De lieve God en de astronauten

image_pdf

22 april 1966

Bij het begin van onze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na.  Mijn onderwerp gaf ik de titel: De lieve God en de astronauten.

In het geloof van velen woont de lieve God in de hemelen! De astronauten zijn zwaar op weg daarheen. De vraag rijst dus of zij elkaar misschien eens zullen ontmoeten. Nu weet ik heel goed, dat de hemel nog iets anders is dan het uitspansel, terwijl God heel iets anders is dan een lieve oude man, die in de wolken zit. Dit neemt echter niet weg dat velen op aarde zich dit ongeveer zo nog steeds voorstellen. De vraag, die ik in mijn onderwerp wil poneren is dan ook niet zo eenvoudig. Want het gaat er niet om, of de astronauten, die tegen die tijd misschien wel kosmonauten heten, de lieve God nog eens tegen komen, maar meer om de vraag: Wat betekent eigenlijk de laatste ontwikkeling van wetenschap, ruimtevaart en ook astronomie voor de mens en het godsgeloof in de mens? Bij een beantwoording kunnen wij in ieder geval stellen, dat het in geen geval zo is, als men het kennelijk tot voor kort gedacht heeft.

De voorstellingen van de mens zijn altijd wat gevaarlijk geweest in dit opzicht, wanneer zij met een werkelijkheid geconfronteerd worden. De wereld, waarin volgens de mensen God leeft, is altijd een theologische wereld geweest. Een wereldje, waarin de wetten door menselijk denken en filosoferen zijn vastgesteld; een wereldje, dat volgens de mensen (omdat God eeuwig is) eeuwig moet zijn en daarmede wel een wat star wereldje. Je zou haast zeggen, dat de voorstelling van een goddelijke wereld, zoals vele mensen die koesteren, overeenkomt met een beeld van een kosmos met zware reumatiek. Nu komt opeens de wetenschap en stelt de mensen in staat de aarde te verlaten. Er komen observatoria in de ruimte, die in staat zullen zijn een aantal verschijnselen waar te nemen, die tot op heden niet werden geconstateerd, of, zo zij voorkwamen, gemakkelijk met atmosferische storingen en verschijnselen konden worden weg verklaard.

Er zijn ook de laatst tijd radiotelescopen gebouwd, waardoor men langzaamaan tot de conclusie zal gaan komen, dat het proces dat zich na een novaperiode van een ster afspeelt, gepaard gaat met grote activiteiten, ook al weet men nu nog niet welke. Hoe lang zal het nog duren, voor men tot de conclusie komt, dat de eigenaardige straling, die ook in het radiospectrum kenbaar wordt, zeer eigenaardige en harde stralingen in de ruimte omvat?

Men zal immers ontdekken, dat er niet alleen maar sprake is van het ontstaan van magnetische verschijnselen en velden, maar ontdekken, dat er tevens sprake is van een soort verschuiven van de ruimte rond een dergelijke ster, die ondermeer gepaard gaat met een super harde bètastralen en gammastraling boven alle tot nu toe gekende normen.

Heeft men dit echter eenmaal ontdekt, dan zal ook duidelijk worden, dat zich in de ruimte vele processen afspelen, die wij tot op heden als eigen en afzonderlijke acties aan God hebben toegekend. Dan wordt een God, die de mens vormt uit klei en met zijn adem tot leven brengt, inderdaad tot een soort sprookjesfiguur. Dan wordt duidelijk, dat overal, waar een supernova terugvalt op zichzelf, het moment voorkomt, waaruit leven voort kan komen. Dan wordt ook duidelijk, dat de mens, die zich in de ruimte beweegt, wanneer hij eenmaal zich psychisch aan een langer verblijf buiten direct zicht en contact met de aarde heeft weten op te werken, een grote reeks van zonderlinge psychische belevingen doormaakt. Belevingen, die de rede niet aantasten, maar toch zover kunnen gaan, dat zij een mens het vertoeven op de wereld haast onmogelijk gaan maken.

De lieve God is ergens dan alleen maar een sprookjesfiguur. Niet dat ik het bestaan van God wil ontkennen. Maar deze goedertierende, almachtige en rechtvaardige heer, die op zijn troon zit, omringd door engelen, heerschappijen, tronen, aartsengelen en wat er verder ter tafel wordt gebracht, is niet meer aanvaardbaar. Dit beeld van God overlijdt met de komst van de werkelijke ruimtevaart. Het sprookje van het geloof gaat steeds meer plaats maken voor de kennis. Het is misschien interessant (wij spraken de laatste tijd zoveel over de nieuwe leer) nu eens na te gaan, wat er uit de nieuwste ontwikkelingen van techniek en kennis alzo zal voortkomen ten aanzien van een beeld van God, een ‘Lieve Heer’. Wij beginnen dan met enkele feiten. Naarmate de mens meer de begrenzing van zijn eigen zonnestelsel leert bereiken en uiteindelijk ook overschrijdt, zal het hem duidelijker worden, dat hij niet het enig denkend levende wezen in de ruimte is. Hierdoor zal het denkbeeld, dat de aarde de enige levendragende planeet in het heelal is, de planeet die ‘door God werd uitverkoren’ tenietgaan. Dit zal een grote klap zijn voor het gevoel van menselijke eigenwaarde van velen.

Dit zal een zeer grote omwenteling betekenen voor een wereld, waarin men nu nog rassengeschillen godsdienstig meent te kunnen beleven en die rechtvaardigt uit geloof en bijbel ‘omdat God het zo gewild heeft’. Een god, die in de ruimte overal leven voortbrengt, ook op werelden waar geen Jezus en geen christendom bestaat, maar iets geheel anders. Terwijl zelfs de heilig verklaarde mores van deze wereld primitief lijken ten aanzien van wat zich op andere werelden ontwikkelde, of zelfs geheel in strijd blijkt te zijn met alles, wat op die andere werelden deugdzaam en goed wordt geheten, kan niet gevat worden binnen het kader van de meeste nu gekende godsdiensten. Wat betreft vele nu als waar en onfeilbaar juist aangenomen leerstukken zal dit toch grote twijfels op moeten wekken. Zelfs wanneer men nog niet zover is gekomen met zijn contacten in de ruimte, is alleen reeds het feit, dat God niet alleen aan deze wereld behoort, één van de grootste klappen, die theologie en godsdienstige filosofie kunnen krijgen. Zij zullen dit maar moeizaam kunnen verwerken.

Toch wordt ook nu steeds moeite gedaan om op de een of andere manier reeds voorzorgen te treffen tegen een dergelijke omwenteling en zoeken religieuze denkers reeds naar middelen om onder de consequenties van het tot nu toe geldende geloof uit te komen. Want men is nog niet vergeten, dat één van de eerste astronauten, die rond de wereld wentelden ( ik meen dat het de heer Gagarin was) via de radio uitriep: “Het is schitterend hierboven.

Maar God ben ik nog niet tegen gekomen.” Ook dit was immers een schok voor de vele eenvoudige gelovigen, die nog de oude beelden van de Schepper kregen voorgezet door hun leiders. Vanaf dit ogenblik is er in wezen reeds een actie gaande, waarbij men tracht God een ander aangezicht en vooral een enigszins andere status te geven. De lieve God moet, ook binnen de kerken (zij het langzaam aan) plaats gaan maken voor de kosmische God. Wat voor de denkende religieuze man een grote stap voorwaarts betekenen zal. Want wij hebben niets aan een God, die alleen maar een soort bij de sterren wonende almachtige supermens is. Een dergelijk iets is immers voor de mens van heden niet geheel denkbaar, niet benaderbaar. Een levende God op een ander niveau, een God, waaraan men deel kan hebben, is iets anders. Daarover kan men spreken, daarin kan men misschien ook nu nog geloven. Een dergelijk beeld kan zin en inhoud geven aan een menselijk leven, dat, gezien de maatschappelijke verhoudingen, de eenling anders betrekkelijk zinloos zal toeschijnen.

Maar het is niet voldoende: levengevende processen blijken bijvoorbeeld in de kosmos regelmatig voor te komen. Het Al blijkt zelf de condities te scheppen, waardoor stervende sterren op ver weg liggende of nabije planeten leven baren. De waarneming zal duidelijk gaan maken (ook al geschiedt dit waarschijnlijk niet de eerste 5 of 10 jaren) dat planeten geboren worden, wanneer sterren elkander op een bepaalde manier wat benaderen. Men zal registreren, dat hierbij uitbarstingen optreden en stralingen ontstaat. En zal vaststellen, dat door de rotatie, wenteling dus, de massa en vorming van de planeten bepaald wordt door eigen hitte, massa en beweging van de sterren. Men zal daarnaast ontdekken, dat het zogenaamde eeuwig dijende Al geen eeuwig dijend Al is. Dat er vele eigenaardige verschijnselen optreden, maar dat het optreden van de zogenaamde red-shift nog wel op andere wijze tot stand komt dan door het zich van elkaar verwijderen van sterren en sterrennevels.

Daarmede valt dan het hele rationele wereldje van de godsdienstige mensen ineen.

Dergelijke ontdekkingen vormen voor de logisch reagerende mens het einde van het mooie wereldje, dat de mensen in elkander timmerden met God aan het hoofd en al degenen, die God heeft aangesteld daaronder, om zijn gezag op aarde te handhaven. Dan zal er sprake zijn van een leven, dat inherent is aan het eigen bestaan en de eigen wetten van het Al, niet meer dus als een aparte scheppingsdaad van en bewust handelende God, maar als een ingeschapen wet van het Al zelf, zo men althans nog zal willen aannemen, dat dit wel bewust geschapen is.

Het materialisme zal dan ook in deze ruimte – tijd toe gaan nemen, vooral bij de meer eenvoudigen. Een mens heeft zoveel dingen om zich druk over te maken. Wanneer eindelijk de grenzen van zijn eigen wereld doorbroken zijn, het eerste station op de maan is ingericht, de eerste vluchten in de richting van Venus en Mars plaats vinden, zal er zoveel zijn waarin de mens een doorbreken van eigen begrenzingen kan beleven, dat velen geen God meer nodig zullen hebben om de beperkingen van hun eigen wezen te kunnen aanvaarden. De drift naar de wetenschap zal bij zeer vele mensen steeds sterker doorgaan en steeds meer de essentiële waarden van het huidige godsdienstige denken aantasten, terwijl anderen de innerlijke behoefte aan een God wel blijven voelen, maar dan ook een afstand moeten gaan scheppen tussen zichzelf en de gangbare erkenningen en voorstellingen. En indien men eenmaal zover komt, dat men het begrip van de ‘lieve God’ met zijn geboden wat anders gaat bezien, komen er nieuwe moeilijkheden.

Een wereld, die zich op die geboden baseert en niet waar kan maken dat die geboden waarlijk en letterlijk goddelijk zijn, zal op den duur terug moeten vallen op een verdedigen van de verstandelijke en praktische waarde van deze geboden. Maar dan kan elk gebod worden aangetast en bestreden, dan men elk gebod ook geheel aders gaan uitleggen of eenvoudig vergeten, als het zo uitkomt. Daar dit zeer zeker tot de waarschijnlijkheden behoort, kan men ook wel stellen, dat deze tijd van ruimtevaart niet alleen een deel van het geloof zal ontluisteren, maar ook het aanzijn zal geven aan vele nieuwe en andere vormen van geloof. Ik meen, dat er ook gesproken zal moeten worden van geheel nieuwe filosofische ontwikkelingen.

Misschien meent u, dat een filosoof weinig te maken heeft met de lieve God en nog minder met astronauten of kosmonauten, maar laat ons dit nog eens nader bezien. De filosoof bouwt, op grond van het bestaande of denkbare, zijn thesen omtrent het ideale op.

Ongeveer 546 v.Chr. was er al een man in Griekenland, die er reeds, zij het op een uiterst simpele wijze, over had, dat er een mens de sterren bereikte. Voor hem was de hemelwereld natuurlijk geen reeks van hemellichamen. In zijn verhaal is de sterrenhemel de onderkant van een ideale wereld, die ongeveer zo bereikt wordt als later Jack de wereld van de reuzen via de bonenstaak. Maar reeds deze man sprak over een ideale wereld ergens boven de sterren. In 1723 is er een filosoof in Amsterdam die niet als zodanig, maar wel als magiër en alchemist bekend werd, die sprak over bewoonde planeten elders en daaraan zekere leringen verbond. Hij werd overigens, samen met enkele andere alchemisten, veroordeeld, week uit naar het Rijnland en leefde enige tijd in de Pfalz, waar ook nu nog iets (iets maar) van zijn leerstellingen is overgebleven.

In 1852 is er in Frankrijk een goede man, die het reeds heeft over de maan als een staat. En hij is hierin niet de eerste of enige in Frankrijk. Wij horen daarna regelmatig en in toenemende frequentie van mensen, die hun beelden van een ideale staat, een goede wereld, wereldvrede enzovoort, projecteren ‘bij andere sterren’ en hun gelijkenissen bijvoorbeeld ophangen aan verhalen over de een of andere (vaak wonderdadig aandoende) ruimtereis. U denkt misschien dat ruimtevaart iets is van deze dagen. Vergis u niet. In 1896 verschijnt er in Duitsland een heel dik boek, waarin de confrontatie wordt beschreven, compleet met alle technische foefjes, van het vredelievende en hoogstaande volk, dat op Mars woont, en de aardse bevolking met haar neiging tot oorlogen en alle gevolgen hiervan. En zo kan ik verder gaan. In 1922 is er bijvoorbeeld een schrijver, die het probleem dat wij heden aansnijden, op zijn manier belicht en daarbij zich voorstelt, dat iemand de ruimte in kan reizen met gebruik van het raketprincipe. Dat kennelijk ontleend is aan de experimenten van Fritz von Opel uit die dagen en in die ruimte terecht komt in een soort eigenaardige wolk. Vanuit een hem verblindende melkwitte straling spreekt een stem tot deze man. Het blijkt God te zijn.

Ook deze mensen reken ik onder de filosofen. Zij willen niet alleen maar een verhaal vertellen, maar gebruiken het verhaal als een kader waarin zij aan anderen hun denkbeelden en verwachtingen, hun geloof ook, duidelijk kunnen maken.

Opvallend is daarbij dat deze denkers de mensen vaak duidelijk schijnen te willen maken, dat hun eigen wijze van godsdienstig denken eigenlijk onjuist is. Zij trachten daarnaast de mens vaak duidelijk te maken dat een lieftallige en wat zoetelijke godheid, zoals die in hun dagen ongetwijfeld hoofdzakelijk gepredikt werd, met als tegenstrever een gemeen en lelijk duiveltje, geheel niet kloppen kan. Zij zijn misschien wel pioniers geweest van het huidige vrijere denken. En wie zal zeggen dat er geen pioniers zijn geweest als bijvoorbeeld Jules Verne enzovoort, die de aanleiding zijn geweest voor de vele experimenten, die allereerst voerden tot vernietigende raketten, maar op de duur toch ook de raketten voortbrachten die men nu afschiet op de maan? Zeker is dat deze mensen reeds spreken over reizen naar de maan en satellieten rond de wereld (ieder met bemanningen), wanneer de ganse lezende wereld zich nog vermaakt over hun ‘onmogelijke fantasieën’.

In het denken van vele van deze denkers en schrijvers treft men reeds een eigenaardige onrust aan, alsof zij zich afvragen, “wat moet nu de zin van leven en wereld voor ons eigenlijk gaan worden?” Eén van hen komt door deze onrust tot een zeer vreemd verhaal, waarvan ik u toch iets wil vertellen.

Het gaat over een paar mensen die met een raket worden afgeschoten, hun doel is de maan. Zij komen in de een of andere kosmische storm (een schrijver heeft dergelijke dingen naar behoefte achter de hand, wat gemakkelijk is) en zij komen ergens ver in de ruimte tot bewustzijn. De ‘gimmick’ van het verhaal is nu, dat deze mensen daar geheel alleen zijn. Er is niets: Geen geluid, geen afleiding. Zij zijn geheel van alles afgezonderd. In deze afzondering worden zij eerst haast krankzinnig: Zij kunnen elkanders adem en spreken niet meer verdragen. Elk geluid stoort hen. Zij worden overgevoelig voor alles, wat er rond hen zou kunnen zijn, voor alle bewegen, zelfs dat van verre sterren. In deze overgevoeligheid is het hen net of zij, vanuit hun capsule, waarin zij bijna sterven, de planeten en sterren rond hen gevoelen. Vele vreemde voorstellingen, ontwaken in hen.

Waarop zij prompt en natuurlijk door een toeval van kosmische aard, worden gered. Het verhaal omvat nog meer, maar dat is voor ons niet belangrijk. Een mens die echter alleen in de ruimte is, is geheel afgesloten van de werkelijkheid, zoals een mens die pleegt te kennen. Wij weten nu, dat een mens die van de werkelijkheid wordt afgesloten, vreemde reacties vertoont. Men kan dergelijke proeven immers ook op aarde nemen: Men sluit iemand op in een cel, waarin alle geluid onmiddellijk wordt gedempt, neemt alle licht, dat af zou kunnen leiden en alle kleur weg. Men laat de mens als het ware vegeteren in een steeds gelijkblijvende schemering. Doet men dit, dan blijkt het gevaar te bestaan, dat zo iemand na korte tijd waanzinnig wordt. Houdt hij het langer uit, dan gaat hij allerhande dingen horen en zien, waarop hij reageert als een werkelijkheid. Bij waarnemingen (ongemerkt natuurlijk) blijken het ‘waanbeelden’ te zijn, die weinig of niets met de menselijke wereld te maken hebben en volgens de menselijke logica inderdaad waanzinnig zijn. Het blijkt echter ook, dat dergelijke hallucinatie in zich een bepaalde en consequente logica bevatten, terwijl de wetten die in de waanwereld heersen, even onontkoombaar en natuurlijk blijken te zijn als de natuurwetten, die de mens kent. Alleen wordt bij de reactie en beleving uitgegaan van standpunten, die menselijk gezien, onaanvaardbaar zijn.

Denk niet, dat ik u hier een verhaaltje vertel. Dergelijke proeven zijn en worden genomen onder andere om te zien, of iemand psychisch in staat zou zijn een ruimtereis van langere duur te maken. Men spreekt dus van ‘hallucinatie. Maar als dit nu eens een beleven zou zijn van een andere werkelijkheid? Wanneer de astronauten niet alleen op weg zouden gaan naar een maan, maar naar een wereld van een ‘lieve God’, alleen een lieve God, zoals de mensheid zich deze niet durft voor te stellen? Zoals de mens die niet kennen kan? Wanneer de geest wordt vrijgemaakt van de stoffelijke belemmeringen, vrij wordt gemaakt van alle processen die de normale mensenwereld beheersen en gevoelig zou worden voor een andere werkelijkheid? Wat dan? Dat is nu één van de punten, waar ons onderwerp van vandaag om draait. Wat zou er gebeuren wanneer een astronaut in de ruimte eens iets zou beleven, ontmoeten, wat hij misschien geen God noemt, maar wat hem van de mensen ontvreemdt? Zou zo iemand dan misschien tot een soort profeet worden, of iemand zijn die wegvlucht voor alle rumoer van het leven?

Tot zover is alles, wat ik veronderstelde en stelde, een weergave of extrapolatie uit algemeen bekende feiten. Maar nu moet ik overgaan naar stellingen omtrent de toekomst, die niet zo klaarblijkelijk zijn, zodat men de mogelijkheid of juistheid daarvan niet aan de hand van op aarde gedane proeven en dergelijke kan aantonen. Ik stel: Juist de mens die zijn eigen kleinheid gaat beseffen en in zekere mate ook eigen onbelangrijkheid, krijgt juist hierdoor een contact met het leven, dat intenser is dan ooit op aarde tot nu toe mogelijk werd geacht. Astronauten zullen een verbondenheid met het bestaan beleven, waarvoor geen naam is te geven. Iets, wat niets meer heeft te maken met een lieveheer of een hemel. Maar een soort kosmische harmonie is, waarop zij op de een of andere wijze meetrillen en zich, na de eerste enorme spanningen en schrik, zeer waarschijnlijk zeer gelukkig zullen gaan gevoelen.

Denk nu niet , dat iets dergelijks nog ver weg is. Zelfs een betrekkelijk geringe verwijdering van de aarde, waarop de mens normaal leeft (bijvoorbeeld een nederzetting op een maan) kan voor vele mensen en vooral voor degenen, die geestelijk wat rijper zijn, grote geestelijke gevolgen hebben. Ik ga uit van het standpunt, dat degenen, die op het ogenblik de ruimte in gaan wel zeer kundig en moedig zijn, maar toch ergens nog een beetje hoera jongens zijn. Mensen, die avontuur en eer zoeken. Niet mensen, die in zich het avontuur kunnen dragen en benaderen. Naarmate de ruimtevaart echter meer betrouwbaar gaat worden zullen juist geleerden, denkers, zoekers en de mensen, die gewend zijn scherp te observeren en te concluderen, ook wanneer het henzelf betreft, degenen zijn, die de ruimte gaan betreden. Of hun plaats van verblijf daarbij nu een satelliet platform is, dat rond de aarde zweeft, of een nederzetting op de maan, of een vlucht naar andere planeten, hun gevoeligheid zal veel groter zijn dan bij de pioniers van vandaag.

Zeker is, dat deze mensen daarbij geconfronteerd zullen worden met een geheel andere vorm van bestaan, waarbij hun eigen leven en wezen voor hen als het ware een andere betekenis krijgt, zodat zij ook het leven en de verschijnselen anders en meer innerlijk gaan bezien. Men zal ontdekken, dat dergelijke veranderingen ook later op aarde blijven bestaan en niet meer tenietgedaan kunnen worden zonder de gehele persoonlijkheid in stoffelijke zin teniet te doen. Eenmaal ervaren hebbende, wat leven is, eenmaal de begrenzing van het aardse mens-zijn enigszins doorbroken hebbende, zullen dergelijke personen niet meer terug kunnen keren tot normaal menselijke reacties. Ik denk zo, dat zij zullen proberen de mensen op aarde duidelijk te maken wat de waarde en werkelijkheid is van alles, wat zij beleefden, maar dat zij hiertoe voorlopig geen mogelijkheid zullen vinden. Een mens die leeft in een drukke wereld (zelfs wanneer dit een land als Australië is, waar een buurman misschien 30 mijl verder woont of de naast bij zijnde nederzetting misschien 100 mijlen verder ligt) zal nooit kunnen begrijpen wat de rust is tussen de sterren. De aarde bevat teveel waarin de mens opgaat en wordt afgeleid. Hij kan zich een hangen tussen sterren in de ledige ruimte niet voorstellen. Laat staan de veranderingen van de persoonlijkheid, die daarbij optreden, kunnen begrijpen.

Datgene wat door hen kan worden aangetast, is dus niet de menselijke wijze van redeneren en reageren. Maar zij brengen wel een mogelijkheid tot variatie in het menselijke beeld van God. Een van de dingen die daarbij het eerste zal gaan, is het denkbeeld dat God persoonlijk of bij proxy op alle mensen let. Het denkbeeld van de Vader die zelfs het vogeltje behoedt, dat in de dakgoot zit, krijgt een geheel andere betekenis. Het is dan niet meer een God, die daarop zijn bijzondere aandacht steeds weer richt, maar het geheel wordt beleefd als een kosmische harmonie, waarvan men deel is. Er is geen persoonlijke attentie, geen persoonlijke aandacht. Een ‘God ziet u’ zal in die dagen de mensen even sinister en ridicuul aandoen als in het ‘1984’ van Orwell de alomtegenwoordige plakkaten met ‘Big Brother sees You!!’. Want de dwang, die men tracht uit te oefenen met een ‘God ziet u’ of een ‘grote broer ziet u’ is in wezen dezelfde. Men zal gaan beseffen, dat de implicaties die men aan dit beeld pleegt te verbinden, een menselijke misleiding, een poging tot ontnemen van vrijheid zijn. Wat de godsvoorstelling van deze dagen ongetwijfeld sterk zal schaden, omdat het beeld van God reeds in deze dagen niet meer over goede ‘public relations’ schijnt te beschikken. De God waarin men de wereld wil doen geloven, kan immers niet zelf spreken. En degenen die in Zijn naam spreken, kunnen niet op tegen de ontwikkelingen en spanningen van de tijd, zoals zij niet op zullen kunnen tegen de vreemde geladenheid, die de astronauten terug gaan brengen uit de ledige ruimte.

O, u weet het natuurlijk wel, officieel blijven al deze mensen geheel normaal, zij mankeren niets. Het is dan alleen maar vreemd dat hun optreden, gewoonten en werkwijzen anders zijn geworden en wij bij sommigen van hen een soort vlucht voor de feiten zien, terwijl anderen sterke veranderingen in karakter en zelfs uiterlijk vertonen. Zelfs wanneer u iemand beschouwt die betrekkelijk kort de ruimte is in geweest, als bijvoorbeeld Yuri Gagarin, en zijn gezicht en gestalte beziet, zoals zij nu is, naast beelden die gemaakt zijn voor hij deze ruimtereis ondernam, zult u zich afvragen of dit nu nog dezelfde mens kan zijn. Niet dat u iets bepaalds kunt noemen. U zult waarschijnlijk zeggen: Hij is dikker geworden, maar er is nog iets veranderd en ik weet niet wat… En zo zal het met alle mensen gaan die de ruimte proeven. Op het ogenblik kan men dit alles nog verdoezelen of opvangen binnen het systeem, binnen het geloof enzovoort, binnen de nationale belangen ook.

Er zal echter een ogenblik komen, waarin ruimtevaarders geen zo grote exceptie meer zijn. Dat het geen uitzondering is wanneer men iemand ontmoet, die de ruimte betreedt. Dan gaan de ruimtevaarders zonder ‘officiële tolken en toezicht’ met elkaar praten. Dan zal er voor hen geen plaats meer zijn voor een persoonlijke god, een god met persoonlijke aandacht voor een ieder. Een kerk waarin God tegenwoordig moet zijn, wordt iets belachelijks, tenzij men toegeeft dat die God evenzeer en even sterk buiten die kerk aanwezig is. Wat velen ertoe zal brengen zich af te vragen, waarom men eigenlijk kerken moet bouwen.

De ruimtevaart zal ook inhouden, dat er (gezien vanuit godsdienstig standpunt) een geheel andere wet gaat heersen. Wij zullen horen dat de mensen in die ruimte bijna waanzinnig worden tot het ogenblik, waarop zij elk besef van tijd opzij leren zetten. Een 24-uren dag van de wereld moet terzijde worden gelegd, het tijd beleven dient alleen aan de eigen impulsen te worden aangepast. Dan zal blijken, dat de doorsnee ruimtevaarder in het begin sneller leeft dan de aardetijd schijnt aan te geven. Later wordt dit echter veel langzamer.

Tot datgene, wat hen een dag gelijkt, voor een mens op aarde misschien een maand is. Let wel, zonder dat de versnelling hierbij ook maar enige invloed heeft. Deze relatieve tijd is eenvoudig het gevolg van psychologische veranderingen. Omdat deze mensen hun ritme van leven moeten veranderen, kan er niet meer gesproken worden van wetten, die voor hen op aarde nog gelden, zij het de gemeenschapswetten, waardoor de samenleving mogelijk wordt. Er is voor hen echter geen reden te spreken van goddelijke wetten, daar hun eigen wezen een relatieve wet bepaalt, onder welke zij leven zodra zij van de gemeenschap los komen te staan.

Indien nu blijkt, dat God zijn wetten niet overal gelijkelijk geeft, zullen sommigen geneigd zijn tot een uitverkiezingsleer te komen. Maar dan zullen we zien, dat de lieve, maar kosmische godheid weer terugvalt tot een stamgod. Wij hebben dergelijke dingen wel eerder gezien en gezegd over bijvoorbeeld Jehova, die binnen het kader van Israël kennelijk als een stamgod opereert, maar die veel later kennelijk als een kosmische godheid optreedt. De naam dekt kennelijk verschillende waarden in verschillende tijden. Jehova mag dezelfde blijven, maar voor de mensen is hij zeker steeds weer iets anders. De mensen zullen dus tot de ontdekking komen, dat de enige mogelijkheid om het godsdienstige leven van de mens te behouden (en zijn daarop gebaseerde mores, het geloof aan overgang en dergelijke), is gelegen in het maken van de kosmische God tot een God van mensen. Een God, die dan ook zal strijden met alle andere invloeden, alle andere ‘goden’. Dan is er een aarde-god geboren, die strijden zal met de goden van Venus, Jupiter of welke andere ster of planeet men maar wil. De onbelangrijkheid en machteloosheid van een dergelijke God zal echter zelfs de dwaaste mensen steeds meer duidelijk gaan worden, wanneer zij leren beseffen, dat de aarde eigenlijk maar zo heel erg klein is ten aanzien van het Al.

Want niet alleen de mens is klein, ook de aarde is klein. Hun bestaan heeft in de kosmos weinig betekenis, het is alleen de menselijke gedachte die groot is. Er zijn nu reeds mensen die, extrapolerende wat de ruimtevaart zal worden, zeggen: het enige wat kan gebeuren is dat men denkbeelden, dat men vaardigheden zal gaan exporteren. Het denkbeeld dat men materiaal, bijvoorbeeld ertsen van de maan, naar de aarde zou gaan brengen, klinkt kolderiek, omdat de vrachtkosten te hoog zullen blijven om een dergelijke handel ooit rendabel te maken. Maar kennis is iets anders. Wanneer er een uitwisseling van kennis en vaardigden plaats kan vinden tussen verschillende planeten, is er sprake van geheel iets anders. Veel kennis kan zelfs in één enkele mens worden overgebracht en kennis, het weten hoe, inzicht, is overal veel waard, is overal belangrijk. De basis van de ruimtevaart zal daarom kennis en gedachte zijn, al het andere zal hoogstens een nevenproduct kunnen zijn.

Het gevolg is, dat voor de mensen de lieve God misschien nog wel ergens zal voortbestaan, maar toch zeker niet meer als de heerser over het stoffelijke leven. Hij is de begrenzing voor hen van de creatieve mogelijkheden in de gedachte. De mensengod op aarde zal zich daarbij echter (of men zal zich verzetten uit zijn naam) wenden tegen alles, wat in gedachten, daden en mogelijkheden niet zuiver aards is. Tegenover deze aarde – god zal een meer Kosmische Godheid komen te staan, die vereerd, beleefd en erkend wordt zonder wetten, regels, of vaste gebruiken. Deze zal vooral erkend worden als de Schepper van nieuwe impulsen. Zo de vereerders van de Kosmische God al samenkomen, zullen wij in hun groepen geen dominees of priesters meer zien, maar eerder (zoals op aarde reeds bijvoorbeeld bij de quakers gebruikelijk is) een eenvoudig reageren van elkeen van de gemeenschap, die de ‘geest over zich vaardig voelt worden’. Ofwel, in de termen die men dan waarschijnlijk zal gebruiken: Het denkbeeld, de nieuwe gedachte in zich voelt ontstaan.

Zo iemand zal dan als het ware scheppend gaan spreken en ik meen dat dit scheppend element op een veel hoger plan zal liggen dan alles, wat men op het ogenblik als zodanig in de godsdienst beschouwt. Wat ons voor een zonderlinge situatie plaatst. Aan de ene zijde kerken die zich proberen te verdedigen tegen het denkbeeld dat er een god zou zijn, die een voorkeur voor iets anders dan mensen zou kunnen hebben, of zich zelfs niet in het bijzonder met de mens en zijn peccadillo’s bezig zou houden (en dit op de meest vreemde wijze zullen doen) terwijl aan de andere kant groepen mensen die alleen nog de inspiratie, de oorspronkelijke gedachte, heilig gaan heten en deze zien als onmiddellijke uiting van de Godheid, die zij zoeken op de achtergrond van die gedachte.

Zover dit het leven op de gehele wereld betreft, zal dit beeld overigens nog verder in de toekomst liggen, dan verschillende van de hier aanwezigen denken of hopen. Maar de ‘lieve God’ van eens wordt gedood in de harten der mensen met elke raket die opstijgt, van welk deel der wereld dit ook geschiedt. De lieve God, die alle dingen persoonlijk in de hand houdt, zal steeds meer plaats gaan maken voor de observator. Een God die alleen in observatie kan worden gevonden, omdat men de wetten die voor alle zijn gelden, alleen door waarneming en persoonlijke beleving zal kunnen erkennen. De god van eens, die voor vele mensen in hun leven een persoonlijke macht scheen, zal voor de meeste mensen steeds meer tot een soort wetboek worden, dat in hen niet meer leeft. Tegen dit deel van de ontwikkeling, die ook nu reeds merkbaar is, zal men niets kunnen doen.

Stellen wij in dit kader nog een laatste vraag? Wat moeten wij dan nu verwachten? Nu, niet morgen, maar reeds vandaag?

In de eerste plaats zal duidelijk worden, dat een ieder, die eenmaal een bepaalde godsdienst, een bepaalde voorstelling van God en zijn wetten heeft, ten koste van alles zal trachten deze te handhaven, ondanks alle oecumene. Dit is begrijpelijk, daar vele mensen de rechtvaardiging van eigen bestaan en daden juist vinden in hun geloof. Maar wanneer de waarde en aanvaardingsmogelijkheid van dit geloof van buitenaf worden aangetast, zal men steeds meer moeten proberen zich en zijn innerlijk geloof te rechtvaardigen. Ik meen, dat men dan vele vreemde mentale kronkelingen zal zien, omdat de ‘vromen’ tegen alle redelijkheid en logica in zullen blijven proberen hun vierkante staafje door een kleiner, rond gat heen te wurmen, zonder één van beiden te beschadigen. Wij zien reeds nu, dat, wanneer de wetenschap met feiten komt, die bijvoorbeeld betrekking hebben op de bijbel en niet stroken met de gangbare verklaringen der mensen, mensen opstaan, die met vele argumenten pretenderen aan te tonen, dat alles toch precies paste. Er zullen echter steeds meer feiten bekend gaan worden, ook in deze dagen, en steeds meer problemen rijzen, waarvoor met de oude godsdienstige normen en dogma’s geen oplossing meer is te vinden. Omdat de problemen niet oplosbaar zijn, zullen vele vromen steeds luidruchtiger worden en proberen van een zuiver godsdienstige beleving over te schakelen naar een dictatoriale machtsuitoefening in de stof.

Het zal mij dan ook niets verwonderen, wanneer binnen 20 tot 30 jaren de wereld uiteenvalt in staten, waarin aan de ene kant zuiver godsdienstige regeringen bestaan, die elke vrijheid van godsdienst en zelfs van denken aan hun burgers trachten te ontzeggen. Terwijl andere staten juist een zo grote vrijheid van denken zullen bevorderen en zozeer terug zullen vallen op een minimum van regels, noodzakelijk voor het functioneren van de samenleving, dat men dezen wel bij de tegenstanders goddeloze anarchieën zal horen noemen. Deze staten zullen juist tot stand komen onder drang van de nu geldende prestige zucht, die tot steeds verder gaande ruimtevaart noopt. Voor dezen zal, als gevolg van de invloed, die het steeds toenemend aantal ruimtevaarders zal hebben, op de duur buiten de logica en de onmiddellijke noodzaak zelfs geen sprake meer zijn van algemeen geldende wetten, laat staan van algemeen geldende godsdienstige normen.

Denkbeelden als trouw aan een bepaalde regeringsvorm zullen al snel belachelijk gaan worden. De mens zal moeten leren leven met een voortdurende aanpassing van zichzelf en zijn gemeenschap aan iets, wat ik nog het beste een kosmisch ritme kan noemen. Het gevolg is, dat dergelijke staten veel sneller kunnen reageren op wijzigingen van omstandigheden en behoeften. Wij zullen zien, dat er aan de ene kant staten tot stand komen, die zelfs vanuit bestuurlijk startpunt gezien, monolitisch en onbeweeglijk zijn en aan de andere kant landen en staten zien, die super beweeglijk worden. Dit laatste zal men over het algemeen in de komende dagen sterk afkeuren. Dit immers zijn gemeenschappen,

die vandaag op morgen kunnen veranderen en zich niet gebonden achten aan personen, landen of bepaalde stellingen, maar alleen reageren aan de hand van de erkende behoeften. Zij zullen dit niet alleen in hun interne wetgevingen (zover daarvan sprake is) uiten, maar ook in hun relaties tot andere staten en economische reacties. Zij gaan niet uit van de vraag wat beter of volgens de regels is, maar alleen van de vraag, wat op dit ogenblik voor het geheel van de gemeenschap juist, goed en noodzakelijk zal zijn. Men zal dit opportunisme noemen. Maar men zal daarbij toch al snel bemerken, dat hierbij helemaal geen sprake is van een opportunisme dat zich wil bevoordelen ten koste van anderen. Maar alleen van een reageren, dat ten doel heeft steeds bij te blijven ten aanzien van de ontwikkelingen. Men zal ook dit als een soort godsdienst gaan beleven. Hierdoor zal juist in dergelijke staten van een toenemende vordering van de wetenschappen en een toenemende harmonisatie van de maatschappelijke verhoudingen sprake zijn, terwijl in de andere landen de onderdrukte spanningen steeds toenemen en zo het element van onredelijkheid vergroten.

Wij kunnen in de komende 10 jaren verwachten dat een uiteenvallen van de wereld in groepen van creatief denkende mensen enerzijds, en behoudend strevende mensen anderzijds een feit zal zijn. Bij de behoudend denkende mensen zullen wij wel een perfectionering zien van ‘oude waarden’, maar geen vernieuwingen, geen nieuwe waarden. De anderen zullen de kosmische vernieuwing van deze tijd beter kunnen verwerken. Zij zullen daardoor weliswaar niet zo gepolijst voor den dag komen als de behoudzuchtige, maar aan de andere kant op technisch, wetenschappelijk en zelfs filosofisch terrein geheel nieuwe waarden aan de wereld kunnen schenken. Economische vernieuwingen vloeien daaruit voor hen haast onvermijdelijk voort. Voor de kerken zal dit alles waarschijnlijk een zware slag betekenen. Maar als ik de ‘lieve god’ was, zou ik blij zijn, dat de ruimtevaarders kwamen om mij als ‘lieve god’ te doen sterven.

Want de lieve God is een zachte heelmeester. Iemand die geen rekening houdt met de feiten en zijn volgelingen dit belet. Hij houdt alleen rekening met onwerkelijke denkbeelden. De lieve God van velen is een wezen, dat een dwaas iemand uitkiest voor het Koninkrijk der Hemelen en een wijs iemand (die helaas in zijn wijsheid een bepaalde kerk en haar gebruiken niet geheel kan aanvaarden) om die reden alleen al uitbant en verwijst naar de buitenste duisternis. Als er een dergelijk wezen zou moeten bestaan zou het zelfs voor dit wezen, naar ik meen, een zegen zijn, wanneer het door de dood van de noodzaak tot verder onrecht bevrijd zou worden. De astronauten van morgen zullen op aarde vele beelden van God en kosmos tenietdoen, die nu nog ontelbaar velen op aarde zeer dierbaar zijn.

Daar staat tegenover, dat wij ook op aarde in plaats van de lieve god, die steeds maar weer alleen in woorden leeft, steeds meer de levende God zullen ontmoeten, die een kenmerkende vibratie is in het gehele Al. Een typische werking en waarde, van welke een ieder en alles zich voortdurend bewust kan zijn en waarvan de werking voor allen steeds weer en daadwerkelijk overal duidelijk zal zijn. De boodschap van deze God, voor de mens een vreemde werkelijkheid, die men allereerst in de lege ruimte zal ontmoeten, deze waarheid van het werkelijke leven, zal op de duur zelfs op aarde gepredikt worden. Ook al zal men niet over de woorden beschikken om ze geheel duidelijk te maken en zal een mens die op aarde leeft, nog niet tot een algehele aanvaarding van die werkelijkheid komen. De verkondiging alleen echter zal reeds bijdragen tot een algehele verhoging van bewustzijn in de mensheid.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Ik dacht, dat het boeddhisme reeds een heel eind in deze richting was gevorderd, daar het geen goden erkent.

Indien u dit stelt vanuit de basisleer heeft u misschien gelijk. De boeddhist is, of moet zijn, iemand die zijn bewustwording bouwt op innerlijke vrede, vrijheid van angst en begeerte. Maar de boeddhisten zijn degenen, die de grootste politieke rellen veroorzaken in het verre oosten in deze dagen. Een monnik is in het boeddhisme iemand, die zich geheel losmaakt van de wereld. Maar het zijn de boeddhistische monniken, die op het ogenblik vooroplopen bij politieke betogingen. Ra, ra…. Hier wordt gezegd: Dit is een degeneratie. Ik ben het daarmede niet eens, zoals overal en altijd wordt de leer vermenselijkt. Wij kunnen in het boeddhisme wel spreken over alle hoge waarden van de laatste boeddha en andere boeddha’s, maar zij zijn het niet, die de boeddhisten van heden zijn. De boeddhisten zijn de mensen, die ook daar zichzelf proberen te zoeken in de grootheid van anderen en daarbij vergeten, dat die grootheid een geestelijke is en nimmer een stoffelijke kan zijn. Dit zien wij steeds weer. De leer van het communisme is goed. Zeer goed zelfs. Maar zou u daarom nu, op dit ogenblik een communistische wereld wensen volgens de nu heersende normen?

  • Neen?

Waarom?

  • Ik ben te veel vastgeroest ….

Neen, niet omdat u te zeer bent vastgeroest in uw eigen denken, maar om de doodeenvoudige reden dat de wijze, waarop deze leer in de praktijk wordt gebracht, weinig of niets meer te maken heeft met de werkelijke stellingen van het communale leven zoals Marx, Engels en zelfs Lenin deze gepredikt hebben. Het communisme wordt in deze dagen steeds meer een kwestie van gezagsuitoefening, steeds minder van de commune. Wij kunnen zo doorgaan. Maar de vraag is deze: Wanneer wij spreken over het communisme, moeten wij dan spreken over de leer of over de praktijk? Indien wij spreken over de boeddhist, moeten wij dan spreken over de leer of over de praktijk?

  • Ik spreek over de leer.

Dan spreekt u over iets, dat in de praktijk van nu haast niet meer bestaat, want het wezen van de leer heeft op dit moment in de totaliteit van de mensheid weinig of geen werkelijke en geestelijke betekenis. Vandaar dat deze leer alleen in de eenling en dan nog in diens persoonlijke interpretatie een bevordering van het bewustzijn teweeg kan brengen.

Daar alles, wat zich uitdrukkelijk uitgeeft als, of voorstelt als vertegenwoordiger/ster van deze leer, in feite daarvan is vervreemd, kunnen wij leer en praktijk niet meer als eenheid zien. U kunt even goed zeggen, dat de carnavalspoppen, die door de straten trekken, mensen zijn. Zij zijn in wezen karikaturen daarvan. Wanneer ik bijvoorbeeld het christendom zie, lijkt het een reus met een waterhoofd, waarvan de edelheid afstraalt. Een wezen, dat vol neerbuigende ernst door de straten trekt om zijn grootheid te laten bewonderen, maar onder de pop schuilt een klein, smerig, zwetend ventje. Dat is de werkelijkheid. Zoals de boeddhisten mij doen denken aan een showwagen in de carnavalsstoet, die vrede heet en mooi is, waar echter onder dekking van de coulissen enkelen bezig zijn alvast een vuurtje te stoken, om medemensen op te braden.

Laat ons begrijpen, dat wij in werkelijkheid niets te maken hebben met de leer van de boeddha, de christus, Marx of wie dan ook, maar met de mensen van heden en hetgeen zij daarvan gemaakt hebben. Juist omdat wij niet met de leringen, maar met de mensen te maken hebben zal de ontwikkeling, die wij vanavond bespraken, voor de mensheid een uitermate pijnlijke zijn. Want het is een feit, dat de mensen in wezen en leven zichzelf zijn, maar de verantwoordelijkheid voor hun handelingen, wijze van leven en denken gelijktijdig zoveel mogelijk afschuiven op God of op een ideaal. Zoals er zelfs sadisten zijn, die hun sadisme niet alleen verklaren, maar zelfs tot een verdienste verheffen door te stellen dat slechts met deze methoden van bewust veroorzaakt lijden het mogelijk is de maatschappij te beschermen voor elke deviatie van de heilige beginselen. En denk nu niet alleen aan KVD, Gepoe, SD, en dergelijken , maar ook aan de inquisitie, het optreden van bepaalde religieuze organisaties, onder meer in Portugal.

  • Hoe ziet u God?

Ik zie God niet. Dat klinkt u misschien vreemd. Maar God is datgene in mij, wat ziet… . Er is in mij iets, wat meer waard is dan alles, wat ik uiterlijk ben, iets wat betekenis geeft aan de dingen. Kennen doe ik het niet. Maar wanneer ik daarmede kijk, zo zie ik samenhangen en schoonheid, waar ik deze dingen anders nooit zou kunnen vinden. Dat is voor mij God. Soms heb ik een idee dat ik datzelfde als een glinstering, als een vonk, zie in anderen. Denk maar aan een diamant, waarin het licht reflecteert. Op het ogenblik, dat die fonkeling erin is, zeg je: dit is een edelsteen. Maar het waarom ervan, of waar het licht nu eigenlijk vandaan komt, of wat het in wezen is, weet je niet. Wel weet je, dat het de schoonheid bepaalt. Dat is voor mij God: datgene, wat voor mij de schoonheid en de samenhangen van het leven bepaalt, als ik naar het leven zie. Dat lijkt mij wel de beste wijze, om u iets duidelijk te maken over wat God voor mij is. Maar als ik God probeer te begrijpen, zo is hij voor mij een alles verblindend Licht, waarin ik wel iets ben en beleef, maar mijn stuur kwijtraak, mijzelf verlies, waarin ik niet meer werkelijk zie of waarneem en het bestaan een soort embryonaal sluimeren is, waarin alleen nog misschien de hartenklop van het bestaan, waartoe ik behoor, een zekere puls in mijn wezen betekent. Ik kan God niet verdragen, begrijpen, zien, dus. Maar het vreemde is, dat, wanneer ik God besef, wat iets anders is, die God voor mij het centrum wordt van mijn wezen, waardoor alles, wat mijn wezen is, ziet en waarneemt, voor mij betekenis krijgt.

Woorden zijn niet voldoende om dit geheel duidelijk te maken, dat besef ik wel. Maar misschien heb ik u hiermede toch een hint kunnen geven in een richting.  Als slot, het volgende: Dat u geestelijk al zover op astronauten bent gaan gelijken, dat u afstand kunt doen van de ‘lieve god’ en daarvoor de levende God meer in uzelf kunt beleven. Ik heb zoëven iets over mijzelf in dit verband gezegd. Ik kan alleen maar hopen, dat ook u dit in uzelf moogt vinden. Want dan krijgen ook voor u al die zinloze, vreemde, vervelende, onaangename dingen in het leven opeens zin, betekenis en schoonheid.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Over eenvoudige dingen (esoterie) 

Wij zouden op het ogenblik theoretisch moeten spreken over esoterie. Maar eerlijk gezegd voel ik mij niet esoterisch genoeg op het ogenblik. Vandaar, dat ik met u over eenvoudige dingen wil babbelen.

Ik begin dan met een uitspraak, die u allemaal kent: “Het leven wordt steeds duurder….” Is dat waar ? ( ja, ja. ) De mens die in het leven vele dingen noodzakelijk acht, omdat de buren ze ook hebben, zal ontdekken, dat met alle welvaart het leven steenduur is geworden. De mens echter, die leven ziet als een proces van bestaan, waarin zijn eigen geestelijke activiteit ten aanzien van de omgeving voor gevoel van rijkdom meer bepalend is dan het aantal goederen, dat hij vanuit die omgeving kan verwerven, zal ontdekken, dat het leven vaak goedkoper begint te worden. Zo hier en daar hoor ik nu een licht protesterend: “Nu ja, dat is wel zo, maar…” Eerlijk gezegd vraag ik mij in deze dagen wel eens af, of de mensen eigenlijk nog wel beseffen, waarvoor zij leven. De één leeft voor een nieuwe ijskast, de ander voor een nieuwe auto, terwijl de derde zijn leven wijdt aan het verwerven van een beter en luidruchtiger tv-toestel dan de buren hebben.

Is dat eigenlijk wel leven? Als je leven vanuit een menselijk standpunt wilt definiëren, zou ik zeggen: Leven is het vermogen om indrukken op te doen en deze in jezelf tot een wereldbeeld te verwerken, waaruit eigen acties steeds juister en beter kunnen worden bepaald en voeren tot een steeds grotere innerlijke tevredenheid, gepaard gaande met een juist voldoende uiterlijke welvaart. Dit laatste vormt in deze dagen het zere punt; de meeste mensen zijn ten aanzien van ‘voldoende’ zo onvoldaan, dat zij als het ware een steeds grotere voldoening van de maatschappij eisen, omdat hetgeen zij voldoende zouden achten voor hen in feite nooit voldoende kan zijn, daar het de voldoening ontbeert die zij uiteindelijk nastreven. Anders gezegd, de ogen van de doorsnee mens zijn in het leven groter dan zijn maag. Vandaar dat hij steeds meer eist dan hij verwerken kan en zich hierdoor genoopt voelt nog meer te eisen. Wat wij in het leven werkelijk moeten zoeken is datgene, wat wij aankunnen. Datgene, waarvan wij zelf en bewust iets kunnen maken.

Zodra wij boven onze krachten grijpen, komen wij in een steeds grotere verwardheid terecht, waarbinnen wij steeds minder met de werkelijkheid te maken zullen hebben en steeds minder vrede met onszelf kunnen vinden.

Men wil ook vaak hoger grijpen, dan men in wezen kan. Ik geef u een eenvoudig voorbeeld.

U bent altijd in loondienst geweest. Nu komt iemand u vertellen, dat bestedingsbeperking een steeds sterker noodzaak wordt voor een voorkomen van een inflatie, die niet geheel vermeden kan worden, maar slechts geleid kan worden toegelaten, omdat zonder dit het arbeidsproces een volledige werkgelegenheid niet zal kunnen mogelijk maken. Zelf meen je, dat je nog heel wat geld nodig hebt en dat sparen alleen maar zin heeft wanneer je zeker weet dat je voor dat geld later ook werkelijk zoveel zult kunnen kopen, als het jou aan werk heeft gekost. Maar je probeert het te begrijpen en begrijpt het niet. Je vraagt je af, of je dom of gek bent, want degene, die dat zegt, heeft drs. voor zijn naam staan en jij niet, dus hij moet het wel weten. Niet alleen, dat je probeert mee te praten en vaak tot de stomste en meest ontstellende uitspraken komt, maar je vindt ook geen verbinding meer tussen eigen werkelijke gedachten en behoeften en de theorieën die u huldigt. Denk niet, dat u daarbij de enige zult zijn.

Ik wil een klein citaat geven (letterlijk) dat op soortgelijke manier voor vele strijdigheden heeft gezorgd en verwarringen heeft geschapen: “Het is noodzakelijk, onze inzet in Vietnam te vergroten en meer materiaal ter beschikking te stellen voor dit doel, omdat wij alleen op deze wijze de vrede op aarde ook verder kunnen handhaven.” Dit is een uitspraak van een spreker van de voorlichtingsdienst in de USA.

Een ander voorbeeld, dat u misschien nog duidelijker de verwarrende wijze van uitdrukken van de ‘wijzen’ van deze aarde duidelijk zal maken, stamt (vertaald) uit de Observatore Romana. Dit blad is, zoals u weet, de spreekbuis van het Vaticaan. Hierin staat: “Wij moeten bij het bepalen van de moraliteit die in het christendom noodzakelijk is, enerzijds rekening houden met de toenemende vrijheid van opvattingen op seksueel gebied en de steeds kleiner wordende mogelijkheid tot een absolute beslotenheid ook in dit opzicht ten aanzien van anderen. Daarom moeten wij op een moderne wijze trachten de oude waarden voortdurend te handhaven, zodat geen misleide zielen …enzovoort”. Wanneer je je, als sommige eerlijke en ernstige, maar eenvoudige katholieken, met dergelijke uitspraken gaat bezighouden, vraag je je toch wel even af: Wat bedoelt men nu eigenlijk? En houd je je ernstig bezig met dergelijke hoogdravende uitspraken, omdat je meent, dat zij voor je zielenheil, het belang van de staat of iets anders, begrepen en gevolgd moeten worden, dan kom je in steeds grotere verwarringen te verkeren, omdat je eenvoudigweg niet weet wat er nu in feite bedoeld wordt.

Let wel, ik wil niemand vrijpleiten van deze zonderlinge gewoonte om te volledig en te omslachtig te spreken, zodat de duidelijkheid eenvoudig teloorgaat. Ik meen dat sommige broeders zelfs van onze Orde zich hieraan wel eens te buitengaan. Maar wel stel ik, dat deze verwarrende breedsprakigheid op zich niet erg is. Per slot van rekening, de man die zegt dat wij om een gezond regeringsbeleid te voeren een gezonde oppositie nodig hebben en dat hij met zijn partij in de oppositie blijft, opdat de partij zal groeien en zelfs als meerderheid er niet aan denkt regeringspartij te worden, mag dat voor mij rustig zeggen, wanneer hij daarmede gelukkig is. Iets anders is de vraag, of u, ik, anderen, zich met dergelijke vreemde uitspraken nu wel werkelijk ernstig bezig zouden moeten houden. Want zo goed als iemand een grote ijskast wil hebben, alleen omdat de buren er ook een hebben en daardoor juist een dwaas is, zal degene, die dergelijke uitspraken wil begrijpen alleen maar omdat zij gedaan zijn, volgens mij een dwaas zijn.

Het gaat er doodgewoon om dat wij eerst eens begrijpen, wat er precies gaande is. Dat kunnen wij zelf ook wel zien, meen ik. En waar wij het niet kunnen zien, denk ik niet dat het zo belangrijk is, dat wij daarop onmiddellijk moeten reageren. Wanneer iemand ons dus met heel veel woorden komt vertellen, dat wij ofwel inflatie moeten aanvaarden dan wel het gevaar van een (mogelijk niet te beheersen) werkloosheid, dan kunt u, op grond van eigen behoeften en angsten, een eerlijke keuze maken en zeggen: Op grond van mijn behoefte aan zekerheid kies ik voor inflatie, of; ik wil graag sparen en kies voor de mogelijkheid, dat werkeloosheid zal ontstaan in de hoop dat ik niet onder de werkelozen zal gaan behoren.

Dan kun je bewust een keuze doen. Niet wanneer deze keuze zodanig verwarrend wordt voorgesteld, dat niemand precies meer weet, wat nu eigenlijk de mogelijkheden zijn.

Indien iemand u komt vertellen, dat God zus en zo is en dit wonderlijk mooi omschrijft, bijvoorbeeld zeggende, dat “God ,de Almachtige, met Zijn wil het totaal van het zijnde bepaalt en, alwetend zijnde, reeds in den beginne, wist wat zou gebeuren, maar aan de mens de vrijheid van wil heeft gegeven, waardoor deze almacht niet geheel tot uiting zal komen, opdat de mens met zijn vrije wil zal kunnen handelen tegen de wil Gods”, dan moet je dit tot de eenvoudigste termen herleiden en uzelf zeggen: deze man zegt dus: “God weet alles, alles geschiedt volgens Gods wil, maar God wil niet willen, opdat wij ondanks Gods wil tegen Zijn wil in, onze wil kunnen doen”. Maar dan klinkt het als wartaal en zeg je allicht, die vent is gek. Vandaar, dat ik u als eerste principe wil leren: Wanneer iemand iets verkondigt, waarin tegenspraken verborgen zijn, denk er niet te lang over na, maar werp het eenvoudig terzijde.

Dan is er nog een regeltje, dat de meeste mensen vergeten. Wanneer 10 uitleggingen voor een bepaald feit mogelijk zijn, kies de eenvoudigste, die alle feiten nog omvat. Daarmede zal je dicht bij de waarheid komen. Indien je echter een verklaring zoekt, die niet slechts alle feiten dekt, maar bovendien nog strookt met alles wat je geleerd hebt, of alles wat je denkt, zullen de tegenstrijdigheden ontstaan die men juist dient te vermijden om werkelijk bewust en eenvoudig te kunnen leven.

Leven is het erkennen van de wereld. De wereld kun je alleen werkelijk erkennen, wanneer je dit op zo eenvoudig mogelijke wijze probeert te doen. Daarom hoeft de erkenning nog niet volledig te zijn, maar zij is in ieder geval reëel, realistisch. Op het ogenblik, dat wij trachten de zaak met alles in overeenstemming te brengen, volledig te maken, of volmaakt te doen zijn, erkennen wij ofwel geheel niets, dan wel raken wij zozeer met onszelf in strijd, dat wij door het probleem vergeten te leven.

Ik wil u een aardig voorbeeld geven. Enige tijd geleden werden in Nederland plannen voor bedijkingen en bemalingen gemaakt, die resulteerden in vele inpolderingen in onder meer Noord-Holland. Wat echter steeds overbleef, was de Haarlemmermeer. Voor Leeghwater waren reeds minstens 6 maal plannen voor bedijking en bemaling gemaakt. Deze keren werd echter telkens een commissie aangesteld (dat deed men ook toen reeds) gevormd uit belanghebbenden en deskundigen, die gezamenlijk dienden te overwegen, op welke wijze men het best te werk zou kunnen gaan. Daardoor kwam er dan ook niets van. Eerst toen Leeghwater kwam en vergat (of vermeed) een commissie in te stellen, die met hem de verantwoording moest dragen, kwam de Haarlemmermeer droog, zodat u, wat eens een onstuimig binnenmeer was, dit nu per snelweg kunt doorkruisen.

Zo er dingen zijn, die gedaan moeten worden en je eerst gaat praten over de manier, waarop je ze het beste zou kunnen doen, is de tijd dat je ze kunt doen, meestal al voorbij voor je tot iets komt. Een jonge man, die de ideale vrouw zoekt en steeds meent dat er nog iets beters te vinden zal zijn, sterft als vrijgezel en zal eerst, wanneer hij zelf niet ideaal genoeg meer is, gaan betreuren dat hij met het minder volmaakte toch geen genoegen wilde nemen. Ofschoon ik aanneem, dat hij tegenover anderen en misschien zelfs tegenover zichzelf de vrede zal prijzen, die hij in zijn leven gekend heeft, zo de onvolledigheid ontkennende, die hij voor zich toch wel in het leven gevoelt. Wanneer wij het leven bezien, zo gaat het er meestal niet om de beste oplossing te vinden die mogelijk is op een bepaald gebied, maar zal het er vooral om gaan, wat nu, met de middelen, mogelijkheden en inzichten van dit ogenblik, de best mogelijke oplossing zal zijn. Een oplossing dus, die onmiddellijk in de praktijk kan worden omgezet.

Met esoterie is het al net zo. Wanneer ik u een groot verhaal ga vertellen over alle trappen en poorten van bewustwording, kunt u zwijmelen, omdat het zo mooi is. Maar de kans is groot dat u geestelijk nog niet een poot verzet. Waar alweer een moeilijkheid schuilt. Wij kunnen dergelijke lezingen en verhandelingen wel beschouwen als iets, waaraan wij iets kunnen hebben (ik zeg niet, dat zij nutteloos zijn) maar wij mogen ons aan de volmaaktheid van bereiking, die hier wordt voorgesteld, niet te veel vastklampen. Zoekt men naar de eenvoudigste wijze van uitdrukking, die praktische waarde kan hebben, dan komt men waarschijnlijk tot iets, wat veel op mijn ‘definities’ lijkt: Een omschrijving, die onvolledig kan zijn, maar toch voor het onderwerp kenmerkend is en voor het eigen besef belangrijke karakteristieken daarvan weergeeft.

Vraag je nu: “Wat is ware esoterie?”, zo luidt het antwoord; een minimum aan zelfbedrog gepaard gaande met een maximum aan ware erkenning van alles, wat buiten je bestaat.

Zeg je dan: “Wat is paranormale begaafdheid?”, dan luidt het antwoord; een gebruik maken van de gaven, die je bezit, zonder je af te vragen waar zij vandaan komen. En vraag je: “Wat is helderziendheid?”, dan luidt het antwoord op deze wijze; opmerken, wat zich aan je waarneming opdringt, zonder je af te vragen, wat het kan zijn, of hoe het er precies uitziet, voor je de erkenning weergeeft. Dit lijken misschien vreemde, wat gekke gezegdes, maar zij zijn praktisch waardevol, daar zij mogelijk maken deze dingen na te gaan en daar dan mede te werken.

Wanneer iemand mij vraagt: “Wat is God?”, dan kan ik toch niet een heel verhaal ophangen om duidelijk te maken wat God is, zelfs wanneer ik het zou weten? Vergeet niet, dat de mensen al zeker 1500 jaren lang bezig zijn, om uit te maken, wat God eigenlijk moet zijn op basis van het christendom en zij het er nog niet over eens zijn. Indien ik echter zeg: “God is voor mij datgene, wat mij het leven levenswaard maakt”, dan is dit bruikbaar en kom ik voor mezelf en de meeste anderen veel dichter bij de werkelijkheid dan alle theologen met hun geleerde bibliotheken vol speculaties.

Wat ik probeer te betogen vandaag, kun je samenvatten in de woorden: Vraag niet naar alle argumenten, vraag naar de praktische mogelijkheden. Meer niet. Indien men u vertelt, dat een bepaalde auto van fl. 19.000 eigenlijk uitermate goedkoop is, daar zij een voordelig en zeer luxueus vervoermiddel vormt, dat zowel voor stadsverkeer, snel parkeren als lange afstanden geheel geschikt is, en u alleen maar geld genoeg hebt voor een fiets, is mijn raad: Koop een fiets. Want wanneer u blijft sparen tot u de auto kunt kopen, is zij al lang uit de mode, duurder of bent u al te oud, om nog een rijbewijs te kunnen krijgen. Liever de kleinere zekerheid van vandaag dan het misschien betere, dat eerst veel later kan komen.

Dat is in het leven praktisch en logisch.

Bovendien moet je alles, wat anderen zeggen, ook nog eens bezien. Wanneer iemand tegen mij op aarde gezegd zou hebben, dat alle stoffelijk bezit verwerpelijk is, zou ik mij allereerst afgevraagd hebben, waarom die ander dit gezegd heeft. En als hij zegt, dat het materiële zo slecht voor de ziel is, dat je het beter aan O.L. Heer kunt geven en u vertelt, dat hij dan wel zal zorgen, dat het op zijn juiste bestemming komt, is mijn reactie: “Joh, je belazert de kluit. Geef mij eerst maar eens iets namens O. L. Heer.” Zeker. Dat had u allemaal zelf ook wel kunnen bedenken en zeggen. Maar waarom handelt u er dan niet naar? Wij kunnen zoveel vertellen. Wij kunnen bijvoorbeeld precies gaan vertellen, wat de liefde tussen mensen behoort te zijn. Zij behoort geen chemische of biologische reactie tussen leden van verschillende seksen te zijn, doch dient een innerlijke erkenning te zijn, die vanuit een innerlijke harmonie uiteindelijk ook komt tot een stoffelijke bevestiging enzovoort… Tjonge tjonge. Mooi. Maar wanneer een ieder daarop zou blijven wachten, zou het menselijke ras snel uit kunnen sterven. Dat is de praktijk. Dat wil niet zeggen, dat wij het ideaal niet mogen zien. Maar wij moeten werken met wat wij hebben, niet met wat wij zouden willen hebben of menen, dat het het beste zou zijn, indien wij het hadden.

Ik weet wel, dat dit alles niet erg esoterisch klinkt. Maar wanneer u nu nadenkt over bewustwording, vraag ik mij af hoe het dan komt, dat zovele mensen onder bewustwording een soort bewusteloosheid ten aanzien van alle dagelijks werkelijkheid willen verstaan. “Bewustwording is het erkennen van jezelf, zowel als de wereld, het trekken van conclusies uit deze erkenningen, waardoor je zelf in die wereld juister, beter, prettiger en met meer betekenis voor anderen kunt leven.”

Dat is voor mij bewustwording in het heden. Al het andere lijkt mij vaak eerder een droom toe, die geen werkelijk nut heeft en tot geen enkele werkelijke bereiking kan voeren. En wanneer de mensen het op aarde zo druk hebben over een hemel op aarde of in het hiernamaals, een hemel die je later kunt krijgen, wanneer je nu maar begint met veel te offeren, zo vraag ik mij altijd weer af, hoe het komt dat de mensen, naarmate zij (volgens hun zeggen) harder streven naar het waarmaken van een hemel op aarde of in het hiernamaals, anderen het leven meer tot een hel maken. En als ik tot de conclusie kom, dat dit streven naar de hemel in feite betekent veel onnodig lijden, zo zeg ik op mijn beurt: Onzin, je kunt immers nooit uit het kwade het goede geboren laten worden en vrijheid voort doen komen uit toenemende dwang? Het is volgens mij onzinnig dat men denkt door bewust kwaad te doen aan zich of anderen, iets goeds tot stand te kunnen brengen. Dat is voor mij eenvoudig kolder. Ik meen, dat je eenvoudig geen oorlog kunt gaan voeren om daarmede de vrijheid te verzekeren. Want degene, die oorlog voert schept toenemende onvrijheid, stelt in plaats van samenwerking, begrip, recht, geweld en macht. En als je niet in staat bent, om vrijheid of vrede op een andere wijze dan door oorlog tot stand te brengen, moet men volgens mij niet naar vrede streven en niet spreken van vrijheid. Dan moet men desnoods genoegen nemen met een met-rust-gelaten-worden. Want dit laatste kun je met geweld en macht inderdaad bereiken, maar dit is vaak op eenvoudiger, minder pijnlijke en kostbare wijze ook te bereiken.

Wanneer men een eeuwige zaligheid, een overwinning over de dood, wenst, dan zal men dit nooit kunnen bereiken door het eenvoudig te vertikken om te leven. Je zult dan het leven niet mogen ontkennen, maar moeten beginnen met het leven te zien en te aanvaarden voor wat het is, de waarden ervan te genieten zo goed men kan en in dit beleven dan een gevoel te kweken van verbondenheid met het goede en eeuwige.

Maar ja, wat haalt het uit dit alles te zeggen? Jezus heeft eens gezegd: “Degene onder u, die zonder zonden is, werpe de eerste steen”. En de vromen hebben dan maar gezegd: “Jongens, wij mogen dus geen stenen meer gooien, laat ons dan de zondaars maar doodslaan.”

Laat ik het toch maar proberen. Wij moeten steeds open oog hebben voor eigen geestelijke en materiële waarden en mogelijkheden, zowel van onszelf als die van anderen en proberen daarmee iets te doen, nu. Wij moeten zowel in ons geestelijke als materiële streven steeds de moed hebben uit te gaan van de feiten, zonder er iets bij te doen of iets daarvan weg te laten. Wij moeten steeds reageren volgens onze mogelijkheden en eerlijke inzichten, zoals zij nu bestaan. En voor alles moeten wij reageren zonder ons eerst de tijd te gunnen met reageren. Want dat betekent dat wij de noodzaak en mogelijkheid tot handelen steeds weer voorbij willen laten gaan. Want wij nemen heel vaak dingen in beraad, niet omdat wij niet weten wat wij moeten doen, maar omdat wij niet bereid zijn te doen wat wij weten te moeten doen. En dat is zelfbedrog en een tekort schieten tegenover ons zelf en de wereld tegelijk.

En daarbij laten wij het dan maar. O ja. Nog een raad. Indien u boven alles wenst, dat men u als geleerd en wijs beschouwt: Meng de stellingen van Einstein met die van Freud, formuleer verward en een ieder zal geneigd zijn uw wijsheid te loven. Maar voor jezelf kun je beter gewoon doen.

image_pdf