De macht achter het leven

Wat is leven? Het is een beetje moeilijk om daarvan een juiste definitie te geven. Half-eiwitten zijn eigenlijk al een begin van leven. Een virus, ondanks zijn optreden in kristallijnen vorm, is al leven. Maar dan heb je eigenlijk nog niets gezegd. Want dan zeggen we: leven is een bepaalde vorm van functioneren. Maar hoe komt het nu dat die zaak functioneert? Als ik het precies moet zeggen, is het misschien niet erg duidelijk. Ik zal het toch proberen.

Er is een totale kracht. Deze kracht heeft op de een of andere onnaspeurlijke wijze volitie (wil) en stuwt naar alle concentraties van energie onverschillig of deze materie vormen, dan wel verdichtingen van energie (energievelden) zijn al dan niet met alternerende waarde. Op het ogenblik, dat deze kracht zich gaat openbaren in afgescheiden momenten, oefent zij macht uit. Zij is plotseling geworden tot een beheersend vermogen. Als beheersend vermogen schept zij een nieuwe vorm van energie. Mogelijk moeten wij deze als geïnduceerd beschouwen, mogelijk is het ook direct, dat is niet precies te zeggen. Deze energie noemen we levenskracht. Het is de energie, die verbonden is met elke vorm van leven, die in de praktijk bijna onmeetbaar is, zeker voor een mens, maar zonder welke kracht geen leven kan bestaan.

U zult begrijpen, dat dit wel enige verhelderende commentaren vergt. We kunnen het natuurlijk heel gewoon zeggen, maar dan wordt het wel wat minder duidelijk. Maar als handleiding voor overweging van het voorgaande kan het dienstig zijn. Het bestaan zelf is op de een of andere manier bevat in wat wij de ruimte noemen en wordt geactiveerd door iets wat wij de energie of ook wel de macht noemen. Meestal husselen we dat alles door elkaar en noemen we het God. Eenvoudigheidshalve dus: Aan het begin van alle dingen, alles omgevend, alles doordringen is God. Heeft die God een vrije wil zoals wij die beschouwen? Dat weten we eigenlijk niet. Wij doen natuurlijk wel alsof we het weten, maar we weten het niet. Zeker is wel, dat er niets kan bestaan zonder dat, die Totaliteit, die kracht die wij onder God verstaan, zich daarin manifesteert. Je zoudt kunnen zeggen: In elke mens leeft een stukje van God of oerkracht, die door die God wordt veroorzaakt. Over dat laatste zijn de meningen verdeeld. Persoonlijk voel ik het meest voor “een stukje van God”. Misschien wel omdat ik denk: dan ben ik wat meer waard. Waar het nu om gaat is dit: alles wat beslaat is in feite niets anders dan een verandering van de ruimte. Ik heb hier ruimte. In de ruimte is eigenlijk niets. Maar als ik daar nu bepaalde stralingen in breng aan bv. laserstralen, dan kan ik de ledige ruimte door die verschillende straaltjes zo laten doordringen dat ze elkaar kruisen. En wat ontstaat er? Er ontstaat een voor de mens niet tastbaar maar wel zichtbaar geheel. Een soort hologram waarvan tegenwoordig, al kan worden geconstateerd dat men dit zelfs als een toekomstige kunstvorm ziet. Wel is opvallend dat dit het eerste van op deze wijze veroorzaakte beelden in een Amerikaans museum staat en natuurlijk een auto voorstelt. (Ieder mens beeldt zijn God uit: waarom zouden zij het niet doen.)

Ik heb nu geprobeerd duidelijk te maken dat, als ik ruimte heb en daarin komt een werking ‑ hoe dan ook en waar vandaan dan ook ‑ kan er een vorm ontstaan. Nu kunnen we wel zeggen: dat hologram is niet tast­baar. Maar het is zichtbaar, het existeert voor mij. En we kunnen ons misschien zelfs voorstellen dat er iemand is die zegt: voor mij is dat een reële auto, ik stap erin en rijdt ermee weg. Voor zo iemand is die totaliteit van licht en de duur waarin het bestaat voldoende om het als een realiteit volledig te ervaren. Nu denken wij dat die God op de een of andere manier de oorzaak is van alle stralingen die daar ontstaan en dat waar die stralingen elkaar treffen vormen ontstaan. Dat kan materie zijn. Maar materie is alleen gebonden aan haar eigen structuur zonder meer. Ze is dus van­uit ons standpunt niet levend. Haar bestaan verloopt onder condities waardoor het stukje materie zelf geen verandering kan aanbrengen in het totale bestaan.

Nu komen er vormen voor die complexer zijn. Op een gegeven ogenblik is er een zo grote moleculaire keten gevormd, dat het mogelijk is dat hierdoor verschillende reacties op gelijke oorzaken worden getoond. En dat is al iets wat de mens als een begin van leven beschouwt. De interactie ten aanzien van de omgeving wordt mede bepaald door de in de structuur bepaalde keuzemogelijkheid, waarbij die keuzemogelijkheid niet door de externe condities alleen, maar mede door een eigen keuze en de reactiemogelijkheid van de moleculaire keten wordt bepaald. Want achter het leven zoals wij het zien, schuilt dus die keuzemogelijkheid. Hoe komt het nu dat er zeer ingewikkelde moleculaire ketens bestaan? Denk maar eens aan de moderne kunststoffen. Als je ziet wat ze daarvan hebben gemaakt, dan is dat soms nog ingewikkelder dan bepaalde genetische ketens, ketens in celkernen etc. Hoe komt het nu, dat de ene keten leeft en die keuzemogelijkheid, die beweeglijkheid heeft en de andere niet? Dat kunnen we zuiver materieel niet zien. Maar we zien dat ergens een niet‑tastbare energie aanwezig is. Die niet‑tastbare energie blijkt in elk, ook het kleinste levende wezen te bestaan. Over het algemeen zou men kunnen zeggen: deze macht van de scheppen de Kracht openbaart zich door een kracht die in elke cel aanwezig is. Indien voldoende cellen tot samenwerking komen, dan gebeurt er weer iets vreemds: dan blijkt dat deze kracht, die in elke cel afzonderlijk aanwezig is, een soort uitstraling vormt waardoor er een schakel(niet materieel) is tussen de energie die in die kernen aanwezig is. En dan zal het afhankelijk zijn van de vorm en de reactie, die deze vorm als geheel kent om een plaats te bepalen waar dan dat eigenlijke wezen zich bevindt.

Bij de mens blijkt het grootste gedeelte van zijn bestaan te worden bepaald door denken. Daar zien we dan ook dat die kracht een mensachtige vorm aanneemt overeenstemmend met de “ik”‑voorstelling zoals die in de hersenen bestaat. Dus niet de feitelijke mensvorm, maar het “ik”-beeld dat men in zich draagt. Dat noemen we dan bij gebrek aan beter: levenslichaam, astraal voertuig, we geven er allerlei namen aan. We verdelen liet alsof het een ui is, die we aan het afpellen zijn. Maar als we alles hebben afgepeld, dan blijft die kracht toch. Die kracht is er nog, ook zonder dat ze een vorm heeft. Kijken we bij een plant, dan blijkt dat een éénjarige plant over het algemeen de kern van haar levenskracht niet in zich draagt, maar wel dicht bij het punt waar eens de bloei zal plaatsvinden en daar een soort netwerkje vormt. Hebben we nu een bloem, dan zien we een werveling. Hebben we een boom die bloesem gaat zetten, dan zien we een soort netwerk van straaltjes. Overal waar ze elkaar beroeren, zien we ook weer een lichtpuntje, dat is een werveling. Dit is dus eigenlijk de levenskracht. Achter die levenskracht moet de oorzaak liggen.

Nu heb ik al gezegd: we vragen ons soms af, of die levenskracht eigenlijk niet geïnduceerd wordt. Dat betekent, dat het niet de Godde­lijke Kracht zelf is (deze is om het wezen heen aanwezig), maar door­ dat ze aanwezig is en pulseert, ontstaat er een andere vorm (je zoudt kunnen zeggen: een ander voltage zoals bij een transformator) in het levende wezen. Dit is een stelling waar ik persoonlijk niet erg veel voor voel, maar waar toch wel wat voor te zeggen is. Ik zou niet eerlijk zijn, indien ik die argumenten niet zou aanhalen. Als wij de vormen van levenskracht, die er overal zijn, bezien, dan blijkt dat deze naar geaardheid en wezen anders optreden. Het grote onderscheid vinden we natuurlijk bij verschillende rassen van levende wezens. Het is zeer duidelijk, dat er een sterke afwijking van de werking van die levenskracht en haar inhoud is in bv. een koudbloedig en een warmbloedig wezen. Het resultaat is, dat men zegt: Aangezien de kracht in praktisch elke vorm van leven anders optreedt, moet worden aangenomen dat deze kracht geïnduceerd is, omdat wij weten dat de totale kracht die aanwezig is altijd dezelfde is.

Nu komen we aan de kwestie van de macht die achter het leven staat. Een groot gedeelte van wat men erover kan zeggen is natuurlijk zuiver speculatief: het is een gokje. Zoals alle geloof van de mens eigenlijk een gokje is waardoor hij hoopt gelijk te krijgen, zodat de waarheid die voor hem bestaat kostbaarder is dan de waarheid die hij nu beleeft. Dit moet u maar eens onthouden, als iemand met “geloof” komt aandragen! Constateerbaar is: de structuur van de ruimte op zich is niet onbegrensd. Misschien is ruimte wel een gat in een kosmische kaas. In ieder geval is zeker: er is iets wat die ruimte begrenst: ze is eindig. Haar oneindigheid komt voor een groot gedeelte voort uit de verhoudingen waarin ze optreedt, zodat bv. haar velden buiging van licht kunnen veroorzaken en alle stralingen afwijkingen ondergaan waardoor ze cirkelvormige of vergelijkbare gesloten banen gaan beschrijven, welke het idee geeft van oneindigheid, tenzij men ontdekt dat men zichzelf soms in de nek ziet.

Er is dus iets buiten het geheel. Wat gebeurt er nu? De hele leegte, die ruimte is gevuld met een bepaalde vorm van energie. Wij gebruiken daarvoor de naam krachtvelden, omdat die energie niet altijd gelijk is en zich ‑ althans voor ons ‑ bewust golfvormig voortbeweegt. De verschuiving daarvan geeft dan het idee van een magnetisch lijnenveld, als je ze op een bepaald niveau bekijkt. Die velden moeten ergens vandaan komen. Het is te krankzinnig, als je veronderstelt dat dat nu maar een toeval is, zeker als je rekening houdt met het feit, dat ook in een rustend Al waar een volkomen stilstand van alle energie, beweging en straling is, deze energie aanwezig blijft. Ook dat heeft men in de geest geconstateerd. Wij gaan daarom ervan uit dat deze velden het resultaat zijn van een bewuste actie van iets wat het Al omgeeft. De vraag: wat is natuurlijk. Niet of moeilijk te beantwoorden.

Wij zijn natuurlijk niet blijven stilstaan bij de materiële werelden. We hebben geprobeerd verschillende geestelijke werelden ook te onderzoeken. En ook daar zijn we tot dezelfde conclusie gekomen: er zijn hier eveneens dezelfde golvingen. En als we dat vergelijken met de materie, dan lijkt het alsof hier een verschuiving in het lijnenstelsel van een veld plaatsvindt. Probeer je nu over verschillende werelden (sferen dicht bij de aarde en er verder van af) die lijnen te stellen, dan krijg je praktisch een sinusoïde. Als je nu zegt: mijn wereld is middelpunt, dan zakt hij misschien of stijgt wat, maar de totale beweging blijft gelijk.

Conclusie: Het geheel van deze energie, die de bron is van leven voor zover we dat kunnen nagaan, ligt buiten de bekende kosmos en ‑ naar wij aannemen ‑ buiten elk ruimtelijke concept dat voor ons beleefbaar is.

Nu is er één ding opgevallen, namelijk dat de verandering van die golving, de werking die in de gehele kosmos aanwezig is, kennelijk niet zonder meer gebeurt. Er is namelijk geen vaste wet. Aan de andere kant blijkt wel, dat overal waar die golvingen nu toevallig bijzonder actief worden en er extra snijpunten van velden optreden, er bijzondere dingen gebeuren. Daarbij valt verder op ‑ tenminste voor ons als we dat nazoeken ‑ dat alles wat er gebeurt in overeenstemming, is met dat snijpunt, maar gelijktijdig weer beantwoordt aan een logica, die voor ons wel te vatten is: de logica van vorming en ondergang en daarnaast van bezieling. En zo komen we tot de conclusie, dat die kracht alleen de uitdrukking is van een macht die ons omringt, maar die niet als zodanig voor ons kenbaar is, doch alleen door de krachten welke zij doet ontstaan of van zich afgeeft.

Levenskracht (de titel, die oorspronkelijk eraan is gegeven) omvat alles. Dat begrijpen de meesten niet. De macht, die achter het leven staat, mogen we God of wat anders noemen, maar indien wij haar aanwezigheid constateren of op grond van verschijnselen met redelijke zekerheid menen te mogen vermoeden, dan moeten we ons ook afvragen wat die macht is en wat ze wil. Maar hoe kunnen we nu gaan zeggen wat die macht is en wat ze wil, als we niet proberen dat allemaal af te leiden uit hetgeen we constateren? En dan zitten we eigenlijk met de grote moeilijkheid waarmee de mens altijd weer zit, als hij in de clinch komt met begrippen als goden, engelen, demonen en wat dies meer zij.

Wij leggen onze denkbeelden op aan de verschijnselen. Maar wij doen nog veel meer: wij ondersteunen een aantal gevormde conclusies door uit het geheel der verschijnselen die te citeren welke passen bij onze gestelde thesen: en dat is eigenlijk een der meest krankzinnige dingen. Als je kijkt naar een geloof, naar een ideologie en wat dat betreft naar sommige wetenschappelijke ontwikkelingen, dan zie je dat men alleen die feiten citeert, welke de reeds bestaande stellingen onderstrepen. Alles wat er niet bij past, proberen ze weg te moffelen. Als ik nu moet spreken over de macht die achter het leven staat, dan blijf ik gebonden aan een redelijkheid, een zekere vorm van samenhangend denken (logica) en dat kan dan misschien erg filosofisch gebeuren, maar ik ben beperkt. Vanuit die beperking kom ik dan weer tot de volgende conclusie:

De aard van de macht achter alle leven is niet met zekerheid vast te stellen. Daar wij het leven en de verschijnselen van het leven over het algemeen als kostbaar ervaren, zijn we geneigd te zeggen dat die macht goedertieren is. Indien wij een deel van deze macht zelf kunnen uitoefenen en daardoor op meer dan een niveau van bestaan gelijktijdig actief kunnen zijn, dan kan dit gebeuren door het gebruik van paranormale gaven als je mens bent, het kan gebeuren door contact met vele delen van werelden als je geest bent. We ontdekken dan echter, dat waarden nogal eens verschillen en dat wat op de ene plaats goed heet, op de andere plaats volledig kwaad is en omgekeerd. Ik geloof, dat je daarom niet kunt zeggen dat deze macht op zichzelf gelijktijdig een voor ons te vatten criterium van goed en kwaad heeft geschapen. Ik meen, dat dit criterium door ons wordt gesteld en zeer waarschijnlijk ook door ons voortdurend wordt aangepast aan onze mogelijkheden en behoeften.

We moeten zeggen, dat deze macht onuitputtelijk schijnt vanuit een standpunt. Gezien vanuit een menselijk en geestelijk, standpunt is het redelijk om een Almacht te stellen voor zover het ons bekende werelden betreft. Ook dit is belangrijk, dat wij dit begrijpen. Wij kunnen zeggen, dit is God en God is almachtig. Maar die almacht kan alleen t.a.v. ons worden begrepen en eventueel gemanifesteerd. Wij weten niet wat er verder is. Onze onzekerheid is zo groot, dat we door deze te erkennen juist uit die onzekerheid tot een aantal conclusies komen die weliswaar persoonlijk zijn, maar die voor ons waardevol zijn omdat ze een oriëntatie mogelijk maken, een gerichtheid te midden van de krachten die ons omgeven. Die gerichtheid zal dan in overeenstemming zijn met de macht, die achter alle leven staat. Dat betekent, dat we eerst het leven moeten erkennen als een begrensd zijn. Alleen door de erkenning van de begrenzing zal de wisselwerking tussen de levenskracht in ons en de levenskracht buiten ons kenbaar worden.

Dan stellen we verder, dat alles wat wij in ons dragen aan energie – van welke aard en vorm dan ook ‑ ontleend is aan deze macht buiten ons. Als zodanig zijn wij verschijnselen, afhankelijk van deze macht en van de kracht manifestaties die daarvan uitgaan. Maar dan ben ik nog niet veel verder. Ik heb er alleen mijn eigen afhankelijkheid geponeerd. Maar die afhankelijkheid kan in kosmische zin bestaan, terwijl gelijktijdig een zekere onafhankelijkheid bestaat op mijn eigen niveau van leven en denken. Ik zou daaraan enkele commentaren willen verbinden.

Ik stel: Mijn totale afhankelijkheid van de macht achter alle leven betekent voor mij niet dat ik deze als zodanig zal beleven, want alle leven leeft uit ditzelfde vermogen. Alle levenskracht komt voort uit diezelfde bron: deze algemene mogelijkheid die de hele kosmos doordringt. Dan zal deze kracht zo algemeen aanwezig zijn dat een verandering daarin mij niet zal opvallen, omdat met mij al het andere mede verandert. Dat betekent dat, als de macht achter alle leven haar tempo, haar inhoud, haar energieën verandert, ik dit nimmer objectief kan constateren. Ik kan leven in een wereld, die voortdurend verandert. Maar omdat alles mede verandert, blijft voor mij die wereld dezelfde. Ik kan dus uitgaan van een vaststaande wereld en van vaststaande wetten, ook als ik niet zeker weet, of deze in je levensmacht zelf aanwezig zijn, want ik ga uit van hetgeen er voor mij bestaat.

Dan stel ik verder: Door mijn besef worden mijn mogelijkheden geconstateerd. Door mijn besef dat beperkingen relatief zijn, kan ik steeds meer mogelijkheden voor mijzelf verwerven. De maatstaven, die ik hanteer zijn mijn eigen maatstaven en geen andere. Ik kan dus mijn maatstaven veranderen en daarmede mijn plaats, mijn positie en mijn werking in de wereld, veranderen. Ik ben vrij, ongeacht de gebondenheid, die deze kosmische macht achter alle leven voor mij de werkelijke essentie van het bestaan is vrij, omdat mijn besef niet in staat is de gebondenheden te beseffen. Ik ben vrij, omdat ik niet besef hoezeer ik gebonden ben. (Dat is nu precies hetzelfde als te zeggen: U heeft eerlijk allemaal het gevoel dat u in een democratische staat leeft, doodgewoon omdat u niet weet wat democratie als woord werkelijk betekent. Daarom kunt u zich heel democratisch voelen ook al bent u het niet. Zoals heel veel mensen zich uitermate socialistisch voelen, terwijl ze in wezen eigenlijk meer asociaal zijn.)

Erkennend dat ik vrij ben, erkennend dat rond mij, macht aanwezig is welke krachten voortbrengt waaruit ik kan putten, zou ik een dwaas zijn om niet te proberen dat te doen. De macht die ik over mijn leven bezit, is een macht die verschijnselen betreft, niet het wezen: dat wordt kosmisch bepaald. Om een voorbeeld te geven: Iemand kan rustig zelfmoord plegen en dan is hij dood. Ja, voor de anderen die zijn wereldje met hem delen, maar voor zichzelf leeft hij voort. De vraag is alleen, of hij dit erg leuk zal vinden. Dit is een ervaring, die we regelmatig opdoen. Ik kan dus wel de verschijnselen veranderen, maar niet mijn wezen. Dan is dat niet alleen maar mijn mogelijkheid, maar ik geloof ook mijn recht. Ik beschik zelf over levensmacht, die wordt bepaald door mijn bewustzijn en mijn vermogen om gebruik te maken van alle krachten, die in mij aanwezig zijn en van alle mogelijkheden om kracht te ontlenen aan dat wat mij omringt.

Ik ga nog een stap verder: Mijn vrijheid zal afhankelijk zijn van mijn bewustzijn. Waar ik niet vrij ben, zal ik mijn bewustzijn moeten proberen te veranderen. Daar het bewustzijn een verschijningsvorm is van levenskracht, maar niet daaraan gebonden is zonder meer, kan ik mijn bewustzijn wijzigen zonder dat dit invloed heeft op het totaal van mijn levenskracht, mijn vermogen tot leven of mijn vermogen krachten van buiten aan te trekken.

Nog een stap verder en ik ben al aardig in de goede richting opgeschoten: In de hele menselijke historie valt steeds weer op dat het lot van de mensen mede wordt bepaald door hun voorstelling van hun eigen betekenis en hun voorstelling omtrent de mogelijkheden van hun omgeving. Er zijn oorlogen ontstaan alleen omdat mensen dachten dat een orakel de waarheid zei. Tegenwoordig komt daardoor geen oorlog meer, het is meer een economische noodzaak. Maar een economische crisis komt nog steeds wel voort uit een orakel, alleen heeft dat meestal een wetenschappelijke titel. Een crisis is iets wat de mensheid zichzelf aanpraat. Indien de mens namelijk uitgaat van zijn werkelijke levensbehoeften en zijn werkelijke le­vensmogelijkheden, is er nooit een crisis. Dan kan er alleen een tekort of een teveel zijn. Is er een teveel, dan moet je je beperken. Is er een tekort, dan moet je zien dat je meer krijgt. Maar dan moet je niet wachten totdat een ander het je geeft, want dan krijg je het niet of veel te laat.

Wat moet ik dan doen? Ik moet mijn eigen normen stellen voor mijn leven. Ik kan dat nooit voor een ander doen, maar voor mijzelf kan ik dat. Als ik leef volgens die normen, zal ik mij bewust worden van de wereld rond mij op een daardoor bepaalde wijze. Als je geen cent hebt om groot te doen, dan zie je de wereld anders dan een miljonair. Maar nu zijn er mensen, die geen cent hebt om groot te doen, maar die gedragen zich als een miljonair. Ik wil u deze techniek zeker niet aanbevelen. Zolang er enkele flessentrekkers zijn en een hoop stommelingen is, dat een goed beroep, maar als iedereen eraan begint, dan is er ook geen aardigheid meer aan. Wat ik echter wel wil aanbevelen is: op grond van uw bestaan duidelijk te analyseren wat uw wereld eigenlijk voor u betekent. Als de wereld tekorten vertoont in uw ogen, dan is het belangrijk dat u niet alleen probeert om die wereld te veranderen, maar dat u zich ook afvraagt: welke elementen in u bij de beoordeling van de wereld een rol hebben gespeeld, dan kunt u door u aan te passen uw functie in de wereld veranderen.

Dan kunt u door zelf een bepaalde mogelijkheid te zien daaraan bepaalde krachten ontlenen die in de wereld kenbare resultaten hebben. De werkelijke macht achter alle leven is God. Maar in ons eigen leven is de macht die staat achter al wat we zijn, ons bewustzijn plus ons besef van kracht. Als wij daarvan op de juiste wijze gebruikmaken, zullen we komen tot een aanpassing van ons leven, aan onze ideaalbeelden, daar wij onszelf veranderen en daarmee onze functie in de wereld.

Ik heb geprobeerd een algemeen beeld van die levenskracht te geven. Als we het nu kort samenvatten, is het eigenlijk zo: Wat er ligt buiten de kosmos, ligt ook buiten ons voorstellingsvermogen en begrip. Als zodanig kunnen we dat niet beseffen, we kunnen het ons niet redelijk voorstellen en we kunnen daarover ook geen oordeel hebben. De krachten, die echter in de kosmos kenbaar worden, maken een vergelijkende veronderstelling mogelijk, namelijk dat daar wij onze actie wijzigen door onze wil, datgene wat de kosmos omringt of er deel van is over diezelfde kracht beschikt.

God heeft een wil. Wij kunnen die wil niet kennen. Als we proberen dat te doen, dan geven we alleen maar onze eigen en eenzijdige versie, gebaseerd op de verschijnselen in het Al, die voor ons belangrijk schijnen te zijn. Laat ons dus beseffen dat wij voor onszelf een waarheid kunnen vinden die we kunnen leven, maar dat die waarheid zeer persoonlijk is en persoonsgebonden blijft. Indien ik mijn voorstelling van de wereld verander, zie ik andere dingen in die wereld en kan ik daarop anders reageren. Het is voor mij niet alleen belangrijk dat de wereld beantwoordt aan wat ik wil, maar dat ik mijn beleving van die wereld afstem op datgene wat ik in die wereld wil vinden.

Het laatste punt is eigenlijk nog veel eenvoudiger: Hoe dan ook, een mens wordt omringd door kracht. Sommigen geloven, zoals ook ik dat doe, dat die kracht een wezenlijk deel is van de Oerkracht, van God of van wat anders. Wij kunnen hiervan gebruikmaken, indien wij maar beseffen dat wij over meer vermogens en mogelijkheden beschikken dan wij normaal gebruiken. De manier waarop wij het doen, zal afhankelijk zijn van ons wezen, van de manier waarop wij de zaak beleven en zien, want het is ons denken dat ook hier een zekere rol speelt.

Hoe minder u zich bezighoudt met het stellen van beperkingen, die niet ervaren zijn maar theoretisch worden gesteld, hoe minder het aantal wezenlijke beperkingen dat u in uw wereld zult ontmoeten op geestelijk zowel als op meer materieel terrein. Dat wil niet zeggen, dat er geen beperkingen zijn. Het wil zeggen, dat u minder last zult hebben van de beperkingen die er bestaan en dat u beter zult begrijpen wat u te dien aanzien kunt doen. Maar wie zegt, dat hij iets niet kan, schept daarmee een precedent: hij sluit een deel van zijn vermogen en van zijn werkelijke wereld voor zich af. Dat moogt u niet doen,

Ter afsluiting komen we aan een geloofspunt. Dat wil zeggen, dat het voor mij geldt. U moet zelf uitmaken, of het voor u zelfs maar waarschijnlijk is. Ik stel: de macht, waaruit het geheel bestaat, en die het geheel in stand houdt, is gelijk aanwezig in elk verschijnsel dat wij leven noemen. Het is een in zich onvernietigbare kracht. Deze kracht in ons beseffend, kunnen wij daarmee werken, zodat ze ook buiten ons kenbaar wordt. Als wij die kracht beseffen niet als: een belemmering, beperking, of bepaling, maar als een mogelijkheid om ons besef, te ontwikkelen, dan zullen wij steeds meer dingen gelijktijdig kunnen beseffen en kunnen overzien naarmate ons bewustzijn zich uitbreidt zullen we meer van de kosmos, die voor ons kenbaar is, begrijpen. In het eind zullen we misschien alle dingen kennen, behalve dat ene: de origine, de bron, de oorzaak van de macht die achter alle leven staat.

Ik merk, dat juist het geloofspunt u nog het meest aanspreekt. Dat is ergens een beetje bedenkelijk. Waarom?

Geloof is de leidraad die we gebruiken. Maar op het ogenblik, dat we het geloof van groter belang achten dan onze ervaring en onze bele­ving, maken we onszelf onderdanig aan iets wat heel goed een illusie kan zijn. Ons geloof is de werkhypothese vanwaar we uitgaan om een werkelijkheid te benaderen, die ons besef op dit moment nog niet kan uitdrukken of omschrijven. Het heeft echter alleen zin van een geloof uit te gaan, indien men bereid is voortdurend te leren en daardoor zijn geloof te veranderen of te bewijzen, totdat men kan zeggen: Voor mij is dit een volledig gekende en bewezen waarheid. Wat hier aan waarheid blijft, onttrekt zich verder aan al mijn vermogens, zodat ik zal moeten leven op een andere manier, in een andere wereld, in een andere toe stand om daar achter te komen. Waarop je dan prompt tot jezelf zegt: dus verander ik en ga verder.

Nu weet u tenminste waarom het gevaarlijk is om op een geloofspunt zo hartstochtelijk “ja” te roepen, als je gelijktijdig niet bereid bent om erover na te denken en een bewijs ervoor te zoeken in je eigen leven, in je eigen ervaring.

CONCLUSIE

De macht achter het leven ‑ of we haar God noemen of iets anders – is werkelijkheid. Er is Iets en met dat Iets leven we, door dat Iets leven. Dat Iets kan in ons leven door ons ervan bewust te worden steeds meer gaan betekenen. Dat wil niet zeggen, dat wij een kosmische waarheid weten. Het wil wel zeggen, dat we meer gaan beseffen wat we zelf zijn, wat we kunnen doen. Wij hebben een levenskracht die we danken aan iets wat buiten ons bestaat. Ze is niet inherent aan ons wezen. Wij hebben een levende persoonlijkheid, die minder afhankelijk is van stoffelijke verschijnselen dan de doorsnee‑mens nog vermoedt, ondanks zijn geloof in het tegenovergestelde. Daarom zou ik u willen zeggen:

Wees u ervan bewust dat er iets is wat op u inwerkt. Iets waaruit u kunt putten. Iets waardoor u ook bewuster kun leven, meer de betrekkelijkheid der dingen beseffend en gelijktijdig vanuit uw eigen besef en mogelijkheid werken in de wereld zoals ze voor u kenbaar is. Want dat is hetgeen waar het om gaat. Stel uzelf op de proef. Kijk eens wat er waar is van uw denken. Besef, dat u niet alles weet en niet alles kunt weten, maar dat u vele dingen kunt aanvoelen en daarmee werkend toch bewuster en juister vooral uw wereld kunt beleven.