De magie van Tibet

image_pdf

26 februari 1965

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.

De Tibetaanse magie kunnen wij onderscheiden in twee verschillende richtingen: Allereerst kennen wij de Lamaïstische – Boeddhistische magie, welke tot op betrekkelijk grote hoogte kan stijgen. Daarnaast kennen wij de zogenaamde Bönn-magie. De Bönn is een vertegenwoordiger van het vroegere natuurgeloof, die zich heeft opgewerkt tot een soort tovenaar en wonderdokter. Hij maakt ook gebruik van boeddhistische riten, wanneer het hem zo uitkomt, maar zijn magie is in de eerste plaats gericht op de natuur, hij werkt in hoofdzaak met natuurkrachten. De magie van de lama’s houdt zich daarentegen veel meer bezig met demonen en geestelijke krachten.

Wij zullen nu eerst de werkwijzen van de Bönn-priesters nagaan. Deze gaan immers uit van het standpunt, dat met klanken alle krachten in de natuur in beweging kunnen worden gebracht. De magiër ziet alles als bezield en in staat tot reageren. Hij kan bv. de spreuken kennen – dus klanken – waarmede hij een berg kan ontstemmen en bewegen tot het doen ontstaan van steenregens enz. Andersom kan hij ook de onrustige natuur met spreuken tot rust brengen. In enkele opzichten doet zijn werkwijze wel wat denken aan die van sommige fakirs. Hij kent bepaalde klanken, die gebruikt kunnen worden om diersoorten aan te trekken of af te stoten.

Ofschoon de priesters zelf dit tegenwoordig niet alleen meer zullen beseffen, gaat men bij deze magie uit van de in alles aanwezige levenskrachten. Het eigenlijke geloof, dat tegenwoordig vol demonen en goden is, toont verwantschap met het oude hindoe geloof. De namen, waarmee goden en demonen worden benoemd, blijken functies van de natuur uit te drukken, terwijl ook bepaalde karmische en kosmische wetten een naam en een persoonlijkheid toegekend kregen.

Bij alle riten worden alle krachten en werkingen in de natuur als belangrijke persoonlijkheden beschouwd, terwijl vele van deze riten onmiddellijk herleid kunnen worden tot de wijze van werken, die de volkeren, die eens in de huidige Gobiwoestijn leefden, reeds perfectioneerden.

Ik vertel u dit om duidelijk te maken, dat, al is de Bönn, al is hij niet werkelijk geleerd en blijkt hij in wezen vaak meer een sjamaan te zijn dan een priester van een bepaald geloof, zijn kennis en gebruiken toch wel ontleend aan bronnen, die goed zijn. Bij het optreden van de Bönn-priesters is dus zeker niet alleen sprake van een volksbedrog, ook al zal bedrog bij de praktijken in de laatste eeuwen wel altijd enigszins een rol spelen. Het doel van de bij deze vorm van magie wel zeer rijkelijk gebruikte incantaties is het leggen van bepaalde levenskrachten in voorwerpen. Men gaat daarbij uit van de stelling: in alles is levenskracht. Ik kan dus ook mijn levenskracht in elk voorwerp leggen. Zo dit op voldoend krachtige en zuivere wijze geschiedt, kan de magiër kosmische en karmische wetten als stuwing gebruiken, door hen aan te roepen onder de namen, die zij als pseudo-persoonlijkheden dragen. Zo wordt bereikt, dat de uitgezonden levenskracht ook tot een bepaald doel kan voeren.

De bekende pijlmagie – waarbij men een pijl afschiet vanuit een gesloten tent of huisje, om daarmede een vijand dodelijk te treffen, die vele honderdtal kilometers verder woont, en daar inderdaad wel eens sterft, alsof hij door een onzichtbare pijl getroffen werd – berust op het bezielen van de stoffelijke pijl plus het projecteren van de levenskracht van pijl en magiër volgens wetten van oorzaak en gevolg. De offers, die bij dergelijke riten vaak te pas komen, hebben een zeer eigen vorm: Wij treffen daarbij de ronde pyramide of torenbouw aan. Een beeld daarvan krijgt men, wanneer men zich de ook in Bali bij offers voorkomende structuur voor ogen stelt. Deze vorm wordt gebruikt, omdat zij de uitdrukking is van de wijze, waarop de kracht wordt geprojecteerd. Ik perfecte bundel van een kleine schijnwerper kan men die zich ongeveer zo voorstellen. Het is een trechter, die een bepaald vlak treft, en daar licht kenbaar doet worden.

De magiër, die op bepaalde wetten of krachten inwerkt door zijn spreuken, doopt zijn torentjes met bepaalde namen en doopt ze soms zelf werkelijk door er vocht aan toe te voegen of ze met zijn speeksel te bevochtigen. Het vlak, waarop de projectie plaats vindt, wordt in vele gevallen weergegeven door de ondergrond, waarop het torentje wordt gevormd: soms uit hout – kostbaar in Tibet – papier, vooral een bepaalde soort Chinees rijstpapier of vlak geslagen aarde.

Met yakmest grift men tekens, die het doel moeten weergeven. Symbolisch wordt de kracht dus op deze tekens geprojecteerd, zodat met alle handelingen de Bönn eigenlijk zegt: Door mijn offer en het zenden van eigen levenskracht in een voorwerp of zelfs het beeld van een wet, kan ik de werking daarvan bepalen en zullen wet en voorwerp – zoal niet onmiddellijk en praktisch – als geestelijke kracht beantwoorden aan het doel en de voorstelling, die in mij leven.

Nu moet u niet denken, dat de Bönn-priester – zoals wel wordt gezegd – in Tibet een verachte of minder gewenste figuur was of is. Hij zal vaak optreden als dokter en in dit opzicht het qua resultaten dikwerf op kunnen nemen tegen de op dit terrein toch wel veel beter geschoolde boeddhistische priesters. Daarnaast zal hij als psycholoog vaak ook veel kunnen bereiken. Hij heeft een overwicht krachtens zijn magische begaafdheid, die hij gebruikt om voor zijn omgeving tot een soort vadergestalte te worden. Hij neemt dan ook in vele gemeenschappen de plaats in, die de psychiater in de westerse wereld pleegt in te nemen; bij hem kan men zijn zorgen uitpraten, hij geeft raad, inzicht en meer zelfverzekerdheid. Een groot deel van de gangbare tovermiddelen zou men zelfs kunnen beschrijven als een soort occulte homeopathie: Zij zijn in wezen niet veel anders dan voorwerpen, waarop de gedachte van de gebruiker geconcentreerd wordt en waaraan hij vertrouwen in zich en in eigen eigenschappen kan ontlenen. De liefdesdranken bv. zijn geen middelen om hartstochten op te zwepen – ofschoon de Bönn meestal ook dergelijke middelen wel verkoopt, maar eerder iets, waardoor men zich zeker gevoelen kan in het bijzijn van de geliefde. Hij schijnt daarbij uit te gaan van de stelling, dat men met enig zelfvertrouwen vaak heel veel op dit terrein kan bereiken en de praktijk schijnt hem daarin wel gelijk te geven.

De belangrijkste kunst van zijn magie heeft de Bönn gemeen met de anachoreten, de kluizenaars onder de lama’s: het bevelen van de elementen. Hij is bv. vaak in staat om wolken te doen komen of te doen afdrijven. In vele gevallen kan men stellen, dat dit vooral berust op ervaring en waarneming van de heersende tendensen. Er zijn echter ook van Bönn-priesters gevallen bekend, waarbij een onverwachte en in Tibet ook zeldzame regenval, die onaanvaardbare gevolgen dreigde te hebben, eenvoudig verdreef. Er gaat ook een verhaal van een Bönn die tijdens een reis met een karavaan in een sneeuwstorm terecht kwam en een cirkel trok rond de gehele stoet, waarop geen sneeuwvlok meer viel op een der reizigers of yaks. Ik citeer dit laatste letterlijk uit het verhaal. Overigens blijkt hieruit, dat men toch moeilijkheden had om zich te oriënteren, zodat het, wat dit betreft, althans niet zo goed afliep. Dit alles is echter wel voldoende om u een beeld te geven van de werken van de Bönn.

Moeilijker wordt het een omvattend beeld te geven van de Lama-magiërs. De Lama’s onderscheiden hun magie namelijk in vier soorten. Elke soort daarvan kan worden gezien als een specialisme, dat bijna een apart beroep is. Vergelijk? Een tandarts is geen goede veearts, een veearts zal niet de beste arts voor mensen zijn en een chirurg zal met psychologische kwesties vaak eigenlijk maar half raad weten. Op dezelfde manier zien wij onder de magiërs bij de lama’s een zeer sterk onderscheid, dat bovendien nog hiërarchische tonen in zich blijkt te bergen.

Allereerst hebben wij dan de necromanten, die zich bezig houden met het oproepen en bezweren van doden. Deze taak wordt onder de zwarte magie gerubriceerd en zal dan ook in Tibet door velen gelijktijdig verworpen en zeer gevreesd worden. Daarnaast bestaat er een groep, die zich specialiseert in het bezweren van demonen, een geheel ander en onder het volk ook veel meer gewaardeerd iets, waarbij wij mediumschap aantreffen. Hier tracht men onder  meer voorspellingen en verzekeringen af te dwingen aan demonen, waarbij de rite vaak een bijsmaak van afpersing heeft.

Een derde en nog hoger aangeslagen vorm van magie is de persoonlijke magie, welke berust op de z.g. onwerkelijkheid der materie. Beoefenaren hiervan treffen wij vooral onder de hogere ingewijde Lama’s. Deze kunst stelt hen tot vele vreemde dingen in staat. Zo zegt men van hen wel, dat zij in staat zijn een steen te nemen en alleen door hun wil daarvan tsjompe – een soort vleesmeel – te maken. Zelf zeggen zij: Ook het vleesmeel is misschien wel niet werkelijk, maar men kan zich er mee voeden. En zolang het maar voedt, kan ik de ene waan best door de andere vervangen. Zolang ik dit vervangen maar overtuigd genoeg doe, zal al wat ik stel, ook voor anderen waar zijn. De wonderen, die deze mensen doen, lijken nogal op de wonderen die wij in het Oude Testament vinden. Zij slaan bv. water uit rotsen, zijn zeer goede profeten en beheersen kennelijk telepathie zo bewust, dat men van hen wel zegt dat zij kunnen spreken in alle vreemde talen, zonder deze te leren of te kennen.

De vierde en hoogste trap noemt men “bereiking” en ziet men niet meer als feitelijke magie. Het is de hoogste vorm van zelfbeheersing en zelfkennis, waardoor bepaalde ingewijden hun persoonlijkheid bv. kunnen projecteren. Zij zenden een dubbel uit, dat zo concreet is in de ogen van anderen, dat zij daarmee op grote afstanden ook stoffelijk actief kunnen zijn. Dit geeft hen onder meer het vroeger wel zeer sprekende voordeel, dat zij in zeer korte tijd zeer grote afstanden schijnen af te leggen. In vele werken treffen wij uitvoerige berichten aan over de wonderen die dergelijke ingewijden tot stand wisten te brengen.

Allereerst zullen wij de zwarte magie ontleden. Bij de Tibetaanse necromantie gaat men niet, zoals elders wel het geval is, zonder meer over tot het bezweren van elke gewenste dode. Men heeft iets van die dode nodig, bij voorkeur zijn lichaam, een deel ervan of desnoods een bot. Om hun eigen scholing te citeren: Door deze delen van een stoffelijk voertuig te omhullen met een zeer sterke levenskracht ontstaat een uitstraling, die onmiddellijk door helderzienden kan worden waargenomen en al snel de gestalte aanneemt van degene die men op wil roepen. Zodra deze hul – men beschouwt de vorm dus als een ledig hulsel van bv. fijne materie – voldoende is opgebouwd, richt de magiër zijn aandacht op de wereld van de doden en zal in vele vormen en met machtige spreuken de dode zolang blijven roepen, tot hij met de vorm in contact komt.

Volgens hun magie gebeurt dit nogal snel, als de gelijkheid van het opgebouwde voertuig met het vroegere stoflichaam maar groot genoeg is. Dan – ik citeer zo letterlijk mogelijk – zal de ziel zich in het voor haar beroerde voertuig begeven en eenmaal daarin gekomen, gebonden zijn aan de wil van de magiër, die door zijn levenskracht het voertuig tot stand bracht. Dan kan men de gevangen geest dwingen zich zichtbaar te maken – hier zouden wij spreken van materialiseren – en zal hij op vragen antwoord geven. Dit laatste zullen wij in de Tibetaanse magie heel vaak aantreffen: Het antwoorden op vragen blijkt een van de belangrijkste delen van de officieel en openlijk beoefende magie te zijn.

In een ander geval gaat het de necromant vooral om het bewijzen van zijn macht, of het aantonen van de aanwezigheid van bepaalde krachten. Hiertoe maakt hij gebruik van de z.g. stenen tafel. Dit is een van boven afgeplatte grote kei, die in een soort kom van stenen wordt geplaatst, waarin eerst boter werd gedaan; dit vermindert de wrijving zover, dat het middenstuk, zij het dat hiervoor veel kracht nodig is, bewogen kan worden. Zoals men hier wel met kruis en bord werkt of via een code boodschappen door tafeldans probeert te ontvangen, zo werken zij nu met de stenen tafels. Hun stelling is: Wanneer wij allen onze aandacht en wil concentreren op de steen, zal deze met vele krachten geladen zijn en leven. Deze levende steen kan nu gebruikt worden om elke geest, ongeacht of hij wel of niet over een verder voertuig beschikt, te dwingen, vragen te beantwoorden door de steen te doen bewegen. Het gevaar bij deze vorm van magie is vooral wel de mogelijkheid, dat de geest leert de kracht, die men hem ter beschikking stelt, te beheersen en daarmede, ik citeer weer: deze kracht zal kunnen richten tegen degene, die haar heeft voortgebracht. In hun leerboeken merkt men dan ook hierbij op: Het is noodzakelijk, dat meerdere magiërs in deze proef samenwerken, omdat door de werkende geest de kracht slechts op één enkel object tegelijkertijd gericht zal kunnen worden, zodat de andere magiërs onmiddellijk zullen kunnen ingrijpen, de geest kunnen bedreigen en straffen.

Waarmede het geheel soms wel lijkt op een bewaarschool voor ondeugende geesten. Bij het werk van de necromanten speelt de stand van de sterren een – betrekkelijk kleine – rol. Men houdt zich wel met astrologie bezig, maar het is en blijft de kracht van de magiërs zelf, die bepalend is voor de gunstige momenten en de beheersing van degenen, die zij oproepen. Een van de meest bekende en meest griezelige stunts van deze magiërs is wel het laden van het lichaam van iemand die pas is overleden, met zoveel kracht, terwijl men met gezangen en tromgeroffel gelijktijdig een bepaalde sfeer schept, dat een geest in dit lichaam kan varen en dan het lichaam doen lopen. Zo een lichaam zal inderdaad zeer onbeholpen lopen en kan door het best worden voorgesteld als een mengsel van het monster van Frankenstein en de Golem.

Ergens op het verhoog, waarop dit plaats vindt, meestal voor de troon van de abt, die zich daar pleegt te bevinden, blijft het lichaam dan staan en spreekt. De vragen moeten worden gesteld voor het lichaam in beweging komt, zo luidt hierbij het voorschrift: Als de geest het lichaam eenmaal in beweging kan brengen, zal zij alle krachten en aandacht gebruiken om zichzelf te uiten. Vragen, die gesteld worden tijdens het proces van opladen en verzamelen van krachten zal de geest echter moeten beantwoorden.

Bij het oproepen van demonen speelt de astrologie wel een zeer belangrijke rol. Dit kan alleen op bepaalde dagen gebeuren, naar men aanneemt. U moet zich hier goed voorstellen, hoe deze mensen denken. Zij geloven, dat er demonen zijn, die bv. de oogst kunnen bederven of rijk kunnen maken. Zij menen, dat er krachten zijn waaraan men – evenals in Europa gedurende de middeleeuwen werd gesteld – je ziel kunt verkopen, maar die je ook kunt vangen en dwingen om bepaalde wensen in te willigen. Er zijn zelfs bepaalde demonen, die zeer kwaadaardig zijn.

Wanneer men een dergelijke duivel gevangen kan nemen en houden, zal hij geen kwaad kunnen doen. Maar in het laatste geval zouden de bezweringen kunnen verzwakken en zou de demon een uitweg uit zijn gevangenis kunnen vinden. Daarom zal men dergelijke demonen steeds weer voor een ogenblik vrijlaten, om hen onmiddellijk daarna opnieuw gevangen te nemen. Deze wijze van handelen doet denken aan de recherche, die aan de poort van de gevangenis staat om een misdadiger, die ontslagen wordt, onmiddellijk weer voor een volgend strafbaar feit in hechtenis te nemen.

Het tijdstip, waarop dergelijke plechtigheden plaats vindt is afhankelijk van het jaar – dit heeft een eigen naam, zoals wij dit ook bij de Chinese astrologen zien -, het verloop van de seizoenen in dit jaar plus de stand van de planeten t.a.v. een aantal sterren. Ook de stand van de Grote en de Kleine Beer t.a.v. enkele andere vaste sterren aan de hemel – de richting – speelt een rol. Wanneer het juiste ogenblik is aangebroken, zien wij het ritueel beginnen met dansen, die een zich vereenzelvigen met bepaalde krachten moet uitdrukken. De strijd tegen de demon wordt dan ook uitvoerig tot uitdrukking gebracht. De demon zelf wordt dus getoond. Deze wordt omsingeld door goede krachten. Hij ontvlucht, wordt weer omsingeld enz. Aan dergelijke dansen, die vaak meerdere dagen duren, nemen honderden monniken deel. Deze prachtige vertoningen, die vele pelgrims plachten aan te trekken, vinden in bepaalde kloosters plaats, die voor die gelegenheid met alle pracht worden aangekleed. Er is bv. een klooster, waar men beschikt over een tapijt, waarop enkele demonen zijn afgebeeld en 12 m 40 bij 17 m 85 meet. Voor het begin van de plechtigheden wordt dit naar boven gedragen en over de muur, die rond het klooster ligt, uitgespreid. Daarna wordt er geslagen op gongs, trommen en blaast men op instrumenten, die doen denken aan een oude bazuin of gelijken op een midwinterhoorn.

Dezen zijn veelal uitgevoerd in brons en eveneens van wonderlijke en prachtige versierselen voorzien. Het klinken van deze muziek betekent, dat de pelgrims tot het klooster worden toegelaten. Onmiddellijk daarna begint de dans.

Ondertussen gaat voor een aantal voorname monniken met magische scholing in het klooster ook een vertrek, dat meestal dicht gemetseld is, openen. Hierin bevindt zich een beeldje, dat in een kist of kooi zit en vaak ook nog met doeken is omwikkeld of overdekt. Hierin bevindt zich dan, zo stelt men, de demon. Na de nodige riten en bezweringen wordt het beeldje naar buiten gebracht. Zolang de dans echter nog niet is gevorderd tot het punt, waarop de demon gevangen zal worden genomen, blijft men bezweringen mompelen, zodat de demon zich niet kan bevrijden. Staat degene, die hem uitbeeldt, echter op het punt de nederlaag te lijden, dan wordt de kooi geopend, doeken worden weggenomen en vaak wordt zelfs het hoofd van het beeldje -daartoe los uitgevoerd – eveneens weg genomen. Het beeldje is dan hol en zal uit goud of koper zijn gemaakt. In andere gevallen bevindt zich in het beeldje een opening, welke ontsloten kan worden.

De demon is nu dus vrij. Hij ziet echter zichzelf, de maskerdanser. Getrokken door de gelijkenis, zo stelt men, doet de demon niets anders dan in zijn evenbeeld varen. Nu echter wordt de danser – en vaak niet bepaald zachtzinnig – gevangen genomen. De demon kan alleen vluchten, wanneer hij in een andere mens, die nog vrij is, kan varen. Want eerst, wanneer zijn voertuig vrij is, kan hij dit zonder meer verlaten. Hierop rekent men. Er bevindt zich een apart medium in de buurt, dat door krampen bevangen wordt en vaak als uiting begint te dansen, zo de dans van de maskerdanser in feite voortzettende. Rond het medium staan echter magiërs, die nu spreuken beginnen te mompelen, zo de geest gevangen houdende en voorkomende, dat het medium zichzelf kwaad zal doen. Het brengt zich vaak in deze periode bloedende wonden toe.

Na enige tijd echter kalmeert het: De demon beseft, dat hij niet ontkomen kan. Men stelt nu vragen. Vaak ook spreekt het medium zonder dit. De woorden klinken echter in een oude taal, die door het volk en de andere priesters niet, door de aanwezige magiërs wel wordt verstaan. Zij vertalen de antwoorden dan vaak voor het volk. Men vraagt de demon vaak bepaalde dingen te willen doen en belooft hem, zo hij woord houdt, bepaalde offers te brengen, die niet alleen voedsel zijn, maar door de essentie daarvan, hij enige mogelijkheid krijgt iets van zijn vrijheid terug te winnen.

Je zou kunnen zeggen, dat de demon in een gevangenis zonder vensters zit opgesloten, doch dat de offers tijdelijk een soort getralied venster voor hem maken, waardoor hij alle land kan overzien, zonder echter zijn vrijheid van handelen terug te krijgen. De traditie wil, dat de demon dergelijk voorstellen haast altijd aanneemt. Is dit het geval, dan worden contract en profetieën vaak nog weer aan een raad van wijzen in een ander klooster voorgelegd. In vele gevallen doet men een beroep op werkelijke ingewijden – die dus behoren tot de vierde klasse van magiërs.

Dezen interpreteren contract en voorspelling – welke vaak wordt overgebracht door zeer snel lopende boden of gelumpa’s. Hun oordeel en interpretatie is dan geldig voor het betreffende gebied, maar omvat meestal ook de betekenis daarvan voor het gehele land. Deze uitspraak wordt teruggebracht naar het klooster, waar de plechtigheid plaats vond en daar – zover men dit wenselijk acht- aan de gelovigen verkondigd. Alles hij elkaar duurt een dergelijk dansfeest dan ook wel een maand tot 6 weken. Een groot deel van deze tijd is echter gewijd aan handel en vermaak. De eerste fase, de demonendans, duurt 3 tot 6 dagen, de verkondiging, de tweede fase, duurt langer: 6 tot 14 dagen. Ofschoon dit een omgekeerde verhouding lijkt, is dit toch wel te begrijpen, wanneer men zich realiseert, dat alle wijze monniken in het klooster het hunne te zeggen hebben over de voorspelling en haar betekenis in een haast eindeloze reeks van samenkomsten, die vaak in een debat ontaarden.

Ik gaf u een voorbeeld van de meest plechtige wijze, waarop deze vorm van magie daar beoefend wordt. Maar men hoeft zich niet voor te stellen, dat men alleen voor de grote demonen dergelijke magische krachtsinspanningen doet. Om een demon te kunnen overwinnen, mag men zelf geen angst voor dit wezen koesteren. Het is dan ook gebruikelijk, dat degenen, die tijdens het noviciaat zich eens per jaar – in sommige gemeenschappen eens per seizoen – eenzaam in het duister begeven, zich daar als offer, voedsel aan de duivels en demonen aanbieden. Dat men deze wijze van optreden aanvaardt volgt waarschijnlijk uit de goedheid, die door de Boeddha immers wordt aanbevolen als een van de meest belangrijke paden tot bereiking; maar in het begrip van de Lamaïstische magiërs geldt daarbij nog iets anders: wanneer de demonen niet in staat zijn hem te verslinden, is hij kennelijk de sterkere. De demonen worden geroepen en zullen zeker aanwezig zijn. Indien zij zijn angstloos voor het duister dus niet aangrijpen om hem te vermoorden, tonen zij angst voor hem. Hij is voor hen een groot en machtig heer, die men niet kan aantasten, zodat hij door de procedure in wezen zijn gezag over de demonen bevestigt.

Het laatste wordt niet openlijk toegegeven, maar is een feitelijk deel van het werk, waarvoor immers zelfvertrouwen een van de belangrijkste voorwaarden is. Iemand, die dit kan, zal ook een mens die in nood verkeert en steeds weer door ongeluk wordt achtervolgd, hulp geven.

Wanneer men hem zegt, dat men vreest door demonen achtervolgd te worden, zal hij glimlachend de prijs noemen van zijn werkzaamheden en, zodra men tot overeenstemming gekomen is daarover, zijn eigen “demon”, oproepen. De magiër doet dit door middel van reukwerken plus vaste formules, die gevolgd worden door zijn eigen en geheime incantatie, die hij nooit aan iemand zal mededelen of laten horen. In enkele gevallen zal degene, die raad zoekt, zelf de geroepen demon zien. Meestal echter ziet men alleen de rook van het vuurbekken en de magiër, die tegen iemand in die rook schijnt te praten en antwoord ontvangt. In vele gevallen schijnt men wel degelijk over grote machten te beschikken. Zo gaat er een verhaal, dat een belangrijk lama eens zo boos was op de hem dienende demon, dat hij een bepaalde vloekformule over deze entiteit uitsprak. Daarop klonk een kreet, die door het gehele klooster gehoord kon worden – in die tijd een klooster dat altijd nog 1200 tot 1500 bewoners placht te hebben – terwijl even later het dak van het huisje, waarin de bezwering plaats had gevonden, in de lucht werd geworpen en stenen links en rechts door de straatjes van het klooster vlogen. Of een dergelijk verhaal geheel waar is, durf ik niet te zeggen. Het is een overlevering. Wel weet ik met zekerheid, dat men op de omschreven wijze bepaalde dienende geesten op kan roepen.

Opvallend daarbij is, dat in de meeste gevallen de dienende geesten voor zeer bepaalde functies bestemd zijn. Sommigen daarvan dienen de magiër als ogen: Zij worden bv. uitgezonden om na te gaan, of er inderdaad sprake is van een demon, die degene, die om hulp vroeg zou kunnen achtervolgen. De “ogen” brengen daarover bericht en zullen de magiërs duidelijk maken, wat voor demon wel werkzaam is en wat gedaan zal moeten worden om deze te verdrijven. Andere dienende geesten noemt men “oren”. Dezen worden uitgezonden om na te gaan, of er misschien mensen zijn, die alle tegenslag zouden kunnen veroorzaken. Men noemt hen “oren”, omdat zij hun meester in staat stellen alles wat in een bepaald verband gesproken wordt onverschillig waar en op welke afstand, te vernemen. Een derde vorm van dienende geesten noemt men de handen. Zij worden uitgezonden om op verschillende plaatsen stoffelijke ingrepen tot stand te brengen. U moet hierbij niet denken aan grote dingen, maar bv. aan het verplaatsen van een steen, het wegnemen van een bepaald voorwerp, het over grotere afstanden transporteren van kleinere voorwerpen e.d. Zover ik na kan gaan, zijn er vele magiërs, die een aantal oren, ogen en handen bevelen. De aantallen van deze dienende geesten verschillen van magiër tot magiër echter te veel, om ook maar bij benadering het normale aantal dienende geesten van de demonen bezweerders te geven.

Wanneer de bezweerder eenmaal weet, dat in een bepaald geval inderdaad sprake is van het optreden van een boze geest of demon, is zijn eerste werk een horoscoop te maken. Deze vertelt hem, op welk ogenblik alle krachten, die aan de te bestrijden geest tegengericht heten te zijn, op de aarde in zullen werken. Op het aangegeven uur tekent hij – meestal op de grond – een geheimzinnige figuur, een soort diagram. In enkele gevallen strooit men deze figuur uit met een mengsel van meel en zout, maar dan moet er ook heel wat betaald worden voor de bezwering. Daarna volgt een offerdienst, waarbij o.m. thee, water, boter en bepaalde vruchten – vaak in gedroogde vorm – worden aangeboden aan bepaalde machten. Dan wordt de schuldige demon aangeroepen en, gedreven door de krachten van het diagram plus de invloed van de sterren, kan men er verzekerd van zijn, dat hij na enig roepen ook zal verschijnen. Hij wordt dan onder bedreigingen gedwongen zijn slachtoffer voortaan met rust te laten. In vele gevallen voegt de magiër er echter aan toe: “Mijn cliënt moet je voortaan met rust laten. Indien je mij hierin echter gehoorzaamt, zal ik je vrij laten en kun je naar believen alle andere mensen – uitgezonderd hier in het klooster – plagen naar believen.” Wat weer een eigenaardig licht werpt op de mentaliteit van deze magiërs. Deze demonen bezweerders staan in hoog aanzien en worden met alle respect, verschuldigd aan grote en machtige heren, bejegend. Men neemt aan, dat zij immers via hun demonen eenieder, die hen niet bevalt, onheil in overvloed kunnen sturen.

De belangrijksten onder de magiërs van Tibet zijn wel degenen, die men hier werkelijk wel meesters of ingewijden zou noemen. De anderen werken met geesten, door middel van de kracht van geesten en beroepen zich op de krachten, die schuilen in klanken, voorwerpen enz.

De ingewijden echter kennen geheel andere stellingen. Hun motto luidt:

“Alle, door ons gekend bestaan, is illusie. Omdat alle bestaan een illusie is, zelfs indien ik mij daarvan nog niet geheel kan ontdoen, zal elke vorm in dit bestaan eveneens een illusie zijn. Ik zal dus door eigen denken de waarden van de illusie kunnen veranderen.”

Dit is de kern van hun leringen. Deze meesters / magiërs oefenen zich vooral in zelfkennis en zelfbeheersing. In tegenstelling met andere magiërs in Tibet zullen zij geen spreuken, incantaties en bezwerende gebaren gebruiken: Zij denken slechts. Wanneer een dergelijke meester denkt, gaat van hem een kracht uit. Men spreekt van de kracht van zijn ogen. Wij echter, die een derde oog niet als iets normaals beschouwen, zullen beter doen met te spreken van een uitstralen van krachten via het voorhoofdschakra. Door deze kracht op de materie te richten, terwijl in hem een vaste voorstelling bestaat, zal de magiër alles, wat hij met de kracht beroert, kunnen veranderen in iets anders. Hij kan dus van stenen brood maken, van een beurs een steen, of van een steen een beurs maken – tenminste, in de ogen van anderen. Zijn sterkste punt daarbij is dus wel, dat hij anderen zo sterk kan doen leven in de illusies, die hij oproept, dat voor hen alles, wat daarin, geschiedt en bestaat, geheel waar is. Om een voorbeeld te geven: De meester kan geestelijk vliegen. Lichamelijk zal hij dit, gezien de grote inspanningen, die het met zich brengt, niet al te vaak doen. Wanneer hij nu echter een ander lichamelijk wil transporteren over enige afstand, zal hij beginnen de ander duidelijk te maken, dat hij, de meester, vliegen kan. Hij demonstreert het. Daarna zal hij de ander, alleen door hem aan te raken, met grote snelheid verplaatsen. Hierbij maakt hij gebruik van de krachten van denken en geloof in de ander. Vaak wordt dan ook de actie met bepaalde plechtigheden verbonden, bv. het herhalen van het woord Aum, een steeds weer murmelen van het “Om Mane Padme Hum” of iets dergelijks.

De meester heeft verder de mogelijkheid de gedachten van elke mens te lezen, die niet geschoold is in een zich afsluiten. De magiër stelt hier vaak, dat alle gedachten van een mens reëler zijn dan zijn stoffelijke vorm en de uiterlijke waarden van zijn wezen, zodat deze gedachten voor de bewuste ook duidelijker zichtbaar moeten zijn dan de uiterlijkheden.

Wanneer men niet naar het uiterlijk ziet, maar zich concentreert op het innerlijk, zal men de gedachten van alle mensen dus kunnen zien, zo stelt men. En wat meer is: men zal eigen gedachten ook in die ander kenbaar kunnen maken, zodat hij “verstaat” wat naar hem wordt uitgezonden. Wij horen in dit verband vaak, dat een meester op grote afstand tot zijn leerlingen spreekt, dat hij vreemdelingen ontmoetende, dezen schijnbaar altijd in hun eigen taal te woord staat en meer van dergelijke wonderen, die door een absolute beheersing van telepathie, zowel lezende als zendende, verklaard kunnen worden.

Toch is de telepathie een van de weinige delen van de magie, die nu nog regelmatig beoefend wordt. In Tibet zelf, dat meer en meer tot werkelijk deel van Rood China wordt gemaakt, is alle magie verboden. Men kent tegen deze wetten nog wel veel verzet en magiërs zijn er dan ook nog wel, ofschoon zij heimelijk plegen te praktiseren; maar ingewijden, meester magiërs zijn er maar weinig meer. Wel zijn er nog enkele profeten en wijzen overgebleven, maar hun wijze van leven en werken verschilt veel van de oude weg. Sommigen van hen wisten zelfs in China zelf zich een plaats te veroveren en maken daar zelfs wel deel uit van het normale leven. Zij zijn praktisch de enigen, die nog als vanouds bepaalde profetieën uiten. In Tibet zelf is de magie echter vergaan. De eens zo machtige Bönn kan slechts in het verborgene nog zijn werk uitoefenen. De lama’s zullen vaak vervolgd worden en zullen, zo zij magisch begaafd zijn, hun angst voor de machthebbers moeten overwinnen, voor zij de angst voor de demonen zelfs maar ritueel durven overwinnen. Opvallend in dit verband is, dat het gebruiken van demonen tegen de invallende Chinezen, iets wat indertijd werkelijk wel succes had, niet meer voorkomt. Kennelijk is deze wijze van bestrijden niet meer te gebruiken of niet meer werkzaam, sinds de laatste “meesters van het geheime pad” zijn weggetrokken.

Het voorgaande geeft ons, naar ik meen, wel een overzicht van de magie, zoals deze bestond – en deels nog bestaat – in Tibet.

Vragen

  • Waar zijn die meesters van het geheime pad heen gegaan?

Deze ingewijden vertrokken grotendeels in het geheim naar Z. Amerika, dat een nieuw brandpunt van geestelijke krachten is en tevens een gebied, waar de omvormingen, die voor de toekomst noodzakelijk zijn, sneller hun beslag zullen krijgen dan elders. Hun voornaamste vestiging ligt in het noordelijke deel van de Andes.

  • Veel van wat u beschrijft is sympathische magie. Ook andere procedures klinken

Alle werkelijke magie zal aan vaststaande magische wetten beantwoorden. Want magie is niet alleen maar een verzameling van plaatselijke bijgelovigheden en gebruiken. De kern van alle magie is wel degelijk een wetenschap, ook al erkent men dit op het ogenblik niet meer. Wat weer betekent, dat over de gehele wereld de grondstellingen van de magie in wezen gelijk zijn en dus ook de gevolgde werkwijzen grote overeenkomst zullen tonen, wanneer wij de uiterlijkheden terzijde stellen. Vroeger was het geloof aan magie algemeen. De beoefening van de magie was echter nimmer algemeen, omdat aan de beoefenaars van de magie nu eenmaal, zowel wat beheersing, leefwijze, zelfkennis en moed als in kennis eisen worden gesteld, waaraan slechts weinige mensen geheel kunnen beantwoorden.

Nu wil ik kort nog iets vertellen over de achtergronden van de magie. De kern van deze leringen en werkwijzen is altijd weer de stelling, dat er niet slechts het heelal en de wereld bestaan, zoals de mens dezen kent en ziet, maar dat er reeksen van afzonderlijke werelden bestaan, die meestal 1 of 2 dimensies met elkaar gemeen hebben. Er is echter steeds een dimensie, die grondig van de omliggende werelden verschilt. Deze werelden, heelallen, of sferen, zijn met elkander zodanig verbonden, dat men, door het in de juiste richting verschuiven van een enkele waarde van eigen wereld, tijdelijk eigen wereld en de andere wereld in elkander kan laten overgaan. De gehele magie berust op het doen één worden van twee verschillende werelden voor een kort ogenblik, waarbij dan verder een door de magiër beheerste uitwisseling van krachten, mogelijkheden én gegevens tussen die werelden optreedt.

Punt twee: In de magie gaat men verder uit van de stelling, dat elke voorstelling, die tot op zekere hoogte gelijk is aan de werkelijkheid, beschouwd mag worden als gelijk daaraan of een vervanging daarvan. U noemt dit sympathische magie. Wanneer de overeenkomst van wezen – niet vorm dus – 47 op 50 delen bedraagt, kan al datgene wat aan de voorstelling veranderd wordt, beschouwd worden als een dwang tot verandering, die werkzaam wordt in de werkelijkheid. Naarmate het bewustzijn van anderen meer in staat is die dwang te beseffen en op te vangen, zal de verandering sneller een feit worden. Bij de Tibetanen had men het voordeel, dat praktisch iedereen in magie geloofde. Bij andere primitieve volkeren als de negers zien wij hetzelfde: Door hun geloof zijn zij voor alle werkingen daarvan zeer gevoelig. Deze gevoeligheid berust op het erkennen van de drang als een kenmerk van magisch werken. Wij kunnen vele van de eigenaardige verschijnselen, die bij magische werkingen voor kunnen komen, wel wegverklaren als zijnde psychologische werkingen en psychische beïnvloedingen.

Dit is wel waar, maar toch schuilen er vaak factoren in, die men met de moderne kennis en inzichten niet weg kan verklaren. Het is namelijk gebleken, dat iemand, die gevangen zat en dus reeds maanden van eigen volk was afgezonderd, daarbij geen contact hebbende met anderen dan zijn medegevangenen, wist op een bepaalde dag te vertellen, dat hij werd aangevallen door een bepaalde magiër. Op zijn verzoeken werd dit aan stamverwanten van hem medegedeeld, en omdat hij ziek en neerslachtig was, stond men hem het verzenden van deze mededeling uiteindelijk toe. Kort daarop verongelukte de magiër, die hij als zijn aanvaller had genoemd. De man, die op dat ogenblik in een ziekenhut lag, afgezonderd was van iedereen, lijdende aan uitputting, zenuwtrekking en een eigenaardige blaarvorming, deelde dit zijn bewakers mede.

Korte tijd daarna was hij weer gezond. De dood van de magiër werd geverifieerd. Niemand kon echter verklaren hoe en langs welke weg de gevangene had vernomen, dat de tovenaar dood was. Dit gebeurde in het bovenstroomgebied van de Congo. Ik geef dit verhaal om duidelijk te maken, hoe sterk en geheimzinnig de invloed van magiërs kan zijn in gebieden, waar men algemeen in hun macht gelooft.

In Tibet bestond een dergelijke situatie, zodat inwerkingen, zoals door mij beschreven werden, veelvuldig voorkwamen. Zelfs een Bönn, die gedachten projecteerde zonder daaraan de macht van sommige andere magiërs toe te kunnen voegen, kon er verzekerd van zijn, dat anderen deze uitstraling van gedachten aan zouden voelen en daar vatbaar voor zouden zijn.

Degene, die de inwerking voelde, beantwoordde vaak ook zonder verdere ingrijpende geesten of demonen, aan de hem zo gegeven suggestie. Dit verklaart tevens, hoe wij in dergelijke gebieden steeds weer geconfronteerd worden met het afdwingen van bepaalde handelingen, het inwerken op anderen, berichtgeving zonder kenbare overbrenging enz.

Ten derde heet in de magie het volgende van groot belang te zijn: Alles, wat op aarde groeit, bloeit, leeft, behoort tot het rijk van bepaalde krachten of meesters. Sommigen daarvan zijn goed, engelen, waarover wij zouden spreken als dienaren en meesters van de stralen; in andere gevallen zal de meester van een bepaalde ontwikkeling, een bepaalde soort van een demon kunnen zijn. Sommigen in het Westen zouden hier waarschijnlijk willen spreken over “de hoeders van de slang”. Wanneer de magiër gebruik maakt van de bloemen, sappen, weefsel, die onder een bepaalde meester vallen, zo mogen zij in zich giftig zijn, maar het contact met de meester maakt het mogelijk de werking te versterken of tijdelijk weg te nemen. Men kan de wil van de meester uiten door gebruik te maken van hetgeen, dat onder zijn gezag valt e.d. In de praktijk zien wij, dat magiërs op deze wijze spijzen weten te bereiden, waarvan 20 mensen zonder schade kunnen genieten naar believen, terwijl een enkele mens, die van ditzelfde gerecht eet en onder de doem staat, daarvan ziek wordt of daaraan sterft. Vandaar ook, dat sommige magiërs regelmatig een proeve van bekwaamheid afleggen, door zeer giftige stoffen tot zich te nemen, zonder dat deze hen kunnen schaden. Hierdoor bewijzen zij hun gezag over, of verbondenheid met, de beheerser van deze giftige stoffen. Bij Goena-Goena e.d. treffen wij ongeveer gelijke proeven aan. In Tibet had men het echter verder gebracht met het beheersen van natuurgeesten, welke aansprakelijk kunnen worden geacht voor verschijnselen als het zenden van doodsboden, een gebruik, dat zelfs nu nog zeer vaak gebruikt wordt in Mongolië. Daar het oorspronkelijk een praktijk van de sjamanen was, mogen wij zelfs aannemen, dat vanuit het noorden deze praktijk Tibet is binnen gedrongen.

Een regel, die eveneens in Tibet zeer intens werd gebruikt, doch ook elders in de magie onder verschillende vormen zeer bekend is, luidt: Alles, wat in mij leeft als een voor mij volledige werkelijkheid, zal ik daardoor ook buiten mij tot werkelijkheid maken. Dit berust op het domineren van de geest, die uiteindelijk meester is over alle stof. Op grond hiervan zegt men ook, dat het uiterlijk van een mens steeds weer zijn innerlijke toestand weer zal geven, wanneer deze innerlijke toestand maar volledig is en enige tijd gelijk blijft. Wie zich schuldig gevoelt, of zich gebonden meent te weten aan bepaalde demonen, zou volgens deze stelling in zijn gelaat en lichaamsvormen tonen, waaraan hij zich schuldig acht, en de uiterlijke kentekenen van de demon, waaraan hij gebonden is of zich gebonden denkt, weergeven. Hoe vreemd en onzinnig veel hiervan de westerse wereld in de oren moge klinken, zij, die bewust gebruik maakten van dit alles wisten daarmede resultaten te bereiken en niet alleen maar bij domme inboorlingen, die aan hun macht geloofden. Zij waren wel degelijk in staat in de natuur feitelijk dingen tot stand te brengen en bv. een overstroming op te roepen of af te wenden, sneeuwval en zelfs wel kleine aardbevingen op te roepen. Het hoe en waarom van dit alles zal de westerling ontgaan, het feit, dat er vreemde dingen worden gepresteerd, is echter geconstateerd. Zelfs het gebeuren van schijnbaar onmogelijk dingen werd meerdere malen zonder enige twijfel vastgesteld, terwijl men alle trappen van de werkwijze kennende, deze effecten niet kon reproduceren.

Een bekend voorbeeld van dit laatste was het onderzoek naar de immunisatie tegen slangengif, welke de bosnegers gebruikten. Men heeft het daarvoor gebruikte mengsel ontleed en een chemisch product vervaardigd, dat daaraan – chemisch – geheel gelijk was. Dit had geen resultaat; men maakte daarna het mengsel uit de oorspronkelijke bestanddelen, doch zonder de nodige bezweringen- die men niet kende – daarbij uit te spreken. Geen resultaat. Nadat het laatste mengsel door een wonderdokter of medicijnman was behandeld, bleek het opeens werkzaam te zijn. Ofschoon de onderzoekers de veronderstelling uitten, dat de man in het geheim een verder bestanddeel toevoegde aan het mengsel, verklaarden zij, dat zij het mengsel niet uit het oog hadden verloren en slechts hadden kunnen constateren, dat de man het, terwijl het boven een vuur verwarmd werd, met gezangen en magische gebaren had behandeld. In Tibet heeft men dergelijke proeven met de magie niet kunnen nemen. Het land was te zeer afgesloten, de magie was te zeer deel van de staatsgodsdienst. Ofschoon dit aan een zijde bijdraagt tot de vorming van niet te controleren legenden, kan aan de andere kant worden gesteld, dat de elementen der magie, die elders optreden, zeker ook in Tibet in rijke mate aanwezig waren, waarbij het bestaan van waarden, voorschriften en spreuken uit de oudheid niet vreemd zal zijn.

In de magie spelen dergelijke waarden uit het verleden steeds weer een grote rol. Voorwerpen uit de oudheid, als instrumenten en boeken, waren in een volk, dat de magie als deel van zijn omgeving en leefwijze had aanvaard, buitengewoon belangrijk. Zij waren dus niet alleen geladen met de werkingen en overleveringen uit het verleden, maar werden voortdurend doordesemd door de levende kracht van het heden, die de krachten van het verleden in stand hielden en zelfs versterkten. In Tibet beschikte men over vele oude en zeer oude boeken en instrumenten. Ofschoon dezen steeds weer gekopieerd werden, bewaarde men de oude geschriften steeds vol eerbied en raakte elke kopie daarmede aan, om zo de “kracht te doen overgaan” in de kopie. Zowel in de Potala als in andere kloosters en kloostersteden bezat men vele schatten uit de oudheid, die ook voor de magie gebruikt werden. Misschien kunnen wij hier zelfs spreken over gevoelselementen uit het verleden, die zich in modernere tijden zo kunnen manifesteren. Het resultaat is, dat voor degenen, die de juiste geaardheid en gevoeligheid bezitten, het beoefenen van de magie aanmerkelijk eenvoudiger en gemakkelijker is geweest, dan voor de magiërs in andere landen.

In Tibet werd eenieder, die zich magiër noemde, met voorzichtige eerbied ontvangen. Maar als het er op aankwam, kon men die eerbied alleen blijvend eisen, wanneer men ook leefde als een magiër. Om een voorbeeld te geven: een Bönn-priester dient elke 28 dagen t.m. 3 dagen achtereenvolgend te vasten. Zou hij dit niet doen, dan zou niemand in hem geloven, of hem eerbied betonen. Hij moest immers over een ijzeren zelfbeheersing beschikken. Zonder deze zou hij nooit een goed en machtig magiër kunnen zijn. Het maken van een horoscoop zal voor iedereen met enige kennis wel mogelijk zijn, maar om dit juist en met kracht te doen, moest men, volgens de Tibetanen beschikken over grote geestelijke concentratie, lichamelijke beheersing, een goed geheugen, kennis, en diende men zich op bepaalde gebieden ook onthoudingen op te leggen. Eerst dan zal men de horoscoop op geestelijk en magisch juiste wijze kunnen interpreteren en zal de zo gegeven raad dus ook juist zijn. Zowel in de rode als de gele kloosters gold als regel, dat een goed magiër ofwel geheel geen seksuele contacten mocht kennen en de zo gewonnen krachten geheel in zijn magie zou moeten zenden, daarbij zich verder op bepaalde wijze oefenende, dan wel zich, om tot een hoogtepunt van beheersing te komen, zich zou moeten uitleven en tot uitspattingen komen. Roes en seksualiteit speelden in deze tweede methode een grote rol. Ondanks dit werd ook deze magie als wit, als goed, beschouwd, zolang men daarmede niet de dood en het nadeel van medemensen nastreefde. In beide gevallen diende de magiër geheel volgens zijn riten te leven en mocht hij zich geen schrede van het voor hem gebruikelijke pad verwijderen, zonder daarbij gelijktijdig alle respect in te boeten.

Magie was voor de Tibetaan – en is in wezen – niet een middel om gemakkelijk te leven. Het is een scholing, waardoor men zich macht verwerft en deze door voortdurende inspanningen kan behouden. Om te zijn als de ingewijden, zou men bv. minstens 3 maanden per jaar in absolute eenzaamheid moeten doorbrengen, zonder in deze tijd ook maar een ogenblik liggende te rusten en daarbij zich met uiterste eenvoud voedende. De voorkeur had hierbij – maar dit was dus geen noodzaak – een grot op grotere hoogte gelegen, waar de winden uit het westen toegang hadden.

Dit lijkt misschien zeer overdreven. Maar dergelijke oefeningen en een dergelijke leefwijze zijn werkelijk nodig, om het nodige inzicht en de nodige beheersing te kunnen verkrijgen en behouden. De mensen van Tibet, met al hun bijgeloof, zijn nog nooit zo gek geweest, dat zij zonder meer, alleen op een bluf, aan het bestaan van tovenarij geloofden. Zelfs de domste onder hen waren er wel degelijk van overtuigd, dat men, om een dergelijke macht te verkrijgen, allereerst macht en beheersing over zichzelf moet bezitten, dat men daarbij over zekere eigenschappen moet beschikken en zelf steeds weer bepaalde dingen zal moeten doen, voor men over de geestenwereld kan heersen en wonderen tot stand zal kunnen brengen.

In deze dagen wordt de magie meer en meer verwaarloosd, maar het magische denken bestaat nog steeds. Wie bv. denkt, dat hij de maatschappij wil verbeteren, heeft een in zekere zin magische gedachte. Hij zal echter alleen slagen, wanneer hij zelf leeft volgens het schema, dat hij in zich draagt voor die ideale maatschappij. Doet men dit, dan ontstaan vaak snelle en opvallende resultaten. Doet men dit niet, dan bereikt men nooit iets blijvends. Geen wonder, dat men tegenwoordig niet meer in magie wil geloven. Waar zijn de mensen, die de moed hebben om alle risico’s te dragen, die daaraan verbonden zijn en zich beheersen willen en leven willen volgens de vaste regels, die daarbij behoren?

Maar er zijn ook nu nog magiërs. De Chinezen weten dit heel goed. De Chinezen werden, toen zij binnentrokken in Tibet, door vele eigenaardige gebeurtenissen tegen gehouden. Hun plannen werden op onbegrijpelijke wijze voorzien. Daarbij waren steeds weer magiërs betrokken.

Ofschoon zij niet aan de beheersing van geesten enz. geloofden, namen zij toch aan, dat bepaalde magiërs dingen wisten en welke door Chinezen niet werden beheerst. Men heeft daarom een aantal magiërs enige tijd na de definitieve overwinning in dienst genomen. Hoe zij van deze mensen gebruik weten te maken, wordt misschien het beste gedemonstreerd door het feit, dat een dorjé uit een klooster nabij Lhasa, die als magiër een grote roep had, nu als functionaris optreedt voor de politieke politie in Peking. Hij wordt niet gebruikt om iets magisch op te knappen, maar men geeft hem een functie als coördinator; naar ik meen met de gedachte dat hij, die beschikt over geestelijke ogen, oren en handen, in staat is de verschillende onderzoekingen te controleren uit de veelheid van gegevens, daardoor ook de juiste gevolgtrekkingen te maken, en zo juist en onopvallend mogelijk ingrijpen van de machtshandhavers tot stand weet te brengen.

Een lama van rond 50 jaar in Peking als ambtenaar van politie! Het lijkt belachelijk. Maar er zijn meer dergelijke gevallen. Bij de actie, die China onderneemt om Mongolië en Buiten-Mongolië geheel onder zijn invloed te brengen – tot op heden heerst in wezen Rusland hier nog – maakt men eveneens gebruik van magiërs en lama’s. Ook zijn mij tenminste twee gevallen bekend van functionarissen, die neergeschoten mensen uit de dood tijdelijk lieten opwekken volgens de riten van de necromanten, om zo bepaalde vragen beantwoord te krijgen. Zij handelden daarop, alsof de gegeven antwoorden door deze doden zelf waren gegeven. Waaruit wel blijkt, dat zelfs de materialistische Chinezen voor de Tibetaanse magie respect hebben. Al zullen zij niet geloven aan de geesten en demonen, die de magiërs zeggen te bezweren en op te roepen, zij zijn er toch kennelijk van overtuigd, dat deze mensen op een vreemde manier dingen kunnen weten, die anderen niet te weten kunnen komen en zelfs tot op zekere hoogte over het leven en werken van anderen meester kunnen zijn.

Er zijn zelfs bepaalde kloosters, die, zelfs nu nog, door de bezetters gerespecteerd worden. Dit zijn kloosters, waar vaak profetieën gegeven werden. Het klooster van de Drie Blinden bv., dat gezien het verzet tegen dergelijke godsdienstig-magische werkzaamheden al lang uitgeroeid zou moeten zijn, maar waar in feite bij elke profetie waarnemers van het rode bewind aanwezig zijn, om naar de voorspellingen te luisteren en zelfs rekening houdt met dergelijke uitspraken in productie en politiek. Dit is misschien wel alleen mogelijk, omdat het volk van China, met al zijn openlijke nuchterheid, toch ergens zich verbonden voelt met de oude wereld van mystieke draken, geesten enz. Zeker is, dat het rekening houden met deze voorspellingen en raadgevingen, voor de rode bewindhebbers goede resultaten heeft opgeleverd. Zelfs bepaalde geschillen tussen Rusland en China, maar ook de toenaderingspogingen die de laatste tijd steeds weer worden gedaan, zijn bv. voor een deel mede bepaald door aanwijzingen en raadgevingen, die werden gegeven in het klooster der 1000 Boeddha’s. Hier werd o.m. gesteld, dat China eerst moet leren zichzelf industrieel te redden, maar dat, zodra mogelijkheden daartoe bestaan, opnieuw een eenheid met Rusland moet zoeken en zelfs een gelijkheid met deze staat zal moeten aanvaarden. Zou men dit niet doen, dan zou het land in korte tijd door revoluties en opstanden vernietigd worden. Ook over het gedrag in dit jaar zijn bepaalde prognoses gegeven.

Ik meen dat wij over enkele maanden als gevolg daarvan enkele vreemde acties van China zullen zien. Dit was dan een kleine beschrijving van de Tibetaanse magie.

  • De Dalai Lama woont nu in India. Hoe ziet u het verdere verloop van zijn leven? Hoe gaat het verder?

De huidige Dalai Lama is de laatste van de geïncarneerden. Zijn heengaan betekent dan ook het einde van de cyclus en het einde van het geestelijke regime in Tibet. Overigens staat dit reeds lange tijd vast volgens oude voorspellingen. Men kan zeggen, dat hij geen taak meer heeft op het ogenblik. Hetzelfde geldt voor de grotere pänchen lama’s, die misschien, nu nog gereïncarneerden uit het verleden zijn, maar ook zij zullen met het huidige leven hun hergeboorten in Tibet en hun werken in dit land af moeten sluiten. Er zal voor de Dalai Lama geen opvolger meer in de geest zijn, al zal men misschien trachten een opvolger op aarde voor hem te vinden. Dit zou alleen politieke betekenis hebben, berusten op bedrog en is volgens mij niet bepaald nuttig om te doen. De geestelijke hiërarchie in Tibet is ten einde.

  • Is voor magie begrip nodig?

Ja. Er is ook begrip voor nodig. Magie berust op kennis, maar daarnaast ook op gevoel, wil en een gerichte voorstelling. Gericht wil zeggen, dat de voorstelling beperkt moet zijn, zoveel mogelijk gaaf dient te zijn – een percentage van juistheid van rond 94 ten 100 is wenselijk – zoals ik reeds aanduidde. Dit laatste betreft de voorstelling en heeft dus niets te maken met de uitbeelding daarvan, zoals zij binnen de magische riten gebruikt wordt. Dan eerst kan dus gesproken worden van een werkelijk magisch werken. Omdat de voorstelling een zo grote rol speelt, kan men nooit stellen, dat een tekening of mandala op zich magie is. Zij is dit alleen, wanneer daarmee een voorstelling gepaard gaat, die perfecter is dan de weergave, die alleen een symbool van de in de voorstellingswereld levende werkelijkheid is. Eventueel kan men hier nog stellen: Een begrip van het symbool in zijn geheel is niet noodzakelijk. De daarmede gepaard gaande voorstelling in het Ik echter moet juist zijn en is onontbeerlijk.

  • Waarom hielden de lama’s eerst de Chinezen tegen, om later te vertrekken?

 De vraag is niet geheel juist geformuleerd, want u impliceert hier, dat het in beide gevallen dezelfde lama’s waren. En dat is niet juist. De aftocht van bepaalde belangrijke boekwerken, kunstwerken en personen werd door de magie van de lama’s inderdaad gedekt en mogelijk gemaakt. Maar wanneer die taakvervulling ten einde was, waren deze magiërs verder vrij en zouden zij zelfs, indien zij dit wensten, verder met de Chinezen samen mogen en kunnen werken. Hieraan zal ik onmiddellijk toevoegen, dat degenen onder de magiërs, die met de Chinezen tot een samenwerken kwamen, hoofdzakelijk magiërs en eerwaardige monniken uit de omgeving van Lhasa waren, dit, omdat men daar meer wereldse begrippen kende en er een geheel andere mentaliteit heerste dan in de zuidelijke kloosters. De monniken waren meer gewend aan een zuiver werelds bestaan en traden op als kooplieden, dokters en horoscooptrekkers, terwijl zij aan de andere kant toch magiërs en kloosterlingen bleven. Dit betekende, dat zij minder gehecht waren aan eenzaamheid en kloostergebruiken dan de monniken uit de kleinere kloosters. Zij gingen voor een groot deel op in de bevolking. Degenen, die heengingen, waren dus niet noodzakelijkerwijze ook dezelfde, die met magie de Chinese opmars vertraagden. In de meeste gevallen zou dit zelfs magisch onmogelijk zijn.

  • Is dit samenwerken met de Chinezen geen verraad?

Naar ik meen: neen. De man bv., waarvan ik u sprak, de man, die werkt in Peking, voorkomt veel onrecht en is in staat om heel wat ongerechtvaardigde terreurdaden – volgens de in China geldende normen dan – te voorkomen. Zijn werken met magie is dus volgens mij zuiver wit, ten bate van de mensheid, niet te eigen bate, en zo te rechtvaardigen. In Kwan-fehow  daarentegen is een Bönn-priester magisch werkzaam, die zijn gaven alleen gebruikt, om zichzelf een uitzonderingspositie te verschaffen. Al zal veel van hetgeen hij bereikt ook anderen ten goede kunnen komen, zo meen ik, dat wij hem een zwartmagiër zullen moeten noemen en zijn werken niet gerechtvaardigd kunnen achten. Ook al zullen beiden onder zekere omstandigheden misschien precies hetzelfde presteren en dezelfde procedures gebruiken, toch noem ik de laatste een zwartmagiër en, zo u dit wenst, een verrader. Want het is niet de magie zelf, die de aard daarvan bepaalt. Het is het standpunt, waaruit de magiër het werk benadert, dat voor de definitie daarvan bepalend is.

  • Is een Dalai Lama een werkelijke incarnatie van zijn voorganger?

Niet altijd in directe zin. In meerdere gevallen beantwoorden de gekozen personen aan alle eisen, als het uit vele honderden gebedssnoeren herkennen van het eigen snoer van hun voorganger, het spreken van de kenwoorden, die dezen hadden opgegeven enz. Zij doen dit echter meer als medium dan uit eigen vermogen. Toch worden ook deze personen als een incarnatie van de geest, die hen in beslag neemt, beschouwd. Onjuist lijkt mij dit overigens niet, omdat de geest van hun voorganger immers steeds weer via deze personen tot uiting komt. Ik wijs u daarbij op het feit, dat het begrip reïncarnatie bv. in Europa weer anders wordt gehanteerd dan in Tibet of India. De aan te leggen norm in dit geval lijkt mij die van het land, i.c. Tibet, te moeten zijn, waarin het verschijnsel zich voordoet.

Aan het einde van deze lezing wil ik dan nog opmerken, dat de magie van Tibet ook in deze dagen nog invloed heeft. Algemeen kunnen wij ook stellen, dat de dingen, die men magie noemt, ook in deze dagen heel wat meer invloed hebben, dan u denkt. Langs deze wegen kan de geest vaak invloed uitoefenen binnen op zich zeer besloten en geheime gemeenschappen van militaire en politieke aard. Ook langs deze weg wordt op het ogenblik hard gewerkt.

Ten laatste, wanneer u het woord magie hoort, denk a.u.b. niet aan een bijgeloof of aan iets, wat nu toch wel voorbij is. Denk er aan als een ook nu actieve mogelijkheid tot beïnvloeding van het heden, waarbij de uiterlijkheden steeds van minder belang schijnen te zijn, maar waarin de magische hoofdwetten nog steeds dezelfde belangrijke rol spelen.

Esoterie

Wij zullen dit deel van de bijeenkomst wijden aan wat populaire esoterie. En om maar meteen met een verhaal te beginnen?

Petrus staat aan de hemelpoort te wachten en ziet iemand naar boven komen. Deze ziel stijgt, met een razende vaart, zodat de sleutelbewaarder al denkt: Daar komt vast een heilige aan. Tot zijn grote verbazing maakte de ziel echter kort voor de hemelpoort rechtsomkeer. Het werd een steile duikvlucht. Terwijl Petrus nog staat te kijken, hoort hij in de warme beneden afdeling van de eeuwigheid een daverende klap. Hij vraagt zich af, wat dat toch wel geweest kan zijn en neemt de telefoon. Hij belt de hel op en zegt: Hallo, Bub, ik wilde eens vragen, wat er zo-even eigenlijk bij jullie terecht gekomen is. O, antwoordde Bub, niets bijzonders. Een esotericus. Hij kon wel stijgen, maar geen richting houden.

Dit verhaal lijkt mij een goed begin voor dit betoog. Want dit verhaal van de esotericus is toch wel een zeer sprekend voorbeeld van wat er gebeuren kan, wanneer je bij je streven de richting kwijt raakt. Nu kan esoterie wel eens voeren tot zelfbedrog, wat dan weer voert tot ondergang. Want jezelf kennen, wil niet alleen maar zeggen, dat je je een beeld moet maken van jezelf. Het betekent daarnaast, dat je moet leren afstand te doen van de vele denkwijzen en vooroordelen, die voor je werkelijk bestaan van weinig of geen belang meer zijn. Hoe je daarmede nog meer vast kunt lopen, kan het volgende verhaal illustreren.

Petrus stond aan de hemelpoort, toen uit de richting van de USA een oude neger aan kwam sjokken. Petrus informeerde, of de man misschien last had gehad van de K.K.K. of zo iets, maar deze sprak: “God heeft mij eindelijk de kans gegeven naar Hem toe te komen. En daar ben ik blij om, want zoals het nu op aarde is, kan ik het maar moeilijk verwerken.” Petrus kijkt natuurlijk, zoals altijd, op de lijst, of er voor de neger een visum klaar lag. Terwijl hij zo bezig was, kwam bij de hemelpoort zo’n volbloed Amerikaan aan. Die begon onmiddellijk: “Hello, Saint Peter, here I am. Have a cigar.” Petrus weigerde net beleefd het aanbod met de verklaring, dat hij sedert al die drukte over longkanker niet zoveel meer rookte, toen de Amerikaan de neger zag staan.

Verontwaardigd vroeg de zoon van Uncle Sam, of die neger hier nu wel naar binnen zou mogen. Zeker, antwoordde Petrus, natuurlijk. Hij heeft een visum, dus…. “Maar is er dan geen aparte hemel voor de negers?” informeerde de Amerikaan. Neen, sprak Petrus. Zoiets hebben wij hier niet. Als je eenmaal bij God wordt toegelaten, zijn alle zielen gelijk. Dat viel niet in goede aarde.

De man wilde alleen in een hemel voor uitsluitend blanken. “Hebben wij niet”, antwoordde Petrus, “maar probeert u het eens bij de hel. Misschien dat ze daar wel een dergelijke afdeling hebben.” Maar ook daar kon de man niet terecht; wanneer een ziel slecht genoeg is, krijgt hij een plaats in de hel en huidskleur of ras spelen daarbij geen rol. Als een tussenmaatregel is nu de Amerikaan voorlopig spook op een Schots kasteel, tot hij besloten heeft, of hij eventueel toch maar liever naar hemel of hel zal gaan. Tot nu toe hoopt hij alleen maar zoveel tot het toeristenverkeer bij te kunnen dragen, als het monster van Loch Ness.

Een leuk verhaal, waaruit de esotericus echter meer dan een grap kan halen: In de hemel en in de hel zijn alle mensen gelijk en telt alleen hun verdienste. Waarom kunnen dan niet alle mensen als gelijk worden beschouwd op aarde? En denk nu niet alleen aan een neger en een negerhater. Want wanneer men een bepaald esoterisch systeem volgt, zal men een ander strevende mens vaak wel op ongeveer gelijke wijze bezien. Ziet men de ander als minderwaardig dan maakt men het zo zichzelf onmogelijk om tot een juiste integratie van eigen persoonlijkheid te komen. Men komt ook niet tot het erkennen van een eigen juiste plaats in de kosmos. Want allen zijn wij ergens een beetje een deel van elkaar, of wij dit nu willen toegeven of niet. Zo wij deze gemeenschap kunnen vinden, zullen wij bewustwording bereiken. Wij hoeven dan niet alles te aanvaarden, wat anderen ons zeggen. Maar door ons respect voor hun wijze van denken zullen wij ons eigen standpunt zuiverder leren zien, ons denken verrijken en zo dichter tot ons einddoel komen. Wie zich boven anderen verheven wil gevoelen, zweeft tussen hemel en hel, tussen leugen en waarheid en heeft aan geen van beiden deel. Ten slotte nog een derde verhaal, waaruit uzelf uw conclusie moogt trekken! Petrus stond te praten aan de hemelpoort. Hij zit daar niet ongezellig, en zo willen de hemelingen hem nog wel eens gezelschap houden. Vooral bij de loggia zit men graag. Vandaar kun je zien, of er iemand aankomt. Maar volgens Petrus loopt het tegenwoordig zo hard niet meer. Deze dag was hij in gesprek met Heer Jezus, toen, mismoedig en boos, een oude Jood bij de hemelpoort aankwam.

Ik ga wel even met je mee, want ik vind het altijd weer leuk iemand van mijn oude volk te treffen, sprak Jezus. Maar net kwamen de twee aan de hemelpoort, dan begon de Jood al te spreken. “Blij dat u er bent, heren. Laat mij a.u.b. gauw naar binnen, want ik moet de Vader vragen mij te wreken.” “Hoe zo?” vroeg Jezus. “Wel”, sprak de jood, “men heeft mij uitgescholden voor vuile rotjood, en dat neem ik niet.” “Och”, sprak Jezus. “Trek je daar toch niets van aan. Mij schelden ze zo vaak uit. Ik ben ook een vuile rotjood en nog heel wat meer. Maar zolang ik mijzelf ben, kan niemand mij daarmede beledigen.”

Menige esotericus en heel veel gewone mensen hebben de neiging zich onmiddellijk gekwetst te voelen. Zij vergeten, dat dit geen zin heeft. Weet, dat je anders bent, dan de belediger zegt en toon het met je daden. Wie zich wil wreken, toont daarmede alleen maar aan, dat de ander mogelijk toch gelijk heeft. Waarmee ik voor heden afscheid van u neem.

 

 

image_pdf