit ogenblik het meest belangrijke zijn. Want degene die zichzelf niet waarmaakt en vervult, schiet tekort tegenover deze lichtende Godheid. Hij, die zichzelf niet ontplooit in al zijn gaven zo goed hij kan, verloochent de uitstraling van het Licht. Maar wie in zichzelf alles aanvaardt, zal gaande misschien door licht en duister, maar altijd weer bereikend een groter begrip van datgene wat wij licht noemen zijn weg vinden naar een eindbestemming, die wij eveneens maar moeizaam kunnen omschrijven, maar die zeker bevat het volledige geluk en de volledige vrede die er in een “ik” kan bestaan.

Daarmee wil ik deze inleiding beëindigen. Ik ben mij ervan bewust dat ze kort en kracht is. U heeft er echter weinig aan, als ik nog uren verder blijf filosoferen over alles wat men ooit heeft gezegd over het Licht. Ik kan de hele voorgeschiedenis er nog bijhalen. Ik kan alle filosofen citeren en zelfs een aantal schrijvers, maar je komt er niet verder mee. Wat ik heb gezegd is volgens mij de essentie van het onderwerp.

*  Waarom komt de impressie die men krijgt van het goddelijk Licht voort uit het duister?

Het is door het contrast met het duister waardoor die impressie ont­staat. Ik zal trachten het duidelijk te maken. Als wij te maken hebben met de volledige waarheid, dan is ze dermate overrompelend voor ons dat wij haar niet kunnen verwerken. Als we worden geconfronteerd met de totale uitstraling van alle krachten gelijktijdig, dan weten wij er geen raad mee dan zijn we doorgedraaid. Daarom hebben we iets nodig dat tussen ons en dat licht staat: een soort filter.

Dat is dan nog niet de duisternis zelf, want de diepste duisternis kun je er heus niet tussen schuiven. Als je in de diepste duisternis zit, zie je het licht niet meer. Maar je kunt wel proberen iets van de beper­king van het duister te gebruiken en daardoor het licht te reduceren tot termen waarin je het nog kunt zien. Het licht zelf, als wij dat beschouwen, is voor ons duisternis, een werveling van duisternis. Dat is iets wat de meesten ook niet begrijpen. Ze zeggen: waarom duisternis, waarom niet licht? Luister eens even: als licht zo ontzettend fel is dat u het niet meer kunt zien daar komt het feitelijk op neer dan is het voor u toch eigen­lijk duisternis. Daarom heb ik het zo geciteerd. U moet maar zo denken: wij praten ontzettend veel over God en dat is ontzettend gemakkelijk. Wij we­ten niets daarvan en bovendien kan niemand bewijzen dat we ongelijk hebben, vandaar dat er over God zoveel wordt gezegd. Maar als we proberen de wer­kelijkheid te benaderen, zoals ik vanavond heb gedaan, dan komen we op een punt, dat we zeggen: Het is voor mij duisternis: een soort weifeling in het duister waarin zo nu en dan een voor mij kenbaar iets naar voren komt. En dat werd dan door de waarnemer aan wie ik het beeld ontleende omschre­ven als parelmoeren glanzen. U weet, parelmoer glanst zo, dat het lijkt als­of er allerlei kleuren in aanwezig zijn. Zoiets is dan de uiting, die we nog kunnen gadeslaan en die we nog kunnen verwerken.

*  Hoe kan men voor zichzelf uitmaken met welke delen van het goddelijk Licht men het best kan werken?

Dat kunt u het best uitmaken door na te gaan met welke instelling u het best kunt werken. Ik heb nu een indeling gegeven. Ik heb het gehad over verschillende kleuren, maar u moet begrijpen dat dat maar heel erg beperkt is. Als ik een groot stuk papier neem, zo groot als deze tafel en ik trek daarop vijf lijnen, dan kan ik zeggen: dit deel is deze lijn. Maar daartussen zijn duizend‑en‑één mogelijkheden. Naast elke lijn kun je een onbeperkt, oneindig aantal andere lijnen trekken, in theorie natuurlijk. Zo is het met die lichtkleuren ook. Er is dus altijd wel een relatie met het Goddelijk die voor u een speciale is. Maar hoe kunt u nu die speciale kracht ontdekken? Dat is eigenlijk niet mogelijk. U kunt ze namelijk niet definiëren U kunt geen berekening maken en zeggen: dit is dat deel van de goddelijke Kracht dat voor mij werkt. Maar u kunt wel iets anders doen. U kunt zeggen: ik wil werken met de goddelijke Kracht. Zeer algemeen gesteld dus. En u dan afvragen: onder welke omstandigheden voel ik die kracht het meest in mij en behaal ik het beste resultaat? U zult zien dat dat heel erg uiteen loopt. Er zijn mensen die een uitgebreid ritueel nodig hebben, maar dan hebben ze ook een kracht te pakken die iets doet. Anderen kunnen de goddelijke Kracht het best beleven, als ze zich bezighouden met de raad­selen van hun wetenschap. Weer anderen denken alleen: het is er en dan is het er. Wat werkt voor u het best? Welke stoffelijke en geestelijke oefeningen geven in u dit gevoel van vermogen, van inzicht, van kunnen? Dat kunt u alleen zelf bepalen. Nu is er gelukkig één hulpmiddel. Elke mens heeft namelijk een persoonlijke instelling. Dat is natuur­lijk ook zijn uitstraling. Die uitstraling heeft een eigen vibratie die op een bepaalde manier op de wereld reageert. Je hebt een uitstraling die met de een wel harmonisch is en met de ander niet. Dus je selecteert eigenlijk. Dat doe je ook ten aanzien van je leven. In je leven heb je bepaalde voorkeuren en je hebt bepaalde dingen waarvan je je afkeert. Er zijn dingen die je in jezelf erkent als enig juist en andere dingen die je terzijde zet.

Je kunt er later wel anders over denken en dat gebeurt ook wel, maar op dat moment is het het enig juiste. Als je nu van dat enige juiste op dat ogenblik uitgaat en je verbindt dit voor je gevoel met de goddelijke Kracht en de goddelijke Werkelijkheid, dan behoef je dus alleen maar het doel te stellen en kun je met de goddelijke Werkelijkheid tastbare resultaten bereiken.

*  Kunt u iets nader ingaan op de werkwijze van de Heren van Licht?

Ik kan er wel het een en ander over zeggen. De Heren van Licht zijn weer anderen dan de Heren van Wijsheid en de Heren der Stralen. Het is name­lijk zo, dat wij aan bepaalde werkingen van het Goddelijke een eigen persoon­lijkheid toekennen, omdat de kracht die daarin zit vanuit ons standpunt zich gedraagt als een definitieve persoonlijkheid met eigen kwaliteiten, eigen­schappen, maar ook onvermogens. Spreken wij nu over de Heren van Licht (de zeven Heren van Licht, net als bij de Stralen, in andere gevallen spreken we ook wel van de drie Heren­ en de vier dienaren: dat is een onderscheid dat wij maken), dan hebben wij het in feite over de krachten die het Licht helpen uiteen te vallen. Wij zouden het het best kunnen omschrijven als een soort prisma waardoor de directe en ene Kracht wordt ontleed in al haar kwaliteiten. De Heren van Licht manifesteren zich dus niet als het Licht zelf, maar juist in de mo­gelijkheid het Licht te ontleden en elk van die ontlede delen afzonderlijk te richten. Dat is hun grote kwaliteit. De Heren van Licht worden vaak betiteld als inwijders. Dat is begrijpe­lijk. Zij beschikken namelijk over alle kwaliteiten die we ook kennen in de Heren der Stralen en de Heren van Wijsheid. Zij kunnen echter in tegenstel­ling tot deze persoonlijkheden, die tot een bepaalde kwaliteit beperkt zijn, de delen ven het goddelijk Licht, waarin die kwaliteiten liggen, combineren. Zij geven dus de mogelijkheid om verscheidene Stralen en een bepaalde Straal samen te voegen en daarbij voor een bepaalde mens of soms voor een bepaalde (tijdperk) een zeer bijzondere werking in de menselijke en zelfs in de geestelijke ontwikkeling tot stand te brengen. Als wij proberen ze verder te omschrijven, dan wordt het helaas wat va­ger. Als persoonlijkheden is het enige dat je met zekerheid kunt zeggen: zij ontvangen het geheel, maar kunnen het slechts in zijn delen ontleed ver­der geven. Dat is de belangrijkste kwaliteit. Wil je ze proberen te definiëren in hoogte, dan zou ik zeggen: de Heren van Licht staan een trap ho­ger dan de Heren van Wijsheid en de Heren van de Stralen. Probeer je hun betekenis voor de mensheid als zodanig, dus ook voor u, te stipuleren, dan zeg je: de Heren van Licht zijn in feite de inwijders, die de mens de moge­lijkheid geven om vanuit een bepaald begrip of beginsel op zijn wereld een voor hem aanvaardbare vorm van leven te vinden waarin een zo groot mogelijk deel van de voor hem belangrijke goddelijke waarde mede tot uiting wordt ge­bracht.

*  Zijn er ook Heren die vroeger op aarde hebben geleefd?

Wij nemen aan van niet, maar we weten het niet zeker. Wij weten dat heel veel hogere geesten en vele van de z.g. engelen, zelfs enkele van de aartsengelen vroeger hebben geleefd. Een deel van hen heeft geleefd in de prémenselijke era, dus op een andere planeet. Enkele van hen zijn in de vroegste era ook nog geïncarneerd geweest op aarde en hebben daar een rol gespeeld als rassengeest of iets dergelijks. Er zijn dus vele entiteiten die behoren tot het mensdom. Vele engelen behoren dus gewoon tot de menselijke evolutie. Als je zegt “engel” en je denkt aan de mense­lijke evolutie, dan moet je zeggen: Het is een engel, omdat hij het duister in zich met het licht in zich zodanig heeft verenigd dat hij met geen van beide in een werkelijke strijd is gewikkeld. Als je nu vraagt. Wat zijn de Heren van Licht? Dan kan het zijn dat dat ook persoonlijkheden zijn die ergens op een planeet hebben geleefd. Maar gezien de positie die ze innemen is dat niet erg waarschijnlijk. Want om zover te komen dat je de goddelijke Kracht direct in haar volheid kunt ontvangen en bovendien a.h.w. kunt ontleden en delen daarvan kunt samen­voegen, dan moet je toch al erg ver zijn. Ik denk niet dat die menselijke evolutie (het is een behoorlijk aantal miljoenen jaren) zoveel bewustzijn heeft voortgebracht dat dat mogelijk was. Ik denk wel, dat er entiteiten zijn geweest die zich op aarde hebben gemanifesteerd (dat is iets anders dan in de aarde‑menselijke evolutie thuishoren) en die deze hoge waarde in zich volledig beseffen. Maar ik geloof niet, dat ze identiek zijn met de Heren van Licht omdat ze zich nog in bepaalde sferen voortdurend manifesteren: iets wat de Heren van Licht niet doen.

Als antwoord op uw vraag zou ik zeggen: voor zover mij bekend is (dat is het bekende voorbehoud) zijn noch de Heren van de Stralen, noch de Heren van Wijsheid, noch de Heren van Licht wezens, die in de menselijke evolutie één of meer incarnaties hebben gekend.

*  Hoe bemerkt u de invloed van deze Heren van Licht?

Door mij te richten op bepaalde aspecten die voor mij deel uitmaken van het Goddelijke word ik mij bewust van een sturende invloed. Nu ben ik een geest: d.w.z. dat ik mij veel gemakkelijker kan beperken tot een enkel aspect dan een mens dat kan. Op het ogenblik dat ik dit doe, word ik ge­confronteerd met een persoonlijkheid. Die persoonlijkheid is voor mij te groot, onomschrijfbaar. Maar ik word mij wel bewust dat vele facetten naast die welke voor mij op dit moment belangrijk zijn van de persoonlijkheid uit­stralen. Als ik eenmaal zover ben, ga ik natuurlijk vragen aan anderen: hoe ervaren jullie dit? Ik krijg dan een composiet beeld. Want een Heer van Licht bete­kent voor een ieder die aan zo’n ontwikkeling deel heeft toch weet iets anders. Maar omdat je grondwaarden hebt waarvan je kunt zeggen: nou, dat is zeker dezelfde, krijg je dan een beeld van zo’n werking. En uit dat beeld kun je dan ‑ althans voor een deel ‑ zijn persoonlijkheid en daarnaast ook zijn mogelijkheden wel aflezen. Niet werkelijk volledig begrensd, maar wel volgens de grootste waarschijnlijkheid gebaseerd op een voldoende aantal belevingen en waarnemingen. Zo komen we dus tot die definities.

*  Is dit alleen maar herkenbaar voor geesten of kunnen aardse mensen ook daarmee in contact komen?

Er zijn praktisch geen mensen die in staat zijn zich zo los te maken van hun eigen persoonlijkheidsvoorstelling dat ze tot een waarneming kunnen komen van de bron van de krachten waaruit ze leven. Dat wil zeggen, dat er mensen zijn die de Heren van licht inderdaad kunnen kennen. Zij beseffen wel degelijk tot welke straal ze behoren en voelen de kwaliteiten aan van de Heer waaronder ze ressorteren. Maar ze kunnen die persoonlijkheid niet zo gemakkelijk benaderen. Van kennen is eigenlijk geen sprake, wel van een ervaren, maar dan alleen op grond van de persoonlijke afstemming, de persoonlijke kwaliteiten en de wisselwerking van het eigen “ik” en de kracht die daarboven staat: de Heer van Licht of wat hij ook moge zijn.

Dit is een onderwerp dat eigenlijk ingewikkelder lijkt dan het is. Dat komt omdat je als mens altijd geneigd bent te definiëren vooral vanuit een menselijk standpunt. Het zou heel leuk zijn als Ome Arie een Heer van Licht was, dan konden we allemaal zingen: “De Heer van Licht heeft een lot gekocht in de sweepstake.” En dan zouden we ons opeens veel dichterbij voelen. Al datgene wat eigenlijk niet menselijk is omdat het te ver boven alle menselijke beperkingen uitgaat, geeft ons een gevoel van onzekerheid. Dat willen we graag herleiden tot menselijke termen: en wat dat betreft, ook in bepaalde geestelijke sferen tot de termen van de eigen sfeer. In Zomerland zie je dat heel sterk. Maar dat wil niet zeggen dat wij ze niet kunnen beleven. Als je in Zomerland lering ontvangt (dat gebeurt ook wel eens in gezelschappen), dan moet je eens praten met degenen die bij zo’n lering aanwezig zijn. Je komt dan tot de conclusie, dat de meesten denken dat ze hebben gezeten rond een lichtende zuil. Daarin hebben we dan wel allerlei kleurschakeringen gezien en ze zijn het daar meestal niet over eens, maar het was geen mens, het was een zuil. Waarom? Eenvoudig omdat ze niet in staat waren de volledige persoonlijkheid die zich daar uitte te constateren. Wat overbleef was voor hen alleen een verbinding tussen hun eigen wereld en een onbekende wereld, een hogere wereld. Dat werd dan uitgedrukt in een zuil. De aspecten van lering, die ze hebben ervaren, hebben ze dan mede omgezet in kleuren. Zo komen ze allemaal tot de beschrijving van “de kleuren die wervelen in de zuil.”

Ik denk, dat dat eigenlijk altijd zo is. Als je geen bewustzijn hebt om iets volledig te overzien, dan kun je gewoon niet zeggen wat het is. Als je een ingewikkeld beeldhouwwerk hebt (de Laócoon bv.) en je brengt er een blinde naartoe en laat hem een deel ervan betasten, dan kan hij toch ook niet vertellen wat het is. Hij kan misschien zeggen: Het is koud, het is marmer. Hij heeft er wat lijnen in gevoeld, mogelijk schubben. “Het is misschien wel St. Joris en de draak,” zegt hij dan. Maar dat brengt ons niet verder tot de werkelijke voorstelling, laat staan tot het evenwichtig uitdrukken van het beeld. Op dezelfde manier staan wij ook tegenover die grote figuren, die grote Persoonlijkheden. Zij omvatten zoveel, dat ons vermogen niet in staat is daarvan meer dan een klein stukje waar te maken. Je kunt toch niet zeggen: dat is kennen. Maar als daar nu honderd blinden staan, die allemaal, een ander stukje te pakken hebben en bovendien nog in staat zijn om elkaar dat stukje over te dragen, dan kun je misschien toch nog een voorstelling krijgen van wat de Laócoon eigenlijk is, wat hij voorstelt. Dat is nu juist het aardige ervan. Je kunt dus tot een benadering komen van de werkelijkheid, als je genoeg verschillende ervaringen kunt samenvoegen. Maar dan moet je niet zeggen: dit is de werkelijkheid. Je moet alleen zeggen: dit is onze benadering van de werkelijkheid. Dat heb ik dan ook zeer nadrukkelijk gedaan.

*  Zijn de Heren van Licht identiek met de Heren van de Vlam bij de Rozenkruisers?

De Heren van de Vlam. Het is eigenlijk niet de juiste term. Als je het goed vertaald is het: The Guardians of the Flame: de Wachters van de Vlam en niet de Heren. Heren van de Vlam is in de eerste plaats een onvolledige vertaling uit de oorspronkelijke teksten. In de tweede plaats: het zijn niet de Heren van Licht. Om dat te begrijpen moeten wij uitgaan van de basis van het Rozenkruiserschap. Dit valt namelijk terug op de kernwaarde: het Verborgen Priesterrijk. In het Verborgen Priesterrijk is een plaats waar de goddelijke Werkelijkheid zich openbaart. Dat heet De Vlam.

Deze Vlam wordt behoed door de machtigsten, de hoogste hogepriesters eigenlijk, die ervoor moeten zorgen dat in het Rijk deze Vlam voortdurend blijft branden. Dat valt weer terug op het waken voor het vuur en het altaar in de oudheid. Het is een overdrachtelijk beeld. Gelijktijdig moeten zij ervoor zorgen dat het licht van de Vlam wordt verspreid. Dan is hun functie ten aanzien van het Priesterrijk misschien enigszins vergelijkbaar met die van de Heren van Licht. De werking is echter niet dermate kosmisch dat ze als een volledige vervanging kunnen worden gezien. Ik moet het zo zeggen: de bewakers van de Vlam zijn dogmatici die een deel van de goddelijke uitstraling volgens hun eigen beeld van waarheid verbreiden en in stand houden.

De Rozenkruisers hebben ook een deel van de waarheid als alle anderen. Als je het rozenkruis beschouwt als het waarmerk van de werkelijkheid, dan moet je leren om de kruisweg te gaan, om het kruis te dragen en de bloei van de werkelijkheid in jezelf te aanvaarden en te beleven. Als je dit gelijktijdig doet, dan ben je deel van het rozenkruis, eerder niet. Het betekent dat je jezelf kent, dat je je weg beseft, dat je je kosmos redelijk goed beseft en dat je het geheel aanvaardend jezelf waarmaakt zodanig dat de wijsheid van het rozenkruis (de rozen) gaan bloeien en daarbij de Christusgeest zodanig in je ontwaakt dat je deel hebt aan het geheel, de lasten van het geheel draagt en tevens de vreugde van de volledigheid in jezelf erkent.

Besluit:

Als ik mij zo bezig houd met de lichtende Godheid, dan is mij wel één ding duidelijk geworden: u beseft kennelijk dat de lichtende Godheid te ver van u afstaat, anders waren al uw vragen niet gegaan over de Heren der Stralen, de Heren van Licht enz. Dat is een verstandige benadering. Wij moeten weten dat ergens die bron van alle kracht, die uitstraling die alles overheerst bestaat. Want in onszelf vinden wij toch steeds weer de vage aanduidingen daarvoor. Dan weten we tenminste waar we die aan kunnen toeschrijven. In de werkelijkheid hebben we echter te maken met onszelf, met ons eigen bestaan. Dat betekent, dat wij niet zo sterk geïnteresseerd zullen zijn in de totale kosmische waarde van de scheppende Kracht, maar wel geïnteresseerd zullen zijn in die krachten welke voor ons bruikbaar zijn, die in ons leven en die via ons wezen, onze wereld eigenlijk kenbaar worden.

*  Dat is toch begrijpelijk, want waarom zouden we grijpen naar het hoogste?

Staren in de zon heeft geen zin, als je niet eerst alles gezien hebt op je eigen wereld. Misschien vindt u het een beetje vreemd dat ik dat na zo’n onderwerp zeg. Maar al deze grote werkelijkheden, dit hemelse Licht, de lichtende werkelijkheid en hoe je het allemaal wilt noemen, zijn dingen waarin wij leven. Als de zon schijnt, kijkt u dan nergens anders naar dan naar het feit dat ze schijnt? Als u dat doet, dan zijn er binnenkort weer enkele verkeersslachtoffers meer, waaronder uzelf. Integendeel, u kunt dat licht juist gebruiken om beter om u heen te kijken, om te zien wat er is, wat er leeft. Voor ons is de uiting belangrijker dan de bron. Dat klinkt nu misschien heel vreemd, maar de bron kunnen we niet kennen: de uiting is voor ons wel kenbaar.

Laten we ons dan bezighouden met hetgeen wij zelf zijn, wat we zelf kunnen, wat we zelf doen. Laten we dan niet al teveel oreren over de hoogste waarden waarvan we eigenlijk niets kunnen afweten, die voor ons altijd maar vage en lege woorden blijven.

Als wij zeggen: O, gij zult verdoemd worden, dan blijft het een vage angst. Wij weten niet wat het betekent. Daarom kun je beter iemand een klap op z’n kop geven dan met verdoemenis te dreigen. Die klap op z’n kop spreekt dui­delijker taal.

U leeft vandaag. Dit is toch uw deel van de goddelijke Werkelijkheid? Wat u vandaag beleeft, wat u vandaag bent, wat u vandaag doet, wat er zich vandaag in u afspeelt dat is toch hetgeen voor u en uw persoonlijkheid (ook voor uw werkelijk “ik”, eeuwig als het moge zijn) van belang is?

Eens heeft Richard III uitgeroepen: “Mijn koninkrijk voor een paard.” Kijk, als er nu geen paarden zijn, kun je het misschien met hardlopen proberen. Heel wat mensen roepen om een paard en daarvoor willen ze dan het Koninkrijk Gods wel geven. Maar ze zijn niet bereid om zelf hard te lopen. Zelf hardlopen kun je: dan moet je dat ook doen. Een ander vertelt een heel mooi verhaal: er werd eens een bode uitgezonden. Er viel een nagel uit de hoef van zijn paard, daarna viel het hoefijzer van de hoef van het paard, de ruiter viel en daardoor kwam de boodschap nooit aan. Heel veel mensen die zo ontzettend bezig zijn met alleen het hogere, zijn eigenlijk een beetje als de bode uit het verhaaltje, want ze vergeten om eerst alles hier te controleren. De bode zat met zijn gedachten bij zijn bestemming. Hij schoot zeker wel op. Hij schoot zo op, dat hij zijn nek daarbij brak. Maar dat doe je toch ook, als je te ver boven de werkelijkheid uitloopt.

Het goddelijke Licht of hoe u het noemen wilt, is altijd met ons. Al die verschijnselen die ik heb genoemd zijn altijd met ons. U behoort tot een bepaalde straal. U heeft ongetwijfeld op z’n tijd de beïnvloeding van de Heren van Wijsheid of misschien leert u hen bewust benaderen. U zult steeds weer worden getroffen door datgene wat de Heren van Licht zich voor u kunnen veroorloven, wat ze samenvoegen, wat zo openbaren. Maar in plaats van nu te kijken waar het vandaan komt, zoudt u toch beter doen om te zien wat u daarmee kunt doen, want daarvoor wordt het gegeven. Ik geloof, dat dat een punt is waaraan we al te snel voorbijgaan.

De lichtende Godheid bestaat. Eens was het de zon die niet werd begrepen door de mensen. Nu is het een vaagheid die ze niet kunnen omschrijven of de Vader noemen of bv. Allah. Maar de lichtende Godheid is in feite de uitstraling van de werkelijke, scheppende en levende Kracht. Ze is er. Laten wij dan datgene van die kracht wat ons wordt gegeven gebruiken in een streven om onszelf beter te kennen en juister en harmonischer te leven in de wereld waarin wij menen te verkeren. Laten wij haar zo gebruiken. Laten wij dan niet doen alsof alleen het hogere van belang is en verder niets.

Er was eens een heilige. Althans zijn zonden zijn nooit bekend geworden, dus kwam hij op de heiligenkalender terecht. Deze heilige wilde zo graag de goddelijke Waarheid kennen, dat hij weigerde te eten en slechts wat dauw oplikte. Het resultaat was, dat de man een vermageringskuur onderging die ontstellend was. Ten slotte had hij vele beelden in zich. Hij meende, dat hij de goddelijke Werkelijkheid en demonen beleefde. Toen had hij pech. Toevallig kwam er een broeder kluizenaar voorbij. Deze zag hem daar liggen en dat hij van uitputting aan het sterven was. Hij heeft hem toen voorzichtig opgekweekt. En zie, de duivels en de hemelbeelden verdwenen. En wat bleef er over? Honger en een magere man, die bad tot God en niet meer wist waarom. Als u nu ook zo wilt leven, dan komt u niet veel verder.

Wie zich de aarde ontzegt om de hemel te winnen, die moet wel heel goed begrijpen, dat wie verhongert in de ervaringsnoodzaak van deze wereld slechts de waanbeelden ziet die niets met de goddelijke Werkelijkheid te maken hebben. Als u behoort tot een bepaalde straal, ach, dat is goed. Dat is nu eenmaal zo. Maar als u bv. in lijn 9 zit, vraagt u zich dan af welk nummer de wagen toevallig heeft? Of als u in een bus zit, wilt u dan eerst weten welke motor erin zit? Of vraagt u zich af, of de bus rijdt? Zo moet u een straal bekijken. Het is een gang van bewustwording. Door de kwaliteiten die u op den duur misschien leert kennen aan hetgeen u zelf bent, kunt u zeggen: Ik behoor tot de blauwe, gele, groene etc. straal. Maar daarmee bent u toch niet verder gekomen. Het gaat erom: wat kunt u ermee doen? Hoe komt u daarmee verder?

U kunt zeggen: De Heren van Licht beïnvloeden mij. Dat is best. Maar als die Heren van Licht u beïnvloeden dan moet u met die invloed eerst wat doen, anders heeft het geen betekenis. Het is belangrijker te werken met de krachten en de gaven die u worden gegeven, hoe dan ook, dan te verkla­ren waar ze vandaan komen. Er is een bekend verhaal van een dokter die een patiënt had opgegeven. Deze ging toen naar een kruidendokter-magnetiseur. De patiënt genas. De dokter was woedend. Hij zei: dat is niet juist, want wetenschappelijk gezien had u dood moeten zijn.

Heel veel mensen, die bezig zijn met alleen geestelijke waarden, met esoterische of andere theorieën vergeten de werkelijkheid. Het is belangrijker uit het werkelijke Licht te leven door hetgeen men doet en is dan het werkelijke Licht te kennen en daarin zo op te gaan, dat niemand in de buurt enig leven heeft. U vindt het misschien een narede die een beetje bitter is, maar zo is het toch eigenlijk. Laat mij het niet te lang maken met deze betogen en het zo zeggen: beste vrienden, er is een goddelijk Licht. Er is een lichtende Godheid. Er is een straling, een vibratie van de schepping die overal doordringt, maar u zit toevallig nu hier. Maak vandaag van uw leven en uw bestaan het beste dat mogelijk is.

Zoek vandaag in een zo goed mogelijk kennen van uzelf een zo groot mogelijke harmonie met de wereld te bereiken. Als u dat doet, beantwoordt u aan de lichtende Godheid en aan alle krachten, die vanuit Hem mede uw leven en bestaan misschien helpen bevorderen. Dat is het belangrijke. Uit het leven en uit het resultaat dat het leven opbrengt meer nog dan uit de theorie blijkt de werkelijke verbondenheid met de lichtende Godheid waarover wij vandaag hebben gesproken.