De magie

image_pdf

1 december 1967

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denkt dus zelf na over alles, wat te berde wordt gebracht.

Ik wilde u heden eens spreken over: De magie.

Ik wil mij hierbij beperken tot enkele grondbeginselen. In alles wat men magie noemt of, voorzichtiger, occultisme, treffen wij namelijk steeds de zelfde eigenaardige verschijnselen. Wij weten bijvoorbeeld dat in de oude tijd de priesters een eigenaardige macht bezaten. Deze macht werd hen in de tempels overgedragen. Daarnaast blijken er ook andere mensen te zijn die “wonderen” doen, waarvan het moeilijker is precies te zeggen wat zij nu eigenlijk zijn of vanwaar hun macht stamt. Juist in latere tijden treffen wij vooral deze tweede soort magiërs aan. Daar is bijvoorbeeld de graaf de St. Germain – een man, waarvan men historisch maar zeer weinig met zekerheid kan zeggen. Wat trouwens ook blijkt te gelden voor figuren als Cagliostro, John Dee en anderen. Zeker is dat dergelijke figuren ook in hun tijd nog als magiërs werden beschouwd. Uit de beschrijvingen die over hen zijn bewaard gebleven, horen wij dat zij tenminste een eigenschap gemeen hadden: Steeds weer spreekt men over hun “dwingende ogen” en wijst alles op het bestaan van een zeer sterk persoonlijk magnetisme. Dit zou kunnen doen vermoeden dat een groot deel van hun wonderen te danken zijn aan hypnose. Daarnaast horen wij echter van bijna al deze magiërs van latere tijd dat zij genezingen verrichten. Over de St. Germain horen wij dat hij onderweg met zijn koets, in het voorbij gaan als het ware, door medici niet mogelijk geachte genezingen tot stand placht te brengen. Van Cagliostro horen wij dat tijdens zijn verblijf in Straatsburg door hem zo velen werden genezen dat de patiënten soms met drommen voor zijn huis stonden. Bij een handoplegger in Zwitserland, die als magiër gold, horen wij dat hij zo vele patiënten had dat, toen zij – door een vergissing – eens allen te gelijk bij hem wilden komen de politie er aan te pas moest komen, omdat er een zodanig gedrang ontstond dat velen gekwetst raakten en niemand het huis van de genezer nog kon betreden.

Opvallend is dat van de meesten van deze mensen wordt verteld dat zij zowel door aanraking als zonder dit – soms op afstand – konden genezen. In de theosofie zal men het oneerbiedig vinden wanneer ik van Helena Blavatsky eveneens spreek als iemand, die aan magie deed. Maar beschouw nu het woord magie eens niet als een bespelen van een richting, maar het omschrijven van effecten. Dan zult u toe moeten geven dat haar genezen op afstand, zowel als het verhaal over haar naaimachine, die vanzelf heette te gaan omdat zij door natuurgeesten in beweging werd gebracht, toch een bijsmaak van magie zeker niet ontberen. Van John Dee wordt verteld dat hij seances geeft, waarbij hij in enkele gevallen verschijningen heeft opgeroepen, die zijn opdrachten getrouw vervulden. Cagliostro maakt steeds weer gebruik van mediums, die onder zijn invloed waarnemingen in ruimte en tijd doen, voorspellingen geven enzovoort. Kennelijk maakten vele der magiërs, zeker ook degenen uit de laatste tijd die ik met name noemde, gebruik van somnambulisme.

Op grond van het voorgaande stel ik dat magiërs kennelijk allen schijnen te beschikken over de mogelijkheid mensen te beïnvloeden en / of te genezen, een sterk persoonlijk magnetisme hebben, terwijl zij allen via verschillende middelen in staat blijken waarnemingen te doen op plaatsen, waar zij lichamelijk niet aanwezig zijn en vaak zelfs in tijden die nog niet gekomen zijn. Verder blijkt steeds weer dat de werkelijk groten onder de magiërs in staat zijn de mensen, ook in groepen, iets te laten zien wat er niet is.

Hieruit volgt dat de persoonlijkheid, de figuur van de magiër van groot belang is voor het beoefenen van zijn kennis. Wij horen in vele gevallen van magiërs die langere tijd met groot succes werken, maar dan door omstandigheden hun zelfvertrouwen verliezen. Steeds weer blijkt dat zij dan ook in hun magie niets van betekenis meer kunnen presteren. Velen van hen worden dan, uit wanhoop neem ik aan, tot goochelaars die via trucs hun wonderen nog trachten te verkopen, maar al snel betrapt worden. Aan de andere kant horen wij steeds weer van gevallen waarin mensen die hun zelfvertrouwen niet verliezen, onder de meest ongunstige omstandigheden toch nog wonderen weten te doen. Een voorbeeld hiervan is het wonder van Appolonius, die in Rome voor de rechters wordt gedaagd en in groot gevaar verkeert. Direct na de uitspraak verdwijnt hij uit de rechtszaal om nog geen uur daarna, zoals hij met enkele volgelingen had afgesproken, hen te ontmoeten op het strand bij Ostia, op een afstand die met de toen bekende middelen van vervoer niet in die tijd zou kunnen worden afgelegd.

Men mag dan ook rustig stellen dat het bezitten van en behouden van een groot zelfvertrouwen voor slagen in de magie een eerste vereiste is. Maar genoeg zal dit niet zijn. Er is meer nodig.

Nu zijn er vele verklaringen in omloop die de macht van de magiër willen ontrafelen. U hebt allen wel gehoord dat magiërs macht hebben over natuurkrachten, geesten en dergelijke. Een verklaring, die zeker deels juist kan zijn, maar niet algemeen geldt. U hebt verder gehoord van zogenaamde gebonden geesten of familiari, de verdragen met demonen enzovoort.

Juist zijn deze laatste verklaringen zeker niet, vooral wanneer men daarbij de nadruk legt op de middelen waarmede men dergelijke helpers aan kan trekken. Wij moeten niet vergeten dat de oude magie weliswaar werkt met begrippen als goden, demonen, vaak fantastische incantaties en riten, maar in feite voortkwam uit een geloofswereld. Zonder de waarde van de gebruikte middelen te willen beschouwen, kan men toch wel beweren dat de verklaringen die men geeft voor hun werkzaam zijn en het bereiken van magische resultaten niet voortkomen uit feitelijke kennis, maar eerder voortkomen uit een pogen dergelijke resultaten aan te passen aan eigen innerlijke wereld en zo passend te maken binnen de eigen geloofssfeer.

De verklaringen, die voor het werkzaam zijn van de magie tot in uw tijd nog gebruikt worden, mogen wij mijn inziens dus tenminste wel met enige achterdocht bezien. Wanneer u stelt dat er toch natuurgeesten en andere geesten zijn, zal ik dit zeker niet ontkennen. Beweert u dat mensen onder bepaalde omstandigheden een contact met natuurgeesten en andere entiteiten kunnen hebben waaruit zogenaamde magische gevolgen kunnen voortkomen, zo moet ik toegeven dat ook dit niet onmogelijk is. Maar zodra u daarbij dan de algemeen geldende voorstellingen van dergelijke krachten gaat hanteren, kan ik niet verder met u meegaan. Wanneer u wilt spreken over kabouters, gnomen en dergelijke volgens de geldende opvattingen, zo moet mij van het hart dat zover mij bekend is dergelijke wezens zich alleen als stenen vormen in de tuin van vele mensen bevinden. Indien men al dergelijke contacten wil aannemen als magische oorzaak of werking en niet slechts wil spreken over een meer dan normale kennis omtrent de werkingen van planten en stoffen, zo zal er toch ook hier een weten moeten zijn dat ver alle gangbare denkwijzen te buiten gaat.

Indien ik de kern van de magiërs dus nogmaals samenvat, moet ik stellen: Nodig zijn een persoonlijk magnetisme, zelfvertrouwen, maar ook kennis. Overigens, zelfs in de oude tempels omvatte de opleiding van de zogenaamde magiërs een groot deel van de toen bekende wetenschappen. Ook bij de magiërs van latere datum mogen wij aannemen dat zij een voor hun tijd ongebruikelijk grote kennis en vaardigheid bezaten. Helene Blavatsky bijvoorbeeld kende talen, had veel gelezen en van vele denkwijzen kennis genomen. John Dee was leraar in taal en geschiedenis, daarnaast was hij een goed chemicus. Graaf de St. Germain deed wetenschappelijke experimenten, was thuis in de alchemie en wist met chemie alleen en plantaardige stoffen resultaten te bereiken die zeker niet alleen met het woord bedrog of suggestie kunnen worden afgedaan. Cagliostro sprak tenminste 6 à 7 talen, kon uitstekend schrijven, had kennis van kruiden en vergiften en werkte soms als alchemist. Appolonius was niet alleen een filosoof, maar kon lezen, schrijven en was mathematicus. Enzovoort, enzovoort.

Welke kennis treffen wij bij de doorsnee magiër aan? Zij blijken allen min of meer geschoold te zijn in zogenaamde pseudowetenschappen als astrologie – ofschoon velen onder hen ook redelijke astronomen zijn en sommigen onder hen zelfs juist hierom bekend zijn geworden bij het nageslacht. Allen blijken verder veel te weten van de kruidkunde en weten iets van genezen af, stellen diagnosen, die juist blijken – al zijn velen onder hen nooit gepromoveerd als dokter in de medicijnen, maar halen zij zich door hun genezingen eerder de vijandschap van de officiële geneeskunde op de hals. Allen blijken ook iets te weten van wiskunde en meetkunde, zij kunnen zich in symbooltaal uitdrukken en daarmede werken.

Ik concludeer dan ook dat de magie een vorm is van toegepaste kennis, waarbij deze kennis vooral zich bezig houdt met het kennen van de natuurlijke eigenschappen der dingen. Het is duidelijk dat zelfs dergelijke opvallende en magnetische persoonlijkheden deze kennis van de achtergronden van het uiterlijk gebeuren van node hebben, daar zij hun beheersing van het schijnbaar onbeheersbare altijd weer mede aan deze kennis danken. De magiër wordt ons steeds weer beschreven als iemand met een magnetische persoonlijkheid. Sommige van hun genezingen doen denken aan het zogenaamde magnetiseren. Ik meen daarom dat wij kunnen stellen: Elke magiër zal over magnetische en/of mesmeristische eigenschappen moeten beschikken. Wat betekent dat voor een werken met de magie van de mens wordt verlangd dat hij iets van zijn krachten en wil buiten zichzelf weet te projecteren.

Bij dit alles is zelfvertrouwen onmisbaar. Alleen hierdoor kan men reageren met de noodzakelijke superioriteit, kan men bewust en beheerst blijven reageren onder alle omstandigheden. Om u duidelijk te maken hoe belangrijk deze zelfbeheersing is, het volgende. Langere tijd is John Dee een succesvol magiër en alchemist. In Polen aan het hof van de Waliensckies verliest hij dit door benarde omstandigheden. Daarna blijkt hij niet meer dan een droevige mislukking te zijn. Alle experimenten die hij vroeger met succes heeft volbracht, mislukken hem nu steeds weer. Hij neemt in wanhoop zijn toevlucht tot bedrog. Cagliostro blijkt onder alle omstandigheden een goed magiër en genezer te zijn. Wanneer hij echter, in verband met de zaak van het halssnoer van de koningin, ruim 6 maanden in de Bastille wordt opgesloten, blijkt hij onzeker te zijn geworden en kan hij niets van belang meer presteren. In Engeland weigert hij zelfs nog te pogen mensen te genezen. Achtervolgd door zijn vijanden tracht hij nog enig aanzien te herwinnen door goocheltrucs. Dit mislukt. Hij vlucht op de duur naar Duitsland, maar wordt onderweg onzeker en trekt, dwaas genoeg, naar Rome. Hier leeft hij langere tijd in armoede. Pogingen om geld te verdienen met de oude trucs mislukken. Hij komt in handen van de inquisitie en sterft uiteindelijk als een wrak in de kerker.

In beide voorbeelden waren de magiërs machteloos vanaf het ogenblik dat zij hun zelfvertrouwen verloren. Waarom? Indien men gebruik wil maken van eigen wezen en de daarin aanwezige krachten en mogelijkheden, zal men dit zonder aarzelen moeten kunnen doen. Op het ogenblik dat men niet meer weet of men nu onmiddellijk ja of nee zal zeggen, heeft men in de magie de uiteindelijke beslissing reeds uit handen gegeven. Snel beslissen is kenmerkend voor alle magiërs. Om dit ook te kunnen doen wanneer men werkt met waarden die men niet geheel kan beseffen of begrijpen, is zelfvertrouwen dan ook wel in de eerste plaats noodzakelijk. Vele mensen denken te veel na over de mogelijkheid fouten te maken of denken te veel aan de mogelijke gevolgen van hun handelen.

Een magiër die werkt met de magische krachten, ongeacht de verklaring voor deze krachten die hij pleegt te hanteren, werkt in wezen met het onbekende en is zich daarvan ook bewust. Zijn beslissingen kunnen even goed fout zijn als juist. Wanneer hij over de mogelijkheid van vergissen of het maken van fouten gaat nadenken, zal hij geen beslissingen meer kunnen nemen en zo de gang van het magische gebeuren onderbreken. En daarmede is de magie gebroken of zullen de gevolgen geheel onvoorzienbaar worden. Vandaar dat de magiër een groot vertrouwen in eigen kennis en kunnen moet bezitten. Alleen daardoor zal hij voortdurend snel en vastberaden kunnen blijven reageren op de vele invloeden en werkingen die hij ontmoet.

Waarmede duidelijk is dat zelfvertrouwen voor de magiër wel een van de meest belangrijke punten van zijn werken kan zijn. Maar het is zeker niet het enige punt van groot belang. Anders zouden er veel meer geslaagde magiërs op de wereld zijn.

Wie de magie en haar werkwijzen beziet, zal – indien hij de minder belangrijke punten tijdelijk terzijde weet te schuiven – tot de conclusie komen dat de oudste vormen van magie die de mens kent, of dit nu de Kali- en Shiwamagie is, of de oude Egyptische magie, altijd weer gebruik maken van waarden als gezang, ritmen, edelstenen, enzovoort. Ook de gebaren die hij gebruikt, de wijze waarop hij zich beweegt, worden van het grootste belang geacht. Ook in de latere magie treffen wij steeds deze elementen weer aan. Het eenvoudigst vinden wij de redenen hiervoor, wanneer wij de oudere magie bezien. Daarin wordt geleerd dat de magiër steeds weer van tenminste drie waarden gebruik moet maken, die aan elkander zijn aangepast. Wij mogen hieruit dan wel afleiden dat een harmonisch principe een belangrijke rol in de werkwijze speelt.

Bij de Phytagoreën – die zelf eerder mystici dan magiërs zijn, maar uit hun gelederen vele magiërs voortbrengen – dan blijkt wederom dat harmonieleer, afstemming, bij hen van het hoogste belang worden geacht. Het gaat hier zelfs zover dat klankleer en klankvorming een van de vaste delen van het curriculum vormen. Wie dezen niet beheerst, zal niet tot de hogere kring worden toegelaten. Bij de bijeenkomsten maakt men van het geluid gebruik op een wijze die aan magie doet denken. Ik stel daarom: de eigenschappen van de magiër zelf zijn uit de aard der zaak beslissend voor zijn mogelijkheden. Ook zijn kennis. Maar om zijn kennis toe te passen, zijn mogelijkheden te gebruiken, zal hij uit moeten gaan van harmonieën. Zijn doel blijkt vaak allereerst een harmonisatie, een gelijkrichten van aanwezigen en voorwerpen te zijn. Ik stel dan ook dat de magiër nimmer zijn resultaten alleen en zonder meer tot stand kan brengen. Hij bepaalt zijn resultaten wel door zijn kennis en persoonlijkheid, maar bereikt alleen krachtens het antwoord dat hij aan anderen krachten/personen of waarden weet te ontlokken. Hoe een dergelijk antwoord af te dwingen? Bij iemand die onwillig is of iets wat onbewust is, is dit alleen mogelijk door het andere te begrijpen maar gelijktijdig te domineren. Gaat het om mensen, dan blijkt dat men de beste resultaten behaalt door een melodie of ritme – auditief of visueel – toe te passen dat strookt met de persoonlijkheid van de ander. Denk eens aan de moderne jeugd? Hier blijken jonge mensen door bepaalde ritmen in een roes te worden gebracht die bij hen een tijdelijke maar algehele overgave aan de veroorzakers van die roes ten gevolge heeft. Deze veroorzakers weten overigens nog niet hoe de opgewekte krachten te hanteren, met het gevolg dat zij, al verdienen zij er aardig geld aan, er meestal hun gezondheid, geluk en reputatie mee verspelen. Een goede magiër echter weet, wat hij ontketent, kent de krachten die er uit ontstaan en kan daarvan gebruik maken, zodat hij zich aan de nadelige gevolgen weet te onttrekken.

Harmonieën in eigen wereld blijken in de magie steeds weer op te treden van een in verband met onmiddellijke resultaten afhangende bestrevingen. Slechts daar waar een magiër hogere harmonieën beheerst blijkt hij ook in staat te zijn zelfs op aarde bepaalde werkingen tot stand te brengen en te beheersen zonder dat hieraan een zoeken naar materiële harmonie vooraf gaat.

Toch is het moeilijk dit alles te beoordelen. U kent allen het verhaal van Jezus die voorin een boot sliep tijdens een storm tot de leerlingen Hem wekten met de roep: “Heer, wij vergaan”. Jezus stond op, zei tot de wind dat zij kalm moest zijn, wat inderdaad gebeurde. Wat waren de feitelijke omstandigheden? De inzittenden van de boot vormden deel van een hechte gemeenschap en waren dus reeds onderling harmonisch. Zij waren allen sterk gespannen, op het zelfde geconcentreerd, daar hun laatste hoop en de inhoud van hun gehele verwachting en wezen op Jezus is geconcentreerd. Er is hier dus reeds sprake van een kracht die magisch geactiveerd zou kunnen worden. Ik wil graag aannemen dat Jezus de wind zonder meer en vanuit zichzelf alleen beheerste. Maar ik wil er op wijzen dat onder dergelijke omstandigheden de waarden van harmonie die anders door magiërs zorgvuldig moeten worden opgewekt, als vanzelf kunnen ontstaan. Ik wil het wonder niet bestrijden of verklaren, maar gebruik dit beeld slechts om duidelijk te maken dat de noodzakelijke harmonie in gemeenschappen soms spontaan kan ontstaan.

Maar nu komt een Romein Jezus vragen om genezing voor zijn dochtertje. De aanwezigen die niet veel met Romeinen op hebben, zijn hier tegen. Hun gevoelens waren op zijn minst zeer verdeeld. De gemeenschap kon hier niet worden gebruikt als bron van krachten en harmonie om zo te genezen. De enige mens die misschien harmonisch was met Jezus op dat moment, was de Romein zelf. In de normale magie is dit niet voldoende voor grote prestaties. Wanneer Jezus de Romein naar huis stuurt met de verklaring dat zijn dochtertje reeds is genezen, geldt dit voor mij niet alleen als een bijzondere prestatie, maar bewijst het voor mij bovendien dat Jezus hier iets volbrengt dat niet alleen op materiële harmonieën en waarden kan berusten.

Nu gelooft elke mens op zijn eigen wijze in iets wat meer is dan het onmiddellijk kenbare. De een noemt zoiets een ideaal, de ander spreekt in de termen van een godsdienst, of gelooft in geesten dan wel andere geheimzinnige krachten. Volgens mij komt dit voort uit het feit dat er in uw eigen wereld vele niet direct kenbare waarden bestaan die toch steeds weer ergens aanwezig blijken te zijn, al kunnen zij uit de verschijnselen niet geconstateerd of gedefinieerd worden naar eigenschap en wezen. Ik stel dat deze zogenaamde onzichtbare waarden altijd weer een vorm van energie behelzen. Dit op grond van het feit dat waarden van niet stoffelijke aard die niet in energie – of een equivalent daarvan – kunnen worden uitgedrukt, door een mens nooit bemerkt zouden kunnen worden.

Een leegte in een vol geheel valt meestal niet op, tot zij een eigen positieve rol gaat spelen door haar invloed op het andere. Voordien wordt zij niet bemerkt. De nadruk of verandering van waarde die de leegte in het kenbare der waarden rond zich te weeg brengt, zal door een ieder worden opgemerkt, zelfs al zullen velen niet beseffen dat juist de leegte deze invloed uitoefent. Men bemerkt echter wel degelijk het verschil. De mens kan de geestelijke waarden en krachten die voor zijn waarnemingsvermogen niet merkbaar zijn als afzonderlijk verschijnsel nog wel ontkennen. De inwerking daarvan op het andere, vooral op de mens, kan hij echter niet ontkennen. Vandaar dat zelfs de atheïst idealen koestert die aan het normaal menselijke en de redelijke verwachting, die men van een mens in een wereld zonder god of voortbestaan kan koesteren, te boven gaan.

In de magie geldt als regel dat elke vorm van harmonie die tussen mij en waarden op mijn eigen wereld ontstaat, invloed zal kunnen hebben op dergelijke niet onmiddellijk merkbare krachten.

Zodra de stoffelijk bereikte harmonie een overeenstemming vertoont met de waarden, krachten, of uitingen van de geestelijke kracht, kan worden gesteld dat tussen de mens, die in deze bewust handelt, en de geestelijke of onzienbare kracht eveneens een harmonie ontstaat.

De regel vervolgt dan dat, zo men met een kracht een harmonie heeft bereikt, dit in feite eveneens het geval is met de wereld waartoe die onzichtbare kracht of geest behoort. Het gevolg is dat de zin van het streven in de mens zowel tot vervulling kan komen in de wereld van de harmonische kracht als in de eigen wereld. Terwijl via de mens en de kracht, die onderlinge harmonie bereikten, een uitwisseling van de krachten en werkingen van beide werelden mogelijk is, zodat de waarden van de wereld van de kracht in de wereld van de stof tot uiting kunnen komen en omgekeerd.

Dat er voor de mens niet onmiddellijk merkbare of onzichtbare krachten bestaan, is zonder meer wel aan te tonen. Een rubriceren van deze krachten is echter veel moeilijker. Men kan natuurlijk wel van een systeem uitgaan en stellen dat er bepaalde krachten met bepaalde eigenschappen bestaan, die men dan Sefarim of Cherubim noemt, zoals men in grote lijnen zelfs de krachten die niet achtbaar zijn, kan verdelen in duivelen en engelen. Maar bewijzen dat een dergelijke verdeling terecht wordt gemaakt, kan men in feite niet. Indien men een waarschijnlijkheidsbewijs wil aanvaarden, kan men ten hoogste redeneren dat er vele vormen van energie zijn die zich gedurende zeer lange tijd aan het menselijke kenvermogen hebben onttrokken, terwijl in de nu bekende verschijnselen de kennis van de mens hiaten vertoont waarbij wel het effect maar niet de oorzaak geheel bekend is. Op grond daarvan kan het bestaan van meerdere door de mens nog niet erkende energieën of krachten met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden geponeerd.

In doorsnee zal de mens echter niet genoegen nemen met de eenvoudige stelling dat er bepaalde energieën of krachten bestaan die hij niet onmiddellijk kennen kan. Hij zal trachten deze krachten te verdelen en hun functies te veronderstellen. Hierdoor komt hij tot een grote reeks van systemen die in feite alleen ten doel hebben de voor de mens niet verklaarbare verschijnselen te verklaren of de systemen, die hij op ander terrein heeft ontworpen, aan te vullen en waarschijnlijker te maken.

Nu meen ik – in tegenstelling met vele deskundigen – dat men in de magie geen behoefte heeft aan een systeem waarin de krachten van het onzichtbare worden gerubriceerd of benoemd. Men stelt dat men alleen met een kracht harmonisch kan zijn wanneer men haar omschrijven kan. Maar de omschrijvingen zijn zodanig willekeurig dat de vraag rijst of zij wel werkelijke betekenis hebben in dit verband. Ik stel dat men harmonisch kan zijn met alle krachten, ook met de niet gekende, wanneer men deze krachten innerlijk ondergaat. Er zal dan op de duur een zuiver persoonlijkheid voor een dergelijke kracht kunnen ontstaan aan de hand waarvan – of het nu juist is of niet – de noodzakelijke innerlijke toestand kan worden teruggevonden die tot harmonie voert. Kortom, wanneer ik gericht ben op de ervaring waarin een kracht een rol speelde, ben ik tevens gericht op het wezen van die kracht en eventueel bovendien zelfs een bepaalde functie daarin. Indien een dergelijke gerichtheid tevens een aanvaarden inhoudt, is het bijna zeker dat harmonie met die kracht, onbekend als zij overigens moge zijn, zal ontstaan.

Ik stel dan ook dat het voor de magiër noodzakelijk is de onbekende krachten innerlijk te erkennen, te ondergaan. Nu blijkt dat de verschillende grootmeesters der magie overeenstemmen in een zich op bepaalde tijden afzonderen van de wereld, zij maken gebruik van een soort retraites, houden zich aan bepaalde reinigingsproceduren van stoffelijke aard en verbinden aan hun werk steeds weer perioden van onthouding en vasten. Velen van hen blijken verder een voorkeur te hebben voor een bepaald dieet – waarin dan voor hun tijd ongebruikelijke voedingsgewoonten tijdelijk of soms zelfs permanent tot uiting komen. Ook blijken velen onder hen hun kleding steeds weer aan te passen aan de wijze waarop en de fase waarin zij actief zijn.

De mode laten zij dan buitenbeschouwing. Van de graaf de St. Germain was bekend dat hij zich steeds zeer goed, zelfs zeer prachtlievend placht te kleden. Het is dan ook opvallend dat hij juist tijdens bijeenkomsten, waarop hij proeven van magische bekwaamheid vertoont, zeer sober is gekleed. Dit komt ondermeer tot uiting in de verhalen over het bekende banket, waarop hij zijn gasten, midden in de winter, de zomer liet beleven. De pamflettist die dit beschrijft, merkt nadrukkelijk op dat de graaf bij deze gelegenheid, tegen zijn gewoonte in, zeer sober was gekleed, waarbij in zijn kleding de gebruikelijke veelheid van kleuren was vermeden. Wel droeg hij een enkele ring met een edelsteen, die meer dan 50.000 livres waard zou zijn geweest. Naar ik meen is dit afwijken van de gewoonte een vorm van zich aanpassen, harmonisch maken met hetgeen men tot stand wil brengen.

Ik stel: de magiër ondergaat bepaalde krachten, leert deze met bepaalde symbolen associëren en vindt op de duur vele stoffen en voorwerpen, die met deze krachten harmonisch zijn of daarvoor een affiniteit hebben. De eerste vorm van voorwerp blijkt vaak te bestaan uit edelstenen – die een vaste kristalstructuur hebben, waarvan zelfs de mens van heden de afstemming weet te bepalen – of reukstoffen – die kennelijk de mens zodanig beïnvloeden dat hij sneller tot emotionele harmonie met degelijke krachten komt. Door het gebruik van dergelijke hulpmiddelen blijkt de magiër dus sneller en vollediger zijn doel te kunnen bereiken. Krachtens de harmonie met ongeziene krachten beschikt de magiër zowel over het vermogen in te grijpen in het normale verloop der dingen, als over de mogelijkheid anderen blind te maken voor de werkelijkheid of delen daarvan.

Dit alles lijkt ingewikkeld en zonder directe praktische betekenis voor u. Maar indien wij het eenvoudiger gaan stellen, zal blijken dat deze regels en stellingen voor een ieder die daarin belang stelt, ook praktische betekenis hebben. Zolang ik zeker ben van mijzelf en niet aarzel ten aanzien van hetgeen ik volbrengen wil, terwijl ik daarnaast nog een gevoel van verbondenheid met bepaalde krachten weet te wekken en te behouden, ben ik in wezen reeds een magiër, wat zal blijken uit de resultaten die ik weet te behalen. Een gewoon mens is dus in feite onder deze omstandigheden evenzeer een magiër als degenen, die van de magie een studie hebben gemaakt en deze op meer rituele wijze beoefenen. Tevens verklaart het bovenstaande, waarom zo vele mensen vergeefs aan magie trachten te doen en daarin nimmer slagen.

De gehele magie is opgebouwd uit symbolen. Alleen de levenskracht van de mens vindt, in de West-Europese magie, reeds meer dan 9000 woordomschrijvingen, beeldsymbolen enzovoort. Er bestaat een warwinkel van begrippen en formules, die wordt vergezeld door een al even grote chaos van benamingen, waardoor een en dezelfde kracht soms, zonder dat hiervoor een reden kan bestaan – kabbala – met 10 of meer verschillende namen wordt aangeduid. Bovendien laboreert men in de magie maar al te vaak aan het denkbeeld dat de dingen op zich actief zijn. Een zegel dat gemaakt wordt met bepaalde namen, die daarin een evenwicht uitdrukken, zal inderdaad als voorwerp ook tegenover onwetenden actief kunnen zijn. Maar voorwaarde hierbij is dat de maker van het zegel de betekenis van de gebruikte namen en tekens wel kende, zodat het evenwicht of de werking, die daarin uitgedrukt wordt, bewust daarin is gelegd. Is deze kennis niet aanwezig, dan blijkt zelfs het best gemaakte zegel geenwerkelijke invloed te kunnen

uitoefenen. Zoals iemand, die een pentagram tekent om zo bepaalde krachten op te roepen, daarmede alleen resultaat zal kunnen behalen, wanneer hij weet, wat hij tekent en doet.

Om het anders te zeggen: de mensen staren zich bij de magie altijd weer dood op de uiterlijkheden, de vormen, namen en omschrijvingen. Maar deze zijn in wezen niet van groot belang. Belangrijk is in de magie het erkennen van bepaalde krachten. Iemand, die alle magische namen en uitroepen kent, maar dezen voor zich niet met een ook innerlijk ervaren kracht kan associëren, zal daarmede niets kunnen doen, omdat hij eenvoudig voor zich daarmede geen harmonie kan opbouwen. Degene, die alle vormen van de magie kent, maar in zich geen harmonie kent of bereiken kan, zal geen resultaten boeken en mag daarom in feite niet als magiër worden aangesproken. Degene, die in zich harmonieën erkent, al zal hij de officiële namen en gebruiken, die daarbij te pas zouden komen, niet kennen, bereikt wel resultaten, al zijn zijn handelingen en de klanken, die hij gebruikt volgens de deskundigen, ook wartaal, maar deze echter een innerlijke harmonie uitdrukken, zijn zij wel werkzaam, zodat zo iemand een werkelijk magiër is.

De grote moeilijkheid bij de magie is de wijze, waarop de mensen zich vastklampen aan hetgeen daarover door anderen is geschreven, zonder dat zij de zin daarvan werkelijk beseffen. Men beroept zich op de clavicula Salamonis of andere geschriften van magiërs. Zij willen in hun werken van de formule uitgaan. Maar deze – en dat vergeet men steeds weer – heeft alleen zin als de weergave van een innerlijke bereiking. Zonder deze heeft zij geen betekenis. Om een vergelijking te geven: aan een automaat zit een bakje waarop staat: wisselgeld. Daarboven zit een knopje. Misschien staat er ook boven: geldretour of iets dergelijks. Een ieder beseft dat een automaat nooit terug zal gaan geven, voor er iets in is geworpen. Een enkele maal kan de automaat wel geld teruggeven, zonder dat men zelf daarin iets heeft geworpen, maar dan is dit alleen het gevolg van het feit dat iemand anders reeds een munt heeft ingeworpen, maar geen wisselgeld of teruggave daarvan verlangde of door de druk op het knopje activeerde.

In de magie geldt hetzelfde. De formule magiër kan alleen iets bereiken via zijn riten, wanneer hijzelf eerst de noodzakelijke waarden daarin heeft gelegd. Maar onder omstandigheden kan een ander in bijvoorbeeld zijn omgeving, een aanwezige, de noodzakelijke waarde reeds innerlijk ervaren en geprojecteerd hebben. Dan werkt de formule wel. De magiër meent dan dat zijn formule alleen onder bepaalde omstandigheden of op bepaalde tijden werkzaam zal zijn. Dit heeft echter in wezen niets met zijn resultaat te maken. Dit was alleen mogelijk, omdat iemand anders de innerlijke waarden en harmonie suppleerde, die hijzelf niet weet te wekken.

Stelregel: Elke magische formule of rituele daadbevestiging, zowel als symbolen die macht weer moeten geven, kunnen alleen functioneren, wanneer allereerst deze macht innerlijk is beseft en als mogelijke waarde in eigen wereld werd geschapen. Uiterlijke symbolen leggen de inhoud van de magiër vast en activeren deze, maar zij vormen niet de werkelijke waarde van het magische gebeuren. De rite, de formule, het symbool, zijn als het ware slechts de lont, waarmede men de reeds gelegde lading van magisch kunnen tot ontbranding brengt.

Misschien begrijpt u nog niet hoe dit u praktisch verder zal kunnen helpen, omdat ik immers beweer dat men van riten enzovoort wel gebruik kan maken, maar innerlijk eerst de juiste voorwaarden moet scheppen om deze betekenis te geven. Dat is wel waar. Maar elke mens heeft krachtens zijn mens-zijn eigenlijk de grondslagen van de magie in zich. Het lijkt mij daarom zeer wel mogelijk u nu enkele eenvoudige aanwijzingen voor te leggen waarmede u wel degelijk iets kunt bereiken. Wanneer u er tenminste mee zou willen werken. Ondanks dit laatste laat ik ze hier toch maar volgen:

  1. U kent gevoelens van harmonie en geluk. Ook kent u voorstellingen en gevoelens, die algehele verwerping uitdrukken. Hierdoor drukt u, al beseft u dat misschien niet, waarden uit die harmonieën mogelijk maken met andere krachten, zelfs krachten, die u niet kent of beseft. Aanvaarding en verwerping kunnen door u dus met geheel eigen begrippen worden uitgedrukt. Zolang de associatie in u maar emotioneel bestaat, is het begrip magisch hanteerbaar. Door het samenvoegen van de in u levende begrippen en emoties kunt u dus te allen tijde een innerlijke afstemming verkrijgen, die u met andere energieën of werelden verbindt.
  2. Daar u niet in staat bent de krachten buiten u geheel juist te omschrijven, laat staan een omschrijving te geven van een kracht, die voor u niet stoffelijk kenbaar is, heeft het geen zin voor de aanroeping van krachten en dergelijke vaste formules te gebruiken. De waarde, die zij voor u wezenlijk hebben, verandert toch in overeenstemming met de inhoud van uw eigen wezen. Tracht liever in uzelf een reeks van denkbeelden en gevoelens te wekken, die, daar u dezen ook uitstraalt, een harmonie met wezens of krachten elders ten gevolge kan hebben.

Indien u iets wilt bereiken, moet u de begrippen van aanvaarding en verwerping in uzelf groeperen ten aanzien van het gewenste en deze uiten, onverschillig of deze uiting bestaat uit klanken, woorden, daden, gebaren, symbolen, het hanteren van voorwerpen of iets anders. Tracht hiermede eens een resultaat te bereiken. Het zal u blijken dat een dergelijke, in wezen emotionele instelling, resultaat oplevert, mits uw streven in een zekere richting ligt. Deze richting kunt u door ervaring bepalen. Het is de moeite zeker waard eens na te gaan waar hier eigen mogelijkheden liggen.

  1. Tracht nimmer te toveren, maar tracht steeds weer geconcentreerd de begeerde harmonie of afwijzing tot uiting te brengen. Ontkenning betekent negatie van effect, vernietigen enzovoort.

Wie dit intens weet te doen en zich daarbij van een omschreven doel bewust is, zonder het denken geheel te laten beheersen, zal ontdekken dat hij in zeer vele gevallen reeds onmiddellijk resultaat zal boeken, vooral bij kleinere dingen.

  1. Ofschoon er, zoals ik reeds opmerkte, geen zekerheden bestaan voor de mens, betrekking hebbende op de geest, het hiernamaals, het al dan niet bestaan van engelen enzovoort, is het toch goed je te richten op je eigen symbolen van macht, bescherming en dergelijke. Dit kan dus zijn een je beroepen op God, een je beschermen door het kruis enzovoort. Elke voorstelling, ook het gebruik van godsnamen, is werkzaam, daar deze dingen voor u een symbool van een werkende en niet beperkte macht zijn. Zij verkrijgen door het beroep daarop voor u een gelijke waarde, zodra u zich harmonisch kunt gevoelen met de kracht, waarop u zich beroept.
  2. Onthoudt dat de mens, die in de naam van een bepaalde kracht handelt, in feite magisch werkt. Indien men dit doet, zal men er goed aan doen niet alleen te handelen vanuit eigen ik op last van of volgens de erkende wil van het andere, maar zich met dit andere steeds meer te vereenzelvigen. Tracht u de waarde, van waaruit u werkt – of dit nu de Naam Gods is, de Liefde van Christus of iets anders – , zo intens voor te stellen dat u durft en kunt zeggen: Niet ik als mens, maar God, of Jezus, beveelt en zegt…. Onthoudt ten laatste dat het niet juist is een zo logisch mogelijke procedure te ontwerpen, volgens welke de magische werking en werkwijze zouden moeten verlopen. Dat helpt u toch niet. Als een mens logisch wordt, is hij, kosmisch gezien, gelijktijdig zo onlogisch dat een meer verwarrende werking dan die der menselijke logica vanuit kosmisch standpunt bijna niet mogelijk is. Denk alleen in termen van oorzaak en gevolg, dit is voldoende. Stel de oorzaak, stel het gewenste gevolg – zorg ervoor dat u een samenhang tussen deze beide voor uzelf kunt aanvaarden – en vraag u niet af, op welke wijze u het gevolg uit de oorzaak zoudt kunnen voortbrengen. Elke omschrijving van de werking in plaats van het gevolg alleen maakt een bereiken van het gestelde doel onwaarschijnlijker. Het zal u nu duidelijk zijn dat magie wel degelijk een van uw eigen mogelijkheden is. Maar dan rijst de vraag wanneer men als mens de magie kan en mag gebruiken. Dit blijkt voor een groot deel van uzelf af te hangen. In de grondbeginselen van de magie staat niets omtrent het in bepaalde gevallen niet toe kunnen of mogen passen van magische krachten. Het is de mens zelf, die hier bepalend optreedt. Op het ogenblik dat u het gevoel hebt dat u via de magie een soort oneerlijk voordeel voor uzelf of anderen zou verwerven, is het gebruiken daarvan gevaarlijk. Uw schuldbewustzijn tijdens de magische procedure is namelijk ook een harmonische factor en zal, met het gewilde en de uitstraling van krachten daarmede gepaard gaande, uiten. De werking daarvan is dan voor u negatief en zal, gezien de wijze waarop zij tot stand kwam, waarschijnlijk zich openbaren in een verkeerd aflopen van hetgeen u wilde. Grijp daarom nooit naar de magie als agens, tenzij men in zich het gevoel heeft dat dit geheel goed en juist is. Zie af van het gebruik van magische krachten wanneer andere, evenzeer bruikbare middelen of wegen in de eigen wereld te uwer beschikking zijn.

In vele gevallen bindt de officiële magie bepaalde riten en procedures aan een bepaalde tijd. Vaak dient deze astrologisch te worden vastgesteld. Naar ik meen is het echter niet nodig u voor het gebruiken van magische krachten en werkwijzen eerst bezig te houden met dergelijke berekeningen, daar de mens mijn inziens de juiste weg zal kiezen en het juiste ogenblik, wanneer hij maar uitgaat van hetgeen hij in eigen wezen eerlijk en oprecht als juist en mogelijk aanvoelt.

Ik ben mij er van bewust dat voor de deskundigen deze verklaring nogal schokkend zal zijn. Zij menen immers te weten dat je een bepaalde plechtigheid alleen kunt volbrengen bijvoorbeeld op de eerste nacht na Sint Jan, of daarvoor – mits een gepaalde planeet aan de hemel zichtbaar is. Daarnaast moet dan de hemel helder, dus zichtbaar zijn, mag het de laatste 24 uren ter plaatse niet geonweerd hebben enzovoort, enzovoort. Ik geef een voorbeeld van de voorwaarden, die feitelijk als juist en noodzakelijk voor een bepaalde magische plechtigheid worden genoemd. Toch zijn dergelijke nauw omschreven condities – wanneer men er maar niet in gelooft – in feite niet veel meer dan komedie.

Zeker bestaan er kosmische ritmen, terwijl er ook persoonlijke levensritmen bestaan, evenals invloeden, die de astroloog pleegt te associëren met het optreden van bepaalde constellaties aan het firmament. Deze hebben invloed dat is waar, maar dergelijke werkingen beïnvloeden, of u ze nu kent of niet, ook uw emoties, uw innerlijke gesteldheid. Zolang u maar geheel eerlijk blijft in en tegenover uzelf en niets doet waarvan u denkt dat het op dit ogenblik niet mogelijk of niet juist is, zult u dan ook reageren volgens de heersende invloeden. U hebt dus geen kalender nodig en kunt afzien van vele berekeningen, wanneer u maar leert op uw eigen innerlijke gevoelens te vertrouwen en dezen niet aan te passen aan rede en verlangen. Onder deze condities kunt u magie te allen tijde gebruiken, mits daarbij geen gevoelens van schuld voortkomen, uit bijvoorbeeld het gevoel dat men iemand door het gebruiken daarvan benadeelt.

Wat de zaak zelfs voor een leek, die eens een proef wil nemen, toch wel aanmerkelijk eenvoudiger maakt.

Een van de bekende grondregels van de magie zegt ons dat elke kracht, die wij op een ander richten, kan worden teruggekaatst en dan op of in ons eigen wezen tot uiting komt. Dit is begrijpelijk: om een bepaalde kracht uit te kunnen zenden, moet ik daarmede harmonisch zijn. Wanneer deze kracht op het punt, waarop zij gericht wordt, geen mogelijkheid zal vinden zich te ontladen, bestaat er geen richting gevende stuwing meer. De kracht zal zich dan naar de dichtstbijzijnde en meest harmonische persoon of kracht bewegen en daar tot ontlading komen. Meestal is dit de magiër zelf. Alles, wat u uitzendt, kan op uzelf terugslaan. Daarom is het van belang dat u leert nimmer op magische wijze krachten tot uiting te brengen, die u, wanneer zij tot uzelf terug zouden keren, niet zou kunnen beheersen, of wier inwerking uzelf niet gaarne zou ondergaan.

Een ervaren magiër, die zijn eigen krachten kent, zal het er vaak op wagen krachten uit te zenden, wier werking hij voor zich niet zou kunnen aanvaarden, omdat hij zeker meent te zijn een dergelijke werking, zo zij tot hem terug zou keren, geheel te kunnen beheersen. Maar voor een beginneling, die zijn eigen krachten en mogelijkheden niet kent – en hoogstens geneigd is deze te overschatten – moet met nadruk gezegd worden; zend alleen die dingen uit, die u ook zelf aangenaam zou vinden, zo zij u zouden worden gezonden door anderen.

Voor ik u de mogelijkheid geef vragen te stellen, nog enkele punten: Elke reeks van magische handelingen dient een climax te bevatten. Men zal dit aspect in alle magische rituelen terug kunnen vinden, ook in inwijdingsriten en zelfs de gebruiken van bepaalde loges treft men deze climax aan. Er is altijd weer een periode van verwachting, daarop een periode van isolement en innerlijk klimmende spanningen. Daarna komt een ogenblik van aanroepen of ondergaan zonder weten of beheersen. Hierop volgt een wetend beantwoorden aan het niet erkende, waarop dan weer een bewust en het ander erkennend reageren dat in vele gevallen tevens een zelf omschrijving en erkenning inhoudend, pleegt te volgen. Aan het einde is de mens een ander geworden en zal kunnen handelen als een nieuw ander wezen.

Dit proces treffen wij overal aan waar magie ter sprake komt. Het is een van de grondprincipes van het magische werken. Wij kunnen dan ook zeggen: De noodzakelijke climax in magisch werken ontstaat door het juist opeenvolgen van de verschillende fasen, waarbij bezinning noodzakelijk is, doch eerst plaats kan vinden, wanneer de nodige voorbereidingen allen zijn getroffen. Zeker voor u, maar in de praktijk, naar ik meen, van elke magiër, zal men bij magisch streven er dan ook goed aan doen als volgt te werk te gaan:

  1. Zorg dat u alles wat u denkt nodig te hebben bijeen hebt. Indien u niet werkt met formules en riten, wil dit zeggen dat u een beeld van hetgeen u wilt bereiken moet hebben, terwijl u daarnaast een zuivere voorstelling moet hebben van degene of datgene waarop de kracht gericht moet worden. Zorg voor een juist beeld van eigen mogelijkheden op aarde, en de tijd, die u meent ongestoord voor uw magische werk te kunnen gebruiken. Vraag u ook af of u het gevoel hebt dat u de gestelde taak nu aan zult kunnen.
  2. Bezinning. Dit is in feite een meditatie, die voor een groot deel over jezelf zal gaan. Termen ongeveer: “Ik wil dit doen. Wat ben ik, wat beweegt mij, om dit te willen? Wat zijn de krachten, waarmede ik harmonisch meen te kunnen zijn, zodat ik mijn voornemen kan volbrengen?” Dit laatste is dus een zuiver persoonlijke zaak; de gebruikte voorstellingen enzovoort zijn persoonlijke waarden.
  3. Op het ogenblik dat u zo met uzelf geconfronteerd nog ja durft zeggen ten aanzien van het doel dat u zich stelde, is het tijd om te handelen. De magische handeling kan op vele wijzen tot stand komen. Zij kan bijvoorbeeld een opbouwen van spanningen door het gebruik van klanken inhouden, maar evengoed bestaan uit bepaalde handelingen. Wat men hier gebruikt, is van minder belang, mits men voor zich het gevoel heeft een daad te stellen en deze kan zien als de uitdrukking van het gewenste, een uitzenden van kracht en wil.
  4. Daar het voor de meeste mensen van node is te gevoelen dat men in zijn streven niet geheel alleen staat, kan men nu voor zich zeggen: “De Hoogste Kracht is met mij, de Hoogste Kracht werkt door mij. In deze en voor dit doel en op dit ogenblik ben ik in wezen de Hoogste Kracht.”
  5. Zodra men gevoelt dat dit waar zou kunnen zijn, dient men het gestelde doel nogmaals voor zich te omschrijven. Deze bepaling houdt in wat ik wil, waar het moet gebeuren, welk resultaat verlang ik van mijn werken. Daarna kan men onderbreken. Men heeft zo voor zich een climax bereikt, die emotioneel en menselijk ervaren wordt en gelijktijdig heeft men een bewustzijn van geestelijke krachten in zich gewekt – ook al kan men dit niet omschrijven.

Men weet nu hieruit en hierdoor actief te zijn. In de meeste gevallen is het beter de gewekte spanning later af te reageren via bijvoorbeeld meditatie, dankgebed of dergelijke. Dit is nu de gehele procedure, het gehele raadsel van het op eenvoudige wijze werken met magie. Nogmaals: Magie berust op het gebruiken van eigen mogelijkheden en vermogens zonder daaraan de beperkingen van rede of redelijkheid op te leggen, volgens een gericht doel, daarbij tot een uitschakelen komende van alle dingen die men in zich vreest en verwerpt, zo men een positief resultaat begeert. Het is een tot stand brengen van krachten, die tot in het oneindige kunnen versterkt worden, zodat men niet alleen op eigen kracht hoeft te teren daarbij.

Er zijn vele theorieën, sommige dicht bij de feiten komende, die dit verder verklaren. Ik zal deze beter voor heden buiten beschouwing laten. U kunt wonderen verrichten langs deze weg, die men alleen van grote ingewijden pleegt te verwachten. Maar wees zeker van uzelf, zorg dat u weet wat u wilt en waarom. Zorg er voor eigen persoonlijk magnetisme te erkennen, te onderhouden en zo mogelijk te ontwikkelen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Vragen

  • Is magie zo eenvoudig?

Magie is zo eenvoudig dat een gebaar dat ik normaal 100 keren per dag maak, mits het door mij nu als symbool met betekenis is geladen, werkzaam kan zijn. Met andere woorden, de vorm is iets wat geheel van mij afhangt. U zult moeten onthouden dat magie uitgaat van en geheel gebaseerd is op uw persoonlijkheid, zij is een formulering en uitdrukking van de persoonlijke wereld. De werkingen zijn uitingen van de harmonieën, die voor het ik mogelijk  zijn.

  • Het moment waarop iets gebeurt, is toch van belang. De magiër kan toch niet alle krachten, die hij van node heeft, naar voren toveren wanneer hij wil, maar is afhankelijk van de krachten, waarin hij zich inschakelt. Door te werken op het ogenblik dat die krachten aanwezig zijn, kan hij resultaten behalen. Heb ik dit goed begrepen?

Neen. U draait de zaak om. De basis van het magisch werken is de harmonie, die ik zelf bereik. Op het ogenblik dat ik magisch actief word, zijn voor mij niet alle harmonische mogelijkheden bereikbaar. Elke harmonie, die voor mijzelf echter bereikbaar is, zal echter ook prompt worden gehonoreerd.

Uw fout is hier dat u denkt aan het werken met een bepaalde kracht voor een bepaald doel. U moet niet denken aan een enkele en bepaalde kracht, maar aan een gebied van krachten dat via meerdere entiteiten of krachten voor u toegankelijk kan worden. Denk niet aan bijvoorbeeld één enkele geest, maar aan vele geestelijke werelden, die, elk op hun wijze, de voor mijn streven noodzakelijke krachten kunnen geven. Het verband tussen oorzaak en gevolg kan dan veranderen, maar het gevolg dat ik via de harmonie magisch veroorzaak, blijft hetzelfde. De afstemming van de magiër bepaalt met welke krachten hij kan werken en aan welke krachten hij richting kan geven. Daar de mens niet te allen tijde tot harmonie in staat is, vloeit hieruit voort dat hij niet te allen tijde magische werkingen tot stand kan brengen.

Dit is echter zozeer van hem zelf afhankelijk en wordt in wezen zo weinig door “tijd” bepaald dat men mag stellen: mijn eigen vermogen tot harmonie is voor het mogelijk worden van resultaat beslissend. Krachten en tijden buiten mij zijn dus niet van beslissende invloed, tenzij ik allereerst die invloed zelf erken en innerlijk als waarheid aanvoel.

U zegt in feite: de kracht, waarmede de magiër werkt, ligt buiten hem en moet daarom in tijd – en eventueel in plaats – beschikbaar zijn. Ik stel daarentegen: De nodige kracht is te allen tijde beschikbaar, indien ik ze maar kan bereiken.

  • Spelen hier kosmische ritmen dan geen rol?

Voor degene, die kosmische ritmen beleeft, geldt dat hij als een mens denkt in tijd.

Wie geestelijk – dus buiten tijd – werkt, heeft niet te maken met kosmische ritmen, maar met kosmische patronen. Indien men dus geestelijk en buiten tijd zich kan stellen, zal men in het kosmische patroon steeds die krachten kunnen kiezen, die men van node heeft en zal hij deze krachten via zichzelf in de tijd kunnen projecteren op het ogenblik dat werking en verwezenlijking gewenst wordt. Het menselijk bewustzijn is in geestelijke zin niet tijdgebonden, zodat men, werkende vanuit het innerlijk, altijd zal kunnen beschikken over alle krachten, waarmede men harmonisch kan zijn. In of buiten tijd zal men echter nimmer kunnen beschikken over krachten, die in het ik geen mogelijkheid tot harmonie wekken. Dit geldt voor magisch werken, let wel.

De kosmische ritmen ontstaan door het overspoelen of overstelpen van andere krachten in de kosmos door een bepaalde kracht, die zich “dichterbij” of meer harmonisch ten aanzien van de aarde als geheel plaatst. De bewuste kan voor het magisch werken echter een dergelijke kracht eenvoudig negeren, en de kracht in de kosmos te zoeken, die hij van node heeft en in harmonie daarmede de gewenste werkingen tot stand brengen. Zodra het feit eenmaal in de eigen wereld kenbaar is geworden zal het uit de aard der zaak weer onderworpen zijn aan de heersende kosmische invloed.

  • Kan er hier geen sprake zijn van een evolueren?

Zodra het gaat om innerlijke waarden heb ik een hekel aan het begrip evolutie. Het innerlijk evolueert niet, maar komt tot juistere zelferkenning. Dit is volgens mij heel iets anders, daar het geen verandering van wezen of eigenschappen inhoudt, maar slechts een juistere erkenning hiervan. Ik geef echter toe dat, om tot een beheerst magisch werken te komen, zekere zelfkennis noodzakelijk is. Een zekere mate van bewustzijn noodzakelijk is, terwijl een gevoel van zelfverzekerdheid nodig is. Ook dit vergt, wil het gerechtvaardigd zijn, zelfkennis, dus een zeker bewustzijn.

  • Primitieve volkeren kennen bepaalde vormen van magie, die voor hen zeer werkzaam zijn ……

Bij nalezen van het onderwerp zult u zien dat ik stelde hoe de magische vorm in wezen door de mens wordt geschapen. Zo men aan de vorm beperkingen toekent, zal de beperking ook voor het ik gelden, opdat men zelf deze beperktheid in de vorm heeft ingelegd.

  • Wat is de ware toestand van harmonie?

De ware toestand van harmonie is het vermogen om alle dingen in jezelf te aanvaarden, hun wezen, ook zonder redelijk begrijpen, tenminste aan te voelen en daarbij – uitgaande van het feit dat de mens met zijn huidige ontwikkeling niet met alle dingen gelijktijdig harmonisch kan zijn – het uitsluiten van alle disharmonische aspecten – om zich geheel te richten op het punt, waarmede men harmonie begeert of erkent.

  • Kan men spreken van de magie van het vertrouwen?

Vertrouwen brengt de mens er toe steeds meer de ongunstige mogelijkheden te vermijden en zover hijzelf daarbij betrokken is, te elimineren. Vertrouwen brengt dus uiteindelijk vaak een verwezenlijking. Maar dit is volgens mij meer een psychologisch effect dan een magische effect. Nu wordt het tijd voor een pauze. Ik hoop u duidelijk gemaakt te hebben dat in de magie voor u vele mogelijkheden schuilen. Ik hoop dat u dan ook de magie eens zult trachten te gebruiken. Maar doe het dan alleen, wanneer u het gevoel hebt dat het goed is en tracht nooit met magie te werken, wanneer u meent dat er andere even goede mogelijkheden bestaan. Juist door de magie au sérieux te nemen, kunt u haar effecten ook voor uzelf activeren en gebruiken. Zodra u echter tracht de magie te gebruiken om de lasten des levens te ontduiken, zult u ontdekken dat zij voor u niet meer werkt als gewenst. Met enige activiteit kunt u de gegeven regels voor uzelf zodanig aanpassen dat u inderdaad in staat bent om met geestelijke, of magische krachten te werken. Ik hoop dat enkelen van u hiertoe zullen komen en zullen slagen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie in de vorm van een parabel

Enige beschouwingen over het innerlijke wezen van de mens en de innerlijke weg. Soms vraag ik mijzelf wel eens af hoe lang je zinnig daarover kunt spreken, zonder steeds weer in herhalingen te vervallen. Want de zeggingskracht van de mens is nu eenmaal beperkt. In vele gevallen kun je eigenlijk niet vertellen wat je werkelijk zou willen zeggen. Dan grijp je naar een parabel, een verhaaltje, om duidelijk te maken wat je denkt en voelt. Want de vele waarheden, die voor de mens in hun werkelijke consequentie niet eenvoudig kunnen worden weergegeven, worden op deze wijze nog het eerste duidelijk. Hopelijk irriteert het u niet wanneer ik tracht van deze mogelijkheid gebruik te maken. Vergeef ook de schijnbare onsamenhangendheid, die daardoor in een gedachtegang schijnt binnen te sluipen.

Er was eens een oude man, die, overtuigd van eigen wijsheid, meende dat hij een antwoord kon geven op elke vraag van belang. Deze overtuiging behield hij tot zijn kleinzoon bij hem kwam en over alles vroeg: “Opa, waarom?” Zo vergaat het ons allen wanneer wij overtuigd zijn van eigen wijsheid. Steeds weer ontdekken wij dat wij op de vraag “waarom?” geen afdoend antwoord kunnen geven. Waarom is er een innerlijke weg? Een afdoend antwoord bestaat er niet.

In ons bestaat een innerlijke kracht, zij moet een oorzaak hebben, ergens vandaan komen. Zelfs wanneer wij menen dat wij deze kracht zelf in onszelf opwekken, zal er tenminste een wetmatigheid moeten bestaan, waardoor dit opwekken van die kracht in alle mensen mogelijk is. Ons innerlijk is voor ons belangrijk, omdat het voor ons de ware bron van leven en krachten is. Het kennen van ons innerlijk is voor ons dan ook in de eerste plaats het kennen van de regels, die voor deze krachtbron schijnen te gelden. Het is daarnaast de mogelijkheid vinden van de beheersing, zodat wij uit deze bron alle krachten kunnen onttrekken die wij van node hebben.

Deze bron geven wij juist daarom namen, waarvan wij de inhoud zelf niet plegen te beseffen. In de esoterie spreken wij steeds weer over God, zij het met vele verschillende aanduidingen. Maar wanneer wij trachten dit begrip God nader te omschrijven, te definiëren, dan lopen wij steeds weer vast in vaagheden en onbegrepen termen. Toch moet het mogelijk zijn een omschrijving te geven van God, maar dan in de termen van wat dit begrip voor ons persoonlijk en waarlijk inhoudt.

Er was eens een mens, die op aarde trachtte uiting te geven aan hetgeen hij in de mens op aarde nog méér aanvoelde dan de uiterlijke vorm. Hij zei het als volgt: “Wanneer ik alleen maar doe, wat mij materieel mogelijk en aangenaam zou zijn, ben ik niet gelukkig. Ik kan pas gelukkig zijn door hetgeen ik droom, zelfs al weet ik niet wat ik droomde omtrent deze werkelijkheid waarvan ik deel ben.” Naar ik meen is het begrip God in wezen voor ons de uiting van deze droom omtrent hetgeen wij in wezen en werkelijk zijn. Ik meen dat je nog verder kunt gaan.

Wanneer wij trachten onszelf volgens een bepaald systeem in de kosmische waarheid te bekwamen, denken wij al snel dat alles in woorden kan worden uitgedrukt. Ik zou zeggen dat God voor ons in wezen een emotie is. Er was eens iemand, die erg stotterde. Hij kon nooit met woorden gewoon en snel zeggen, wat hij wilde; zodra hij echter begon te zingen, kon hij goed en snel alle woorden uiten die noodzakelijk waren. Hij vond het echter te gek om steeds maar weer te zingen. Zo werd hij de meeste tijd niet verstaan door anderen.

Zo is de mens. Wanneer ik over God wil spreken, kan ik niet in termen van redelijkheid en logica spreken. Ik moet spreken met mijn gevoelens, ik moet als het ware een dichter zijn.

Dichterlijkheid is immers het vatten van gevoelens in woorden. En indien ik wil spreken over God, zoals ik Hem ken in mijzelf, wat blijft men dan anders over dan juist deze dichterlijkheid, om tenminste iets te uiten van de waarheid, die ik in mijzelf voel, maar niet ken. Beelden geven ook hier méér weer, dan zij schijnen in te houden. Zo zegt een mens van zichzelf: Ik ben een grote leegte, waardoor een klein voertuig voorwaarts gaat, zoekende naar een ster, die licht geeft, een planeet, waarop het veilig kan landen. Zo, mijn denkende Ik voortstuwend door de ruimten van mijn wezen, weet ik dat ik eens ergens zal landen, maar ik weet niet waar…..

Mij dunkt dat u hiermede de waarheid van het Zelf goed is uitgedrukt. Alles, wat ik meende te weten, blijkt later weer onjuist, onvolledig of zelfs verkeerd te zijn. Alle stellingen, die ik opbouw omtrent eigen zijn en leven blijken steeds weer maar zeer relatieve waarde te hebben. Maar het feit dat ik besta dat ik denk, voel, ervaar en steeds weer ervaren zal, voel ik in mijzelf als een waarheid aan, ook al kan ik de juistheid daarvan niet bewijzen.

Het is deze waarheid, die ik tracht uit te drukken, die ik wil beleven wanneer ik in mijzelf zoek naar de waarheid, naar de Eeuwige in mij. Ik tracht een overbrugging te vinden tussen de randen van de grote ravijn van leven waartussen stroomt de stormvloed van tijd, die ik niet kan doorwaden zonder de zijde van het stoffelijk leven achter mij te laten. Daarom tracht men een brug van redeneringen en gedachten te bouwen tussen de beide randen, die in feite nutteloos is, maar die voor het ik een verbinding geeft tussen het einde van de weg in de nu gekende wereld en het begin van een weg elders in een ander bestaan.

Het is zo eenvoudig te stellen dat de mens esoterisch moet denken en streven. Daarbij stelt men dat de innerlijke weg krachten en mogelijkheden geeft, die echter alleen bruikbaar zullen zijn voor degene, die die weg reeds in zich gevonden heeft. Ik meen dat dit niet geheel juist is. Ik meen eerder dat men geen gaven verwerft, maar zich eenvoudig tracht te oriënteren omtrent de werkelijke mogelijkheden en waarden van eigen bestaan. Ik meen dat ook de niet esoterisch strevende mensen somwijlen een dergelijke poging doen, iets van hun werkelijk bestaan te beseffen en dat ook zij daaraan gevoelens van eeuwigheid en kennis ontlenen.

Iemand, die naar een vreemd land gaat, koopt reeds lang voor hij de grens van dit land heeft overschreden, een kaart van het gebied, opdat hij zich daar zal kunnen oriënteren en langs de kortste weg zijn doel zal kunnen bereiken. Iemand, die aan esoterie doet, tracht volgens mij een kaart te vinden voor zijn tijdloos wezen, in de hoop hierdoor in staat te zijn in elk voertuig dat hij ooit zal bezitten, in staat te zijn het doel te bereiken dat hij op dit ogenblik als het meest belangrijke beschouwt.

Er zijn mensen, die stellen dat er in alle leven maar een enkel doel is. Hoogstens maakt men eens een grap en zegt dan bijvoorbeeld dat alle goede christenen die sterven, naar de hemel gaan, behalve de Amerikanen, die gaan dan naar Parijs… Vroom gesteld is dit alleen mogelijk wanneer beiden gelijkelijk deel uitmaken van het koninkrijk Gods. En wanneer je nu in de hemel bent en daar lange tijd vertoeft, zou er dan niet een ogenblik kunnen komen waarop men graag ook eens een keer naar Parijs zou gaan, al was men dan ook vroeger geen Amerikaan? En als je die stad hebt beleefd en gezien, zou er dan geen ogenblik komen dat de ziel toch weer zou verlangen naar Rome te gaan, of desnoods naar een verre ster, een andere wereld? Wat wij steeds weer zullen doen zolang wij leven, is volgens mij dwalen, gaan van het ene beleven naar het andere. Geen dolen zonder bestemming, maar eerder een steeds weer beproeven van alle mogelijkheden, die er voor ons in het Al maar bestaan. Als ik weet, wat ik ben, wat ik wil, kan ik ook ongeveer uitmaken waar ik het best het eerst naar toe kan gaan. Het is immers dwaas als iemand die niet van zwemmen en strandleven houdt, besluit zijn vakantie in Zandvoort door te gaan brengen? Zo iemand kan beter naar bijvoorbeeld Tirol gaan. En iemand, die bang is van de vrije natuur, de bergen enzovoort, zal beter doen grote steden te bezoeken. Dit beseft een ieder. Ten aanzien van het geestelijke leven schijnt men het bestaan van dergelijke voorkeuren en behoeften echter niet te beseffen. Men bouwt zich rustig denkbeelden omtrent een hemel die de mens, indien hij daar ooit zou moeten vertoeven, eenvoudig verstikken zal…

Er was eens een mens, die zich een beeld van de hemel had gebouwd als een stad van kristal goud en zilver. Hij had zich daarnaast een beeld van de hel gebouwd, die in wezen niets meer was dan een grote vlakte, vol van allerhande orgieën, waarbij de feestvierders omringd waren door horden toeschouwende en brallende duivels. Na zijn dood woonde hij in de kristallen stad en zag steeds weer zichzelf weerkaatst in de kristallen wanden. Tot hij zo ziek werd van zichzelf en de steeds herhaalde eentonige pracht dat hij trachtte zijn hel te bereiken om zo tenminste weer te kunnen beleven.

Dit is de moeilijkheid waarmede wij steeds weer komen te zitten wanneer wij het innerlijke pad gaan en ons daarbij bepaalde voorstellingen maken. Wij kunnen dan spreken van de Opperste Bouwmeester van het Al, over de Tempel van het Zijnde, over het Koninkrijk der Hemelen en de vele woningen, die daarin zijn, maar voor ons zelf vinden wij geen weg, die tevens leven betekent. De esoterie is volgens mij niet bedoeld om de mens reeds nu en in dit leven te verheffen tot de waarden van een hiernamaals, maar om de mens te leren, hoe volgens eigen wezen zowel in de nu gekende wereld als later in een eeuwige werkelijkheid het leven moet worden gezien en beleefd.

Als men dit eenmaal heeft erkend, zijn er oneindige mogelijkheden voor het ego. Er is niet slechts één enkele weg, die tot het doel voert: Het besef kan immers dwalen door de oneindigheden, zonder ooit het doel, de kern van het zijn, te kunnen ontwijken of niet te vinden.

Maar wanneer een mens zijn weg niet kiezen kan in eigen wereld of in de oneindigheid, zo leeft hij volgens eigen besef in een hel. Hij zal dan altijd weer juist die dingen opmerken, ervaren en ondergaan, die hij niet kan verwerken. Dan voelt men zich machteloos en hulpeloos. De fout, die men meestal maakt, is wel dat men aanneemt dat wat vandaag geldt, ook morgen nog zal gelden dat, wat vandaag hier waar is, ook elders voor het ik even waar zal zijn.

Een machtig jager uit India voelde zich meester van de rimboe. Hij meende de natuur te kennen en te kunnen beheersen, alle dieren te kunnen overmeesteren door zijn eigen bekwaamheid.

Daarom besloot hij het zegel op zijn grootheid te zetten door naar de pool te trekken en daar alleen een paar ijsberen te schieten. Maar de verblindende stilte van de witte poolwoestijnen overweldigden hem zozeer dat hij verdwaalde, geen weg terug meer wist te vinden, zelfs tot de beperkte veiligheid en rust van de tent, die hij had opgeslagen. Zo kunnen ook wij in het leven verdwalen, wanneer wij onszelf niet kennen.

Wie kent zichzelf? Ach, dat is vaak grotendeels een onbewuste waarneming, een herkenning van iets wat men niet beseft, voor men er dan mede geconfronteerd wordt onder omstandigheden, die het de moeite van het waarnemen waard maken. Mensen lopen ekander op straat vaak voorbij, zonder te weten, wie en wat zij allemaal hebben gezien. Thuis gekomen herinnerde de man zich alleen enkele etalages, die hij had gezien. Verder had hij, zo hij meende, niets bijzonders waargenomen. Toen hij enige tijd later tijdens een bezoek een vreemde ontmoette en opeens reageerde: “U ken ik. Heb ik u enkele dagen geleden niet zien staan voor de etalage van zus in de zo straat?” Zo gaat het ons in het menselijke leven ook: Wij menen dat wij alleen naar de etalages hebben gekeken en denken dat alle andere dingen ons voorbij gaan. Maar ik meen dat meer wordt gezien en beseft dan oppervlakkig denkbaar is. Ook in de esoterie. Want wie aan esoterie doet, kijkt in feite in zich ook alleen maar naar de etalages waarin alle deugden zijn uitgestald als ridderorden op zwart fluweel, terwijl de fouten vaak als een onherkenbare massa, in een soort assen pan liggen waar men wel met nadruk even naar kijkt, om er dan echter snel en nadrukkelijk het deksel op te zetten.

Er komt echter altijd weer een ogenblik, waarop wij vele dingen blijken te kennen en ook herkennen, die eens schijnbaar aan ons voorbij waren gegaan. Onze zelfkennis is geen werkelijk bewust kennen van de waarden in ons eigen wezen. Integendeel, ik geloof dat onze zelfkennis in de meeste gevallen een grote reeks van illusies is. Maar door ons met die illusies bezig te houden zullen wij ook iets van de werkelijkheid leren kennen, zelf al beseffen wij dit op het ogenblik nog niet. Dit heeft het voordeel dat wanneer men later met iets geconfronteerd wordt, desnoods eerst in een andere wereld, wij opeens ons iets herinneren en reageren met een: Heb ik u niet al eens eerder gezien? Eerst veel later, wanneer de zogenaamde zelferkenning reeds voorbij schijnt te zijn, ontmoeten wij de waarden van ons leven en de wereld weer en dan zullen wij hen eerst de juiste plaats en betekenis toe kunnen kennen. Het is mij moeilijk mijn denkbeelden geheel duidelijk aan u over te dragen. Laat mij het zo stellen: Voor mij is esoterisch streven zo iets als een cursus, waarvan je eerst later de vruchten zult plukken en dit op een andere wijze dan je je tijdens de studie voorstelde. Zij betekent dus geen ogenblikkelijke bereiking, al is dit veelal de reden van het esoterisch streven. Een enkele maal zal men misschien hierdoor contact met een andere wereld, een andere fase van bestaan kunnen verkrijgen. Maar zelfs dan kan men dit niet volgens zijn eigen waarde uitdrukken, omdat men alleen ziet naar de dingen, die volgens ons nu belangrijk zijn. Zoals de boer, die naar Amerika ging, een lange rondreis daar maakte én, gevaagd naar zijn ervaringen, alleen opmerkingen wist te maken over de grondsoort en de wijze van landbouw aldaar, ofschoon hij ook alle grote steden en vele attracties had bezocht. Later, bij een volgend bezoek, bleek echter dat hij de weg wist in de plaatsen waar hij geweest was. Maar dat had hij zelf niet beseft.

Alle esoterische bewustwording op aarde is van weinig belang zover het gaat om het erkennen van onveranderlijke waarheden of het waar beseffen van een andere wereld, neem dat maar van mij aan. Belangrijk is daarin dat je leert zonder te weten dat je erkent, zonder nu dit te beseffen, laat staan te kunnen omschrijven. Wanneer je een geheel esoterisch systeem hebt doorgewerkt, zal het je als mens aan het einde vaak toeschijnen dat je in feite niets van belang hebt gedaan of geleerd. Later blijkt het echter anders: dan weet je dat je het belangrijkste steeds weer vergeten had tot het ogenblik dat de omstandigheden je tot herinneren brachten.

Dit is voor mij de innerlijke weg, gezien in de werkelijkheid van het leven. Daarom: leef steeds weer vandaag, innerlijk zowel als uiterlijk. De resultaten zult u eerst later beseffen. Spreek niet te veel over morgen en wat je dan gaat doen, spreek niet te veel over vreugden of straffen, die je na de dood verwacht. Leef vandaag en zorg er voor dat je vandaag alle vreugde hebt genoten, alle plichten hebt vervuld, alles hebt beseft, wat je kon beseffen. Wie dit ook innerlijk voortdurend doet, maakt volgens mij de ware esoterische bewustwording door.

image_pdf