De magie van de droom

Dromen, belevingen, die liggen buiten de werkelijkheid van alle dag. Belevingen, die zich schijnen af te spelen in jezelf en die een realiteit hebben, waardoor alle emoties van de mens in het geding kunnen worden gebracht. De droom wordt meestal beschouwd als een residu van de hersenen, die actief blijven nadat de rest van het lichaam in de slaaptoestand is weggesluimerd en de bewustzijnsdrempel zover is verhoogd, dat indrukken van buitenaf zelden doordringen en zo ze al doordringen ‑ meestal niet worden herkend voor wat ze zijn. Maar in de droomwereld ligt veel meer.

Als we dromen, is de bewustzijnsdrempel verhoogd, maar dan is door vaak ook een totaal andere gevoeligheid ontstaan. Een mens, die droomt, krijg u veelal contact ‑ hetzij direct, hetzij indirect ‑ met astrale werelden. Daarnaast kan hij tot uittredingen komen; iets, wat door de meesten niet wordt herinnerd, maar dat toch betrekkelijk veel voorkomt. Dan worden o.m. Zomerland betreden of bepaalde sferen, die dicht bij de menselijke wereld liggen bezocht. Als we dus gaan spreken over de magische mogelijkheden in de werking van de droom, dan moeten we ons goed realiseren dat we niet alleen spreken over iets, dat zich in de mens zelf kan afspelen, maar dat wel degelijk factoren van buitenaf en zelfs van andere werelden daarbij betrokken kunnen zijn.

Nu begin ik allereerst met de werking van een droom. Ik wil u erop wijzen dat iemand, die wel eens een angstdroom heeft gehad het effect ook lichamelijk heeft gevoeld. In zo’n droom krijg je het niet alleen benauwd, maar er blijkt inderdaad ook een verhoogde adrenaline‑afscheiding te zijn, kortom, alle verschijnselen, die men bij het verwerken van een schok in zijn eigen wereld ook krijgt. Op soortgelijke wijze blijken bepaalde functies (bv. van de hypofyse) gestimuleerd te kunnen worden; de droombeleving. Er ontstaat dus een verandering in de lichamelijke toestand en in het evenwicht, dat er tussen de klierafscheidingen en organen in het lichaam bestaat.

Nu is een lichaam iets, dat in zekere mate afgestemd kan zijn. Dat wil zeggen, dat het zijn gevoeligheden op een bepaald gebied aanmer­kelijk kan verhogen. Een van de meest bekende verschijnselen daarbij is bv. iemand, die blind is. Of iemand, die kan zien doet zijn ogen dicht; hij gaat ineens scherper luisteren. Nog eenvoudiger is het misschien als u met een speld een gaatje prikt in een stukje karton. U sluit het oog, u kijkt door het andere en dan blijkt dat bet gaatje in het karton uw gezichtsvermogen verscherpt. Door het uitsluiten van een groot aantal prikkels wordt de gevoeligheid voor andere prikkels aanmerkelijk hoger. Dit gebeurt tijdens de droom. De gevoeligheid, die ontstaat, wordt voor een groot deel mede bepaald door die delen van de lichamelijke­ functies en ook van het hersendenken, die worden uitgeschakeld. De eerste stelling, die ik daarom wil verkondigen is deze:

De droombeleving kan voeren tot een verandering in de afstemming van de lichamelijke mens en hierdoor een grotere receptiviteit scheppen voor werelden, die hij normalerwijze niet kent of betreedt. Daarnaast kan er een buitengewone gevoeligheid voor werkingen en omstandigheden van de eigen wereld ontstaan.

Dan komt hier natuurlijk de kwestie van magie. Onder magie verstaan wij een inwerking van natuurlijke oorzaken en wetten ‑ van welke aard en soort dan ook ‑ die nog niet op aarde als zodanig bekend zijn, maar die wel door mensen kunnen worden gehanteerd, zonder dat een redelijk aanvaardbare verklaring voor het geheel kan worden gegeven.

Ik hoop, dat u het met deze omschrijving eens bent.

Als ik weet dat ik ga slapen, kan ik mijzelf in zekere mate suggereren. Ik kan mij een soort bevel geven. Het meest bekende is het waakbevel. Er zijn mensen, die kunnen zeggen: Ik moet morgen om zo laat wakker worden. Meestal zijn ze iets te vroeg, maar ze worden inderdaad op die tijd wakker. Waaruit weer blijkt dat je de slaapwereld wel degelijk kunt gebruiken om er iets mee te doen, ook al is het alleen maar om een beëindigingslimiet te stellen.

Stel nu, dat u zich de opdracht geeft in de droom een bepaalde beleving waar te maken. Dat kan zijn een gezamenlijke meditatie bv., het kan net zo goed zijn het betreden van een bepaalde wereld. Dan zult u niet zonder meer dit kunnen vervullen. Maar er is wel iets anders gebeurd: U heeft met deze opdracht uzelf een suggestie gegeven; en de totale hersenactiviteiten en daardoor ook de emotionaliteiten tijdens die slaaptoestand worden in de richting gedreven van het gestelde doel. Hierdoor ontstaat er een eenzijdig verscherpt denken, meestal een eenzijdig aantal emoties, die nog steeds uit uw hersendenken (een spel van herinneringen e.d.) voortkomen en een afstemming scheppen t.a.v. de sfeer of het doel, dat u zich voor het inslapen heeft gesuggereerd. De werking van de droom is dus eigenlijk in vele gevallen voor ons een richtvermogen voor bepaalde niet‑stoffelijke factoren van het lichaam. Dan mag ik dus stellen:

Door suggestie voor de slaap kan men een zekere gerichtheid verschaffen aan de inhoud van de droombeleving en daarmede de afstemming van eigen wezen op bepaalde werelden of krachten bevorderen.

Maar dan zijn we er nog niet. Want als je met die magie bezig bent, dan wil je iets bereiken. Die bereiking mag niet alleen in de droomwereld geschieden, ze moet ook buiten de droomwereld kenbaar worden. Anders gezegd: Je moet haar van een innerlijk voornemen of een voorstelling trachten over te planten naar een hanteerbare werkelijkheid, die ook in de stoffelijke wereld kan ingrijpen. En daardoor is de astrale wereld bijzonder geschikt.

Nu heeft de astrale wereld voor iemand die slaapt ‑ zeker als hij half of geheel is uitgetreden ‑ bepaalde gevaren. Er zijn allerhande schillen en schrikvormen aanwezig en indien je je daardoor laat domineren, dan zijn ze net zo gevaarlijk als menige hond, die iemand die wegloopt achterna zit en soms ook bijt, maar iemand die stil blijft grommend en later kwispelstaartend zal bezien om vervolgens zijns weegs te gaan

Stel echter, dat we toch die astrale wereld durven en kunnen betreden. Ik ben los van alle stoffelijke beïnvloeding. In mijn droom heb ik de suggestie en ook de vorm geschapen van hetgeen ik ga doen. Het geheel van de geestelijke, de etherische, de astrale energie van de mens is dus vrij voor het werken in de astrale sfeer. Gelijktijdig heeft hij een zekere krachtreserve van zijn lichaam ter beschikking, daar dat lichaam zijn eigen krachtverbruik tot praktisch een minimum heeft teruggebracht. Dan ontstaat er voor het lichaam een buitengewoon diepe slaap, waarin een enorme hoeveelheid kracht aan dit lichaam kan worden ontnomen, betekent, dat ik mij een astraal voertuig kan bouwen en dat ik voor een groot gedeelte zelf kan bezielen. Dan is de stelling; Daar in de slaaptoestand, mits de juiste droombelevingen en voorstellingen eenmaal zijn gewekt, het beheersen van de astrale we­reld aanmerkelijk gemakkelijker is dan tijdens een waakbewuste toestand, zal de mens, die ervan gebruik wenst te maken, zeer scherp gedefinieerde vormen in het astraal kunnen scheppen en deze zelf bezielende hiermede zijn voor een groot gedeelte kunnen vervuilen, voor zover dit vanuit de astrale wereld naar de menselijke wereld mogelijk is.

En daarmee zit je eigenlijk midden in het onvoorstelbare. De meeste mensen zeggen: Als ik mediteer, dan is dat op een tijd dat ik die meditatie doe plaatsvinden en niet op een andere tijd. Als wij gezamenlijk mediteren zonder tezamen te zijn, dan moeten wij dus allemaal op dezelfde tijd beginnen en dan nog zoveel mogelijk aan hetzelfde denken. Er zit iets in natuurlijk. Vanuit menselijk standpunt is dat volkomen logisch. En als je gedachtekracht aanneemt, dan blijft het nog logisch. Maar als ik nu mediteer om laten wij zeggen 9 uur ‘s avonds:, terwijl ik heb afgesproken om 1 uur ‘s nachts die meditatie gezamenlijk met anderen te volbrengen, wat gebeurt er dan?

Ik mediteer, maar ik leg mijzelf op dat deze meditatie eigenlijk pas reëel wordt om 1 uur ‘s nachts. Dan heb ik via die suggestie mijn gedachteprocessen in de droomwereld gefixeerd. Ik heb een werking veroorzaakt, waardoor die meditatie in mijn droom een rol gaat spelen. Nu zal die meditatie zeker niet letterlijk worden herhaald, maar de essentie ervan, de wil die erin heeft gelegen, de overweging, blijft in de droomwereld wel degelijk gehandhaafd. Het resultaat is dus dat ik om 1 uur ‘s nachts of op een tijd, die daar toch heel dichtbij komt, plotseling weer in mij een toestand ga herscheppen, die tijdens de meditatie bestond. Ik ben mij ervan bewust met anderen tezamen te mediteren. Maar in de droomwereld bestaat geen afstandsbeperking. Ik ben dus in die droommeditatie veel intenser met die anderen verbonden dan normalerwijze bij een z.g. gelijktijdige mediteren, elk op zijn eigen plaatsje, met daartussen liggende afstanden. De uitwerking van die meditatie zal aanmerkelijk sterker zijn. Het klinkt wat vreemd, dat geef ik graag toe. Maar ja, de hele droomwereld is eigenlijk iets vreemds en de meeste mensen weten heel weinig van de feitelijke werking.

Zeker, men heeft ontdekt, dat de droomwereld voor een groot gedeelte compensatie of een uitlaat schept voor de spanningen, die men overdag heeft opgedaan. Maar dat komt alleen, omdat de droom voor mij een reële waarde heeft, anders zou het niet nodig zijn. De droom kan door hetgeen ik droom mij een ontspanning bezorgen, waardoor ik overdag verder kan gaan. Wil ik daarvan bewust gebruik maken, dan kan ik mij in een zekere stemming brengen voor het inslapen. Ik zal daarbij in de droomwereld bepaalde aspecten van mijn bestaan naar voren brengen en zo een evenwichtigheid juist t.a.v. dat terrein voor mij als mens gemakkelijker bereiken. Maar waarom zou ik daar bij blijven staan?

Als u aanneemt dat gedachten krachten kunnen zijn, dan moet u ook begrijpen dat de gedachten, die tijdens de slaap vrijkomen, zeker in de minder stoffelijke gebieden een veel hogere intensiteit aan kracht zullen bezitten. En waarom zou ik daarvan geen gebruik maken?

Ik wil b.v. iemand op afstand genezen. Bij genezing op afstand is het gebruikelijk, dat men zich concentreert op gedachten uitzenden. Maar dat uitzenden van gedachten bij waakbewustzijn betekent ook dat ik daardoor word belemmerd in een volledige concentratie, een volledige voorstelling, want ik blijf mij toch enigszins van mijn omgeving bewust. Als er in die omgeving iets gebeurt ‑ er tingelt een tram, er toetert een auto, er komt iemand vragen of je een kopje thee moet hebben – dan reageer je dáárop en niet in de eerste plaats op het onderwerp van je meditatie of op het uitzenden van krachten. In de slaap bestaat die belemmering niet. Als je dus kunt leren ‑ en dat is een betrekkelijk eenvoudige zelfsuggestie – een voornemen of een gedachte kort voordat, je gaat slapen te herhalen (dat betekent niet dat je het moet blijven herhalen totdat je bent ingeslapen), dan is dat al voldoende. Daarmee bereik je dat tijdens de droom voorstellingen ontstaan, welke je afstemmen op het doel dat je je hebt gesteld. En als er werkelijk de wil tot genezen van de ander is, dan heb je niet alleen meer het gevoel dat je kracht uitzendt naar die ander, neen, dan ben je bij die ander. En wat meer is: je bent bij die ander in een geestelijke kwaliteit. Misschien astraal of waarschijnlijk etherisch. En als zodanig kun je veel beter zien wat er voor je patiënt nodig is, kun je veel grotere krachten juister toepassen dan bij een waakbewuste concentratie. Waaruit alweer blijkt, dat je eigenlijk heel vreemde dingen kunt doen.

Dit zijn punten, die wetenschappelijk onaanvaardbaar zijn. Maar indien je het zou onderzoeken, dan zou je toch ontdekken dat juist bij het gebruik van de vooromschreven techniek, er heel veel eigenaardige verschijnselen zijn.

In de eerste plaats zien we vaak dat de patiënten zich bewust worden van die invloed en ontwaken. Hun droomtoestand is niet voldoende harmonisch met hetgeen de genezer projecteert. Ze worden wakker en zeggen later: Hé, heb je zo en zo laat aan me gedacht? Wordt het proces verscheidene malen voortgezet, dan blijkt dat een voortdurende verbetering het gevolg ervan is. De patiënt wordt op een morgen opgewekter, veerkrachtiger en soms ook beter in de zin van “genezen” wakker. Duidelijk, dat men daarmee iets kan doen. Waarom zouden we ook hier blijven stilstaan? De menselijke geest heeft enorme mogelijkheden.

De meesten van u kennen het verschijnsel van zien in de tijd. Het z.g. tweede gezicht, waarbij iemand iets waarneemt, meestal een fragment, van toekomstige gebeurtenissen. Normalerwijze is dat een schokeffect, waardoor een tijdelijke vervreemding van de eigen werkelijkheid optreedt. De tweede werkelijkheid, de toekomstige werkelijkheid, wordt even in het heden geprojecteerd. Heel vaak is het net, of je het aan de binnenkant van je oogleden ziet, of het een tweede beeld is, dat zich even over de waargenomen werkelijkheid schuift.

Stelt u zich nu eens voor dat het tijdseffect, dat op aarde domineert voor de mens die geest is, een minder grote rol speelt. Zeker, hij moet ook nog steeds mogelijkheidslijnen volgen. Hij kan niet een absolute toekomst constateren. Hij kan alleen delen ervan concreet constateren en de verbindingen daartussen voor zichzelf beredeneren. Maar dat hindert niet. Hij kan sprongen maken. Hij kan de toekomst zoveel dichterbij brengen, dat zij beleefbaar wordt en wat meer is: in de droom is het mogelijk, dat een dergelijke beleving zo intens wordt, dat je haar ook kunt onthouden. Hoe kun je dan de werkingen, die in de droom nu eenmaal bestaan gebruiken om in de toekomst te zien? Ook dat is eigenlijk tamelijk eenvoudig.

Als u weet welke omstandigheden nu bestaan ‑ en die moet u zich goed realiseren ‑ en welke u wenst op een bepaalde tijd ‑ en probeert u vooral die tijd, die toestand of de verwezenlijking daarvan zo goed mogelijk voor uzelf te omschrijven ‑ dan zult u ontdekken dat deze suggestie eveneens doorwerkt. U gaat dromen. En nu zien we iets vreemds: het is net of die droom intenser wordt naarmate ze een toekomstigheid meer gaat benaderen. Het resultaat is, dat juist de meeste intense indrukken die het dichtst bij een toekomstige werkelijkheid liggen, wor­den vastgehouden; die weet je nog als je wakker wordt, terwijl alle voorgaande fasen langzamerhand verflauwen.

In de droom moet je de zaak rationaliseren. Er moet dus een verloop van gebeurtenissen zijn, een samenhang. Die samenhang moet er in dit geval zijn. Dat wil zeggen, dat je in het begin de indrukken, die je ontvangt van andere tijd, gaat inpassen in een soort schema. Je gaat iets doen en beleven en daardoor wordt een situatie echt.

Maar de situatie, die tenslotte wordt onthouden als je wakker wordt, is er één die heel dicht bij de toekomstige werkelijkheid ligt. Heeft u een bepaalde tijdsfactor suggestief aan uzelf opgelegd, dan zal die toestand worden benaderd of bereikt op de tijd, die u in de suggestie heeft gesteld. Heeft u een bepaalde omstandigheid genomen, dan wordt het wat anders. U zult dus moeten proberen om in uw droom iets vast te houden, waaruit u weet wat er gaat gebeuren; b.v. wan­neer de appelbomen in bloei staan. Dan kan dat elk jaar in die tijd zijn. U heeft dus geen idee of het één, twee of tien jaar duurt, bij wijze van spreken.

U kunt uw eigen uiterlijk in de droom, nooit gebruiken om dat te controleren; wel het uiterlijk van anderen. Let er dus op, of iemand grijzer en ouder is geworden. Een van de gemakkelijkste dingen is ook: als u een krant tegenkomt, probeer die te lezen. Het klinkt misschien vreemd, dat je dat in een droom kunt doen, maar als je je suggestief beveelt om in de droom dit soort dingen te proberen, is het inderdaad mogelijk. Er is dan een benadering van de toekomstige werkelijkheid be­reikbaar, zeker na enige oefening die toch ongeveer 90 % van het wer­kelijke gebeuren kan omvatten

U moet er ook rekening mee houden, dat in dergelijke droombeelden getallen nooit als getalswaarde mogen worden geaccepteerd. Een getal heeft (dat is heel vreemd) in de menselijke geest ook bepaalde symbolische betekenissen. Als u nu droomt dat er veel drietjes in de toto voorkomen, dan betekent dat zeer waarschijnlijk dat u een fantastisch mooie dag krijgt en dat er op die dag buitengewoon vele en goede wedstrijden zullen worden gespeeld. Het betekent echter niet, dat de uitslag overal gelijkspel zal zijn (3 = gelijkspel). Dus daarmee moet u even uitkijken.

Het is ook heel vaak zo, dat u het getal droomt van het een of ander loterijbriefje. Een enkele keer zal dat het goede getal zijn, maar als u probeert uzelf te bevelen een winnend getal te dromen, dan is de kans heel groot dat u de wens tot winnen in een getalswaarde gaat uitdrukken. Wat u ziet is niet het getal dat zal winnen, maar een combinatie van getallen, die voor uw besef de winst en de wil tot het behalen van winst weergeeft. Dus daarvoor kunt u dit moeilijk gebruiken.

Getallen, die incidenteel voorkomen en schijnbaar geert samenhang hebben met het overige droombeeld, kunnen veel belangrijker zijn. Getallen, die spontaan opkomen, hebben meestal een reële betekenis en geen symbolische. Getallen, die worden gezocht, hebben meestal een symbolische en geen reële betekenis. Ik hoop, dat ik daarmee enkele teleurstellingen kan voorkomen.

Hier hebben we dus een extra mogelijkheid gevonden van de droom: het betreden a.h.w. van de toekomst. Nu weten we allemaal, dat het betreden van de toekomst niet helemaal echt is. Als u naar een andere sfeer gaat, is de kans dat u die sfeer werkelijk betreedt ook niet zo erg groot. U zult alles wat u in die sfeer beleeft tenslotte moeten vertalen in stoffelijke termen, en daardoor ontstaan er vaak een zeer grote vervalsing van het werkelijke beeld. Als je mensen hoort, die vaak uittreden, dan lijkt het wel, of Zomerland een soort congres van bloementelers is, die de meest uitzonderlijke variëteiten proberen te telen. Want er zijn allemaal heel mooie bloemen en buitengewoon mooie vogeltjes; en dat is nu heus niet noodzakelijk voor Zomerland. Dat is een interpretatie. Maar de feiten kunnen echt zijn. En als die feiten echt zijn en ik kan uittreden, en ik kan mijn belevingen verschuiven in de tijd, dan zal het u duidelijk zijn, dat ik dat ook ten aanzien van afstand kan doen.

Het is mogelijk om ‑ ook weer door een voorafgaande suggestie, dat is voor de meeste mensen toch wel noodzakelijk ‑ je te concentreren op een andere plaats. De moeilijkheid is hier het behouden van de her­innering na het ontwaken. Alleen als er werkelijk zeer belangrijke dingen gebeuren, blijft er iets van hangen; dat kan ik u wel vertel­len. De onbelangrijke details worden meestal vergeten. Toch is het mogelijk de dingen, waarmee u zich werkelijk verbonden voelt (het kan politiek, het kan economie zijn, ongelukken, natuurverschijnselen of het lot van de een of andere mens), waar te nemen en dit terug te brengen uit de droom. Dan hebben we hier al iets voor de werking van de droom: een magische achtergrond. In de droom vallen vele van de normaal stoffelijke beperkingen van de mens weg, maar hij zal altijd zijn beleving in de droom moeten terugbrengen naar het waakbewustzijn, waar­ bij een deel van de waarde verloren gaat. Nu denkt u waarschijnlijk dat ik het belangrijkste reeds heb gezegd. Heeft u dat gedacht, dan heeft u weer verkeerd gedacht. Stoor u daar niet aan, u doet het zo vaak, dat een keer meer of minder ook geen verschil uitmaakt.

Als ik droom, kan ik andere werelden of andere werkelijkheden betreden. Maar dat impliceert ook dat ik, als ik waakbewust kan constateren: tot dat soort wereld voel ik mij aangetrokken of daar behoor ik, dat ik mij de suggestie kan geven dat ik die wereld betreed. Als ik die wereld betreed, kan ik een deel van mijn herinneringen uit die wereld terugbrengen. En nu ontstaat er een heel wonderlijk verschijnsel: Zodra ik mij op aarde bewust ben van een deel van mijn bestaan in een niet‑stoffelijke wereld, ontstaat er voor mij bij herhaling van de proef een continuïteit van gebeuren in die andere wereld. Dat loopt niet helemaal parallel met het stoffelijk tijdsgebeuren, maar ik zie dat de tijd daar verder gaat. En wat meer is: ik zie dat ik mij voortdurend in een andere positie zal bevinden, als ik die wereld vanuit het mens‑zijn weer bewust betreed. Ik heb een dubbel bestaan, waarvan ik nu steeds delen actief beleef, maar ook herinneringen kan hebben van de tussenliggende perioden, terwijl ik waakbewust op aarde gewoon bezig ben geweest. Een verdubbeling van leven is op deze wijze mogelijk.

Heel grote ingewijden kunnen dat misschien nog verder doorzetten. Zij maken dan van het in droom neerliggende lichaam een astraaldubbel, dat gematerialiseerd kan worden op elk punt waar dat wenselijk is, zodat men zich door te gaan slapen vele reiskosten bespaart en gelijktijdig toch overal ter plaatse aanwezig kan zijn waar men dit noodzakelijk acht. Denk niet, dat u het zover zult brengen; dat komt maar heel zelden voor. Maar waarnemingen kunt u wel doen.

Ook door waarnemingen van bepaalde personen kunt u bewust deel gaan uitmaken van een aantal gebeurtenissen op uw eigen wereld. U kunt daarin dan wel niet actief optreden, maar u zult ontdekken dat u een zekere affiniteit krijgt ten aanzien van een of twee personen. Deze personen kunt u dan proberen iets in te fluisteren. Zij verstaan u niet, ze reageren niet, maar het blijkt dat door die influisteringen hun gedrag kan worden veranderd. Als u zegt: Kijk uit! dan schrikken ze even. Ze weten niet waarvan, maar ze kijken een ogenblik uit, omdat ze niet weten waarvan ze geschrokken zijn. U heeft dus niet bereikt dat ze u hebben verstaan, maar wel dat ze deden wat op dat moment volgens u noodzakelijk was. Hier hebben we dus zelfs te maken met een verdubbeling,

Als we daar toch mee bezig zijn, waarom zouden we dan niet meteen stellen dat de droomwereld in sommige gevallen tot de actieve belevingen van een tweede werkelijkheid kan worden. U leeft hier en u bent u van dit leven bewust. Maar u zoudt ook elders kunnen leven onder andere omstandigheden, met andere waarden. Het kan fantasie zijn. Het kan behoren tot een reëel bestaan in een wereld. Maar de droom kan alweer suggestieve processen, de continuïteit van het droomleven a.h.w. orga­niseren. Nu ga ik een heel eenvoudig voorbeeld stellen; Er is een klein meisje, dat zichzelf altijd een verhaaltje vertelt over wat ze zal zijn. In dat verhaaltje ontwikkelt ze zich, Zeker, haar kinderlijke normen blijven een rol spelen. Op een gegeven ogenblik krijgt zij van iemand bv. een ring, omdat zij een buitengewoon dappere daad heeft gesteld. Nu is het begrijpelijk dat die daar niet op aarde werd gesteld. Maar wat gebeurt er wel? Door deze tweede werkelijkheid, die ze opbouwt en de projectie van haar wensen daarin, bepaalt ze haar geneigdheid in het waakbewuste leven. Het blijkt dat een zo opgebouwde tweede werkelijkheid dermate suggestief werkt er op de selectie van mogelijkheden in het waakbewustzijn, dat een verwezenlijking ‑ althans van een deel der in de droom gestelde waarden en mogelijkheden ‑ in het waakbewuste leven bereikbaar wordt.

Dan zijn we alweer een heel eind verder, want nu blijkt dat door de eigenaardige werking, die de droom heeft, het mogelijk is een samenhangend ander leven voor jezelf op te bouwen met geheel andere mogelijkheden en een deel van die mogelijkheden dan toch weer te transponeren naar je eigen wereld.

Er zijn heel veel mensen die vroom zijn. Ze zouden graag Jezus een keer ontmoeten. Maar ja, ze weten dat het niet kan. Maar waarom kan het niet? Indien u zich voortdurend bezighoudt met de voorstelling van Jezus en in de droom die ontmoeting met Jezus heeft, dan komt er een ogenblik, dat u zodanig harmonisch bent met het werkelijke wezen Jezus, dat in de gestalte, die u voor uzelf heeft geschapen (het blijft een eigen creatie), de essentie van die hogere kracht kenbaar wordt en op deze manier een ‑ zij het wat beperkte – meningsuitwisseling met de werkelijke Jezus mogelijk wordt.

Men kan dus met de droom enorm veel doen. Dat ik dit magische mogelijkheden noem, zal u nu ook duidelijk zijn geworden. Want dit zijn geen redelijke mogelijkheden. Wat ik u vertel kan misschien logisch klinken, maar wetenschappelijk gezien is het dat niet. En redelijk gezien heb ik zoveel dingen verondersteld en als vaststaand aangenomen, dat ook hier de redelijke samenhang toch wel kan worden betwijfeld. Daarom is het magisch, want het werkt, het is er. Maar men kan niet bewijzen, dat het er zo is als ik het u vertel.

Nu kan ik mij voorstellen, dat u nog veel meer zoudt willen doen. Dat u zegt; Waarom zou je die droom niet helemaal gebruiken om uittredingen te doen? Ik wil ook wel eens op de maan lopen. Goed. Dat kunt u. Indien u voor uzelf de voorstelling van “ik ben op de maan” voldoende intens als suggestie kunt vastleggen, komt er een droom. Herhaal die droom. U kunt niet zeggen, dat het de eerste keer klopt, want dan spelen uw herinneringen nog een rol. Heeft u drie of vier keer diezelfde droom gehad en houdt u er iets van vast, dan blijkt opeens dat u dingen over de maan gaat beschrijven, die u niet kon weten en die toch door ruimtevaarders misschien later op dezelfde tijd of misschien in het geheim zijn geconstateerd. Dus u kunt reizen, zelfs naar de maan.

U kunt buiten de aarde staan en terugkijken en haar als een blauwe bol zien rondwentelen. En denkt u niet, dal u de eerste zoudt zijn, die dit heeft gedaan, want er zijn heel veel mensen, die juist de slaap‑ en droommogelijkheden hebben gebruikt om dergelijke uittredingen te bereiken.

In een droom kan ik voor mij natuurlijk ook allerhande dingen op­bouwen. Indien u heel sterk gelooft aan een bepaalde gestalte of figuur, dan zal in de droomwereld een astraal beeld daarvan worden opgebouwd. Dat beeld is misschien niet zo sterk en zo machtig als u denkt, maar het is er. Op den duur maakt u dat beeld zo reëel, dat het ook in uw waakbewustzijn een rol kan gaan spelen, zodat u er concrete antwoorden van kunt krijgen, als u er iets aan vraagt. Dat u het zelf bent, die hier antwoorden geeft, doet niet ter zake. Want door deze mede in de droomwereld a.h.w. gecreëerde tweede “ik”‑heid is het u mogelijk geworden gebruik te maken van een groot gedeelte van het onderbewuste ‑ die u normaal niet weet of denkt te weten – worden onmiddellijk als u zich met de vraag tot deze voorgestelde figuur wendt, die over het algemeen een betrekkelijk zwak uitgevoerde astrale schil is. Een situatie, waarin alweer heel wat mogelijkheden liggen.

Als u zo verder gaat, dan moet u ook nog tot de conclusie komen dat de droom heel vaak erg belangrijk kan zijn voor uw lichamelijk welzijn. Als u droomt dat u ziek bent, dan zult u zich de volgende dag minder vitaal voelen. Maar bent u ziek en droomt u voortdurend dat u gezond bent, dan zult u meer veerkracht en meer vitaliteit hebben, mits u deze niet besteedt aan zelfbeklag over het feit, dat u ziek bent; hier is een voorwaarde bij. Op deze manier kunt u zelfs beelden opbouwen in de droom (ook een soort tweede werkelijkheid misschien), die een directe inwerking hebben op het hele lichaam. Het is onmogelijk voor een mens, die niet bijzonder sterk getraind is, om bepaalde orders te geven aan de automatische functies van zijn lichaam, die worden opgevolgd. O zeker, een goed getraind fakir zal in staat zijn bij een slangenbeet de bloedstroom in een bepaalde ader eenvoudig te stremmen, zodat het gif weer naar buiten wordt gedreven en als een paar druppels op de arm komt te liggen. Zo iemand kan dat door middel van hypnose ook bij anderen doen. Maar hij moet het ook zelf kunnen, anders lukt het hem niet.

Maar als wij die beheersing nu niet hebben en wij kunnen in de droom aannemen dat we die wel hebben, waarom zouden we dan niet in staat zijn om bepaalde lichamelijke functies, die we normaal niet beheersen, dan te dirigeren? Als ik weet, dat ik een bepaalde infectie heb, dan kan ik zelf niet zeggen: “Dat moet dan eerst maar eens worden gelokaliseerd.” Want mijn lichaam luistert niet. Maar ik kan in de droom een beeld scheppen, waardoor ik in dit lichaam zelf actief ben en die beperkingen aanbreng. Het lichaam volgt dan deze suggestie door kleine veranderingen zijn structuur en bevordert daarmee een genezingsproces. Dromen zijn fantastische dingen. De meeste mensen denken dat ze niet dromen. Maar er is geen mens, die niet droomt. Dromen kunnen erg lang zijn. Dromen kunnen uren duren. Dromen kunnen ook heel kort zijn, misschien 30 – 60 seconden. Dit zegt niets over de inhoud aan gebeurtenissen van de droom, omdat de droom niet aan de normale tijdseenheid is gebonden. Maar het betekent wel, dat ik een lichaam gedurende uren van de tijd van dat lichaam kan beïnvloeden met een voorstelling, die voor mij als droom zeer kort lijkt. Ik kan een lange en intense werking veroorzaken. Omgekeerd kan ik vele lichamelijke processen, die a.h.w. moeten worden overzien en geanalyseerd en waarvoor het lichaam dagen nodig heeft, in seconden overzien en analyseren. De persoonlijke tijd van de droom is afhankelijk van het aantal indrukken, die ik kan verwerken, niet van het tijdsverloop. En daarmee wordt duidelijk waarom de droom zo magisch is en de werkingen van de droom zulke vreemde effecten kunnen hebben.

Laten we nu een paar aardige voorbeelden geven van dergelijke droomwerkingen, die meteen de verklaring zijn voor de paranormale verschijnselen.

U kent allemaal de z.g. dode, die afscheid komt nemen. Een van de bekende voorbeelden; een Noors meisje slaapt, wordt ’s nachts wakker, ziet haar vader in een oliejas, druipend van het water zwijgend voor haar bed staan, droevig naar haar kijkend, hij knikt een keer en verdwijnt. Vader blijkt later omstreeks die tijd, waarschijnlijk zelfs iets later verdronken te zijn op zee. Nu zoudt u zeggen. Dat is een concrete verschij­ning. Ja. Maar die verschijning werd mogelijk gemaakt door het feit, dat het meisje sliep. De hallucinatie want dat is het, die zij had bij het ontwaken was alleen mogelijk door een in de droom ontstaan rapport met die ander, waarbij de oliejas, die hij droeg, niet een concrete weergave was van het geen hij op dat moment werkelijk droeg. Hij droeg in feite op dat moment, (dat heeft men later nagegaan) een trui en geen oliejas. Dit is alleen maar de uitdrukking van de toestand, zoals men die vertaalt. Er is een rapport geweest tussen twee geesten. De hallucinatie geeft de essentie weer van de mededeling, zodat zij naar het waakbewust­zijn wordt overgebracht. Op deze manier ontstaan zeer veel van dergelijke half begrepen contacten.

Het is helemaal niet nodig dat iemand dood gaat. Het kan heel goed zijn dat u droomt van oom Frederik uit Groningen, die bij u op bezoek wil komen en die druk aan het pakken is. Hij zegt: “Ja, dat zou ik ook nog meenemen.” En waarachtig, twee dagen later komt hij met zijn hele familie, aantuffen en heeft werkelijk een soortgelijk presentje meegenomen. Hoe komt dat? Waarschijnlijk, omdat hij in zijn slaap of kort vóór zijn slaap bezig is geweest met zijn voornemen op reis te gaan en u in uw slaap in het brandpunt van die gedachte stond. U heeft haar overgenomen en u heeft er een droombeleving van gemaakt. Een deel daarvan was zo sterk, dat u het kon onthouden.

Op dezelfde manier hebben we bv. de doodsverwachting. Er is een hotel. Iemand slaapt daar. Hij droomt, dat hij naar buiten kijkt en ja, daar komt een lijkkoets aan en er wordt iemand ingedragen. Hij denkt misschien, dat dit een heel sombere voorspelling is voor hemzelf of een familielid. Later blijkt dat inderdaad de volgende nacht iemand overlijdt en die wordt inderdaad in de vroege morgen weggedragen. Wat is er aan de hand? Die doodsverwachting is aanwezig. Zelfs als die persoon op dat moment niet in het hotel is, is zijn denken aan het hotel als volgende rustplaats plus zijn gevoel van onbehagen voldoende om deze impressie aan de slaper door te geven. Zijn zien van een lijkkoets is alleen maar weer een interpretatie. Maar wie dat op die manier kan interpreteren, kan een heleboel weten omtrent de dingen, die aanwezig zijn of die gaan gebeuren. En waarom alweer, zou je er geen gebruik van maken?

De meeste mensen gebruiken hun droomleven niet actief genoeg. Ze zouden de droom willen gebruiken om naar hogere sferen uit te wieken, terwijl zij daartoe lang niet altijd in staat zijn. Want uw eigen stemming is even suggestief als de bewuste gedachte, die u zich als suggestie oplegt. Als u in een stemming bent om laten we zeggen de omzet van serviesgoed aanmerkelijk te vergroten in de nabije toekomst, dan zult u zeker niet in staat zijn om – eindelijk ingeslapen ‑ onmiddellijk naar een hogere sfeer te gaan voor relaxatie. Dat is eenvoudig niet mogelijk. Dan kunt u misschien uw eigen wereld bereiken, u kunt wat astrale belevingen hebben, u zoudt misschien nog een contact kunnen hebben met iemand uit Zomerland, maar de Zomerlandsfeer zelf betreden zal er waarschijnlijk al niet bij zijn.

De werkingen van de droom zijn nu eenmaal zodanig, dat ze gebaseerd blijven op de inhoud, die u op een moment heeft en dat ze mede worden bepaald door de emoties, die in u aanwezig zijn. De droom kan dan gestuurd worden in een richting, waardoor uw lichamelijke toestand en zo ook uw afstemming langzaam verandert. Maar dat vraagt veel praktijk en veel concentratie. Werken vanuit de toestand, waarin men op zo’n ogenblik verkeert en het scheppen van een eenvoudige suggestie voor een droombeleving ligt veel meer voor de hand en is veel gemakkelijker te bereiken. Waarom zou men het dan niet doen?

In de droom kunt u anderen genezen en misschien ook uzelf genezen. U kunt in de toekomst zien en vele dingen uit het verleden waarnemen. U kunt misschien teruggraven in uw incarnaties, maar u kunt nooit iets creëren, dat niet in uzelf als afstemming of beginsel aanwezig is, U kunt met de droom een tweede, werkelijkheid scheppen en de waarde daar­ van in uw eigen wereld terugvinden, omdat u zich richt en afstemt. Het zijn onverklaarbare verschijnselen in het kader van de moderne wetenschap. Ze worden door de psychologie en de parapsychologie misschien langzamerhand aanvaardbaar gemaakt, maar bewijsbaar zijn die dingen niet. Zo zijn afhankelijk van uzelf, zoals alles wat u droomt van uzelf afhankelijk is.

Als u droomt, dat u in de zon loopt en dat er ineens een wolk voorbij komt drijven en dat u in de ijzige kou staat te rillen, terwijl alles zijn kleur en fleur heeft verloren, dan is dat heel waarschijnlijk voor een groot gedeelte het resultaat van uw eigen instelling tegenover het leven, niet van een zekere voorspelling van toekomstig gebeuren. U droomt vaak in symbolen. Duidelijk. Er zijn vele dingen, die u als zodanig niet wilt omschrijven. Als u voortdurend met een bezemsteel bezig bent, dan behoeft dat nog niet te betekenen dat u grote schoonmaak gaat houden, Die bezemsteel kan ‑ heel andere ‑ zelfs fallische associaties hebben. Die symbolen vertalen is niet altijd gemakkelijk. Maar waarom zouden we ons met die symbolen bezighouden, als we uitgaan van de stemming, die wij in een droom ervaren en daarnaast vooral uitgaan van onze vermogens om de droombeleving te richten en daarmee de afstembaarheid van eigen wezen aanmerkelijk te vergroten en bewuster de afstemming te doen plaatsvinden. De droom heeft werkelijk een magische achtergrond, indien we de werkingen van de droom begrijpen. En wanneer we de werkingen van de droom begrijpen en hanteren, dan kunnen we onze eigen werkelijkheid aanmerkelijk veranderen.

Dat is mijn inleiding. Ik heb hierin geprobeerd alle punten oven logisch aan te snijden. Ik heb een paar voorbeelden gegeven in de hoop, dat daardoor de zaak duidelijker werd, maar ik heb bovenal geprobeerd u duidelijk te maken dat uw droom niet alleen maar een gebeuren zonder meer is; dat die droom zowel voor uw geestelijke als voor uw lichamelijke mogelijkheden vaak heel grote resultaten in zich dragen. Ik heb getracht u duidelijk te maken, dat u tot op zekere hoogte althans uw uitgangspunt en uw bestreving in de droom suggestief kunt vastleggen.

********************************

*  Men kan etherisch zowel als astraal aanwezig zijn, is gesteld. Kunt u het verschil tussen etherisch en astraal toelichten?

Etherisch: energie, niet materieel en met de mogelijkheid tot beïnvloeding van de materie.

Astraal: fijn materieel, daardoor veel sterker met het lichaam verbonden en heeft voor het lichaam zelf een veel grotere kwetsbaarheid, omdat de identificatie tussen een astraal lichaam en het werkelijk lichaam aanmerkelijk groter is dan tussen een etherisch lichaam en het stoffelijk lichaam.

*  Zou ik mogen opmerken, dat in de literatuur dit meestal omgekeerd wordt beschreven.

Er zijn heel veel dingen, die men omgekeerd beschrijft. Als wij ons bezighouden met al wat er is geschreven, dan moeten we constateren, dat er heel veel verwarring bestaat ten aanzien van formulering e.d. De astrale wereld is nu eenmaal een wereld van fijne materie. U zoudt kunnen zeggen van kleinste materiedelen zonder onderlinge binding, waarin de gedachte reeds een zodanig sterk veld kan vormen, dat hier­ door een tijdelijke groepering van die materiedelen ontstaat. Als zodanig kan men hier spreken over een fijn‑materiële belichamingsmogelijkheid.

Het etherisch lichaam kan het best worden vergeleken met een trilling.

U zou het ook enigszins kunnen vergelijken met het verschijnsel “licht” misschien, dus niet met de oorzaak zelf; een vibratie ontstaan door een inwerking op een massa en als zodanig is het dus energie, en kan voortdurend op zichzelf terugkeren. Maar heb ik een astraal lichaam, dan is er een gebondenheid ontstaan door de fijne materie, die je in vorm hebt gebracht; en hierdoor ontstaat die kwetsbaarheid. Indien men dit alles niet helemaal heeft begrepen, dat men een etherisch lichaam (ook wel etherisch dubbel) vaak volkomen verkeerd gebruikt; komt waarschijnlijk voort uit de verwarring, die er tussen er tussen de verschillende scholen is ontstaan, maar aangezien het astraal gebied door de meesten als een sfeer zonder eigen bezieling wordt gehanteerd, moeten we volgens mij spreken over het astraal lichaam. En dat betekent dus dat we bij de kwalificatie “astraal” voor fijn‑materiële vormen ook alle eigenschappen daarvan astraal moeten noemen en die niet meer etherisch kunnen noemen.

*  Ik meen, dat u alleen de termen heeft verwisseld ten aanzien van bepaalde scholen.

Wij hebben geen termen verwisseld, omdat wij aannemen dat wij princi­pieel te maken hebben met mensen, die enigszins thuis zijn in het spiri­tisme. Dat betekent, dat we de formulering “astraal”, zoals die in het spiritisme bestaat, moeten hanteren. Dan wil ik onmiddellijk daarbij opmerken, dat namen uit de aard der zaak de aard der dingen niet bepalen, zodat men één ding tien verschil­lende namen kan geven, maar dat het dan wel heel moeilijk wordt om met elkaar te spreken, zodat ik in mijn inleidend betoog ook een zij het summiere definitie van het begrip “astraal” heb gegeven, waardoor verwar­ringen kunnen worden voorkomen.

*  Een terminologie kwestie.

Ja. Maar terminologie is het meest dodelijke dat er op deze wereld bestaat. Het is niet alleen een kwestie van modewoorden, maar vooral een kwestie van het gebruiken van een en dezelfde term voor verschillen­ de begrippen. Denkt u maar aan democratie, het begrip “vrijheid”. Hoeveel verschillende termen dekt dat niet? En wat betreft “deugd”, ook heel verschillend. “Moraal”, dat is ook zo’n mooi woord. Het wordt voor alles gebruikt. Er zijn mensen die zeggen; “Het is een goede moraal, want ze zijn niet bang om elkaar af te maken.” Maar op een ander ogen­blik zeggen ze: “Ja, maar het is moreel niet verantwoord een ander te doden.” Dan moet u mij maar vertellen wat moraal is.

Terminologie is dodelijk. En daarom geloof ik niet, dat het juist is over die termen te vechten. Maar als een term, die ik gebruik onduidelijk is voor u, dan wil ik die graag verduidelijken, zodat u weet wat ik ermee bedoel.

*  Het gaat meer om toestanden die bestaan.

Inderdaad. Het vervelende is echter: toestanden kun je over het algemeen zonder zeer uitvoerige omschrijving ook niet aanduiden. Daarom geef je aan die toestanden een bepaalde naam. Als die naam nu voor anderen dezelfde toestand aanduidt, dan is er communicatie, begrip mogelijk. Is er een verschil in interpretatie t.a.v. de betekenis, dan praat je eigenlijk vaak langs elkaar heen.

*  U zoudt dus in dit geval Zomerland meer tot de etherische wereld rekenen?

Ja, dat is etherisch, omdat Zomerland geen werkelijke stof kent, en geen werkelijke stoffelijke vormen, maar wel geprojecteerde vormvoorstellingen, waardoor het geheel van Zomerland het best kan worden beschouwd als een gezamenlijke projectie van gedachten, die door een ieder kan worden beleefd op telepathische wijze.

*  Kan men in de slaap een rendez‑vous hebben met een overgeganenen zich dat na het waken herinneren?

Mag ik hier even voorzichtig zijn t.a.v. de terminologie. Ik neem aan, dat u met “rendez vous” eenvoudig ontmoeting bedoelt in dit geval. In mijn tijd was die betekenis namelijk een uitgebreidere. Het is mogelijk, omdat de overgeganene juist in uw slaaptoestand, dus als u niet door de buitenwereld zo sterk wordt beheerst en geprikkeld, zich gemakkelijker kan manifesteren en zelfs gedachten naar u kan projecteren zonder dat u feitelijk uittreedt. Er is dan een ontmoeting met een schijnbeeld van de overgegane ‑ in uzelf geconstrueerd – waardoor de intenties van de overgegane vaak kunnen worden overgebracht. Kunt u uittreden, dan is het heel goed mogelijk, dat u met de een of andere in de geest bestaande entiteit ‑ of het een vriendje van u is of niet ‑ contact krijgt en daarmee gaat spreken. Er is zelfs nog een heel ander verschijnsel.

Als uw herinnering omtrent één persoon die is overgegaan, ver­schillende fasen even duidelijk bevat, dan is het heel goed mogelijk, dat u met die andere contact heeft en hem ziet als drie figuren. Voor antiquairs zou dat ideaal zijn, als dat op aarde ook zo was. Dan konden ze de schedel van bv. Napoleon als kind, als jonge man, als keizer en als oude man verkopen. Indien u zich die fasen herin­nert, dan kunnen die verschillende gestalten inderdaad optreden en zullen ze (dat is meestal bij een ontmoeting in jezelf, dus niet in de sferen) in het gesprek elk reageren volgens dat wat ze waren in de tijd, waarin u zich die gestalte voorstelt. Totdat de werkelijke entiteit aan het woord komt en dan toont zich het ontstellende ver­schijnsel aan degene, die het voor de eerste keer meemaakt, dat dan al deze gestalten ineens unisono spreken; dat ze met één geluid precies dezelfde woorden voortbrengen. Sommige mensen worden daardoor zo geschokt, dat zij a.h.w. die gestalten laten versmelten tot één geheel. Als zij dat kunnen, dan hebben ze meestal een heel goede contactmogelijkheid, die dan ook bij uittreding kan worden bereikt. U ziet dus, het is maar hoe je het bekijkt.

*  Hoe herken ik dan of ik in een astrale of etherische sfeer die ontmoetingen heb?

Wel, als u ze in een astrale sfeer heeft, dan heeft u altijd te maken met een volledige, constant blijvende gestalte, die echter meestal in de details vaag is. Heeft u te maken met de etherische sfeer, dan krijgt u een heel scherp beeld dat over het algemeen afwijkt van uw eigen voorstelling. In de astrale wereld komt dat veel minder voor. Daar blij­ven de details vaag en zijn alleen de hoofdlijnen gevormd. Dat is dus een van de dingen, waardoor u dat kunt herkennen. Een tweede punt is: Als een schil (een vorm in de astrale sfeer) niet wat men noemt volledig bezield is door de eigen persoonlijkheid, dan is er een sterke discrepantie tussen wat we de ogen zouden noemen en de rest. Het is dan of de ogen dood zijn of op een grote afstand staan. Hebben we te maken met de persoon zelf die zich openbaart, dan zijn door­gaans de ogen een normaal deel van het geheel en beantwoorden aan de ge­middelde vaagheid daarvan. Er is dus geen verschil in definitie merkbaar. Maar ik geloof, dat de eenvoudigste test nog altijd deze is: Als u iemand ontmoet in uw droom ‑ onverschillig hoe ‑ probeer een test, iets wat u op aarde kunt uitzoeken. Probeer het antwoord goed vast te houden. Als dat te controleren is, neem dan voorlopig maar aan dat u met een concrete ontmoeting te maken heeft gehad. En dat is veel belangrijker dan de vraag waar het gebeurt. Vindt u ook niet?

*  Nou, ik weet niet, de omstandigheden in de droom verschillen vaak zo ontstellend en uit de omschrijving kan ik toch wel bepaalde terugvinden en die interesseren mij n.l. ook wel.

Ja, indien die lokalisaties tenminste niet door uw denken, uw her­inneringen en een zekere mate van zelfsuggestie worden vastgelegd. Want vergeet niet, dat een geestelijke beleving niet in de hersenen maar daarbuiten plaatsvindt, zodat wat er tenslotte in de hersenen als een beeld daarvan ontstaat eerder een analogie is, een aantal ongeveer ge­lijkende beelden, maar nu gegroepeerd volgens uw denken en herseninhoud. De uitdrukking, die u dan vindt voor die andere wereld kan altijd weer worden herleid tot uw eigen hersendenken. Daarom is het dus van minder belang, zou ik zeggen. Alleen tijdens een uittreding kan het van belang zijn dat je zegt: Dit is astraal: of dit is etherisch; of dit is een Zomerlandsfeer. Ja, als bv. een overledene een bepaalde toestand heeft en je graag wilt weten wat hij heeft meegemaakt. Dat is altijd heel erg moeilijk, omdat bepaalde dingen niet te beschrijven zijn. Ik heb maar heel weinig mensen meegemaakt, die kon­den beschrijven wat het is om naar de tandarts te gaan. En als je probeert eruit te krijgen wat dat is, dan resulteert dat in een aantal vaagheden, waarin een of twee persoonlijke trekjes dan toch wel te bemerken zijn. De concrete beschrijvingen van de behandeling zegt weer niets over de gevoelens. Als u zich nu realiseert hoe moeilijk het is om gevoelens en toestanden weer te geven, dan kunt u ook wel begrijpen dat het heel erg moeilijk is om uit te maken hoe een entiteit zich voelt en hoe die entiteit werkelijk is. U kunt dit aanvoelen, maar u kunt het niet uitdrukken. U kunt dan een zeker gevoel hebben, geassocieerd met de droom, waardoor u kunt zeggen: Nou, die gaat het wel goed, of die gaat het verkeerd. Maar de beelden op zichzelf zullen daaraan nooit volledig uitdrukking geven.

*  Ik mag dus niet een directe relatie aannemen tussen de omgeving, waarin de persoon zich bevindt, en zijn toestand?

Neen. Dat is verkeerd, omdat de toestand in de meeste gevallen door de gedachte kan worden geschapen. Als u nu toevallig denkt, dat hij in de hel hoort (er zijn zoveel mensen, die worden uitgenodigd om zich spoorslags daarheen te begeven), dan heeft u kans dat u bij die persoon een heerlijke achtergrond van de hel ziet, terwijl de persoon zelf volgens zijn begrip ergens b.v. in een ijstentje met een ijslolly bezig zou moeten zijn. Natuurlijk een beetje dwaas geformuleerd, maar het maakt misschien duidelijk wat ik bedoel. Uw eigen gedachten zijn sterk medebepalend voor de manier, waarop u die persoon interpreteert, zelfs voor een groot gedeelte voor de vorm, waarin u die mensen ziet. Denkt u nu maar eens aan helderziende waarnemingen: Daar staat een oud moedertje. Zij heeft een blauw‑geruit voorschoot aan en ze draagt de een of andere kap. Het is geen Scheveningse kap. Ik kan het niet helemaal thuisbrengen, vermoedelijk Zeeuwse eilanden of zo iets. En zo draagt een soort boek bij zich en een heel zware knipbeurs. En dan zegt de helderziende: Zegt u dat wat? Laten we aannemen, dat de helderziende niet fantaseert en dat die wer­kelijk iets heeft waargenomen; dat er werkelijk een persoon is die er eens zo heeft uitgezien. Dan valt het mij altijd op dat iedereen dan onmiddellijk uitroept: O ja, dat is tante Daatje (of wie dan ook) en zich niet afvraagt: waarom dat goede mens ‑ nu eenmaal bevrijd van alle reumatiek en rimpels ‑ het prefereert zich in oude klederdracht, gebogen en gerimpeld te manifesteren. Het enige antwoord daarvoor zou zijn, dat dit de enige voorstelling is die herkenbaar is. En een nog waarschijnlijker verklaring is, dat dit een gedachte is, die wordt geprojecteerd door de persoon, die tante Daatje of hoe ze ook heet, heeft gekend. Dan kan de stimulans voor het ontstaan van dit beeld wel degelijk uit een entiteit voortkomen, al is dat lang niet zeker. Maar het is wel zeker, dat de voorstelling voor het grootste gedeelte is geput uit de hersens van degene, die de boodschap ontvangt.

*  Zijn niet‑stoffelijke werelden rond een eigen planeet of een eigen zonnestelsel geconcentreerd en grenzen zij aan buurwerelden van andere zonnestelsels? Of is er in stoffelijke zin een onbezette ruimte, tussen elk? Ik ken dromen van lege ruimten zonder opvulling met materie. Is deze ruimte stoffelijk inderdaad verwijderd van de planeet?

Dat ligt er maar aan. Kijk eens, wat wij geestelijke werelden noemen, kan het best worden uitgedrukt als leven in een ander dimensionaal stel­sel, dat zich op dezelfde plaats kan bevinden als uw eigen dimensioneel stelsel, zonder dat beide stelsels elkaar zullen opmerken. Dat is de eenvoudigste methode om het te zeggen. Dat betekent dus, dat er geen sprake is van plaatsbepaling. Dat is voor u heel moeilijk om het u in te denken. Je kunt geen plaats bepalen dan alleen in referentie tot die wereld, als je er bent. Plaatsbepaling is dus in die wereld wel mogelijk ten aanzien van de waarde van die wereld, maar niet ten aan­zien van uw wereld. Als wij een plaats willen bepalen op uw wereld, dan kan elke plaats van onze wereld gelijk komen met dezelfde plaats op uw wereld.

*  Is het dan zo, dat je rustig ergens op Sirius belandt door een verkeerde plaatsbepaling?

Neen, neen, dat komt zelden voor. Als je de plaats niet bepaalt aan de hand van ruimtelijke coördinaten maar aan de hand van uitstra­lingen. Dat is weer iets anders. U zoudt het misschien zo kunnen zeg­gen: Wij bepalen niet waar de kroeg ligt aan de hand van zijn ruimtelijke ligging (hij zit in Scheveningen, in Den Haag of ergens anders), maar wij zeggen: O, dat behoort tot dat soort sfeer. En dan kunnen op een gegeven ogenblik het Grand Hotel en Bouwens vlak naast elkaar liggen. Daarom kun je dus niet spreken van “grenzen aan andere werelden”. Je zou het geloof ik zo moeten zeggen, dat je sferen je het best kunt voorstellen (alleen als voorstelling, niet als feitelijke bepaling) als een reeks concentrische ringen, waarvan elke ring op zich naar binnen toe een sfeer aanduidt en elke volgende ring een hogere sfeer, die alle binnenliggende vlakken en mogelijkheden mede inhoudt. Die sfeer is dus niet een planeet, het is een bewustzijnstoestand. Datgene, wat realiseerbaar is, bepaalt je wereld. Datgene, wat niet realiseerbaar is, behoort dus tot een hogere wereld. Komen fenomenen daarvan tijdelijk voor, dan wordt dat beschouwd als een manifestatie van een hogere wereld in je eigen sfeer. Tot het ogenblik, dat je eigen be­wustzijn in staat is dit andere mede te omvatten, blijft de oude sfeer wel behouden, maar haar betekenis wordt een andere; n.l. in relatie tot het nieuwe dat je nu erbij hebt gevoegd. Zo zult u begrijpen, dat het dus heel erg moeilijk is te zeggen. Er zijn aangrenzende sferen. U zoudt wel dit kunnen stellen: Als u in de geest bent, kunt u elk willekeurig bestaand deel van een materie zonder meer waarnemen en bereiken, indien u in staat bent u daarop te concentreren. Er is dus geen kwestie, van afstand ‑ of we nu op de Hondster willen zitten of misschien naar Arcturus willen gaan dat maakt geen verschil uit. Als we eraan denken en we kunnen dat sterk genoeg doen, dan zijn we er. Lege ruimten komen inderdaad wel voor. Lege ruimten moet u zich echter niet voorstellen als iets wat in uw eigen ruimte bestaat. Trouwens, de werkelijk lege ruimte bestaat niet, ofschoon er wel delen van de ruim­te zijn, waarin de materieconcentratie niet veel verder gaat dan onge­veer 2 á 3 moleculen of atomen per kubieke mijl. Dat is dus wel tamelijk leeg, maar niet helemaal leeg. Er zijn wel toestanden denkbaar, waarin absoluut geen contact meer bestaat. Een afgesloten zijn van alles. En dat is de leegte, omdat onze bepaling van bestaan eigenlijk plaatsvindt door refe­rentie aan de omgeving. Wij kunnen dus niets meer constateren. We weten nog dat we er zijn, maar we krijgen geen echo, geen antwoord en daarom is het leegte. Dit bestaat geestelijk en kan voor een mens ook stoffelijk bestaan, zelfs in een betrekkelijk dichte materieconcentratie, indien hij deze niet kan constateren.

*  Het is dus onmogelijk te zeggen: Uw geestelijke werelden omvatten het totale heelal. Dat moet je totaal van elkaar loskoppelen.

Neen. Ik geloof niet dat je dat kunt zeggen. Je zou kunnen zeggen, Dat de geestelijke wereld nu al datgene omvat wat kan worden beseft door de geest. Omdat bij ons de werkelijkheid eigenlijk datgene is wat wij denken. Het gedachtebeeld dat wij hebben is de wereld, waarin wij willen leven. Voor u is dat ook wel waar, maar u heeft er nog een stoffelijke werkelijk­heid achter zitten. Wij hebben die stoffelijke werkelijkheid in zoveel mindere mate (er bestaan voor ons ook nog wel enkele grenzen en wetten), dat er voor ons kan worden gezegd: De gedachtewereld maakt in feite de wereld waarin wij leven. Dat betekent dus, dat als het gehele Al tot onze wereld zou behoren, wij dat gehele Al zouden kunnen bezien vanuit onze wereld, zonder enig voorbehoud. Maar wat is dat Al? Wie van u kan bepalen wat dat Al is? Want u kunt wel zeggen. Dat Al is overal waar sterren zijn, maar er is meer. Er bestaan ook ruimten waar geen sterren zijn. Er zijn ruimten waar de materiedichtheid inderdaad ongeveer 3 atomen of 3 moleculen (beide kunnen voorkomen) per kubieke mijl zijn. Er is wel iets; maar er is niets constateerbaars meer vanuit uw standpunt. Het is ruimte. En dan kunnen we misschien nog verder gaan en zeggen: Vanuit geestelijk stand­punt gezien zijn er situaties, waarbij zelfs atomen nog niet gevormd zijn en waar eigenlijk alleen nog maar kunnen spreken van iets wat het best als krachtvelden kan worden aangeduid. Maar er is altijd toch nog iets. Wat is dit? Is dat het heelal of is dat niet het heelal? Waar houdt het op? Dat weten we niet. Wanneer we de bron moeten zoeken, dan zeggen we: De bron voor alles wat met uw heelal samenhangt schijnt te origineren ergens in het middelpunt van de ruimte tussen de verschillende sterrennevels. In dat noemen we dan maar het punt vanwaar uit God werkt. Redelijk is dat natuurlijk niet. Het is alleen een poging om iets te zeggen waarvoor je eigenlijk geen woorden hebt. En dan spreekt men ook vaak ervan dat de geestelijke straling ook nog materieel moet worden begrepen.

*  De straal ‑ weer de materiedelen.

Neen. Straling is over het algemeen één materiedeel of vele mate­riedelen, die slechts kenbaar worden door de reactie, die ze teweeg brengen bij hun verplaatsing. Als we spreken over een veld, behoeft het zelfs dat niet te zijn. Dan betekent het alleen een afwisselende energiedichtheid, al dan niet manifest in een stroming, welke bij beroering effecten veroorzaken.

*  Dienen uittredingsdromen in kleuren altijd ook interpretabel te zijn of zijn betekenissen ervan altijd eigen rationalisaties?

Bijna altijd. Kijk, u kunt het per ongeluk wel eens goed hebben. Als u een droom heeft en u bent zich bewust van kleuren, dan is inder­daad de kans heel groot dat het een uittredingsdroom is, omdat de nor­male droom bij de meeste mensen zich zonder kleurbesef afspeelt. Een soort zwart‑wit; wat niet betekent, dat uittredingsdromen duurder zijn. Maar als u die droom doormaakt, dan zijn er een aantal dingen, die om de een of andere reden niet doorkomen naar uw bewustzijn. Ze worden soms vervangen door symbolen. Er worden dingen weggelaten, er worden ook dingen bijgemaakt. Als wij een verklaring eraan gaan verbinden, dan is dat in de eerste plaats toch wel een rationalisatie volgens het menselijk denken van iets wat je hebt beleefd in een wereld, die eigenlijk net iets buiten de normaliteit van het menselijk denken is gelegen. Daarom zou ik zeggen: Uittredingsdromen zijn in wezen altijd wel rationalisaties, zodra wij ze ons gaan herinneren. De betekenis, die we er­ aan gaan toekennen, is over het algemeen dan ook een betekenis, die mede onze behoefte en wensen inhoudt. De interpretatie is in de meeste gevallen eenzijdig, zoals ook de interpretatie van de verschillende sym­bolen doorgaans ofwel formeel en wel eenzijdig volgens eigen verlangen plaats vindt.

*  Is de droomtoestand niet min of meer te vergelijken met het ontsnappen aan een driedimensionale toestand?

Min of meer. Ik zou zeggen eerder min dan meer, maar dat is een kwestie van smaak. Kijk eens. De droom ontsnapt in zoverre aan wat u driedimensionele toestand, dat de plaats/verhoudingsbepaling in de droom afhankelijk is van een denkbeeld en niet van een concreet wereldbesef, zodat dus gebeurtenissen elkaar kunnen opvolgen, zonder dat er een redelijke tijdsequentie is die ze verbindt, zodat plaatsen kunnen worden betreden, zonder dat tussenliggende afstanden worden over­brugd. In zoverre heeft u dus wel gelijk. Maar aan de andere kant zou je ook weer moeten zeggen. In de droom is de uitdrukking van het totaal der belevingen zodanig verbonden met de aardse voorstellingen, dat de beelden die we krijgen worden uitgedrukt in een driedimensionaal stelsel en als zodanig de droom dus wel een driedimen­sionale beleving is. Zij het, dat de beperkingen van de stoffelijke driedimensionale wereld niet geheel geldt.

*  Bestaat de mogelijkheid, dat als men zich een posthypnotisch bevel geeft de toestanden van de nacht of van de droom op de stoffe­lijke hersencellen zullen worden afgedrukt? Is er niet de mogelijkheid, dat men meer vertrouwd raakt met die droomtoestand?

Ik ben het niet eens met het gebruik van de formulering “post­ hypnotisch”. Posthypnotisch veronderstelt een hypnose. Een hypnose kan onder bepaalde omstandigheden wel door het “ik” worden opgelegd, maar dan beheerst men niet meer datgene wat tijdens die hypnose gebeurt, zodat we van een prehypnotisch bevel zouden moeten spreken en niet van een posthypnotisch bevel. We kunnen dan niet bepalen wat het resultaat is van deze autohypnose. Daarom zou ik zeggen, dat u veel be­ter kunt uitgaan van een suggestief voorstel, waarbij autosuggestie kan leiden tot een zeer sterke gerichtheid van het ego, ook tot zeer ster­ke concentratie van de faculteiten van de mens zelfs. En daarmede is het mogelijk bepaalde opdrachten in te leggen. Ik heb dat ook in de in­ leiding aangestipt. Als u zegt “posthypnotisch”, dan zou een ander u een dergelijk bevel moeten geven. Dat dit inderdaad veel gebeurd is, zal u misschien bekend zijn. Men heeft vroeger verschillende trances veroorzaakt en daarbij bevelen gegeven. Men heeft geprobeerd de geest op reis te zenden en bevelen te geven niet alleen voor de terugkomst maar ook voor datgene, wat moest worden opgemerkt en zelfs voor het vergeten van het waargenomene, nadat het was uitgesproken. Dat is in het mesmerisme heel vaak voorgekomen. Mesmer was eigenlijk een soort hypnotiseur. Maar als het om jezelf gaat, dan moeten we niet spreken van zelfhypnose, maar van zelfsuggestie, die vaak een practisch hypnotisch effect heeft, maar niet de rationele mogelijkheden van de mens geheel uitschakelt en vervangt door de suggesties van anderen, zoals bij hypnose het geval is. Dan het tweede gedeelte van uw vraag. Inderdaad, als men interesse heeft in het droomleven, kan men proberen zichzelf een opdracht te geven om dromen te herinneren. De meest rationele methode zou eigen­lijk zijn, die men ook heeft gebruikt bij studenten. Men had namelijk een encefalograaf aangelegd, Zodra er een bepaalde hersenactiviteit werd geregistreerd bij de slapenden (meestal studenten), werden ze gewekt en werd hun verzocht hun droombeelden weer te geven. Nu heeft u natuurlijk geen encefalograaf. Maar u heeft wel de mogelijkheid om uzelf op te leggen; als ik droom, zal ik onmiddellijk wakker worden en mij dit herinneren. Vergeet, u echter dan niet, dat die herinnering kort duurt, zodat u het onmiddellijk moet registreren. Als u nu een bandrecorder bij de hand zoudt hebben om met een paar woor­den die droom vast te leggen of ‑ maar dan heeft u meer nodig – om hierover met een paar woorden neer te schrijven, dan is aan die hand van de indrukken, die op het moment zijn vastgelegd, later vaak mogelijk om althans een deel van de droom redelijk nauwkeurig te reconstrueren.

*  Dromen dieren ook?

Ja. Dieren dromen nadrukkelijk. Dieren dromen over het algemeen eenvoudiger dan mensen. Dat wil zeggen, dat de associaties van dieren veel eenvoudiger zijn dan de associatieve mogelijkheden die de mens heeft. Hun dromen zijn vaak meer intens. Degenen onder u die een hond, een kat of wat dan ook hebben of ook een paard slapend hebben gadegeslagen, zullen wel hebben ontdekt dat bv. een kat ineens met de poten begint te trekken, zij is op jacht, of dat ineens de haren gaan rijzen; een schriktoestand of dreiging aanduidende. Dat de hond bepaalde geluiden maakt. Soms zelfs maakt een heel oude hond in zijn slaap de geluiden van een puppy, daarbij kennelijk dromend dat hij nog jong, knap en schoon is. Ik geloof, dat deze uiterlijkheden alleen reeds bewijzen, dat dieren denken in hun slaap, zoals de mens. En denken in je slaap noemen we nu eenmaal dromen. Dat daarnaast voor sommige dieren de mogelijkheid bestaat om waarnemingen te doen in die slaaptoestand en daarbij ook een zekere uittreding bereiken, is niet zo gemakkelijk te constateren. Ik kan u verzekeren dat het voorkomt, maar niet al te vaak. Een van de gevallen, waarin we dat zien is, wanneer bv. een hond voor de vakantie in een kennel is ondergebracht. Hij slaapt eindelijk in en gaat dan terug naar zijn huis. Veelal begint hij daarna in zijn slaap wat te janken en wordt mistroostig wakker, want hij heeft de baas en de vrouw gezocht en niet gevonden. Dat is een van de meest voorkomende normale uittredingsdromen van dieren.

*  Is het ook mogelijk om in de sferen of in de astrale wereld dieren tegen te komen in hun uittreding of zelfs na hun overlijden?

Ja, dat is inderdaad wel mogelijk. Ofschoon u wel moet begrijpen, dat de gedachtewerelden van dieren en mensen aanmerkelijk verschillen, en ook het concentratievermogen, zodat een dier veel sneller vervaagt dan een mens, als ik het zo mag uitdrukken, en langzamerhand probeert terug te keren naar een materiële geborgenheid; wat dan voor het dier meestal de prenatale periode betekent. Maar het is een feit, dat dieren soms jaren lang blijven rondhangen op de plekken waar ze thuishoorden. Ze spoken dan misschien niet helemaal, maar een helderziende zal ze onder omstandigheden wel kunnen waarnemen. En daaruit blijkt dus reeds dat dieren een zeker voortbestaan hebben.

En dan moet ik proberen om natuurlijk niemand te kwetsen, maar wie weet wat u in vroegere levens bent geweest? Een os, een stier, een aap, een uil, een slang, een leeuw, een tijger, een insect misschien. Alle mogelijkheden bestaan, omdat de verschillende levensvormen die er aan deze aarde gebonden zijn behoren bij een en dezelfde geestelijke, ontwikkelingscyclus. Het gebeurt echter maar heel zelden ‑ dat zal ik erbij voegen – dat men incarneert in een lagere trap van mogelijkheden dan men in het vorig stoffelijke bestaan had bereikt. Het kan voorkomen, maar het is heel, heel zeldzaam.

*  En daardoor is er dus in Zomerland geen grote dierenrijkdom meer te zien dan alleen door onze eigen fantasieën?

O, er zijn heel reële mogelijkheden. Een ruiter bv. die van zijn paard houdt. Dat paard is doodgegaan en de ruiter sterft niet lang daarna, laten we zeggen binnen 5 á 6 jaar. Dan is de kans heel groot, dat ruiter en paard elkaar vinden en dat de binding daarvan zodanig is, dat het paard een langere tijd a.h.w. geestelijk gevormd blijft voortbestaan dan anders het geval zou zijn geweest. Dit komt, omdat de denkbeelden van de mens in dit geval het paard helpen zichzelf nog in stand te houden en een bewustzijn van zijn omgeving te behouden, ook al is dit meestal in die meester of meesteres geconcentreerd.

*  En is dit voor het dier ook een verdere ontwikkelingskans, doordat hij in een hogere sfeer zit dan hij normaal thuishoort?

Dat is geen kwestie van een hogere of een lagere sfeer. Dat is weer een fout die u maakt. U denkt: als je de lift naar beneden neemt, dan kom je eerst terecht bij de beestjes en daaronder zijn dan al die lage men­sen, waar we allemaal ver boven staan. Dit is niet zo. De dieren leven in dezelfde sferen, waarin de mensen leven. Maar de plaats die zij daar innemen, de belangrijkheid, wordt bepaald door het bewustzijn van de mens. Zoals de sfeer van die mens niet wordt bepaald door een ruimtelijk elders zijn, maar eenvoudig door een anders beseffen van de waarden, die in het geheel bestaan. En dat betekent dus, dat die baas in zijn eigen sfeer leeft en dat paard in zijn sfeer, maar dat ze het contact met elkaar ge­meen hebben. En dat is heel iets anders.

*  Houdt dit in, dat wezens van andere planeten niet op onze planeet kunnen reïncarneren, omdat ze uit een heel andere geestenwereld voort­komen?

Het houdt in, dat het vaak moeilijk is, omdat de emotionele ge­steldheid van de mens grotendeels vormend werkt ten aanzien van de geest. Als je dus behoort tot een andere wereld, dan zijn daar zodanig andere emotionele verhoudingen en situaties, dat er een moeilijkheid is met betrekking tot de beoordeling. Een incarnatie in een andere wereld is eigenlijk altijd een sprong in het duister, omdat je eerst moet leren de geestelijke waarden weer te associëren met stoffelijke betekenissen, voordat je daar meer bewust een incarnatie kunt kiezen. Het is meestal een zekere achteruitgang van je mogelijkheden. Daarom gebeurt het niet zo vaak, maar het is mogelijk. In noodsituaties, als bv. een planeet ten onder gaat, zien we automatisch dat de geesten van die planeet voor een gedeelte incarneren op een andere planeet. En dan is dat meestal een planeet, die zoveel verwantschap met de oorspronkelijke vertoont, dat men zich daar wel enigszins kan aanpassen. Maar het is een terug­val, die wel enige tijd blijft bestaan, voordat het ego zijn oude peil weer kan benaderen.

*  Is dit voor ons nog psychologisch herkenbaar?

Neen. Vorige incarnaties zijn voor u psychologisch niet herkenbaar. En dat is misschien maar goed ook. De mensen zijn zo al verwaand genoeg. Bovendien bespaart het menigeen de teleurstelling van een feitelijke her­kenning van zijn vroeger leven. Als je met mensen spreekt die gereïncar­neerd zijn, dan zijn ze allemaal tamelijk hoog: priesters, priesteressen, danseressen, grote kunstenaars, architecten, opperslaven, desnoods hof­meesters, farao’ s zijn er ook heel veel en indianenopperhoofden, radja’s. Maar van de gewone mensen hoor je niets; die incarneren niet bewust. Die willen het later kennelijk niet meer weten. Dus laten we ons daarmee niet teveel bezighouden. Als we over incarnaties spreken, kunnen we het heel kort formuleren: De incarnaties komen tot uiting in de eigenschappen van de geest, die door haar ervaringen en haar fouten is gekomen tot de keuze van de huidige incarnatietijd, ‑plaats en ‑mogelijkheid en haar eigen ontwikkeling mede ‑ althans binnen het kader van de erfelijke mogelijkheden ‑ heeft opgelegd. Als je dus droomt over vroegere bestaanswaarden, dan kan dat inder­daad met vorige incarnaties te maken hebben. Ik zou echter als ik u was daaraan maar geen conclusies verbinden en eenvoudig mijn leven leven, zoals dat op dit moment het best lijkt en volgens uw eigen ervaringen het meest juist is.

*  In het belang van onszelf.

In het belang van iedereen. Want vergeet één ding niet: Iemand, die zich beroept op zijn incarnaties, is een dwaas. Dat is iemand, die in de 5e klas zit, op zijn borst klopt en zegt: Ja, maar ik heb in de 3e klas gezeten. Dat doe je niet. Waarom zou je dat dan bij incarnaties wel doen? Een vriend van mij heeft eens iemand dodelijk beledigd, die in een dergelijke discussie uitriep. “Maar ik weet zeker, dat ik al voor de 300e keer ben geïncarneerd!” Waarop mijn vriend opmerkte: “Bent u dan nog niet verder gekomen?” Misschien tekent dat het best wat wij in dit opzicht kunnen zeggen.

Vrienden, we hebben het gehad over magie in de droom. Het woord “magie” wordt wel eens heel verkeerd verstaan en begrepen. Alles wat nu wetenschap is, is vroeger eigenlijk magie geweest. Geneeskunde was magie, chemie was magie enz. enz. En wat vandaag magie is, zal morgen weten zijn De droomwereld is een van de raakvlakken, die men in uw wereld heeft met een meer wetenschappelijke benadering zelfs t.a.v. de geeste­lijk een innerlijke wereld van de mens. En daarom is aan te nemen, dat men langzaam, maar zeker zal doordringen in die innerlijke werkelijkheid en dat men van de vaagheid en de pseudo‑wetenschappelijke omschrijvingen geleidelijk zal komen tot een definitieve erkenning, feitelijk constateerbaar met herhaalbare bewijzen en al wat erbij hoort omtrent de inhoud van de mens. Wanneer die inhoud is ontdekt, dan zal veel van hetgeen wij u vanavond hebben voorgelegd deel gaan uitmaken van de wetenschap en waarschijnlijk ook van de opvoeding van de mens.

Niets van het menselijk leven is nutteloos of hij moet het zelf nutteloos maken. Alles wat een mens heeft is bruikbaar, is zinvol en speelt ook een rol in zijn ontwikkeling. Geestelijk gezien dus ook in zijn bewustwording. Het zal u duidelijk zijn, dat het gebruikmaken van de verschillende mogelijkheden van de droom en van de bijna magisch lijkende resultaten daarvan in feite niets anders is dan een verdere ontwikkeling van het ego en daarmee van de mens. Dit is een tijd, waarin het magisch denken praktisch van alle kanten de mens gaat besluipen. Of hij wil of niet, hij leeft in een wereld, waarin de wetenschap teveel onzekerheden heeft geschapen en het bovenredelijke of het niet‑redelijke in de vorm van een zekere magie in de plaats moet gaan treden van de niet meer te verwerken strijdigheden van de z.g. kenners. Ik meen, dat zich dit ook in de droomwereld uit.

Ik weet dat in véle gevallen kunstmatige droomtoestanden zelfs zeer specifieke uitingen van deze tegenstellingen tot gelding brengen. Ik denk aan de eigenaardigheden, die voorkomen bij een LSD‑trip bv., maar ook aan de vreemde verschijnselen, die bij andere meer onschuldige roesvorming ontstaan. Ja, zelfs bij een lichtshow ontstaat er voor sommigen een werkelijkheidsvervreemding, waarbij ze in een soort droomtoestand komen. En dan blijkt ook daarin de conflictstof zeer hoog opgehoopt te zijn. Of u zich wilt ontwikkelen, dat moet u zelf weten. Maar ik wil niet besluiten zonder u enkele praktische tips te geven:

In de eerste plaats: Als u sterk gerichte en geconcentreerde gedachten heeft kort vóór het slapen gaan, zullen deze indrukken het grootste gedeelte van uw slaaptijd beheersen en daarbij zowel lichamelijk, mentaal als geestelijk bepaalde resultaten mogelijk maken.

In de tweede plaats: U heeft een eigen persoonlijkheid en een eigen denkinhoud, zoals u ook een eigen geestelijke inhoud heeft. Het is niet mogelijk zonder meer de inhouden van anderen over te nemen. Maar het is wel mogelijk om uw eigen inhoud zodanig te stimuleren, dat u anderen voor een groot gedeelte kunt begrijpen of aanvaarden. Wie streeft naar een beter begrip voor anderen en naar een samenwerking, kan vaak middels concentratie kort vóór het slapen gaan een aantal droombelevingen krijgen, waardoor hij tot een feitelijke oplossing van zijn problemen en zijn contactproblemen komt.

In de derde plaats wil ik opmerken, dat ‑ ofschoon ik u niet wil aanmoedigen om buitengewoon veel te gaan kijken wat er in de tijd zal gebeuren e.d. ‑ een bewust ontspannen van uw lichaam, gepaard gaande met een scherp omschreven doel (wederom als het kan kort vóór het inslapen) ten gevolge kan hebben dat uw onderbewustzijn problemen voor u oplost, zodat u de volgende dag oplossingen kunt vinden, die onbereikbaar schenen dat u daarnaast toegang krijgt tot een meer gemeenschappelijk bewustzijn (een soort projectie van het besef van velen) en ook van bepaalde geestelijke werelden.

In de vierde plaats wil ik u niet aanraden u veel met uittredingen bezig te houden. Indien dat voor u noodzakelijk is, ontstaat dat spontaan en u vindt dan zelf wel de nodige procedure. Ik wil u er echter wel op wijzen, dat in een droom altijd één zekerheid moet worden geschapen. Indien u in een toestand van verschrikking komt, dingen ontmoet die u niet meent aan te kunnen, zeg niet alleen tegen uzelf “ik ben wakker”, want dat helpt niet altijd. Maar probeer ‑ ondanks alles wat er gebeurt – voor uzelf een begrip op te bouwen: ik lig in die en die plaats, daar en daar in bed, zo zien mijn dekens eruit en waarschijnlijk snurk ik.

Indien u dat doet, valt de angsttoestand weg en u kunt zo angsten beheersen, die anders na het ontwaken lichamelijke uitputting en onaangenaamheden ten gevolge hebben.

Dan de laatste en misschien wel de beste tip, die ik u wil geven, is deze:

Zoek nooit in de slaap iets te verwerven dat verdergaat dan uw mogelijkheden of vermogens van formulering. Ga steeds uit van hetgeen u kent en begrijpt. U zult dan ‑ of dit geestelijk of anderszins geschiedt ‑ in de slaap meestal de aanvulling verkrijgen die noodzakelijk is. Gaat u uit van dingen, die u onvoldoende kent en begrijpt, dan zal het antwoord dat de droom u geeft altijd daaraan evenredig zijn: te vaag en onbegrijpelijk.

Het formuleren van uw wensen is belangrijk.

Verder: training om de droom te onthouden lijkt mij voor velen eveneens dienstig, ofschoon ook zonder dat de uitwerking van een droom en de zelfsuggestie vóór de slaap kenbaar kunnen zijn zowel aan de lichamelijke toestand, aan de mentale mogelijkheden als zelfs aan de geestelijke contacten.

Ik hoop, dat ik daarmee mag volstaan. Ik heb u een aantal richtlijnen gegeven, die ‑ indien u ze overweegt ‑ ondanks hun schijnbare vaagheid u een voldoend scherp inzicht zullen geven, zodat u zelf kunt experimenteren. En als u er tijd voor heeft en er lust toe gevoeld, waarom zoudt u het niet eens proberen? Een paar van die experimenten kunnen u vaak richtlijnen geven en aantonen op welke manier ook u gebruik kunt maken van de vele magische mogelijkheden, die gelegen zijn in de werkingen van de droom.